Besluit van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 14 april 2026, PZH-2026-888270079, houdende vaststelling van het Mandaatbesluit voor de DCMR Milieudienst Rijnmond 2026 (Mandaatbesluit van gedeputeerde staten van Zuid-Holland voor de DCMR Milieudienst Rijnmond 2026)

Geldend van 01-05-2026 t/m heden

Intitulé

Besluit van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 14 april 2026, PZH-2026-888270079, houdende vaststelling van het Mandaatbesluit voor de DCMR Milieudienst Rijnmond 2026 (Mandaatbesluit van gedeputeerde staten van Zuid-Holland voor de DCMR Milieudienst Rijnmond 2026)

Gedeputeerde staten van Zuid-Holland;

Gelet op het bepaalde in afdeling 10.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht en de Gemeenschappelijke Regeling DCMR Milieudienst Rijnmond;

Besluiten vast te stellen het volgende besluit:

Mandaatbesluit van gedeputeerde staten van Zuid-Holland voor de DCMR Milieudienst Rijnmond 2026

Artikel 1 Begripsbepalingen

In dit besluit wordt verstaan onder:

  • -

    ambtelijk opdrachtgever: ambtelijk opdrachtgever als bedoeld in artikel 8, vijfde lid, van de Regeling opgavegerichte organisatie provincie Zuid-Holland;

  • -

    basistaken Seveso-inrichtingen: werkzaamheden als bedoeld in artikel 13.12, derde lid, Omgevingsbesluit, voor zover deze betrekking hebben op activiteiten als bedoeld in artikel 18.22, tweede lid, van de Omgevingswet, met inbegrip van de daaraan verbonden bevoegdheid tot het nemen van besluiten;

  • -

    college: college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland;

  • -

    directeur: directeur van de DCMR Milieudienst Rijnmond;

  • -

    geografisch gebied van de Omgevingsdienst: gebied behorende tot de gemeenten van de deelnemers, bedoeld in artikel 1 van de Gemeenschappelijke regeling DCMR Milieudienst Rijnmond;

  • -

    machtiging: bevoegdheid om namens het college feitelijke handelingen te verrichten die noch een besluit, noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn;

  • -

    milieupiket: contactpersoon beleidsveld milieu bij de provincie Zuid-Holland;

  • -

    Omgevingsdienst: openbaar lichaam DCMR Milieudienst Rijnmond;

  • -

    ondermachtiging: door de gemachtigde op zijn beurt verlenen van machtiging aan een ander;

  • -

    ondermandaat: door de gemandateerde op zijn beurt verlenen van mandaat aan een ander;

  • -

    ondervolmacht: door de gevolmachtigde op zijn beurt verlenen van volmacht aan een ander;

  • -

    portefeuillehouder: lid van gedeputeerde staten van Zuid-Holland dat zich bezighoudt met het betreffende beleidsterrein;

  • -

    provinciesecretaris: provinciesecretaris van provincie Zuid-Holland;

  • -

    provinciale staten: provinciale staten van Zuid-Holland;

  • -

    volmacht: bevoegdheid om in naam van het college privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten.

Artikel 2 Mandaat, volmacht en machtiging

  • 1. Het college verleent aan de directeur:

    • a.

      mandaat voor het uitoefenen van de bevoegdheden, opgenomen in de mandaatlijst in bijlage 1 bij dit besluit;

    • b.

      machtiging en volmacht voor het verrichten van de bij de mandaten behorende feitelijke handelingen en privaatrechtelijke rechtshandelingen.

  • 2. Het mandaat heeft betrekking op het geografisch gebied van de Omgevingsdienst, tenzij in dit besluit of in de mandaatlijst in bijlage 1 anders is bepaald.

  • 3. De directeur kan voor de bevoegdheden, bedoeld in het eerste lid, schriftelijk ondermandaat, ondervolmacht en ondermachtiging verlenen aan leidinggevenden die werkzaam zijn voor de omgevingsdienst, tenzij dat ten aanzien van een concreet mandaat in de mandaatlijst is uitgesloten.

  • 4. Onder het vierde lid wordt mede verstaan het uitoefenen van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk 18 van de Omgevingswet.

  • 5. Wat in dit besluit is bepaald met betrekking tot mandaat is van overeenkomstige toepassing op volmacht en machtiging en op ondermandaat, ondervolmacht en ondermachtiging.

  • 6. Het mandaat houdt zowel een beslissings- als een ondertekeningsmandaat in.

  • 7. De directeur, alsmede de functionarissen aan wie overeenkomstig het derde lid ondermandaat is verleend, zijn gevolmachtigd om namens de provincie Zuid-Holland privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten, voor zover deze voortvloeien uit de bevoegdheden als bedoeld in hoofdstuk 5 van de mandaatlijst in bijlage 1 bij dit besluit.

Artikel 2a Ondertekening

  • 1. Indien een besluit wordt genomen op grond van artikel 2, eerste lid, wordt voor de ondertekening het volgende model gebruikt:

    Gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

    namens dezen,

    gevolgd door de handtekening, naam en functie van de directeur of gevolgd door een ondertekening door middel van naam-functieaanduiding en een automatisch gegenereerde disclaimer.

  • 2. Indien een besluit wordt genomen op grond van artikel 2, derde lid, van dit besluit wordt voor de ondertekening het volgende model gebruikt:

    Gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

    namens dezen,

    gevolgd door de handtekening, naam en functie van de functionaris of gevolgd door een ondertekening door middel van naam-functieaanduiding en een automatisch gegenereerde disclaimer.

Artikel 3 Wettelijke kaders en beleid

  • 1. De directeur oefent de gemandateerde bevoegdheden uit binnen de kaders van daarvoor geldende regelgeving en vastgesteld beleid.

  • 2. Indien regelgeving en beleid als bedoeld in het eerste lid wordt vastgesteld of gewijzigd door het college, dan wordt over het voornemen daartoe overlegd met de directeur.

  • 3. De ambtelijk opdrachtgever zorgt ervoor dat de directeur over alle benodigde informatie noodzakelijk voor de uitoefening van de bevoegdheden kan beschikken.

  • 4. De directeur treedt in overleg met de ambtelijk opdrachtgever indien hij het noodzakelijk acht af te wijken van de in het eerste lid bedoelde kaders of beleid.

  • 5. Indien ten gevolge van wijziging van wet- en regelgeving bevoegdheden als bedoeld in dit besluit of de bij dit besluit behorende mandaatlijst gaan strekken ter uitvoering van een andere wet- en regelgeving dan waarvan zij ten tijde van het in werking treden van dit besluit strekten, dan wel indien in de uitoefening ten gevolge van een dergelijke wijziging veranderingen optreden, blijven zij, voor zover hun strekking en omvang door die wijziging niet wezenlijk veranderen, behoren tot de bevoegdheden, bedoeld in de bij dit besluit behorende behorende mandaatlijst, die aan de Omgevingsdienst zijn opgedragen.

  • 6. Indien een mandaat, bedoeld in de bij dit besluit behorende mandaatlijst, de bevoegdheid verstrekt tot het nemen van een besluit behelst dit mandaat tevens de bevoegdheid om dit besluit geheel of gedeeltelijk in te trekken of te wijzigen, tenzij in de mandaatlijst anders is vermeld.

Artikel 4 Instructies

Instructies van het college aan de directeur worden schriftelijk en tijdig gegeven.

Artikel 5 Informeren en afstemmen

  • 1. De directeur informeert de ambtelijk opdrachtgever, milieupiket en de portefeuillehouder indien de uitoefening van een gemandateerde bevoegdheid naar verwachting politieke of maatschappelijke gevolgen kan hebben of indien een besluit tot consequentie kan hebben dat de provincie of het college aansprakelijk worden gesteld of anderszins aangesproken worden. In de gevallen bedoeld in de vorige volzin verschaft de directeur tijdig vooraf alle benodigde informatie en voert hij overleg met de ambtelijk opdrachtgever, en de portefeuillehouder alvorens de bewuste bevoegdheid uit te oefenen. Hierbij kan gevraagd worden om opmerkingen of aandachtspunten of het maken van een keuze tussen verschillende opties als er ruimte is voor een bestuurlijke afweging.

  • 2. Van een situatie, bedoeld in het eerste lid, is in ieder geval sprake bij de volgende besluiten of situaties:

    • a.

      bij overschrijden van de wettelijke beslistermijn bij vergunningverleningsprocedures zonder wederzijdse overeenstemming over termijnverlenging;

    • b.

      bij een vergunningsverleningprocedure bij een aandachtsbedrijf, een nieuw te vestigen bedrijf of een uitbreiding waardoor er meer milieugebruiksruimte wordt aangevraagd dan reeds vergund;

    • c.

      bij Woo- of informatieverzoeken vanuit de media;

    • d.

      wanneer tijdens een procedure er een samenloop is met andere overheden die negatieve invloed heeft op de procesgang;

    • e.

      bij risico op ernstige gevolgen voor de menselijke gezondheid en het milieu, bijvoorbeeld bij milieu-incidenten;

    • f.

      bij onderwerpen waarvan het redelijkerwijs voorzienbaar is dat deze op de agenda komen te staan van de Tweede Kamer of van Provinciale Staten;

    • g.

      bij situaties met mediagevoelige casuïstiek;

    • h.

      bij mogelijke financiële aansprakelijkheidsstelling of andere niet voorziene kosten voor de provincie.

  • 3. De directeur pleegt altijd vooroverleg met de ambtelijk opdrachtgever en de portefeuillehouder bij toepassing van mandaten die door de directeur niet in ondermandaat mogen worden gegeven tenzij dat ten aanzien van een concreet mandaat in de mandaatlijst anders is bepaald.

  • 4. De directeur en de provinciesecretaris, of hun plaatsvervangers, overleggen minimaal twee keer per jaar over:

    • a.

      de uitvoering en voortgang van de opgedragen taken;

    • b.

      de toepassing van de mandaten;

    • c.

      het budget, en

    • d.

      de werkzaamheden in het kader van dit besluit.

  • 5. De directeur en de provinciesecretaris, of hun plaatsvervangers, overleggen minimaal één keer per jaar over de samenwerking tussen de omgevingsdienst en de provincie.

  • 6. De directeur brengt een keer per jaar schriftelijk verslag uit aan het college over de gebruikmaking van de in mandaat uitgeoefende bevoegdheden. Hierbij wordt gerapporteerd over alle mandaten die niet ondergemandateerd mogen worden. Tevens wordt gerapporteerd over alle overige mandaten.

  • 7. Als de directeur het verleende mandaat in een bepaald geval niet wenst uit te oefenen, of het college het gegeven mandaat in een bepaald geval intrekt, informeert het college provinciale staten hierover.

Artikel 6 Overgangsrecht

Op de uitoefening van bevoegdheden op grond van het overgangsrecht bij de Omgevingswet, in samenhang met het recht zoals dit gold voor inwerkingtreding van de Omgevingswet, blijft voor de duur van dat overgangsrecht, het mandaatbesluit van Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland voor de DCMR Milieudienst Rijnmond 2024 van toepassing.

Artikel 7 Intrekking

Het Mandaatbesluit van Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland voor de DCMR Milieudienst Rijnmond 2024 wordt ingetrokken.

Artikel 8 Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 mei 2026.

Artikel 9 Citeertitel

Dit besluit wordt aangehaald als: Mandaatbesluit van gedeputeerde staten van Zuid-Holland voor de DCMR Milieudienst Rijnmond 2026.

Ondertekening

Den Haag, 14 april 2026

Gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

drs. M.J.A. van Bijnen MBA, secretaris

mr. A.W. Kolff, voorzitter

Bijlage bij artikel 2 van het Mandaatbesluit

Hoofdstuk 1: Lijst van afkortingen

  • -

    Awb: Algemene wet bestuursrecht

  • -

    Bal: Besluit activiteiten leefomgeving

  • -

    Bbl: Besluit bouwwerken leefomgeving

  • -

    Bkl: Besluit kwaliteit leefomgeving

  • -

    Bor: Besluit omgevingsrecht

  • -

    MER: Milieueffectrapportage

  • -

    Ob: Omgevingsbesluit

  • -

    Ow: Omgevingswet

  • -

    RIE: Richtlijn industriële emissies

  • -

    Wet Bibob: Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur

  • -

    Who: Wet hergebruik overheidsinformatie

  • -

    Wm: Wet milieubeheer

  • -

    Woo: Wet open overheid

  • -

    ZHOV: Zuid-Hollandse omgevingsverordening

Hoofdstuk 2: Volledige proceslijn

Indien in hoofdstukken 3, 4 en 5 een bevoegdheid wordt gemandateerd tot het nemen van een be-sluit, dan wordt daarmee de volledige proceslijn met betrekking tot dat besluit gemandateerd, tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald. Onder de ‘volledige proceslijn’ worden de bevoegdheden in paragraaf 2.1 t/m 2.18 verstaan.

Taak/bevoegdheid

Toelichting en voorwaarden

Volledige proceslijn - Het voorbereiden en nemen van besluiten

 

§2.1 Het voorbereiden en nemen van de volgende besluiten:

 
  • a.

    het beslissen op de aanvraag;

 
  • b.

    het voorbereiden van de besluitvorming, waaronder het voeren van correspondentie daarover en het opvragen van gegevens en bescheiden;

 
  • c.

    aan de vergunningverlening verbonden overige uitvoerende werkzaamheden;

Hieronder valt ook financiële zekerheidsstelling.

  • d.

    het horen als bedoeld in artikelen 4:7, 4:8 en 4:11 van de Awb;

 
  • e.

    het ter inzage leggen van stukken;

 
  • f.

    het verzorgen van kennisgevingen en bekendmakingen van besluiten, waaronder begrepen:

    • -

      de bekendmaking door toezending of uitreiking als bedoeld in artikel 3:41 van de Awb;

    • -

      de bekendmaking door publicatie in het Provinciaal blad als bedoeld in artikel 3:42 van de Awb;

    • -

      het mogen toepassen van artikel 16.79 lid 2 Ow;

Ook de grondslag genoemd in artikel 19.3 Wm en artikel 13, vierde lid van de Bekendmakingswet is van toepassing.

  • g.

    de directeur is gemandateerd om besluiten te nemen tot:

    • -

      het aanwijzen van een voldoende betrouwbare en vertrouwelijke wijze van elektronische verzending voor ieder type bericht als bedoeld in artikel 2:13, eerste lid, van de Awb;

    • -

      het stellen van nadere eisen aan de wijze van elektronische verzending als bedoeld in artikel 2:13, derde lid, van de Awb;

Het mandaat heeft uitsluitend betrekking op besluiten die de directeur in mandaat namens Gedeputeerde Staten mag nemen.

Dit mandaat kan niet in ondermandaat worden gegeven.

  • h.

    het nemen van overige procedurele besluiten ter voorbereiding van een besluit;

 
  • i.

    het afdoen van herhaalde aanvragen, buiten behandeling stellen en het niet-ontvankelijk verklaren van aanvragen (artikel 4:5, 4:6 Awb en artikel 16.10 Ow), het buiten behandeling laten als bedoeld in artikel 16.49 Ow;

 
  • j.

    het verdagen van beslistermijnen (artikel 4:14 Awb jo. artikel 16.64 en 16.66 Ow; artikel 7:10 Awb);

 
  • k.

    het opschorten van beslistermijnen (artikel 4:15 en artikel 7:10 Awb);

 
  • l.

    inzake de verbeurte van dwangsommen bij niet-tijdig beslissen (paragraaf 4.1.3.2 Awb);

 
  • m.

    het nemen van beslissingen op bezwaar conform advies van de bezwarencommissie (art. 7:11 Awb) indien het primaire besluit genomen is door een onder de verantwoordelijkheid van de directeur Omgevingsdienst vallende leidinggevende;

Omvat mede besluiten in het kader van de voorbereiding, zoals toepassing van art. 2:2 (weigeren raadsman of vertegenwoordiger), art. 7:10 (verdagen beslistermijn), Awb.

Kan niet in ondermandaat worden gegeven.

Art. 5, derde lid, van het mandaatbesluit is niet van toepassing.

  • n.

    instemmen met het verzoek met rechtstreeks beroep (overslaan bezwaarfase) voor besluiten die in mandaat genomen zijn door de omgevingsdienst (artikel 7:1a Awb);

Op een verzoek om toepassing van rechtstreeks beroep kan op grond van artikel 10:3 Awb niet worden beslist door degene die het besluit waartegen een bezwaar zich richt in mandaat heeft genomen.

  • o.

    het van toepassing verklaren van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure als bedoeld in afdeling 3.4 Awb (artikel 3.10 Awb jo. artikel 16.65 Ow en artikel 10.24 Ob);

 
  • p.

    het buiten toepassing verklaren van afdeling 3.4 Awb bij een kennelijke verschrijving (artikel 16.24 lid 2 Ow);

 
  • q.

    het nemen van coördinatiebesluiten en het optreden als coördinerend bestuursorgaan (afdeling 3.5 Awb);

 
  • r.

    het actualiseren, wijzigen, intrekken en reviseren van (voorschriften van), maatwerkvoorschriften van een omgevingsvergunning;

Dit betreft ambtshalve bevoegdheid.

  • s.

    het intrekken van besluiten;

 
  • t.

    het verzamelen, verwerken, beheren, verstrekken, beschikbaar stellen, uitwisselen, doorzenden en publiceren van informatie, gegevens, aanvragen en (ontwerp)besluiten;

Hieronder wordt tevens verstaan: Het vullen van het REV op grond van artikel 10.27 van het Omgevingsbesluit.

  • u.

    het beoordelen van rapporten;

 
  • v.

    het behandelen van informatieplichten;

 
  • w.

    Het in verband met gemandateerde/gemachtigde taken aan andere bestuursorganen:

    • -

      verzoeken om advies (en instemming); en

    • -

      verstrekken van advies (en instemming).

Uitsluitend voor DCMR:

Voor DCMR betekent dit o.a. dat DCMR voor het gehele grondgebied van Zuid-Holland adviseert (en zo nodig instemt) op grond van art. 4.25 Ob betreffende:

  • -

    Seveso-inrichtingen;

  • -

    het exploiteren van een ippc-installatie als bedoeld in categorie 4 van bijlage I van de richtlijn industriële emissies, en

  • -

    activiteiten in stiltegebieden, als bedoeld in de ZHOV.

Uitsluitend voor ODH:

Voor ODH betekent dit o.a. dat ODH voor het gehele grondgebied van Zuid-Holland -anders dan de andere omgevingsdiensten - adviseert (en zo nodig instemt) op grond van art. 4.25 Ob betreffende:

  • -

    een wateronttrekkingsactiviteit als bedoeld in art. 16.4 Bal;

  • -

    een ontgrondingsactiviteit in het winterbed van een tot de rijkswateren behorende rivier of buiten de rijkswateren;

  • -

    een milieubelastende activiteit als bedoeld in art. 3.19 lid 1 Bal (aanleggen of gebruiken van een open bodemenergiesysteem),

  • -

    een milieubelastende activiteit als bedoeld in art. 3.321 lid 1 Bal (het aanleggen en exploiteren van een mijnbouwwerk);

  • -

    een Natura 2000-activiteit of een flora- en fauna-activiteit die niet is aangewezen in art. 4.12 leden 2 en 3 Ob;

  • -

    een milieubelastende activiteit in een grondwaterbeschermingsgebied, waarvoor in de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening is bepaald dat het verrichten daarvan zonder omgevingsvergunning is verboden.

Voor alle Omgevingsdiensten geldt: Betreft tevens advisering aan bevoegd gezag wateractiviteit in situaties als bedoeld in art. 16.11 Ow.

Geldt voor het gehele grondgebied van Zuid-Holland, indien dit ook geldt voor de samenhangende gemandateerde/gemachtigde taak.

 

Volledige proceslijn - Toezicht en handhaving

 

§2.2 Het uitoefenen van toezicht op de naleving van hetgeen waarvoor in hoofdstukken 3, 4 en 5 mandaat is verleend.

 

§2.3 Besluiten in het kader van toezicht en handhaving inzake:

  • -

    Natura 2000-activiteiten en activiteiten met mogelijke verslechterende of significant verstorende gevolgen voor een Natura 2000-gebied of een bijzonder nationaal natuurgebied;

  • -

    flora- en fauna-activiteiten;

  • -

    activiteiten om populaties van in het wild levende dieren te beheren of om schade door dieren te bestrijden, met uitzondering van de jacht;

  • -

    het gebruik en het onder zich hebben van middelen of installaties en het toepassen van methoden om dieren te vangen, doden, verwonden, bemachtigen of op te sporen;

  • -

    het vellen en beheren van houtopstanden;

  • -

    toegangsbeperkende besluiten zoals bedoeld in artikel 2.45 van de Omgevingswet.

Uitsluitend voor OZHZ: geldt voor het gehele grondgebied van Zuid-Holland.

§2.4 Het aanwijzen van personen, belast met het houden van toezicht (artikel 18.6 Ow), ter handhaving van de taken en bevoegdheden waarvoor in hoofdstukken 3, 4 en 5 mandaat is verleend.

 

§2.5 Het nemen van handhavingsbesluiten en bijbehorende besluitvorming, zoals bedoeld in hoofdstukken 4 en 5 van de Awb en titel 18.1.1 Ow, ter handhaving van de taken en bevoegdheden waarvoor in hoofdstukken 3, 4 en 5 mandaat is verleend.

Uitsluitend voor DCMR: geldt voor het gehele grondgebied van Zuid-Holland, indien het gaat om de bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke boete in geval van Seveso-overtredingen (artikel 18.11 Ow).

Dit mandaat omvat niet: vordering en aanmaning of dwangbevel.

Het opleggen van een bestuurlijke boete kan niet in ondermandaat worden gegeven.

De Beleidsregel Bestuurlijke boete Zuid-Holland 2021 is van toepassing.

Het opleggen van een last onder dwangsom kan niet in ondermandaat worden gegeven.

Het opleggen van een bestuursdwang kan niet in ondermandaat worden gegeven.

§2.6 Besluiten op verzoeken van derden om bestuursrechtelijk handhavend op te treden.

 

§2.7 Het naar aanleiding van een kenbaar gemaakte zienswijze afzien van bestuursrechtelijk handhavend optreden.

Deze bevoegdheid kan niet in ondermandaat worden gegeven,

behoudens de gevallen dat de overtreding blijvend is beëindigd

§2.8 Het nemen van besluiten op grond van Titel 5.3 Awb (herstelsancties) in verband met:

  • -

    Luchthavenbesluiten en -regelingen (artikel 8.44 respectievelijk artikel 8.64 Wet luchtvaart);

  • -

    Ontheffingen voor tijdelijk en uitzonderlijk gebruik (artikel 8a.51 juncto artikel 8.1a, eerste lid Wet luchtvaart);

  • -

    Besluiten in verband met voorgeschreven maatregelen (artikel 8.45 Wet luchtvaart);

  • -

    Besluiten tot vrijstelling of vervanging van een grenswaarde (artikel 8.46 Wet luchtvaart).

Het opleggen van een bestuurlijke boete (artikel 18.14 Ow).

Uitsluitend voor DCMR: geldt voor het gehele grondgebied van Zuid-Holland.

Het opleggen van bestuurlijke boete kan niet in ondermandaat worden gegeven.

De Beleidsregel Bestuurlijke boete Zuid-Holland 2021 is van toepassing.

§2.9

  • a.

    Het uitoefenen van toezicht en de handhaving op het aanwezig hebben van een begeleidingsbrief bij het vervoer van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen.

  • b.

    Het doen van vorderingen om informatie in het kader van de controle op de naleving van regelgeving t.a.v. het vervoer van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen, alsmede de reacties op de in dit kader toegezonden informatie.

Dit mandaat berust op artikel 18.2c Wm (taak om zorg te dragen voor de bestuursrechtelijke handhaving van de bij of krachtens hoofdstuk 10 gestelde verplichtingen, voor zover zij betrekking hebben op het aanwezig hebben van een begeleidingsbrief bij het vervoer van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen als bedoeld in artikel 10.44 Wm).

Dit mandaat heeft met name betrekking op vervoer tussen bedrijven.

§2.10 Het uitoefenen van administratief toezicht bij bedrijven ten behoeve van onderzoek naar de betrouwbaarheid, juistheid, volledigheid, actualiteit en tijdigheid van verstrekte getalsmatige gegevens, informatie en de afvalstoffenboekhouding van bedrijven.

De AT-poolleden zijn voor het gehele grondgebied van Zuid-Holland gemandateerd.

§2.11 Het doen van verzoeken aan een gemeente tot wijziging of intrekking van een omgevingsvergunning of tot handhavend optreden, alsmede het zo nodig in gebreke stellen van een gemeente indien niet tijdig wordt besloten op een handhavingsverzoek, voor zover provinciale belangen, waarvoor mandaat is verleend, in het geding zijn.

Voorafgaand aan het indienen van een formeel verzoek om handhaving bij een gemeente dient eerst een handhavingsadvies te worden verstrekt en ambtelijk/bestuurlijk overleg met de gemeente te zijn gevoerd.

Alvorens tot ingebrekestelling wordt overgegaan, dient eerst nog ambtelijk/bestuurlijk overleg plaats te vinden.

Kan niet in ondermandaat worden gegeven.

§2.12 Het afgeven van stankcodes.

Deze bevoegdheid geldt alleen voor het kerngebied van Rijnmond, zoals gedefinieerd in het gepubliceerde beleidsstuk Geurhinderbeleid Provincie Zuid-Holland Actualisatie.

Uitsluitend voor DCMR: geldt alleen voor het kerngebied van Rijnmond.

§2.13 Toezicht en handhaving van verplichtingen betreffende zwemwater, op grond van hetgeen is bepaald bij of krachtens de Ow en van de regels opgenomen in afdeling 3.10 (Gelegenheid bieden tot zwemmen en baden) van de ZHOV.

Uitsluitend voor ODMH: geldt voor het gehele grondgebied van Zuid-Holland.

§2.14 Besluiten in het kader van toezicht en handhaving inzake:

  • -

    Natura 2000-activiteiten;

  • -

    flora- en fauna-activiteiten, met uitzondering van de jacht;

  • -

    het vellen en beheren van houtopstanden.

Uitsluitend voor OZHZ: geldt voor het gehele grondgebied van Zuid-Holland.

Volledige proceslijn - Het voeren van procedures

 

§2.15 Het in rechte vertegenwoordigen van het bestuursorgaan in afstemming met de mandaatgever, en het nemen van besluiten inzake procedures voor een van hetgeen waarvoor in hoofdstukken 3, 4 en 5 mandaat is verleend, en handelingen in voorbereiding daarop.

Hieronder vallen in ieder geval, maar niet uitsluitend:

 
  • a.

    het instellen van (pro forma) beroep;

(pro forma) hoger beroep en verzet zijn uitgezonderd.

  • b.

    het indienen van andere stukken in het kader van bezwaar en beroep;

 
  • c.

    het voeren van verweer ter zitting en het indienen van verweerschriften;

 
  • d.

    het indienen van verzoeken om geheimhouding alsmede instemmen met opheffing als bedoeld in artikel 8:29 Awb;

 
  • e.

    Het verrichten van handelingen of het nemen van besluiten in het kader van een tussenuitspraak of bestuurlijke lus (artikelen 8:51a, 8:51b, 8:51c, 8:80a en 8:80b Awb;

 
  • f.

    het verzoeken van uitstel van de behandeling van een bezwaar- of beroepschrift en het verrichten van andere proceshandelingen;

 
  • g.

    het verlenen van een eenmalige of doorlopende machtiging voor het voeren van het woord ter zitting;

Kan niet in ondermandaat worden gegeven.

Art. 5, derde lid, van het mandaatbesluit is niet van toepassing.

  • h.

    het voeren van het woord (als derde belanghebbende) ter zitting;

 
  • i.

    het aanwijzen van functionarissen voor het voeren van mediationgesprekken en voor het aangaan en ondertekenen van mediationovereenkomsten;

  • j.

    het maken van afspraken en het aangaan en ondertekenen van vaststellingsovereenkomsten naar aanleiding van mediationgesprekken.

Vaststellingsovereenkomsten als resultaat van mediationgesprekken mogen alleen in mandaat worden aangegaan en ondertekend, indien het conflict zijn oorsprong vindt in een besluit dat is genomen door de directeur of een onder zijn verantwoordelijkheid vallende leidinggevende.

Kan niet in ondermandaat worden gegeven.

Art. 5, derde lid, van het mandaatbesluit is voor wat betreft het aanwijzen van functionarissen voor het voeren van mediationgesprekken niet van toepassing.

  • k.

    het verrichten van handelingen als bedoeld in artikel 158 lid 1 onder d en e van de Provinciewet.

 

 

Volledige proceslijn – Overig

 

§2.16 Het nemen van besluiten of het verrichten van handelingen op grond van of krachtens de Awb, ter uitvoering van de taken en bevoegdheden waarvoor in hoofdstukken 3, 4 en 5 mandaat verleend is.

 

§2.17 Het verrichten van (privaatrechtelijke) rechtshandelingen en feitelijke handelingen ter uitvoering van de taken en bevoegdheden waarvoor in hoofdstukken 3, 4 en 5 mandaat verleend is.

 

§2.18 Het beheer van de archiefbescheiden, voor zover deze archiefbescheiden niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats.

 

Hoofdstuk 3: Bevoegdheden ter uitvoering van de standaardtaken

Taak/bevoegdheid

Toelichting en voorwaarden

Standaardtaken - Vergunningsverlening

 

§3.1 Het nemen van besluiten op aanvragen om een omgevingsvergunning en het toepassen van paragraaf 5.1.5 Ow, voor activiteiten die zijn aangewezen in categorie 1 tot en met 4, zoals opgenomen in het aanhangsel dat deel uitmaakt van deze bijlage, met uitzondering van omgevingsvergunningen voor buitenplanse omgevingsplanactiviteiten en de toepassing van de Wet Bibob.

Het mandaat geldt niet voor besluiten waarbij een vergunning wordt geweigerd of verleend onder voorwaarden op van de Wet Bibob (artikel 5.31, eerste lid, aanhef en onder c, van de Ow jo. artikel 8.8 van het Bkl, jo. artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder b, Ow).

Uitsluitend voor DCMR: geldt voor het gehele grondgebied: besluiten met betrekking tot Seveso-inrichtingen of het exploiteren van een ippc-installatie als bedoeld in categorie 4 van bijlage I van de richtlijn industriële emissies.

§3.2 Het beoordelen van meldingen als bedoeld in artikel 4.4 lid 1 Ow en beschikkingen op aanvragen om toestemming tot het treffen van een gelijkwaardige maatregel, voor activiteiten die zijn aangewezen in categorie 1 en 5, zoals opgenomen in het aanhangsel dat deel uitmaakt van deze bijlage.

 

§3.3 De bevoegdheid tot uitgestelde inwerkingtreding als bedoeld in artikel 16.79 lid 2 Ow.

 

§3.4

  • a.

    Het nemen van beschikkingen tot het stellen van maatwerkvoorschriften, voor activiteiten die zijn aangewezen in categorie 1 en 5, zoals opgenomen in het aanhangsel dat deel uitmaakt van deze bijlage.

  • b.

    Het nemen van beschikkingen tot het stellen van vergunningsvoorschriften als bedoeld in artikel 4.5 Ow.

Hieronder valt ook: de activiteiten die in afdeling 3.4 ZHOV voorkomen, beperken, beheren van verontreinigd grondwater.

Standaardtaken – Toezicht en handhaving

 

§3.5 Het houden van toezicht op de naleving van:

 
  • a.

    de verboden, bedoeld in de artikelen 5.1, 5.4, 5.5 en 5.6 Ow, voor activiteiten die zijn aangewezen in categorie 1 tot en met 4; en

Zie ZHOV voor zover dit samenhangt met gemandateerde taken.

  • b.

    de regels gesteld bij of krachtens de Ow en de Wm, over activiteiten die zijn aangewezen in, categorie 1 tot en met 6 en 8, zoals opgenomen in het aanhangsel dat deel uitmaakt van deze bijlage.

 

§3.6 Het houden van ketentoezicht op de regels over activiteiten die zijn aangewezen in categorie 7, zoals opgenomen in het aanhangsel dat deel uitmaakt van deze bijlage.

 

§3.7

  • a.

    Bestuurlijke sancties ter handhaving van de verboden en regels, bedoeld onder paragraaf 3.5 en 3.6.

  • b.

    Bestuursrechtelijke handhaving op grond van afdeling 18.1 Ow (bestuursrechtelijke handhaving).

  • c.

    Toezicht en bestuursrechtelijke handhaving van hetgeen is bepaald bij of krachtens

    • -

      de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening, voor zover het betreft activiteiten in stiltegebieden, activiteiten met betrekking tot het beheren, beperken of ongedaan maken van verontreinigd grondwater, activiteiten op en rond gesloten stortplaatsen en activiteiten in grondwaterbeschermingsgebieden;

    • -

      het Besluit geluidproduktie sportmotoren.

Betreft mede het besluit tot het opleggen van een spoedeisende last onder bestuursdwang, dan wel het toepassen van spoedeisende bestuursdwang, dan wel het toepassen van spoedeisende bestuursdwang, conform artikel 5.31, Awb dan wel de schriftelijke bekrachtiging van de mondelinge aanzegging daartoe.

De verplichting tot het plegen van vooroverleg, als bedoeld in artikel 5, eerste en derde lid, van het mandaatbesluit is niet van toepassing bij een direct gevaar voor de menselijke gezondheid dan wel dreiging daarvan, dan wel bij aanmerkelijke gevolgen voor het milieu of de natuur. In dat geval worden de portefeuillehouder en de ambtelijk opdrachtgever van de provincie zo spoedig mogelijk door de directeur geïnformeerd over de toepassing van het mandaat.

Besluiten tot het opleggen van een last onder dwangsom en tot het opleggen van een last onder bestuursdwang kunnen niet in ondermandaat worden gegeven.

Hieronder wordt tevens verstaan het verzamelen en registreren van gegevens en de behandelen van klachten (artikel 18.1 Ow).

Een besluit tot intrekken van een omgevingsvergunning kan niet in ondermandaat worden gegeven.

Het opleggen van een bestuurlijke boete kan niet in ondermandaat worden gegeven.

Uitsluitend voor DCMR: Het mandaat behelst tevens de bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke boete in geval van Seveso-overtredingen (artikel 18.11 Ow).

De Beleidsregel Bestuurlijke boete Zuid-Holland 2021 is van toepassing.

§3.8 Uitvoeringstaken en handhavingstaken met betrekking tot installaties, als bedoeld in categorie 4 van bijlage |, waarbij de richtlijn industriële emissies en waarop de Seveso-richtlijn van toepassing is.

Uitsluitend voor DCMR: geldt voor het gehele grondgebied van Zuid-Holland

Hoofdstuk 4: Bevoegdheden ter uitvoering van de aanvullende taken

Taak/bevoegdheid

Toelichting en voorwaarden:

Aanvullende taken - Vergunningverlening

 

§4.1 Het nemen van besluiten als bedoeld in afdeling 5.1 Ow, anders dan genoemd in hoofdstuk 3, met betrekking tot activiteiten in het werkgebied van de omgevingsdienst, voor een:

  • a.

    omgevingsplanactiviteit van provinciaal belang;

  • b.

    bouwactiviteit;

  • c.

    milieubelastende activiteit;

  • d.

    Lozingsactiviteit;

  • e.

    wateronttrekkingsactiviteit en wateractiviteiten;

  • f.

    een omgevingsverordeningplichtige activiteit;

  • g.

    actualisering omgevingsvergunning(voorschriften

  • h.

    wijziging voorschriften omgevingsvergunning;

  • i.

    revisievergunning;

  • j.

    omgevingsvergunningen (enkelvoudige aanvraag) voor een activiteit anders dan een milieubelastende activiteit op grond van artikel 5.1, tweede lid, Ow en het Bal, waarover Gedeputeerde Staten op grond van artikel 4.16 Ob (“eens bevoegd gezag altijd bevoegd gezag”) dienen te beslissen;

  • k.

    Omgevingsvergunningen (meervoudige aanvraag) voor activiteiten, waarover Gedeputeerde Staten op grond van artikel 4.6, eerste of tweede lid, Ob dienen te beslissen;

  • l.

    Omgevingsvergunningen (meervoudige aanvraag) voor meerdere activiteiten, waarover Gedeputeerde Staten op grond van artikel 4.16 Ob (“eens bevoegd gezag altijd bevoegd gezag”) dienen te beslissen;

Betreft:

  • -

    procedurestappen;

  • -

    ontwerpbesluit;

  • -

    Besluit.

Uitsluitend voor OZHZ: toezicht en handhaving ten aanzien van Natura 2000- activiteiten, flora- en fauna activiteiten en het vellen en beheren van houtopstanden geldt voor het gehele grondgebied van Zuid-Holland. (zie §2.3)

Uitsluitend voor ODH: geldt voor het gehele grondgebied van Zuid-Holland:

Dit mandaat omvat alle taken m.b.t. vergunningverlening, gelijkwaardigheidsbesluiten, maatwerkvoorschriften, afhandelen meldingen bij houtopstanden. Het mandaat betreft niet:

  • -

    besluiten om de toegang tot een Natura 2000-gebied te beperken of verbieden (artikel 2.45 lid 1 Ow);

  • -

    besluiten tot vaststelling van een beheerplan voor een Natura 2000-gebied (artikel 3.8 lid 3 Ow);

  • -

    besluiten tot goedkeuring van een faunabeheerplan (artikel 8.1 lid 2 Ow).

Het betreft o.a. omgevingsvergunningen voor:

  • -

    wateronttrekkingsactiviteiten voor industriële toepassingen van meer dan 150.000 m3/jaar water of voor de openbare drinkwatervoorziening, voor zover het gaat om:

    a. het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening; of

    b. het in de bodem brengen van water ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening (artikel 16.4 Bal);

  • -

    andere wateractiviteiten, vanwege artikel 4.3 lid 2 Ob (magneetfunctie).

Hetgeen achter j, k en l is vermeld geldt niet indien en zodra de aanvraag één of meerdere van de volgende activiteiten bevat:

  • -

    omgevingsplanactiviteiten van provinciaal belang;

  • -

    beperkingengebiedactiviteiten, waarvoor op grond van de Ow en het Bal of op grond van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening een omgevingsvergunning nodig is;

  • -

    activiteiten op/rond gesloten stortplaatsen, waarvoor op grond van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening een omgevingsvergunning nodig is;

  • -

    In dergelijke situaties verlenen Gedeputeerde Staten de omgevingsvergunning en draagt de omgevingsdienst binnen wiens werkgebied de activiteit plaatsvindt zorg voor de voorbereiding.

Indien een aanvraag uitsluitend op één of meer van deze activiteiten betrekking heeft, heeft de specifieke omgevingsdienst het exclusieve mandaat voor de aan hem toegewezen specifieke activiteit(en), ongeacht waar de activiteit plaatsvindt.

Indien de aanvraag bestaat uit een combinatie van een of meerdere specifieke ODH-activiteiten en een specifieke DCMR- activiteit, zijn beide omgevingsdiensten bevoegd voor alle activiteiten en wordt in onderling overleg bepaald wie, met advies van de andere omgevingsdienst, de aanvraag behandelt.

Indien sprake is van een meervoudige aanvraag die niet uitsluitend op één of meer van deze specifieke activiteiten betrekking heeft, neemt de omgevingsdienst in wiens regio die activiteit plaatsvindt een besluit over alle aangevraagde activiteiten, waarbij ODH/DCMR m.b.t. de specifieke activiteit(en) advies verstrekt.

In dergelijke situaties verlenen Gedeputeerde Staten de omgevingsvergunning en draagt de omgevingsdienst binnen wiens werkgebied de activiteit plaatsvindt zorg voor de voorbereiding.

Indien bij de nadere (her)beoordeling van het groepsrisico bij een aanvraag of wijziging van een omgevingsvergunningen blijkt dat het berekende groepsrisico nog steeds de oriëntatiewaarde overschrijdt (in andere woorden er sprake is van een verhoogd groepsrisico) of als het groepsrisico is toegenomen ten opzichte van de bestaande situatie waarin een verhoogd groepsrisico was geaccepteerd, zal het advies van de OD worden besproken in het PO en in Gedeputeerde Staten, waarna het besluit door de OD wordt genomen.

§4.1a In afwijking op het bepaalde in paragraaf 4.1 is de DCMR gemandateerd voor het hele grondgebied van de Zuid-Holland, te adviseren op en zo nodig in te stemmen met een besluit van een ander bestuursorgaan, zoals bedoeld in artikel 4.25 Ob betreffende:

  • a.

    activiteiten in stiltegebieden o.g.v. de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening;

  • b.

    Seveso-inrichtingen of het exploiteren van een ippc-installatie als bedoeld in categorie 4 van bijlage I van de richtlijn industriële emissies.

§4.1b In afwijking van paragraaf 4.1 is ODH gemandateerd voor het hele grondgebied van de Zuid-Holland, voor het nemen van besluiten met betrekking tot:

  • a.

    het aanleggen of gebruiken van een open bodemenergie-systeem, als bedoeld in art. 3.19 lid 1 Bal;

  • b.

    Natura 2000-activiteiten;

  • c.

    Flora- en fauna-activiteiten;

  • d.

    Ontgrondingsactiviteiten;

  • e.

    activiteiten in grondwaterbeschermingsgebieden o.g.v. de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening;

  • f.

    het vellen en beheren van houdopstanden;

  • g.

    besluiten dat de personen of de groepen van personen die ter uitvoering van een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna activiteit om de omvang te beperken van de populatie van dieren, toegang hebben tot de grond waar de dieren aanwezig zijn;

  • h.

    het afhandelen van meldingen t.a.v. activiteiten als genoemd onder b, c en f.

§4.1c In afwijking van paragraaf 4.1 geldt dit mandaat niet wanneer de aangevraagde vergunning betrekking heeft op één of meerdere van de volgende activiteiten:

  • a.

    omgevingsplanactiviteiten van provinciaal belang;

  • b.

    beperkingengebiedactiviteiten, waarvoor op grond van de Ow en het Bal of op grond van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening een omgevingsvergunning nodig is;

  • c.

    activiteiten op/rond gesloten stortplaatsen, waarvoor op grond van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening een omgevingsvergunning nodig is.

Betreft tevens advisering aan bevoegd gezag wateractiviteit in situaties als bedoeld in artikel 16.11 Ow.

§4.2 Het beoordelen van meldingen (artikel 4.4 Ow).

 

§4.3 Het stellen van maatwerkvoorschriften (artikel 4.5 Ow).

 

§4.4 Het besluiten over het treffen van gelijkwaardige maatregelen (artikel 4.7 lid 1 Ow).

 

§4.5

  • -

    het voorbereiden van luchthavenbesluiten en -regelingen (voorbereiden ontwerp, terinzagelegging, verwerking evt. zienswijzen), vooruitlopend op de vaststelling van een luchthavenbesluit door Provinciale Staten dan wel een luchthavenregeling door Gedeputeerde Staten op grond van artikel 8.43, eerste lid, respectievelijk artikel 8.64, eerste lid, Wet luchtvaart;

  • -

    het verlenen van ontheffingen voor tijdelijk en uitzonderlijk gebruik op grond van artikel 8a.51 juncto artikel 8.1a, eerste lid, Wet luchtvaart;

  • -

    het besluiten op aanvragen van een verklaring veilig gebruik luchtruim (VVGL) op grond van artikel 8.49 Wet luchtvaart in verband met een luchthavenbesluit, dan wel artikel 8.64, zesde lid, gelezen in samenhang met art. 8.49, in verband met een luchthavenregeling;

  • -

    het voorbereiden van besluiten tot het voorschrijven, intrekken en matigen van maatregelen op grond van artikel 8.45 Wet luchtvaart;

  • -

    het voorbereiden van besluiten tot vrijstelling van een regel of vervanging van een grenswaarde uit een luchthavenbesluit of een luchthavenregeling op grond van art. 8.46 Wet luchtvaart respectievelijk artikel 8.64 lid 6 juncto 8.46 Wet luchtvaart.

Uitsluitend voor DMCR: geldt voor het gehele grondgebied van Zuid-Holland.

Aanvullende taken – Omgevingswet

 

§4.6 Het opleggen van gedoogplichten (Afdeling 10.3 Ow).

Kan niet in ondermandaat worden gegeven.

§4.7 Het verplichten tot het nemen van maatregelen en het geven van aanwijzingen bij een ongewoon voorval (artikel 19.4 Ow), het treffen van maatregelen en het op schrift stellen van de beslissing tot het treffen van die maatregelen (artikel 19.5 Ow) en het verhalen van de kosten die daarbij worden gemaakt op de veroorzaker (artikel 19.6 Ow).

Bij ongewone voorvallen en gevallen waarbij de stabiliteit van afvalvoorzieningen in het geding is, zal in spoedeisende gevallen voorafgaand vooroverleg niet altijd mogelijk zijn. Art. 5, eerste en derde lid van het mandaatbesluit, is dan niet van toepassing. In dat geval worden portefeuillehouder en ambtelijk opdrachtgever van de provincie zo spoedig mogelijk geïnformeerd over de toepassing van het mandaat.

Besluiten tot het opleggen van een last onder dwangsom en tot het opleggen van een last onder bestuursdwang kunnen niet in ondermandaat worden gegeven.

Uitsluitend voor DCMR: geldt voor het gehele grondgebied van Zuid-Holland: mandaat geldt met betrekking tot Seveso-inrichtingen of het exploiteren van een ippc-installatie, als bedoeld in categorie 4 van bijlage I van de richtlijn industriële emissies.

§4.8 Besluiten m.b.t. bestuursrechtelijke handhaving verband houdende met schending van zorgplichtbepalingen.

Besluiten tot het opleggen van een last onder dwangsom en tot het opleggen van een last onder bestuursdwang kunnen niet in ondermandaat worden gegeven.

Uitsluitend voor DCMR: voor zover betrekking hebbend op Seveso-inrichtingen en het exploiteren van een ippc-installatie, als bedoeld in categorie 4 van bijlage I van de richtlijn industriële emissies geldt voor het gehele grondgebied van Zuid-Holland.

§4.9 Het verplichten tot het nemen van maatregelen bij een toevalsvondst van verontreiniging op of in de bodem (artikel 19.9a Ow), het treffen van maatregelen en het op schrift stellen van de beslissing tot het treffen van die maatregelen (artikel 19.9c Ow) en het verhalen van de kosten die daarbij worden gemaakt op de veroorzaker (artikel 19.9d Ow).

Het in verband met activiteiten met betrekking tot het beheren, beperken of ongedaan maken van verontreinigd grondwater:

  • -

    afhandelen van meldingen;

  • -

    beoordelen van evaluatieverslagen;

  • -

    beoordelen van risicobeoordelingen;

  • -

    opleggen van tijdelijke beschermingsmaatregelen in verband met een toevalsvondst van verontreiniging van het grondwater op grond van de ZHOV.

Uitsluitend voor DCMR: geldt het mandaat als de bron van de grondwaterverontreiniging gelegen is op een terrein van een Seveso-inrichtingen of waarop een ippc-installatie als bedoeld in categorie 4 van bijlage I van de richtlijn industriële emissies, wordt geëxploiteerd. In zo’n situatie berust het mandaat bij DCMR en wordt volstaan met het verstrekken van advies aan DCMR.

§4.10 Het besluiten over geluidwerende maatregelen (afdeling 3.5 Bkl).

 

§4.11 Besluiten inzake het beoordelen van PRTR-verslagen en het verrichten van werkzaamheden in het kader van de PRTR-verordening als bedoeld in paragraaf 11.2.6 Bkl en paragraaf 10.8.6 Ob.

 

§4.12

  • a.

    Het besluiten over MER en mer-beoordelingen voor projecten als bedoeld in paragraaf 16.4.2 Ow en in artikel 4.1, 4.1a tot en met 4.1 c van deze bijlage.

  • b.

    Het besluiten over MER en mer-beoordelingen is gemandateerd aan de DCMR.

    • -

      m.b.t. Seveso-inrichtingen of het exploiteren van een ippc-installatie als bedoeld in categorie 4 van bijlage I van de richtlijn industriële emissies, geldt het mandaat voor het gehele grondgebied van Zuid-Holland.

    • -

      m.b.t. mer(beoordelings)plichtige projecten, waarvan de Provincie Zuid-Holland initiatiefnemer is, zoals bedoeld in art. 11.12 Ob, geldt het mandaat voor het hele grondgebied van Zuid-Holland.

  • c.

    Voorbereiding van besluiten met betrekking tot plannen en programma’s als bedoeld in paragraaf 16.4.1 Ow.

Ad a.

De werkzaamheden betreffen in ieder geval (maar niet uitsluitend):

  • -

    verschillende toetsmomenten en procedurestappen in de mer-procedure;

  • -

    advies reikwijdte en detailniveau MER;

  • -

    besluit MER-beoordeling.

Dit betreft ook MER en mer-beoordelingen die zijn gekoppeld aan het goedkeuringsbesluit van gedeputeerde staten voor projectbesluiten van het waterschap.

Ad b Geconcentreerde MER-taken

Met betrekking tot de MER en de mer-beoordeling, volgt het mandaat de regeling zoals deze is neergelegd in paragraaf 4.1 tot en met 4.1 c van deze bijlage. De besluitvorming over het MER en de mer-beoordeling volgt daarmee de besluitvorming op de vergunningaanvraag van paragraaf 4.1 tot en met 4.1 c van deze bijlage.

Ten aanzien van besluiten die betrekking hebben op (grootschalige) op- en overslag van chemische stoffen die dienen als waterstof- of energiedrager (in het kader van de energietransitie), geldt dat deze niet in ondermandaat kunnen worden gegeven.

Ten aanzien van projecten die door de provincie worden geïnitieerd, geldt een wettelijke verplichting van functiescheiding (een voorbeeld daarvan zijn infrastructuurprojecten). Het opstellen van het MER dient gescheiden te zijn van de beoordeling van dat MER, en het maken van de mer-beoordeling. De provincie Zuid-Holland heeft ervoor gekozen de beoordeling van een MER (namens bevoegd gezag voor de besluitvorming) in provinciale initiatieven te mandateren aan de DCMR. Dit betreft ook MER en mer-beoordelingen die zijn gekoppeld aan het goedkeuringsbesluit van gedeputeerde staten voor projectbesluiten van het waterschap ingevolge artikel 16.72 Omgevingswet.

In deze gevallen bereidt de DCMR de besluitvorming met betrekking tot het MER ambtelijk voor. De besluitvorming op het gehele provinciale project is gelegen bij Gedeputeerde Staten of Provinciale Staten.

Ad c Voorbereiding van plan-mer

De DCMR is tevens belast met de toetsing van MER en mer-beoordelingen van plannen en programma's van de gehele provincie Zuid-Holland. De formele besluitvorming ligt alsdan dus bij Gedeputeerde Staten.

Onderlinge advisering tussen omgevingsdiensten

Met betrekking tot advisering tussen de omgevingsdiensten onderling, geldt het volgende:

Wanneer de besluitvorming aan een omgevingsdienst is gemandateerd op grond van de geconcentreerde taken in paragraaf 4.1 a en 4.1 b, wordt de omgevingsdienst in wiens regio de activiteit plaatsvindt om advies gevraagd.

Wanneer het te nemen besluit betrekking heeft op een activiteit die plaatsvindt op het grondgebied van meerdere omgevingsdiensten, wordt in overleg tussen de betrokken omgevingsdiensten en de ambtelijk opdrachtgever van de provincie bepaald wie het besluit in mandaat neemt.

Met betrekking tot advisering tussen de omgevingsdiensten onderling, geldt het volgende:

  • -

    Wanneer de besluitvorming aan een omgevingsdienst is gemandateerd op grond van de geconcentreerde taken in paragraaf 4.1 a en 4.1 b,wordt de omgevingsdienst in wiens regio de activiteit plaatsvindt om advies gevraagd.

  • -

    Wanneer het te nemen besluit betrekking heeft op een activiteit die plaatsvindt op het grondgebied van meerdere omgevingsdiensten, wordt in overleg tussen de betrokken omgevingsdiensten en de ambtelijk opdrachtgever van de provincie bepaald wie het besluit in mandaat neemt.

§4.13 Het stellen van maatwerkvoorschriften of het verlenen van toestemming om een gelijkwaardige maatregel te treffen bij activiteiten als bedoeld in hoofdstuk 11 Bal (natuur, flora en fauna).

Uitsluitend voor ODH: geldt voor het gehele grondgebied van Zuid-Holland.

§4.14 Besluiten omtrent omgevingsvergunningen voor activiteiten in stiltegebieden op grond van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening.

Uitsluitend voor DCMR: geldt voor het gehele gebied van Zuid-Holland

§4.15 Besluiten omtrent ontheffing op grond van het Besluit geluidproduktie sportmotoren.

Uitsluitend voor DCMR: geldt voor het gehele gebied van Zuid-Holland

§4.16 Het in verband met activiteiten met betrekking tot het beheren, beperken of ongedaan maken van verontreinigd grondwater

  • -

    afhandelen van meldingen;

  • -

    beoordelen van evaluatieverslagen;

  • -

    beoordelen van risicobeoordelingen;

  • -

    opleggen van tijdelijke beschermingsmaatregelen in verband met een toevalsvondst van verontreiniging van het grondwater op grond van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening.

 

§4.17 Besluiten en handelingen als genoemd in paragraaf 4.16 voor zover betrekking hebbend op Seveso-inrichtingen en het exploiteren van een ippc-installatie, als bedoeld in categorie 4 van bijlage I van de richtlijn industriële emissies.

De omgevingsdienst waarin de activiteit plaatsvindt wordt om advies gevraagd.

Uitsluitend voor DCMR: geldt voor het gehele grondgebied van Zuid-Holland.

§4.18 Besluiten/handelingen op grond van

  • -

    art. 2.38 Ow (afgeven negatief zwemadvies/ instellen zwemverbod voor oppervlaktewaterlichamen);

  • -

    art. 15.3 Bal (afhandelen melding, stellen maatwerkvoorschrift, beslissen op een aanvraag om toestemming om een gelijkwaardige maatregel te treffen);

    - art. 15.7 jo. art. 15.5 en/of de afdelingen 15.2 en 15.3 Bal (stellen maatwerkvoorschriften);

  • -

    art. 2.20 achter a Bkl (treffen passende zwemwaterbeheersmaatregelen, waaronder het geven van een negatief zwemadvies of het instellen van een zwemverbod, om de blootstelling van zwemmers aan zwemwaterverontreiniging te voorkomen);

  • -

    art. 2.20 achter c Bkl (publieksvoorlichting bij zwemwaterverontreiniging);

  • -

    art. 3.3, tweede lid, Bkl (negatief zwemadvies of zwemverbod niet aangewezen zwemlocatie);

  • -

    art. 3.5, eerste en tweede lid Bkl (uitvoeren jaarlijks veiligheidsonderzoek en het treffen van maatregelen);

  • -

    art. 3.6, vierde lid Bkl (treffen maatregelen voor het behoud of het verbeteren van de kwaliteit van zwemlocaties);

  • -

    art. 3.7, eerste en tweede lid, Bkl (treffen zwemwaterbeheersmaatregelen vanwege (mogelijk) gezondheidsrisico);

  • -

    art. 3.8 ZHOV juncto paragraaf 3.10.1.2 ZHOV (stellen maatwerkvoorschriften rondzwemmen en baden);

  • -

    art. 10.39 Ob (publieksvoorlichting zwemlocaties).

Uitsluitend voor ODMH: geldt voor het gehele grondgebied van Zuid-Holland.

Aanvullende taken – Milieu overig

 

§4.19 Het uitvoeren van taken, afdoen van meldingen en nemen van besluiten bij of krachtens hoofdstukken 8 (uitgezonderd § 8.2) 10, 13, 17,19 en titel 9.5 Wm.

Het mandaat geldt niet met betrekking tot Seveso-inrichtingen of het exploiteren van een ippc-installatie als bedoeld in categorie 4 van bijlage I van de richtlijn industriële emissies.

 

§4.20 Het voorbereiden en nemen van beslissingen op aanvragen om een vergunning hergebruik stedelijk afvalwater, en het toetsen en zo nodig actualiseren van die vergunning.

Artikel 3 Uitvoeringsbesluit verordening hergebruik stedelijk afvalwater.

Uitsluitend voor ODH: geldt voor het gehele grondgebied van Zuid-Holland.

Aanvullende taken - Overig

 

§4.21 Het geven van wettelijke en vrijwillige adviezen, inspraakreacties en/of commentaar op beleidsplannen, regelgeving van en vergunningverlening door andere overheden of externe partijen.

 

§4.22 Advisering op grond van Mijnbouwwet.

Uitsluitend voor ODH: geldt voor het gehele grondgebied van Zuid-Holland

§4.23 Ambtshalve inschrijving in het Grondwaterregister.

Uitsluitend voor ODH: geldt voor het gehele grondgebied van Zuid-Holland

§4.24 Het uitoefenen van bevoegdheden (waaronder besluiten op verzoeken) op grond van de Woo en Who, waarvoor in hoofdstukken 3, 4 en 5 mandaat is verleend.

Het mandaat omvat zowel de bevoegdheid tot het nemen van besluiten en het verrichten van handelingen strekkend tot passieve openbaarmaking, als tot het nemen van besluiten en het verrichten van handelingen strekkend tot actieve openbaarmaking.

Uitoefening van het mandaat vindt plaats met inachtneming van een door Gedeputeerde Staten te geven werkinstructie Woo, alsmede met inachtneming van de door Gedeputeerde Staten vastgestelde beleidsregels inzake actieve openbaarheid, zoals deze op het moment waarop het onderhavige mandaat wordt uitgeoefend geldend zijn.

Onverminderd het bepaalde in art. 5, eerste lid van het mandaatbesluit, zendt de directeur in de eerste week van elke kalendermaand een overzicht aan Gedeputeerde Staten van alle bij de omgevingsdienst ingediende verzoeken om passieve openbaarheid, alsmede informatie over de stand van zaken van in behandeling zijnde verzoeken.

§4.25

  • a.

    Het beslissen op aanvragen en het doen van meldingen als bedoeld in de Algemene verordening gegevensbescherming AVG) en de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming (JAVG), met uitzondering van het melden van inbreuken in verband met persoonsgegevens (datalekken).

  • b.

    Het melden van inbreuken in verband met persoonsgegevens (datalekken) als bedoeld in de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) en de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming (UAVG).

Kan niet in ondermandaat worden gegeven.

Feitelijke handelingen kunnen door medewerkers worden uitgevoerd.

§4.26 Het uitoefenen van de bevoegdheden op grond van de Wet Bibob, met uitzondering van

  • -

    het weigeren van een vergunning;

  • -

    het verlenen van een vergunning onder voorwaarden; of

  • -

    het intrekken van een vergunning;

vanwege een advies “ernstig gevaar” van het Landelijk Bureau Bibob of vanwege eigen onderzoek.

Het mandaat betreft evenmin het verlenen van een vergunning in situaties van ernstig gevaar.

Het vragen van advies aan het Landelijk Bureau Bibob kan niet in ondermandaat worden gegeven.

Art. 5, derde lid, van het mandaatbesluit is niet van toepassing op het vragen van advies.

NB. Het mandaat omvat mede het, eventueel voorafgaand aan het vragen van advies aan Landelijk Bureau Bibob, uit te voeren eigen onderzoek. Het verwerken van het advies “ernstig gevaar” van het Landelijk Bureau Bibob (weigeren vergunning, verlenen vergunning onder voorwaarden, intrekken vergunning) is voorbehouden aan Gedeputeerde Staten.

§4.27 De bevoegdheid te besluiten tot het aanvragen van subsidies, bedoeld in artikel 4:21 Awb, op basis van regelingen van andere overheidsorganen, het Rijk en de Europese Unie, alsmede het aangaan van uitvoeringsovereenkomsten ter verkrijging van deze subsidies.

Het mandaat heeft geen betrekking op:

  • -

    het besluit om als leadpartner op te treden en daarmee (mede) de verantwoordelijkheid te dragen voor de uitvoering van projecten door derden;

  • -

    het besluit om Gedeputeerde Staten te committeren aan het vaststellen van een subsidieregeling.

De uitgezonderde besluiten blijven voorbehouden aan Gedeputeerde Staten.

Kan niet in ondermandaat worden gegeven.

§4.28 Het nemen van besluiten op grond van hetgeen is bepaald bij of krachtens het Vuurwerkbesluit.

 

§4.29 Besluiten op grond van hetgeen is bepaald bij of krachtens het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen alsmede bij of krachtens de Regeling acceptatie afvalstoffen op stortplaatsen;

Betreft het verlenen van ontheffing voor bepaalde afvalstoffen.

§4.30 Beslissingen omtrent gedogen, en onder welke voorwaarden.

Kan niet in ondermandaat worden gegeven.

Hoofdstuk 5: Bodem

Taak/bevoegdheid

Toelichting en voorwaarden

Bodem

 

§5.1 Besluiten inzake subsidieverstrekking voor de sanering van bedrijfsterreinen als bedoeld in het Besluit financiële bepalingen bodemsanering tot een bedrag van maximaal € 100.000.

 

§5.2 Besluiten inzake subsidieverstrekking voor de sanering van bedrijfsterreinen als bedoeld in het Besluit financiële bepalingen bodemsanering waarbij een bedrag boven de € 100.000 is gevraagd/toegekend, voor zover het betreft:

  • -

    verlenging beslistermijn;

  • -

    wijziging uitvoeringstermijn;

  • -

    vaststelling subsidie;

  • -

    wijzigingen van ondergeschikt belang.

 

§5.3 Besluiten omtrent het afstand doen van recht van kostenverhaal op grond van het Besluit mandaat, volmacht en machtiging zoals omschreven in hoofdstuk 13 van de Ow.

Betreft mede ook daaruit voortvloeiende besluiten tot het aangaan van (bevoegdheden) overeenkomsten tot een maximum van € 150.000.

§5.4 Bestuursrechtelijke handhaving en het geven van aanwijzingen op grond van artikel 13 Wet Bodembescherming van verontreiniging of aantasting van de bodem die vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet is veroorzaakt door overtreding van de zorgplicht, als deze na de inwerkingtreding van de Omgevingswet wordt ontdekt.

Aanvullingswet bodem Ow

Afdeling 19.2a Ow

Aanhangsel bij hoofdstuk 3 van de lijst (standaardtaken)

Categorie 1

  • 1.

    Milieubelastende activiteiten als bedoeld in het Bal.

  • 2.

    Onder deze aanwijzing vallen niet de activiteiten die zijn aangewezen in de volgende paragrafen:

    • a.

      paragraaf 3.2.1, 3.2.7 of 3.2.9, tenzij die:

      • 1°.

        als vergunningplichtig zijn aangewezen op grond van hoofdstuk 3 van dat besluit; of

      • 2°.

        onderdeel uitmaken van een activiteit die is aangewezen in de afdelingen 3.3 tot en met 3.11 van dat besluit en niet onder b tot en met e is uitgezonderd;

    • b.

      paragraaf 3.7.1, voor zover die alleen worden verricht ter ondersteuning van verkoop aan particu-lieren of de opgeslagen afvalstoffen alleen bestaan uit materialen die voor de werkzaamheden zijn meegenomen;

    • c.

      paragraaf 3.7.8, voor zover die alleen worden verricht ter ondersteuning van verkoop aan particu-lieren;

    • d.

      paragraaf 3.8.4, voor zover die alleen bestaan uit het herstellen van ruitschade of het onderhou-den of vervangen van banden; en e. paragraaf 3.8.6, voor zover die alleen worden verricht voor ver-voer van of naar particulieren

Categorie 2

Bouw- en sloopactiviteiten als bedoeld in het Bbl, voor zover gedeputeerde staten het bevoegd gezag zijn op grond van:

  • a.

    artikel 4.6, tweede lid, onder a, voor zover het gaat om omgevingsplanactiviteiten van provinciaal belang, bestaande uit milieubelastende-, bouw- of sloopactiviteiten;

  • b.

    artikel 4.6, tweede lid, onder c; of

  • c.

    artikel 4.16, eerste lid.

Categorie 3

Omgevingsplanactiviteiten, bestaande uit milieubelastende-, bouw- of sloopactiviteiten, voor zover gedeputeerde staten het bevoegd gezag zijn op grond van:

  • a.

    artikel 4.6, tweede lid, onder a, voor zover het gaat om omgevingsplanactiviteiten van provinciaal belang, bestaande uit milieubelastende-, bouw- of sloopactiviteiten;

  • b.

    artikel 4.6, tweede lid, onder c; of

  • c.

    artikel 4.16, eerste lid.

Categorie 4

Omgevingsplanactiviteiten van provinciaal belang, bestaande uit milieubelastende-, bouw- of sloop-activiteiten.

Categorie 5

Het bedrijfsmatig verwijderen van asbest als bedoeld in bijlage I bij het Bbl en asbesthoudende pro-ducten uit bouwwerken, en het bedrijfsmatig opruimen van asbest als bedoeld in bijlage I bij het Bbl en asbesthoudende producten vrijgekomen als gevolg van een incident.

Categorie 6

Activiteiten met stoffen, preparaten, producten en toestellen waarover regels zijn gesteld bij of krachtens de Wet milieubeheer, voor zover deze worden verricht in samenhang met een milieubelas-tende activiteit als bedoeld in hoofdstuk 3 van het Bal.

Categorie 7

Bedrijfsmatige activiteiten met betrekking tot:

  • -

    afvalstoffen;

  • -

    vuurwerk als bedoeld in bijlage I bij het Bal en explosieven voor civiel gebruik;

  • -

    secundaire grondstoffen; en

  • -

    andere milieugevaarlijke stoffen.

Categorie 8

Het in stand houden van bouwwerken voor zover daarover regels zijn gesteld in artikel 3.84 van het Bbl.