Beleidsregels minimaregelingen gemeente Barneveld

Geldend van 01-05-2026 t/m heden

Intitulé

Beleidsregels minimaregelingen gemeente Barneveld

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Barneveld;

gelet op: artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht;

besluit:

vast te stellen de Beleidsregels minimaregelingen gemeente Barneveld

Artikel 1 Begripsbepalingen

  • 1. In deze beleidsregels wordt verstaan onder:

    • a.

      belanghebbende: inwoner van de gemeente Barneveld die een aanvraag doet voor minimaregelingen genoemd in hoofdstuk twee van de beleidsregels;

      [De bovenstaande tekst bevat een kennelijke verschrijving. Hier wordt bedoeld: belanghebbende: inwoner van de gemeente Barneveld die een aanvraag doet voor minimaregelingen in de beleidsregels;]

    • b.

      bijstandsnorm: de norm als bedoeld in artikel 5, onderdeel c, van de wet;

    • c.

      college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Barneveld;

    • d.

      inkomen: het inkomen als bedoeld in de artikelen 32 en 33 van de wet;

    • e.

      Meedoenplatform: het door het college beschikbaar gestelde digitale platform waarope belanghebbende toegang krijgt tot de minimaregelingen in deze beleidsregels;

    • f.

      middelen: alle vermogens- en inkomensbestanddelen als bedoeld in artikel 31 van de wet;

    • g.

      vermogen(sgrens): vermogen(sgrens) als bedoeld in artikel 34 van de wet.

    • h.

      wet: de Participatiewet;

    • i.

      zelfstandige: de zelfstandige als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004

  • 2. De begripsbepalingen van de Algemene wet bestuursrecht zijn onverkort van toepassing op deze beleidsregels.

Artikel 2 Aanvraag

  • 1. Belanghebbende dient via het Meedoenplatform één aanvraag in voor alle minimaregelingen in deze beleidsregels.

  • 2. Het college beoordeelt per regeling of de belanghebbende aan de gestelde voorwaarden voldoet.

  • 3. Het college houdt bij de beoordeling in ieder geval rekening met het inkomen, het vermogen en de gezinssamenstelling van de belanghebbende zoals bedoeld in artikel 4 van de wet.

  • 4. De belanghebbende verstrekt bij de aanvraag alle gegevens en bewijsstukken die redelijkerwijs nodig zijn voor de beoordeling van de aanvraag.

Artikel 3 Inkomen en vermogen

  • 1. Het inkomen en vermogen van de belanghebbende worden vastgesteld overeenkomstig paragraaf 3.4 van de wet.

  • 2. In afwijking van het eerste lid worden de individuele inkomenstoeslag en de studietoeslag niet als inkomen aangemerkt.

  • 3. In afwijking van het eerste lid wordt de pensioenuitkering, als genoemd in artikel 33 vijfde lid van de wet, niet vrijgelaten.

  • 4. In afwijking van het eerste lid worden spaargelden opgebouwd tijdens de bijstand als genoemd in artikel 34 lid 2 onder c van de wet niet vrijgelaten.

  • 5. Bij een vast maandinkomen wordt uitgegaan van de laatste betaling die de belanghebbende vóór de aanvraag heeft ontvangen. Als het inkomen betrekking heeft op een andere betalingsperiode dan een maand, wordt het omgerekend naar een maandinkomen.

  • 6. Bij wisselende inkomsten wordt uitgegaan van het gemiddelde maandinkomen over de drie maanden voorafgaand aan de aanvraag.

  • 7. Bij een belanghebbende die is toegelaten tot een minnelijk of wettelijk schuldhulptraject wordt het inkomen gelijkgesteld aan een inkomen op bijstandsniveau.

Artikel 4 Zelfstandige

  • 1. Het inkomen van een zelfstandige wordt voorlopig vastgesteld aan de hand van de jaarcijfers over het aan de aanvraag voorafgaande kalenderjaar.

  • 2. Het inkomen van een zelfstandige wordt definitief vastgesteld aan de hand van de jaarcijfers over het kalenderjaar waarin de minimaregelingen zijn ontvangen.

  • 3. De zelfstandige verstrekt de jaarcijfers, bedoeld in het tweede lid, uiterlijk vóór 1 juli van het daaropvolgende jaar.

  • 4. Het college kan de in het derde lid genoemde termijn verlengen als de individuele omstandigheden daartoe aanleiding geven.

  • 5. Met het definitief vastgestelde inkomen beoordeelt het college voor welk bedrag minimaregelingen zouden zijn toegekend als dat inkomen voorafgaand aan de toekenning bekend was geweest.

  • 6. Het college kan de verstrekte minimaregelingen geheel of gedeeltelijk terugvorderen als de zelfstandige de jaarcijfers niet tijdig verstrekt.

  • 7. Het college kan de verstrekte minimaregeling(en) geheel of gedeeltelijk terugvorderen als op basis van de definitieve vaststelling van het inkomen blijkt dat het bij de voorlopige vaststelling gehanteerde inkomenspercentage onjuist, is waardoor er geen aanspraak bestaat op de minimaregeling(en).

Artikel 5 Inkomenspercentage

  • 1. Het maandinkomen van de belanghebbende wordt uitgedrukt in een percentage van de voor de belanghebbende geldende bijstandsnorm.

  • 2. Bij de vaststelling van het inkomenspercentage blijven de kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a van de wet en de verlaging als bedoeld in paragraaf 3.3 van de wet buiten beschouwing.

  • 3. Het inkomenspercentage wordt vastgesteld voor de duur van één jaar.

  • 4. Voor de vaststelling van het inkomenspercentage wordt uitgegaan van de eerste dag van de maand waarin de aanvraag is ontvangen.

  • 5. Het inkomenspercentage kan tussentijds op verzoek van belanghebbende worden herzien als zich wijzigingen voordoen, die leiden tot een afname van het vastgestelde inkomenspercentage.

Artikel 6 Geen aanspraak

  • 1. Er bestaat geen aanspraak op de minimarelingen als de belanghebbende niet behoort tot de kring van rechthebbenden als bedoeld in artikel 11 van de wet;

  • 2. Er bestaat geen aanspraak op de minimaregelingen als sprake is van een uitsluitingsgrond als bedoeld in artikel 13 van de wet.

  • 3. De belanghebbende heeft geen aanspraak op minimaregelingen als het vermogen hoger is dan de van toepassing zijnde vermogensgrens en/of het inkomen hoger is dan het bij de regeling genoemde inkomenspercentage.

Artikel 7 Schoolkosten

  • 1. De belanghebbende en zijn inwonend(e) ten laste komend(e) kind(eren) als bedoeld in artikel 4, lid 1, onder e, van de wet maken bij een inkomenspercentage tot 120% van de geldende bijstandsnorm aanspraak op een tegemoetkoming in de schoolkosten.

  • 2. De tegemoetkoming bedraagt per schooljaar:

    • a.

      € 75 voor basisonderwijs;

    • b.

      € 550 voor het eerste jaar van het voortgezet onderwijs;

    • c.

      € 275 vanaf het tweede jaar van het voortgezet onderwijs;

    • d.

      € 275 voor middelbaar beroepsonderwijs in de beroepsopleidende leerweg (BOL).

  • 3. Geen tegemoetkoming wordt verstrekt voor onderwijs in de beroepsbegeleidende leerweg (BBL), voor hoger beroepsonderwijs (hbo) of wetenschappelijk onderwijs (wo).

  • 4. Bij de aanvraag vermeldt de belanghebbende de onderwijssoort en de onderwijsinstelling. Het college kan zo nodig aanvullende bewijsstukken opvragen.

Artikel 8 Bibliotheekabonnement

  • 1. De belanghebbende komt bij een inkomenspercentage tot 110% van de geldende bijstandsnorm in aanmerking voor een standaard jaarabonnement van Bibliotheek Barneveld.

  • 2. Het college betaalt de abonnementskosten rechtstreeks aan de Bibliotheek Barneveld.

Artikel 9 Culturele of sportactiviteiten

  • 1. De belanghebbende komt bij een inkomenspercentage tot 110% van de geldende bijstandsnorm voor de eigen deelname aan culturele of sportactiviteiten, of voor de deelname van inwonende ten laste komende kinderen van 5 tot en met 17 jaar, in aanmerking voor een vergoeding van de contributie van één activiteit per jaar.

  • 2. De vergoeding bedraagt maximaal € 350 per (verenigings)jaar voor sportactiviteiten en maximaal € 600 per (verenigings)jaar voor culturele activiteiten.

  • 3. De contributie wordt rechtstreeks aan de vereniging, muziekschool of andere culturele of sportinstelling betaald.

  • 4. Als een activiteit tijdens een verenigingsjaar start of geen verenigingsjaar kent, geldt de startdatum van de deelname als fictieve aanvang van het verenigingsjaar. Indien van toepassing, maakt de belanghebbende aanspraak op een vergoeding naar rato van het resterende verenigingsjaar.

Artikel 10 Gezondheid- en vrijetijdbesteding

  • 1. De belanghebbende en/of zijn inwonende ten laste komend(e) kind(eren) vanaf 5 jaar komen bij een inkomenspercentage tot 110% van de geldende bijstandsnorm per jaar in aanmerking voor een vergoeding voor activiteiten, abonnementen of materialen in het kader van gezondheid of vrijetijdsbesteding.

  • 2. De vergoeding bedraagt maximaal € 150 voor drie jaren.

  • 3. Het college stelt de vergoeding in één keer aan de belanghebbende beschikbaar in het Meedoenplatform.

  • 4. De belanghebbende bepaalt zelf of de vergoeding in delen of ineens wordt uitbetaald.

  • 5. Zolang de periode, bedoeld in het tweede lid, loopt, bestaat geen aanspraak op een nieuwe vergoeding op grond van dit artikel.

Artikel 11 Zwemlessen

  • 1. De belanghebbende moet de aanvraag indienen voordat gestart wordt met de zwemlessen.

  • 2. De belanghebbende komt bij een inkomenspercentage tot 120% voor de eigen deelname aan zwemlessen voor het behalen van zwemdiploma A, of voor de deelname van ten laste komend(e) kind(eren) vanaf 5 jaar, in aanmerking voor een eenmalige vergoeding van de kosten van zwemlessen bij zwembad De Veluwehal of zwembad De Heuvelrand.

  • 3. Het college betaalt de kosten van de zwemlessen en de kosten voor het behalen van het zwemdiploma A rechtstreeks aan het zwembad.

  • 4. Het college vergoedt eenmalig de kosten van de toegangspas van het zwembad.

Artikel 12 Zomerzwemabonnement

  • 1. De belanghebbende komt bij een inkomenspercentage tot 110% van de geldende bijstandsnorm in aanmerking voor een zomerzwemabonnement voor zwembad Oosterbosbad.

  • 2. De belanghebbende kan alleen van 1 februari tot en met 30 april aanspraak maken op het zomerzwemabonnement.

  • 3. Het college betaalt de kosten van het zomerzwemabonnement rechtstreeks aan het zwembad en vergoedt eenmalig de kosten van de toegangspas van het zwembad.

Artikel 13 Overgangsrecht

  • 1. Een aanspraak op een minimaregeling die vóór de inwerkingtreding van deze beleidsregels is toegekend, blijft ongewijzigd gedurende de periode waarvoor deze is toegekend.

  • 2. Een draagkracht die vóór de inwerkingtreding van deze beleidsregels is vastgesteld, blijft ongewijzigd gedurende de periode waarvoor deze is vastgesteld.

Artikel 14 Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1. Deze beleidsregels treden in werking op 1 mei 2026.

  • 2. Deze beleidsregels worden aangehaald als: Beleidsregels minimaregelingen gemeente Barneveld.

Ondertekening

Aldus vastgesteld op 21 april 2026,

Burgemeester en wethouders voornoemd,

W. Wieringa

Secretaris

J. van der Tak,

Burgemeester

Toelichting

Algemeen

Deze beleidsregels geven invulling aan de gemeentelijke bevoegdheid om belanghebbenden met een laag inkomen te ondersteunen bij maatschappelijke participatie. De regels zijn geherstructureerd zodat per onderwerp duidelijk is welke voorwaarden gelden, hoe het inkomen en vermogen worden vastgesteld en welke regeling voor welke doelgroep openstaat. De uitvoering vindt plaats via het Meedoenplatform. Met één digitale aanvraag kan het college in één beoordeling vaststellen voor welke regelingen de belanghebbende (en zijn gezinsleden) in aanmerking komt. Daardoor hoeft de belanghebbende niet voor iedere regeling afzonderlijk een aanvraag in te dienen, worden dubbele gegevens uitvragen zoveel mogelijk voorkomen en ontstaat een meer uniforme en efficiënte uitvoering.

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1 Begripsbepalingen

Het artikel bevat de begrippen die voor de toepassing van deze beleidsregels het meest relevant zijn. De definitie van het Meedoenplatform is expliciet opgenomen, omdat dit platform een centrale plaats inneemt in de uitvoering van de regelingen.

Artikel 2 Aanvraag

De aanvraag verloopt via het Meedoenplatform. Dat bevordert de doelmatigheid van de uitvoering op drie manieren. Ten eerste hoeft de belanghebbende slechts één aanvraag te doen. Ten tweede kan het college in één keer het inkomen, vermogen en de gezinssamenstelling beoordelen. Ten derde kan per gezinslid direct worden vastgesteld voor welke regelingen aanspraak bestaat. Daarmee wordt voorkomen dat voor iedere afzonderlijke voorziening opnieuw een volledige beoordeling moet plaatsvinden.

Het uitgangspunt is om te werken vanuit vertrouwen en met de ondersteuning aansluiting te zoeken bij de individuele situatie van de belanghebbende. Daarom is het passend om de inkomens- en vermogensvaststelling maximaal ééns per jaar uit te voeren en te werken met één aanvraag per jaar voor alle regelingen samen. Wel wordt van de belanghebbende verwacht dat hij alle informatie verstrekt die nodig is om de aanvraag te kunnen beoordelen.

Artikel 3 Inkomen en vermogen

Een belanghebbende die in een minnelijk- of wettelijk schuldhulptraject zit en die rondkomen van een vrij te laten bedrag (VTLB), wordt het inkomen gelijkgesteld aan een inkomen op- of gelijk aan bijstandsniveau. Het VTLB is het absolute minimumbedrag dat iemand nodig heeft voor noodzakelijke kosten van levensonderhoud en vaste lasten. Van het hogere inkomen dan het VTLB worden de schulden afbetaald. Aangezien dit bedrag vaak rond de 95% van de bijstandsnorm ligt (plus specifieke correcties), bevindt iemand met een VTLB zich feitelijk in dezelfde financiële positie als iemand met een bijstandsuitkering.

Artikel 4 Zelfstandigen

Bij zelfstandigen staat het inkomen niet vooraf vast. Daarom wordt gewerkt met een voorlopige vaststelling op basis van beschikbare jaarcijfers en volgt na afloop van het kalenderjaar een definitieve beoordeling. Deze systematiek maakt deelname aan de minimaregelingen mogelijk, terwijl achteraf kan worden getoetst of de toekenning in overeenstemming was met het werkelijke inkomen.

Artikel 5 Inkomenspercentage

Het inkomenspercentage is het instrument waarmee het inkomen van de belanghebbende wordt afgezet tegen de toepasselijke bijstandsnorm. De berekening is:

(inkomen van de belanghebbende / toepasselijke bijstandsnorm x 100 = inkomenspercentage

Door het inkomenspercentage voor een jaar vast te leggen, is gedurende die periode duidelijk voor welke regelingen aanspraak kan bestaan. Dat ondersteunt ook de werking van het Meedoenplatform, omdat niet voor iedere afzonderlijke voorziening opnieuw een volledige inkomenstoets hoeft plaats te vinden.

Artikel 6 Geen aanspraak

Elke regeling kent een ‘eigen’ inkomenspercentage. Het inkomenspercentage dat van toepassing is, wordt bij de regeling vermeld. Hierdoor is voor de uitvoering en de belanghebbenden direct zichtbaar welke regeling voor welke inkomensgroep openstaat.

Artikel 7 Schoolkosten

De schoolkostenregeling is toegankelijk voor een belanghebbende met een inkomenspercentage tot 120% van de geldende bijstandsnorm. Daarmee is deze regeling ruimer toegankelijk dan sommige andere voorzieningen. Dat is gerechtvaardigd, omdat het belang van kinderen voorop staat. De belanghebbende kan de tegemoetkoming, naar behoefte, in een keer opnemen of in delen opnemen. De regie ligt bij de belanghebbende. Dit uitgangspunt sluit aan bij het Meedoenplatform.

Er wordt geen tegemoetkoming verstrekt bij BBL, hbo of wo. Bij BBL is sprake van een combinatie van leren en werken. Bij hbo en wo bestaat doorgaans toegang tot studiefinanciering.

Om de uitvoering via het Meedoenplatform laagdrempelig te houden, wordt niet standaard een bewijs van inschrijving gevraagd. De belanghebbende vermeldt wel de onderwijssoort en de onderwijsinstelling. Het college kan aanvullende bewijsstukken opvragen als dat voor de beoordeling nodig is.

Artikel 8 Bibliotheekabonnement

Het bibliotheekabonnement is een laagdrempelige voorziening die bijdraagt aan taalontwikkeling, informatievoorziening en participatie. De verstrekking vindt in natura plaats. Daardoor is duidelijk waaraan de voorziening wordt besteed en blijft de uitvoering eenvoudig en controleerbaar.

Artikel 9 Culturele- of sportactiviteiten

De regeling ziet op de contributie voor één culturele of sportieve activiteit per jaar. Voor sportactiviteiten geldt een maximum van € 350 per (verenigings)jaar en voor culturele activiteiten een maximum van € 600 per verenigingsjaar. De vergoeding wordt rechtstreeks aan de aanbieder betaald.

Bij een start gedurende het verenigingsjaar wordt alleen het resterende deel vergoed. Voor activiteiten zonder verenigingsjaar geldt de startdatum als fictieve ingangsdatum. Onder culturele activiteiten worden in elk geval beeldende activiteiten, muziek en theater verstaan. Dans wordt voor de uitvoering van deze beleidsregels als sportactiviteit aangemerkt.

Artikel 10 Gezondheid- en vrijetijdsbudget

Dit artikel biedt ruimte voor kleinschalige uitgaven die wel bijdragen aan gezondheid of vrijetijdsbesteding, maar niet passen binnen de contributieregeling van artikel 9. Met het verstrekken van een budget, ondersteunen we de belanghebbende om naar eigen inzicht ‘meedoen’ vorm te geven. Dat kan bijvoorbeeld door het volgen van een cursus/workshop, aanschaf van sportkleding en attributen of een culturele activiteit. Door de regeling voor drie jaar toe te kennen en aan belanghebbende beschikbaar te stellen via het Meedoenplatform, houdt de belanghebbende zelf de regie over dit budget. De belanghebbende bepaalt immers zelf of het bedrag ineens of in delen moet worden uitgekeerd.

Artikel 11 Zwemlessen

De gemeente vindt het belangrijk dat belanghebbenden met een laag inkomen in de gelegenheid zijn om basis-zwemvaardigheden op te doen. Die gelegenheid wordt gegeven door een vergoeding te verstrekken voor het volgen van zwemlessen en het behalen van zwemdiploma A bij het zwembad De Veluwehal of het zwembad De Heuvelrand. De vergoeding wordt door de gemeente rechtstreeks aan het betreffende zwembad betaald.

Het zwembad garandeert dat de belanghebbende en/of het ten laste komend kind het zwemdiploma A haalt.

Het zwembad bewaakt de voortgang maar bij veelvuldig verzuim worden de zwemlessen gestaakt en garandeert het zwembad het behalen van het diploma niet langer als:

  • bijzonderheden die van invloed kunnen zijn op deelname aan de zwemles niet tijdig, onvolledig of onjuist aan de kassamedewerkers wordt doorgegeven;

  • minder dan 90% van de zwemlessen gevolgd is.

Als sprake is van langere tijd afwezigheid wegens ziekte wordt apart op individuele basis door de gemeente een regeling getroffen.

Artikel 11 Zomerzwemabonnement

De aanvraagperiode sluit aan bij de reguliere verkoopperiode van het zomerzwemabonnement. Ook hier wordt het abonnement in natura verstrekt en wordt de toegangspas eenmaal vergoed. Dat maakt de uitvoering eenvoudig en beperkt de kans op besteding aan andere doelen.

Hoofdstuk 3 Slotbepalingen

Artikel 13 Overgangsrecht

Dit artikel voorkomt dat lopende toekenningen of al vastgestelde draagkrachtperioden door de nieuwe beleidsregels tussentijds worden doorbroken. De nieuwe beleidsregels gelden voor nieuwe aanvragen na de datum van inwerkingtreding.

Artikel 14 Inwerkingtreding en citeertitel

Dit artikel regelt het moment waarop de nieuwe beleidsregels gaan gelden, welke eerdere regeling vervalt en onder welke naam naar deze beleidsregels kan worden verwezen.