Permanente link
Naar de actuele versie van de regeling
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR761374
Naar de door u bekeken versie
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR761374/1
Beleidsregels uitwegen gemeente Voorst 2026
Geldend van 05-05-2026 t/m heden
Intitulé
Beleidsregels uitwegen gemeente Voorst 20261. ALGEMEEN
1.1. Inleiding
Regelmatig wordt de gemeente om vergunning gevraagd voor het maken, hebben of veranderen van uitwegen ten behoeve van woonhuizen, bedrijven, instellingen, agrarische gronden etc. In artikel 2.1.5.3. van de Algemene plaatselijke verordening (hierna: Apv) is geregeld dat de handeling van aanvragen om vergunning voor het maken, het hebben of het (gebruik) veranderen van een uitweg bij het college van burgemeester en wethouders (hierna: college) berust. Een aanvraag voor een omgevingsvergunning wordt ingediend via het Omgevingsloket, dat onderdeel is van het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). Voor het in behandeling nemen van de aanvraag worden leges in rekening gebracht, wat betekent dat er ook leges verschuldigd zijn als er uiteindelijk geen vergunning voor de uitweg wordt verleend.
De afweging die het college maakt bij het al dan niet vergunnen van een uitweg is essentieel. In de Apv zijn voor de beoordeling van aanvragen om een vergunning weigeringsgronden opgenomen. Om, in lijn met de Apv, een eenduidige invulling te geven aan deze weigeringsgronden geeft het college in de "Beleidsregels uitwegen gemeente Voorst 2026" een concreet toetsingskader voor het verlenen of weigeren van een omgevingsvergunning. Een duidelijk en eenduidig toetsingskader bevordert een consequente en consistente afhandeling van aanvragen voor omgevingsvergunningen die zien op het aanleggen, hebben of veranderen van uitwegen.
1.2. Doel
Met deze "Beleidsregels uitwegen gemeente Voorst 2026", die de "Beleidsregels uitwegen gemeente Voorst 2011" van 6 december 2011 vervangt, wordt beoogd het college een concreet en transparant afwegingskader te geven ter beoordeling van aanvragen om vergunning voor gewenste uitwegen op grond van artikel 2.1.5.3 van de Apv. Daarmee is verzekerd dat vergunningaanvragen op gelijke wijze worden behandeld. Dat komt de rechtszekerheid en rechtsgelijkheid ten goede. Daarnaast wordt er in dit document aandacht aan geschonken dat het de gemeente vrijstaat op basis van haar (privaatrechtelijke) eigendomsrecht aanvullende eisen te stellen ten aanzien van de wijze van aanleg en materiaalkeuze, althans voor wat betreft het deel van de uitweg dat zich op gemeentegrond bevindt.
1.3. Wettelijk kader
In de Algemene plaatselijke verordening (Apv) is opgenomen dat het zonder vergunning verboden is een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.
Per 1 januari 2026 luidt artikel 2.1.5.3 van de Apv als volgt:
Artikel 2.1.5.3 (Omgevings)vergunning voor het maken, hebben, veranderen van een uitweg
-
1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het college:
-
a. een uitweg te maken naar de weg;
-
b. van de weg gebruik te maken voor het hebben van een uitweg;
-
c. verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.
-
2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg verstaan wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat.
-
3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 kan de vergunning als bedoeld in het eerste lid worden geweigerd in het belang van:
-
a. de bruikbaarheid van de weg;
-
b. het veilig en doelmatig gebruik van de weg;
-
c. de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving;
-
d. de bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente.
-
4. Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale Omgevingsverordening of Waterschapsverordening.
2. Bijkomende noodzakelijke toestemmingen/vergunningen
Voor het realiseren van een uitweg kunnen naast de daarvoor benodigde omgevingsvergunning andere vergunningen of toestemmingen nodig zijn. Daarnaast kan het voorkomen dat er, ondanks het ontbreken van redenen om een aanvraag voor een vergunning voor een uitweg te weigeren, eigendomsverhoudingen of andere regelgeving in de weg staan aan de komst van de gewenste uitweg. De uitweg mag dan niet gerealiseerd worden, ondanks de omstandigheid dat de vergunningaanvraag niet voor een weigering in aanmerking komt. Hierna komen een aantal reguleringsinstrumenten aan de orde die kunnen samenlopen met de vergunningaanvraag:
-
• omgevingsplan;
-
• omgevingsvergunning;
-
• Waterschapsverordening Waterschap Vallei en Veluwe;
-
• toestemming van andere eigenaren;
-
• toestemming van eigenaren van nutsvoorzieningen.
Omgevingsplan
Voor alle gronden in de gemeente Voorst is een integraal omgevingsplan van toepassing. Het omgevingsplan bepaalt onder meer hoe gronden mogen worden gebruikt. De functie van het perceel kan zich er tegen verzetten dat een uitweg wordt aangelegd. Daarbij kan onder andere gedacht worden aan de functies: "Bos", "Natuur", "Groen" en "Houtopstanden". Op zo'n perceel mag dan geen uitweg worden aangelegd, zelfs niet als weigering van een uitwegvergunning op basis van de in de Apv opgenomen toetsingscriteria niet aan de orde is.
Voor een deel van de gronden geldt dat daarop zonder omgevingsvergunning geen werken of werkzaamheden mogen worden aangelegd. Het gaat daarbij vaak om graafwerkzaamheden, het aanbrengen van verhardingen, het dempen van sloten of het kappen van bomen of bosschages.
Omgevingsvergunning
Om een uitweg te realiseren moet in sommige gevallen een houtopstand worden gekapt. In de gemeente Voorst geldt een kapverbod voor bepaalde houtopstanden. Alleen met een omgevings-vergunning, activiteit velen van houtopstanden mogen die worden gekapt.
Het kan dus voor komen dat voor een uitweg twee gemeentelijke reguleringsinstrumenten in beeld zijn, die samenkomen in één omgevingsvergunning. Het gaat dan om de volgende activiteiten:
-
• activiteit: maken, hebben of veranderen van een uitweg;
-
• activiteit: vellen van houtopstanden
Als er strijdigheid is met één of meer van de reguleringsinstrumenten dan kan/mag de uitrit uiteraard niet worden aangelegd.
Waterschapsverordening
Omvat het aanleggen van een uitweg ook een ingreep in een watergang (sloot) dan kan verlening van een omgevingsvergunning door het Waterschap Veluwe op basis van de Waterschapsverordening aan de orde zijn. In bepaalde gevallen kan volstaan worden met een melding.
Toestemming andere eigenaren
Als het een uitweg betreft waarvoor, om de (openbare) weg te bereiken, eerst gebruik moet worden gemaakt van het perceel van een derde dan is ook zijn toestemming noodzakelijk. Andere eigenaren kunnen particulieren zijn, maar ook overheden zoals de Provincie Gelderland of het Waterschap Vallei Veluwe. Het niet geven van de toestemming door de andere eigenaar is echter geen grond om vergunning voor het maken of veranderen van een uitweg te weigeren. Een vergunning als bedoeld in artikel 2.1.5.3. van de Apv zegt dus niets over de mogelijkheid om grond van een derde te kunnen gebruiken.
Toestemming eigenaar nutsvoorziening
Het kan voor komen dat een bovengrondse nutsvoorziening (versterkerkast, controlekast, traforuimte e.d.) verplaatst moet worden om een uitweg te kunnen realiseren. De nutsvoorzieningen zijn eigendom van het nutsbedrijf of de gemeente. De aanlegger van de uitweg heeft toestemming nodig om de nutsvoorzieningen te (laten) verplaatsen. Meestal zal het nutsbedrijf dan wel de gemeente zelf de nutsvoorziening (laten) verplaatsen. De kosten worden dan door het nutsbedrijf in rekening gebracht bij de aanvrager.
3. Belangenafweging bij beoordeling aanvragen
Bij de beoordeling van vergunningaanvragen als bedoeld in artikel 2.1.5.3 van de Apv worden meerdere belangen tegen elkaar afgewogen. Enerzijds is er het belang van degene die zijn perceel wenst te ontsluiten op de openbare weg. Anderzijds spelen de volgende (algemene) belangen een rol:
3.1. bruikbaarheid van de weg
De bruikbaarheid van de weg is van belang. Het wegverkeer mag geen overmatige hinder ondervinden van de aanwezigheid en het gebruik van de uitweg en voorzieningen moeten bereikbaar blijven.
3.2. veilig en doelmatig gebruik van de weg
De veiligheid van het verkeer op de weg is een zwaarwegend criterium. Een uitweg mag geen gevaarlijke situatie opleveren.
3.3. uiterlijk aanzien van de omgeving
De aanwezigheid van een uitweg dient geen negatief effect te hebben op het uiterlijk aanzien van de omgeving. Met omgeving wordt bedoeld de openbare ruimte, het straatbeeld en de stedenbouwkundige, cultuurhistorische, landschappelijke en groene waarden daarvan. Deze mogen niet onevenredig negatief worden aangetast door de uitweg.
3.4. groenvoorzieningen in de gemeente
Een uitweg mag niet ten koste gaan van gemeentelijk groen. Slechts in uitzonderlijke gevallen kan van dit uitgangspunt worden afgeweken.
4. Wat is een uitweg?
Een uitweg, ook wel inrit, uitrit of oprit genoemd, is de openbare ruimte die dienst doet als aansluiting voor rijdend wegverkeer vanaf een particulier erf op de openbare weg. De aansluiting van een voet- of tuinpad van eigen perceel op de openbare weg/trottoir, uiterlijk herkenbaar als voet- of tuinpad met een maximale breedte van 1.20 m. wordt niet gezien als een uitweg. Deze beleidsregels zijn daarop dan ook niet van toepassing.
Feitelijk gaat het om de toestemming die nodig is om met een (motor)voertuig naar een perceel te gaan, waarbij veelal sprake is van aanleg van de uitweg, waarbij aanpassing van de openbare ruimte noodzakelijk is. Er zijn echter ook voorbeelden waarbij de uitweg niet aangelegd hoeft te worden en/of fysiek waarneembaar is in het straatwerk. Zo is er bij gelijkvloerse aansluitingen (zoals grindbermen of andere verhardingen) ook sprake van een uitweg als de ruimte gebruikt wordt als in- en uitgang zoals hierboven beschreven. Ook in die gevallen is er een vergunning vereist voor gebruikmaking van de weg als uitweg.
Wanneer de uitweg onderdeel uitmaakt van een 'grotere' omgevingsvergunning, bijvoorbeeld voor de bouw van een woning, wordt de uitwegvergunning geacht onderdeel te zijn van de toetsing van de aanvraag voor de desbetreffende omgevingsvergunning.
5. Begripsomschrijvingen
In deze beleidsregels wordt verstaan onder:
-
a. Algemene plaatselijke verordening (Apv): De rechtsgeldige versie van de Algemene plaatselijke verordening van de gemeente Voorst;
-
b. aanvrager: degene die op grond van artikel 2.1.5.3 van de Apv vergunning vraagt voor het hebben of maken van een uitweg naar de weg of verandering aan te brengen in een bestaande uitweg naar de weg;
-
c. bebouwde kom: de gebieden binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994;
-
d. Breedte: Bij de breedte van een uitweg wordt in deze regels de effectieve breedte bedoeld die uitmondt op de rijbaan. Dit is de breedte exclusief ruimte benodigd voor boogstralen. Het is hierbij niet van belang of de uitweg al dan niet van verhardingsmaterialen voorzien is;
-
e. College: Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Voorst;
-
f. Grotere bedrijfscomplexen: bedrijfscomplexen die een frontbreedte, waarmee bedoeld wordt het deel dat aan de openbare weg grenst, van ten minste 50 meter hebben.
-
g. Omgevingsplan: Integraal plan dat gemeentelijke regels voor de fysieke leefomgeving bevat;
-
h. Uitweg: De uitweg is de ruimte (uitgedrukt in lengte en breedte) die dienst doet als in- en uitgang voor voertuigen ter ontsluiting van gebouwen, bouwwerken niet zijnde gebouwen (bijvoorbeeld telecommunicatiemasten) of percelen op de openbare weg. Met "uitwegen" worden in deze notitie ook "in- en uitritten", "opritten" evenals de verbreding van "uitwegen", "inritten" en "opritten" bedoeld. Voor nadere informatie over het begrip uitweg wordt verwezen naar onderdeel 5 van deze beleidsregels;
-
i. Voortuin: Tuingedeelte dat zich tussen de voorgevel van de woning en de openbare ruimte bevindt;
-
j. Weg: weg, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b van de Wegenverkeerswet 1994 (alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten).
6. Toetsingscriteria
Dit onderdeel bestaat uit specifieke criteria die gebruikt worden bij de beoordeling van aanvragen om een omgevingsvergunning voor het maken, hebben of veranderen van een uitweg.
6.1. Toetsingscriteria uitwegen binnen en buiten de bebouwde kom
Burgemeester en wethouders weigeren vergunning voor een nieuwe uitweg en de verandering van een bestaande uitweg indien:
Bruikbaarheid van de weg
-
a. de uitweg zorgt voor een verstoring van de afwatering;
-
b. door het maken van een uitweg of het veranderen van een bestaande uitweg nadelige gevolgen optreden voor de functionaliteit van straatmeubilair, verkeersvoorzieningen of onderdelen van het gemeentelijk riool en/of de nutsvoorzieningen;
-
• Indien mogelijk kan van weigering worden afgezien als verplaatsing van deze voorziening(en) mogelijk is (zijn) en de aanvrager de daarmee gemoeide kosten wil dragen;
-
c. er een verzamelpunt voor afvalcontainers verloren gaat en er geen alternatieve locatie in de directe nabijheid voorhanden is;
-
d. de uitweg tot gevolg heeft dat één of meer openbare parkeerplaatsen komen te vervallen, tenzij die binnen een afstand van 50 meter van de uitweg, op kosten van de melder, kan dan wel kunnen worden gecompenseerd;
-
e. een uitweg ten koste gaan van een parkeerplaats, specifiek bedoeld voor het laden van elektrische voertuigen of van een parkeerplaats die als gehandicaptenparkeerplaats is ingericht, waarbij het niet van belang is of het een algemene of individuele gehandicapten-parkeerplaats betreft;
-
f. het om een uitweg gaat die direct aansluit op een al dan niet van een voetpad/trottoir voorziene openbare weg, waarbij zich tussen het particuliere terrein en de openbare weg geen groenstrook bevindt en het mede daardoor voor verkeersdeelnemers niet zichtbaar en daarmee duidelijk is waar de uitweg zich precies bevindt;
Veilig en doelmatig gebruik van de weg
-
g. de gewenste uitweg ten behoeve van een woning breder is dan 3,5 meter. Verbreding tot maximaal 6 meter is mogelijk in uitzonderlijke gevallen. Een mogelijk uitzonderlijk geval kan het bezit van een dubbele garage zijn. Door de aanvrager dient beargumenteerd te worden aangegeven dat er sprake is van een uitzonderlijk geval;
-
h. bij een dubbele uitweg ten behoeve van twee woningen de maximale breedte meer dan 6.00 meter bedraagt. Het samenvoegen van twee naast elkaar gelegen maar aparte uitwegen tot één uitweg is dus alleen mogelijk als de totale breedte van de (gezamenlijke) uitweg maximaal 6.00 meter bedraagt;
-
i. de gewenste uitweg ten behoeve van een niet in een (voormalige) woning gevestigd bedrijf breder is dan 7,00 meter of de gewenste uitweg ten behoeve van een in een (voormalige) woning gevestigd bedrijf breder is dan 3,5 meter;
-
j. er al een uitweg aanwezig is;
-
In afwijking van het vorenstaande kunnen burgemeester en wethouders een tweede uitweg dan wel nog meer uitwegen toestaan, mits aan één of meerdere van de volgende aanvullende voorwaarden voldaan wordt en de overige beleidscriteria niet in het geding zijn:
-
Het betreft:
-
• de ontsluiting van een woning, staande op een perceel met een frontbreedte van ten minste 25 meter, mits daardoor geen versnippering optreedt in het straatbeeld, de afstand tussen de uitwegen, gemeten aan de wegzijde van het perceel, groter is dan 15 m., de breedte van elk van de uitwegen maximaal 3.5 m. is én de noodzaak van een tweede uitweg onomstotelijk wordt aangetoond, gelet op de bruikbaarheid van het perceel;
-
• de ontsluiting van grotere bedrijfscomplexen, mits de noodzaak van een tweede uitweg onomstotelijk wordt aangetoond gelet op de bruikbaarheid van het perceel. Meerdere uitwegen worden toegestaan, met dien verstande dat per ten minste 25 meter frontbreedte slechts één uitweg met een maximale breedte van 7 m. aanvaardbaar is en de afstand tussen de inritten groter is dan 15 m;
-
• de ontsluiting van een agrarische bedrijf, waarvan het perceel op een dusdanige wijze is ingericht dat niet met één uitweg aan het principe 'vuile uitweg – schone uitweg' kan worden voldaan.
-
Wanneer voldaan wordt aan één of meerdere van de in j genoemde voorwaarden dan mogen in geval van twee uitwegen deze gecombineerd worden tot één brede (dubbele) uitweg van maximaal 6 m. breed bij woningen en maximaal 14 m breed bij grotere bedrijfscomplexen, waarbij de afstandseis tussen de uitwegen vervalt;
-
k. de uitweg komt te liggen op of in de directe nabijheid van een rotonde, kruising, splitsing van wegen, opstelstroken dan wel voorsorteervakken;
-
l. de uitweg komt te liggen op een plaats waar onoverzichtelijke en/of onveilige situaties kunnen ontstaan;
-
m. de uitweg komt te liggen op een plaats waar verlichting en/of bebording is aangebracht en deze uit oogpunt van veilig gebruik van de weg niet verplaatst kan/kunnen worden;
-
n. de aanleg van de uitweg de verkeersdoorstroming in belangrijke mate zal kunnen belemmeren;
-
o. deze komt te liggen op een plaats op het perceel van de aanvrager waar de ruimte voor het plaatsen van een personenauto in de lengterichting en daarmee haaks op de weg minder dan 5 meter zou bedragen;
-
p. een gesloten verharding – zoals asfalt, beton of bedrijfsvloerplaten – wordt toegepast, althans op gemeentegrond.
Uiterlijk aanzien van de omgeving
-
q. de uitweg leidt tot parkeren in de voortuin van woningen. Van een verbod tot het parkeren in de voortuin van woningen is geen sprake als de mogelijkheid van (mede)gebruik van de tuin als parkeerplaats expliciet planologisch is toegestaan. Wanneer er naast de woning een grondstrook met een breedte van 2.5 m of meer als parkeerplaats voor een motorvoertuig beschikbaar is, ongeacht of deze strook zich voor of achter de rooilijn bevindt, kan positief worden beschikt op een aanvraag, mits er geen redenen zijn de vergunning te weigeren op grond van één of meerdere van de overige weigeringsgronden.
-
Groenvoorzieningen in de gemeente
-
r. er sprake is van houtopstanden en bomen, die pas na het afgeven van een omgevings-vergunning gekapt mogen worden, moeten wijken in verband met het maken of veranderen van uitwegen, tenzij de hiervoor vereiste omgevingsvergunning is verleend;
-
s. de uitweg is geprojecteerd in gemeentelijk 'groen' zoals is aangegeven op de Basiskaart Grootschalige Topografie (BGT) en/of in het Omgevingsplan de functie van gemeentelijk 'groen' heeft;
-
t. verhardingsmateriaal, waarmee de uitweg wordt gerealiseerd, op een afstand van minder dan 2,5 meter van de stam van een bij de gemeente in eigendom zijnde boom, wordt aangebracht.
6.2. Aanvullende toetsingscriteria uitwegen binnen de bebouwde kom
Onverminderd het bepaalde in onderdeel 6.1. weigeren burgemeester en wethouders vergunning voor een nieuwe uitweg en de verandering van een bestaande uitweg binnen de bebouwde kom als:
Veilig en doelmatig gebruik van de weg
-
a. in verband met een aan de zijkant van een woning te bouwen of gebouwde garage of carport door de eigenaar van de woning een uitweg gewenst wordt, maar de ruimte in de lengterichting en daarmee haaks op de weg op eigen terrein vόόr de garage of carport minder dan 5 meter bedraagt;
-
b. het bedrijfsterrein niet groot genoeg is om voertuigen op eigen terrein te kunnen parkeren en/of laden en/of lossen op (geheel) eigen terrein niet mogelijk is, tenzij geparkeerd of geladen en/of geladen of gelost wordt op een wijze waarbij de vrachtwagen zich in de lengterichting van de weg bevindt en niet voor een verkeersonveilige situatie zorgt.
6.3. Aanvullende toetsingscriteria uitwegen buiten de bebouwde kom
Onverminderd het bepaalde in 6.1. weigeren burgemeester en wethouders vergunning voor het maken van een uitweg of verandering van een bestaande uitweg buiten de bebouwde kom indien:
Veilig en doelmatig gebruik van de weg
-
a. de gewenste uitweg ten behoeve van een niet bebouwd perceel, niet zijnde een woonperceel, bedrijfsperceel of een agrarisch perceel breder is dan 3,5 m. In afwijking hiervan is vergunning voor een bredere uitweg mogelijk indien:
-
• de openbare weg aantoonbaar niet breed genoeg is om de uitweg op redelijke wijze te bereiken of te verlaten;
-
b. bedrijven voor de bedrijfsvoering gebruik maken van voertuigen met een hele grote draaicirkel waardoor deze voertuigen het perceel niet op en af kunnen rijden zonder schade aan te richten aan de bermen naast of tegenover de uitweg;
-
c. door de gewenste uitweg de afwikkeling van het verkeer op de rijbaan belemmerd wordt;
-
d. de gewenste uitweg ten behoeve van een afzonderlijke agrarische perceel een breedte heeft van meer dan 5 m.
Uiterlijk aanzien van de gemeente
-
e. Bij functieverandering van vrijgekomen of vrijkomende agrarische bebouwing wordt afgeweken van het uitgangspunt dat de bestaande perceel ontsluiting wordt gebruikt voor alle woningen.
-
In situaties, waarbij historisch gezien sprake is (geweest) van een samenhangende éénheid, wordt niet meegewerkt aan verzoeken om elke woning afzonderlijk (op de openbare weg) te ontsluiten. Meerdere uitwegen worden aanvaardbaar geacht als uit een erfinrichtings- of beeldkwaliteitsplan blijkt dat er door de aanleg van een extra uitweg geen sprake is van een onaanvaardbare aantasting van het uiterlijk aanzien van de gemeente met dien verstande dat in een dergelijke situatie zoveel mogelijk aangesloten te worden bij de bestaande structuur van het landschap. Verder dient dan rekening te worden gehouden met bestaande en toekomstige nutsvoorzieningen, aansluiting op de openbare weg en bereikbaarheid bij calamiteiten door voertuigen voor hulpverlenende instanties (brandweer, ambulance, e.d.).
7. Aanvullende bepalingen
Bij de aanleg van een uitweg zijn er een aantal zaken waar rekening mee gehouden moet worden zoals de aanwezigheid van bermsloten, materiaalkeuze, kolken, riolering, signaleringskasten, lichtmasten, verkeersborden, bomen, etc.
7.1. Bermsloten
In bepaalde gevallen is het voor de aanleg van een uitweg nodig dat er een bermsloot gedempt wordt. Deze sloot kan in beheer zijn en onder schouw staan van het waterschap Vallei en Veluwe. In dat geval dient de aanvrager van de omgevingsvergunning het aanleggen van een dam te melden bij het waterschap. In andere gevallen worden de volgende voorwaarden gehanteerd:
-
• Er moet een duiker worden toegepast met een diameter van minimaal 300 mm, of, indien er bestaande duikers aanwezig zijn, minimaal van dezelfde diameter als die duikers;
-
• De duiker moet van beton of harde HDPE zijn, waarbij verbindingen waterdicht moeten worden uitgevoerd;
-
• De zijkanten van de dam dienen opgezet te worden met stapelzoden onder een helling van 1:1.
7.2. Eisen ten aanzien van aanleg en materiaalkeuze
Burgemeester en wethouders stellen, in aanvulling op een vergunning (op grond van haar eigendomsrecht en daarmee op basis van privaatrecht), eisen ten aanzien van de wijze van aanleg en materiaalkeuze, althans voor wat betreft het deel van de uitweg dat zich op gemeentegrond bevindt.
Gelet hierop staan burgemeester en wethouders niet toe dat bij de aanleg of verandering van een uitweg:
Aanleg, materialen en onderhoud
-
a. (het deel van) de uitweg op gemeentegrond binnen de bebouwde kom niet door of namens de gemeente wordt aangelegd en/of
-
b. bij de aanleg of wijziging van een uitweg buiten de bebouwde kom gebruik wordt gemaakt van andere dan door de gemeente voorgeschreven materialen.
7.3. Kolken, lichtmasten, verkeersborden
In bepaalde situaties kunnen zich bijzondere omstandigheden voordoen. Zo kan er een kolk liggen op de plek waar iemand een uitweg wil aanleggen, of kan er een verkeersbord of lichtmast in de berm staan. In voorkomende gevallen zal worden bekeken of de uitweg aangepast kan worden. Bij een kolk, verkeersbord of lichtmast kan gekozen worden voor het verplaatsen daarvan. De kosten hiervoor zullen bij de aanvrager van de omgevingsvergunning in rekening worden gebracht.
8. Beoordeling uitwegen die aansluiten op provinciale wegen
Voor uitwegen die aansluiten op provinciale wegen vraagt de gemeente advies bij de provincie. Bij tegenstrijdigheden tussen dit beleid en het advies van de provincie gaat het provinciale advies voor.
9. Aanleg uitwegen
Uitwegen binnen de bebouwde kom worden door de gemeente, voor rekening van de aanvrager aangelegd, terwijl uitwegen buiten de bebouwde door en voor rekening van de aanvrager mogen worden aangelegd. Het spreekt voor zich dat de aanleg of wijziging van een uitweg buiten de bebouwde dient plaats te vinden conform het daarover bepaalde in de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften.
10. Kosten
Alle kosten die gepaard gaan met de aanleg, verandering of verwijdering van de uitweg door de gemeente komen voor rekening van de houder van de met de aanleg, of verandering van de uitweg verband houdende vergunning. Daarnaast zijn er op basis van de gemeentelijke Legesverordening voor het in behandeling nemen van een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het maken, hebben of veranderen van een uitweg leges verschuldigd.
Onder die kosten, niet zijnde leges, vallen in ieder geval de kosten voor:
-
• het verplaatsen van kolken, verlichting, bebording, nutsvoorzieningen of andere zaken;
-
• de compensatie van vervallen openbare parkeerplaatsen en openbaar groen;
-
• het aanleggen, wijzigen of veranderen van het deel van de uitweg dat zich op gemeentegrond bevindt;
-
• het plaatsen, wijzigen of verwijderen van een duiker;
-
• het schoonhouden en het bouwkundig onderhoud van de duiker;
-
• onderhoud van de uitweg wanneer deze door de melder zelf is aangelegd.
Het deel van de uitweg dat zich op gemeentegrond bevindt, wordt pas dan aangelegd, gewijzigd of veranderd nadat betaling van de hiervoor genoemde kosten heeft plaatsgevonden.
De overige uitgangspunten die door de gemeente gehanteerd worden bij bepaling van de aard en de hoogte van de verschuldigde kosten in verband met de aanleg of wijziging van een uitweg zijn in een afzonderlijk document opgenomen.
11. Intrekking voorgaande beleidsregels, overgangsrecht en bestaande rechten
11.1. Intrekking voorgaande beleidsregels
Gelijktijdig met de inwerkingtreding van deze beleidsregels worden de Beleidsregels uitwegen gemeente Voorst van 6 december 2011 ingetrokken.
11.2. Overgangsrecht
Deze beleidsregels zijn van toepassing op aanvragen omgevingsvergunning voor een uitweg die zijn ingediend na inwerkingtreding van deze beleidsregels. Aanvragen voor een omgevingsvergunning voor een uitweg die zijn ingediend voor inwerkingtreding van deze beleidsregels wordt getoetst aan de Beleidsregels uitwegen 2011, tenzij die beleidsregels nadelig voor de aanvrager uitpakken.
11.3. Bestaande rechten
Bestaande rechten in de vorm van voor de inwerkingtreding van deze beleidsregels aanwezige legale uitwegen worden gerespecteerd. De gemeente kan in uitzonderlijke situaties een uitweg, althans het deel dat zich op gemeentegrond bevindt zonder dat daar een vergunning voor is verleend, aanpassen of verwijderen en een eerder verleende vergunning intrekken of wijzigen. Bijvoorbeeld als de gemeente bij onderhoudswerkzaamheden constateert dat geen gebruik meer wordt gemaakt of kan worden gemaakt van een uitweg. Van deze bevoegdheid kan/mag geen gebruik worden gemaakt als die maatregel ertoe leidt dat een perceel niet lager ontsloten wordt.
12. Inwerkingtreding
Deze beleidsregels treden in werking op de dag na de datum van bekendmaking.
13. Citeertitel
Deze beleidsregels kunnen worden aangehaald als: Beleidsregels uitwegen gemeente Voorst 2026.
Ondertekening
Twello, 24 maart 2026
Burgemeester en wethouders,
Paula Jorritsma-Verkade, burgemeester
Lisette Wolbers-Cents, secretaris
Toelichting op de Beleidsregels uitwegen gemeente Voorst 2026
De toelichting op de Beleidsregels uitwegen gemeente Voorst 2026 bestaat uit meerdere delen:
algemeen deel (14), bijkomende noodzakelijke toestemmingen (15), beleidsregels (16);
deel over belangenafweging bij aanvragen, waarbij specifiek aandacht is voor de vier in artikel 2.1.5.3, lid 3 van de Apv opgenomen weigeringsgronden (17);
wat onder een uitweg wordt verstaan (18);
omschrijving van begrippen (18);
Toelichting beoordelingscriteria (19, 19.1, 19.2 en 19.3);
toelichting uitwegen die aansluiten op provinciale wegen (20);
toelichting bijzondere noodzakelijke toestemmingen (21);
toelichting privaatrechtelijke component en de eisen ten aanzien van aanleg en materiaalkeuze (22);
toelichting onderdeel kosten (23);
toelichting intrekking van de voorgaande beleidsregels, het overgangsrecht en bestaande rechten (24);
toelichting inwerkingtreding (25);
toelichting citeertitel (26).
13. Toelichting algemeen deel (1)
Dit onderdeel (1), dat naast de inleiding (1.1) informatie over het doel van de regels (1.2) en het wettelijk kader (1.3) bevat, speekt voor zich en behoeven om die reden geen toelichting.
14.Toelichting noodzakelijke toestemmingen/ vergunningen (2)
Dit artikel is voldoende duidelijk. De noodzaak om dit artikel toe te lichten ontbreekt daardoor.
15.Toelichting belangenafweging bij aanvragen (3)
In dit onderdeel wordt (2) in algemene zin en aan de hand van de in artikel 2.1.5.3, lid 3 van de Apv opgenomen vier weigeringsgronden te weten bruikbaarheid van de weg, veilig en doelmatig gebruik van de weg, uiterlijk aanzien van de gemeente en groenvoorzieningen in de gemeente, aangegeven hoe het individuele belang van de aanvrager wordt afgewogen tegen het algemene belang.
16.Toelichting op wat onder een uitweg verstaan wordt (4)
In dit onderdeel (4) wordt uitgelegd wat met een uitweg bedoeld wordt. Feitelijk gaat het hierbij om de aansluiting op de openbare weg/trottoir die nodig is om met een (motor)voertuig een perceel te kunnen bereiken. Een voet- of tuinpad van eigen perceel dat uitmondt op de openbare weg/trottoir, uiterlijk herkenbaar als voet- of tuinpad en niet breder is dan 1,20 m, is niet aan te merken als een uitweg als bedoeld in artikel 2.1.5.3 van de Apv.
17.Toelichting begripsomschrijvingen (5)
Artikel 5 bevat de definitie van een aantal begrippen zoals die in de beleidsregels worden gehanteerd. Begrippen die ook in de Apv worden gebruikt hebben veelal dezelfde definitie.
"Algemene plaatselijke verordening"/Apv
De definitie is zo gekozen dat steeds verwezen wordt naar de meest recente "Algemene plaatselijke verordening" (Apv).
Uitweg
De uitweg is de ruimte (uitgedrukt in lengte en breedte) die dienst doet als in- en uitgang voor voertuigen ter ontsluiting van gebouwen, bouwwerken niet zijnde gebouwen (bijvoorbeeld telecommunicatiemasten) of percelen op de openbare weg. Met "uitwegen" worden in deze notitie ook "in- en uitritten", "opritten" evenals de verbreding van "uitwegen", "inritten" en "opritten" bedoeld. Voor nadere informatie over het begrip uitweg wordt verwezen naar artikel 6 van deze beleidsregels;
Bebouwde kom
De beleidsregels maken onderscheid tussen uitwegen binnen de bebouwde kom en buiten de bebouwde kom. De definitie is afgestemd op de Wegenverkeerswet 1994.
Voortuin
Tuingedeelte dat zich tussen de voorgevel van de woning en de openbare ruimte bevindt.
Weg
De definitie van weg in deze beleidsregel is gelijk aan de definitie in de Apv. In artikel 1, onder c, van de Apv is "weg" omschreven als weg in de zin van de Wegenverkeerwet 1994 (Artikel 1, eerste lid onder b, van de Wegenverkeerswet luidt: "Alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten.").
Voorheen definieerde de Apv "weg" zeer ruim. Praktisch iedere publieke toegankelijke ruimte viel toen onder het begrip weg. De huidige definitie sluit beter aan bij het normale spraakgebruik. In de aanwijzingen voor de decentrale regelgeving staat dat het normale spraakgebruik zoveel mogelijk moet worden gevolgd.
Grotere bedrijfscomplexen
Deze definitie is opgenomen in verband met de mogelijkheid om bij dergelijke complexen meer dan één uitweg te realiseren, maar ter voorkoming dat, gelet op de verkeersveiligheid, het aantal uitwegen uit de hand loopt.
18.Toelichting toetsingscriteria (6)
In dit onderdeel (6) worden de hier bedoelde beleidsregels daar waar dat nodig wordt geacht, toegelicht.
De regels bestaan uit algemene regels (6.1) geldend voor uitwegen binnen én buiten de bebouwde kom en daarmee voor alle uitwegen en aanvullende regels. De aanvullende regels gelden voor twee categorieën:
uitwegen binnen de bebouwde kom (6.2);
uitwegen buiten de bebouwde kom (6.3).
De onderdelen 6.1, 6.2 en 6.3 vermelden concrete criteria waaraan getoetst wordt of de weigeringsgronden in artikel 2.1.5.3., tweede lid van de Apv al dan niet van toepassing zijn. De toetsingscriteria zijn, overeenkomstig artikel 2.1.5.3, tweede lid in vier groepen onderverdeeld:
bruikbaarheid van de weg;
veilig en doelmatig gebruik van de weg;
uiterlijk aanzien van de gemeente;
groenvoorzieningen in de gemeente.
18.1.Toelichting toetsingscriteria uitwegen binnen en buiten de bebouwde kom (6.1)
Bruikbaarheid van de weg
Het criterium van 'de bruikbaarheid van de weg' ziet op de rol die de betrokken weg heeft, de inrichting van de weg, en de gevolgen die een uitweg zal kunnen hebben op deze rol. Deze kan bijvoorbeeld nadelig beïnvloed worden door een uitweg als hierdoor het verkeer (ernstig) belemmerd wordt, de doorstroming beperkt wordt, de vrije in-/uitrijruimte beperkt wordt, de weg niet meer of onvoldoende gebruikt kan worden voor het doel waarvoor hij bedoeld is.
Weigering van een vergunning voor het maken van een uitweg of het hebben of veranderen van een bestaande uitweg is in ieder geval aan de orde als:
a. de uitweg zorgt voor een verstoring van de afwatering;
b. door het maken van een uitweg of het veranderen van een bestaande uitweg nadelige gevolgen optreden voor de functionaliteit van straatmeubilair, verkeersvoorzieningen of onderdelen van het gemeentelijk riool en/of de nutsvoorzieningen;
Indien mogelijk kan van weigering worden afgezien als de aanvrager de kosten voor verplaatsing van deze voorzieningen wil dragen;
c. er een verzamelpunt voor afvalcontainers verloren gaat en er geen alternatieve locatie voorhanden is;
d. de uitweg tot gevolg heeft dat één of meer openbare parkeerplaatsen komen te vervallen, tenzij die binnen een afstand van 50 meter van de uitweg, op kosten van de melder, worden gecompenseerd;
e. een uitweg ten koste gaan van een parkeerplaats, bedoeld voor of het laden van elektrische voertuigen of een parkeerplaats die dienst doet als individuele gehandicaptenparkeerplaats;
f. Als een te ontsluiten perceel direct aansluit op een al dan niet van een trottoir/voetpad voorziene openbare weg, bijvoorbeeld omdat een groenstrook of iets dergelijks ontbreekt, dient voor verkeersdeelnemers zichtbaar te zijn waar de aansluiting van uitweg op eigen terrein zich bevindt. Daarbij dient rekening te worden gehouden met de maximaal toegestane breedte van de uitweg, zodat duidelijk is waar de uitweg zich bevindt en handhavend kan worden opgetreden tegen bijvoorbeeld foutparkeerders.
Veilig en doelmatig gebruik van de weg
De criteria 'veilig en doelmatig gebruik van de weg' zijn zwaarwegende criteria. Als een uitweg een naar verwachting negatief effect zal hebben op het veilig en/of doelmatig gebruik van de weg, dan kan dat aanleiding zijn vergunning te weigeren.
g. Uitweg bij woning
Des te breder de uitweg, des te onoverzichtelijker de verkeerssituatie wordt. Het kan voor de weggebruikers op een gegeven moment niet meer duidelijk zijn waar het verkeer de uitweg zal inrijden of verlaten. Bovendien zullen in krapper opgezette woonwijken de stukken tussen de uitwegen te klein worden. Daardoor is het onderscheid tussen de verschillende uitwegen niet meer te maken. Verder doorkruisen uitwegen veelal trottoirs en maken die daardoor minder begaanbaar. De uitweg zal immers over de gehele breedte een hellend vlak hebben. Met name voor minder valide mensen en zij die een lichamelijke beperking hebben, is het zaak dat trottoirs goed begaanbaar zijn en blijven.
Tegenover de argumenten die spreken voor beperking van de toelaatbare maximale breedte van een uitweg staat dat een uitweg breed genoeg moet zijn om veilig de weg op en af te draaien.
Gelet op het voorgaande wordt een breedte van ten hoogste 3,5 meter voldoende geacht. In uitzonderlijke gevallen, aan te tonen door de aanvrager, is een bredere uitweg aanvaardbaar, met dien verstande dat de uitweg in een dergelijke situatie niet breder mag zijn dan 6 meter.
h. Dubbele uitweg ten behoeve van twee woningen
Omdat het hier om twee naast elkaar gelegen uitwegen gaat, die feitelijk als één (gemeenschappelijke) uitweg is aan te merken, wordt een totale breedte van maximaal 6 meter voldoende geacht.
i. Uitweg ten behoeve van een bedrijf
Omdat in veel gevallen bedrijven toegankelijk moeten zijn voor vrachtwagens is het niet meer dan logisch dat in die gevallen een uitweg toelaatbaar is die breder is dan 3.5 meter. Een uitweg met een breedte van ten hoogste 7 meter wordt, gelet op het te dienen doel (ontsluiting perceel ten behoeve van vrachtverkeer) voldoende geacht.
Voor bedrijven die gevestigd zijn in (voormalige) woningen, die qua grootte van het perceel en/of 'uitstraling' van het pand (nog) aan woningen doen denken, geldt een ander regiem. Omdat het pand in dergelijke gevallen (nog) doet denken aan een woning en gelet op de grootte van het perceel, een uitweg met een breedte van meer dan 3.5 meter niet aanvaardbaar wordt geacht, wordt hier vastgehouden aan een maximale breedte van 3,5 meter.
j. Aantal uitwegen
Een uitweg zal altijd invloed hebben op de verkeersveiligheid. Over het algemeen geldt dat des te meer uitwegen op een weg uitkomen, des te meer de verkeersveiligheid daar onder lijdt. Iedere uitweg geeft namelijk een mogelijk conflictpunt tussen twee verkeersstromen. Daarom hanteert het college een maximaal aantal uitwegen per perceel.
Als het perceel al ontsloten wordt door een uitweg, zijn extra uitwegen in de volgende situaties toegestaan:
Bij woonpercelen
Als het gaat om de ontsluiting van woonpercelen: Bij een frontbreedte van ten minste 25 m. is een tweede uitweg aanvaardbaar, mits daardoor geen versnippering in het straatbeeld optreedt, de afstand tussen de uitwegen, gemeten aan de wegzijde van het perceel, groter is dan 15 m. én de noodzaak van een tweede uitweg onomstotelijk wordt aangetoond gelet op de bruikbaarheid van het perceel;
Bij bedrijfspercelen
Als het gaat om de ontsluiting van grotere bedrijfscomplexen: Bedrijfscomplexen worden regelmatig bezocht door vrachtverkeer en personenauto's. Bij grote bedrijfscomplexen zijn meerdere uitwegen aanvaardbaar, mits de noodzaak daarvan onomstotelijk wordt aangetoond gelet op de bruikbaarheid van het perceel, met dien verstande dat per 25 meter frontbreedte slechts één uitweg aanvaardbaar is en de afstand tussen de inritten groter is dan 15 m;
Bij agrarische bedrijven
Als het gaat om de ontsluiting van agrarische bedrijven: Een tweede uitweg ten behoeve van agrarisch bedrijf is toelaatbaar als onomstotelijk vaststaat dat die nodig is gelet op de bruikbaarheid van het perceel. Hiervan is bijvoorbeeld sprake als het perceel op een dusdanige wijze is ingericht dat niet met één uitweg aan het principe 'vuile uitweg - schone uitweg' kan worden voldaan.
k. Specifieke verkeerssituaties
Nabij rotondes, kruisingen en dergelijke, leveren uitwegen gevaarlijke situaties op. Daarom worden uitwegen in de nabijheid daarvan niet geaccepteerd. Het is niet mogelijk om algemene afstanden op te stellen; elk geval moet op zich worden beoordeeld. Elementen die onder andere meespelen zijn:
de bochtstralen;
nabijgelegen oversteekplaatsen;
de verkeersintensiteit;
de maximum snelheid op de weg.
l. Onoverzichtelijke en/of onveilige situaties onder j. staan een aantal specifieke verkeerssituaties waarbij uitwegen een negatieve invloed kunnen hebben op de verkeersveiligheid. Naast deze specifieke situaties moeten uitwegen beoordeeld worden op hun invloed op de verkeersveiligheid in het algemeen. Ook hier zal de beoordeling per geval plaatsvinden. Omstandigheden die invloed hebben op de overzichtelijkheid en de verkeersveiligheid zijn:
de maximum snelheid op de weg;
de verkeersintensiteit;
(zicht beperkende) beplanting, bomen en struikgewas;
straatmeubilair;
nabijheid van wegen en ander uitwegen;
(zicht beperkende) bebouwing;
kruising van wegvakken met fietsers, voetgangers of agrarische voertuigen;
bouwwerken voor openbare nutsvoorzieningen.
Ook de inrichting en afmeting van de openbare weg kunnen van invloed zijn op de verkeersveiligheid. Bijvoorbeeld als de breedte van een weg het indraaien in de uitweg onmogelijk maakt. Een ander voorbeeld is een uitweg waarbij eerst een fietspad overgestoken moet worden om voldoende zicht te krijgen op de openbare weg.
m. Niet verplaatsbare verlichting en bebording
In dit criterium prevaleert de verkeersveiligheid uitdrukkelijk aan de ontsluiting van het perceel. De melder zal, in overleg met de gemeenteambtenaar, op zoek moeten gaan naar een alternatief.
n. Verkeersdoorstroming
Het verkeer dat gebruik maakt van een uitweg heeft altijd invloed op de doorstroming. De gebruiker van de uitweg heeft immers in de meeste gevallen een lagere snelheid dan het overige verkeer. Het verkeer op de weg zal zich moeten aanpassen aan degene die de uitweg in- of uitrijdt. Naarmate het snelheidsverschil toeneemt, heeft een uitweg een groter negatief effect op de doorstroming.
Een uitwegvergunning wordt alleen geweigerd bij een sterke negatieve invloed op de verkeersdoorstroming. De verkeersdoorstroming heeft een grote samenhang met de verkeersveiligheid.
o. Parkeerruimte
Ter voorkoming dat een voertuig (deels) op de openbare weg komt te staan, wordt niet toegestaan dat een parkeerplaats gerealiseerd wordt op een plaats op het perceel van de aanvrager waar de ruimte voor het plaatsen van een personenauto in de lengterichting en daarmee haaks op de weg minder dan 5 meter zou bedragen.
p. waterdoorlatend materiaal
De uitweg moet worden uitgevoerd in een (element)materiaal dat water doorlaat, zoals klinkers of tegels. Een uitweg die geen water doorlaat, kan wateroverlast tot gevolg hebben doordat hemelwater niet in de grond kan doordringen. Elementmateriaal is ook van belang voor de bereikbaarheid van kabels en leidingen. Elementmateriaal kan (makkelijker) worden verwijderd.
Uiterlijk aanzien van de gemeente
q. Parkeren in de voortuin van woningen
Het college is van mening dat parkeren in voortuinen bij woningen niet gewenst is vanwege het aantasten van het uiterlijk aanzien van de gemeente. Bovendien kan in voorkomende gevallen door een in de voortuin geparkeerde auto het uitzicht van de buren belemmerd worden. Het verbod tot het parkeren in de voortuin van woningen geldt niet als de mogelijkheid van (mede)gebruik van de tuin als parkeerplaats planologisch mogelijk is.
Groenvoorzieningen in de gemeente
r. Bomen op gemeentegrond
Als de uitweg ten koste zal gaan van een boom, die pas na het afgeven van een omgevingsvergunning gekapt mag worden terwijl afgifte van een dergelijke vergunning niet aan de orde is, dan kan zich de situatie voordoen dat er vergunning voor het maken of veranderen van een uitweg wordt verleend terwijl aanleg in de praktijk niet mogelijk zal blijken te zijn vanwege de aanwezigheid van betreffende boom. Normaliter werkt het college niet mee aan uitwegen die ten koste gaan van bomen op gemeentegrond. Daarbij maakt het niet uit of het gaat om "kapvergunningvrije" bomen. Om te voorkomen dat een aanvraag om een uitweg geweigerd wordt, zou de aanvrager een aanvraag kunnen indienen met een ontsluitingsvariant die de boom/bomen spaart. Mogelijke alternatieven om bomen te sparen zijn een andere locatie van de uitweg of een gecombineerde uitweg met een ander perceel. Dat kan betekenen dat de uitweg niet zo loopt als de aanvrager voor ogen had. Het belang dat met het behoud van bomen is gediend, prevaleert hier echter boven de wens van de aanvrager. Is een alternatief niet voor handen en is het, na afweging van alle betrokken belangen, niet redelijk de voor kap benodigde omgevingsvergunning te weigeren, dan komt de vraag aan de orde of compensatie mogelijk is. De compensatie moet in hetzelfde gebied plaatsvinden, waarbij de voorkeur uitgaat naar het verplaatsen van de boom binnen een aantal meters. Alleen jonge bomen – tot tien jaar – komen in principe voor verplaatsing in aanmerking. Ook het herplanten van een te kappen boom op een nabij gelegen locatie kan tot de mogelijkheden behoren. Verplaatsing of herplant van bomen zal niet altijd mogelijk zijn. Zo moeten bomen in een lanenstructuur in de structuur gehandhaafd blijven. De kosten in verband met herplant of verplaatsing van bomen, waartoe ook de kosten voor nazorg en kosten die nodig zijn om verplaatste bomen niet te laten afsterven gerekend worden, komen voor rekening van de aanvrager van vergunning voor het aanleggen of veranderen uitwegvergunning. Wanneer verplaatste bomen niet aanslaan worden, op kosten van de aanvrager vervangende bomen geplant.
s. en t. Te behouden groen
De gemeenteraad en het college hebben het behoud van een 'groen' Voorst hoog in het vaandel staan. In het Programma Groen staat hoe zij dat willen bereiken. Daarnaast zijn op de Grootschalige Basiskaart Topografie (GBT) en in het Omgevingsplan de gronden geprojecteerd waar zich gemeentelijk 'groen' bevindt of zou behoren te bevinden. De aanwezigheid van gemeentelijke 'groen' sluit een uitweg overigens niet per definitie uit.
Een vergunning voor het maken of veranderen van een uitweg die ten koste gaat van te behouden 'groen' zullen wij, gelet op het voorgaande, dan ook weigeren tenzij alternatieven onmogelijk zijn en maatregelen om de nadelige gevolgen van de aanleg of wijziging van een uitweg voor te behouden 'groen' te voorkomen of te beperken niet mogelijk zijn. Is er geen alternatief (zie hiervoor de toelichting bij q: Bomen op gemeentegrond) beschikbaar dan moeten die maatregelen worden genomen die noodzakelijk zijn om de gevolgen tot een aanvaardbaar niveau terug te brengen. Maatregelen die getroffen kunnen worden zijn:
een smallere breedte van de uitweg; en/of
eisen aan het materiaal van de uitweg (bijvoorbeeld grasbetontegels).
Voor bomen die in een lijst van de Bomenstichting genoemd worden als monumentale boom wordt in beginsel geen met kap verband houdende omgevingsvergunning verleend om daarmee een uitweg aan te kunnen leggen of te veranderen.
18.2. Toelichting aanvullende toetsingscriteria uitwegen binnen de bebouwde kom (6.2)
Op de vergunningaanvragen binnen de bebouwde kom zijn alle regels van onderdeel 6.1 van toepassing. Daarnaast gelden de regels zoals die bij onderdeel 6.2 zijn opgenomen, alsmede de aanvullende bepalingen (7).
Veilig en doelmatig gebruik van de weg
a. Uitweg in verband met garage aan zijkant woning
Een uitweg in verband met een aan de zijkant van een woning staande of te realiseren garage of carport wordt alleen toelaatbaar geacht als de ruimte op eigen terrein aan de voorzijde van de garage of carport meer dan 5 meter bedraagt. Zou deze afstand kleiner zijn dan is er gerede kans dat een deel van een voor de garage of carport te parkeren voertuig zich op gemeentegrond (veelal trottoir) bevindt.
b. Parkeren en laden en lossen op eigen bedrijfsterrein
Door een dergelijk verbod wordt voorkomen dat vrachtwagens deels op de weg geparkeerd worden of bij het laden en lossen deels op de openbare weg staan, waarbij bedoeld wordt anders dan in de lengterichting van de weg.
18.3. Toelichting aanvullende toetsingscriteria uitwegen buiten de bebouwde kom (6.3)
Op de aanvragen om een uitwegvergunning buiten de bebouwde kom zijn alle regels van onderdeel 6.1 van toepassing. In aanvulling daarop gelden ook de regels zoals die bij onderdeel 6.3 zijn opgenomen, alsmede de aanvullende bepalingen (7).
Veilig en doelmatig gebruik van de weg
a. Voor een uitweg ten behoeve van perceel, niet zijnde een woonperceel, bedrijfsperceel of een agrarisch perceel geldt dat deze niet breder mag zijn dan 3,5 m. In afwijking hiervan is vergunning voor een bredere uitweg mogelijk als:
de openbare weg aantoonbaar niet breed genoeg is om de uitweg op redelijke wijze te bereiken of te verlaten;
b. Een uitweg ten behoeve van bedrijven die voor de bedrijfsvoering gebruik maken van voertuigen met een hele grote draaicirkel waardoor deze voertuigen het perceel niet op en af kunnen rijden zonder schade aan te richten aan de bermen naast of tegenover de uitweg is niet aanvaardbaar;
c. Het spreekt voor zich dat een uitweg niet aanvaardbaar is als daardoor de afwikkeling van het verkeer op de rijbaan belemmerd wordt;
d. Voor agrarische percelen geldt dat deze een breedte mogen hebben van maximaal dan 5 m. Reden om hier in plaats van maximaal 3,5 m., te kiezen voor een breedte van maximaal 5 m. is dat agrarische percelen toegankelijk moeten zijn voor grotere agrarische voertuigen.
Uiterlijk aanzien van de gemeente
e. Functieverandering van vrijgekomen of vrijkomende agrarische bebouwing
Omdat toename van het aantal uitwegen bij functieverandering van vrijkomende agrarische bebouwing veelal ten koste gaat van de kwaliteit van de omgeving, in het algemeen en van de structuur van het erf in het bijzonder, geldt als uitgangspunt dat de bestaande perceel ontsluiting gebruikt moet worden voor alle woningen. In situaties, waarbij historisch gezien sprake is (geweest) van een samenhangende éénheid, wordt in ieder geval niet meegewerkt aan verzoeken om elke woning afzonderlijk (op de openbare weg) te ontsluiten. Blijkt echter uit een erfinrichtings- of beeldkwaliteitsplan dat meerdere uitwegen niet leiden tot een onaanvaardbare aantasting van het uiterlijk aanzien van de gemeente dan bestaat tegen meerdere uitwegen geen bezwaar. Wel dient in een dergelijke situatie zoveel mogelijk aangesloten te worden bij de bestaande structuur van het landschap. Verder dient dan rekening te worden gehouden met bestaande en toekomstige nutsvoorzieningen, aansluiting op de openbare weg en bereikbaarheid bij calamiteiten door voertuigen voor hulpverlenende instanties (brandweer, ambulance, e.d.).
19.Toelichting aanvullende bepalingen (7)
Bij de aanleg van een uitweg zijn er een aantal zaken waar rekening mee gehouden moet worden zoals de aanwezigheid van bermsloten, materiaalkeuze, kolken, riolering, signaleringskasten, lichtmasten, verkeersborden, bomen, breedte en aantal (agrarische)uitwegen, etc. Omdat wij het belangrijk vinden dat er duidelijkheid is over deze zaken, zijn daarover in de onderdelen 7.1. tot en met 7.3. bepalingen opgenomen.
19.1.Bermsloten (7.1.)
In bepaalde gevallen is het voor de aanleg van een uitweg nodig dat er bermsloot gedempt wordt. Deze sloot kan in beheer zijn en onder schouw staan van het waterschap Vallei en Veluwe. In dat geval dient de aanvrager van de omgevingsvergunning het aanleggen van een dam te melden bij het waterschap. In andere gevallen worden de volgende voorwaarden gehanteerd:
Er moet een duiker worden toegepast met een diameter van minimaal 300 mm, of, indien er bestaande duikers aanwezig zijn, minimaal van dezelfde diameter als die duikers;
De duiker moet van beton of harde HDPE zijn, waarbij verbindingen waterdicht moeten worden uitgevoerd;
De zijkanten van de dam dienen opgezet te worden met stapelzoden onder een helling van 1:1.
19.2. Eisen ten aanzien van aanleg en materiaalkeuze (7.2)
In aanvulling op een te verlenen omgevingsvergunning stelt het college op grond van haar eigendomsrecht en daarmee op basis van privaatrecht eisen ten aanzien van de wijze van aanleg en materiaalkeuze, althans voor wat betreft het deel van de uitweg dat zich op gemeentegrond bevindt. Zo staat het college niet toe dat bij de aanleg of verandering van een uitweg:
Aanleg, materialen en onderhoud
a. (het deel van) de uitweg op gemeentegrond door een andere partij dan de gemeente wordt aangelegd en/of
b. gebruik wordt gemaakt van andere dan door de gemeente voorgeschreven materialen.
19.3. Kolken, lichtmasten, verkeersborden (7.3)
Het komt nog wel eens voor dat zich bijzondere omstandigheden voordoen. Voorbeelden daarvan zijn een kolk die ligt op de plek waar iemand een uitweg wil aanleggen, of de aanwezigheid van een verkeersbord of lichtmast. Doet zich een dergelijke bijzondere omstandigheid voor dan worden allereerst bekeken of de uitweg aangepast kan worden. Bij de aanwezigheid van een kolk, verkeersbord of lichtmast kan ervoor gekozen worden deze te verplaatsen. Daartoe wordt niet lichtvaardig besloten. Kan met verplaatsing worden ingestemd dan zijn de kosten hiervoor voor rekening van de aanvrager van de omgevingsvergunning.
20.Toelichting uitwegen die aansluiten op provinciale wegen (8)
Voor uitwegen die aansluiten op provinciale wegen vraagt de gemeente advies bij de provincie. Bij tegenstrijdigheden tussen dit beleid en het advies van de provincie gaat het provinciale advies voor.
21.Toelichting aanleg uitwegen (9)
Om te zorgen voor kwalitatief goede en eenduidige uitstraling van de openbare ruimte binnen de bebouwde kom, wordt niet toegestaan dat het deel van vergunde uitwegen dat zich op gemeentegrond bevindt, door anderen dan de gemeente wordt aangelegd. Voor percelen buiten de bebouwde kom geldt dat deze door de aanvrager mogen worden aangelegd, met dien verstande dat bij de aanleg rekening dient te worden gehouden met de voorschriften die daarover in de omgevingsvergunning zijn opgenomen.
22.toelichting kosten (10)
Het spreekt voor zich dat de gemeentelijke kosten die verband houden met aanleg van uitwegen ten laste komen van degene die het genot heeft van de uitweg, de aanvrager. De gemeente heeft tarieven vastgesteld voor veel voorkomende werkzaamheden. De uitgangspunten die door de gemeente gehanteerd worden bij bepaling van de aard en de hoogte van de verschuldigde kosten in verband met de aanleg of wijziging van een uitweg zijn in een afzonderlijk document opgenomen.
Het deel van de uitweg dat zich op gemeentegrond bevindt, wordt overigens pas dan aangelegd, gewijzigd of veranderd nadat betaling van de daarmee gemoeide kosten heeft plaatsgevonden.
23.Toelichting intrekking voorgaande beleidsregels, overgangsrecht en bestaande rechten (11)
In dit artikel komen de volgende onderwerpen aan de orde:
intrekking voorgaande beleidsregels;
inwerkingtreding van de 'Beleidsregels uitwegen gemeente Voorst 2026;
citeertitel.
Omdat de inhoud voor zich spreekt, blijft een toelichting van dit artikel achterwege.
24.Toelichting inwerkingtreding (12)
Dit artikel spreekt voor zich.
25.Citeertitel (13)
Ook voor dit artikel geldt dat de inhoud daarvan voor zich spreekt.
Ziet u een fout in deze regeling?
Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl.
Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl