Verordening subsidiebeleid ter bevordering van de zelfstandige voorziening in de kosten van het bestaan gemeente Dongen

Geldend van 28-05-2004 t/m heden

Intitulé

Verordening subsidiebeleid ter bevordering van de zelfstandige voorziening in de kosten van het bestaan gemeente Dongen

De raad van de gemeente Dongen

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 26 januari 2004

gelet op artikel 149 van de gemeentewet en artikel 14 van de reïntegratieverordening Wet werk en bijstand gemeente Dongen

overwegende dat:

- het gemeentelijk stimuleringsbeleid in overeenstemming moet worden gebracht met wetstechnische veranderingen ingevolge de Algemene bijstandswet ;de IOAW; de IOAZ; de Wet inschakeling werkzoekenden en het Besluit in- en doorstroombanen;

- het gemeentelijk beleid aanpassing behoeft op basis van maatschappelijke ontwikkelingen en veranderde inzichten om uitkeringsgerechtigden die het nodig hebben, middels het beschikbare instrumentarium, te ondersteunen om de afstand tot de arbeidsmarkt te verkleinen en werk te aanvaarden en te behouden;

besluit vast te stellen:

de gewijzigde Verordening subsidiebeleid ter bevordering van de zelfstandige voorziening in de kosten van het bestaan (derde wijziging).

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen.

Artikel 1 Begripsomschrijving

Deze verordening verstaat onder:

  • a.

    Uitkeringsgerechtigde: degene die een periodieke uitkering voor levensonderhoud ontvangt of heeft ontvangen op grond van de Algemene bijstandswet, de Wet werk en bijstand, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen en geen recht heeft op een inkomstenvrijlating als bedoeld in artikel 31 van de Wet werk en bijstand dan wel op grond van het Inkomensbesluit IOAW en IOAZ; onder de inkomstenvrijlating wordt mede verstaan de inkomstenvrijlating op grond van artikel 9 van de invoeringswet Wet werk en bijstand en artikel 9a van het Inkomensbesluit IOAW;

  • b.

    Dienstbetrekking: een arbeidsovereenkomst ingevolge het Burgerlijk wetboek, met uitzondering van gesubsidieerde arbeid daaronder mede te verstaan de dienstbetrekkingen die tot stand zijn gekomen ingevolge de Wet Inschakeling Werkzoekenden; het Besluit in- en doorstroombanen; de Wet Sociale Werkvoorziening; dienstbetrekkingen waarop de verordening loonkostensubsidie werkervaringsplaatsen Wet werk en bijstand, gemeente Dongen van toepassing is

  • c.

    Reguliere arbeid: daaronder wordt niet verstaan gesubsidieerde arbeid ingevolge de reïntegratieverordening Wet werk en bijstand gemeente Dongen; de dienstbetrekkingen waarop de verordening loonkostensubsidie werkervaringsplaatsen Wet werk en bijstand, gemeente Dongen van toepassing is alsmede de dienstbetrekkingen die tot stand zijn gekomen ingevolge de Wet inschakeling werkzoekenden ; het Besluit in- en doorstroombanen en de Wet Sociale Werkvoorziening.

  • d.

    Fase 4: uitkeringsgerechtigden van wie door het Centrum voor werk en inkomen en/of de gemeente vastge¬steld is, dat zij niet in aanmerking komen voor individuele trajectbegeleiding op grond van een gering arbeidsmarkt perspectief.

  • e.

    Norm: de hoogte van de uitkering WWB als aangegeven in de artikelen 20 tot en met 30 van de WWB dan wel de hoogte van de IOAW-en IOAZ uitkering als aangegeven in de artikelen 5 en 8 tot en met 10 van de IOAW en de IOAZ.

Hoofdstuk 2 Voorwaarden voor het recht op subsidie.

Artikel 2 Subsidie deeltijdwerk

Subsidie voor deeltijdwerk kan worden verstrekt aan de uitkeringsgerechtigde die een dienstbetrekking in deeltijd aanvaardt, waarmee een netto inkomen wordt verworven dat minder bedraagt dan de van toepassing zijnde norm ingevolge de WWB en de I.O.A.W. en de I.O.A.Z. en die:

  • 1.

    de volledige arbeidsplicht heeft, maar die gezien de afstand tot de arbeidsmarkt is ingedeeld in fase 4.

  • 2.

    De hoogte van de subsidie, die in de maand december in één keer wordt uitbetaald over het dan lopende kalenderjaar, wordt berekend op basis van 25 % vrijlating van de netto maandelijkse inkomsten uit dienstbetrekking tot een maximum van € 115,= netto per maand voor een alleenstaande en € 165,= netto per maand voor partners die op grond van de uitvoering WWB, IOAW en IOAZ recht hebben op een gehuwdennorm. Bij de bepaling van het maximum worden alleenstaande ouders gelijkgesteld met partners die op grond van de uitvoering WWB, IOAW en IOAZ recht hebben op een gehuwdennorm.

  • 3.

    De subsidie wordt toegekend gedurende een periode van maximaal 12 maanden. Deze termijn kan eventueel verlengd worden, indien betrokkene, na het eerste jaar werken in deeltijd, ingedeeld blijft in fase 4.

Artikel 3 Uitstroomsubsidie

  • 1. De uitkeringsgerechtigde die een uitkering heeft ontvangen ingevolge de WWB, IOAW /IOAZ en of gesubsidieerde arbeid heeft verricht dan wel werkzaam is geweest middels gesubsidieerde arbeid ingevolge de WIW en het Besluit in- en doorstroombanen en uitstroomt naar reguliere arbeid of werkzaamheden als zelfstandige gaat verrichten waarmee volledig in de noodzakelijke kosten van het bestaan kan worden voorzien heeft, mits wordt voldaan aan de voorwaarden, recht op een uitstroomsubsidie van netto maximaal € 2000,=. De subsidie wordt uitbetaald in vier gelijke delen van netto € 500,=, telkens na afloop van een opeenvolgende periode van een half jaar.

  • 2. De totale subsidie van € 2000,= wordt slechts éénmaal aan een persoon verstrekt.

  • 3. Om voor de subsidie in aanmerking te komen dient in ieder van de opeenvolgende periode van een half jaar aan de volgende voorwaarden te worden voldaan:

    - er moet telkens sprake zijn van minimaal zes maanden aaneengesloten uitstroom naar reguliere arbeid dan wel als zelfstandige arbeid zijn verricht, waarbij tenminste de helft van het geldende wettelijk minimum loon moet zijn verdiend;

    - in die periode waarover het recht op subsidie wordt beoordeeld moet(en) (een) aaneengesloten dienstverband(en) bestaan of moet de volledige periode werkzaamheden als zelfstandige zijn verricht en mag geen beroep zijn gedaan op een periodieke uitkering ingevolge de WWB/IOAW/IOAZ / Bbz dan wel WW of WAO;

    - voorafgaand aan het moment van uitstroom dient men in een periode van 18 maanden tenminste 12 maanden een uitkering te hebben ontvangen op grond van de Abw/WWB-IOAW/IOAZ dan wel in die periode gesubsidieerde arbeid te hebben verricht. Hieronder wordt mede verstaan gesubsidieerde arbeid die tot stand is gekomen onder de WIW en het Besluit in- en doorstroombanen.

  • 4. Het recht op subsidie wordt vastgesteld en betaald, indien in elke periode van een half jaar door belanghebbende wordt voldaan aan de voorwaarden genoemd in lid 3 van dit artikel.

Artikel 4 subsidie overgangsrecht.

De uitkeringsgerechtigde die vanaf 1-1-2004 recht heeft gehad op subsidie deeltijdwerk ingevolge de verordening zoals vastgesteld in de raadsvergadering van 20 december 2001 en van wie deze subsidie op grond van gewijzigde wetgeving op de uitkering in mindering is gebracht, heeft recht op een éénmalige subsidie ter hoogte van op de uitkering in mindering gebrachte subsidie tot een maximum € 1984,=.

Hoofdstuk 3 Uitbetaling van de subsidie.

Artikel 5 Betaalbaarstelling

  • 1. De deeltijdsubsidie wordt jaarlijks ambtshalve door burgemeester en wethouders toegekend, nadat zij kennis hebben kunnen nemen van de omstandigheid dat de uitkeringsgerechtigde aan de van toepassing zijnde voorwaarden heeft voldaan.

  • 2. De uitstroomsubsidie wordt aangevraagd door indiening van een volledig ingevuld en eigenhandig ondertekend, door burgemeester en wethouders vastgesteld formulier. De subsidie wordt door burgemeester en wethouders verstrekt binnen een periode van 8 weken na ontvangst van de aanvraag op basis waarvan zij hebben besloten dat een subsidie wordt toegekend dan wel kan worden uitbetaald.

  • 3. De uitkeringsgerechtigde is verplicht burgemeester en wethouders onmiddellijk mededeling te doen van de feiten en omstandigheden die van belang kunnen zijn voor de uitvoering van deze verordening onder overlegging van bewijsstukken.

Hoofdstuk 4 Terugvordering.

Artikel 6 Terugvordering.

  • 1. Indien de subsidie is verleend op grond van onjuiste of onvolledige inlichtingen door de belanghebbende, wordt de ten onrechte verstrekte subsidie van hem teruggevorderd.

  • 2. Indien de subsidie is verleend op grond van omstandigheden, te wijten aan het feit dat belanghebbende blijk heeft gegeven van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan, wordt de subsidie van hem teruggevorderd voor zover de betreffende handelswijze heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van een subsidie.

  • 3. Terugvordering als bedoeld in het eerste en tweede lid vindt eveneens plaats voor zover anderszins de subsidie tot een te hoog bedrag of geheel ten onrechte is verleend en de belanghebbende dit redelijkerwijs had kunnen begrijpen.

  • 4. Onder subsidie in de zin van dit artikel wordt verstaan de door de gemeente betaalde subsidie eventueel verhoogd met de loonbelasting en de subsidies volksverzekeringen waarvoor de gemeente krachtens de Wet op de loonbelasting 1964 inhoudingsplichtige is en voor zover deze belasting en subsidies niet verrekend kunnen worden met de belastingdienst.

Hoofdstuk 5 Slotbepalingen.

Artikel 7 Onvoorziene omstandigheden

In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffende, waarin deze niet voorziet, beslissen burgemeester en wethouders.

Artikel 8 Aanpassing bedragen

Burgemeester en wethouders kunnen het bedrag van de deeltijdsubsidie aanpassen indien het bedrag ingevolge artikel 31 lid 2 onder j van de WWB van rijkswege wordt aangepast.

Artikel 9 Verslaglegging

Burgemeester en wethouders brengen jaarlijks verslag uit aan de raad inzake uitvoering van de verordening.

Artikel 10 Inwerkingtreding

  • 1. Deze verordening kan worden aangehaald als: Verordening subsidiebeleid ter bevordering van de zelf¬standige voorziening in de kosten van het bestaan, gemeente Dongen.

  • 2. Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag, gelegen na de termijn van zes weken na datum bekendmaking.

Artikelsgewijze toelichting.

Artikel 1.

Hierbij wordt een aantal omschrijvingen van begrippen aangetroffen welke in deze verordening staan vermeld. Bij de begripsomschrijving “dienstbetrekking / reguliere arbeid ” is er geen sprake van een dienstbetrekking/reguliere arbeid in de zin van deze verordening indien er sprake is van een situatie waarbij door de werkgever een gehele dan wel een gedeeltelijke vergoeding voor de loonkosten wordt ontvangen.

Artikel 2.

lid 1. Uitkeringsgerechtigden met een redelijk goed arbeidsmarkt perspectief zijn uitgesloten van de regeling. Voor de uitkeringsgerechtigde behorend in fase 1 gaat het uitgangspunt van de Wet werk en bijstand, dat iedereen in beginsel zelf verantwoordelijk is voor zijn eigen kosten levensonderhoud, volledig op. Voor de uitkeringsgerechtigde in fase 2 en 3 geldt dat er in principe een traject is ingezet om de afstand tot de arbeidsmarkt te verkleinen en als er geen bijzondere omstandigheden zijn, zij fulltime dienen te gaan werken. Van degenen die geen goed arbeidsmarktperspectief hebben zoals de uitkeringsgerechtigde in fase 4 geldt doorgaans dat zij zich extra zware inspanningen moeten ge

troosten om geheel dan wel gedeel¬telijk zelfstandig in hun bestaanskosten te kunnen voorzien. Bij het vaststellen van maximale bedragen is voor wat de alleenstaande ouder of een echtpaar uitgegaan van het maximale bedrag dat ingevolge artikel 31 lid 2 onder j van de Wet werk en bijstand kan worden verstrekt , afgerond op een bedrag van een hele euro naar beneden. Het bedrag voor een alleenstaande is gesteld op 70 % daarvan, zoals ook de uitkering van een alleenstaande 70 % bedraagt van het normbedrag geldend voor partners die recht hebben op de gehuwdennorm. lid 2. Bij de berekening van de subsidie worden de door de werkgever betaalde onkostenvergoedingen in mindering gebracht op de netto inkomsten. Om de subsidie in de maand december van enig jaar over het lopende kalenderjaar uit te kunnen betalen , wordt er ambtshalve van uitgegaan dat de inkomsten over november van het desbetreffende kalenderjaar voor de maand december op hetzelfde niveau liggen ter bepaling van de éénmalige subsidie voor het totale kalenderjaar. lid 3. In principe wordt over 12 maanden een subsidie uitgekeerd ongeacht of dit al dan niet een aaneensluitende periode is. De subsidiebetalingstermijn van 12 maanden kan met een zelfde periode verlengd worden, indien na uitvoering van een kwalificerende intake bij het Centrum voor Werk en Inkomen vast komt te staan dat de uitkeringsgerechtigde blijft ingedeeld in fase 4.

Artikel 3.

Lid 1 Uitstroomsubsidie kan worden toegekend bij werkaanvaarding op een niet gesubsidieerde baan en indien men verder niet meer op een uitkering is aangewezen. De totale subsidie wordt in maximaal 4 halfjaarlijkse termijnen uitbetaald indien in deze periode van een half jaar aan de voorwaarden is voldaan. Lid 2 Een belanghebbende kan slechts éénmaal in aanmerking komen voor een uitstroomsubsidie. Lid 3 Hierin zijn de voorwaarden weergegeven waaraan moet worden voldaan om voor de halfjaarlijkse subsidie in aanmerking te kunnen komen.

Artikel 4.

Door het niet tijdig aan hebben passen van de bestaande verordening is het in verband met gewijzigde wetgeving per 1-1-2004 mogelijk dat een toegekende premie deeltijdwerk niet wordt vrijgelaten maar op de uitkering in mindering moet worden gebracht. Belanghebbende heeft op dat moment geen voordeel bij het verkrijgen van de subsidie terwijl dit wel de bedoeling is. Dit overgangsartikel beoogt het repareren daarvan.

Artikel 5.

Lid 1. De deeltijdsubsidie wordt ambtshalve toegekend indien op basis van het ingeleverde inkomstenformulier blijkt dat werk in deeltijd is verricht. Voorwaarde voor daadwerkelijk uitbetaling van de deeltijdsubsidie is dat naast de verklaring op het inkomstenformulier een afschrift van de loonstrook wordt overgelegd.

Lid 2. De uitstroomsubsidie wordt aangevraagd op een door burgemeester en wethouders vastgesteld formulier waa¬rbij de aanvrager tevens dient zorg te dragen voor de daarbij gevraagde bewijsstukken alvorens tot toekenning van de uitstroomsubsidie kan worden besloten.

Artikel 6.

Lid 1. Degene, die aanspraak op een subsidie maakt is ingevolge art 5, derde lid van deze verordening verplicht om mededeling te doen van al datgene dat van belang is voor de verlening van de subsidie. Bij gebleken onjuiste of onvolledige informatie van de cliënt wordt overgegaan tot terugvor¬dering van de verstrekte subsidie.

Lid 2. Indien de cliënt blijk heeft gegeven van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de eigen bestaansvoorziening, hetgeen heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan verleende subsidie, wordt overgegaan tot terugvordering van de verstrekte subsidie. Hierin zit een duidelijke koppeling met de bijstandsverlening. Immers, indien door bovenom¬schreven handelswijze ten onrechte bij¬stand is verleend geldt dit automatisch ook voor de ver¬leende subsidie.

Lid 3. In dit lid is geregeld dat de subsidie ook wordt teruggevorderd indien deze op onjuiste gronden is verleend welke de cliënt niet direct is aan te rekenen maar waarvan de cliënt redelijkerwijs wel kon weten dat er ten onrechte of tot een te hoog bedrag subsidie aan hem is verleend.

Lid 4. Bij terugvordering van ten onrechte verleende subsidie wordt ook de afgedragen loonheffing meegenomen, mits deze niet meer met de Belastingdienst kan worden verrekend.

Artikel 7.

Door de decentralisatie van de subsidiebepalingen heeft de gemeente meer mogelijkheden gekregen om het uitstroombeleid af te stemmen op de lokale situatie om daarmee uiteindelijk meer maatwerk te kunnen leve¬ren. Te gedetailleerde regels doen daarbij afbreuk aan dat uitgangspunt, terwijl het indelen in een bepaalde fase soms een arbitraire zaak is. Het is derhalve gewenst om bij de toepassing van het subsidiebeleid de moge¬lijkheid open te laten om bij hoge uitzondering op individuele gronden in positieve zin af te wijken van de regeling.

Artikel 8.

In verband met de wijziging van de wettelijke normbedragen hebben burgemeester en wethouders de bevoegdheid om jaarlijks de in de verordening genoemde bedragen te wijzigen. Daarbij zal het gestelde maximum zoals gesteld in artikel 31 lid 2 onder j van de Wet werk en bijstand, een bedrag van thans € 1984,= netto per kalenderjaar niet mogen overschrijden.