Permanente link
Naar de actuele versie van de regeling
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR761263
Naar de door u bekeken versie
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR761263/1
LLO-regeling werkgevers investeren in scholing en ontwikkeling (NPG)
Geldend van 01-05-2026 t/m heden
Intitulé
LLO-regeling werkgevers investeren in scholing en ontwikkeling (NPG)GEDEPUTEERDE STATEN VAN DE PROVINCIE GRONINGEN
Overwegende dat:
- –
Provinciale Staten het Provinciaal programmaplan Nationaal Programma Groningen 2024-2029 als kader hebben vastgesteld;
- –
het Provinciaal programmaplan inhoudelijk aansluit op keuzes in het Hoofdlijnenakkoord 2023-2027;
- –
Gedeputeerde Staten een uitvoeringsprogramma hebben ingediend bij het Nationaal Programma Groningen om middelen vrij te maken om subsidie te verstrekken aan projecten die werkgevers ondersteunen en stimuleren op het gebied van leven lang ontwikkelen;
- –
Gedeputeerde Staten uit het Nationaal Programma Groningen een bijdrage hebben ontvangen voor het ondersteunen van projecten waarvoor een subsidieregeling dient te worden opgesteld.
- –
over het algemeen projecten in het kader van deze gezamenlijke LLO activiteiten zonder overheidssteun minder snel of in beperktere mate tot stand zouden komen;
- –
andere partijen en overheden in de provincie kunnen leren van de ervaringen.
Gelet op:
- –
titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht;
- –
artikel 3, derde lid, van de Kaderverordening subsidies provincie Groningen 2017;
- –
de Procedureregeling subsidies provincie Groningen 2018.
Besluiten:
Vast te stellen de LLO-regeling werkgevers investeren in scholing en ontwikkeling (NPG), luidende als volgt:
Artikel 1 Begripsbepaling
In deze regeling wordt verstaan onder:
- –
AGVV: verordening 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014, waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard, laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EU) 2023/1315 van de Commissie van 23 juni 2023;
- –
Awb: Algemene wet bestuursrecht;
- –
de-minimisverordening: verordening (EU) 2023/2831 van de Commissie van 13 december 2023 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun;
- –
evidence based leren en werken: voortdurend proces van (evidence based) afstemming/ bijstelling (tussen de partijen binnen het samenwerkingsverband indien hier sprake van is) op basis van wetenschappelijk onderzoek, professionele ervaring en de wensen van de doelgroep;
- –
LLO: Leven Lang Ontwikkelen;
- –
LLO-activiteiten: leer- of ontwikkelactiviteiten of reeks van activiteiten gericht op het versterken van het LLO-ecosysteem;
- –
programmaplan: meest recente editie van het programma Werken aan Ontwikkeling geschreven vanuit de basis van het Provinciaal Programmaplan 2024-2029;
- –
provincie: provincie Groningen;
- –
Regio: de arbeidsmarktregio Groningen als bedoeld in het Besluit werkgebieden UWV 2024;
- –
SNN: het Samenwerkingsverband Noord-Nederland;
- –
VwEU: Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, Rome, 25-03-1957.
Artikel 2 Doel subsidie
Het doel van deze regeling is het ondersteunen van initiatieven waarbij werkgevers subsidie kunnen aanvragen om LLO-activiteiten binnen hun eigen organisatie te bevorderen en versterken. Deze regeling stimuleert bedrijven om te investeren in de doorlopende ontwikkeling van hun (toekomstige) medewerkers, wat bijdraagt aan de verbetering van kennis, vaardigheden, en tegelijkertijd de concurrentiekracht van de organisatie vergroot.
Artikel 3 Doelgroep
Subsidie kan worden aangevraagd door een individuele werkgever.
Artikel 4 Subsidievorm
Gedeputeerde Staten verstrekken op grond van deze regeling subsidies in de vorm van een geldbedrag.
Artikel 5 Subsidiabele activiteiten
Voor subsidie komen activiteiten in aanmerking die bijdragen aan het ontwikkelen van LLO-activiteiten.
Subsidiabele activiteiten zijn gericht op één of meerdere van de volgende onderdelen:
- a.
stimulering van deelname aan LLO
Activiteiten die bijdragen aan het vergroten van deelname van werknemers, werkzoekenden of andere doelgroepen aan leven lang ontwikkelen, zoals interventies gericht op bewustwording, motivatie, loopbaanoriëntatie of het wegnemen van drempels voor scholing.
Deze activiteiten vallen in beginsel niet onder de artikel 31 AGVV. Indien sprake is van staatssteun, kunnen deze activiteiten worden gesubsidieerd onder het de‑minimissteunkader.
- b.
om-, bij- en nascholing
Activiteiten gericht op het ontwikkelen, vernieuwen of verbeteren van scholingsprogramma’s, opleidingsmodules, bedrijfsinterne scholing of praktijkgerichte leeromgevingen.
Voor zover deze activiteiten kwalificeren als opleidingsactiviteiten of de ontwikkeling van opleidingsprogramma’s, kunnen zij worden gesubsidieerd onder artikel 31 AGVV.
Artikel 6 Staatssteun
De subsidie wordt gerechtvaardigd verstrekt op basis van:
- a.
de de-minimisverordening; of
- b.
artikel 31 van de AGVV.
Artikel 7 Subsidieaanvraag
-
1. Een aanvraag kan worden ingediend bij het SNN via een daarvoor ontwikkeld webportal dat bereikbaar is via www.snn.nl.
-
2. De aanvraag gaat in ieder geval vergezeld met;
- a.
een projectplan en een begroting conform het door het SNN beschikbaar gestelde format;
- b.
een beknopte samenvatting van het project waarvoor de subsidie wordt aangevraagd die kan worden gebruikt in voor een ieder toegankelijke publicaties;
- c.
een steunanalyse conform het door SNN beschikbaar gestelde format;
- d.
Indien gebruik gemaakt wordt van artikel 31 AGVV: een verklaring van geen financiële moeilijkheden en geen openstaand bevel tot terugvordering bij de Europese commissie;
- e.
Indien gebruik wordt gemaakt van de de-minimisverordening: een de-minimisverklaring.
- a.
Artikel 8 Subsidieplafond en wijze van verdeling
-
1. Gedeputeerde Staten stellen het subsidieplafond vast op € 3.635.000, --.
-
2. Het dagelijks bestuur SNN verdeelt het in het vorige lid bedoelde bedrag op volgorde van ontvangst van de aanvragen.
-
3. Indien een subsidieaanvraag nog niet volledig is, geldt voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie de dag waarop de subsidieaanvraag volledig is als datum van binnenkomst.
-
4. Dreigt het subsidieplafond op enige dag te worden overschreden, dan vindt rangschikking van de op die dag binnengekomen volledige subsidieaanvragen plaats door middel van loting.
Artikel 9 Aanvraagperiode
-
1. Een aanvraag kan worden ingediend in de periode vanaf 19 mei 2026 tot en met 31 december 2028.
-
2. Een aanvraag kan worden ingediend vanaf 09.00 uur op de in het eerste lid genoemde startdatum en is tijdig ingediend indien zij op de in het eerste lid genoemde einddatum vóór 17.00 uur is ontvangen.
Artikel 10 Starttermijn en doorlooptijd
-
1. Met de uitvoering van de op grond van deze regeling gesubsidieerde projecten wordt gestart binnen zes maanden na dagtekening van de verleningsbeschikking.
-
2. Een project duurt tot maximaal 24 maanden na dagtekening van de verleningsbeschikking. De uitvoering van het project is voor 1 juli 2029 voltooid.
-
3. Op verzoek van de subsidieontvanger kunnen Gedeputeerde Staten de termijn, bedoeld in het eerste lid verlengen.
Artikel 11 Hoogte subsidie
-
1. Het subsidiepercentage bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten.
-
2. In afwijking van het eerste lid kan de hoogte van het subsidiepercentage of de maximale subsidie per aanvrager worden beperkt, indien de regels van de Algemene groepsvrijstellingsverordening of de de-minimisverordening daartoe aanleiding bieden.
-
3. De subsidie bedraagt minimaal € 10.000 per project.
-
4. De subsidie bedraagt maximaal € 100.000 per project.
Artikel 12 Subsidiabele kosten
-
1. Voor zover zij direct verbonden zijn met de uitvoering van activiteiten als bedoeld in artikel 2 van deze regeling, zijn uitsluitend de kosten subsidiabel die passen binnen de kostensoorten zoals toegestaan onder de toepasselijke artikelen van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening (AGVV). De koppeling tussen activiteiten en subsidiabele kosten luidt als volgt:
- a.
Voor activiteiten uit artikel 5 sub a worden de subsidiabele kosten beperkt tot kosten als genoemd in het de‑minimissteunkader;
- b.
Voor activiteiten uit artikel 5 sub b worden de subsidiabele kosten beperkt tot kosten als genoemd in artikel 31 AGVV;
- a.
-
2. De loonverletkosten worden berekend door het aantal aan opleiding te besteden uren te vermenigvuldigen met een vast uurtarief van € 23,91.
-
3. De subsidiabele kosten, bedoeld in het eerste lid, worden in aanmerking genomen met inbegrip van de btw, indien de subsidieontvanger de btw niet als belasting als bedoeld in artikel 2 van de Wet op de omzetbelasting in aftrek kan brengen.
Artikel 13 Berekening loonkosten en eigen arbeid
-
1. De loonkosten, inclusief overhead, worden berekend:
- a.
door het aantal aan het project te besteden uren te vermenigvuldigen met een vast uurtarief van € 60; of
- b.
als een vast percentage van een maandtarief van € 8.600 per werknemer, bij een voltijd dienstverband van 1.720 uur per jaar, of een evenredig deel daarvan bij een deeltijd dienstverband, overeenkomstig het vooraf vastgestelde vaste percentage van de tijd dat werknemers per maand aan het project hebben gewerkt en zonder verplichting om een afzonderlijk arbeidstijdregistratiesysteem op te zetten.
- a.
-
2. In afwijking van het eerste lid maken kennisinstellingen gebruik van een uurtarief berekend op basis van een door de Minister van EZK goedgekeurde integrale kostensystematiek als bedoeld in artikel 12, eerste lid, van het Kaderbesluit nationale EZK- en LNV-subsidies, indien zij daarover beschikken. Het gebruik van de integrale kostensystematiek is niet toegestaan indien binnen een project wordt gekozen voor de berekening van de loonkosten inclusief overhead, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c. 3.
-
3. Indien op grond van het tweede lid gebruik wordt gemaakt van de integrale kostensystematiek (IKS), zijn artikel 12, derde lid, van het Kaderbesluit nationale EZK- en LNV subsidies en artikel 1.2, eerste lid, van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies, van overeenkomstige toepassing.
-
4. De subsidieontvanger stelt een document op met vermelding van de namen van de werknemers, bedoeld in het eerste lid onder b, en het vaste percentage, bedoeld in dat onderdeel, waaruit akkoord blijkt van de werkgever en de werknemers, en houdt dat document beschikbaar in zijn administratie.
Artikel 14 Niet-subsidiabele kosten
Voor subsidie komen de volgende kosten in ieder geval niet in aanmerking als subsidiabele kosten als bedoeld in artikel 12 eerste lid:
- a.
administratieve en financiële sancties en boetes;
- b.
winstopslagen binnen een groep of samenwerkingsverband;
- c.
fooien en geschenken;
- d.
representatiekosten en -vergoedingen;
- e.
kosten van personeelsactiviteiten;
- f.
kosten van overboekingen en annuleringen;
- g.
gratificaties en bonussen;
- h.
kosten van outplacementtrajecten; en
- i.
voor indiening van de subsidieaanvraag gemaakte kosten.
Artikel 15 Cumulatie
Indien reeds door een bestuursorgaan of de Europese Commissie subsidie is verstrekt voor de subsidiabele kosten of een deel daarvan, wordt slechts een zodanig bedrag aan subsidie verstrekt dat het totale bedrag aan subsidies niet meer bedraagt dan het bedrag dat volgens het toepasselijke Europese steunkader is toegestaan.
Artikel 16 Weigeringsgronden
-
1. Onverminderd de artikelen 4:25 en 4:35 Awb en de artikelen 2.5 en 2.6 van de Procedureregeling wordt de subsidie in ieder geval geweigerd indien:
- a.
het project niet in lijn is met het programmaplan Werken aan Ontwikkeling,
- b.
in geval van subsidieverlening onder artikel 31 van de AGVV de subsidieverstrekking in strijd zou zijn met een Europees steunkader omdat:
- I.
subsidie verstrekt zou worden aan een aanvrager die een onderneming drijft die in moeilijkheden verkeert als bedoeld in het desbetreffende steunkader, of
- II.
de subsidie geen stimulerend effect heeft als bedoeld in het desbetreffende steunkader.
- I.
- c.
de Europese Commissie overeenkomstig artikel 108, derde lid, van het VWEU heeft vastgesteld dat de subsidie onverenigbaar is met de interne markt;
- d.
de subsidieverstrekking naar het oordeel van Gedeputeerde Staten niet verenigbaar is met de artikelen 107 en 108 van het VWEU;
- e.
de subsidie wordt gebruikt voor het geven van een opleiding om te voldoen aan bindende nationale opleidingsnormen.
- a.
-
2. Voorts wordt een subsidie geweigerd indien:
- a.
het project niet voldoet aan de voorwaarden in deze subsidieregeling
- b.
de activiteiten niet worden uitgevoerd in de regio of de resultaten niet aantoonbaar ten goede komen aan de regio;
- c.
de financiering van het project, met uitzondering van de gevraagde subsidie, niet aantoonbaar sluitend is
- d.
er een gegronde reden bestaat om aan te nemen dat de aanvrager doelstellingen nastreeft of activiteiten ontplooit die in strijd zijn met de wet, het algemeen belang, de goede zeden of de openbare orde;
- e.
de kosten van de activiteit niet in een redelijke verhouding staan tot het te bereiken resultaat;
- f.
er niet voor elk criterium minimaal de helft van het maximaal aantal te behalen punten wordt gescoord;
- g.
de subsidie die op grond van artikel 11, eerste en tweede lid, kan worden verleend lager is dan € 10.000.
- a.
Artikel 17 Beoordelingscriteria
-
1. Subsidieaanvragen worden beoordeeld op basis van de volgende criteria:
- a.
de mate waarin het project bijdraagt aan de ambities van het programma Werken aan Ontwikkeling (missiegedreven);
- b.
de mate van sociale innovatie;
- c.
de kwaliteit van het project;
- d.
de mate waarin het project evidence-based werkt;
- e.
de bijdrage aan duurzame ontwikkeling en aan maatschappelijke-sociale impact.
Deze criteria zijn nader uitgewerkt in de toelichting van deze regeling. De toelichting maakt om die reden integraal onderdeel uit van deze subsidieregeling.
- a.
-
2. Een aanvraag dient minimaal 70 punten te behalen om voor subsidie in aanmerking te komen.
Artikel 18 Bevoorschotting en betaling
-
1. Gedeputeerde staten verstrekken bij subsidies van € 25.000,- of meer vooruitlopend op het starten van de projectactiviteiten, een voorschot van 40% van het verleende subsidiebedrag.
-
2. Gedeputeerde staten kunnen onderbouwd afwijken van de in het eerste lid genoemde verstrekking van het voorschot. In ieder geval wordt geen voorschot verleend wanneer de verleningsbeschikking een of meer opschortende of ontbindende voorwaarden bevat. Dit is altijd het geval als de financiering niet zeker is gesteld.
-
3. Gedeputeerde staten verstrekken op aanvraag opvolgende voorschotten op basis van gemaakte en betaalde kosten. Het voorschot bedraagt de in de rapportage verantwoorde gemaakte en betaalde subsidiabele kosten, vermenigvuldigd met het toegekende subsidiepercentage.
-
4. De voorschotten bedragen in totaal maximaal 80% van het verleende subsidiebedrag.
-
5. In afwijking van het vierde lid kan in afstemming met de Gedeputeerde Staten een voorschot tot een maximum van 100% van de maximaal verleende subsidie worden verstrekt, indien:
- a.
het zeer aannemelijk is dat het project conform de subsidievoorwaarden op afzienbare termijn kan worden afgerond;
- b.
het aannemelijk is dat de kosten die nog gemaakt worden subsidiabel gesteld zullen worden; en
- c.
het niet toekennen van het voorschot onredelijke gevolgen voor de liquiditeitspositie van de aanvragende onderneming heeft.
- a.
Artikel 19 Verplichtingen
Aan de subsidieontvanger worden de volgende verplichtingen opgelegd:
- a.
het project wordt boekhoudkundig afgerond uiterlijk 1 juli 2029;
- b.
de subsidieontvanger overlegt jaarlijks een tussentijds voortgangsverslag, indien de periode van uitvoering van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt verstrekt meer dan twaalf maanden bedraagt;
- c.
de subsidieontvanger verleent gedurende de looptijd van de regeling op verzoek van de provincie medewerking aan regionale of sectorale bijeenkomsten om aldaar de opgedane inzichten van het project toe te lichten;
- d.
de subsidieontvanger verleent gedurende vijf jaar na de datum van de beschikking tot subsidieverlening medewerking aan een evaluatie van de doeltreffendheid en de effecten van de verleende subsidie, voor zover medewerking redelijkerwijs kan worden verlangd;
- e.
de subsidieontvanger verleent opdrachten aan derden voor uitvoering van de activiteiten, of een deel daarvan, op basis van transparante criteria en tegen marktconforme tarieven en houdt zich aan de toepasselijke wet- en regelgeving;
Artikel 20 Vaststelling van de subsidie
-
1. Subsidies tot € 25.000 worden door Gedeputeerde Staten direct vastgesteld.
-
2. Voor subsidies van € 25.000 of meer geldt dat een aanvraag tot subsidievaststelling wordt ingediend uiterlijk 13 weken na voltooiing van de activiteiten waarvoor subsidie is verleend.
-
3. Bij de aanvraag tot vaststelling als bedoeld in het tweede lid wordt een activiteitenverslag inclusief financieel verslag overlegd, waaruit genoegzaam blijkt dat de activiteit waarvoor subsidie is verstrekt overeenkomstig het besluit tot subsidieverlening is verricht en aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan.
Artikel 21 Citeertitel
Deze subsidieregeling wordt aangehaald als: Werkgevers investeren in scholing en ontwikkeling (NPG).
Artikel 22 Inwerkingtreding
Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na bekendmaking in het Provinciaal Blad.
Ondertekening
Groningen, 21 april 2026
Hoogachtend,
Gedeputeerde Staten van Groningen,
René Paas, voorzitter
Hans Schrikkema, secretaris
I.Toelichting algemeen
1.Inleiding en doel
In 2019 is het Nationaal Programma Groningen gestart om Groningers perspectief te bieden. In dit programma werken inwoners, gemeenten, provincie, het Rijk, maatschappelijke organisaties en het bedrijfsleven samen aan brede welvaart voor alle Groningers en aan het imago van Groningen.
Vanuit de Provincie Groningen is er onder meer gericht op gezondheid, economie, landschap en onderwijs, onderwerpen die voor alle inwoners van Groningen belangrijk zijn. Daarvoor heeft de provincie een provinciaal programmaplan opgesteld. Dit programmaplan dient als kader voor het toekennen van middelen vanuit het Nationaal Programma Groningen.
Vanuit de programmalijn 'Werken aan Ontwikkeling' worden de middelen voor deze regeling beschikbaar gesteld.
De regionale arbeidsmarkt staat de komende jaren voor grote uitdagingen. Het verdienvermogen van de regio blijft achter en heeft versterking nodig. Binnen de programmalijn 'Werken aan Ontwikkeling' wordt de verbinding gelegd tussen de drie domeinen die voor de toekomstige arbeidsmarkt van belang zijn: het missie gedreven innovatiebeleid, de inclusiviteitsagenda in het sociale domein en de toegang tot leven lang ontwikkelen.
De arbeidsmarktregio Groningen kent door de demografische ontwikkelingen - zoals ontgroening en vergrijzing, groei in de Stad en krimp in de Ommelanden met de druk die daarbij ontstaat op de lokale economie, voorzieningen en leefbaarheid - extra uitdagingen. De krappe arbeidsmarkt raakt mensen in hun dagelijks bestaan en werkgevers bij de uitvoering van hun werkzaamheden. Deze krapte op de arbeidsmarkt zal de komende decennia aanhouden. Met 'Werken aan ontwikkeling' wordt op zoek gegaan naar het versterken van de gehele arbeidsmarkt met oog voor economische innovatie en de leefbaarheid van het gehele gebied.
2.Projecten
Deze regeling is bedoeld voor individuele werkgevers die binnen hun organisatie een volgende stap willen zetten in de ontwikkeling van hun werkgeverschap, de leercultuur en de ontwikkeling van medewerkers binnen hun organisatie, met als doel het vergroten van de duurzame inzetbaarheid én het verdienvermogen van zowel de medewerkers als de organisatie.
Het kan bijvoorbeeld gaan om:
- •
Vraagzijde:
- o
Taak- en functie-analyses – en differentiatie resulterend in vernieuwde functieprofielen
- o
Toekomstprognoses en uitwerking strategische HRM samenwerking
- o
- •
Aanbodzijde:
- o
Versterken leercultuur
- o
Versterken eigen regie en loopbaanoriëntatie medewerkers
- o
Verbeterde inrichting leer-werkomgevingen
- o
Inzichtelijk maken skills (kandidaat-)werknemers
- o
Ontwikkeling bedrijfsinterne scholing of leergemeenschap
- o
Innovatie HRM beleid, bijvoorbeeld gericht op scholingsplan of nieuwe zij-instroom
- o
De projecten hebben als gemeenschappelijk doel om via gerichte LLO-initiatieven de organisatie en haar medewerkers toekomstbestendiger te maken door te investeren in menselijk kapitaal.
3.Vormgeving
De aanvragen worden op volgorde van ontvangst in de openstellingsperiode beoordeeld, volgens het zogenaamde ‘molenaarsprincipe’. Aanvragen worden na compleetheid beoordeeld op grond van vooraf kenbaar gemaakte criteria. Projecten die voldoen aan de minimale vereisten, waaronder een voldoende kwalitatieve bijdrage aan het programma, worden op volgorde van ontvangst beschikt totdat het voor deze subsidietitel geldende subsidieplafond is bereikt.
4.Staatssteun
Het is noodzakelijk dat er toetsing plaatsvindt op staatssteunaspecten. In artikel 6 van deze regeling zijn alle relevante artikelen uit de Algemene groepsvrijstellingverordening opgenomen die van toepassing kunnen worden verklaard. Het SNN beoordeelt de projecten bij aanvraag op de regionale bepalingen en beoordeelt of het verlenen van staatssteun geoorloofd is.
Er kan ten aanzien van staatssteun in het algemeen sprake van zijn drie situaties: geen staatssteun (geen economische activiteiten), geoorloofde staatssteun of ongeoorloofde staatssteun. Steun kan worden verleend wanneer geen sprake is van staatssteun of wanneer de steun past binnen geldende staatssteunregels. De bepaling van de (maximale) steun wordt per begunstigde uitgevoerd, wat inhoudt dat de (maximale) subsidiepercentages kunnen verschillen tussen de projectpartners. Op basis van deze berekening wordt vervolgens het subsidiepercentage en subsidiebedrag voor het project als geheel bepaald.
De steunanalyse of er sprake is van staatssteun in de aanvraag, en indien dat zo is welke grondslag tot geoorloofde staatssteun van toepassing is, is een verplicht onderdeel van de aanvraag. De steunanalyse dient dus door de aanvrager te worden aangeleverd. Het verdient aanbeveling deze te laten opstellen door een deskundige in dit specifieke rechtsgebied. De steunanalyse wordt door het SNN beoordeeld als onderdeel van de financieel-technische toets. Wanneer op grond van staatssteunbeperkingen (Algemene groepsvrijstellingsverordening of de de-minimisverordening) een lager maximumpercentage aan subsidie geldt dan het subsidiepercentage als genoemd in de regeling, het geldende (lagere) percentage wordt aangehouden bij de subsidieverlening.
II.Toelichting artikelen
Artikel 1 Begripsbepaling
Dit artikel legt de definities vast voor zover daar in deze subsidietitel aan wordt gerefereerd. Daar waar van toepassing is de herkomst van de definities weergegeven.
Artikel 5 Subsidiabele activiteiten
Voor subsidie komen activiteiten in aanmerking die bijdragen aan het ontwikkelen van LLO-activiteiten.
Subsidiabele activiteiten zijn gericht op één of meerdere van de volgende onderdelen:
Stimulering van deelname aan LLO
Activiteiten die gericht zijn op het stimuleren van deelname aan scholing, vaardigheidsontwikkeling en leer- en ontwikkeltrajecten, met bijzondere aandacht voor werkenden, werkzoekenden, en de toekomstige beroepsbevolking.
Om-, bij- en nascholing
Het ontwikkelen, verbeteren of toegankelijk maken van trajecten gericht op om-, bij- of nascholing, afgestemd op veranderende beroepen, sectoren en transities op de arbeidsmarkt.
Artikel 9 Aanvraagperiode
Van belang is dat de complete subsidieaanvraag uiterlijk ingediend moet zijn op 31 december 2028 17.00 uur. De verdeling van het beschikbare budget vindt plaats via het zogenoemde molenaarsprincipe: 'wie het eerst komt, wie het eerst maalt'. Het is daarmee mogelijk dat het beschikbare budget voor 31 december 2028 op is.
Artikel 10 Starttermijn en doorlooptijd
In de verleningsbeschikking zal een einddatum voor het project worden opgenomen, gebaseerd op hetgeen in de aanvraag is aangegeven als de datum waarop het project reëel voltooid zal zijn. De einddatum is medebepalend voor de periode waarin subsidiabele kosten gedeclareerd kunnen worden. Het is aan de aanvrager om in de aanvraag voldoende te onderbouwen dat de opgegeven periode noodzakelijk is voor het project en dat het project binnen de opgegeven periode volledig kan worden afgerond.
Een project duurt tot maximaal 24 maanden na dagtekening van de verleningsbeschikking. Indien gedurende de projectperiode blijkt dat door onvoorziene omstandigheden een project toch enkele maanden langer de tijd nodig heeft om volledig te worden afgerond, dan kan een verzoek tot verlenging van de projectperiode worden ingediend bij het SNN.
Artikel 12 Subsidiabele kosten
- 1.
Loonkosten
- o
Salarissen en vergoedingen voor medewerkers die direct betrokken zijn bij de uitvoering van de LLO-activiteiten, zoals projectmanagers, trainers, coaches, en administratief personeel.
- o
Kosten voor tijdelijke medewerkers die specifiek worden ingehuurd voor het uitvoeren van LLO-gerelateerde activiteiten, zoals ontwikkelaars van opleidingsmateriaal, of coördinatoren van werkplekken of stages.
- o
Vergoedingen voor werknemers die extra taken verrichten in het kader van het project, zoals interne medewerkers die betrokken zijn bij de coördinatie, organisatie, of begeleiding van de activiteiten.
- o
- 2.
Opleidings- en trainingskosten
- o
Kosten voor de ontwikkeling van opleidingsprogramma’s, inclusief lesmateriaal, cursuslocaties, en het inhuren van trainers of docenten.
- o
Kosten voor het uitvoeren van trainingssessies, workshops, en andere onderwijsactiviteiten die specifiek gericht zijn op het verbeteren van vaardigheden of kennis in de regio.
- o
- 3.
Praktijkcomponenten
- o
Kosten voor werkplekken of praktijkmodules, zoals het aanbieden van stageplekken of praktijkgerichte leeromgevingen.
- o
Kosten voor begeleiding van lerenden tijdens hun praktijkervaringen.
- o
- 4.
Verletkosten van lerenden (niet-productieve uren)
- o
Kosten voor de uren waarin lerenden zich niet bezig houden met hun reguliere werk, maar deelnemen aan LLO-activiteiten. Dit betreft niet-productieve uren die als leeruren worden ingevoerd. De verletkosten kunnen worden vergoed op basis van het bruto uurtarief en de voorwaarden voor het percentage van de jaarlijkse arbeidsduur.
- o
Artikel 16 Weigeringsgronden
De projectresultaten van het project dienen ten goede te komen aan de Provincie Groningen. Indien dit niet het geval is, zal de aanvraag worden afgewezen.
Ook van belang is dat een project technisch en economisch haalbaar is. Hierop wordt het project expliciet beoordeeld. Een project dient obstakelvrij te zijn om voor subsidie in aanmerking te kunnen komen. Dit houdt in dat er geen wezenlijke formele, juridische en financiële aspecten mogen zijn die uitvoering van het project in de weg staan. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan benodigde vergunningen of milieueisen waar het project aan moet voldoen. De aanvrager dient aannemelijk te maken dat deze aspecten de start van het project op de voorziene datum niet in de weg zullen staan. In geval van vergunningverlening dient bijvoorbeeld expliciet in de aanvraag aangegeven te worden of hier sprake van is en in welke fase de vergunningverlening zich bevindt. De haalbaarheid van het project dient aldus expliciet door de aanvrager aannemelijk gemaakt te worden.
Verder moet duidelijk zijn dat het project fysiek voltooid moet kunnen zijn of dat alle concrete acties (de projectactiviteiten) volledig ten uitvoer kunnen worden gelegd binnen 24 maanden na dagtekening van de verleningsbeschikking. Tevens dient te worden onderbouwd dat de opgegeven uitvoeringsduur noodzakelijk is om het project geheel ten uitvoer te kunnen leggen.
Artikel 17 Beoordelingscriteria
|
Criteria |
Aantal punten |
Omschrijving |
|
Bijdrage aan de ambities van het programma Werken aan Ontwikkeling (maximaal 30 punten) |
0 |
Het project draagt niet bij |
|
|
15 |
Er is concreet duidelijk gemaakt welke problemen met de uitvoering worden opgelost en welke doelen u wilt bereiken. Op basis van de inhoud van het projectplan is echter niet duidelijk hoe de activiteiten bij dragen aan duurzame inzetbaarheid, leercultuur, werkgeverschap en ontwikkeling van medewerkers. Het projectplan geeft geen inzicht in de meerwaarde voor de regio (bijvoorbeeld door kennisdeling en/of kennisdeling). |
|
|
30 |
Er is concreet duidelijk gemaakt welke problemen met de uitvoering worden opgelosten en welke doelen u wilt bereiken. De activiteiten dragen bij aan duurzame inzetbaarheid, leercultuur, werkgeverschap en ontwikkeling van medewerkers. Het project heeft een meerwaarde voor de regio (bijvoorbeeld door kennisdeling en/of kennisdeling). |
|
|
|
|
|
Mate van sociale innovatie (maximaal 20 punten) |
0 |
Er is geen sprake van sociale innovatie |
|
|
10 |
Er is helder omschreven hoe het project leidt tot nieuwe werkwijzen, nieuwe HR-aanpakken, nieuwe leeromgevingen of nieuwe manier van organiseren. Het projectplan geeft echter geen inzicht in hoe het project leidt tot een vernieuwde impuls aan de organisatie of sector. |
|
|
20 |
Er is helder omschreven hoe het project leidt tot nieuwe werkwijzen, nieuwe HR-aanpakken, nieuwe leeromgevingen of nieuwe manier van organiseren. Uit het projectplan komt duidelijk naar voren hoe het project een vernieuwde impuls geeft aan de organisatie of sector. |
|
|
|
|
|
De kwaliteit van het project (maximaal 10 punten) |
0 |
Er is geen gebruik gemaakt van het format projectplan en / of onderdelen hiervan zijn niet ingevuld. |
|
|
5 |
Er is sprake van een project dat flexibel en wendaar is (bijv. door een plan voor monitoring en bijsturing). Alleen mist inzicht in een heldere en realistische kostenstructuur (bijvoorbeeld door het ontbreken van de begroting) of er is wordt niet voldaan aan de minimale 50% cofinanciering en een duidelijke projectorganisatie en planning. |
|
|
10 |
Er is sprake van een project dat flexibel en wendaar is (bijv. door een plan voor monitoring en bijsturing). Er is sprake van een heldere en realistische kostenstructuur (inzichtelijk gemaakt in de begroting). Er is sprake van minimaal 50% cofinanciering en een duidelijke projectorganisatie en planning. |
|
|
|
|
|
De mate waarin het project evidence based werkt (maximaal 20 punten) |
0 |
Het project heeft geen inzicht gegeven hoe men binnen het project evidence based werkt |
|
|
10 |
Het project maakt gebruik van bestaande kennis, onderzoeken of best practices. Er is geen mechnanisme ingericht op basis waarvan wordt bijgestuurd als gevolg van datgeen wat geleerd wordt tijdens het project of kennis er is niet inzichtelijk gemaakt hoe kennis vanuit het project wort gedeeld met de organsiatie of sector. |
|
|
20 |
Het project maakt gebruik van bestaande kennis, onderzoeken of best practices. Er wordt tijdens het project geleerd en op basis hiervan bijgestuurt. Het project deel actief kennis binnen de organisatie of sector. |
|
|
|
|
|
De bijdrage aan duurzame impact (maximaal 20 punten) |
0 |
Het project heeft geen inzicht gegeven hoe er sprake is van duurzame impact. |
|
|
10 |
Het project geeft inzicht in hoe de resultaten structureel worden ingebed in de organisatie, maar niet hoe het project leidt tot een blijvende verandering in de leercultuur of het HR beleid. |
|
|
20 |
Het project geeft inzicht in hoe de resultaten structureel worden ingebed in de organisatie en hoe het project leidt tot een blijvende verandering in de leercultuur of het HR beleid. |
Artikel 18 Bevoorschotting en betaling
Indien aan een project een subsidie is toegekend zonder ontbindende/opschortende voorwaarden, kan vooruitlopend op het starten van het project worden verzocht om een voorschot van 40 procent van de verleende subsidie. Dit kan ook als bij projecten met ontbindende/opschortende voorwaarden, aan alle ontbindende/opschortende voorwaarden is voldaan.
Het derde lid geeft aan dat bevoorschotting plaatsvindt op basis van een verzoek dat tegelijkertijd met het indienen van een volledige voortgangsrapportage wordt gedaan. Bij een verzoek tot bevoorschotting worden de tot dan toe gemaakte, betaalde en gerapporteerde kosten als basis gebruikt voor de bepaling van het bedrag dat wordt uitbetaald. Het SNN kan ten opzichte van het verzoek kosten niet meenemen bij de berekening van het voorschot waarvan het SNN van mening is dat deze kosten niet subsidiabel zijn of dat nog niet duidelijk is of deze kosten aan het eind van het project subsidiabel gesteld kunnen worden. Op basis van de kosten die overblijven wordt vervolgens het uit te keren voorschotbedrag bepaald. Deze kosten worden hiertoe vermenigvuldigd met het effectieve subsidiepercentage, volgend uit de toegekende subsidie gedeeld door de totale subsidiabele kosten uit de aanvraag. Uit het feit dat een voorschot wordt verstrekt over kosten, volgt niet noodzakelijkerwijs dat deze kosten subsidiabel gesteld zullen worden bij de vaststelling van de subsidie.
Ziet u een fout in deze regeling?
Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl.
Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl