Permanente link
Naar de actuele versie van de regeling
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR761192
Naar de door u bekeken versie
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR761192/1
Geldend van 24-04-2026 t/m heden
1 Inleiding
1.1 Waarom dit omgevingsprogramma?
Het leefbaar houden van onze stad vraagt om een sterke sociale basis en voldoende ruimte voor ontmoeting, ontwikkeling en ondersteuning. In de Omgevingsvisie 2040, die in Juni 2026 is vastgesteld, is dit uitgangspunt uitgewerkt binnen het thema “Ruimte voor welzijn en maatschappelijke voorzieningen”. Hierin staat een brede omschrijving van de doelstellingen waaraan de gemeente wil voldoende om deze leefbaarheid in de toekomst te behouden en te verbeteren. Maatschappelijke voorzieningen spelen in het bereiken van deze doelstellingen een centrale rol, door ruimte te bieden aan het samenbrengen, verbinden en ontwikkeling en gezondheid van de inwoners van Vlaardingen.
De groei van de stad vergroot de vraag naar maatschappelijke voorzieningen, maar zorgt ook voor extra druk op de beschikbare ruimte. Om toch ruimte te kunnen maken voor de benodigde maatschappelijke voorzieningen, is een integrale aanpak nodig. Zo kunnen we de verschillende behoeften goed invullen, ruimte maken voor meervoudig gebruik en voorkomen dat er zelfstandige voorzieningen komen terwijl juist gecombineerde voorzieningen nodig zijn.
Om dit goed te kunnen doen, is een eerste stap het verkrijgen van inzicht in wat voldoende voorzieningen zijn in Vlaardingen. Om hier meer inzicht in te krijgen is er onderzoek gedaan naar referentiewaarden voor de maatschappelijke voorzieningen in Vlaardingen, aansluitend op deze ambitie uit de omgevingsvisie. Deze referentiewaarden geven een beeld van de (ruimte)vraag per type maatschappelijke voorziening per 1.000 inwoners, zodat een schatting gemaakt kan worden van de benodigde hoeveelheid en ruimte voor deze voorzieningen in de toekomst.
Dit onderzoek bevat referentiewaarden die zijn gebaseerd de lokale situatie, waar mogelijk vergeleken met andere gemeenten of landelijke gemiddelden, onderzoek en wettelijke kaders, aangevuld op basis van beleidsuitgangspunten. Deze combinatie zorgt voor een realistisch en toepasbaar beeld van de benodigde maatschappelijke voorzieningen in Vlaardingen en vormt de onderbouwing voor dit thematisch omgevingsprogramma. Door gebruik te maken van deze waarden kan een duidelijk en meetbaar kader worden geschetst waarmee richting gegeven kan worden aan toekomstige keuzes en ontwikkelingen.
Het voorliggende thematische omgevingsprogramma is de eerste strategische vertaling van de omgevingsvisie en vormt zo de basis waarop de uitvoeringsdocumenten per thema en de gebiedsgerichte omgevingsprogramma’s kunnen voortbouwen.
Het programma bouwt voort op de resultaten van het eerder uitgevoerde onderzoek naar referentiewaarden en is aangevuld met een kwalitatieve verdieping waarin, samen met betrokken beleidsvelden, is gekeken hoe deze waarden en uitgangspunten in de praktijk kunnen worden toegepast. Daarmee vormt dit programma een inhoudelijke en praktische basis voor verdere beleidsontwikkeling, uitvoering en samenwerking binnen het thema maatschappelijke voorzieningen.
1.2 Verklarende woordenlijst
|
Term |
Betekenis |
|
Initiatieven |
Plannen of voorstellen om iets te realiseren in de leefomgeving. |
|
Maatschappelijke voorzieningen |
Publieke of publiek toegankelijke voorzieningen die bijdragen aan de basisbehoeften van inwoners op het gebied van leren, ontwikkelen, ontmoeten, bewegen, zorg en welzijn |
|
MVS-regio |
De regio die Maassluis Vlaardingen en Schiedam omvat. In dit verband wordt met een aantal plannen samengewerkt. |
|
Omgevingsplan |
Een juridisch document van de gemeente dat regels bevat over de fysieke leefomgeving (vergelijkbaar met het vroegere bestemmingsplan, maar breder). |
|
Omgevingsprogramma |
Een beleidsdocument waarin de overheid concreet uitwerkt hoe zij beleid voor de fysieke leefomgeving wil uitvoeren, beschermen of ontwikkelen op basis van de omgevingsvisie. |
|
Omgevingsvisie |
Een strategisch plan van de overheid dat beschrijft hoe de fysieke leefomgeving zich op lange termijn moet ontwikkelen. |
|
Onderwijshuisvesting |
De gemeentelijke taak om te voorzien in huisvesting voor primair-, speciaal, voortgezet onderwijs |
|
Referentiewaarde |
Een norm of standaard waarmee metingen of prestaties worden vergeleken. In dit stuk: Een waarde in vierkante meters per 1.000 inwoners (of andere groep), die kan worden gebruikt om een schatting te maken voor de vraag naar ieder type voorziening, nu en in de toekomst. |
|
Segregatie |
Wanneer verschillende bevolkingsgroepen gescheiden van elkaar raken. |
|
Sociale cohesie |
De mate van samenhang en verbondenheid tussen mensen in een samenleving of buurt. |
|
Thematisch omgevingsprogramma |
Een omgevingsprogramma dat zich richt op één specifiek thema. |
|
Trends en ontwikkelingen |
Veranderingen en richtingen in de maatschappij, economie of leefomgeving die van invloed zijn op beleid |
|
Vergrijzing en dubbele vergrijzing |
De toename van het aandeel ouderen in de bevolking, waardoor de gemiddelde leeftijd stijgt. Dubbele vergrijzing betekend dat er ook minder kinderen geboren worden. |
1.3 Doelstelling
Gezien de maatschappelijke opgaven en de vastgestelde kaders zoals vastgesteld in de omgevingsvisie is het belangrijk helder te formuleren wat dit omgevingsprogramma wil bereiken. Vanuit deze uitgangspunten is de doelstelling van het omgevingsprogramma als volgt geformuleerd:
“Het doel van het Thematisch Omgevingsprogramma Maatschappelijke Voorzieningen is om een gezamenlijke strategische ruimtelijke visie te bieden op de ontwikkeling van maatschappelijke voorzieningen tot 2040 en daarmee overzicht en duidelijkheid te scheppen over de opgave waar Vlaardingen voor staat.”
Op basis van demografische ontwikkelingen, maatschappelijke trends en de hierop gebaseerde referentiewaarden voor voorzieningen brengt het programma de huidige en toekomstige behoefte aan maatschappelijke voorzieningen in beeld. Deze waarden vormen een objectieve maatstaf en een gemeenschappelijk uitgangspunt voor het bepalen van de opgave en het beoordelen van beleid en initiatieven die bijdragen aan het waarborgen van de leefbaarheid in Vlaardingen.
Dit programma biedt hiermee een gemeenschappelijk kader dat richting en samenhang brengt tussen de gebiedsgerichte omgevingsprogramma’s, beleidsdomeinen en het vastgoedbeleid. Het vormt de basis voor afgewogen keuzes in ruimte, investeringen en samenwerking bij de realisatie van maatschappelijke voorzieningen, en dient als vertrekpunt voor verdere gebiedsgerichte uitwerking van de maatschappelijke opgave waarop later kan worden voortgebouwd.
1.4 Positie en rol van het programma
Het thematisch omgevingsprogramma maatschappelijke voorzieningen vloeit voort uit de omgevingsvisie Vlaardingen 2040. Dat wil zeggen dat het een eerste concretisering is van de doelen omtrent de sociale voorzieningen zoals die in de omgevingsvisie genoemd worden. Echter heeft het nog een brede schaal; zowel op gebiedsniveau als het aantal thema’s die het in het programma meegenomen worden. Hiermee dient het als richtinggevend beleidskader voor de fysieke vertaling binnen het brede sociale domein en is het een beginpunt voor de (meer) uitvoerende documenten gericht op specifieke onderwerpen; zoals het Integraal Huisvestingsplan onderwijs of het uitvoeringsprogramma beschermd wonen, maatschappelijke opvang en vrouwenopvang. Tot slot biedt het omgevingsprogramma richtlijnen voor waar we als gemeente naar streven om zelf als gemeente uit te voeren in ons vastgoed, waardoor er een indirecte, via uitvoeringsbeleid, maar soms ook directe verbinding is tussen het omgevingsprogramma en het vastgoedbeleid. Ook hierbij geeft het vastgoedbeleid een concretere uitwerking van de standpunten zoals die zijn opgenomen in dit document. De verhouding tussen de reeds genoemde documenten staat weergeven in figuur 1.1 en zal dieper worden toegelicht in hoofdstuk 3.6.
2 Kernboodschap en opbouw van het programma
2.1 Kernboodschap van het programma
Dit hoofdstuk geeft een beknopte toelichting op de kern van het programma en de manier waarop het document is opgebouwd. Het helpt lezers om snel te begrijpen hoe zij het programma kunnen gebruiken en welke onderdelen voor hun rol het meest relevant zijn. De leeswijzer beschrijft stap voor stap hoe het document gelezen kan worden en welke hoofdstukken richtinggevend zijn voor initiatiefnemers, beleidsmakers en bestuurders.
Het thematisch omgevingsprogramma maatschappelijke voorzieningen geeft de strategische basis voor de ontwikkeling van maatschappelijke voorzieningen in Vlaardingen tot 2040 op basis van de koers die ingezet is met de omgevingsvisie.
. De stad groeit, terwijl de beschikbare ruimte beperkt is. Hierdoor neemt de druk op maatschappelijke voorzieningen die onder onderwijs, sport, zorg, welzijn en cultuur vallen toe. Deze voorzieningen zijn cruciaal voor leefbaarheid en een sterke sociale basis, maar er bestaan nu al capaciteits- en ruimteknelpunten die zonder sturing verder oplopen.
In dit programma worden trends, demografische ontwikkelingen en de lokale situatie vertaald naar referentiewaarden die aangeven hoeveel ruimte per nodig is richting 2030 en 2040. Hierbij worden referentiewaarden, die aangeven hoeveel behoefte er is voor een voorzieningen per 1.000 inwoners gebruikt als objectieve maatstaf voor beleidskeuzes. Deze waarden en de inventarisatie van de vraag in vierkante meters vormen hiermee ook de kern van de voortgangsmonitor. De monitor volgt jaarlijks in hoeverre de huidige capaciteit aansluit bij de benodigde ruimte en waar bijsturing nodig is.
Het programma vertaalt deze opgaven naar een brede koers voor de stad. Belangrijke uitgangspunten zijn het verankeren van referentiewaarden binnen beleid en ruimtelijke afwegingen, het efficiënter en multifunctioneel benutten van schaarse ruimte, het verbeteren van de spreiding van voorzieningen en het behouden van flexibiliteit wanneer de lokale context daarom vraagt. Deze koers vormt de basis voor gebiedsgerichte uitwerkingen, uitvoeringsprogramma’s en vastgoedafwegingen.
De jaarlijkse monitoring houdt de ontwikkeling van voorzieningen, ruimtevraag en maatschappelijke trends scherp in beeld. Hierdoor kan het programma tijdig worden bijgesteld wanneer de demografische of sociale ontwikkelingen daarom vragen. Zo blijft het document actueel en behoudt Vlaardingen de flexibiliteit om mee te bewegen met veranderende behoeften en toenemende ruimtedruk. Daarmee ondersteunt deze monitorende werkwijze het bredere doel uit de Omgevingsvisie: het waarborgen van een stad waar mensen niet alleen kunnen wonen, maar ook prettig met elkaar kunnen samenleven. Het programma vormt zo kader dat helpt om de voorzieningenstructuur en daarmee de leefbaarheid van Vlaardingen toekomstbestendig te houden.
2.2 Leeswijzer
2.2.1 De opbouw van het thematisch omgevingsprogramma
De opbouw van het thematisch omgevingsprogramma maatschappelijke voorzieningen bestaat uit drie samenhangende delen die elkaar logisch opvolgen en samen één geheel vormen:
Kader en analyse (hoofdstukken 1 - 5)
Beschrijft de achtergrond van het programma, relevante trends, de huidige stand van de voorzieningen en de referentiewaarden die als basis dienen voor de beleidskeuzes en de toekomstige monitoring.
Koers en uitvoering (hoofdstukken 6 - 8)
Bevat de beleidsopgaven, prioriteiten en beleidskeuzes, evenals samenwerkingsafspraken en de uitvoeringsagenda voor 2026. Ook wordt de werkwijze toegelicht voor het beoordelen van nieuwe initiatieven.
Monitoring en borging (hoofdstukken 9 - 10)
Geeft aan hoe de uitvoering wordt gevolgd en zo nodig bijgesteld, en welke beperkingen, risico’s en aannames een rol spelen bij de interpretatie van de gegevens.
De hoofdstukken kunnen afzonderlijk worden gelezen, maar krijgen hun betekenis in samenhang met elkaar. Beleidsmakers vinden vooral richting in de koers, initiatiefnemers in de werkwijze en randvoorwaarden, en bestuurders in de duiding van opgaven en ontwikkelingen.
Het Thematisch omgevingsprogramma maatschappelijke voorzieningen – 2025 is ook als bijlage gevoegd.
3 Context en visie
3.1 Trends en maatschappelijke ontwikkelingen
3.1.1 Landelijke trends
Dubbele vergrijzing
Er is binnen Nederland sprake van een “Dubbele vergrijzing”; dit betekent dat niet alleen het aantal ouderen in de bevolking toeneemt, maar dat de gemiddelde levensverwachting ook stijgt. De vergrijzing zorgt allereerst tot een vergroting van de vraag naar zorg en dus zorgpersoneel. Door de toename van de vraag naar zorg en afname van de beroepsbevolkingsgrootte is de verwachting dat dit in de toekomst alleen nog maar toe gaat nemen. Ook leidt de vergrijzing tot meer mensen met dementie en andere (fysieke) beperkingen. Hierbij wordt ook de bevolkingsgroep van ouderen met beperkingen in combinatie met een migratieachtergrond steeds groter, waar oog nodig is voor taal- en culturele verschillen.
Door de toenemende hoeveelheid ouderen, die vaak ook nog eens langer thuis wonen, is er ook een toenemende behoefte aan woningen die geschikt zijn voor ouderen. Denk hierbij aan meer gelijkvloerse woningen en/of woningen met nabije zorgvoorzieningen.
Veranderende vraag op de woningmarkt
Door de vergrijzing van de samenleving en de afname van de gezinsgrootte is er een toenemende vraag naar kleinere en meer toegankelijke woningen. De veranderende vraag in combinatie tot een algemene krapte in de woningmarkt zorgt voor uitdagingen voor jongeren, alleenstaanden en ouderen. Deze onzekere woningmarkt zorgt voor kwetsbare situaties voor deze groepen op zowel economisch, sociaal als psychologisch vlak.
De onzekere woningmarkt zorgt tezamen met de veranderingen en uitdagingen in de zorg voor dat er dus meer kwetsbare mensen in de samenleving zijn en daarnaast ook vaker een plaats krijgen binnen reguliere woonwijken. Denk hierbij aan mensen met een beperking die zo zelfstandig mogelijk wonen, kleinschalige beschermde woonvormen voor mensen met (lichte) ggz-problematiek en thuiswonende ouderen die (intensieve) zorg ontvangen.
Bevolkingsgroei in een beperkte ruimte
De verwachting is dat Nederland tot 2040 met ruim 1 miljoen extra bewoners groeit tot 19,2 miljoen inwoners in 2040. Door de bevolkingsgroei neemt de vraag naar woningen toe, maar de beschikbare ruimte in Nederland is beperkt. Hierdoor ontstaan een dubbele druk op de ruimte; er is een structureel woningtekort dat vraagt om forse nieuwbouw en een grotere vraag naar maatschappelijke voorzieningen door demografische veranderingen. Tot slot, zijn ook de beleidsdoelstellingen voor klimaatadaptatie en hernieuwbare energie aangescherpt, wat extra ruimte vraagt en dus het bestaande spanningsveld verder op scherp zet.
Druk op de zorg en toenemende gezondheidsproblemen
Een eerste factor in de toenemende druk in de zorg en de toenemende gezondheidsproblemen is de eerdergenoemde dubbele vergrijzing. Door deze vergrijzing neemt het aantal chronische ziekten toe, wat leidt tot een grotere druk op de zorg. Ook is eenzaamheid een probleem wat vaker voorkomt bij ouderen dan voorgaande leeftijdsgroepen. Hoewel het percentage ouderen dat zich eenzaam voelt relatief stabiel blijft, groeit het absolute aantal eenzame ouderen door de omvang van de groep. Bij jongeren is het gevoel van eenzaamheid de afgelopen jaren wel toegenomen. De verwachting is dat deze groei op termijn stabiliseert of licht daalt. Andere psychische klachten laten wel een stijgende trend zien bij jongeren; waarbij de meeste zorgen voor de toekomst liggen in de toename in angst- burn-out- en depressieklachten onder jongeren. In de gehele bevolking stijgen overgewicht en obesitas, en wordt verwacht dat ongeveer 60% van de volwassenen hiermee te maken krijgt in 2040. Daarnaast beweegt men te weinig en blijven alcohol- en middelengebruik hardnekkige problemen. Deze factoren hangen direct samen met een hogere kans op hart- en vaatziekten, diabetes en psychische klachten.
Naast ouderen wonen ook steeds meer andere groepen met psychische of lichamelijke aandoeningen langer thuis, zoals eerder genoemd. Dit zorgt voor een zwaardere belasting van mantelzorgers, met als gevolg meer psychische en fysieke problemen in deze groep.
Daarnaast spelen ook de leefomgeving en het klimaat een steeds grotere rol in de volksgezondheid. Luchtvervuiling, geluidsoverlast en een gebrek aan groen dragen bij aan hart- en longproblemen en verhogen stress, terwijl stedelijke verdichting deze effecten versterkt. Tegelijkertijd bevordert meer groen juist herstel, beweging en verkoeling. Klimaatverandering vergroot de druk verder: vaker voorkomende hittegolven en extreem weer leiden tot hittestress, hogere sterfte onder kwetsbare groepen en meer mentale klachten. Ook neemt de blootstelling aan Uv-straling, allergieën en klimaatgevoelige infectieziekten toe.
De combinatie van een verouderende bevolking, de toename van fysieke en mentale klachten, het langer thuis wonen en de groeiende impact van leefomgeving en klimaat vergroot de zorgvraag en zet het zorgsysteem verder onder druk. Hierdoor neemt de vitaliteit van de bevolking als geheel af. Om deze ontwikkeling te keren en de druk op de zorg beheersbaar te houden, wordt het steeds belangrijker om sterker in te zetten op preventieve maatregelen.
Toename culturele diversiteit
Naar verwachting zal het aandeel inwoners met een migratieachtergrond de komende decennia verder toenemen, tot net iets minder dan 40 procent van de bevolking. Daarmee worden de verschillen in achtergronden en leefwerelden zichtbaarder. De groter wordende culturele diversiteit brengt zowel kansen als aandachtspunten met zich mee. Voor sommige groepen spelen taalbeheersing, opleidingsniveau en sociaal netwerk een rol bij deelname aan onderwijs, werk en maatschappelijke activiteiten. Ook verschillen in culturele waarden en verwachtingen kunnen invloed hebben op hoe inwoners voorzieningen benutten of contact ervaren met instanties. In buurten waar dit samenkomt met sociaaleconomische kwetsbaarheid worden verschillen in kansen zichtbaarder, wat vraagt om beleid gericht op toegankelijkheid en vertrouwen.
Ook kan de groei van de culturele diversiteit een invloed hebben op de sociale cohesie. In gebieden waar bewoners weinig contact met elkaar hebben en sociaaleconomische kwetsbaarheden groot zijn, is de kans aanzienlijk groter dat spanningen en scheidslijnen toenemen. Daarbij laten recente cijfers zien dat de houding van Nederlanders ten opzichte van immigranten de afgelopen jaren minder positief is geworden, wat duidt op een toenemende kwetsbaarheid in de sociale samenhang. Deze ontwikkelingen vragen om blijvende aandacht voor het versterken van ontmoeting en contact tussen verschillende groepen, zodat samenleven niet alleen naast elkaar maar ook met elkaar plaatsvindt.
Tegelijkertijd brengt diversiteit ook kansen met zich mee. Culturele verscheidenheid kan bijdragen aan economische dynamiek en maatschappelijke vernieuwing, bijvoorbeeld via ondernemerschap en internationale netwerken. Culturele activiteiten, zoals kunst, of muziek, dragen sterk bij aan persoonlijke groei en maatschappelijke deelname. Ook sport en verenigingsleven spelen hierin een belangrijke rol. Ze geven mensen het gevoel dat ze erbij horen en bevorderen onderling begrip. Wanneer diversiteit wordt ondersteund door beleid dat deelname voor iedereen toegankelijk maakt, kan dit uitgroeien tot een belangrijke bron van creativiteit, vernieuwing en verbondenheid.
3.1.2 Lokale context
Sociaaleconomische positie
In Vlaardingen ligt het gemiddeld bruto-inkomen per inwoner aanzienlijk lager dan het landelijke gemiddelde: in 2023 bedroeg dit verschil ongeveer € 8.000 per persoon. Daarmee kan gesteld worden dat de stad een relatief zwakke inkomenspositie heeft. Dit beeld wordt versterkt door het opleidingsniveau van de bevolking, waarbij verhoudingsgewijs meer laagopgeleiden en minder hoogopgeleiden wonen dan gemiddeld in Nederland. Dit valt ook terug te zien in de armoedecijfers. Zo groeit één op de acht kinderen op in armoede, een ontwikkeling die grote zorgen baart vanwege de gevolgen voor welzijn, gezondheid en toekomstkansen. Daarnaast kampen ongeveer vijfduizend huishoudens met risicovolle schulden.
Toch biedt de stad, door haar gunstige ligging in de regio Rijnmond, ook kansen. Vlaardingen ligt dichtbij belangrijke werkgebieden in de haven, logistiek, zorg en dienstverlening, waardoor er veel mogelijkheden zijn voor werk en economische participatie. Deze regionale arbeidsmarkt maakt het voor inwoners mogelijk om zich, ondanks een lagere gemiddelde inkomenspositie, te verbinden met sectoren die structureel werkgelegenheid bieden.
Demografische trends
De bevolkingsopbouw van Vlaardingen wijkt op verschillende punten af van het landelijke beeld. De groep 25 tot 45-jarigen is relatief groot, mede dankzij het betaalbare woningaanbod en de gunstige ligging ten opzichte van Rotterdam en Schiedam. Daarentegen wonen er minder 45 tot 65-jarigen, die vaak doorstromen naar omliggende gemeenten met een ruimer woningaanbod.
In Vlaardingen ligt het aandeel 65-plussers iets boven het landelijk gemiddelde, met een concentratie van 65-plussers in Holy-Zuid. Vlaardingen heeft veel kleinere en meergezinswoningen die relatief geschikt en betaalbaar zijn voor ouderen en de hoge stedelijke dichtheid zorgt bovendien voor voorzieningen en zorg op korte afstand, wat het aantrekkelijk maakt om te blijven wonen. Door de genoemde vergrijzing in 3.1.1 is de verwachting dat het aandeel 65-plussers richting 2040 nog verder toeneemt.
De bevolkingsontwikkeling in Vlaardingen laat echter wel zien dat er de komende jaren ook meer jonge gezinnen en kinderen bijkomen. Door nieuwbouw in onder andere de Rivierzone en Westwijk neemt niet alleen het absolute aantal kinderen toe, maar groeit in eerste instantie ook hun relatieve aandeel binnen de bevolking. Dit kan zorgen voor een heropleving van bepaalde wijken en scholen, maar ook voor extra druk op kinderopvang en basisscholen. Er is wel de verwachting dat deze groei, als gevolg van de vergrijzing, op termijn afzwakt en zelfs mogelijk leidt tot een krimp van het aantal kinderen.
Culturele diversiteit
Vlaardingen kent een grote culturele diversiteit, waarbij in 2024 38% van de inwoners in Vlaardingen een migratieachtergrond had, waarvan 26% een niet-Europese migratieachtergrond. Vlaardingen heeft hiermee een duidelijk hogere diversiteit ten opzichte van het landelijk gemiddelde. De grote culturele diversiteit brengt zowel kansen als aandachtspunten met zich mee, zoals toegelicht in 3.1.1
De verwachting is dat het aandeel inwoners met een migratieachtergrond in Nederland tot 2050 op loopt tot iets minder dan 40%. Wanneer diezelfde groeifactor wordt toegepast op de huidige bevolkingssamenstelling van Vlaardingen, zou dat betekenen dat in 2050 ruim 60% van de inwoners een migratieachtergrond heeft. De positieve en negatieve gevolgen van de verhoging van de culturele diversiteit zullen zich in Vlaardingen dus naar verwachting in de toekomst nog sterker manifesteren.
Hoewel de culturele kansen die hierdoor ontstaan niet vergeten mogen worden, moet er ook oog zijn voor de mogelijke problemen die hieruit kunnen ontstaan. De negatiever wordende houding van Nederlanders zonder migratieachtergrond in combinatie met de bestaande kwetsbaarheid van bepaalde wijken, zoals de Westwijk, kunnen zorgen voor (verdere) spanningen en toenemende scheidslijnen tussen de bevolkingsgroepen. Onderling contact tussen deze groepen en het verminderen van de sociaaleconomische kwetsbaarheid van deze wijken kan ervoor zorgen dat deze risico’s niet alleen vermeden worden, maar deze diversiteit juist een kans voor culturele uitwisseling kan worden.
Stedelijkheid en leefomgeving
Vlaardingen is een sterk verstedelijkt gebied met een hoge bevolkingsdichtheid van circa 3.300 inwoners per vierkante kilometer. Door de relatief hoge bebouwingsdichtheid en de grote aanwezigheid van meergezinswoningen is de stad compact van opzet. Dit heeft als voordeel dat de bereikbaarheid binnen de stad relatief groot is. Echter brengt het ook problemen met zich mee.
Allereerst is er een grote aanwezigheid van de meergezinswoningen en sociale huurwoningen. Hierdoor is er in Vlaardingen een relatief eenzijdig woningaanbod, waarbij er een tekort is aan woningen in het midden- en hogere segment. Ook staat de kwaliteit van de woningvoorraad onder druk; veel woningen zijn matig geïsoleerd en hebben bouwkundige problemen. De concentratie en staat van de woningen in bepaalde wijken kunnen leiden tot sociaaleconomische kwetsbaarheid. Daarom richt de gemeente zich in de komende jaren op het maken van een evenwichtige mix van woningtypen en inkomensgroepen.
De stedelijke ligging brengt ook milieu gerelateerde uitdagingen mee, zoals luchtvervuiling, geluidsoverlast en hittestress, die zich hier sterker manifesteren door de nabijheid van haven, industrie en druk verkeer. Klimaat adaptieve maatregelen, zoals vergroening en waterberging, zijn daarom een belangrijk onderdeel van de stedelijke ontwikkelingsstrategie.
De verwachting is dat Vlaardingen in de toekomst verder groeit, naar 84.000 inwoners in 2040. Hiermee is de verwachting dat de stad nog verder verdicht. Er is sprake van een spanningsveld, waarbij er enerzijds in Nederland een groeiende de behoefte is aan kleine, vaak levensloopbestendige woningen, terwijl Vlaardingen juist al een (te) groot aanbod heeft van kleine en betaalbare woningen. Deze tegenstelling tussen de landelijke vraag naar compacte woningen en het lokale tekort aan woondiversiteit vraagt om een zorgvuldige afweging.
Door klimaatverandering en verdere stedelijke verdichting neemt de kans op hittestress toe, tenzij tijdig wordt ingegrepen. Daarom worden bij woningbouw en herontwikkelingen klimaat adaptieve maatregelen toegepast, zoals vergroening en waterberging. Ook stimuleert de gemeente bewoners via subsidies om bestaande woningen klimaatbestendiger te maken. In het Stadsprogramma Groen is bovendien het streven vastgelegd om de stad jaarlijks verder te vergroenen.
3.2 De rol van maatschappelijke voorzieningen
3.2.1 Toegevoegde waarde en betekenis
Om het belang van maatschappelijke voorzieningen goed te begrijpen, is het belangrijk eerst het begrip helder te hebben. In dit worden met de noemer “maatschappelijke voorzieningen” alle fysieke locaties op het gebied van zorg en gezondheid, sport, welzijn, onderwijs en cultuur bedoeld. Dit is een breed spectrum aan onderwerpen die ieder een eigen bijdrage hebben aan de leefbaarheid binnen de stad.
Onderwijs en kinderopvang vormen de basis voor persoonlijke ontwikkeling en gelijke kansen. Scholen en kinderopvanglocaties zorgen ervoor dat kinderen en jongeren zich kunnen ontwikkelen, talenten ontdekken en sociale vaardigheden opbouwen. Daarnaast ondersteunen ze ouders in het combineren van werk en gezin. Deze voorzieningen versterken daarmee niet alleen de individuele kansen, maar ook de economische en maatschappelijke vitaliteit van de stad.
De voorzieningen binnen welzijn bevorderen de sociale samenhang door inwoners met elkaar in contact te brengen en bieden ondersteuning aan mensen die iets meer ondersteuning kunnen gebruiken. Denk hierbij aan ouderen of mensen met een beperking, maar ook mensen die hulp kunnen gebruiken bij het leren van de taal. Deze voorzieningen dragen bij aan een inclusieve gemeenschap waarin iedereen kan meedoen en waar kwetsbare groepen niet buiten de boot vallen.
Sportvoorzieningen stimuleren allereerst een actieve en gezonde leefstijl. Ook dragen ze bij aan de sociale cohesie van de stad door ontmoeting tussen verschillende doelgroepen te stimuleren. Sport kan bovendien een belangrijke rol spelen bij preventieve gezondheidszorg en bij het vergroten van de aantrekkelijkheid van een gemeente voor nieuwe bewoners.
De culturele voorzieningen in een stad bieden laagdrempelige toegang tot kunst, literatuur en informatie en stimuleren creativiteit en levenslang leren. Ook brengt het mensen bij elkaar en in gesprek met elkaar wat bijdraagt aan de verbinding van inwoners. Tot slot versterken ze de identiteit van de stad en dragen ze bij aan een bruisend cultureel klimaat dat bezoekers trekt.
De voorzieningen binnen zorg en gezondheid waarborgen dat inwoners in hun nabijheid gebruik kunnen maken van de medische voorzieningen die zij nodig hebben. Deze voorzieningen bevorderen niet alleen het fysieke en mentale welzijn, maar vergroten ook de veerkracht van de gemeenschap en ondersteunen een gezonde, veilige leefomgeving.
Al met al hebben deze voorzieningen dus een centrale rol in het gezond en gelukkig houden van de inwoners van Vlaardingen. Hierbij kunnen trends en ontwikkelingen, zoals deze in hoofdstuk 3.1 genoemd worden, invloed hebben op de inwoners van Vlaardingen en hiermee ook op de vraag naar de voorzieningen. Echter is het voor een compleet en duidelijk beeld eerst belangrijk om af te kaderen welke voorzieningen in dit omgevingsprogramma zijn opgenomen en welke rol de gemeente heeft bij de realisatie van deze voorzieningen.
3.2.2 Typen voorzieningen en afbakening
De afbakening voor de typen voorzieningen is van belang voor zowel de inventarisatie van de huidige maatschappelijke voorzieningen als de doorwerking naar toekomstige maatschappelijke voorzieningen. Dit is hoofdzakelijk gebaseerd op de categorieën zoals ze zijn aangehouden in het vooronderzoek. In dit document verstaan we onder maatschappelijke voorzieningen: “publieke of publiek toegankelijke voorzieningen die bijdragen aan de basisbehoeften van inwoners op het gebied van leren, ontwikkelen, ontmoeten, bewegen, zorg en welzijn”. De hoofdcategorieën hierbij zijn onderwijs, sport, welzijn, gezondheid en cultuur. De voorzieningen die onder ieder thema vallen staan benoemd in bijlage 2. Hierbij voor zover mogelijk de indeling en terminologie aangehouden die is gebruikt in het referentiewaarden onderzoek. Echter zijn er twee aanpassingen geweest. Dierenwelzijn is toegevoegd en de functie openbare kunst is verplaatst naar het beleidsdocument voor de openbare ruimte.
3.2.3 Rol van de gemeente per type maatschappelijke voorziening
De rol van de gemeente verschilt per type voorziening. Dit is afhankelijk van de taak die de gemeente heeft in de realisatie en uitvoering van deze voorziening. Dit kan grofweg opgedeeld worden in drie rollen. Allereerst heeft de gemeente een aantal voorzieningen die direct voortkomen uit wettelijke taken die de gemeente moet voldoen. Deze taken staan weergeven in figuur 3.1. Daarnaast heeft zij nog de bredere verantwoordelijkheid om een leefomgeving te scheppen die gezondheid, veiligheid, ontmoeting en welzijn stimuleert van haar bewoners. Op basis van deze taak formuleert zij zelf vaak beleid om deze om deze vorm te geven. Hier heeft zij dus meer vrijheid om deze af te stemmen op de wensen vanuit de gemeente en het bestuur. Tot slot zijn er een aantal voorzieningen waarbij de gemeente maar een beperkte invloed heeft. Deze worden door andere, vaak commerciële, partijen gerealiseerd en uitgevoerd. Op deze rollen en het grondgebruik wat hierbij gepaard gaat wordt in het volgende stuk dieper ingegaan.
|
Voorziening |
Wettelijke grondslag |
Korte toelichting |
|
Onderwijshuisvesting |
Wet op het Primair Onderwijs (WPO), Wet op de Expertisecentra (WEC), Wet op het Voortgezet Onderwijs (WVO) |
Gemeenten moeten zorgen voor voldoende en passende huisvesting voor basis-, speciaal en voortgezet onderwijs. |
|
Peuteropvang met VE (Voor- en Vroegschoolse Educatie) |
Wet Ontwikkelingskansen door Kwaliteit en Educatie (Wet OKE) |
Zorgplicht voor doelgroepkinderen met (risico op) taalachterstand. |
|
Maatschappelijke opvang en beschermd wonen |
Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) |
Verplichte opvang en ondersteuning van dak- en thuislozen, slachtoffers van huiselijk geweld en mensen met psychische aandoeningen. |
|
Dagbesteding |
Wmo 2015 |
Gemeentelijke taak voor dagbesteding van ouderen, mensen met een beperking of psychische kwetsbaarheid. |
|
Consultatiebureaus/ CJG (Centrum voor Jeugd en Gezin) |
Jeugdwet, Wet publieke gezondheid (Wpg)
|
Verplichte jeugdgezondheidszorg en laagdrempelige ondersteuning voor jeugd en ouders (0–18 jaar). |
|
Bibliotheken |
Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen (Wsob) |
Vanaf 2026 zorgplicht: elke gemeente moet minimaal één professionele bibliotheekvoorziening hebben. |
|
Dierenwelzijn (opvang & borging) |
Burgerlijk Wetboek (art. 5:8, 5:12), Wet dieren, Wet milieubeheer, Verordening (EG) 1069/2009 |
Gemeente verantwoordelijk voor opvang van zwerfdieren en verwijdering/verwerking van dode dieren. |

De rol en dus ook de invloed van de gemeente verschilt per type voorziening. Hierom is het belangrijk om duidelijk in beeld te hebben welke rollen er zijn en welke rol zij normaliter aanneemt bij welk type voorziening. De rollen die de gemeente kan hebben staan weergeven in figuur 3.2, waar de verdieping per (sub)type van de voorzieningen in bijlage 3 staat.
Allereerst zijn er dus een aantal taken waarvoor de gemeente de directe verantwoordelijkheid heeft voor de aanwezigheid en het functioneren van een aantal voorzieningen. Hier kiest de gemeente er vaak voor om deze zelf uit te voeren of deze uit te laten voeren door een van haar directe partnerorganisaties. Als zij de taak zelf uitvoert is ze eigenaar en direct verantwoordelijk voor de dagelijkse uitvoering van de voorziening. Ze beheert het gebouw, organiseert de dienstverlening, en bepaalt zelfstandig hoe die wordt ingericht. Bij de sturing via haar partners is de gemeente eigenaar óf beleidsmatig opdrachtgever, maar de uitvoering is belegd bij een externe partij zoals een stichting, schoolbestuur of welzijnsorganisatie. De gemeente stelt beleidskaders op, verstrekt subsidie en houdt toezicht op de uitvoering.
Zij is echter ook betrokken bij welzijn van de stad die niet direct wettelijk verplicht is, maar wel verwacht wordt op basis van beleidsmatige verplichtingen, zoals dit bijvoorbeeld met sport of cultuur vaak het geval is. In deze rol gaat het vooral om het maken van afspraken met de uitvoerende partijen op basis van subsidierelaties. Hierbij kan de gemeente op basis van de eisen van de subsidies een richting en inzet van de organisaties verwachten, waarbij zij vooral afhankelijk is van eigen beleidskeuzes. Hierbij kan er op basis van beleid gekozen worden om, bijvoorbeeld als er tekorten dreigen, deze locaties zelf te ontwikkelen en te verhuren of verkopen aan de uitvoerende organisaties. De rol van de gemeente lijkt in deze positie dus sterk op haar rol bij de directe wettelijke taken, maar heeft zij wél meer vrijheid als het gaat om de vormgeving van bijvoorbeeld de eisen die gesteld worden aan de uitvoerende partijen.
Tot slot heeft de gemeente bij een aantal typen voorzieningen een beperkte rol. Dit zijn vooral voorzieningen met een commerciële aard of die hun financiering van een andere organisatie ontvangen. Hoewel dit genoemd staat als “geen directe betrokkenheid” betekent dit niet dat zij hier helemaal geen rol in heeft. Zij is immers nog steeds verantwoordelijk voor een leefbare en prettige omgeving in de stad. Echter doordat zowel de uitvoering als beheer bij andere partijen elders ligt, zijn haar sturingsmogelijkheden beperkt. Hierin neemt ze dus vooral een faciliterende rol in waarbij zij meedenkt met de uitvoerende partijen en hun door het opstellen van beleid in de gewenste richting proberen te bewegen.
3.2.4 Inzet van gemeentelijke middelen en instrumenten
Afhankelijk van het type voorziening dat wordt gerealiseerd, kan de gemeente verschillende rollen vervullen en daarbij gebruikmaken van passende instrumenten. De mate van gemeentelijke betrokkenheid en het eventuele eigendom van gronden door de gemeente zijn daarbij bepalende factoren voor de rol die zij inneemt.
In dit hoofdstuk wordt een overzicht gegeven van de beschikbare gemeentelijke middelen en instrumenten die kunnen worden ingezet ter realisatie van de betreffende voorzieningen. Deze zijn gebaseerd op de genoemde rollen in het referentiewaarden onderzoek dat ten basis ligt van dit stuk.
De in dit hoofdstuk opgenomen beschrijving is bedoeld ter verduidelijking en schetst een beeld van gebruikelijke handelwijzen. Er kan dus afhankelijk van de omstandigheden, waarbij kan worden afgeweken van de instrumenten die normaliter in deze situaties gebruikt zouden worden.
Richting geven
Als de gemeente deze rol aanneemt focust zij zich voornamelijk op het scheppen van duidelijke kaders, het maken van afspraken en het ontwikkelen van werkwijzen die bijdragen aan een prettige stad. Deze werkwijze wordt vaak ingezet bij voorzieningen waar de gemeente geen directe uitvoerende rol in heeft, zoals voorzieningen met een commerciële aard of die financieel ondersteund worden door andere organisaties. Echter kan dit ook gebruikt worden voor of een ondersteunende rol hebben bij andere de andere dynamieken.
Om richting te geven, stelt de gemeente onder andere een omgevingsvisie en omgevingsprogramma’s op. Deze documenten maken duidelijk welke ontwikkelrichting we als stad voor ogen hebben en welke kwaliteiten daarbij centraal staan. Daarmee bieden ze ontwikkelaars en initiatiefnemers houvast en worden zij gestimuleerd om plannen te maken die aansluiten bij deze gezamenlijke koers.
Verbinden
De gemeente kan ook een verbindende rol aannemen bij het tot stand brengen van nieuwe fysieke voorzieningen. Het gaat hierbij zowel om de rol die de gemeente kan pakken in het succesvol intern afstemmen tussen de verschillende domeinen in de gemeente, als het verbinden van externe betrokkenen, als organisaties, bewoners en ontwikkelaars.
Vanuit die rol richting externe partijen stimuleert de gemeente ook de samenwerking tussen sectoren en belangen, bijvoorbeeld door het faciliteren van overlegstructuren of het ondersteunen van participatietrajecten. In deze processen kan de gemeente dienen als neutrale procesbegeleider die het algemeen belang bewaakt en draagvlak creëert voor nieuwe initiatieven. Door haar verbindende rol kan de gemeente zorgen dat plannen niet versnipperd tot stand komen, maar dat ze voortkomen uit gezamenlijke ambities en bijdragen aan een vitale en leefbare omgeving.
Reguleren
Een gemeente kan plannen op verschillende manieren beperken of tegenhouden. Zo kan zij een omgevingsvergunning weigeren wanneer het initiatief niet past binnen het geldende omgevingsplan, of er juist voor kiezen het omgevingsplan te wijzigen om ongewenste ontwikkelingen te voorkomen. Binnen de gemeente Vlaardingen speelt hier de intake en omgevingstafel een belangrijke rol in, waar initiatieven worden beoordeeld en bijgestuurd op basis van de wenselijkheid en de aansluiting van de ontwikkelingen op het huidige beleid.
Stimuleren
Een gemeente kan ook een stimulerende rol aannemen. Zij moedigt initiatief en vernieuwing aan door het creëren van gunstige randvoorwaarden en het wegnemen van belemmeringen voor de ontwikkeling van nieuwe fysieke voorzieningen. Dit doet de gemeente onder meer door het bieden van duidelijke beleidskaders en procedures, zodat initiatiefnemers weten binnen welke ruimte zij kunnen opereren. Heldere uitgangspunten geven richting, vergroten de voorspelbaarheid van besluitvorming en bieden houvast bij het ontwikkelen van plannen.
Zo kan een gemeente kiezen voor het verstrekken van subsidies of cofinanciering, door het beschikbaar stellen van gemeentelijke grond of gebouwen, en het bieden van kennis en advies. Ze kan ook een aanjagende rol spelen door innovatie te bevorderen.
Tot slot kan er vanuit de gemeente worden gekozen om voor bepaalde voorzieningen te kopen of te ontwikkelen om deze tegen marktprijs beschikbaar te stellen voor de uitvoerende partijen. Hiermee kan het de drempel van het vinden van een geschikte locatie en/of investeringen vanuit de uitvoerende partij verlagen, waardoor initiatieven die als wenselijke gezien worden gemakkelijker kunnen worden uitgevoerd.
Zelf uitvoeren
Er kan voor gekozen worden om als gemeente direct betrokken te zijn bij de ontwikkeling van nieuwe maatschappelijke voorzieningen. Dit wordt vaak gedaan bij voorzieningen die voortkomen uit wettelijke verplichtingen, maar hier kan ook, afhankelijk van het gevoerde beleid op andere momenten voor worden gekozen. Hierbij neemt zij dus vaak een directe rol in het kopen, ontwikkelen en eventueel verhuren van de geschikte locatie en blijft zij vaak eigenaar van de grond.
3.3 Invloed van trends en ontwikkelingen op de voorzieningen
3.3.1 Onderwijs
Trends en ontwikkelingen
Er zijn verschillende trends die direct invloed hebben op het onderwijs en daarmee op de onderwijshuisvesting in Vlaardingen. Landelijk nemen de multiculturaliteit, de gezondheidsproblemen (zoals overgewicht en mentale druk) en de vergrijzing toe. Deze ontwikkelingen zorgen ervoor dat scholen steeds vaker moeten inspelen op een diversere en complexere leerlingenpopulatie, met uiteenlopende ondersteuningsbehoeften.
In Vlaardingen komen daar enkele lokale factoren bij. Doordat de stad binnen een beperkte ruimte groeit, neemt de ruimtedruk en daarmee de concurrentie om ruimte toe. De bevolkingsgroei leidt op korte termijn tot een toename van het aantal leerlingen, maar door de vergrijzing zal dit aantal richting 2040 weer afnemen. Vlaardingen kent daarnaast een bevolking met een grote culturele diversiteit . Dit biedt kansen voor een rijke en inclusieve leeromgeving, maar brengt ook uitdagingen met zich mee, zoals taalachterstanden, ongelijke onderwijskansen en verschillende culturele verwachtingen ten aanzien van onderwijs. Bovendien kampt de stad als geheel met relatief hoge onderwijsachterstanden en sociaaleconomische druk, mede door een bovengemiddeld aandeel huishoudens met lage inkomens. Tot slot is een deel van de schoolgebouwen verouderd, waardoor renovatie en herprogrammering noodzakelijk zijn.
Ruimtelijke gevolgen
Bij de renovatie van scholen kan direct worden ingespeeld op deze ontwikkelingen. De tijdelijke leerlingengroei gevolgd door krimp vraagt om flexibele gebouwen die in eerste instantie voor onderwijs kunnen worden gebruikt, maar later kunnen worden herbestemd. Gezien de beperkte ruimte in de stad is daarnaast een efficiënter ruimtegebruik noodzakelijk. Denk hierbij aan integrale kindcentra (IKC’s), waar verschillende functies zoals onderwijs, opvang en welzijn samenkomen onder één dak. Dit bevordert niet alleen een doelmatig gebruik van ruimte, maar ook de ontmoeting en samenwerking tussen verschillende groepen.
Tot slot krijgen scholen in Vlaardingen al te maken met een complexe en diverse leerlingenpopulatie, een situatie die door de veranderende bevolkingssamenstelling en toenemende diversiteit in ondersteuningsvragen verder wordt versterkt. Dit vraagt om aanpasbare en inclusieve leeromgevingen, waar ruimte is voor maatwerk, samenwerking en ontmoeting. Zo kunnen scholen beter inspelen op de uiteenlopende leer- en ondersteuningsbehoeften en tegelijkertijd bijdragen aan gelijke kansen en sociale samenhang in de stad.
3.3.2 Sport en bewegen
Trends en ontwikkelingen
Landelijk zijn er verschillende maatschappelijke ontwikkelingen zichtbaar die invloed hebben op de vraag naar sport-, beweeg- en ontmoetingsvoorzieningen. De vergrijzing zet verder door, waardoor het aandeel ouderen in de bevolking toeneemt. Tegelijkertijd is er sprake van een groeiend aantal mensen met gezondheidsproblemen, zowel fysiek als mentaal. Ook obesitas en overgewicht komen vaker voor, niet alleen bij volwassenen maar in toenemende mate ook onder jongeren. Daarnaast neemt de culturele diversiteit in Nederland toe, wat de behoefte aan sociale cohesie en onderlinge ontmoeting versterkt. Sport en bewegen kunnen hierin een verbindende rol spelen. Tegelijkertijd blijkt dat door de toenemende multiculturaliteit de deelname aan georganiseerde sport in clubverband juist wat lager ligt, terwijl de belangstelling voor informele en vrije sportvormen toeneemt. Sport wordt bovendien steeds vaker gezien als een effectieve manier om mentale problemen tegen te gaan en een gezonde leefstijl te bevorderen.
Ook lokaal zijn er duidelijke trends zichtbaar die aansluiten op de landelijke ontwikkelingen. De gemeente kent een relatief hoog percentage inwoners met diverse culturele achtergronden, wat zorgt voor een brede mix aan behoeften en voorkeuren op het gebied van sport en ontspanning. Daarnaast is er sprake van armoede in bepaalde wijken, wat kan leiden tot drempels voor deelname aan georganiseerde sport. Tegelijkertijd ligt het aandeel ouderen in de gemeente boven het landelijk gemiddelde, waardoor de gevolgen van vergrijzing zoals een groeiende behoefte aan laagdrempelige beweeg- en ontmoetingsplekken relatief sterk voelbaar zijn.
Ruimtelijke gevolgen
De combinatie van deze landelijke en lokale ontwikkelingen vraagt om een doordachte uitbreiding en aanpassing van de sportvoorzieningen. Allereerst groeit de gemeente in grootte, dit leidt net als bij elke andere voorziening tot concurrentie op de vrijkomende ruimte. Ook zal dit, indien de vraag niet verminderd door de voorspelde trends, in principe leiden tot de groei van de vraag naar sportvoorzieningen. Deze voorspeelde groei is namelijk bij sportvoorzieningen, zoals in hoofdstuk 5 besproken zal worden, niet altijd aan de orde door de invloed van deze trends. Ondanks dit is er, omwille van de toenemende druk op de ruimte in Vlaardingen, nog steeds behoefte om de sportlocaties zo efficiënt en multifunctioneel mogelijk in te richten.
Verder zullen de veranderingen op het gebied van sport vooral liggen in het type voorzieningen waar vraag naar komt. Allereerst speelt de vergrijzing een rol. Hierbij is de verwachting is dat er een toenemende behoefte is aan meer informele, laagdrempeligere voorzieningen. Denk hierbij aan sport- en speelplekken die niet alleen gericht zijn op kinderen, maar ook toegankelijk zijn voor volwassenen en ouderen. Daarnaast dienen sportfaciliteiten goed bereikbaar te zijn voor iedereen, ongeacht het vervoermiddel, doordat de mobiliteit van ouderen lager ligt.
De toenemende culturele diversiteit vraagt om een breed palet aan sportmogelijkheden, met ruimte voor zowel traditionele sporten als voetbal als voor nieuwe initiatieven. Tegelijkertijd neemt de behoefte aan informele sportvoorzieningen toe, zoals openbare sportplekken, beweegroutes en vrije velden, doordat sportdeelname in clubverband in diverse groepen lager is.
Tot slot zie je bij sport- en speelvoorzieningen, dat zij niet alleen een rol kunnen spelen in de vitaliteit van de bewoners, maar dat zij ook een sociale verbinding kunnen creëren. Gezien de verwachting is dat de sociale cohesie afneemt zijn kunnen deze sport- en speelvoorzieningen hier een rol in spelen.
3.3.3 Welzijn
Trends en ontwikkelingen
Op landelijk niveau beïnvloeden diverse maatschappelijke ontwikkelingen de vraag naar welzijnsvoorzieningen. De vergrijzing zorgt voor meer ouderen die behoefte hebben aan ondersteuning, ontmoeting en structuur. Tegelijk wonen steeds meer mensen met een psychische, sociale of lichamelijke kwetsbaarheid zelfstandig, wat leidt tot een groeiende behoefte aan laagdrempelige begeleiding en sociale ondersteuning. Dit vraagt veel van de draagkracht en samenhang in buurten, waar bewoners, vrijwilligers en mantelzorgers een steeds grotere rol spelen. In wijken met beperkte sociale veerkracht kan dit extra druk en spanning veroorzaken.
De toenemende culturele diversiteit brengt nieuwe vormen van gemeenschapszin, maar ook uitdagingen zoals taalbarrières en minder onderling contact. In combinatie met individualisering en eenzaamheid neemt de vanzelfsprekendheid van sociale cohesie af.
Deze ontwikkelingen benadrukken het belang van een sterke, inclusieve en cultureel sensitieve sociale infrastructuur: plekken waar inwoners elkaar ontmoeten, zich verbonden voelen en samen verantwoordelijkheid nemen voor hun leefomgeving.
Ook lokaal zijn deze trends zichtbaar. Het aandeel ouderen ligt boven het landelijk gemiddelde, waardoor de vraag naar dagactiviteiten, ontmoetingsplekken en mantelzorgondersteuning extra groot is. De gemeente kent daarnaast veel culturele diversiteit én sociaaleconomische uitdagingen, waardoor niet iedereen even makkelijk deelneemt aan ondersteuning of initiatieven.
De combinatie van landelijke en lokale trends vergroot de noodzaak voor een goed toegankelijke en evenwichtige spreiding van welzijnsvoorzieningen in de gemeente.
Ruimtelijke gevolgen
Door de sociale en maatschappelijke ontwikkelingen is er meer behoefte aan plekken voor ontmoeting en ondersteuning in de wijk, zoals dit in buurthuizen of ontmoetingsplekken plaatsvindt. Deze dragen bij aan sociale cohesie, voorkomen eenzaamheid en bevorderen zelf- en samenredzaamheid.
Er is ook een toegenomen vraag aan cultureel diverse voorzieningen zoals buurthuizen en initiatieven die ruimte bieden voor uitwisseling, integratie en taalondersteuning. Deze voorzieningen die helpen voorkomen dat mensen langs elkaar leven, waarmee de kans op segregatie verkleind wordt. Ook multiculturele ontmoetingsruimtes kunnen een belangrijke rol spelen in het versterken van onderlinge verbinding.
Daarnaast neemt door de vergrijzing de behoefte aan dagbestedingslocaties toe, zowel voor mensen met een mentale als fysieke beperking. Door de vergrijzing worden ook mantelzorg- en vrijwilligerssteunpunten meer en meer onmisbaar om overbelasting te voorkomen en de sociale basis te versterken. Daarnaast is bereikbaarheid en laagdrempeligheid van de welzijnsvoorzieningen belangrijk zodat ook inwoners met een kleinere actieradius of beperkte middelen daadwerkelijk kunnen en aangemoedigd worden om deel te nemen.
3.3.4 Gezondheid
Landelijke trends
Landelijk zijn er diverse maatschappelijke en demografische ontwikkelingen die de behoefte aan gezondheidsvoorzieningen ingrijpend veranderen. De vergrijzing zorgt voor een sterke toename van het aantal mensen met fysieke beperkingen, chronische aandoeningen en dementie. Daarnaast groeit de groep ouderen die langer zelfstandig woont, wat vraagt om zorgvoorzieningen die dichter bij huis beschikbaar zijn. De vergrijzing gaat ook gepaard met eenzaamheid en een toenemende druk op de eerstelijnszorg en mantelzorgers.
Tegelijkertijd neemt het aantal mentale problemen onder jongeren toe, evenals gevoelens van eenzaamheid in alle leeftijdsgroepen. Ook overgewicht en obesitas blijven stijgen, met gevolgen voor de algemene gezondheid en de zorgvraag.
Een andere belangrijke trend is dat meer mensen met een zorgbehoefte buiten zorginstellingen wonen. Dit is het gevolg van beleid dat inzet op “langer thuis wonen” en minder intramurale zorg. Daardoor verschuift de zorgvraag steeds meer naar de wijk en de directe leefomgeving.
Tot slot neemt de kwetsbaarheid door klimaatverandering en milieuaspecten toe. Hittestress, luchtvervuiling en geluidsoverlast kunnen bestaande gezondheidsproblemen verergeren, met name bij ouderen, kinderen en mensen met hart- of longaandoeningen. De gezondheid van de bevolking is daarmee steeds nauwer verbonden met de kwaliteit van de fysieke leefomgeving.
Lokaal zijn deze landelijke ontwikkelingen goed zichtbaar. De gemeente kent zoals eerder genoemd een sterke concentratie van ouderen. Daardoor ontstaat er een relatief grote behoefte aan gezondheidsvoorzieningen als huisartsen en fysiotherapeuten, die gericht zijn op ouderen.
Daarnaast is er sprake van meer inwoners met verschillende culturele achtergronden, wat invloed heeft op de manier waarop zorg wordt gevraagd en ervaren (SCP, 2023). Niet alle groepen weten de bestaande zorgstructuren even goed te vinden of voelen zich er voldoende in thuis. Dit vraagt om cultureel toegankelijke zorglocaties en zorgprofessionals die aansluiten bij de diversiteit in de samenleving.
De combinatie van vergrijzing, bevolkingsgroei en diversiteit zorgt lokaal voor meer druk op bestaande gezondheidsvoorzieningen en een toenemende noodzaak om zorg dichter bij de mensen te organiseren.
Gevolgen voor de benodigde ruimte aan gezondheidsvoorzieningen
De vergrijzing leidt tot een grotere behoefte aan wijkgerichte zorglocaties, deze groeiende behoefte kan echter deels worden opgevangen door de inzet van preventieve maatregelen, zoals genoemd bij het hoofdstuk welzijn. Denk hierbij aan dagbestedingsruimtes en ontmoetingscentra voor ouderen, waar zorg en sociaal contact samenkomen.
Desondanks zullen huisartsen, fysiotherapeuten en apotheken in de toekomst meer ruimte vragen. Dit vraagt om efficiënte inzet van ruimte door bijvoorbeeld clustering van zorgvoorzieningen. Echter ontstaat hier een spanningsveld, doordat ouderen minder ver kunnen reizen en hierdoor behoefte hebben aan nabije voorzieningen, waar clustering vaak zorgt voor een grotere reisafstand. Door kritisch te kijken naar de locatie en spreiding van de ouderen kan hier een combinatie van worden gemaakt.
3.3.5 Cultuur
Landelijke trends
In Nederland zijn er verschillende maatschappelijke ontwikkelingen die de rol van culturele voorzieningen veranderen. De samenleving wordt steeds diverser en ouder, en dat heeft invloed op hoe mensen cultuur beleven, leren en elkaar ontmoeten.
De groeiende culturele diversiteit zorgt voor een rijker en gevarieerder cultureel aanbod. Er komen nieuwe vormen van kunst en verhalen bij die onze samenleving verrijken. Tegelijkertijd vinden niet alle groepen vanzelf hun weg naar culturele instellingen. Verschillen in taal, gewoonten en achtergrond kunnen ervoor zorgen dat mensen elkaar minder snel ontmoeten binnen de cultuursector.
Daarnaast neemt het aantal mensen met een taalachterstand of beperkte digitale vaardigheden toe. Dit speelt bij verschillende groepen en maakt het moeilijker om mee te doen aan culturele of educatieve activiteiten. Daardoor moeten culturele organisaties beter inspelen op de behoeften van deze doelgroepen en zorgen dat hun aanbod laagdrempelig en toegankelijk blijft.
Ook de vergrijzing heeft invloed. Steeds meer ouderen blijven langer actief en zoeken naar manieren om iets te leren, anderen te ontmoeten en betekenisvol bezig te zijn. Zij willen niet alleen toeschouwer zijn, maar ook zelf deelnemen aan culturele en leeractiviteiten.
De landelijke ontwikkelingen zijn ook lokaal goed zichtbaar en worden in de gemeente zelfs versterkt door de samenstelling van de bevolking. Er is, zoals eerder genoemd, een hoog aandeel ouderen en een grote groep inwoners met een culturele diverse achtergrond. Ouderen maken relatief veel gebruik van culturele voorzieningen, hierom is er een groeiende vraag verwacht.
Daarnaast spelen in sommige wijken armoede, taalachterstanden en beperkte digitale vaardigheden een grotere rol dan gemiddeld in Nederland. Daardoor kunnen niet alle inwoners even gemakkelijk meedoen aan culturele of educatieve activiteiten. Dit vraagt om extra aandacht voor laagdrempelige en toegankelijke voorzieningen waar iedereen zich welkom voelt.
Gevolgen voor de benodigde ruimte aan culturele voorzieningen
Bibliotheken krijgen een steeds bredere rol in de samenleving, door de groeiende vraag aan ondersteuning en preventie, zoals genoemd in het hoofdstuk over welzijnsvoorzieningen. Hier verschuift de rol meer en meer vanaf de klassieke bibliotheek naar een leer en ontmoetingscentrum. Om hier gebruik van te kunnen maken, moeten de bibliotheken flexibel inzetbaar zijn en moet er voldoende aanbod zijn per wijk.
Daarnaast is een groeiende vraag verwacht naar culturele centra. Enerzijds omdat ouderen een belangrijke doelgroep hiervoor zijn. Dit wordt versterkt door de groei van de culturele diversiteit, waar behoefte ontstaat binnen en tussen diverse culturele groepen.
Tegelijkertijd is de beschikbare fysieke ruimte beperkt. Dit vraagt om slimme combinaties van functies, bijvoorbeeld door culturele voorzieningen te huisvesten in gebouwen die ook worden gebruikt voor onderwijs, welzijn of wijkactiviteiten. Zo kan de ruimte efficiënter worden benut en ontstaat meer samenwerking tussen organisaties. Goed verspreide en multifunctionele locaties, zoals wijkcentra of gedeelde cultuurhubs, kunnen helpen om cultuur dichter bij inwoners te brengen.
In hoofdstuk 5 wordt uitgebreider ingegaan op de verwachte ontwikkelingen en trends tot 2040 en op de gevolgen hiervan op de ruimtelijke behoefte per thema.
3.4 Omgevingsvisie en wettelijke kaders
3.4.1 Verbinding met de omgevingsvisie
In de omgevingsvisie Vlaardingen 2040 staat hoe de fysieke leefomgeving zich op de langer termijn moet ontwikkelen. Hierin is het belangrijk dat mensen niet alleen in Vlaardingen wonen, maar ook met elkaar moeten samenleven. Het sociale domein speelt hierin een belangrijke rol, door mensen met elkaar te in contact te brengen en te ondersteunen wanneer zij dit nodig hebben. Veel van de plannen in het sociale domein hebben echter ook een fysieke ruimte nodig waarin deze uitgevoerd kunnen worden. Om ruimte voor deze voorzieningen te waarborgen binnen de groeiende gemeente, is het belangrijk dat deze ook opgenomen is in de omgevingsvisie.
Het thematisch omgevingsprogramma maatschappelijke voorzieningen vloeit voort uit de omgevingsvisie. Hierin worden dus verder vormgegeven aan een aantal punten de binnen de omgevingsvisie worden genoemd. Allereerst is het een extra verankering dat er ruimte wordt gereserveerd voor de benodigde voorzieningen binnen Vlaardingen. Dit door een duidelijk kader te schetsen met waar wij als gemeente naartoe willen werken en hiermee ook verwachtingen te scheppen richting initiatiefnemers en onszelf. Daarnaast geeft het meer duidelijkheid over welke voorzieningen er nodig zijn binnen de stad en het biedt een startkader voor de benodigde spreiding van de voorzieningen binnen de stad waarop voortgebouwd kan worden. Hiermee kan de gemeente dus ook initiatieven beter beoordelen en ondersteunen in hun zoekvraag.
Er worden in de omgevingsvisie daarnaast een aantal specifiekere onderwerpen genoemd, waarmee extra rekening gehouden dient worden. Hierbij worden op verschillende manieren genoemd dat er aandacht moet zijn voor ontmoetingsplekken en buurt- en wijkpunten. Zowel om ontmoeting voor te stimuleren in het algemeen en als “hangplek” voor jongeren. Daarnaast kunnen deze ontmoetingslocaties bijdragen aan preventie door voorlichting en preventie gerichte projecten. Echter is de behoefte aan ontmoeting breder dan alleen de formele binnen ontmoetingsplekken, maar is er juist ook een behoefte aan meer informele ontmoetingsplekken, zoals bij speeltuinen of buurttuinen. Ook moet er oog zijn voor de veranderende vraag door maatschappelijke trends, zoals vergrijzing, waardoor er meer vraag komt voor veilig en gezond bewegen in de nabijheid van hun woningen. Ook wordt er meer ingezet op voorzieningen die nu en in de toekomst meer multifunctioneel kunnen worden ingezet, om in te spelen op de veranderende vraag.
Al met al biedt het omgevingsprogramma maatschappelijke voorzieningen niet alleen een kader, waarmee er beter rekening gehouden kan worden met de benodigde voorzieningen binnen Vlaardingen nu en in de toekomst, maar biedt het ook een kader voor hoe we de ruimte beter kunnen benutten om deze voorzieningen op een toekomst bestendigde manier te realiseren.
3.4.2 Wet- en regelgeving
Het omgevingsprogramma Maatschappelijke Voorzieningen is een uitvloeisel van het sub-thema “Ruimte voor welzijn en maatschappelijke voorzieningen” uit de omgevingsvisie. De omgevingsvisie is een juridisch verplicht strategisch document onder de Omgevingswet, waarin de langetermijnvisie op de fysieke leefomgeving wordt vastgelegd. Deze visie vormt de basis voor beleidskeuzes en de inzet van juridische instrumenten, zoals het omgevingsplan en omgevingsvergunningen.
Om de uitvoering van de omgevingsvisie te ondersteunen, kunnen bestuursorganen omgevingsprogramma’s opstellen. Hierin worden de concrete acties, maatregelen en projecten uitgewerkt die bijdragen aan de doelen uit de omgevingsvisie. De Omgevingswet biedt hiervoor de mogelijkheid, maar legt geen verplichting op. Het omgevingsprogramma Maatschappelijke Voorzieningen is dus een vrijwillig programma, waarin één specifiek thema op het schaalniveau van de gehele gemeente Vlaardingen wordt uitgewerkt. Daarom wordt gesproken van een thematisch omgevingsprogramma.
De aanleiding voor dit programma ligt in de wens om meer duidelijkheid te creëren over de huidige en toekomstige vraag en het aanbod van maatschappelijke voorzieningen, zowel binnen de gemeentelijke organisatie als richting externe partners. Het programma concretiseert de ambities uit de omgevingsvisie en biedt richting bij beleidsmatige en uitvoeringsgerichte keuzes, zonder dat dit juridisch verplicht is.
Omdat het programma geen concrete grootschalige projecten of activiteiten met een grote milieu-impact bevat, is het niet MER-plichtig. Een milieueffectrapportage (MER) is alleen vereist voor plannen of projecten waarbij aanzienlijke milieugevolgen te verwachten zijn, wat hier niet het geval is.
Het omgevingsprogramma Maatschappelijke Voorzieningen heeft de status van een beleidsdocument onder de Omgevingswet. Het is zelfbindend voor de gemeente en heeft geen rechtstreeks juridisch bindende werking voor inwoners, bedrijven of andere partijen. Wel vormt het een belangrijk beleidskader bij de uitvoering van de omgevingsvisie en bij toekomstige beleids- en uitvoeringskeuzes.
3.5 Beleidskaders
3.5.1 Toelichting op de beleidskaders
Dit hoofdstuk beschrijft de beleidsdocumenten die richting geven aan de ontwikkeling en inrichting van maatschappelijke voorzieningen in Vlaardingen. Deze kaders vormen niet alleen het bestuurlijke en inhoudelijke fundament, maar spelen ook een rol in de uitvoering van dit onderzoek, doordat zij de ambities, uitgangspunten en randvoorwaarden bepalen waarbinnen voorzieningen worden gerealiseerd en benut. Door de beleidsstukken in samenhang te beschouwen, ontstaat een helder beeld van het beleidsmatige kader waarbinnen de inventarisatie van maatschappelijke voorzieningen en hun ruimtevraag plaatsvindt. Hoewel de stukken per thema onderverdeelt zijn, zijn er meerdere beleidsstukken die meerdere onderwerpen raken, deze zijn dan genoemd bij één van de aspecten die zij raken.
3.5.2 Onderwijs
Onderwijsvisie Vlaardingen 2020-2025
De onderwijsvisie Vlaardingen 2020-2025 beschrijft in grote lijnen hoe de gemeente haar rol ziet in het organiseren van onderwijs, door stil te staan bij succespunten, verbeterpunten en de belangrijke trends die spelen binnen het onderwijs. In 2025 wordt de start gemaakt van de nieuwe onderwijsvisie.
Integraal Huisvestingplan Onderwijs (IHP- Onderwijs) 2020
Het IHP- onderwijs gebruikt de onderwijsvisie als basis. Hierin wordt dieper ingegaan hoe wij over een langere periode gemeente omgaan met onderwijshuisvesting. Hierin staan onder meer een analyse van huidige onderwijssituatie, leerling prognoses en toekomstige plannen met betrekking tot renovatie, vervanging en uitbreiding van schoolgebouwen. Hoe de gemeente en schoolbesturen samen de komende jaren goed onderwijs willen ondersteunen met passende gebouwen. Denk hierbij aan duurzaamheidsmaatregelen en inzetbaarheid van ruimten voor multifunctioneel gebruik.
Gemeentelijke Onderwijsachterstandenbeleid (GOAB)
In het kader van de landelijke Wet Ontwikkelingskansen door Kwaliteit en Educatie (Wet OKE) voert de gemeente Vlaardingen lokaal het Gemeentelijk Onderwijsachterstandenbeleid (GOAB) uit. Dit beleid richt zich op twee kerntaken: het realiseren van voldoende, goed verspreide kindplekken in de voorschoolse educatie en het waarborgen van een kwalitatief hoogwaardig aanbod. Voor de peuteropvang met voorschoolse educatie (VE) betekent dit dat GOAB-middelen worden ingezet om voldoende en toegankelijke peuteropvang plekken met VE te creëren. Waar nodig kan dit ook huisvestingsaanpassingen of uitbreiding van locaties omvatten, zodat ieder kind in Vlaardingen toegang heeft tot goede voorschoolse educatie.
3.5.3 Sport en bewegen
Kadernota sport & bewegen (2019) in combinatie met het Sportakkoord (2019)
De Kadernota Sport & Bewegen 2019 van de gemeente Vlaardingen beschrijft het gemeentelijke beleid voor sport en bewegen, met aandacht voor accommodaties, openbare ruimte, samenwerking en toekomstbestendigheid. Het in dit stuk gebruikte Mulieronderzoek maakt deel uit van het vooronderzoek voor de kadernota en biedt inzicht in het huidige en verwachte aanbod van binnensportvoorzieningen, inclusief het bewegingsonderwijs. De nota bevat uitgangspunten over de kwaliteit, toegankelijkheid, duurzaamheid en multifunctionaliteit van sportvoorzieningen, en benoemt de rol van de openbare ruimte als onderdeel van de beweeginfrastructuur. Ook wordt aangegeven dat sport en bewegen worden meegenomen in de ruimtelijke planvorming en gebiedsontwikkeling, mede in het kader van de Omgevingswet.
Het Vlaardings Sportakkoord (2022) bouwt hierop voort en richt zich op samenwerking tussen lokale partijen om sport en bewegen te stimuleren. Het sportakkoord valt onder de rijksregeling “Hoofdlijnen Sportakkoord”. Het document benoemt afspraken over inclusie, vitale aanbieders en vaardig bewegen, en verwijst voor het onderdeel duurzame sportinfrastructuur naar de Kadernota Sport & Bewegen. Daarbij wordt ook aandacht besteed aan het efficiënt en multifunctioneel gebruik van bestaande accommodaties.
Visie openbare ruimte Vlaardingen
De Visie Openbare Ruimte van de gemeente Vlaardingen beschrijft een toegankelijke, gezonde en aantrekkelijke stad waarin de openbare ruimte uitnodigt tot ontmoeting, beweging en verblijf. Sport, spelen en bewegen vormen hierin een integraal onderdeel: de inrichting van de buitenruimte dient inwoners te stimuleren tot actieve deelname, zoals wandelen, fietsen en spelactiviteiten, en zo bij te dragen aan gezondheid en sociale samenhang. Bij de planvorming en het beheer wordt systematisch beoordeeld in hoeverre ruimten deze functies ondersteunen, onder meer aan de hand van een vragenlijst die waarden als gezondheid, bruikbaarheid en belevingskwaliteit meet. Deze visie zal na 2025 worden omgezet naar een thematisch omgevingsprogramma voor de openbare ruimte.
In de visie openbare ruimte wordt ook het BOSS-principe genoemd. Dit vormt een integrale benadering, die door meerdere gemeentes in Nederland gebruik wordt, voor de inrichting van de buitenruimte, waarbij bewegen, ontmoeten, spelen en sporten samenkomen in één netwerk van plekken. In plaats van losse voorzieningen wordt gestreefd naar multifunctionele en inclusieve ruimtes die voor verschillende doelgroepen toegankelijk zijn. Dit kunnen speelplekken, sportvelden, parken of wandelroutes zijn die beweging en ontmoeting vanzelfsprekend maken. Het BOSS-principe sluit aan bij de doelen uit het GALA, die later besproken wordt, en de Visie Openbare Ruimte.
Groenvisie Vlaardingen 2024–2034
De Groenvisie Vlaardingen 2024–2034 beschrijft hoe de gemeente werkt aan een groene, gezonde en klimaatbestendige stad. Groen wordt hierin gezien als een basisvoorwaarde voor leefkwaliteit, ontspanning en ontmoeting. De visie legt nadruk op het gebruik van groen voor bewegen, spelen en sporten, zodat parken en plantsoenen bijdragen aan vitaliteit en sociale samenhang. Hiermee heeft een directe binding met het subonderdeel sport en bewegen in de openbare ruimte.
3.5.4 Welzijn en gezondheid
De Transformatieagenda Sociaal Domein - Samen Veranderen in Vlaardingen
De Transformatieagenda Sociaal Domein vormt de leidraad voor de doorontwikkeling van het sociaal beleid in Vlaardingen. De agenda richt zich op het versterken van de sociale basis, het vergroten van zelfredzaamheid en het verbeteren van samenwerking tussen inwoners, professionals en organisaties. Daarbij ligt de nadruk op een vernieuwde structuur van wijkgerichte voorzieningen, zoals wijkpunten, dagbestedingslocaties en sociale ontmoetingsruimtes, die ruimte bieden aan ontmoeting, ondersteuning en participatie. Deze plekken zijn cruciaal om maatschappelijke initiatieven, informele hulp en lichte vormen van ondersteuning samen te brengen. Die stuk staat hier omschrijven bij welzijn en gezondheid, maar raak het hele sociale domein.
Uitvoeringsprogramma Beschermd Wonen en Maatschappelijke Opvang
Het Uitvoeringsprogramma Beschermd Wonen en Maatschappelijke Opvang Is een regionaal uitvoeringsprogramma binnen de MVS-regio dat de wettelijke taak van gemeenten uitwerkt op het gebied van beschermd wonen en maatschappelijke opvang. Het programma beschrijft hoe gemeenten samenwerken aan een doorlopende ondersteuningsketen van opvang en beschermd wonen tot begeleid en zelfstandig wonen met aandacht voor toeleiding, nazorg en preventie van terugval. De nadruk ligt op regionale afstemming, lokale inbedding en de opbouw van een toekomstbestendig woon- en ondersteuningsaanbod.
Gezond en Actief Leven Akkoord (GALA)
Het GALA is een landelijk akkoord tussen Rijk, gemeenten en maatschappelijke partners
gericht op een gezonde leefstijl, preventie en sociale participatie. Gemeenten ontvangen
hiervoor middelen via de SPUK-regeling (Specifieke Uitkering Gezond en Actief Leven).
Hierbij is het kernpunt van GALA de ontwikkeling van fysieke plekken die gezondheid
en participatie te bevorderen. De SPUK-financiering die hieruit voortkomt mag worden
ingezet voor het realiseren of verbeteren van sportaccommodaties, ontmoetingsplekken,
dagbestedingslocaties of beweegvoorzieningen. Vlaardingen gebruikt deze middelen bijvoorbeeld
binnen het sociaal domein en het sportbeleid.
Verordening maatschappelijke ondersteuning MVS 2021
De Verordening maatschappelijke ondersteuning MVS 2021 vormt het gezamenlijke kader van Maassluis, Vlaardingen en Schiedam voor de uitvoering van de Wmo 2015. De verordening regelt de toegang tot ondersteuning zoals begeleiding, dagbesteding, vervoer en hulp bij het huishouden. Hoewel het in de basis een juridisch document is, heeft het directe gevolgen voor de inrichting van maatschappelijke voorzieningen in de stad. Zo bepaalt de verordening dat inwoners gebruik moeten kunnen maken van toegankelijke en nabijgelegen plekken voor ontmoeting, ondersteuning en participatie, waaronder dagbestedingslocaties. De toepassing en uitvoering worden nader uitgewerkt in beleidsregels, waarin bijvoorbeeld staat hoe maatwerkvoorzieningen worden ingevuld en hoe algemene voorzieningen worden georganiseerd. Daarmee vormt de verordening een belangrijke schakel tussen sociaal beleid en de fysieke aanwezigheid van passende ruimtes in de wijken.
RIGA (Regionaal Intersectoraal Gezondheidsoverleg)
Het Regionaal Integraal Gezondheidsakkoord (RIGA) voor de WSD-regio vormt een langjarige, domeinoverstijgende samenwerkingsbasis om gezondheid te bevorderen en de zorg toegankelijk en toekomstbestendig te houden. Het akkoord richt zich op preventie, ondersteuning van kwetsbare groepen, ouderenzorg, digitalisering en een beter georganiseerde acute keten. Deze regionale opgaven hierdoor ook invloed op de fysieke maatschappelijke voorzieningen: de vergrijzing, toenemende zorgvraag en personeelstekorten leiden tot een behoefte aan nieuwe woonzorgconcepten, multifunctionele wijkvoorzieningen en een sterker verweven preventieve en digitale infrastructuur.
3.5.5 Cultuur
Nota kunst en cultuur 2022-2025
De Cultuurnota Actief en Inclusief (2022-2025) richt zich op een levendig en inclusief Vlaardingen. Cultuur wordt gezien als middel om welzijn, verbinding en stedelijke identiteit te versterken. Deze voorzieningen moeten bijdragen aan een aantrekkelijke, levendige binnenstad en fungeren als plekken voor ontmoeting en creativiteit, met aandacht voor hun uitstraling en bereikbaarheid zodat ze uitnodigend zijn voor een breed publiek. De gemeente ondersteunt vooral bestaande instellingen binnen de culturele basisinfrastructuur, zoals de Stadsgehoorzaal, de Kroepoekfabriek, KADE40 en het Museum Vlaardingen. Momenteel wordt gewerkt aan het nieuw beleid van kunst en cultuur die deze nota in 2026 zal vervangen.
Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen (Wsob)
Het landelijke bibliotheekbeleid is vastgelegd in de Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen (Wsob), die bibliotheken positioneert als publieke instellingen met vijf maatschappelijke kerntaken: functies: kennis & informatie, educatie, leesbevordering, ontmoeting & debat, en kennismaking met kunst en cultuur. Met de aankomende wetswijziging (vanaf 2026) krijgen gemeenten een zorgplicht; zij moeten zorgen voor een volwaardige, toegankelijke bibliotheekvoorziening binnen hun grondgebied. Hiervoor worden structureel extra middelen beschikbaar gesteld, en gemeenten moeten samen met bibliotheekorganisaties meerjarenplannen opstellen die inspelen op lokale behoeften. Zie opmerking dit klopt dus niet en moet weg
Inhoudelijk verschuift de rol van bibliotheken van uitleencentra naar maatschappelijke leer- en ontmoetingsplekken. Ze richten zich op leesbevordering, digitale geletterdheid, burgerschap en persoonlijke ontwikkeling. Deze functies vragen om fysieke locaties die open, uitnodigend en multifunctioneel zijn.
In Vlaardingen krijgt dit concreet vorm in de verhuizing van Bibliotheek De Plataan naar de Grote Kerk aan de Markt. Deze transitie sluit aan bij het landelijke beleid; de bibliotheek wordt een centrale plek in de binnenstad waar lezen, leren en ontmoeten, evenementen en culturele programmering samenkomen. De gemeente wil met deze ‘huiskamer van de stad’ borgt hiermee invulling geven haar toekomstige zorgplicht door te investeren in een herkenbare, toegankelijke en duurzame bibliotheekvoorziening die past binnen het erfgoed van de stad.
3.5.6 Wonen
Woonvisie
De woonvisie van Vlaardingen 2021–2023 beschrijft hoe de stad wil zorgen voor voldoende en passende woningen voor verschillende doelgroepen, van starters tot ouderen. De gemeente zet in op het vergroten van het woningaanbod, het verbeteren van de kwaliteit van bestaande woningen en het creëren van meer variatie in prijsklassen en woonvormen. Daarbij is er bijzondere aandacht voor verduurzaming, leefbaarheid en een evenwichtige ontwikkeling van wijken, zodat Vlaardingen een aantrekkelijke en toegankelijke stad blijft om in te wonen.
De ambities uit de woonvisie hebben directe gevolgen voor de benodigde maatschappelijke voorzieningen in de stad. In de woonvisie wordt benadrukt dat goed wonen niet alleen gaat over de woning zelf, maar ook over de aanwezigheid van voorzieningen die het dagelijks leven ondersteunen.
Nieuwe woongebieden of uitbreidingen binnen bestaande gebieden vragen daarom om voldoende voorzieningen. Deze voorzieningen kunnen tot slot ook een belangrijke rol spelen in het verhogen van de leefbaarheid in bestaande woningbouwgebieden.
Woonzorgvisie 2023-2030
In de woonzorgvisie staat dat Vlaardingen wil zorgen voor een leefomgeving waarin ouderen prettig en zelfstandig kunnen wonen, met goede ondersteuning in de buurt. De gemeente kijkt daarbij niet alleen naar geschikte woningen, maar ook naar de manier waarop zorg, welzijn en informatie beter georganiseerd kunnen worden. Hoewel in de visie niet letterlijk over fysieke maatschappelijke voorzieningen zoals ontmoetingsplekken of buurtcentra wordt gesproken, ligt die gedachte er wél aan ten grondslag: het gaat om een samenhangend netwerk van wonen, zorg en welzijn dat ouderen in staat stelt actief te blijven en hulp dichtbij te vinden.
De visie vormt daarmee de basis voor hoe Vlaardingen de komende jaren wil omgaan met vergrijzing en de inrichting van de stad. Door samen te werken met inwoners, zorginstellingen en woningcorporaties zoekt de gemeente naar haalbare oplossingen die passen bij de beschikbare ruimte en middelen. Zo wil de gemeente toewerken naar buurten waar ouderen niet alleen een geschikte woning hebben, maar ook de voorzieningen en plekken bieden die ontmoeting, ondersteuning en zorg dichtbij huis mogelijk maken.
Hieronder vallen het uitvoeringsprogramma Wonen, Welzijn en Zorg voor Ouderen (WWZ Ouderen) en Wonen met zorg voor aandachtsgroepen. Beide programma’s werken aan een samenhangende lokale infrastructuur waarin wonen, ondersteuning en ontmoeting elkaar versterken. Gemeente, woningcorporaties en zorg- en welzijnsorganisaties trekken daarbij gezamenlijk op.
Het uitvoeringsprogramma WWZ Ouderen richt zich specifiek op het ondersteunen van ouderen bij het langer zelfstandig wonen. Het programma kijkt hierbij breder dan zorg alleen en omvat ook sociale en fysieke voorwaarden voor een vitaal leven. Toegankelijke woningen, laagdrempelige voorzieningen en dagbestedings- en ontmoetingsplekken vormen belangrijke schakels waar wonen, welzijn en zorg samenkomen.
Wonen met zorg voor aandachtsgroepen richt zich op kwetsbare bewoners die ondersteuning nodig hebben bij het vinden en behouden van een passende woonplek. De focus ligt op integrale samenwerking rondom huisvesting, begeleiding, preventie en leefbaarheid. Hierbij spelen maatschappelijke voorzieningen zoals dagbesteding, ontmoetingsplekken en wijkondersteuning een centrale rol in het vroeg signaleren van problemen, het tegengaan van sociale isolatie en het bevorderen van zelfredzaamheid.
3.5.7 Fysiek domein
Omgevingsvisie
Zoals eerder al gesteld vormt het omgevingsprogramma maatschappelijk voorzieningen een brug tussen het beleid vanuit het sociale domein en de fysieke ruimte. De wens om deze brug te slaan is door de raakvlakken met het fysieke domein opgenomen in de omgevingsvisie, zoals benoemd in hoofdstuk 3.5. De Omgevingsprogramma Maatschappelijk Voorzieningen geeft hiermee vorm aan de wens om tot een meetbaar kader te komen voor de maatschappelijke voorzieningen zoals opgenomen in de omgevingsvisie.
Gebiedsgerichte (omgevings)programma’s
Zoals in figuur 1.1 werd getoond is er een directe wisselwerking tussen het thematisch omgevingsprogramma maatschappelijke voorzieningen en de gebiedsgerichte (omgevings)programma’s. Het thematisch programma levert namelijk kaders en maatregelen die in een gebiedsprogramma toegepast of geconcretiseerd worden. Tegelijkertijd kan de praktijk in een gebied aanleiding geven om het thematisch programma bij te sturen of aan te vullen.
Vastgoed
Tot slot is er een verbinding met het vastgoedbeleid, gezien een deel van de maatschappelijke
voorzieningen direct door de gemeente wordt beheerd. De nieuwe versie van het vastgoedbeleid
is in 2025 opgeleverd en is afgestemd met het thematisch omgevingsprogramma. Hierin
is ook een directe scheiding gemaakt wat in het omgevingsprogramma is opgenomen en
wat bij het vastgoedbeleid.
In het vastgoedbeleid is met betrekking tot maatschappelijk vastgoed onder meer opgenomen:
-
De visies en uitgangspunten voor vastgoed in gemeentelijk bezit en de koppeling daarvan met het inhoudelijke beleid;
-
De typen vastgoed die de gemeente wel of niet in eigendom wil hebben;
-
Het aankopen van (strategisch) vastgoed en het afstoten van vastgoed dat niet tot de kernportefeuille behoort;
-
Keuzes rond aanhouden, afstoten, renoveren en verduurzamen van gemeentelijk vastgoed;
-
De toegankelijkheid van gemeentelijk vastgoed voor alle inwoners, inclusief mensen met een beperking (o.a. VN-verdrag inzake inclusie);
-
Het beheer en de administratie van de gemeentelijke vastgoedportefeuille.
Omdat deze onderwerpen specifiek in het vastgoedbeleid worden uitgewerkt, vallen zij dus ook buiten de scope van het omgevingsprogramma maatschappelijke voorzieningen.
4 Inventarisatie en referentiewaarden voorzieningen
4.1 Methode en doel van de inventarisatie
In dit hoofdstuk wordt de huidige voorraad aan fysieke maatschappelijke voorzieningen binnen de gemeente Vlaardingen in beeld gebracht. Deze inventarisatie vormt de basis voor de verdere analyse van het gebruik, de toekomstige behoefte en mogelijke ontwikkelrichtingen. Als basis hiervoor is in 2024 een vooronderzoek gedaan, waar naar verwijzen wordt als het “referentiewaarden onderzoek”.
Daarbij is er voor alle categorieën een inventarisatie uitgevoerd, met uitzondering van dierenwelzijn. Dit onderwerp is namelijk pas na het vooronderzoek opgenomen in dit stuk.
Deze inventarisatie uit het referentiewaarden onderzoek is aangevuld met een saldoberekening op basis van de verwachte (huidige) vraag en het actuele aanbod. Zowel het onderzoek als de bijbehorende analyses hanteren 2024 als peildatum, gezien het referentiewaarden onderzoek toen is uitgevoerd. Hierbij is het belangrijk om te melden dat de opgestelde referentiewaarde in combinatie met het huidige inwoneraantal van 77.000 mensen als basis voor de huidige vraag is gebruikt; dit heeft als gevolg dat er directe doorwerking is op het saldo bij de constatering deze dat in balans is. Dan zal het saldo namelijk ongeveer neutraal zijn. Andersom is het resultaat van een verhogingen van de referentienorm hier ook meteen inzichtelijk in. Echter omwille van de leesbaarheid zal echter het saldo eerst worden benoemd, waarna de referentiewaarde wordt toegelicht.
De inventarisatie vormt het uitgangspunt voor de toepassing van referentiewaarden. Deze waarden geven richting aan de beoordeling van het huidige aanbod en de inschatting van de toekomstige behoefte aan voorzieningen. De waarden hierin zijn waar mogelijk bepaald door het nazoeken van de gebruikte ruimte binnen Vlaardingen, bijvoorbeeld door gebruik te maken van de basisregistratie adressen en gebouwen (BAG). Sommige voorzieningen zijn echter geclusterd, waardoor individueel uitmeten of nazoeken lastig is. In deze gevallen zijn waar mogelijk landelijke gemiddelden of kengetallen van betrouwbare bronnen gebruikt om de gegevens aan te vullen. Door de bestaande situatie te vergelijken met de referentiewaarden ontstaat inzicht in waar sprake is van een tekort, overschot of evenwicht in de beschikbare maatschappelijke ruimte.
Voor maatschappelijke voorzieningen vormt een referentiewaarde een richtwaarde die dient als vergelijkingsbasis. Aan de hand hiervan kan een beeld worden geschetst van de mogelijke toekomstige behoefte aan voorzieningen en de daarvoor benodigde ruimte. In dit geval is de referentiewaarde opgesteld als de vraag per 1.000 inwoners (of een andere doelgroep), waarbij deze vraag is omgerekend naar benodigde vierkante meters.
De referentiewaarden zijn gebaseerd op landelijke normen, zogenoemde “Vlaardingse praktijknormen”, of op normen die voortkomen uit onderzoeksresultaten. Landelijke normen zijn afgeleid uit cijfers van officiële bronnen en geven referentiewaarden voor onder meer onderwijs- en eerstelijnszorgvoorzieningen. De Vlaardingse praktijknormen worden toegepast bij functies waarvoor Vlaardingen afwijkt van het landelijke gemiddelde of waarvoor geen landelijk gemiddelde beschikbaar is. Daarbij wordt, indien mogelijk, altijd een vergelijking gemaakt met normen in referentiegemeenten. Hierbij geldt de aanname dat het huidige aanbod voorziet in de actuele behoefte, tenzij er aanleiding is om de norm kwalitatief bij te stellen. Daarnaast zijn er referentiewaarden die zijn gebaseerd op onderzoeksresultaten, zoals het sport behoefteonderzoek van het Mulier Instituut.
De referentiewaarden vormen daarmee een praktisch handvat voor de beleidsmatige beoordeling en toekomstige ontwikkeling van maatschappelijke voorzieningen. Ze helpen om richting te geven aan de gewenste ruimtelijke ontwikkeling, zonder de nodige flexibiliteit uit het oog te verliezen. Op basis van deze uitgangspunten vormt de inventarisatie van de huidige voorzieningen de onderbouwing voor verdere keuzes omtrent de maatschappelijke infrastructuur in Vlaardingen.
4.2 Onderwijs
4.2.1 Inventarisatie
Allereerst is er een inventarisatie gedaan van de onderwijsvoorzieningen binnen Vlaardingen. Hierbij zijn alle voorzieningen op het gebied van onderwijs en kinderopvang in kaart gebracht. Het resultaat hiervan is te zien in figuur 4.2.

Op basis van deze inventarisatie een totaalaanbod van de voorziening per eenheid en in vierkante meters worden bepaald, deze staat weergeven in figuur 4.3. Voor de peuteropvang met VE is deze niet opgenomen omdat dit vaak opgenomen is bij kinderdagverblijven en/of basisschool locaties.
|
Onderwerp |
Aanbod |
Eenheid |
Aanbod (m2) |
|
Primair onderwijs |
6.061 |
Leerlingen |
35.837m2 |
|
Speciaal onderwijs |
256 |
Leerlingen |
2.460m2 |
|
Voortgezet onderwijs |
4.296 |
Leerlingen |
31.360m2 |
|
Speciaal voortgezet onderwijs |
153 |
Leerlingen |
1.560m2 |
|
Kinderdagopvang |
1.449 |
Kindplekken |
17.473m2 |
|
Peuteropvang met VE |
464 |
Kindplekken |
|
|
BSO |
1.694 |
Kindplekken |
18.705m2 |
4.2.2 referentiewaarden
Deze inventarisatie kan vervolgens gebruikt worden om via de Vlaardingse praktijk norm en referentiewaarde op te stellen. Dit is de methode die is gebruikt voor de kinderdagopvang, peuteropvang en de buitenschoolseopvang (BSO), zoals te zien in figuur 4.4. Hierbij zijn er, op basis van de algehele lengte van de wachtlijsten, geen indicaties dat erover geheel genomen een tekort is. Het komt echter wel voor dat de vraag niet goed verspreid is, zowel geografisch als qua stijl van de opvang locatie. Hierdoor kunnen er bij bepaalde opvanglocaties grotere wachtlijsten voorkomen. Voor de onderwijslocaties is het integraalhuisvestingsplan (IHP) als leidende bron aangehouden. Voor zowel de vormen van kinderopvang en onderwijs valt op dat deze bepaald zijn op basis van de groep die gebruik maakt van deze voorziening. Hier is voor gekozen omdat deze voorzieningen alleen gebruikt worden door deze groepen, en deze daarom niet direct relevant zijn voor de groepen die erbuiten vallen. De resulterende referentiewaarden zijn weergegeven in figuur 4.4.
|
Onderwerp |
Aanbod per 1.000 van de groep
|
Oppervlaktemaat |
Vierkante meters per 1.000 van de groep |
|||||
|
Primair onderwijs |
871 |
Leerlingen |
Per 1.000 4-12 jarigen |
1490m2 |
252 |
leerlingen |
5.150m2 |
Per 1.000 4-12 jarigen |
|
Speciaal onderwijs |
37 |
Leerlingen |
Per 1.000 4-12 jarigen |
1230m2 |
128 |
Leerlingen |
356m2 |
Per 1.000 4-12 jarigen |
|
Voortgezet onderwijs |
789 |
Leerlingen |
Per 1.000 12-18 jarigen |
3920m2 |
537 |
Leerlingen |
5.760m2 |
Per 1.000 12-18 jarigen |
|
Speciaal voortgezet onderwijs |
28 |
Leerlingen |
Per 1.000 12-18 jarigen |
1560m2 |
153 |
Leerlingen |
285m2 |
Per 1.000 12-18 jarigen |
|
Kinderdagopvang |
443 |
Kindplekken |
Per 1.000 0-4 jarigen |
410m2 |
34 |
Kindplekken |
5.342m2 |
Per 1.000 0-4 jarigen |
|
Peuteropvang met VE |
220 |
Kindplekken |
Per 1.000 2-4 jarigen |
|
|
|
|
|
|
BSO |
243 |
Kindplekken |
Per 1.000 4-12 jarigen |
530m2 |
48 |
Kindplekken |
2.683m2 |
Per 1.000 4-12 jarigen |
Echter is bredere uitwerking per 1.000 inwoners wél relevant als er gekeken wordt naar de totale ruimtevraag van deze voorzieningen op stadsniveau. Hierom zijn de referentiewaarden zoals die weergeven staan in figuur 4.4, met behulp van de (geschatte) percentages van de leeftijdsgroepen omgezet naar de vraag per 1.000 inwoners en wat dit voor de ruimtevraag betekend. Hier is dus zowel gekeken naar hoe groot de totale groep is per 1.000 inwoners en hoeveel procent van deze voorzieningen gebruik maken, op basis van de leerlingen of kindplekken per 1.000 van de betreffende leeftijdsgroep zoals deze gebruikt zijn voor de originele referentiewaarden. De uitkomsten hiervan staan weergeven in figuur 4.5.
|
Onderwerp |
Bijbehorende leeftijdsgroep |
Aandeel groep per 1.000 inwoners |
Percentage dat gebruik maakt van de voorziening |
Aantal per 1.000 inwoners |
m2 per 1.000 inwoners |
|
Primair onderwijs |
4 tot 12 |
89 |
87,1% |
78 |
457 |
|
Speciaal onderwijs |
4 tot 12 |
89 |
3,7% |
3 |
32 |
|
Voortgezet onderwijs |
12 tot 18 |
64 |
78,9% |
50 |
369 |
|
Speciaal voortgezet onderwijs |
12 tot 18 |
64 |
2,8% |
2 |
18 |
|
Kinderdagopvang |
0 tot 4 |
41 |
44,3% |
18 |
220 |
|
Peuteropvang met VE |
2 tot 4 |
16 |
22,0% |
4 |
|
|
BSO |
4 tot 12 |
89 |
24,3% |
22 |
238 |
4.2.3 Saldo
Op basis van de referentiewaarden kan daar verwachte vraag van de gemeente worden gemeten. Belangrijk hierbij is dat dit allen van belang is indien de referentiewaarde niet direct gebaseerd is op het huidige aanbod, of wanneer het huidige aanbod niet blijkt aan te sluiten bij de verwachte vraag. In het geval van onderwijs geldt dat alle waardes in de basis gebaseerd zijn op het huidige aanbod, waarbij er geen duidelijke signalen voor een mismatch zijn. Hierom kan ervanuit worden gegaan dat het saldo (nagenoeg) neutraal zal zijn.
4.3 Sport en bewegen
4.3.1 Inventarisatie
Met betrekking tot voorzieningen die onder sport en bewegen vallen, is ook een inventarisatie gedaan als eerste stap in het proces. Hieronder vallen sporthallen, gym- en sportzalen, zwembaden, buitensportvelden, binnensportvelden en sport en bewegen in de openbare ruimte. Er zijn daarnaast ook veel voorzieningen die bijdragen aan sport en bewegen, die een commerciële aard hebben en buiten de gemeente om worden uitgevoerd, gezien deze buiten publieke rol van de gemeente vallen, zijn deze niet verder opgenomen. De voorzieningen die wel binnen de opgenomen categorieën vallen zijn binnen Vlaardingen in kaart gebracht, deze zijn te zien in figuur 4.6 en Figuur 4.7. Hierbij zijn de buitensportvelden in een aparte kaart getoond, zodat hierin onderscheid gemaakt kan worden tussen verschillende typen velden. Door deze splitsing is er meer inzicht in de verdeling van de typen sporten binnen Vlaardingen, gezien deze sterk kunnen verschillen per veld.
Op basis van de in kaart gebrachte voorzieningen kan een overzicht van het huidige aanbod worden berekend, in zowel het aanbod per voorzieningstype als in de vierkante meters van het aanbod. Deze waarden zijn terug te zien in figuur 4.8. Hierbij is overigens het aanbod van het zwembad gewijzigd tot één locatie met een aanbod van 3150 vierkante meter, gezien dit foutief was opgenomen in het vooronderzoek. Er is overigens nog wel een tweede zwembad in Vlaardingen, die ook zwemlessen aanbiedt, maar deze is vanwege de commerciële aard van de voorziening niet in het totaal opgenomen.
|
Onderwerp |
Aanbod |
Eenheid |
Aanbod in m2 |
|
Sporthallen |
6 |
Sporthallen |
16.500m2 |
|
Gym- en sportzalen |
7 |
Gym- en sportzalen |
4.970m2 |
|
Zwembaden |
1 |
Locaties |
3150m2 |
|
Buiten sportvelden |
58 |
Velden |
348.000m2 |
Voor de bepaling van de omvang per voorzieningstype is gebruikgemaakt van verschillende bronnen. Voor de binnensportvoorzieningen, waaronder sporthallen, gymzalen en sportzalen, is uitgegaan van het adviesoppervlak zoals vastgesteld door het NOS*NSCF, in combinatie met de lokale inventarisatie van het huidige aanbod binnen Vlaardingen. Hierbij is het belangrijk om te melden dat in deze inventarisatie ook de twee recent gerealiseerde sporthallen zijn meegenomen, in tegenstelling tot de meeste andere ontwikkelingen die pas na 2024 hebben plaatsgevonden.
De buitensportvelden zijn in kaart gebracht op basis van de lokale inventarisatie van de bestaande locaties en voorzieningen per sport, waaronder atletiek, handbal, soft- en honkbal, voetbal, hockey, tennis en korfbal. Voor de voorzieningen gericht op spelen, sporten en bewegen in de openbare ruimte is aangesloten bij het lokale beleidskader Bewegen, Ontmoeten, Sporten en Spelen (BOSS), waarin een onderscheid wordt gemaakt tussen centrale wijkplekken, buurtplekken en steunplekken.
4.3.2 referentiewaarden
De resultaten van de inventarisatie zijn gebruikt als uitgangspunt voor het vaststellen van de referentiewaarden. Deze referentiewaarden zijn gebaseerd op het huidige Vlaardingse voorzieningenniveau, aangevuld met landelijke richtlijnen en advieswaarden waar relevant.
Voor de bepaling van de omvang per voorzieningstype is gebruikgemaakt van verschillende bronnen. Voor de binnensportvoorzieningen, waaronder sporthallen, gymzalen en sportzalen, is uitgegaan van het adviesoppervlak zoals vastgesteld door het NOS*NSCF, gecombineerd met de lokale gegevens over het huidige gebruik in Vlaardingen. Voor de zwembaden is de huidige grootte van de voorzieningen als uitgangspunt genomen,
De buitensportvelden zijn beoordeeld op basis van de bestaande capaciteit en de verhouding tussen aanbod en vraag per sport, waarbij de lokale normen zijn aangehouden. Voor de sporthallen, gymzalen en sportzalen is eveneens uitgegaan van de lokale norm, waarin de twee nieuwe sporthallen zijn meegenomen. Dit is relevant, aangezien uit het Mulieronderzoek signalen naar voren kwamen over een tekort aan gymzalen voor het bewegingsonderwijs.
Zoals al kort genoemd, is bij de inventarisatie een wijziging gemaakt in het aanbod van m2 van het zwembad. De rest van de berekening rustte op de foutieve waarde van het aanbod binnen de gemeente. Hierom is er een herberekening gedaan van zowel de opgenomen grootte van zwembaden en hiermee ook de referentiewaarden. Deze waarden zijn bepaald op basis van een steekproef van zwembaden in gemeenten met soortgelijke inwoneraantallen. Deze berekening is bijgevoegd in bijlage 4. Belangrijk hierbij is wel om rekening te houden met dat de grootte van een zwembad niet directe correleert met de hoeveelheid zwemwater die beschikbaar is, hierom is bij de berekening voor de m2 ook rekening gehouden met het gemiddelde wateraanbod bij. Echter gezien in dit onderzoek de ruimtevraag in de gemeente centraal staat, is het totale oppervlakte van de voorziening gebruikt voor de referentiewaarde zelf. Ook is hierbij de maatvoering qua locaties weggehaald. De meeste gemeente hebben immers vaak maar 1 zwembad die qua grootte wél wordt afgestemd op de vraag in de gemeente.
Tot slot zijn voor het thema spelen, sporten en bewegen in de openbare ruimte verschillende normen toegepast per leeftijdsgroep. Omdat het daardoor niet mogelijk is één uniforme referentiewaarde vast te stellen, is aangesloten bij het beleidskader BOSS, waarin de 100‑70‑30-regel wordt gehanteerd. Dit houdt in dat er minimaal één centrale wijkplek per wijk aanwezig dient te zijn, met daarnaast één buurtplek voor spelen en sporten per 100 kinderen van 0-11 jaar, en minimaal één steunplek per 30 kinderen van 0-5 jaar en per 70 kinderen van 6-11 jaar. Centrale buurtplekken betreffen grotere speelplaatsen met bijvoorbeeld een voetbalveldje, terwijl steunplekken kleinschaliger van aard zijn en binnen drie (0-5 jaar) of vijf minuten (6-11 jaar) bereikbaar moeten zijn. De uiteindelijke referentiewaarden zijn weergegeven in figuur 4.9.
|
Onderwerp |
Maatvoering van 1.000 inwoners
|
Vierkante meters per locatie |
Vierkante meters per 1.000 inwoners |
||||
|
Sporthallen |
0,08 |
Locatie |
Per 1.000 inwoners |
2750m2 |
Locatie |
220m2 |
Per 1.000 inwoners |
|
Gymzalen en sportzalen |
0,09 |
Locatie |
Per 1.000 inwoners |
710m2 |
Locatie |
64m2 |
Per 1.000 inwoners |
|
Zwembaden |
|
|
|
5600m2 |
Locatie |
73m2 |
Per 1.000 inwoners |
|
Buitensport velden |
0,77 |
Veld |
Per 1.000 inwoners |
6000m2 |
Veld |
4.620m2 |
Per 1.000 inwoners |
4.3.3 Saldo
Uit de inventarisatie blijkt dat de meeste sportvoorzieningen in lijn zijn met de huidige vraag binnen de gemeente. Het saldo, dat is berekend op basis van de eerder vastgestelde referentiewaarden, weerspiegelt de balans tussen vraag en aanbod op Vlaardings niveau. Aangezien de referentiewaarden zijn gebaseerd op het huidige voorzieningenniveau, komt dit uitgangspunt ook direct terug in het berekende saldo.
Zoals in 4.2.2 al genoemd is de referentiewaarde voor het zwembad gebaseerd op een aantal verglijkbare gemeenten. Hieruit blijkt dat het huidig aanbod tekortschiet op basis van de referentiewaarden. Dit geldt niet alleen voor de totale oppervlakte van de voorziening, die is opgenomen in figuur 4.10, maar ook voor de daadwerkelijke hoeveelheid zwemwater. Waar in de vergelijkingsgemeente gemiddeld ongeveer 1300m2 aan beschikbaar wateroppervlak is, ligt dit in Vlaardingen momenteel op ongeveer 850m2. Dit sluit aan bij de signalen voor de tekorten die genoemd zijn, vanuit de waterbehoefte van de waterpolovereniging die een groter bad nodig heeft voor het kunnen spelen op hoger niveau en vanuit de extra vraag die er momenteel nog is voor leszwemmen en banenzwemmen.
4.4 Welzijn
4.4.1 Inventarisatie
Net als bij de voorgaande thema’s is er voor het onderdeel welzijn een inventarisatie uitgevoerd van het huidige aanbod aan voorzieningen binnen Vlaardingen. Hierbij is gekeken naar de bestaande locaties voor buurt- en wijkcentra, ontmoetingsplekken, dagbesteding, maatschappelijke opvang, scouting en de voedsel- en kledingbank. De gevonden locaties van deze voorzieningen staan weergeven in figuur 4.11.

De inventarisatie geeft een overzicht van het aantal en de spreiding van de huidige voorzieningen, zonder daarbij in te gaan op de mate waarin dit aanbod aansluit op de vraag. Deze kaart toont het aanbod en de spreiding van de deelonderwerpen over de stad. Het aanbod is ook doorgerekend in de beschikbare vierkante meters over de gehele stad. Dit is terug te vinden in Figuur 4.12.
|
Onderwerp |
Aanbod |
Eenheid |
Aanbod |
|
Buurt- en wijkcentra |
5 |
Locaties |
3.750m2 |
|
Ontmoetingsplekken |
15 |
Locaties |
3.000m2 |
|
Dagbesteding |
10 |
Locaties |
4.000m2 |
|
Maatschappelijke opvang |
34 |
Opvangplekken |
1.020m2 |
|
Scouting |
4 |
Locaties |
28.800m2 |
|
Voedsel- en kledingbank |
2 |
Locaties |
550m2 |
Voor de bepaling van de maatvoering per voorziening is uitgegaan van het gemiddelde ruimtegebruik binnen Vlaardingen, waar mogelijk vergeleken met gemiddelden uit andere gemeenten. Bij de categorie dagbesteding zijn de uitschieters aan zowel de boven- als onderkant buiten beschouwing gelaten, omdat de schaal van de locaties sterk varieert en dit de gemiddelde maatvoering zou vertekenen.
4.4.2 referentiewaarden
De referentiewaarden voor de verschillende welzijnsvoorzieningen zijn grotendeels bepaald op basis van het huidige Vlaardingse voorzieningenniveau, aangevuld met beleidsmatige uitgangspunten en actuele signalen over toekomstige behoeften.
Voor de buurt- en wijkcentra is de referentiewaarde 10% hoger vastgesteld dan het huidige aanbod. Deze verhoging sluit aan bij de ambities uit de Visie Sociaal Domein, waarin het versterken van sociale cohesie centraal staat. Buurt- en wijkcentra spelen hierin een belangrijke rol als laagdrempelige ontmoetingsplekken voor bewoners.
Voor ontmoetingsplekken is uitgegaan van het huidige aanbod, aangezien deze voorzieningen vaak informeel worden georganiseerd door particuliere of lokale initiatieven en niet altijd binnen de directe invloedssfeer van de gemeente vallen. Voor dagbestedingsplekken geldt eveneens dat de huidige capaciteit als referentie is gebruikt, omdat er op dit moment geen tekort of overschot wordt waargenomen. Wel wordt verwacht dat de vraag naar dagbesteding op termijn zal toenemen als gevolg van de dubbele vergrijzing en de groei van het aantal inwoners met dementie.
De referentiewaarde voor maatschappelijke opvang is aangepast op basis van de actuele behoefte, volgend uit het Uitvoeringsprogramma beschermd wonen, maatschappelijke opvang. Hierin staat een actuele behoefte van 10 extra reguliere en 4 crisisplekken. Daarnaast is er ook behoefte om 15-20 permanente winter opvangplekken te realiseren. Deze is verhoogd naar 0,88 opvangplekken per 1.000 inwoners, wat een aanzienlijke stijging betekent ten opzichte van het huidige niveau van 0,45 opvangplekken per 1.000 inwoners. Dit gezegd hebbende, omvat de stijging dus zowel reguliere, crisis en winteropvangplekken, waardoor het eindresultaat kan vertekenen.
Zeker omdat de plekken voor winteropvang alleen in delen van het jaar beschikbaar moeten zijn. Voor scoutinglocaties en de voedsel- en kledingbank is de referentiewaarde gebaseerd op het huidige aanbod, omdat hier sprake lijkt van een evenwichtige balans tussen vraag en aanbod. De resulterende referentiewaarden zijn weergegeven in figuur 4.13.
|
Onderwerp |
Maatvoering van 1.000 inwoners
|
Vierkante meters per locatie |
Vierkante meters per 1.000 inwoners |
||||
|
Buurt- en wijkcentra |
0,075 |
Locatie |
Per 1.000 inwoners |
750 |
Locatie |
56 |
Per 1.000 inwoners |
|
Ontmoetingsplekken |
0,2 |
Locatie |
Per 1.000 inwoners |
200 |
Locatie |
40 |
Per 1.000 inwoners |
|
Dagbesteding |
0,13 |
Locatie |
Per 1.000 inwoners |
400 |
Locatie |
52 |
Per 1.000 inwoners |
|
Maatschappelijke opvang |
0,88 |
opvangplek |
Per 1.000 inwoners |
30 |
Per opvangplek |
26 |
Per 1.000 inwoners |
|
Scouting |
0,05 |
Locatie |
Per 1.000 inwoners |
7200 |
Locatie |
360 |
Per 1.000 inwoners |
|
Voedsel- en kledingbank |
0,026 |
Locatie |
Per 1.000 inwoners |
275 |
Locatie |
7 |
Per 1.000 inwoners |
4.4.3 Saldo
Op basis van de referentiewaarden kan de verwachte vraag binnen de gemeente worden vergeleken met het huidige aanbod. Dit is echter alleen relevant wanneer de referentiewaarde niet direct is afgeleid van het bestaande aanbod of wanneer er signalen zijn van een disbalans.
Voor de meeste voorzieningen binnen het thema welzijn zoals dagbesteding, ontmoetingsplekken, scoutinglocaties en de voedsel- en kledingbank zijn de referentiewaarden vastgesteld op basis van het huidige aanbod. Omdat er geen signalen zijn die wijzen op structurele tekorten of overschotten, wordt aangenomen dat het saldo neutraal is en worden deze onderdelen niet verder besproken.
Er zijn echter wel een aantal onderwerpen waarbij er afwijkingen ten opzichte van het saldo te zien zijn. Allereerst is dit aan de orde bij de buurt- en wijkcentra. Dit komt door de beleidsmatige verhoging van de referentiewaarde met 10% Voor de maatschappelijke opvang is sprake van een duidelijk negatief saldo, zoals te zien in figuur 4.14, Dit komt voort uit de verhoogde vraag naar reguliere, crisis- en winteropvangplekken. Hoewel het opnemen van alle soorten kan leiden tot een vertekend beeld, omdat niet alle voorzieningen het hele jaar door beschikbaar moeten zijn, is het duidelijk dat het huidige aanbod op dit moment onvoldoende aansluit bij de vraag naar maatschappelijke opvang.
4.5 Gezondheid
4.5.1 Inventarisatie
Voor de inventarisatie van de voorzieningen binnen het gezondheidsdomein is in kaart gebracht welke typen zorgvoorzieningen momenteel in Vlaardingen aanwezig zijn en hoe deze ruimtelijk zijn verdeeld. De locaties van huisartsen, fysiotherapeuten, tandartsen, apotheken, verpleeghuizen en consultatiebureaus die onder deze categorie vallen, staan weergeven in figuur 4.15.

Met oog op het ruimtegebruik van deze voorzieningen is het soms lastig in beeld te brengen hoe groot iedere voorziening is, gezien deze vaak deel uitmaken van een groter gezondheidscentrum. Voor enkele voorzieningen, zoals consultatiebureaus, geldt bovendien dat zij vaak gebruikmaken van bestaande ruimten die maar enkele dagdelen per week worden gehuurd. Hierom is voor de consultatiebureaus geen gemiddelde maatvoering vastgesteld. Hierom is het aanbod in m2 van de zorgvoorzieningen grotendeels bepaald door de kengetallen die in 4.4.2 genoemd worden. De resultaten die hieruit volgen staan in figuur 4.16.
|
Onderwerp |
Aanbod |
Eenheid |
Aanbod |
|
Huisartsen |
35 |
fte |
5.250m2 |
|
Tandartsen |
34 |
fte |
2.890m2 |
|
Apotheken |
10 |
locaties |
2.200m2 |
|
Fysiotherapeuten |
79 |
Aantal |
3.950m2 |
|
Consultatiebureaus |
2 |
Locaties |
|
|
Verpleeghuizen |
908 |
Woonplekken |
63.560m2 |
4.5.2 referentiewaarden
De referentiewaarden voor de verschillende zorg- en welzijnsvoorzieningen zijn grotendeels bepaald op basis van landelijke adviesnormen en gemiddelden, aangevuld met lokale gegevens waar deze relevant zijn. Hierbij is ook uitgegaan van de benodigde oppervlakte per voorziening, omdat deze bepalend is voor de totale ruimtevraag per deelonderwerp.
Voor huisartsen is de adviesgrootte van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) aangehouden. Voor fysiotherapeuten is een landelijke adviesnorm gebruikt op basis van gegevens van de Landelijke Huisartsen Vereniging (LHV), ondersteund door het landelijk gemiddelde uit een STiPo-onderzoek. Voor tandartsen is eveneens uitgegaan van de landelijke gemiddelde praktijkoppervlakte.
Alleen voor apotheken is een lokale Vlaardingse norm aangehouden, die lager ligt dan het landelijk gemiddelde. Dit komt doordat er in Vlaardingen relatief veel apotheken zijn met een kleiner oppervlak per locatie dan gemiddeld in Nederland.
Voor consultatiebureaus is geen vaste maatvoering vastgesteld, aangezien deze, net als peuteropvang met voorschoolse educatie, regelmatig gebruikmaken van gedeelde ruimten. Voor verpleeghuizen is de referentiewaarde niet uitgedrukt in vierkante meters, maar in het aantal woonplekken per 1.000 inwoners.
De referentiewaarde voor huisartsen met 10% verhoogd ten opzichte van het huidige aanbod, vanwege de verwachte groei van de zorgvraag door vergrijzing. Ook voor verpleeghuizen is een ophoging toegepast van 12 naar 13,7 woonplekken per 1.000 inwoners, om te kunnen voorzien in de toekomstige zorgbehoefte. Richting 2030 en 2040 is er behoefte aan respectievelijk 30 en 40 extra woonplekken. De vastgestelde referentiewaarden, inclusief de gebruikte oppervlaktes per voorziening, zijn weergegeven in figuur 4.17.
|
Onderwerp |
Maatvoering van 1.000 inwoners
|
Vierkante meters per locatie |
Vierkante meters per 1.000 inwoners |
||||
|
Huisartsen |
0,5 |
fte |
Per 1.000 inwoners |
150 |
fte |
75 |
Per 1.000 inwoners |
|
Tandartsen |
0,46 |
fte |
Per 1.000 inwoners |
85 |
fte |
39,1 |
Per 1.000 inwoners |
|
Apotheken |
0,13 |
fte |
Per 1.000 inwoners |
220 |
Locatie |
28,6 |
Per 1.000 inwoners |
|
Fysiotherapeuten |
1,05 |
fte |
Per 1.000 inwoners |
50 |
fte |
52,5 |
Per 1.000 inwoners |
|
Consultatiebureaus |
0,6 |
Locatie |
Per 1.000 0-4 jarigen |
|
|
|
|
|
Verpleeghuizen |
13,7 |
woonplekken |
Per 1.000 inwoners |
70 |
woonplek |
959 |
Per 1.000 inwoners |
4.5.3 Saldo
Op basis van de referentiewaarden kan de verwachte vraag binnen de gemeente worden vergeleken met het huidige aanbod. Dit is echter alleen relevant wanneer de referentiewaarde niet direct is gebaseerd op het bestaande aanbod of wanneer er signalen zijn dat vraag en aanbod niet in balans zijn.Voor de meeste voorzieningen binnen het zorgdomein zoals apotheken, tandartsen, fysiotherapeuten en consultatiebureaus zijn de referentiewaarden vastgesteld op basis van de lokale norm. Omdat er geen signalen zijn die wijzen op tekorten of overschotten, is het saldo voor deze voorzieningen (nagenoeg) neutraal en wordt dit verder niet meegenomen in de figuur.
Bij huisartsen en verpleeghuizen wijkt dit af. Door de ophoging van de referentiewaarden is hier sprake van een negatief saldo, wat duidt op een (toekomstig) tekort. Bij de huisartsen gaat het om een tekort van circa 10%, en bij de verpleeghuizen om een behoefte aan 30 tot 40 extra woonplekken richting 2040 om aan de toenemende zorgvraag te voldoen.De resultaten van het saldo van deze categorieën zijn weergegeven in figuur 4.18.
4.6 Cultuur
4.6.1 Inventarisatie
Tot slot zijn is er ook voor het thema cultuur een inventarisatie uitgevoerd. De resultaten hiervan zijn ruimtelijk inzichtelijk gemaakt in figuur 4.19.

Bij het vooronderzoek, waar deze afbeelding op gebaseerd is, zijn de kunstobjecten in de openbare ruimte meegenomen in de inventarisatie. Echter, aangezien dit geen betreedbare voorziening betreft, is besloten deze onder te brengen bij het omgevingsprogramma voor de openbare ruimte. Deze zijn echter nog wel in deze kaart te zien.
Binnen het thema cultuur blijven daarmee de bibliotheken en de culturele centra over als relevante voorzieningen. Deze vormen samen het belangrijkste deel van het gemeentelijk culturele aanbod in Vlaardingen. Hierbij is voor figuur 4.20 uitgegaan van het oppervlak per voorziening zoals dit momenteel in gebruik is binnen Vlaardingen.
4.6.2 referentiewaarden
De referentiewaarden voor de culturele voorzieningen zijn vastgesteld op basis van zowel landelijke gemiddelden als lokale gegevens.
Voor bibliotheken is de referentiewaarde gebaseerd op het landelijk gemiddelde van 0,04 locaties per 1.000 inwoners. In Vlaardingen ligt het huidige aanbod iets lager, namelijk op 0,03 locaties per 1.000 inwoners. De normatieve omvang en het gebruik zijn bepaald op basis van de bestaande bibliotheeklocaties, aangevuld met landelijke richtlijnen over toegankelijkheid en spreiding.
Voor culturele centra is uitgegaan van het huidige aanbod en gebruik binnen de gemeente. De gemiddelde oppervlakte per centrum en het aantal bezoekers vormen hierbij de basis voor de lokale norm. De huidige bezetting en het gebruik van deze voorzieningen lijken goed in balans met de vraag.
De vastgestelde referentiewaarden voor bibliotheken en culturele centra zijn weergegeven in figuur 4.21.
|
Onderwerp |
Maatvoering van 1.000 inwoners |
Vierkante meters per locatie |
Vierkante meters per 1.000 inwoners |
||||
|
Bibliotheek |
0,04 |
Locatie |
Per 1.000 inwoners |
740 |
Locatie |
29,6 |
Per 1.000 inwoners |
|
Cultureel centrum |
0,04 |
Locatie |
Per 1.000 inwoners |
2.990 |
Locatie |
119,6 |
Per 1.000 inwoners |
4.6.3 Saldo
Op basis van de referentiewaarden kan de verwachte vraag binnen de gemeente worden vergeleken met het huidige aanbod. Dit is echter alleen van belang wanneer de referentiewaarde niet direct gebaseerd is op het huidige aanbod of wanneer er signalen zijn dat vraag en aanbod niet in balans zijn.
Voor culturele centra geldt dat de referentiewaarde direct is afgeleid van het bestaande aanbod, dat in balans lijkt te zijn met de huidige vraag. Hierdoor kan worden uitgegaan van een (nagenoeg) neutraal saldo, dat verder niet wordt besproken.
Voor bibliotheken wijkt dit af. De referentiewaarde is hier gebaseerd op het landelijk gemiddelde, waardoor een tekort zichtbaar is binnen Vlaardingen. Het huidige aanbod ligt op 0,03 locaties per 1.000 inwoners, terwijl de landelijke norm 0,04 locaties per 1.000 inwoners bedraagt. Dit tekort wordt deels opgevangen door het uitbreiden van het bibliotheekwerk in de Westwijk en de verhuizing van de vestiging aan de Waalstraat naar De Grote. Daarnaast is er een nieuwe landelijke bibliotheekwet in ontwikkeling, die in de toekomst mogelijk leidt tot een hogere normering.
De resultaten van het saldo zijn weergegeven in figuur 4.22.
4.7 Dierenwelzijn
Zoals kort in de introductie van het stuk, is dierenwelzijn niet opgenomen in het gedane vooronderzoek. Hierbij is er voor nu gekozen om even kort stil te staan bij de wettelijke taken die de gemeente heeft, namelijk de opvang van zwerfdieren en het bergen van overleden dieren, zoals in 3.2 al kort genoemd.
Met oog op deze taken, bestaat het huidige aanbod in Vlaardingen, bestaat uit de stichting dierennoodhulp West Nederland en het Dierenopvangcentrum Vlaardingen. Hierbij heeft Stichting Dierennoodhulp West Nederland en grotere regionale functie, toegespitst op de hulp en berging van gewonde dieren terwijl Dierenopvangcentrum Vlaardingen zich vooral richt op de opvang en herplaatsing van dieren uit Vlaardingen en omgeving.
Er wordt gewerkt aan beleid over dierenwelzijn, waardoor dit in een latere versie van het thematisch omgevingsprogramma uitgebreider opgenomen wordt. Dit geldt ook voor de toekomstvoorspellingen.
5 Toekomstperspectief
5.1 Toekomstvraag op basis van referentiewaarden
5.1.1 Uitkomsten op basis van het vooronderzoek
Op basis van de waarden van het vooronderzoek kan alvast een eerste inschatting worden gemaakt naar de vraag. Echter is het belangrijk om hierbij te noemen dat hierbij de verwachte trends en ontwikkelingen maar beperkt zijn meegenomen. Dit is dus hoofdzakelijk een relatief objectief startpunt dat door middel van deze trends en ontwikkelingen verder kan worden afgestemd. Op basis van de verwachtingen op basis van de huidige referentiewaarden zonder de invloed van de genoemde trends en ontwikkelingen, kan een eerste inschatting gemaakt worden van de verwachte ruimtegebruik. Hieruit volgt dat de geschatte maximale ruimtevraag aan maatschappelijke voorzieningen uitkomt op ongeveer 25.400 m2 tot 2030, zoals te zien in figuur 5.1. Gezondheidsvoorzieningen, welzijn en cultuur hebben per functie relatief weinig ruimte nodig. Hierdoor lijkt de vraag beperkt in oppervlakte, maar er is wel degelijk een uitbreidingsbehoefte.
Tot 2030 en 2040 neemt de vraag naar onderwijshuisruimte toe door de realisatie van de flinke woningbouwplannen die de gemeente heeft, waarbij zoals reeds genoemd, de grootste behoefte ligt bij het primair onderwijs. Hierin is behoefte aan sport is de grootste ruimtevrager in de gemeente, maar hier zal in 5.2 nog kritisch naar worden gekeken.

Er is op basis van de referentienormen behoefte aan 2,5 buitensportvelden, die de grootste bijdrage leveren aan de totale vraag van de gemeente. Dit vraagt om een behoorlijk metrage. Het slim combineren, optimaliseren en het intensiever gebruiken van sportvelden kan ervoor zorgen dat de behoefte in vierkante meters lager uitvalt. Bij de totale vraag is hierbij echter geen rekening gehouden met trends die hier op de toekomst invloed op kunnen hebben, waardoor het lager uit kan vallen.
Als deze lijn doorgezet wordt naar 2040, waar het geschatte aantal inwoners groeit naar ruim 84.000 in 2040. Bij toepassing van de referentiewaarden komt de geschatte maximale ruimtevraag aan maatschappelijke voorzieningen uit op ongeveer 65.400 m² (6,5 ha).
Belangrijk is om te melden dat dit metrage exclusief sport- en speellocaties is. Deze zijn vastgelegd in het BOSS-beleid en er ligt een focus op centralisatie van het aantal openbare speel- en sportplekken. De totale hoeveelheid vraag is ook exclusief de behoefte aan de extra woonplekken in verpleeghuizen, die later in dit stuk dus wel meegenomen worden.
5.1.2 Herijking van locaties naar vierkante meters
Bij het vooronderzoek is gerekend vanuit de benodigde extra locaties als basis van de extra ruimtebehoefte in vierkante meters. Bijvoorbeeld, als er behoefte is aan 1 extra locatie en één locatie heeft een gemiddeld ruimtegebruik van 500m2, dan is de verwachte vraag 500m2.
Echter is het voor de doorrekening bij 5.2 van belang om uit te gaan van de totale m2 behoefte van de hele gemeente en die door te rekenen naar de benodigde hoeveelheid locaties. Dit is dus andersom beredeneerd, waarmee eerst de vraag in vierkante meters wordt ingeschat en deze hierna in aantal voorzieningen wordt omgezet. Hiermee kan de reële impact van de trends nauwkeuriger gemeten worden. Hierbij worden dezelfde inwoneraantallen als voorheen als basis gebruikt. Gezien de uitkomsten vanuit onderwijs direct volgen uit het aantal kinderen van de betreffende groep in plaats van locaties is deze herijking niet voor onderwijs aangepast.
Deze uitkomsten zijn deel van een groter proces en hebben dus maar beperkte waarde. Hierom worden er geen inhoudelijke conclusies getrokken op basis van deze waardes, maar worden deze as-is getoond in bijlage 6
5.2 invloed van trends en ontwikkelingen op de vraag
5.2.1 Methode
In hoofdstuk 3 zijn er diverse trends en ontwikkelingen genoemd. Deze zijn in de referentiewaarden in verschillende mate opgenomen. Om te zorgen dat alle referentiewaarden ook in de toekomst zo goed mogelijk aansluiten bij de verwachtte ontwikkelingen in Nederland en in Vlaardingen wordt er in dit hoofdstuk een verdiepende slag gemaakt. Echter, gezien lang niet altijd duidelijk is hoe groot de invloed van trends zijn en er onzekerheid is van de schaal en verloop van deze ontwikkelingen, zal dit een brede schatting zijn om een richting te geven aan de cijfers op basis van de trends en ontwikkelingen.
In de loop van de uitvoering en monitoring van dit programma zullen deze trends en ontwikkelingen zo nodig bijgesteld worden. Hierbij ligt de focus op naar de invloed van de trends en ontwikkelingen op de benodigde vierkante meters. Er wordt hierin niet ingegaan op de geografisch verdeling, inrichting van de gebouw en kwaliteitsslagen die er eventueel nodig zouden zijn.
Zoals in de introductie al even kort genoemd is, worden de waarden uit 5.1 als basis gebruikt, waarbij op basis van de verwachtte trends en ontwikkelingen de totale verwachtte vraag wordt bijgesteld op basis van de verwachtte trends en ontwikkelingen. Hierbij wordt zowel gekeken naar de verwachtte richting (stijging of daling) als de verwachtte schaal van de ontwikkeling.
De herwegingsfactoren staan weergeven in figuur 5.2.Hierbij is de verhoging (10%) die in het vooronderzoek is gebruikt voor onderwerpen waarvoor wij verwachten dat er een sterke vraaggroei richting 2030 gaat zijn als basis gebruikt. Dat wil zeggen dat dit onderwerpen zijn waarvan de verwachting is dat zij sneller groeien dan de toename van de vraag die volgt uit de inwonersgroei van de stad. In bijlage 7 staat de berekening voor de bepaling van de waarden die aangehouden worden. Uiteraard is dit, zoals al eerder gezegd, een grove voorspelling, gezien de vraag naar deze voorzieningen van veel factoren afhankelijk is.
|
Bijstelling referentiewaarden |
2030 |
2040 |
|
Sterke groei |
10% |
30% |
|
Lichte groei |
5% |
15% |
|
Neutraal/onbekend |
0% |
0% |
|
Lichte daling |
-5% |
-15% |
|
Sterke groei |
-10% |
-30% |
De resultaten van deze herberekeningen worden getoond en besproken in het vervolg van hoofdstuk 5.2. Deze houden de herwegingsfactoren aan, zoals zojuist al even genoemd. Echter wordt hierbij een uitzondering gemaakt voor de vormen van onderwijs. Door de aanwezigheid van het IHP en andere voorspellende cijfers kan een concretere voorspelling gemaakt worden. Hierom is er gekozen om deze cijfers aan te houden als basis van de bijgestelde referentiewaarden. De volledige herberekeningen van de verwachtte groei per onderwerp voor ieder thema zijn opgenomen in bijlage 8.
5.2.2 Onderwijs
Voor het thema onderwijs wordt voor primair onderwijs, (voortgezet) speciaal en voortgezet onderwijs gebruik gemaakt van de leerling prognoses en ruimtebehoefte berekeningen, die de basis vormen voor het IHP-onderwijs.De belangrijkste trend die de vraag naar onderwijs beïnvloed is de verwachtte bevolkingsgroei van de gemeente. Bij toename van het aantal woningen, groeit ook de bevolking en daardoor groeit de totale vraag naar het onderwijs, zowel voor primair als voortgezet onderwijs. Daarnaast zijn er verschuivingen in de demografisch opbouw, maar deze verschillen zijn kleiner, waardoor de groei van de stad leidend is in de vraag.
In de tabellen zijn het speciaal onderwijs en speciaal voortgezet onderwijs samengevoegd, omdat de ruimtevraag in de leerling prognoses samen zijn gevoegd. De Ericaschool biedt in Vaardingen speciaal onderwijs en voortgezet onderwijs aan. De verwachtte toename van het leerlingaantal speciaal onderwijs bedraagt 15 leerlingen in 2030 en 38 leerlingen in 2040. Voor speciaal voortgezet onderwijs is verwachting dat er een extra vraag is van 5 leerlingen in 2030 en 15 leerlingen in2040.
Voor kinderdagopvang, peuteropvang en buitenschoolse opvang (BSO) zijn de verwachtte demografische ontwikkelingen gebruikt voor bepalen van de omvang van de betreffende leeftijdsgroepen. Dit vertaalt zich direct door in een verwachte extra ruimtevraag in 2030 en 2040, zoals te zien in figuur 5.3. De volledige berekening die aan de getallen in figuur 5.3 ten grondslag liggen zijn bijgevoegd in bijlage 8.
|
Voorziening |
Bijgestelde extra vraag m2 2030 |
Bijgestelde extra vraag 2030 |
Bijgestelde extra vraag m2 2040 |
Bijgestelde extra vraag 2040 |
||
|
Primair onderwijs |
2.115m2 |
375 |
Leerlingen |
4.055m2 |
739 |
Leerlingen |
|
Speciaal en speciaal voortgezet onderwijs |
167m2 |
20 |
Leerlingen |
419m2 |
50 |
Leerlingen |
|
Voortgezet onderwijs |
29.130m2 |
231 |
Leerlingen |
30.400m2 |
466 |
Leerlingen |
|
Kinderdagopvang |
17m2 |
1 |
Kindplekken |
2.053m2 |
170 |
Kindplekken |
|
Peuteropvang met VE |
5m2 |
0 |
Kindplekken |
658m2 |
55 |
Kindplekken |
|
BSO |
917m2 |
83 |
Kindplekken |
2.847m2 |
258 |
Kindplekken |
Hoewel de voorspelling van ieder onderwerp opgenomen binnen onderwijs afhankelijk is van het gevoerde beleid, is dit voor de kinderdagopvang en BSO een factor met grote invloed. De voorspelling zoals hij nu opgenomen is, is op basis van het beleid wat nu gevoerd. Devraag kan sterk veranderen als het beleid of wetgeving veranderd. Stel dat door wetsaanpassingen kinderopvang gratis of juist veel duurder wordt, dan zullen de cijfers sterk afwijken van de voorspelling en dienen deze dus aangepast te worden. De impact van gewijzigd beleid is niet alleen groot, maar kinderopvang is ook een veel besproken onderwerp binnen de politiek. Hoewel de voorspelling bij invoering van nieuw beleid herwogen wordt, is het door deze onzekerheid en de impact van het veranderende beleid moeilijk om hierbij een reële inschatting te maken van de lange termijn ontwikkeling.
Om tastbaar te maken wat de groei in vierkante meters in de praktijk betekent kan dit omgezet worden naar een groeipercentage. Hiermee kan, net als bij de andere onderwerpen, worden gekeken of deze vraag hoger of lager is ten opzichte van de verwachte bevolkingsgroei die verwacht is voor 2030 en 2040. Deze staat weergeven in figuur 5.4.
|
Onderwerp |
Vraaggroei 2025-2030 |
Inwonersgroei 2025-2030 |
Extra vraag 2030 |
Vraaggroei 2025-2040 |
Vraaggroei 2025-2040 |
Extra vraag 2040 |
|
Primair onderwijs |
6% |
3% |
3% |
11% |
10% |
2% |
|
Speciaal en speciaal voortgezet onderwijs |
4% |
3% |
1% |
10% |
10% |
2% |
|
Voortgezet onderwijs |
4% |
3% |
1% |
8% |
10% |
1% |
|
Kinderdagopvang |
0% |
3% |
-3% |
12% |
10% |
2% |
|
Peuteropvang met VE |
0% |
3% |
-3% |
12% |
10% |
2% |
|
BSO |
5% |
3% |
2% |
15% |
10% |
5% |
Hieruit blijkt dat de vraag naar alle categorieën die onder het thema onderwijs vallen ongeveer meegroeien met de verwachte bevolkingsgroei. De afwijkingen van de stijging van de vraag naar de voorzieningen ten opzichte van de verwachte bevolkingsgroei (3% voor 2030 en 10% voor 2040) wijken immers minder af dan de waardes die in dit stuk worden gebruikt voor een lichte groei en daling van de vraag. In andere woorden, deze zijn min of meer gelijk aan de stijging van de vraag die je zou verwachten bij de toename van het inwonersaantal.
5.2.3 Sport en bewegen
Voor sport en bewegen en de thema’s die na hierna volgen zijn de waarden vanuit het vooronderzoek als basis gebruikt, die aangepast worden op basis van de verwachte trends en ontwikkelingen richting 2030 en 2040. De eerste relevante trend voor de sportvoorzieningen is de vergrijzing. De verwachting is dus dat er een grotere oudere bevolking komt en juist een kleinere jongere bevolking. Dit betekent een daling van de vraag naar voorzieningen waar vooral jongeren gebruik maken, zoals Spothallen, gymzalen en sportzalen en buitensport velden. Wel kan deze vraagdaling deels worden opgevangen worden door in te spelen op aanbod voor ouderen. Voor sporten spelen en bewegen wordt ervanuit gegaan dat deze een bredere functie krijgen, waarbij niet alleen kinderen gebruik kunnen maken van de speelplaatsen, maar er ook ruimte is voor ontmoeten en bewegen voor volwassenen. Met oog op zwembaden is een neutraal saldo verwacht, gezien er minderen kinderen gebruik van maken, maar ouderen ook vaak gebruik maken van activiteiten die aangeboden worden in zwembaden.
Met oog op de toename van mentale en fysieke gezondheidsproblemen, die deels te verklaren zijn door de vergrijzing, maar ook een breder probleem in de samenleving betreft, is de uitwerking dubbel. Hierbij zou het een positieve impact op deze problemen kunnen hebben als zij meer gebruik maken van de sportvoorzieningen. Echter kunnen deze problemen er in de praktijk ook juist voor zorgen dat de drempel om gebruik te maken van deze voorzieningen hoger ligt, waardoor er juist minder gebruik van wordt gemaakt. Wat de invloed van deze trend is, is dus afhankelijk van de inzet vanuit verschillende betrokken partijen, zoals de landelijke overheid, zorgverzekeraars en de gemeente om deze mensen te motiveren om gebruik te maken van deze voorzieningen. Hier is voor nu vanuit gegaan dat deze voor alsnog negatief is.
Tot slot is er de verwachte toename van multiculturaliteit binnen Nederland, wat door de demografische samenstelling van Vlaardingen versterkt wordt. Er is bekend dat inwoners met een niet-Nederlandse achtergrond, minder gebruik maken van traditionele sport, zoals tennis, hockey en volleybal. Andersom komt er dus meer vraag in niet traditionele sporten, zoals boksen en padellen. Voetbal is hier overigens een uitzondering op. Ook gebruiken zij vaker informele vormen van sport en dus maken dus minder gebruik van sportvoorzieningen in verenigingsvorm. Het gevolg hiervan is dat zij dit minder gebruik maken van de reguliere sportvoorzieningen, zoals buitensportvelden en binnensportlocaties.
In figuur 5.5 zijn deze ruimtelijke gevolgen van de gecombineerde trends en ontwikkelingen te zien. De verwachting is dat toekomst de vraag naar sportvoorzieningen uitgedrukt in vierkante meters zal afnemen ten opzichte van de huidige situatie, met uitzondering van het zwembad/zwemwater en bewegen in de buitenruimte. Deze ontwikkeling heeft vooral betrekking op de wijze waarop sportvoorzieningen worden gebruikt. Er ontstaat namelijk meer behoefte aan kleinschalige en vaak informele sportgelegenheden, zoals voorzieningen in parken of compacte sporten als padel. Daardoor kan niet eenvoudig geconcludeerd worden dat er minder vraag naar sportvoorzieningen is, maar eerder dat de aard van de vraag verandert: van grootschalige, formele velden naar flexibeler, toegankelijker en meer multifunctionele plekken om te sporten en te bewegen. Dit is ook de reden dat, ondanks de afname van het aantal kinderen in de toekomst, er verwacht wordt dat de vraag naar sporten, spelen en bewegen in de openbare ruimte minimaal neutraal blijft of zelfs zal toenemen, afhankelijk van de beleidskeuzes die hieromheen gemaakt worden.
|
Onderwerp |
Verwachte trend |
Saldo extra vraag tot 2030 |
Extra Vraag 2030 |
Saldo extra vraag tot 2040 |
Extra Vraag 2040 |
||
|
Sporthallen |
daling |
-429m2 |
0 |
Locatie |
-1.232m2 |
-0,5 |
Locatie |
|
Gymzalen en sportzalen |
daling |
-125m2 |
0 |
Locatie |
-358m2 |
-0,5 |
Locatie |
|
Zwembaden |
Neutraal |
146m2 |
0 |
Locatie |
511m2 |
0 |
Locatie |
|
Sporten spelen bewegen |
Neutraal |
|
|
|
|
|
|
|
Buitensport velden |
Daling |
-9.009m2 |
-1,5 |
Veld |
-25.872m2 |
-4,5 |
Velden |
5.2.4 Welzijn
Binnen de welzijnsvoorzieningen speelt de verwachte vergrijzing een belangrijke rol. Ouderen vormen namelijk een grote en groeiende doelgroep van buurt- en wijkcentra en ontmoetingsplekken. Daarnaast maken zij een substantieel deel uit van de deelnemers aan dagbestedingsactiviteiten. Door de toename van het aantal ouderen als aandeel van de bevolking wordt verwacht dat de vraag naar deze voorzieningen verder zal stijgen.
De groei in het gebruik van buurtcentra, ontmoetingsplekken en dagbesteding wordt versterkt door een toename van zowel mentale als fysieke gezondheidsproblemen. Deze toename hangt deels samen met de vergrijzing, maar weerspiegelt ook een bredere trend in de samenleving waarin psychische klachten, eenzaamheid en leefstijl gerelateerde gezondheidsproblemen vaker voorkomen. Hierdoor groeit de groep mensen die als ‘kwetsbaar’ kan worden beschouwd.
Steeds meer van deze kwetsbare inwoners wonen bovendien zelfstandig thuis. Dit vergroot het belang van de verbindende en preventieve functie van buurtcentra en ontmoetingsplekken. Zij spelen een steeds crucialere rol in het versterken van sociale samenhang en het vroegtijdig signaleren van problemen in wijken waar de druk op sociale netwerken toeneemt. Kwetsbaarheid gaat daarnaast vaak samen met financiële problemen. Daardoor is de verwachting dat de vraag naar ondersteuning vanuit voorzieningen zoals de voedselbank en de kledingbank zal stijgen. Ook de maatschappelijke opvang kan een toenemende vraag verwachten, mede door de groei van het aantal mensen met complexe problemen of zonder stabiele woonsituatie.
Daarnaast neemt de multiculturaliteit binnen de gemeente toe. Deze toenemende diversiteit zorgt ook voor meer behoefte aan ontmoetingsplaatsen en buurt- en wijkcentra, waar inwoners met verschillende achtergronden elkaar kunnen ontmoeten. Deze plekken zijn van groot belang, als ze ontbreken, kan de groeiende culturele diversiteit tot spanningen leiden, terwijl ze anders juist mogelijkheden bieden om elkaar te ontmoeten en culturen met elkaar te verbinden.
Tot slot wordt verwacht dat de deelname aan scouting en vergelijkbare jeugdactiviteiten zal afnemen, eenvoudigweg doordat het aandeel kinderen in de bevolking afneemt als gevolg van de demografische vergrijzing.
Door de beperkte grootte van de voorzieningen binnen de welzijnscategorie lijkt de groei, zoals in figuur 5.6 te zien, nog mee te vallen. Echter dit betekent niet dat deze groei er niet is; sterker nog, door de procentuele benadering die aan is gehouden voor de berekening, is er een risico dat deze vraag relatief laag uitvalt. Wat duidelijk is, is dat er signalen zijn dat er extra behoefte is naar ontmoetingslocaties, dagbesteding en maatschappelijke opvang. Hoe aan deze exact vorm worden gegeven is afhankelijk van de beleidskeuzes die vanuit de gemeente nu en in de komende jaren gemaakt worden.
|
|
Verwachte trend |
Saldo extra vraag tot 2030 |
Vraag 2030 |
Saldo extra vraag tot 2040 |
Vraag 2040 |
||
|
Buurt- en wijkcentra |
Sterke stijging |
333m2 |
0,5 |
Locaties |
1.568m2 |
2 |
Locatie |
|
Ontmoetingsplekken |
Sterk stijging |
396m2 |
2 |
Locaties |
1.288m2 |
6,5 |
Locatie |
|
Dagbesteding |
Sterke stijging |
515m2 |
1,5 |
Locaties |
1.674m2 |
4 |
Locatie |
|
Maatschappelijke opvang |
Stijging |
155m2 |
5 |
Opvangplekken |
510m2 |
17 |
Per opvangplek |
|
Scouting |
Daling |
-702m2 |
0 |
Locaties |
-2.016m2 |
-0,5 |
Locatie |
|
Voedsel- en kledingbank |
Stijging |
42m2 |
0 |
Locaties |
137m2 |
0,5 |
Locatie |
5.2.5 Gezondheid
De trend met de grootste directe invloed binnen het thema gezondheid is de vergrijzing. Door de vergrijzing en de toename van mentale en fysieke problemen is de verwachting dat er meer druk komt op de voorzieningen binnen het gezondheidsdomein. Waarbij het zwaartepunt ligt bij de stijging van de vraag naar huisartsen, apotheken en verpleeghuizen. Deze zijn namelijk allen direct verbonden aan de toename van ouderen en de stijging van mentale en fysieke problemen, deze worden deels verzaakt worden door de grotere groep ouderen, denk hierbij aan de toename van het aantal mensen met alzheimer of lichamelijke beperkingen. Bij de verpleeghuizen is de vraag breder dan alleen de reguliere verpleeghuizen door de verschuiving naar het langer thuis wonen van ouderen. Hierdoor kan een deel van deze vraag opgevangen worden door levensloopbestendige woningen en ouderenzorgwoningen.
Echter wordt de vraag verder gevoed doordat er ook een toename is van fysieke en mentale klachten, en hierdoor ook de toename van de kwetsbare bevolking, onder de andere leeftijdsgroepen in Nederland, zoals genoemd in hoofdstuk 3 Voor fysiotherapeuten is een lichtere stijging verwacht ten opzichte van de reeds genoemde onderwerpen, gezien deze uiteraard ook wordt beïnvloed door eerder genoemde trends, maar de spreiding van het gebruik van fysiotherapie breder verdeeld is over alle bevolkingslagen. Daarnaast is de verwachting dat de vraag eerder negatief dan positief beïnvloed wordt door de toename van mentale problemen.
Tot slot is er voor de tandartsen en consultatiebureaus een neutrale trend verwacht. Door de vergrijzing en toename van gezondheidsproblemen is er enerzijds de verwachting dat er meer mensen gebruik maken van tandzorg, echter zijn er daardoor ook meer mensen met een kunstgebit. Voor de consultatiebureaus is de vraag neutraal ingeschat, omdat er enerzijds minder kinderen verwacht worden door de vergrijzing, maar anderzijds er wel meer kwetsbare mensen verwacht worden die sneller gebruik zullen maken van de voorziening.
Als het gaat om de veranderingen in vierkante meters, zoals die samengevat staan in figuur 5.7, geldt hetzelfde als voor de welzijnsvoorzieningen. Door het beperkte ruimtegebruik lijken de veranderingen in vraag niet altijd even groot. Echter heeft het niet voldoen aan deze vraag, zeker op het gebied van zorg, vaak directe gevolgen voor de gezondheid en welzijn van de bewoners. De beperkte grootte van de voorzieningen geeft echter ook kansen. Door deze beperkte grootte zijn deze voorzieningen makkelijker te plaatsen in de beperkte ruimte. Ook zijn zij hierdoor gemakkelijker samen te voegen, zoals in gezondheidscentra, waarmee efficiënt gebruik gemaakt kan worden van de ruimte.
|
Onderwerp |
Verwachte trend |
Saldo extra vraag tot 2030 |
Vraag 2030 |
Saldo extra vraag tot 2040 |
Vraag 2040 |
||
|
Huisartsen |
Sterke stijging |
446m2 |
1 |
fte |
2.100m2 |
12 |
fte |
|
Tandartsen |
Neutraal |
78m2 |
1 |
fte |
274m2 |
3 |
fte |
|
Apotheken |
Sterke stijging |
283m2 |
1,5 |
Locaties |
921m2 |
4 |
Locatie |
|
Fysiotherapeuten |
Stijging |
312m2 |
6 |
fte |
1.029m2 |
20,5 |
fte |
|
Consultatiebureaus |
Neutraal |
|
|
|
|
|
|
|
Verpleeghuizen |
Sterke stijging |
9.494m2 |
135,5 |
woonplekken |
30.880m2 |
441 |
woonplekken |
Eén voorziening die wel een grote ruimtevraag met zich meebrengt, is de behoefte aan verpleeghuizen. Hierbij wordt ook steeds vaker gebruik gemaakt van mengvormen, waarbij de ouderen bijvoorbeeld zelfstandig wonen, met in het gebouw de benodigde zorgvoorzieningen. Hierdoor kan een deel van deze vraag opgevangen worden door minder intensieve vormen van wonen voor ouderen, gezien de druk op de zorg.
5.2.6 Cultuur
Verschillende maatschappelijke ontwikkelingen hebben invloed op de rol en betekenis van culturele voorzieningen. Allereerst is ook hierbij invloed van de vergrijzing, waardoor de vraag naar activiteiten gericht op zingeving, ontmoeting en levenslang leren groeit. Ouderen zoeken vaker naar laagdrempelige plekken om actief te blijven en sociale contacten te onderhouden. Dit vindt vaak plaats in culturele centra en bibliotheken, waardoor dit leidt tot een verwachte extra vraag.
Daarnaast neemt de culturele diversiteit toe. Dit leidt enerzijds tot een rijker cultureel aanbod, maar deze toename van diversiteit kan ook zorgen voor minder sociale cohesie en grotere taalachterstanden. Hierdoor groeit de behoefte aan voorzieningen die integratie, taalontwikkeling en wederzijds begrip stimuleren. Bibliotheken en culturele centra spelen hierin een belangrijke rol door zich te ontwikkelen tot plekken waar mensen elkaar ontmoeten, de taal leren en elkaars cultuur beter leren kennen. Denk aan activiteiten zoals taal- en inburgeringsprogramma’s, interculturele workshops en ontmoetingsbijeenkomsten die bijdragen aan inclusie en maatschappelijke verbinding.
Een derde trend is de toename van de kwetsbare bevolking, mede door armoede, leerachterstanden en ongelijke kansen. Voor deze groepen zijn toegankelijke plekken belangrijk waar ondersteuning, kennisdeling en ontmoeting samenkomen.
Tot slot is er meer aandacht voor mentale gezondheid. Eenzaamheid en prestatiedruk zorgen voor een groeiende vraag naar veilige, sociale omgevingen waar mensen zich kunnen ontspannen, verbinden en ontwikkelen. Echter is er soms nog wel een drempel om aan deze activiteiten te kunnen deelnemen. Hierom hangt het effect van deze ontwikkeling sterk samen met het vermogen om deze groep te kunnen activeren om mee te doen aan deze activiteiten.
|
Onderwerp |
Verwachte trend |
Saldo extra vraag tot 2030 |
Vraag 2030 |
Saldo extra vraag tot 2040 |
Vraag 2040 |
||
|
Bibliotheek |
Sterke stijging |
293m2 |
0,5 |
Locaties |
953m2 |
1,5 |
Locatie |
|
Cultureel centrum |
Stijging |
712m2 |
0 |
Locaties |
2.344m2 |
1 |
Locatie |
Deze trends zorgen samen voor een verschuiving in de functie van bibliotheken en culturele centra. Bibliotheken ontwikkelen zich steeds meer tot brede kennis- en ontmoetingscentra, met aandacht voor taal, educatie, welzijn en cultuur. Ze spelen een belangrijke rol in integratie en participatie, bijvoorbeeld via taalprogramma’s, inburgeringsactiviteiten en ontmoetingsprojecten. Ook buurt- en cultuurcentra versterken hun functie als verbindende plekken tussen generaties en culturen. Door de verschuiving van deze rollen en de meer maatschappelijke en verbindende functie die ze in de maatschappij gaan vervullen is de verwachting dat de vraag naar culturele en bibliotheken zal groeien, zoals te zien in figuur 5.8. Hierbij is een sterkere groei verwacht voor bibliotheken door de bredere toegankelijkheid onder de gehele bevolking, waar culturele centra vaak meer gericht zijn op kinderen of ouderen.
5.2.7 Gezamenlijke resultaat: op basis van trends
Op basis van de verwachte veranderingen in de ruimtevraag kan een schets gemaakt worden van de totale ruimtevraag voor maatschappelijke voorzieningen. In figuur 5.9 worden de nieuwe totalen getoond van de verwachte vraag in 2030 en 2040 op basis van de bijstellingen zoals besproken in 5.2. De meer gedetailleerde tabellen die de groei per deelonderwerp tonen zijn bijgevoegd als 9.
|
|
2025 |
2030 |
2040 |
|
Onderwijs |
113.942m2 |
118.612m2 |
126.693m2 |
|
Sport |
383.229m2 |
355.563m2 |
298.066m2 |
|
Welzijn |
88.875m2 |
99.191m2 |
123.762m2 |
|
Gezondheid |
41.657m2 |
42.174m2 |
44583m2 |
|
Cultuur |
11.488m2 |
12.493m2 |
14786m2 |
|
Totaal |
639.192m2 |
628.034m2 |
607.889m2 |
Uit dit tabel lijkt de gehele vraag richting 2040 te dalen. De vraag is of dit ook daadwerkelijk zo is. De daling wordt nagenoeg geheel veroorzaakt door de daling in buitensportvelden. Doordat deze verreweg de grootste ruimtevragers zijn, met ongeveer 50% van de totale ruimtevraag voor alle voorzieningen, hebben relatief kleine veranderingen in de verwachte vraag een grote invloed op het totaal. Hierdoor kan een grove een schatting gebaseerd die gebaseerd is op procentuele veranderingen een vertekend beeld geven. Om de gevolgen van deze onzekerheid te beperken is er in figuur 5.10 een totaal te zien waarbij de sportvelden niet opgenomen zijn.
|
|
2025 |
2030 |
2040 |
|
Onderwijs |
113.942m2 |
118.612m2 |
126.693m2 |
|
Sport |
27.489m2 |
27.081m2 |
26.410m2 |
|
Welzijn |
88.875m2 |
99.191m2 |
123.762m2 |
|
Gezondheid |
41.657m2 |
42.174m2 |
44.583m2 |
|
Cultuur |
11.488m2 |
12.493m2 |
14.786m2 |
|
Totaal |
283.452m2 |
299.552m2 |
336.233m2 |
Hierbij zie je een patroon dat beter aansluit op het beeld van de alsmaar groeiende stad. Waarbij de vraag naar voorzieningen met 5% voor 2030 en 16% richting 2040 groeit. Dit is een hogere groei dan de verwachte stijging van het aantal inwoners van 3% in 2030 en 10% in 2040. Echter is dit in lijn met de groeiende behoefte aan deze voorzieningen op basis van de eerder besproken trends.
5.2.8 Nieuwe referentiewaarden voor 2030 en 2040
Als onderdeel van het thematisch omgevingsprogramma zijn de referentiewaarden opgesteld, mede omwille van de afweging van de noodzaak en wenselijkheid van nieuwe initiatieven en om een beeld te geven van de gewenste inbreng aan nieuwe projecten aan maatschappelijke voorzieningen, zoals verderop in dit stuk nog besproken wordt. Echter om de referentiewaarde actueel te houden als vergelijkingsmateriaal, kan dit ook bijgesteld worden. Hiermee kan een realistische inschatting gemaakt worden voor projecten die allicht op langere termijn spelen. Deze nieuwe waarden staan benoemd in figuur 5.11. Voor onderwijs is hier de vraag per 1.000 inwoners aangehouden, gezien hier de grootste veranderingen in plaatsvinden én dit gebruikt kan worden voor de totale ruimtevraag.
|
Thema |
Onderwerp |
Huidige vraag per 1.000 inwoners |
Vraag per 1.000 inwoners 2030 |
Vraag per 1.000 inwoners 2040 |
|
Onderwijs |
Primair onderwijs |
465 m2 |
480m2 |
475m2 |
|
Speciaal onderwijs |
52m2 |
53m2 |
53m2 |
|
|
Voortgezet onderwijs |
419m2 |
427m2 |
417m2 |
|
|
Kinderdagopvang |
227m2 |
221m2 |
232m2 |
|
|
Peuteropvang met VE |
73m2 |
71m2 |
74m2 |
|
|
BSO |
243m2 |
248m2 |
257m2 |
|
|
Sport |
Sporthallen |
220m2 |
214m2 |
187m2 |
|
Gymzalen en sportzalen |
64m2 |
62m2 |
54,4m2 |
|
|
Zwembaden |
73m2 |
75m2 |
73m2 |
|
|
Buitensport velden |
4620m2 |
4503m2 |
3927m2 |
|
|
Gezondheid |
Huisartsen |
75m2 |
77m2 |
90m2 |
|
Tandartsen |
39,1m2 |
40m2 |
39,1m2 |
|
|
Apotheken |
28,6m2 |
32m2 |
37,18m2 |
|
|
Fysiotherapeuten |
52,5m2 |
57m2 |
60,375m2 |
|
|
Consultatiebureaus |
|
|
|
|
|
Verpleeghuizen |
959m2 |
1082m2 |
1246,7m2 |
|
|
Welzijn |
Buurt- en wijkcentra |
56m2 |
57m2 |
67,2m2 |
|
Ontmoetingsplekken |
40m2 |
45m2 |
52m2 |
|
|
Dagbesteding |
52m2 |
59m2 |
67,6m2 |
|
|
Maatschappelijke opvang |
26m2 |
28m2 |
29,9m2 |
|
|
Scouting |
360m2 |
351m2 |
306m2 |
|
|
Voedsel- en kledingbank |
7m2 |
8m2 |
8,05m2 |
|
|
Cultuur |
Bibliotheek |
29,6m2 |
33m2 |
38,48m2 |
|
Cultureel centrum |
119,6m2 |
129m2 |
137,54m2 |
6 Beleidsopgaven en koers
6.1 Van analyse naar kernopgaven
De groei van Vlaardingen en de veranderingen in de samenleving zorgen voor een toenemende druk op de beschikbare maatschappelijke voorzieningen. Uit de voorgaande hoofdstukken komt naar voren dat in meerdere thema’s sprake is van druk op het huidige aanbod en dat de vraag naar bepaalde functies naar verwachting zal toenemen. Deze inzichten vormen het vertrekpunt voor de verdere uitwerking in dit hoofdstuk.
Dit hoofdstuk benoemt de belangrijkste opgaven die hieruit voortkomen en laat zien hoe deze samenhangen met de verschillende rollen die de gemeente heeft, variërend van sturend tot faciliterend. Op basis hiervan worden beleidskeuzes geformuleerd die richting geven aan het omgaan met de ruimtevraag, waarbij efficiënt gebruik van ruimte, goede spreiding van voorzieningen en flexibiliteit centraal staan. Zo wordt een toekomstbestendige koers neergezet voor een evenwichtige en leefbare stad richting 2030 en 2040.
Voordat kan worden bepaald waar de prioriteiten voor de komende jaren liggen, is het nodig om stil te staan bij wat de huidige analyses laten zien. In deze paragraaf worden daarom de belangrijkste signalen uit de inventarisatie samengebracht, als basis voor de kernopgaven en beleidskeuzes die in de rest van dit hoofdstuk worden uitgewerkt.
6.2 Kernopgaven en focus thema’s
6.2.1 Kernopgaven op basis van huidige tekorten
Uit de inventarisatie van hoofdstuk 4 blijkt dat er momenteel grote tekorten zijn qua zwemwater ten opzichte van de vraag die uit de referentiewaarden volgden, deze zijn ter beeldvorming te zien in figuur 6.1. Voor beiden geldt dat de vraag volgens de referentiewaarden nagenoeg het dubbele is ten opzichte van het huidige aanbod. Nu is de kanttekening dat bij zwembaden het zwemwater leidend is voor het tekort; bij deze vergelijking is er echter nog steeds een tekort van ongeveer 50% ten opzichte van het huidige aanbod. Bij de maatschappelijke opvang is een belangrijke kanttekening te maken. Hier zijn, zoals in 4.3 genoemd, alle vormen voor opvang opgenomen, ook degene die allicht niet het hele jaar beschikbar moeten zijn en in perioden voor andere activiteiten gebruikt zouden kunnen worden. Dit gezegd hebbende, zelfs al zou dit minder worden meegewogen, dan is net als bij de zwembaden, nog steeds duidelijk dat er momenteel grote tekorten zijn.
Er zijn ook tekorten gevonden voor de verpleeghuizen en de bibliotheken binnen de huidige situatie. Hoewel deze verschillen duidelijke kleiner zijn dan bij de zwembaden en de maatschappelijke opvang, kan het als signaal dienen om hier meer aandacht aan te geven.
|
|
Onderwerp |
Huidige vraag obv referentiewaarden |
Huidig aanbod |
% tekort |
|
Sport |
Zwembaden |
6.930m2 |
3150m2 |
120% |
|
Zwemwater |
1.250m2 |
838m2 |
49% |
|
|
Welzijn |
Maatschappelijke opvang |
2.002m2 |
1.020m2
|
96% |
|
Gezondheid |
Verpleeghuizen |
73.843m2 |
63.560m2 |
16% |
|
Cultuur |
Bibliotheken |
2.279m2 |
1.850m2 |
23% |
6.2.2 Kernopgaven op basis van verwachte ontwikkelingen
Aansluitend aan de huidige onderwerpen waar tekorten van zijn, is er verdere analyse gedaan op waar er op basis van de trends en ontwikkelingen grote(re) tekorten verwachten worden. Dat wil zeggen dat de vraag naar deze voorzieningen veel sterker toeneemt dan verwacht op basis van de bevolkingsgroei van de stad. Op basis van de analyse van de grootste en meest relevante trends, zoals besproken in hoofdstuk 3.2 en 3.4, komen er een aantal onderwerpen naar voren waar de verwachte (relatieve) stijging van de vraag het grootst is, deze zijn te zien in figuur 6.2. Allereerst zijn dit veel van de voorzieningen binnen het thema zorg, hoofdzakelijk als gevolg van de vergrijzing, maar versterkt door de toename mentale een fysieke problemen, ook buiten deze groep. Hierin kwam een sterke verwachte stijging van de vraag naar huisartsen, apotheken en verpleeghuizen terug. Als direct gevolg van de zojuist genoemde trends is ook een sterke groei verwacht naar de behoefte aan dagbesteding.
De rest van de sterkste stijgingen spelen een rol in het behouden en verbeteren van de sociale cohesie van buurten en wijken door het organiseren van activiteiten en het bij elkaar brengen van bewoners. Ook gaan deze voorzieningen een steeds grotere maatschappelijke rol spelen door in te zetten op preventie in het breedste zin van het woord; of het nu gaat om taalcursussen om te voorkomen dat men achteropraakt in de samenleving tot het organiseren van een wandelavond voor ouderen. De voorzieningen die hier een centrale rol in hebben, en waar dus een sterke vraagstijging voor verwacht is, zijn buurt- en wijkcentra, ontmoetingsplekken en bibliotheken.

6.2.3 Conclusies
Op basis van 6.1.1 en 6.1.2 komen in totaal 11 verschillende onderwerpen naar voren die extra aandacht vergen. Deze staan geordend weergegeven in figuur 6.2. De onderwerpen die zowel worden genoemd bij de huidige tekorten, als bij de (sterke) verwachte stijgingen van de vraag in de toekomst zijn de onderwerpen waar de meeste aandacht nodig is om te voorkomen dat de bestaande tekorten nog meer toenemen. Tegelijkertijd blijven de andere thema’s zoals die met alleen een huidig tekort of die vooral door trends lijken te stijgen niet minder belangrijk. Ook zij vragen blijvende aandacht om te voorkomen dat hier tekorten ontstaan. De vraag naar veel van deze onderwerpen groeit immers ook door de verwachte bevolkingsgroei, alleen minder snel dan de genoemde kernopgaven.

Veel van de onderwerpen zoals genoemd in figuur 6.3 staan ook centraal wanneer er gekeken wordt naar de grootste ruimtevragers richting 2030. Deze staan weergeven in figuur 6.4. Hierbij is wel de kanttekening die in 5.2.5 al even kort genoemd werd aan de orde. In de tabel wordt verondersteld dat de gemeente geen nieuwe ontwikkelingen realiseert tot en met 2030. Dit is uiteraard niet de werkelijkheid, maar het biedt hiermee een duidelijk en objectieve meetstandaard waartegen deze nieuwe ontwikkelingen kunnen worden afgezet. Er zijn bijvoorbeeld verscheidene plannen voor nieuwe onderwijslocaties en ligt er een plan voor een nieuw zwembad.
|
Onderwerp |
Totaal tekort 2030 |
|
Verpleeghuizen |
19.777m2 |
|
Zwembaden |
3.780m2 |
|
Primair onderwijs |
2115m2 |
|
Voortgezet onderwijs |
1449m2 |
|
Maatschappelijke opvang |
1.097m2 |
|
Bibliotheek |
722m2 |
|
Huisartsen |
675m2 |
|
Dagbesteding |
515m2 |
|
Buurt- en wijkcentra |
487m2 |
|
Ontmoetingsplekken |
396m2 |
De vraagstijging van de maatschappelijke functies is niet de enige factor die bepalend is bij de sturingsvraag en -mogelijkheden van de gemeente. De mate van sturing door de gemeente is namelijk niet bij ieder onderwerp even groot, zoals in 3.3.3 al besproken is. De mogelijkheden van een gemeente om in te grijpen bij onderwerpen, waar de gemeente direct verantwoordelijk voor is, is veel groter dan voor functies die hoofdzakelijk vanuit andere bronnen worden gefinancierd en gestuurd. Hierom is het belangrijk om de relatie tussen de gemeente en deze voorzieningen met oog op de beleidskeuzes en sturingsmogelijkheden nogmaals kort te duiden.
Grofweg zijn er drie rollen, allereerst zijn er directe wettelijke uitvoeringsplichtige voorzieningen. Hier zijn harde normen opgenomen waar de gemeente aan moet voldoen, maar de gemeente is wel vrij om deze binnen deze kaders vorm te geven. Er is dus wel enige vrijheid om er als gemeente eigen invulling aan te geven, maar er is wel toezicht en regelgeving aan verbonden. Deze taken worden vaak uitgevoerd door partners van de gemeente.
Ook bij functies onder de beleidsmatige verantwoordelijkheid, worden meestal uitgevoerd door partners van de gemeente. Echter heeft de gemeente meer ruimte in de vormgeving en uitvoering van dit beleid ten opzichte van de directe wettelijke taken. Hierdoor is er meer ruimte voor de gemeente om bij te sturen en dit beleid te vormen naar de behoeften van de stad.
Tot slot zijn er de voorzieningen, waarbij de gemeente alleen een indirecte verantwoordelijkheid voor draagt. Deze voorzieningen worden ofwel commercieel uitgevoerd, ofwel beheerd door andere organisaties, zoals dit bij het merendeel van de zorgorganisaties aan de orde is. Ontmoetingsplekken zijn vaak informeler en hebben vaak de vorm van een gemeenschappelijke ruimte in een gebouw of straat die eigendom is van bijvoorbeeld een woningcorporatie. Hierdoor vallen zij in de regel onder de faciliterende rol, hoewel er in sommige gevallen wel sprake is van een subsidierelatie.
De onderverdeling van de verwachte tekorten en de vraagstijging staan tegen elkaar afgezet in figuur 6.4. Hoe donkerder de kleur van de categorie in de tabel, des te hoger de potentie is voor de impact van de te maken beleidskeuzes in hoofdstuk 6.2.
|
|
|
Huidig tekort |
Huidig tekort en stijging verwacht |
Sterke stijging verwacht |
Huidig tekort en sterke stijging |
|
|
Middelhoge druk |
Hoge druk |
Hoge druk |
Zeer Hoge druk |
|
|
Geen directe betrokkenheid |
Kleine invloed gemeente |
|
|
Huisartsen Ontmoetingsplekken Apotheken |
Verpleeghuizen
|
|
Directe wettelijke Verantwoordelijkheid |
Middelgrote invloed gemeente |
|
Maatschappelijke opvang
|
Dagbesteding
|
Bibliotheken
|
|
Beleidsmatige verantwoordelijkheid |
Grote invloed gemeente |
Zwembad/ Zwemwater |
|
Buurt- en wijkcentra
|
|
6.3 Beleidskeuzes
6.3.1 beleidskeuzes volgend uit de totale ruimtevraag
De referentiewaarden geven, op basis van de verwachte groei in 2030 en 2040, een duidelijke indicatie van de ruimtevraag die ontstaat wanneer deze groei zich voltrekt. Ze vormen daarmee een eerste bouwsteen voor het waarborgen van voldoende maatschappelijke voorzieningen en het behouden van de leefbaarheid in een stad met beperkte fysieke ruimte. De uitkomsten dienen als richtlijn waar de gemeente zich de komende jaren op richt om deze ontwikkeling mogelijk te maken.
Verankering van de referentiewaardes
Allereerst is het belangrijk om de referentiewaarden stevig te verankeren, zowel binnen als buiten de gemeentelijke organisatie. Deze verankering is belangrijk om de referentiewaarden echt effectief te maken. Alleen als de gemeente, haar partners en ontwikkelende partijen deze waarden gezamenlijk gebruiken bij het plannen en beoordelen van nieuwe initiatieven, kunnen de verwachte voorzieningen ook daadwerkelijk worden gerealiseerd. Zo dragen de referentiewaarden concreet bij aan het succes van het thematisch omgevingsprogramma en aan een samenhangende ontwikkeling van de stad. Om deze verankering tot stand te zetten worden daarom, zoals in 6.4 verder toegelicht wordt, in 2026 verschillende stappen genomen.
Inzetten op efficiënter ruimtegebruik
Zoals in de introductie net benoemd, wordt de beschikbare ruimte, onder druk van de bevolkingsgroei, steeds schaarser. Daarom ligt er een belangrijke opgave in het optimaal benutten van de schaarse ruimte in de stad, ook voor maatschappelijke voorzieningen. Vanuit dit oogpunt wordt er ingezet op het efficiënter benutten van de ruimte. Bij gemeentelijke (her)ontwikkelingen wordt er allereerst ingezet op clustering en multifunctioneel gebruik van voorzieningen. Een voorbeeld van clustering is de ontwikkeling van een integraal kindcentrum, waarin bijvoorbeeld een basisschool en een buitenschoolse opvang zijn ondergebracht. Bij multifunctioneel gebruik ligt de focus op het zoveel mogelijk gebruik maken van bestaande ruimtes op verschillende dagdelen. Ook wordt er gestreefd naar flexibel inzetbare ruimtes die niet alleen voor multifunctioneel gebruik inzetbaar zijn, maar waarmee ook ingespeeld kan worden op veranderend ruimtegebruik op langere termijn.
Ook binnen de bestaande gemeentelijke gebouwen kan de benutting worden verbeterd, bijvoorbeeld door ruimtes die op dagen of dagdelen leegstaan te delen met andere organisaties. Er ligt hiermee de taak om dit streven naar efficiënter gebruik van de ruimte verder vorm te geven in het inhoudelijke, uitvoerende beleid van de betrokken deelonderwerpen. Voor plannen die niet worden ontwikkeld door de gemeente, wordt multifunctioneel gebruik van ruimtes, waar mogelijk en gewenst, ook actief aangemoedigd.
Het opstellen van bijpassend verhuur- of accommodatiebeleid kan hierbij ondersteunen, doordat hiermee duidelijk wordt onder welke voorwaarden ruimtes gedeeld of verhuurd kunnen worden en hoe dit bijdraagt aan een optimale benutting.
Goede spreiding van voorzieningen
Een evenwichtige spreiding van maatschappelijke voorzieningen over de stad is essentieel om voor alle inwoners een goede bereikbaarheid en leefbaarheid te waarborgen. De referentiewaarden bieden hiervoor een eerste basis door inzicht te geven in de verhouding tussen bevolkingsgroei en benodigde voorzieningen. Daarnaast bieden de kaartbeelden vormen een eerste inzicht in de spreiding van voorzieningen.
Tegelijkertijd is voor een betrouwbaar beeld van de daadwerkelijke spreiding en benutting van voorzieningen meer gebiedsgerichte kennis nodig. De gemeente kiest er daarom voor om in 2026 een verdiepingsslag uit te voeren waarin de huidige spreiding van voorzieningen wordt geanalyseerd en getoetst aan de lokale context en bevolkingsontwikkeling.
De uitkomsten van deze analyse worden vervolgens verweven met de gebiedsgerichte omgevingsprogramma’s die worden opgesteld. Op die manier kan per gebied worden bepaald waar tekorten of kansen liggen en welke inzet nodig is om een evenwichtige spreiding richting 2030 en 2040 te realiseren. Ook kan dit als onderbouwing dienen bij de beoordeling en sturing van ingediende of te realiseren initiatieven.
Belang van flexibiliteit
De referentiewaarden bieden richting bij de programmering en spreiding van maatschappelijke voorzieningen, maar worden niet als rigide norm gehanteerd. De gemeente kiest ervoor om ruimte te behouden om hiervan af te wijken wanneer de lokale context of demografische ontwikkeling daartoe aanleiding geeft.
Deze flexibiliteit is belangrijk om maatwerk te kunnen leveren in situaties waarin de feitelijke behoefte afwijkt van het gemiddelde. Dat kan zich voordoen bij specifieke gebiedsontwikkelingen, bijvoorbeeld wanneer een wijk vooral seniorenwoningen omvat dan ontbreekt de behoefte aan een basisschool en is een zorgfunctie logischer.
Door deze afwegingsruimte te behouden kan de gemeente inspelen op actuele ontwikkelingen, zonder dat de samenhang of het evenwicht in het voorzieningenaanbod in de stad uit het oog raakt.
6.3.2 Beleidskeuzes volgend uit de kernopgaven
In hoofdstuk 6.2 zijn een aantal kernopgaven genoemd: voorzieningen waar op dit moment sprake is van een tekort of waar de vraag naar verwachting de komende jaren sterk zal toenemen. De aard van deze opgaven verschilt per voorziening en hangt samen met de rol die de gemeente inneemt: sturend via partners, richtinggevend via beleid, of faciliterend in samenwerking met externe partijen. Door deze verschillen vraagt iedere categorie om een eigen benadering.
De mate van invloed en beleidsvrijheid verschilt per rol. Bij beleidsmatige richting en inzet heeft de gemeente de grootste vrijheid, omdat zij hier haar eigen beleid bepaalt en strategische keuzes maakt over de gewenste ontwikkeling van de stad. Bij sturing via partners is de ruimte beperkter: dit betreft veelal wettelijke- of uitvoeringstaken die de gemeente moet vervullen, maar die in de praktijk worden uitgevoerd via maatschappelijke organisaties of andere partners. In een faciliterende rol heeft de gemeente de minste directe zeggenschap; zij creëert dan vooral de randvoorwaarden waarbinnen anderen maatschappelijke initiatieven kunnen realiseren.
Deze differentiatie zorgt ervoor dat de gemeentelijke inzet aansluit bij de aard van de opgave, de beschikbare instrumenten en de mate van juridische verantwoordelijkheid. Daarbij geldt dat de gemeente zich in dit hoofdstuk richt op de thema’s waar de druk en urgentie het grootst zijn. Tegelijkertijd blijft de gemeente ook aandacht houden voor voorzieningen waar op dit moment geen direct tekort of sterke groei speelt. Deze blijven onderdeel van het reguliere beleid en beheer, waarbij ontwikkelingen worden gevolgd en waar nodig wordt bijgestuurd. De gemeente volgt deze ontwikkelingen nauwlettend en kan, wanneer maatschappelijke trends of demografische veranderingen daar aanleiding toe geven, haar rol aanpassen. Hier speelt de jaarlijkse monitoring, zoals hij in hoofdstuk 9 benoemd zal worden, dus ook een grote rol in.
Hoewel de invloed van de gemeente dus verschilt per rol, blijft het van groot belang om binnen iedere positie te doen wat mogelijk is. Juist door de beschikbare instrumenten doelgericht in te zetten, kan de gemeente, ook daar waar haar sturingsruimte beperkt is, een groot verschil maken voor de ontwikkeling en toekomstbestendigheid van de voorzieningen en hiermee de leefbaarheid van Vlaardingen.
Faciliterende rol
Bij voorzieningen waar de gemeente een faciliterende rol heeft, zoals verpleeghuizen, huisartsen, en ontmoetingsplekken, staat het ondersteunen van initiatieven van externe partijen centraal. De vraag naar dit soort voorzieningen groeit sterk door vergrijzing, wijkvernieuwing en de toenemende behoefte aan zorg en ontmoeting dichtbij huis. Omdat de gemeente hier geen directe uitvoerende rol heeft, richt zij zich op het scheppen van gunstige randvoorwaarden voor maatschappelijke, private en lokale partijen die hierin actief zijn.
Binnen deze rol stimuleert de gemeente de samenwerking en afstemming tussen uiteenlopende betrokkenen, variërend van professionele organisaties tot bewonersinitiatieven, verenigingen en maatschappelijke partners. Het doel is om toekomstige ruimtebehoeften vroegtijdig te signaleren en initiatieven de kans te geven zich te ontwikkelen waar ze het meeste maatschappelijke waarde toevoegen.
Daarnaast werkt de gemeente aan het behouden van planologische flexibiliteit in nieuwe ontwikkelingen, zodat maatschappelijke functies kunnen worden gerealiseerd waar dat het meest nodig is. Door initiatieven actief te ondersteunen met kennis, procesbegeleiding en beleidsmatige helderheid, blijft de gemeente faciliterend maar tegelijkertijd proactief in het mogelijk maken van maatschappelijke ontwikkelingen. Op die manier draagt zij bij aan het beperken van tekorten en het versterken van de lokale zorg- en ontmoetingsstructuur.
Sturing via partners
Bij voorzieningen waar de gemeente via partners vorm aan geeft, gaat het om wettelijke taken waarvoor de gemeente verantwoordelijk is en beleidsmatige verplichtingen, die in de praktijk grotendeels worden uitgevoerd door partnerorganisaties. Deze uitvoering vindt plaats binnen de kaders van gemeentelijke verordeningen, beleidsregels en subsidiekaders. De gemeente is voor een deel van deze taken ook direct betrokken bij de huisvesting van deze activiteiten.
Bij de onderwerpen die in de vorige alinea genoemd zijn staat er druk op deze voorzieningen nu of in de toekomst. In deze context kiest de gemeente voor een verbindende en regisserende benadering, gericht op het versterken van de samenwerking tussen partners, het verbeteren van de spreiding van voorzieningen en het borgen van de continuïteit van het aanbod.
De gemeentelijke inzet richt zich op het structureel verbeteren van inzicht en samenhang in de bestaande voorzieningenstructuur. Dit gebeurt door de huidige en toekomstige vraag en capaciteit te inventariseren, de inzet van partners beter op stedelijk niveau af te stemmen en de verwachte opgaven te koppelen aan toekomstige gebiedsgerichte omgevingsprogramma’s. Op die manier ontstaat een actueel en gebiedsgericht beeld dat richting geeft aan latere beleidskeuzes en ruimtelijke besluiten.
Naast beleidsmatige instrumenten beschikt de gemeente binnen deze rol ook over planologische en juridische middelen. Zo kan zij via het omgevingsplan ruimte reserveren of creëren voor maatschappelijke functies, en via het intaketraject of de omgevingstafel beoordelen of nieuwe initiatieven aansluiten bij het geldende beleid. Indien nodig kan de gemeente bovendien een actiever grondbeleid voeren, bijvoorbeeld door locaties te verwerven, herontwikkelingen te initiëren of afspraken te maken over maatschappelijke invullingen binnen bredere gebiedsontwikkelingen. Deze instrumenten stellen de gemeente in staat om, binnen haar wettelijke bevoegdheden, ruimtelijke en maatschappelijke belangen op elkaar af te stemmen en ontwikkelingen te sturen waar dat nodig is.
De mogelijke noodzaak om deze inzet te intensiveren, bijvoorbeeld door extra middelen, personele capaciteit of samenwerkingsafspraken, wordt nader uitgewerkt in de uitvoeringsgerichte beleidsdocumenten per subthema. Daarin wordt per voorzieningstype bepaald of, en op welke wijze, aanvullende maatregelen of investeringen wenselijk zijn. Op deze manier blijft de strategische koers op stedelijk niveau helder, terwijl de concrete uitwerking zorgvuldig plaatsvindt binnen de daarvoor bestemde programma’s en uitvoeringskaders.
Tot slot
Voorzieningen waar op dit moment geen direct tekort of sterke groeidruk bestaat, blijven onderdeel van de reguliere beleids- en beheerinzet. De gemeente volgt de ontwikkelingen nauwlettend en kan, wanneer trends of demografische veranderingen daar aanleiding toe geven, haar rol tijdig aanpassen.
Door de combinatie van de richtinggevende, sturende en faciliterende rol benut de gemeente haar instrumenten doelgericht. Zo blijft de voorzieningenstructuur van Vlaardingen in balans met de groei, samenstelling en maatschappelijke behoeften van de stad richting 2030 en 2040.
6.4 Rol bij afwegingsmomenten
6.4.1 Functie als beslissingsondersteunend instrument
Het thematisch omgevingsprogramma maatschappelijke voorzieningen heeft een rol als hulpmiddel bij het beoordelen en ontwikkelen van initiatieven. Het biedt inzicht in de gevolgen van bevolkingsgroei en maatschappelijke trends voor de vraag naar voorzieningen, en helpt om deze aspecten mee te wegen bij nieuwe plannen en initiatieven.
Voor initiatiefnemers en ontwikkelende partijen maakt het document inzichtelijk waar de vraag naar maatschappelijke functies toeneemt en welke typen voorzieningen kansrijk kunnen zijn. Daarbij geldt dat de referentiewaarden zoals deze nu opgesteld zijn, nog geen directe vertaling zijn naar specifieke locaties, maar een onderbouwing vormt waarop in de praktijk waar nodig gemotiveerd van kan worden afgeweken. De uiteindelijke beoordeling hiervan vindt plaats in samenhang met ruimtelijke, beleidsmatige en maatschappelijke factoren, zoals de geschiktheid van een locatie, de aanwezige voorzieningen in de omgeving en de verwachte gebiedsontwikkeling. De vaststelling van dit omgevingsprogramma biedt daarnaast de basis voor een bijdrage aan de realisatie van maatschappelijke voorzieningen vanuit de initiatiefnemers op basis van de in 5.2.8 genoemde referentiewaarden.
Voor de gemeente zelf fungeert het programma als beslissingsondersteunend instrument bij ruimtelijke keuzes, investeringsafwegingen en vergunningverlening. Het draagt bij aan consistentie, transparantie en een gedeeld vertrekpunt in de gesprekken met initiatiefnemers, ontwikkelaars en maatschappelijke organisaties.
De waarden zoals deze in deze versie van het thematisch omgevingsprogramma maatschappelijke voorzieningen zijn opgenomen vormen tevens de basis voor verdere uitwerking in 2026. Hierin zal een verdere verdiepingsslag worden uitgevoerd, zodat ook op wijkniveau duidelijk wordt waar de behoeften liggen, zodat toekomstige zodat toekomstige keuzes over locaties nog beter kunnen worden afgestemd op de ruimtelijke en demografische context. Op die manier blijft het handboek actueel en vormt het tevens een belangrijke bouwsteen voor de in de toekomst op te stelleen gebiedsgerichte omgevingsprogramma’s.
6.4.2 Proces en afwegingsmomenten van initiatieven
Rol bij afwegingsmomenten
De ontwikkeling van maatschappelijke voorzieningen vraagt om zorgvuldige afwegingen tussen beleid, ruimte en maatschappelijke behoefte. De gemeente Vlaardingen beoordeelt initiatieven daarom op vaste momenten in het proces. Deze afwegingsmomenten zorgen voor duidelijkheid, transparantie en een zorgvuldig samenspel tussen initiatiefnemers, partners en de gemeente.
Het thematisch Omgevingsprogramma Maatschappelijke Voorzieningen vormt hierbij een belangrijk hulpmiddel. Het biedt inzicht in de behoefte aan voorzieningen en ondersteunt de gemeente bij de beoordeling van initiatieven, zodat plannen aansluiten bij de stedelijke ambities en maatschappelijke behoeften.

In figuur 6.5 staan een aantal stappen weergegeven die tonen hoe de gemeente in de praktijk met initiatieven omgaat. Dit stappenplan is bedoeld als leidraad voor initiatiefnemers en geeft inzicht in het gebruik van de verschillende procesmomenten, waaronder de Intaketafel en Omgevingstafel, zoals deze ook binnen de gemeentelijke werkwijze onder de Omgevingswet worden toegepast.
Deze werkwijze geldt overigens niet voor alle initiatieven, maar met name voor plannen die niet passen binnen het geldende omgevingsplan, die een grotere ruimtelijke of maatschappelijke impact hebben, of waarbij afstemming tussen meerdere partijen nodig is.
Een formele toelichting op de gemeentelijke werkwijze is te vinden op de website van de gemeente Vlaardingen, onder “bouwen” à “Wegwijzer: Bouwen en ontwikkelen” à “ik heb een initiatief voor een groter bouwproject”.
1. Oriëntatie en vooroverleg
In de oriëntatiefase onderzoekt de initiatiefnemer of een plan past binnen het gemeentelijk beleid en de bestaande omgeving. Dit is de fase waarin ideeën nog openliggen en richting kan worden gegeven aan de verdere uitwerking. De gemeente denkt in dit stadium mee over de uitgangspunten, geeft aan welke beleids- en ruimtelijke kaders van toepassing zijn en verwijst naar relevante documenten.
Hierin is het thematisch omgevingsprogramma één van de documenten die gebruikt wordt om plannen in deze fase te toetsen aan de ontwikkelrichting van Vlaardingen. Het programma helpt initiatiefnemers om hun ideeën te plaatsen binnen de bredere maatschappelijke trends, verwachte groei en toekomstige vraag naar voorzieningen. Hiermee biedt het inzicht in welke typen voorzieningen de komende jaren onder druk staan of juist kansen bieden voor versterking. Daarmee vormt het een eerste oriëntatiepunt bij de beoordeling of een initiatief aansluit bij de stedelijke ambities en bijdraagt aan een evenwichtige ontwikkeling van de stad.
2. Aanmelding bij de Intaketafel
Wanneer een initiatief verder is uitgewerkt, kan het worden aangemeld voor bespreking aan de Intaketafel. Tijdens de Intaketafel beoordeelt de gemeente de wenselijkheid van het initiatief. Daarbij wordt gekeken naar de bijdrage aan maatschappelijke doelen, de ruimtelijke kwaliteit, de aansluiting op bestaand beleid en de mogelijke effecten op de voorzieningenstructuur. Op basis hiervan wordt bepaald of en onder welke voorwaarden het initiatief verder kan worden uitgewerkt.
De referentiewaarden helpen bij het onderbouwen van de behoefte aan een voorziening. Ze vormen echter geen harde norm, maar een onderbouwing waarop gemotiveerd kan worden afgeweken. Zo blijft er ruimte voor lokale afwegingen, bijvoorbeeld wanneer een initiatief maatschappelijke meerwaarde heeft of juist meerdere beleidsdoelen combineert.
Initiatiefnemers ontvangen na de Intaketafel een terugkoppeling met één van de volgende uitkomsten:
a. Ja: het initiatief is wenselijk en kan verder worden uitgewerkt;
b. Ja, mits: het initiatief is wenselijk onder bepaalde voorwaarden;
c. Nee: het initiatief past niet binnen de gemeentelijke kaders en wordt niet verder in behandeling genomen.
3. Omgevingstafel
Wanneer de Intaketafel positief heeft geoordeeld, wordt het initiatief verder besproken aan de Omgevingstafel. Dit overleg is met name bedoeld voor grotere of complexere initiatieven die effect hebben op de omgeving. Hier werken de initiatiefnemer, de gemeente en betrokken partijen samen aan de verdere uitwerking van het plan. De nadruk ligt op participatie, samenwerking en ruimtelijke inpassing binnen de bestaande omgeving.
De gemeente begeleidt dit proces en bewaakt de samenhang tussen beleid, ruimte en maatschappelijke doelen. Het Omgevingsprogramma Maatschappelijke Voorzieningen ondersteunt hierbij door inzicht te geven in de huidige en toekomstige behoefte aan voorzieningen, zodat keuzes over locatie, omvang en combinaties van functies goed onderbouwd kunnen worden.
Bij de verdere planvorming stimuleert de gemeente efficiënt ruimtegebruik door te zoeken naar clustering en multifunctionele combinaties van maatschappelijke functies. Hiermee wordt de beschikbare ruimte beter benut en ontstaan kansen om voorzieningen onderling te versterken. De uitkomsten van de Omgevingstafel worden vastgelegd en vormen de basis voor eventuele vervolgstappen richting besluitvorming.
4. Formele besluitvorming
Wanneer een initiatief voldoet aan de gestelde voorwaarden, volgt de formele besluitvorming. De gemeente beoordeelt het plan via de geldende procedures voor vergunningverlening of beleidsafstemming. Hierbij worden de resultaten van de eerdere processtappen en de beleidsmatige kaders uit het Omgevingsprogramma meegewogen.
In deze fase wordt ook gekeken naar de samenhang en spreiding van voorzieningen binnen de stad, zodat de ontwikkeling bijdraagt aan een evenwichtige stedelijke structuur. De verdere geografische uitwerking hiervan vindt plaats in de verdiepingsslag die vanaf 2026 wordt opgepakt in de gebiedsgerichte omgevingsprogramma’s.
5. Uitvoering en monitoring
Na besluitvorming volgt de uitvoering van het initiatief. De gemeente houdt hierbij toezicht op de uitvoering en volgt de maatschappelijke effecten. De ervaringen uit deze fase worden gebruikt om toekomstige initiatieven en beleidskeuzes verder te verbeteren.
6.4.3 Jaarlijkse bijstelling en verdere ontwikkeling
Er vindt jaarlijks een bijstelling van de referentiewaarden plaats en eens in de vier jaar een herziening van het thematisch Omgevingsprogramma Maatschappelijke Voorzieningen. Hierbij worden nieuwe inzichten uit monitoring, demografische ontwikkelingen en veranderende wetgeving verwerkt, zodat het programma actueel blijft en inspeelt op de meest recente trends en maatschappelijke behoeften.
Door deze dynamische opzet blijft het handboek een levend instrument dat beleid en uitvoering met elkaar verbindt, en dat ervoor zorgt dat maatschappelijke voorzieningen blijvend aansluiten bij de groei, samenstelling en ontwikkeling van Vlaardingen.
7 Participatie en samenwerking
7.1 Samenwerking binnen en buiten de organisatie
Binnen de gemeente is een breed scala aan teams betrokken, hoofdzakelijk binnen het fysieke en sociaal domein. Tijdens de totstandkoming van dit programma is op verschillende niveaus samengewerkt. Een bestuurlijk-ambtelijke werkgroep heeft richting gegeven aan de opzet en zorggedragen voor integrale afstemming en bestuurlijk draagvlak. Daarnaast is in ambtelijke werkgroepverband gewerkt aan de inhoudelijke uitwerking van de uitgangspunten; deze werkgroep zal in 2026 verder gaan met de uitvoering en doorontwikkeling van het programma. Tot slot heeft aanvullende afstemming plaatsgevonden met de betrokken domeinen, zodat beleidsinhoudelijke kennis en specifieke aandachtspunten uit de praktijk in het programma konden worden meegenomen.
Extern ligt de focus op het bieden van duidelijkheid aan initiatiefnemers en maatschappelijke partners over de gemeentelijke verwachtingen bij nieuwe ontwikkelingen. Dit gebeurt via de instrumenten die in de uitvoeringsagenda zijn genoemd, zoals de hand-out, webpagina en rekentool. Feedback en signalen die tijdens gesprekken met initiatiefnemers of andere partijen worden opgehaald door projectleiders of betrokken ambtenaren, worden binnen de werkgroep gedeeld en waar relevant meegenomen in de verdere doorontwikkeling van het programma.
De gemeenteraad is bij de opstelling van dit thematisch omgevingsprogramma betrokken geweest. Bij de bespreking van de startnotitie is een adviesvraag voorgelegd waarop de raad feedback heeft kunnen geven. De bespreking van het vooronderzoek en de conceptversie van het programma had een informerend karakter, met ruimte voor signalen en aandachtspunten richting het vervolg.
7.2 Verantwoordelijkheden en organisatie
Voor de uitvoering van dit thematisch omgevingsprogramma is een duidelijke rolverdeling vastgesteld. De inhoudelijke verantwoordelijkheid ligt bij de beleidsmedewerkers van de betreffende beleidsterreinen. Zij werken de standpunten binnen de verschillende deelonderwerpen verder uit en zorgen voor de inhoudelijke onderbouwing en uitvoering binnen hun domein.
De programmamanager van het thematisch omgevingsprogramma maatschappelijke voorzieningen bewaakt de samenhang, voortgang en integraliteit tussen de verschillende onderdelen en zorgt voor afstemming met de gebiedsgerichte omgevingsprogramma’s.
De gebiedsgerichte teams zorgen voor de vertaling naar de lokale context en koppelen signalen en behoeften vanuit de betreffende gebieden terug richting het thematisch programma.
De interne samenwerking vindt het hele jaar door plaats via teambijeenkomsten afstemmomenten tussen collega’s, gesprekken tussen beleidsmedewerkers en via de werkgroep maatschappelijke voorzieningen. In deze overleggen worden signalen uit de uitvoering gedeeld, voorstellen afgestemd en actuele ontwikkelingen besproken. De werkgroep fungeert daarbij als coördinerend en kennisdelend platform dat de verbinding legt tussen de verschillende beleidsvelden. De uitkomsten van deze afstemming worden gebruikt voor de jaarlijkse monitoring en bijstelling van het programma, en waar relevant ingebracht in de gemeentelijke investeringsagenda en andere beleidsprogramma’s.
Door deze werkwijze ontstaat een samenhangende en lerende aanpak, waarin beleid, uitvoering en initiatieven elkaar versterken. De focus ligt op structurele samenwerking binnen de organisatie, een eenduidige communicatie richting initiatiefnemers en het blijvend verbeteren van de uitvoering op basis van ervaring en inzicht.
8 Uitvoeringsagenda 2026
8.1 Integratie binnen de gemeentelijke organisatie
8.1.1 Integratie bij nieuwe plannen
Na vaststelling van dit stuk ligt de focus op het laten landen van de uitgangspunten en het borgen hiervan bij nieuwe initiatieven. Samen met ambtelijke collega’s wordt verkend hoe deze uitgangspunten structureel kunnen worden opgenomen in bestaande werkprocessen. Een belangrijk middel hiervoor is de eerdergenoemde beoordelingsprocedure voor nieuwe initiatieven (zie paragraaf 6.4). Door kernpunten uit het thematisch omgevingsprogramma maatschappelijke voorzieningen te verankeren in dit proces, wordt geborgd dat deze aspecten standaard worden meegewogen bij de ontwikkeling van nieuwe plannen. In 2026 zullen hierover gesprekken plaatsvinden om dit verder uit te werken en formeel te verankeren.
Naast de formele borging is het van belang dat de waarden uit dit programma niet alleen op papier bestaan, maar ook actief worden meegenomen in de dagelijkse praktijk. Dit vraagt om aandacht voor de werkwijze en houding van betrokken projectleiders en beleidsmedewerkers. Zij hebben een sleutelrol in het vroegtijdig agenderen van maatschappelijke voorzieningen bij nieuwe initiatieven en in de gesprekken met initiatiefnemers en ontwikkelaars.
Om dit te ondersteunen, worden in de uitvoeringsperiode de volgende stappen gezet:
-
Aanpassing van werkprocessen en beoordelingskaders zodat maatschappelijke voorzieningen expliciet onderdeel zijn van de afweging bij nieuwe initiatieven.
-
Ontwikkeling van een bruikbaar gespreksleidraad of handelingskader samen met de projectleiders.
-
Versterking van kennis en bewustwording binnen de organisatie, door presentaties en werksessies bij de betrokken teams en een interne werkgroep die helpt bij de eerste toepassing en monitoring van het document.
-
Agenderen van de verkenning van alternatieve bijdragen voor situaties waarin een initiatief niet direct kan bijdragen in fysieke ruimte. Hierbij kan gedacht worden aan financiële bijdragen of samenwerking met maatschappelijke partners. De uitwerking hiervan ligt bij de betrokken domeinen: het fysieke domein (grond- en vastgoedbeleid) ten aanzien van de instrumentele mogelijkheden en de thematische uitvoeringsdocumenten voor de inhoudelijke invulling per sector. Vanuit dit thematisch omgevingsprogramma wordt het vraagstuk geagendeerd, zodat dit in 2026 gezamenlijk kan worden opgepakt.
De uitvoering van deze stappen draagt eraan bij dat maatschappelijke waarden niet alleen beleidsmatig worden vastgelegd, maar ook daadwerkelijk onderdeel worden van de praktijk van planvorming en initiatiefontwikkeling. De voortgang en effectiviteit hiervan worden gevolgd via de in hoofdstuk 9 beschreven monitoringssystematiek.
8.1.2 Integratie binnen nieuwe beleidsstukken
Er zijn verschillende beleidsstukken die in 2026 worden vernieuwd. Daarbij vindt wederzijdse afstemming plaats. Enerzijds worden de referentiewaarden en beleidsuitkomsten uit dit thematisch omgevingsprogramma hierin opgenomen, zodat de uitgangspunten voor maatschappelijke voorzieningen in deze beleidslijnen worden doorvertaald. Anderzijds wordt bij de actualisatie van dit programma gekeken of er nieuwe inzichten uit deze beleidsvelden zijn die de huidige uitgangspunten beïnvloeden; deze worden dan verwerkt in de versie van eind 2026.
De betreffende beleidsstukken vormen daarmee niet alleen een afstemmingskader, maar ook de uitvoeringslijn van de in dit programma geformuleerde uitgangspunten. Zij zijn eindverantwoordelijk voor de nadere invulling en uitvoering van de brede beleidskeuzes die in dit thematisch omgevingsprogramma zijn vastgesteld.
In 2026 wordt dit concreet gemaakt door:
-
Gezamenlijke afstemmingsoverleggen tussen de betrokken beleidsvelden, gericht op het doorvertalen en aansluiten van de uitgangspunten van dit programma naar de te actualiseren beleidsstukken.
-
Terugkoppeling van de nieuwe beleidskeuzes en inzichten naar dit programma om te waarborgen dat deze worden meegenomen bij de herziening eind 2026.
8.2 Integratie buiten de gemeentelijke organisatie
Om initiatiefnemers en samenwerkingspartners goed te informeren over de verwachtingen op het gebied van maatschappelijke voorzieningen, worden in 2026 de volgende acties uitgevoerd:
-
Aanvullen van de bestaande gemeentelijke website voor initiatiefnemers met informatie over de bijdrage aan maatschappelijke voorzieningen. Hiermee ontstaat één herkenbare ingang met een duidelijke uitleg over de verwachtingen en de manier waarop deze bijdragen onderdeel zijn van de beoordeling van initiatieven.
-
Ontwikkeling van een rekentool maatschappelijke bijdrage, waarmee initiatiefnemers een eerste indicatie kunnen berekenen van de benodigde of verwachte bijdrage in m². De tool wordt via dezelfde website ontsloten en vormt een hulpmiddel voor het gesprek met de projectleider.
-
Start van de verkenning naar een voorzieningendashboard waarmee het aanbod in locaties en vierkante meters van maatschappelijke voorzieningen binnen de gemeente inzichtelijk kan worden gemaakt. In 2026 wordt, samen met betrokken beleidsvelden en gebiedsprogramma’s, onderzocht welke vorm hiervoor het meest geschikt is en of een (gedeeltelijk) externe ontsluiting van deze informatie wenselijk en haalbaar is. Daarbij worden ook de meerwaarde, beheeraspecten en mogelijke risico’s van externe publicatie (zoals actualiteit van data en interpretatie door gebruikers) meegenomen.
8.3 Verdiepend onderzoek
Om maatschappelijke voorzieningen beter te kunnen betrekken bij de beoordeling van nieuwe initiatieven en de gebiedsgerichte programmering, wordt in 2026 ingezet op verdiepend onderzoek naar de behoefte en spreiding van voorzieningen in de stad. Deze inzichten worden, in afstemming met de gebiedsgerichte omgevingsprogramma’s, gebruikt om de ruimtelijke en maatschappelijke afwegingen te versterken.
In 2026 worden hiervoor de volgende acties uitgevoerd:
-
Uitvoeren van verdiepend onderzoek naar de behoefte aan maatschappelijke voorzieningen per wijk, met als doel het actualiseren van de referentiewaarden en het inzichtelijk maken van het saldo aan voorzieningen per wijk voor nu, 2030 en 2040. Hierbij wordt een kaart opgesteld van de spreiding van voorzieningen en wordt onderzocht waar zich mogelijke hiaten bevinden op basis van de maximale toelaatbare afstand tot voorzieningen.
-
Afstemmen met de gebieds- en programmamanagers, die verantwoordelijk zijn voor de gebiedsgerichte omgevingsprogramma’s, over de verwerking van de nieuwe onderzoeksuitkomsten in de programma’s die in 2026 worden opgeleverd, zodat maatschappelijke voorzieningen op een samenhangende wijze worden meegenomen in de gebiedsgerichte programmering. De gebiedsgerichte programma’s die niet in 2026 worden opgeleverd worden op een later moment aangehaakt.
-
Integreren van de onderzoeksresultaten in dit thematisch omgevingsprogramma, zodat nieuwe inzichten over de behoefte en spreiding van voorzieningen worden meegenomen bij de herziening van het programma eind 2026.
Wat betreft de aansluiting van het thematisch omgevingsprogramma maatschappelijke voorzieningen en het gebiedsgerichte omgevingsprogramma voor het centrumgebied geldt een uitzonderingspositie. Dit programma is in dezelfde periode als dit thematisch omgevingsprogramma opgesteld, met het oog op de ontwikkelingen binnen het Stadsprogramma Nieuwe Binnenstad. De referentiewaarden uit dit stuk zijn hierin als uitgangspunt gebruikt, aangevuld met een extern onderzoek naar de toepassing en benodigde aanpassingen binnen het centrumgebied.
Behalve het gebiedsgerichte onderzoek, zal ook een inventarisatie worden gedaan naar de verwachte toekomstige ontwikkelingen, zodat beter in kaart kan worden gebracht waar de grootste verschillen liggen tussen het toekomstige aanbod en de vraag zoals die in dit stuk zijn omschreven.
9 Monitoring en adaptief werken
9.1 Doel van monitoring
Monitoring speelt een grote rol in het thematisch omgevingsprogramma maatschappelijke voorzieningen. De referentiewaarden die in dit stuk zijn opgesteld geven richting aan de huidige en vooral ook toekomstige ontwikkelingen die we verwachten binnen de gemeente Vlaardingen. De verwachtingen voor 2040 zijn niet alleen afhankelijk van externe trends en ontwikkelingen, maar ook van de wijze waarop de gemeente hierop inspeelt. Zowel de effectiviteit van de uitvoering, de gekozen ontwikkelingsrichting als de mate van inzet om de gestelde doelen te bereiken, bepalen in belangrijke mate het uiteindelijke resultaat. Monitoring maakt het mogelijk om inzicht te krijgen in de wisselwerking tussen externe ontwikkelingen en gemeentelijke inzet, en biedt handvatten om waar nodig te leren en bij te sturen richting 2040.
9.2 Indicatoren van de monitoring
9.2.1 Trends en ontwikkelingen
Binnen de monitoring wordt allereerst gekeken naar de demografische en maatschappelijke trends die invloed hebben op de vraag naar maatschappelijke voorzieningen in Vlaardingen. Ontwikkelingen die nu spelen en/of verwacht worden in de toekomst binnen Nederland en Vlaardingen zijn bepalend voor de totale vraag en maar ook het type voorzieningen die nodig zijn voor een fijne leefomgeving. Ook de mate en snelheid waarin de gemeente groeit is een belangrijke factor voor de totale vraag aan voorzieningen. Door deze trends en ontwikkelingen periodiek te volgen, ontstaat inzicht in de richting waarin de behoefte aan voorzieningen zich ontwikkelt en welke implicaties dit heeft voor de toekomst.
9.2.2 Beleidskeuzes en uitvoeringsfactoren
Naast externe ontwikkelingen wordt ook gekeken naar de beleidsmatige en uitvoeringsgerichte factoren die invloed hebben op de maatschappelijke voorzieningen. Hierbij wordt onder meer gekeken of er nieuw gemeentelijk beleid is vastgesteld binnen de opgenomen thema’s en of daarin andere uitgangspunten of prioriteiten zijn opgenomen dan zoals ze in de versie van 2025 zijn opgenomen. Ook wordt rekening gehouden met nieuw of gewijzigd landelijk beleid dat van invloed kan zijn op de lokale situatie of op de in dit document opgenomen referentiewaarden.
Een belangrijk aandachtspunt binnen de monitoring is de wijze waarop het programma en de bijbehorende instrumenten in de praktijk worden toegepast en gedragen door zowel interne als externe betrokkenen. De mate waarin het beleid aansluit bij de dagelijkse uitvoering en bij de initiatieven die in de stad ontstaan, bepaalt in belangrijke mate hoe effectief aan de ambities uit dit programma kan worden gewerkt. Monitoring biedt de mogelijkheid om inzichten en ervaringen uit de uitvoering en de praktijk tijdig te signaleren en deze te benutten bij de herziening of verdere ontwikkeling van beleid en uitvoering. Zo kunnen we blijven leren van wat er in de praktijk gebeurt en die kennis gebruiken om beleid en uitvoering te verbeteren waar dat nodig is.
9.2.3 De referentiewaarden
De referentiewaarden vormen het richtinggevende kader voor de monitoring van de maatschappelijke voorzieningen die in dit stuk genoemd staan. Ze schetsen de verwachte ontwikkeling van de vraag naar voorzieningen binnen de gemeente en helpen om de actuele situatie te duiden in het licht van deze verwachtingen. In dit onderdeel wordt gekeken hoe vraag en aanbod zich hebben ontwikkeld ten opzichte van de verwachte vraag zoals die voor 2030 en 2040 voorspeld is. De ontwikkelingen worden verklaard aan de hand van de factoren die in paragraaf 8.2.1 en 8.2.2 zijn uitgewerkt, waarbij deze als belangrijkste leidraad dienen om inzicht te krijgen in de samenhang tussen maatschappelijke trends, beleidskeuzes en veranderingen in vraag en aanbod.
Het periodiek toetsen van de referentiewaarden is daarmee geen doel op zich, maar een manier om te beoordelen of de aannames over de toekomstige vraag nog realistisch zijn. Monitoring helpt om te herkennen waar verwachtingen moeten worden bijgesteld, waar beleid bijdraagt aan de gewenste ontwikkelrichting en waar juist ruimte is voor verbetering. Zo draagt het proces bij aan een betere grip op de ontwikkelingen binnen maatschappelijke voorzieningen en ondersteunt het de gemeente bij het maken van onderbouwde keuzes richting 2030 en 2040.
9.3 Uitvoering en organisatie
De monitoring en evaluatie van het thematisch omgevingsprogramma worden gezamenlijk uitgevoerd door de programmamanager en de betrokken ambtenaren. De ambtenaren die verantwoordelijk zijn voor de inhoudelijke thema’s en de programmamanager stemmen onderling af bij het opstellen van nieuw of vernieuwd gemeentelijk beleid binnen de in dit programma opgenomen onderwerpen. Zij informeren daarnaast de programmamanager over wijzigingen in beleid op hoger niveau, zoals landelijke of regionale ontwikkelingen, die van invloed kunnen zijn op het programma. Hoewel dit proces gedurende het jaar plaatsvindt, worden de resultaten hiervan vastgelegd bij de jaarlijkse vernieuwing van het document.
De programmamanager bewaakt de samenhang binnen de monitoring en is verantwoordelijk voor het bijhouden van grootschalige trends en ontwikkelingen die relevant zijn voor de jaarlijkse evaluatie.
Voor de uitvoering van de monitoring is een ambtelijke werkgroep ingericht. Deze werkgroep bestaat uit een selectie van ambtenaren uit het sociale en fysieke domein en wordt gecoördineerd door de programmamanager. De groep, die in 2025 is gestart, wordt in 2026 voortgezet en waar nodig aangevuld met extra leden.
Jaarlijks vindt binnen deze werkgroep een werksessie plaats, waarin de voortgang, de resultaten van de monitoring, de verzamelde trends en ontwikkelingen en eventuele bijsturing worden besproken. De programmamanager verwerkt de conclusies uit deze werksessie in de jaarlijkse actualisatie van het programma. Hiermee wordt de integrale samenhang en structurele monitoring van het beleidsdocument geborgd.
9.4 Actualisatie en frequentie
Zoals eerder in dit hoofdstuk genoemd, vindt de actualisatie van het thematisch omgevingsprogramma jaarlijks plaats. Daarbij worden de uitkomsten van beleidswijzigingen, de verzamelde trends en ontwikkelingen en de aanvullende conclusies uit de jaarlijkse werksessie verwerkt in een geactualiseerde versie van het programma.
Naast deze jaarlijkse actualisatie wordt het programma elke vier jaar volledig herzien. Tijdens deze herziening worden niet alleen de cijfers en trends geactualiseerd op basis van recente ontwikkelingen, maar wordt ook kritisch gekeken naar de inhoud en opbouw van het programma. Daarbij wordt beoordeeld of de opgenomen thema’s, beleidsuitgangspunten en doelen nog aansluiten bij actuele vraagstukken, of dat nieuwe onderwerpen inmiddels relevant zijn geworden en opgenomen moeten worden.
De onderstaande figuur geeft weer welke onderdelen jaarlijks worden bijgewerkt en welke elementen onderdeel zijn van de vierjaarlijkse herziening:
|
Onderdeel / Thema |
Jaarlijkse actualisatie |
Vierjaarlijkse herziening |
|
Beleid en uitgangspunten |
Vermelding van nieuw of gewijzigd gemeentelijk beleid binnen de thema’s van het programma. |
Herijking van beleidsdoelen, uitgangspunten en prioriteiten op basis van evaluatie en nieuwe ontwikkelingen. |
|
Wet- en regelgeving |
Signaleren en opnemen van relevante landelijke of regionale beleids- of wetswijzigingen met directe invloed op het programma. |
Integrale doorvertaling van structurele wetswijzigingen of beleidskaders in de programmastructuur. |
|
Cijfers en trends |
Actualisatie van kwantitatieve gegevens op basis van trends en ontwikkelingen en nieuw beleid en wetgeving. |
Volledige evaluatie van de ontwikkelingen en effecten op langere termijn. Nieuwe indicatoren kunnen worden toegevoegd of bijgesteld. |
|
Participatie en samenwerking |
Aandachtspunten of opbrengsten uit participatie worden waar relevant toegevoegd. |
Evaluatie van samenwerkingsvormen en participatie aanpak, en eventuele herziening van werkwijzen. |
|
Monitoring en evaluatie |
Verwerking van de resultaten van de jaarlijkse monitoring en de conclusies uit de werksessie. |
Evaluatie van de gehele monitoringssystematiek en eventuele aanpassing van indicatoren of methodiek. |
De jaarlijkse actualisatie heeft vooral een informerend en onderhoudend karakter, gericht op het up-to-date houden van gegevens en het toevoegen van relevante beleidswijzigingen. De vierjaarlijkse herziening is daarentegen een meer inhoudelijke evaluatie, waarbij de koers van het programma opnieuw wordt bepaald en waar nodig wordt bijgesteld.
Op deze manier blijft het thematisch omgevingsprogramma actueel, herkenbaar en goed afgestemd op de veranderende maatschappelijke, beleidsmatige en wettelijke context.
10 Risico’s en beperkingen
10.1 Noodzaak van inbedding in beleid en uitvoering
Beperking
De monitor heeft alleen waarde als de aanbevelingen en referentiewaarden daadwerkelijk worden toegepast in beleid, programma’s en projecten. Wanneer deze niet worden overgenomen, blijft de monitor een analyse-instrument zonder sturingskracht. De doorvertaling naar de werkpraktijk is daarmee een kritische succesfactor.
Risico
Zonder verankering in beleid en uitvoering verliest het thematisch omgevingsprogramma zijn effectiviteit. Dit ondermijnt juist een van de belangrijkste doelstellingen van het programma: het bieden van duidelijkheid over uitgangspunten, keuzes en prioriteiten binnen de gemeente.
Wanneer deze verduidelijking niet wordt overgenomen, ontstaat het risico op uiteenlopende interpretaties, versnippering in beleid en onduidelijkheid bij initiatiefnemers en collega’s. Daardoor kunnen gemeentelijke doelen minder goed worden gerealiseerd en neemt de samenhang in uitvoering af.
Daarnaast geldt dat voor bepaalde onderwerpen nog geen of maar zeer beperkt uitvoeringsbeleid of beleidskader beschikbaar is. Hierdoor ontbreekt een formele basis om aanbevelingen en referentiewaarden te vertalen naar concrete acties. Dit kan leiden tot inconsistent gebruik van de monitor, verschillen in toepassing per afdeling en gemiste kansen bij nieuwe projecten.
Beheersmaatregel
Om dit risico te beperken is het essentieel dat referentiewaarden worden opgenomen in relevante beleidsstukken, toetsingskaders en uitvoeringsprogramma’s. Daarnaast is interne communicatie belangrijk: ambtelijke medewerkers en initiatiefnemers moeten de monitor kennen en herkennen als standaard werkkader. Door het document actief te verspreiden, bekendheid te geven en structureel te koppelen aan besluitvormingsprocessen, wordt de borging en de verduidelijkende functie binnen de organisatie versterkt.
Voor onderwerpen waar nog geen uitvoeringsbeleid bestaat, is het raadzaam om een beleidsmatige vertaling of handreiking te ontwikkelen die richting geeft aan de toepassing van de referentiewaarden in de praktijk.
10.2 Beperkte invloed als gemeente
Beperking
Een aanzienlijk deel van de maatschappelijke voorzieningen bevindt zich buiten het
directe beheer of eigendom van de gemeente. Hierdoor is de sturingsruimte beperkt,
de gemeente kan hierbij slechts indirect invloed uitoefenen op functies in particulier
bezit of beheer.
Risico
De realisatie van beleid en planning is mede afhankelijk van de bereidheid en investeringskeuzes
van private en maatschappelijke partijen. De gemeente kan richting geven, stimuleren
en faciliteren, maar is uiteindelijk afhankelijk van samenwerking om concrete resultaten
te bereiken.
Wanneer die medewerking uitblijft of andere belangen zwaarder wegen, kan dit leiden
tot vertraging of verschillen in de beschikbaarheid en kwaliteit van voorzieningen.
Daarmee bestaat het risico dat de gemeentelijke ambities slechts gedeeltelijk worden
waargemaakt.
Beheersmaatregel
De gemeente beperkt dit risico door gebruik te maken van drie vormen van sturing,
afhankelijk van de mate van invloed en verantwoordelijkheid.
Bij voorzieningen die privaat of elders gefinancierd worden, neemt de gemeente een faciliterende rol aan: zij ondersteunt initiatieven door heldere kaders te bieden, ruimtelijke ruimte te creëren en initiatiefnemers te helpen binnen de bestaande beleidskaders.
Bij voorzieningen die samenhangen met wettelijke uitvoeringstaken, stuurt de gemeente via partners. Dat gebeurt door middel van prestatieafspraken, convenanten of gezamenlijke programma’s met maatschappelijke organisaties. In deze samenwerkingsvorm kan de gemeente, indien passend, ook haar eigen vastgoed of gronden inzetten om gewenste ontwikkelingen te ondersteunen.
Ook bij voorzieningen die vallen onder de beleidsmatige richting en inzet binnen de gemeente kan, daar waar gewenst, gebruik worden gemaakt van haar eigen vastgoed of gronden om gewenste ontwikkelingen te stimuleren. Daarnaast kan de gemeente beleidsmatige instrumenten inzetten, zoals programma’s, uitvoeringsagenda’s en ruimtelijke kaders, om de doelen te vertalen naar concrete acties. Op deze manier combineert de gemeente haar beleidsmatige koers met de inzet van praktische middelen, zodat de richting die in beleid is vastgesteld daadwerkelijk doorwerkt in de uitvoering.
10.3 Geen gebiedsgerichte gegevens
Beperking
De huidige inventarisatie, referentiewaarden en prognoses zijn vastgesteld op stedelijk
niveau. Hierdoor bestaat het risico dat verschillen tussen wijken en buurten onvoldoende
worden meegenomen bij het beoordelen van de vraag en bij het afwegen van initiatieven.
De lokale context kan sterk afwijken van het stedelijk gemiddelde, bijvoorbeeld door
demografische samenstelling, sociaaleconomische kenmerken of ruimtelijke factoren
zoals de maximale toelaatbare reisafstand tot voorzieningen. Ook de geografische spreiding
van voorzieningen speelt hierbij een belangrijke rol. Wanneer deze locatiegebonden
factoren niet in de beoordeling worden betrokken, kan dit leiden tot een onvolledig
beeld van de werkelijke behoefte en een suboptimale ruimtelijke verdeling van voorzieningen.
Risico
Zonder gebiedsgericht inzicht bestaat het risico dat beleid te generiek blijft en
onvoldoende aansluit bij de feitelijke situatie in buurten. Vooral in wijken met sterke
demografische groei of afname kunnen beslissingen te laat of op basis van onvolledige
informatie worden genomen. Dit kan leiden tot een onevenwichtige verdeling van voorzieningen
en een verminderde effectiviteit van beleidsmaatregelen.
Beheersmaatregel
In 2026 wordt een verdiepingsslag gemaakt op basis van de Vlaardingen brede waarden
die in dit stuk zijn opgenomen. Hierbij wordt niet alleen gekeken naar de verschillen
per wijk, door bijvoorbeeld verschillen in sociaal demografische factoren, maar wordt
ook ingegaan op de wenselijke spreiding van deze factoren. Hiermee kan dus een meer
realistisch beeld worden geschetst van niet alleen de totaliteit van de vraag van
heel Vlaardingen, maar ook de geschiktheid van de beoogde locaties voor ontwikkelingen.
10.4 Beperkingen van de monitoring en dataverzameling
10.4.1 Datakwaliteit en actualiteit
Beperkingen
De inventarisatie die in het vooronderzoek is uitgevoerd, vormt een waardevol vertrekpunt, maar kent beperkingen in nauwkeurigheid en actualiteit. In sommige gevallen zijn oppervlakteschattingen of gevonden locaties niet volledig accuraat of gebaseerd op verouderde gegevens. Daarnaast zijn enkele gebruikte beleidsbronnen enkele jaren oud, waardoor recente ontwikkelingen niet altijd volledig worden weerspiegeld.
Risico’s
Wanneer data onvolledig of verouderd zijn, kunnen trends of referentiewaarden tijdelijk minder goed aansluiten bij de feitelijke situatie. Dit kan leiden tot onjuiste interpretaties, verkeerde prioritering in beleid of suboptimale keuzes bij de uitvoering van initiatieven.
Beheersmaatregelen
Voor de herziening die gepland staat voor eind 2026 wordt een kwaliteitsslag uitgevoerd binnen het thematisch omgevingsprogramma. Daarbij wordt onder meer aanvullend onderzoek gedaan op wijkniveau en vindt als onderdeel daarvan een kritische toetsing en actualisatie plaats van de in het vooronderzoek opgenomen inventarisatie.
Wat betreft beleidsdocumenten is steeds gebruikgemaakt van de meest recente versies die beschikbaar waren. Bij nieuwe programma’s wordt getoetst of deze aansluiten bij de verwachtingen uit het thematisch omgevingsprogramma, en worden deze verwachtingen waar nodig aangescherpt.
Daarnaast vindt iedere vier jaar een methodische herziening plaats, waarin wordt beoordeeld of de gebruikte onderzoeksmethoden en datagrondslagen nog actueel en toereikend zijn.
10.4.2 Aannames en interpretatie van gegevens
Beperkingen
In de huidige analyse is aangenomen dat, wanneer geen signalen bestaan van een tekort
of overschot, sprake is van een neutrale situatie. Deze veronderstelling biedt houvast,
maar kan de feitelijke situatie over simplificeren.
Daarnaast is de invloed van trends gebaseerd op een combinatie van landelijke en lokale ontwikkelingen. Omdat niet alle relevante trends kunnen worden meegenomen, ontstaat per definitie een zekere mate van vertekening. Bovendien kunnen geselecteerde trends elkaar deels overlappen, wat leidt tot mogelijke dubbeltellingen of versterkende effecten. Hierdoor kan het relatieve gewicht van bepaalde ontwikkelingen worden overschat of onderschat.
Risico’s
Door de gehanteerde aannames en de onvermijdelijke vertekening in de selectie en overlap
van trends kan sprake zijn van overschatting of onderschatting van de feitelijke vraag.
Dit kan ertoe leiden dat beleidskeuzes onvoldoende aansluiten bij de actuele behoefte
of juist disproportioneel inspelen op specifieke thema’s, waardoor middelen of aandacht
niet evenwichtig over de verschillende opgaven worden verdeeld.
Beheersmaatregelen
Het saldo van vraag en aanbod wordt vanaf 2026 jaarlijks nauwkeuriger gemonitord,
mede door de verbeteringen die in de herziening van het thematisch omgevingsprogramma
worden doorgevoerd. Daarbij wordt ook kritisch gekeken naar de onderliggende aannames
en de uitkomsten van de inventarisatie uit het vooronderzoek. Waar nodig worden deze
geactualiseerd of vervangen door nieuwe gegevens, zodat de uitgangspunten waarop de
analyses rusten beter aansluiten bij de actuele situatie en feitelijke ontwikkelingen
in de wijken.
De onderliggende trends worden bij elke nieuwe versie van het thematisch omgevingsprogramma, en dus eens per vier jaar, integraal herzien. Daarbij wordt beoordeeld of de gebruikte trendselecties, wegingen en interpretaties nog aansluiten bij de actuele maatschappelijke, landelijke en lokale ontwikkelingen.
Op deze manier blijft de onderbouwing van de monitor actueel, en kunnen afwijkingen in aannames of trends tijdig worden herkend en bijgestuurd.
10.4.3 Methodiek van trendvertaling (2030–2040)
Beperkingen
Bij het vertalen van trends naar de verwachte vraag in 2030 en 2040 is gekozen voor een uniforme verdelingssleutel om de invloed van maatschappelijke ontwikkelingen te kwantificeren (zie hoofdstuk 5.2). Deze methodiek biedt een praktische manier om richting te geven aan de verwachte verandering. De gekozen percentages zijn gebaseerd op een beleidsmatige extrapolatie van de in het vooronderzoek gehanteerde 10%-regel voor voorzieningen met geconstateerde tekorten, en sluiten qua orde van grootte aan bij landelijke prognoses en sectorale groeiverwachtingen, zoals toegelicht in bijlage 7. Hoewel deze aanpak consistentie en vergelijkbaarheid biedt, blijft de onderbouwing indicatief en niet volledig empirisch gevalideerd.
Een ander aandachtspunt hierbij is dat de gekozen rekenmechaniek door de procentuele benadering soms disproportioneel kan uitwerken, met name bij voorzieningen een afwijkend ruimtebeslag. Zo leidde de verwachte stijging in de vraag naar sportvelden door het grote ruimtegebruik tot een dermate groot effect op het totale beeld, dat deze categorie tijdelijk buiten de berekening is gehouden om tot een realistisch eindbeeld te komen. Voorzieningen met een kleiner schaalniveau kunnen daarentegen juist te laag worden ingeschat. De huidige methodiek geeft daarmee richting, maar is niet in alle gevallen even robuust.
Risico’s
De vereenvoudigde trendvertaling en mogelijke overlap tussen trends kunnen leiden tot overschatting of onderschatting van de toekomstige vraag. Hierdoor bestaat het risico dat beleidsmatige of ruimtelijke keuzes worden gebaseerd op te grove aannames, of dat bepaalde thema’s te zwaar of juist te licht worden meegewogen.
Beheersmaatregel
De verwachting van de vraag zonder invloed van trends is als referentie in de monitor opgenomen, zodat bij toekomstige evaluaties kan worden vergeleken of de trend gecorrigeerde resultaten leiden tot overschatting of onderschatting van de feitelijke ontwikkeling. Deze referentie heeft met name waarde bij het signaleren van mogelijke overschattingen, terwijl bij onderschattingen – bijvoorbeeld bij kleinschalige voorzieningen – aanvullend gebruik wordt gemaakt van lokale signalen, beleidsinformatie en ervaringsgegevens.
In de komende jaren worden eventuele afwijkingen tussen de voorspelde en de feitelijke ontwikkeling systematisch gevolgd en vastgelegd. Deze bevindingen, samen met signalen van ambtelijke collega’s en externe partners, vormen de basis voor de eerstvolgende methodische herziening over vier jaar. Tijdens deze herziening wordt beoordeeld of de gehanteerde verdelingssleutels en trendbenadering moeten worden aangepast, verfijnd of gedifferentieerd naar type voorziening.
De conclusies van het thematisch omgevingsprogramma zijn gebaseerd op de resultaten met inachtneming van de trends, maar blijven toetsbaar aan de neutrale basisverwachting.
10.4.4 Afhankelijkheid van datalevering en borging
Beperkingen
De monitor is afhankelijk van gegevens die vanuit verschillende onderdelen van de organisatie en van externe partijen worden aangeleverd. Die gegevens zijn niet altijd op dezelfde manier opgebouwd of gedefinieerd. Soms gebruikt de ene bron andere begrippen, indelingen of meeteenheden dan de andere, waardoor de informatie eerst moet worden bewerkt voordat deze kan worden gebruikt.
Daarnaast is het belangrijk dat duidelijk is wie verantwoordelijk is voor het verzamelen, controleren en bijhouden van de data. Als vaste afspraken hierover ontbreken bijvoorbeeld over wanneer en in welke vorm gegevens worden aangeleverd kan de actualisatie vertragen of wordt het lastiger om cijfers goed te vergelijken met eerdere jaren. Ook veranderingen bij partners of in registratiesystemen kunnen dan voor vertraging of hiaten zorgen.
Risico’s
Wanneer de aanlevering van gegevens vertraagt of niet goed is afgestemd, kan de actualisatie van de monitor onder druk komen te staan. Daardoor worden cijfers mogelijk te laat of onvolledig verwerkt, waardoor beleidskeuzes gebaseerd kunnen worden op verouderde informatie.
Ook kunnen verschillen in aanlevering of definities ertoe leiden dat gegevens niet goed te vergelijken zijn met eerdere jaren, wat het zicht op trends of ontwikkelingen vertroebelt.
Als de verantwoordelijkheid voor databeheer niet duidelijk belegd is, kan de continuïteit van de monitor in de praktijk afhangen van individuele inzet of toevallige beschikbaarheid van mensen. In dat geval bestaat het risico dat kennis of structuur verloren gaat wanneer processen veranderen of medewerkers vertrekken.
Beheersmaatregelen
De borging van datalevering en actualisatie is belegd binnen de organisatie zoals beschreven in hoofdstuk 9.3 Uitvoering en organisatie. De uitvoering van de jaarlijkse monitoring en de periodieke herziening vormen de belangrijkste instrumenten om dit risico te beheersen. Door vaste verantwoordelijkheden voor databeheer, procesafspraken over aanlevering en actualisatie, en een structureel moment voor herziening, blijft de continuïteit van de monitor geborgd. Eventuele knelpunten in de datalevering worden via de reguliere monitoringscyclus gesignaleerd en opgepakt.
10.5 Onzekerheid in voorspelde trends
Beperkingen
De invloed van maatschappelijke en demografische trends is gebaseerd op aannames en landelijke prognoses, die in de praktijk kunnen afwijken van de feitelijke ontwikkeling. De interpretatie van deze trends blijft deels een ‘educated guess’, omdat het complex is om goed te duiden welke factoren elkaar beïnvloeden en in welke mate. Ook externe omstandigheden, zoals wijzigingen in wet- en regelgeving, economische schommelingen of maatschappelijke veranderingen, kunnen de verwachte ontwikkeling richting 2030 en 2040 beïnvloeden.
Risico’s
Afwijkingen tussen voorspelde en feitelijke trends kunnen ertoe leiden dat de gehanteerde normen of referentiewaarden tijdelijk minder goed aansluiten bij de actuele situatie. Hierdoor bestaat het risico dat verkeerde prioriteiten worden gesteld of dat investeringen onvoldoende rendement opleveren.
Beheersmaatregelen
Het risico wordt beperkt door de monitor periodiek te actualiseren en de trends systematisch te herzien. De onderliggende prognoses worden elke vier jaar geëvalueerd en, waar nodig, aangepast. Ook wordt Jaarlijks nieuw beleid, zowel wettelijk als lokaal, in de monitor verwerkt en worden de mogelijke gevolgen hiervan doorgevoerd in de voorspellingen. Daarnaast wordt er getoetst of de verwachte stijgingen richting 2030 en 2040 nog in lijn liggen met de eerdere verwachtingen. Door de uitkomsten te spiegelen aan actuele gegevens en landelijke ontwikkelingen kan tijdig worden bijgestuurd. De monitor fungeert hiermee als lerend instrument dat zich aanpast aan veranderende omstandigheden, zodat beleid actueel en toekomstbestendig blijft.
Ook wordt er bij ontwikkelingen vanuit de gemeente ingezet op flexibiliteit en multifunctioneel ruimtegebruik. Hierdoor kan er bij blijkende afwijkingen en veranderingen van de trends op een later moment alsnog ingespeeld worden op de dan spelende vraag.
10.6 Afwijking in inwonersgroei
Beperkingen
De bevolkingsprognoses waarop de monitor is gebaseerd zijn afkomstig uit het vooronderzoek, waarin is uitgegaan van een groei naar circa 79.000 inwoners in 2030 en 84.000 inwoners in 2040.
Deze cijfers vormen een grove raming van de te verwachten ontwikkeling op basis van destijds bekende gegevens. Op basis van recente woningbouwprojecten lijkt deze vraag echter een voorzichtige schatting te zijn van de bevolkingsgroei. Er is hierom een risico dat de feitelijke groei hoger zal uitvallen dan eerder voorzien, zeker richting 2040. Echter kan het tegenovergestelde ook aan de orde zijn, maar dit risico lijkt op dit moment minder aan de orde.
Risico’s
Wanneer de bevolkingsgroei hoger uitvalt dan voorzien, neemt de druk op maatschappelijke voorzieningen en beschikbare ruimte toe. De vraag naar onderwijs, zorg, sport en openbare voorzieningen kan sneller stijgen dan de geplande uitbreidingen toelaten.
Wanneer de bevolkingsgroei hoger uitvalt dan voorzien, kan het aanbod van maatschappelijke voorzieningen onvoldoende meegroeien met de vraag. De stijgende bevolkingsdruk zorgt dan voor meer gebruik van bestaande voorzieningen en minder beschikbare ruimte voor nieuwe locaties.
In een compacte stad als Vlaardingen betekent dit dat er steeds minder mogelijkheden zijn om uitbreidingen te realiseren, terwijl de behoefte juist toeneemt. Hierdoor kunnen wachttijden, afstanden en druk op bestaande voorzieningen oplopen, vooral bij functie waar nu al tekorten voor (verwacht) zijn.
Hoewel dit risico op dit moment het meest waarschijnlijk is, kan een langzamere groei op termijn juist leiden tot overcapaciteit en minder efficiënt gebruik van bestaande voorzieningen.
Beheersmaatregelen
De bevolkingsontwikkeling wordt jaarlijks gevolgd. Op basis van deze actualisatie kan, indien nodig, tussentijds worden bijgestuurd in de analyse van vraag en aanbod.
Bij de vierjaarlijkse herziening worden de prognoses volledig opnieuw vastgesteld, zodat de uitgangspunten van de monitor blijven aansluiten op de feitelijke groei en actuele plannen.
De gebruikte referentiewaarden zijn berekend per 1.000 inwoners, en bewegen daarmee automatisch mee met de bevolkingsomvang. De verwachte aantallen en prognoses fungeren bovendien als richtinggevende beleidswaarden: ze bieden houvast bij besluitvorming, maar zijn nadrukkelijk niet statisch. Naarmate nieuw beleid of recente ontwikkelingen daar aanleiding toe geven, worden deze waarden aangepast en aangescherpt.
10.7 Handhaving en interpretatie van referentiewaarden
Beperkingen
De werking van de referentiewaarden hangt sterk af van hoe ze binnen de organisatie worden uitgelegd en toegepast. Omdat ze ruimte laten voor interpretatie, kunnen afdelingen of partners ze verschillend gebruiken of er een andere betekenis aan geven.
Risico’s
Wanneer niet duidelijk is hoe de referentiewaarden bedoeld zijn of toegepast moeten worden, kunnen afdelingen en partners hier verschillend mee omgaan.
Dat kan ertoe leiden dat projecten op een andere manier worden beoordeeld en dat beleidskeuzes niet goed op elkaar aansluiten. Hierdoor ontstaan verschillen in uitvoering en prioriteiten, wat de eenduidigheid binnen het beleid ondermijnt.
In zo’n situatie kunnen de waarden te streng worden gebruikt, waardoor initiatieven minder ruimte krijgen, of juist te vrijblijvend worden toegepast, waardoor ze hun richtinggevende waarde verliezen.
Het gevolg is dat de monitor minder houvast biedt als gemeenschappelijk kader voor besluitvorming.
Beheersmaatregelen
Vooraf heeft ambtelijke en bestuurlijke afstemming plaats over hoe de referentiewaarden moeten worden geïnterpreteerd en toegepast. Op die manier wordt een gezamenlijke werkwijze vastgesteld en voorkomen dat verschillende afdelingen binnen de gemeentes eigen interpretaties hanteren.
De uitkomsten hiervan zijn vastgelegd in het thematisch omgevingsprogramma, waar een duidelijke afkadering is opgenomen van de functie en doel van de referentiewaarden. Hierin wordt uitgelegd dat de waarden richtinggevend zijn en bedoeld om beleidskeuzes te ondersteunen, maar dat er ruimte moet zijn om hiervan af te wijken indien dit in de situatie passend is.
Na oplevering van het programma worden deze uitgangspunten actief toegelicht en meegenomen in het vervolgproces, zodat iedereen binnen de organisatie weet hoe de waarden kunnen worden gebruikt.
Tot slot vinden er structurele overliggen plaats binnen de werkgroep die verantwoordelijk is monitoring, waar signalen en praktijkervaringen, bijvoorbeeld over de problemen met de interpretatie, periodiek worden gedeeld. Zo blijft de interpretatie actueel en afgestemd op de dagelijkse uitvoering.
10.8 Veranderende beleidsprioriteiten
Beperking
Hoewel de hoofdlijnen van het beleid zijn vastgelegd in de omgevingsvisie, kunnen de accenten in uitvoering, financiering en monitoring in de loop der tijd verschuiven. Politieke keuzes, maatschappelijke aandacht of nieuwe landelijke ontwikkelingen kunnen ertoe leiden dat bepaalde thema’s tijdelijk meer of juist minder nadruk krijgen.
Risico
Door veranderende beleidsaccenten kunnen indicatoren of focusthema’s aan relevantie verliezen, of moeten nieuwe onderwerpen worden toegevoegd. Dit kan de vergelijkbaarheid van resultaten in de tijd bemoeilijken en tijdelijk zorgen voor een minder stabiele beleidsbasis.
Hoewel de kans op accentverschillen aanwezig blijft, is het risico op fundamentele koerswijzigingen beperkt, omdat de structurele richting van het beleid is verankerd in de omgevingsvisie en breed ambtelijk wordt gedragen.
Beheersmaatregel
De omgevingsvisie biedt een stabiele koers waarlangs maatschappelijke ontwikkelingen worden gevolgd. Door de monitor periodiek te herijken kunnen nieuwe thema’s, beleidsaccenten of indicatoren tijdig worden geïntegreerd, zonder dat de hoofdlijn verloren gaat. De opzet van de monitor is bewust flexibel gehouden, zodat deze meebeweegt met veranderende prioriteiten, maar wel blijft aansluiten bij de uitgangspunten van het overkoepelende beleid.
Bijlage I Overzicht Documentenbijlagen
- Thematisch omgevingsprogramma maatschappelijke voorzieningen – 2025
-
/join/id/regdata/gm0622/2026/7999dd664a6942d7a1e4924f6c42d6f9/nld@2026‑04‑23;14460791
Bijlage II Overige bijlagen bij het programma
1 Bronnenlijst
Interne bronnen
Onderwijs
-
Gemeente Vlaardingen. (2020). Onderwijsvisie Vlaardingen 2020–2025.
https://www.vlaardingen.nl/Onderwijs-en-jeugd/Onderwijs -
Gemeente Vlaardingen. (2020). Integraal Huisvestingsplan Onderwijs (IHP-Onderwijs).
https://bouwstenen.nl/sites/bouwstenen.nl/files/uploads/08_1_IHP_februari_2020%20vlaardingen.pdf -
Gemeente Vlaardingen. (2024). Leerlingenprognose en ruimtebehoefte basis onderwijs 2024.
-
Gemeente Vlaardingen. (2024). Leerlingenprognose en ruimtebehoefte voortgezet onderwijs 2024.
-
Gemeente Vlaardingen. (2024). Leerlingenprognose en ruimtebehoefte speciaal onderwijs 2024.
-
Gemeente Vlaardingen. (lopend beleid sinds 2020). Gemeentelijk Onderwijsachterstandenbeleid (GOAB).
https://vlaardingen.begrotingsapp.nl/programmabegroting-2025/programma/onderwijs-economie-en-haven
Sport
-
Gemeente Vlaardingen. (2019). Kadernota Sport & Bewegen 2019.
https://www.vlaardingen.nl/Onderwerpen/Sporten_en_bewegen/Vlaardings_sportakkoord_en_kadernota_Sport_en_Bewegen -
Gemeente Vlaardingen. (2019). Vlaardings Sportakkoord 2019.
https://www.vlaardingen.nl/Onderwerpen/Sporten_en_bewegen/Vlaardings_sportakkoord_en_kadernota_Sport_en_Bewegen -
Gemeente Vlaardingen. (2022). Visie Openbare Ruimte Vlaardingen.
https://www.vlaardingen.nl/Inwoners/Bouwen_en_verbouwen/Openbare_ruimte/Visie_Openbare_Ruimte -
Gemeente Vlaardingen. (2024). Groenvisie Vlaardingen 2024–2034.
https://www.commissiemer.nl/projectdocumenten/014656_3844_Groenvisie_Vlaardingen_2024-2034.pdf -
BOSS-principe (Bewegen, Ontmoeten, Spelen en Sporten).
Geen afzonderlijke nota; uitgewerkt binnen de Visie Openbare Ruimte en het GALA.
Welzijn en gezondheid
-
Gemeente Vlaardingen. (2021). Transformatieagenda Sociaal Domein – Samen Veranderen in Vlaardingen.
https://www.vlaardingen.nl/Zorg_en_ondersteuning/Sociaal_Domein -
MVS-regio (Maassluis, Vlaardingen, Schiedam). (2021). Uitvoeringsprogramma Beschermd Wonen en Maatschappelijke Opvang.
Beschikbaar via: https://www.vlaardingen.nl/Zorg_en_ondersteuning/Beschermd_wonen_en_opvang -
Ministerie van VWS & Gemeente Vlaardingen. (2023). Gezond en Actief Leven Akkoord (GALA).
Beschikbaar via: https://www.vlaardingen.nl/Zorg_en_ondersteuning/Gezond_en_actief_leven -
Gemeente Vlaardingen. (2022). Programma Wonen, Welzijn en Zorg voor Ouderen (WWZ Ouderen).
Beschikbaar via: https://www.vlaardingen.nl/Zorg_en_ondersteuning/Ouderen -
Gemeenten Maassluis, Vlaardingen & Schiedam. (2021). Verordening maatschappelijke ondersteuning MVS 2021.
Beschikbaar via: https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR648938 -
Regio Nieuwe Waterweg Noord. (2022). Regionaal Intersectoraal Gezondheidsoverleg (RIGA).
Geen afzonderlijk document; structureel overlegverband binnen GGD-regio Rotterdam-Rijnmond.
Cultuur
-
Gemeente Vlaardingen. (2022). Cultuurnota “Actief en Inclusief” 2022–2025.
Beschikbaar via: https://www.vlaardingen.nl/Cultuur_en_vrije_tijd/Kunst_en_cultuur -
Rijksoverheid. (2015). Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen (Wsob).
Beschikbaar via: https://wetten.overheid.nl/BWBR0035218/
Wonen
-
Gemeente Vlaardingen. (2021). Woonvisie – Samen bouwen aan Vlaardingen.
Beschikbaar via: https://www.vlaardingen.nl/Onderwerpen/Wonen/Visie_op_wonen -
Gemeente Vlaardingen. (2023). Woonzorgvisie 2023–2030.
Link nog nader te bepalen.
Fysiek domein
-
Gemeente Vlaardingen. (2024/2025). Omgevingsvisie Vlaardingen (2040, ontwerpversie).
Beschikbaar via: https://www.vlaardingen.nl/Onderwerpen/Bouwen/Omgevingsvisie -
Gemeente Vlaardingen. (2025). Vastgoedbeleid maatschappelijke voorzieningen.
Externe bronnen
Sport en bewegen
-
Mulier Instituut. (2021). Sportgedrag en ervaren racisme etnische minderheden.
https://www.mulierinstituut.nl/publicaties/26471/sportgedrag-en-ervaren-racisme-etnische-minderheden -
Kenniscentrum Sport & Bewegen. (2024). Sport en bewegen als middel voor mentale gezondheid.
Sport en bewegen voor de mentale gezondheid (2024) – Kenniscentrum Sport en Bewegen -
Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP). (2019). Sport – Een leven lang: verschillen in sportdeelname naar migratieachtergrond.
https://www.scp.nl/publicaties/publicaties/2019/04/16/sport-een-leven-lang -
Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). (2023). Sportdeelname naar herkomst, leeftijd en geslacht.
https://opendata.cbs.nl/#/CBS/nl/dataset/85457NED/table?dl=A232A -
Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). (2023). Gezondheid en leefstijl: overgewicht, beweeggedrag en gezondheid.
https://www.cbs.nl/nl-nl/cijfers/detail/83021NED -
Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS). (2023, januari 31). GALA – Gezond en Actief Leven Akkoord.https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2023/01/31/gala-gezond-en-actief-leven-akkoord
Onderwijs
-
Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). (2024). Rapportage Integratie en Samenleven 2024.
https://www.cbs.nl/nl-nl/publicatie/2024/47/rapportage-integratie-en-samenleven-2024 -
Inspectie van het Onderwijs. (2024). De Staat van het Onderwijs 2024.
https://www.onderwijsinspectie.nl/documenten/rapporten/2024/04/17/rapport-de-staat-van-het-onderwijs-2024 -
Ministerie van OCW. (2023). Beleidsbrief Gelijke Kansen 2023–2027.
https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2024/05/27/kamerbrief-ontwikkelagenda-gelijke-kansen -
Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP). (2023). De sociale staat van Nederland 2023.
https://www.scp.nl/publicaties/publicaties/2023/11/10/de-sociale-staat-van-nederland-2023
Welzijn
-
Raad voor Volksgezondheid & Samenleving (RVS) & College van Rijksadviseurs (CRa). (2021). Ruimte maken voor ontmoeting.
https://www.raadrvs.nl/adviezen/r/ruimte-voor-ontmoeting -
SCP. (2020). De sociale staat van Nederland 2020.
https://www.scp.nl/publicaties-scp/2020/09/de-sociale-staat-van-nederland-2020 -
SCP. (2023). Ouderen in Nederland: wonen, zorg en participatie.
https://www.scp.nl/publicaties/publicaties/2023/06/28/ouderen-in-nederland-wonen-zorg-en-participatie -
RIVM. (2023). Volksgezondheid Toekomst Verkenning.
https://www.rivm.nl/volksgezondheid-toekomst-verkenning-vtv/toekomstverkenningen -
Movisie. (2022). Ondersteuning mantelzorgers in de praktijk.
https://www.movisie.nl/interventie/mantelzorgen-praktijk -
Movisie. (2024). Versterken van de sociale basis in wijken.
https://www.movisie.nl/sites/movisie.nl/files/2024-11/De-sociale-basis-versterken-investeren-in-toekomst.pdf -
CBS. (2024). Dashboard Bevolking – Ouderen in Nederland.
https://www.cbs.nl/nl-nl/visualisaties/dashboard-bevolking/leeftijd/ouderen -
SCP (2025). Migratie als spiegel van de maatschappijbeelden. https://www.scp.nl/documenten/2025/04/01/migratie-als-spiegel-van-maatschappijbeelden
Gezondheid
-
CBS. (2024). Dossier Vergrijzing.
https://www.cbs.nl/nl-nl/dossier/dossier-vergrijzing -
CBS. (2024). 1 op de 10 mensen sterk eenzaam in 2023.
https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2024/39/1-op-de-10-mensen-sterk-eenzaam-in-2023 -
RIVM. (2024). Gezondheid en zorggebruik ouderen.
https://www.vzinfo.nl/ouderenzorg -
Ministerie van VWS. (2022). Programma Wonen, Ondersteuning en Zorg voor Ouderen (WOZO).
https://www.rijksoverheid.nl/documenten/publicaties/2025/07/02/visual-resultaten-wozo -
Trimbos-instituut. (2024). Mentale gezondheid jongeren 2023.
https://www.trimbos.nl/kennis/mentale-gezondheid-jongeren -
Trimbos-instituut, Pharos & GGD GHOR Nederland. (2022). Help-seeking undocumented migrants in the Netherlands: access to mental health care and other barriers.
https://openresearch.amsterdam/image/2024/3/12/dvdw_mei_2022_help_seeking_undocumented_migrants_in_nl.pdf
Cultuur
-
Landelijk Kennisinstituut Cultuureducatie en Amateurkunst (LKCA). (2025). https://www.lkca.nl/artikel/kennisdossier-cultuurbeleid/
https://www.lkca.nl/publicaties/cultuur-zorg-en-welzijn-in-gemeentelijk-beleid -
Cultuurmonitor. (2023). Diversiteit, inclusie en gelijkwaardigheid 2023.
https://www.cultuurmonitor.nl/trends/diversiteit-inclusie-en-gelijkwaardigheid -
Leyden Academy on Vitality and Ageing. (2025). Kunstbeoefening onder ouderen met een migratieachtergrond.
https://www.leydenacademy.nl/kunstbeoefening-onder-ouderen-met-een-migratieachtergrond -
Raad voor Cultuur. (2015). Ouderen en cultuur: Een kwestie van waarde(n).
https://www.raadvoorcultuur.nl/documenten/adviezen/2015/06/02/ouderen-en-cultuur-een-kwestie-van-waarden -
Kennisplatform Integratie & Samenleving (KIS). (2022). Cultuursensitief zorgaanbod.
https://www.kis.nl/publicatie/cultuursensitief-zorgaanbod -
Nederland. (z.d.). Maatregelen voor meer en betere bibliotheken. Rijksoverheid. https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/lezen-en-bibliotheken/openbare-bibliotheken
Algemeen
-
Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). (z.d.). Bevolking in de toekomst. https://www.cbs.nl/nl-nl/visualisaties/dashboard-bevolking/bevolkingsgroei/toekomst
-
CBS. (2024). Kerncijfers wijken en buurten 2024 – Vlaardingen.
https://www.cbs.nl/nl-nl/cijfers/detail/85525NED -
CBS. (2023). Regionale inkomensverschillen en gemiddeld inkomen per inwoner.
https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2023/47/regionale-inkomensverschillen-gemiddeld-inkomen -
Gemeente Vlaardingen. (2024). Programmabegroting 2025 – Programma Sociaal Domein en Armoedebeleid.
https://vlaardingen.begrotingsapp.nl/programmabegroting-2025 -
MVS-regio (Maassluis, Vlaardingen, Schiedam). (2024). Regionale Visie Armoede en Schulden 2025–2028.
https://www.adviesraadsamenlevingszakenmaassluis.nl/wp-content/uploads/2024/10/2024-Adviezen-RBO-11-juli-2024-Regionale-Visie-Armoede-en-Schulden-2025-2028.pdf -
Nederland. (2015). Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen (Wsob). Staatsblad. Geraadpleegd via https://wetten.overheid.nl/BWBR0035878/
2 Termen voor de voorzieningen in het thematische omgevingsprogramma
|
Categorie |
Functie |
Definiëring |
|
Cultuur |
Bibliotheek |
Wijk-/buurtvoorziening voor het uitlenen van fysieke of digitale informatiedragers en voor het stimuleren van geletterdheid. Het gaat daarbij om zelfstandige vestigingen, (mini)servicepunten of zelfbedieningspunten. Het gaat niet om afhaalpunten of bibliobushaltes. |
|
Cultureel centrum |
Gesubsidieerde openbaar toegankelijke ruimte of accommodatie waarbinnen manifestaties op het gebied van beeldende kunst, muziek en overige culturele disciplines zich afspelen. |
|
|
Onderwijs |
Primair onderwijs |
Onderwijsvoorziening (wijkvoorziening) ten behoeve van onderwijs voor kinderen van 4 -12 jaar. |
|
Speciaal onderwijs |
Onderwijsvoorziening (wijkvoorziening) ten behoeve van onderwijs voor kinderen van 4 -12 jaar, met extra ondersteuning ingedeeld in 4 clusters: gedragsproblemen, visueel, auditief of lichamelijk. |
|
|
Voortgezet onderwijs |
Onderwijsvoorziening (bovenwijks) ten behoeve van onderwijs voor leerlingen van 12 -18 jaar. Geen commercieel onderwijs. |
|
|
Speciaal voortgezet onderwijs |
Onderwijsvoorziening (bovenwijks) ten behoeve van onderwijs voor leerlingen van 12 -18 jaar. Geen commercieel onderwijs, met extra ondersteuning ingedeeld in 4 clusters: gedragsproblemen, visueel, auditief of lichamelijk. |
|
|
Peuteropvang met voorschoolse educatie (Peuteropvang met VE) |
Peuteropvang met VE is opvang voor peuters van 2,5 tot 4 jaar waarbij niet alleen opvang wordt geboden, maar ook extra educatieve ondersteuning. Deze ondersteuning is bedoeld om de ontwikkeling van jonge kinderen te stimuleren, vooral op het gebied van taal, motoriek, sociaal-emotionele ontwikkeling en denkontwikkeling. |
|
|
Kinderdagopvang |
Kinderdagopvang richt zich op kinderen tot 4 jaar (0 t/m 3 jaar). Sommige opvangorganisaties bieden ook VE-opvang, vroeg-en voorschoolse educatie. |
|
|
Buitenschoolse opvang (BSO) |
De buitenschoolse opvang richt zich op opvang van kinderen van schoolgaande leeftijd vooraf, tussen en na de reguliere schooltijden. |
|
|
Sport |
Sporthallen |
Accommodaties voor het uitoefenen van binnensport (bijvoorbeeld bewegingsonderwijs) bestaande uit zalen, ruimten, kleedruimten, opslag. Eventueel een kantine. Sporthallen (minimaal 44 bij 28 meter) hebben een sportvloer. Deze zijn in tegenstelling tot spotzalen geschikt voor officiële wedstrijden, toernooien en verenigingssport op hoger niveau. |
|
Gymzalen en sportzalen |
Een voorziening, speciaal ingericht voor het beoefenen van sport en bewegen behorend bij een onderwijscomplex, waar leerlingen de lessen lichamelijke opvoeding krijgen. Hierbij beschikt een gymzaal meestal over één zaal, waarbij sportzalen over grotere ruimte beschikken die opgedeeld kunnen worden in twee of drie zaaldelen. |
|
|
Zwembaden |
Semi openbaar toegankelijk zwembad (gebouw en eventuele buitenbaden) voor recreatiefzwemmen, sportzwemmen en zwemles. Exclusief zwembaden bij bungalowparken, hotels, campings en solitaire openluchtzwembaden. |
|
|
Buitensportvelden |
Buitensportvelden ten behoeve van atletiek, handbal, soft-en honkbal, korfbal, voetbal, hockey en tennis. |
|
|
Sporten spelen en bewegen |
Een (formele) speel-of sportvoorziening is het deel van de openbare ruimte dat openbaar toegankelijk is en is ingericht met speel-en/of sporttoestellen waarmee kinderen kunnen spelen of is ingericht als een speelveld. |
|
|
Welzijn |
Buurt en wijkcentra |
Een d de gemeente subsidieerde centrale locatie in een wijk die open staat voor ontmoeting en activiteiten voor iedereen Ontmoetingsplekken: Niet per definitie door de gemeente gesubsidieerde centrale locatie in de wijk voor ontmoeting. |
|
Dagbesteding |
Locaties waar overdag met een groep mensen, onder begeleiding van professional, invulling wordt gegeven aan een zinvolle dag. Deze zijn toegankelijk met een indicatie Jeugdwet, Wmoof Wlz. o.a. leerwerkbedrijf en werkleerbedrijf SOW. |
|
|
Maatschappelijke opvang |
Maatschappelijke hulpverlening door ondersteuning, begeleiding, dagopvang en/of tijdelijke nachtopvang voor dak-en thuislozen, exclusief vrouwenopvang. (o.a. dak- en thuislozenopvang en vrouwenopvang) |
|
|
Scouting |
Locatie voor scoutingverenigingen gericht op binnen-en buitenactiviteiten |
|
|
Voedsel- en kledingbank |
Kledingbank: Locatie voor kledinginzameling bestemd voor recycling of hergebruik en voor het aanbieden van gratis kleding voor inwoners die niet of nauwelijks in staat zijn om in hun levensonderhoud te voorzien. Voedselbank: Locatie voor kosteloze verstrekking van levensmiddelen aan inwoners die financieel niet of nauwelijks in staat zijn om in hun levensonderhoud te voorzien. |
|
|
Zorg en gezondheid |
Apotheek |
Openbare apotheken en apotheekhoudende huisartsen |
|
Consultatiebureau (CJG) |
Locatie voor medische basiszorg en preventie bij alle kinderen van 0 tot 4 jaar uitgevoerd door de GGD. |
|
|
Fysiotherapeut |
Zelfstandige fysiotherapeuten. Geen ergo-of oefentherapeuten. |
|
|
Huisarts |
Zelfstandig gevestigde huisartsen en HIDHA's (huisarts in dienst van een huisarts). Géén artsen in opleiding. |
|
|
Tandarts |
Zelfstandig gevestigde tandartsen(praktijk). Géén mondhygiënisten of orthodontisten. Géén artsen in opleiding. |
|
|
Verpleeghuis |
Locaties voor intramurale zorg voor oudere inwoners die niet meer zelfstandig kunnen wonen. |
|
|
Dierenwelzijn |
Dierenopvang-organisaties |
Locaties of organisaties die namens of in samenwerking met de gemeente of regio noodhulp verlenen aan gedumpte, gewonde of overleden dieren, onder meer door vervoer, eerste opvang en samenwerking met dierenartsen en opvangcentra te verzorgen. |
3 Rolverdeling per subtype voorzieningen
|
Categorie |
Functie |
Mate van gemeentelijke betrokkenheid |
Rol gemeente |
Eigendom gemeente |
|
Cultuur |
Bibliotheek |
Directe wettelijke Verantwoordelijkheid |
Sturing via partners |
Ja |
|
Cultureel centrum |
Beleidsmatige verantwoordelijkheid |
Sturing via partners |
Ja |
|
|
Onderwijs |
Buitenschoolse opvang |
Geen directe betrokkenheid |
Faciliterend |
Nee* |
|
Kinderdagverblijf |
Geen directe betrokkenheid |
Faciliterend |
Nee* |
|
|
Primair onderwijs |
Directe wettelijke Verantwoordelijkheid |
Sturing via partners |
Ja |
|
|
Speciaal onderwijs |
Directe wettelijke Verantwoordelijkheid |
Sturing via partners |
Ja |
|
|
Voortgezet onderwijs |
Directe wettelijke Verantwoordelijkheid |
Sturing via partners |
Ja |
|
|
Speciaal voortgezet onderwijs |
Directe wettelijke Verantwoordelijkheid |
Sturing via partners |
Ja |
|
|
Peuteropvang met VE |
Directe wettelijke Verantwoordelijkheid |
Sturing via partners |
Nee* |
|
|
Sport |
Sportaccommodatie |
Beleidsmatige verantwoordelijkheid |
Sturing via partners |
Ja |
|
Zwembad |
Beleidsmatige verantwoordelijkheid |
Sturing via partners |
Nee |
|
|
Sport en bewegen in openbare ruimte |
Directe wettelijke Verantwoordelijkheid |
Voert zelf uit |
Ja |
|
|
Speelvoorziening |
Directe wettelijke Verantwoordelijkheid |
Voert zelf uit |
Ja |
|
|
Welzijn |
Buurtcentra/wijkcentra |
Beleidsmatige verantwoordelijkheid |
Sturing via partners |
Ja |
|
Ontmoetingsplekken |
Geen directe betrokkenheid |
Faciliterend |
Nee |
|
|
Dagbesteding (o.a. leerwerkbedrijf en werkleerbedrijf SOW) |
Directe wettelijke Verantwoordelijkheid |
Sturing via partners |
Nee |
|
|
Maatschappelijke opvang (o.a. dak- en thuislozenopvang en vrouwenopvang) |
Directe wettelijke Verantwoordelijkheid |
Sturing via partners |
Nee |
|
|
Scouting |
Beleidsmatige verantwoordelijkheid |
Sturing via partners |
Nee |
|
|
Voedselbank |
Beleidsmatige verantwoordelijkheid |
Sturing via partners |
Nee |
|
|
Zorg en gezondheid |
Apotheek |
Geen directe betrokkenheid |
Faciliterend |
Nee |
|
Consultatiebureau (CJG) |
Directe wettelijke Verantwoordelijkheid |
Sturing via partners |
Nee |
|
|
Fysiotherapeut |
Geen directe betrokkenheid |
Faciliterend |
Nee |
|
|
Huisarts |
Geen directe betrokkenheid |
Faciliterend |
Nee |
|
|
Tandarts |
Geen directe betrokkenheid |
Faciliterend |
Nee |
|
|
Verpleeghuis |
Beleidsmatige verantwoordelijkheid |
Sturing via partners |
Nee |
|
|
Dierenwelzijn |
Dierenopvang/borging** |
Directe wettelijke verantwoordelijkheid |
Sturing via partners |
Nee |
*Buitenschoolse opvang, kinderdagverblijf en peuteropvang met VE kunnen zowel op particuliere locaties als op schoollocaties via onderverhuur plaatsvinden
** Directe wettelijke verplichting voor initiële opvang van zwerfdieren en berging van dode dieren. Geen wettelijke verplichting voor maar geen structurele opvang.
4 Berekening ruimtevraag zwembaden
Er is een herberekening gedaan voor de referentiewaarde voor zwembaden. Deze is gedaan op basis van een aantal gemeenten met ongeveer hetzelfde inwonersaantal. Gezien de gemiddelde inwoneraantal iets lager lag is deze hergewogen voor 77.000 inwoners die Vlaardingen nu heeft.
|
|
Inwoners |
m2 zwembaden |
m2/ 1.000 inwoners |
Zwemwater (m2) |
Zwemwater/1.000 inwoners (m2) |
|
Gouda |
76000 |
6800 |
89,47 |
1610 |
21,18 |
|
Katwijk |
66000 |
6200 |
93,94 |
1663 |
25,19 |
|
Hoorn |
73000 |
4500 |
61,64 |
973 |
13,32 |
|
Den Helder |
56000 |
7500 |
133,93 |
1021 |
18,23 |
|
Amstelveen |
95000 |
4260 |
44,84 |
1310 |
13,79 |
|
Spijkenisse |
89000 |
3800 |
42,70 |
1106 |
12,43 |
|
Gemiddelden |
75833 |
5510 |
77,75 |
1280 |
16,88 |
|
Werwogen voor 77.000 |
77000 |
5595 |
78,95 |
1300 |
17,14 |
5 Verwachte vraag op basis van vooronderzoek
In het bijgevoegde vooronderzoek zijn waarden gevonden voor 2030 en 2040. In deze bijlage staan deze resultaten met een korte toelichting.
Onderwijs
|
Onderwerp |
Huidige aanbod leerlingen/kindplekken |
Huidig aanbod locaties |
Extra behoefte tot 2030 |
Extra behoefte tot 2040 |
Extra behoefte 2030 |
Extra behoefte 2040 |
|
Primair onderwijs |
6061 leerlingen |
24 locaties |
420 leerlingen |
784 leerlingen |
3690m2 |
5860m2 |
|
Speciaal onderwijs |
256 leerlingen |
2 locaties |
30 leerlingen |
52 leerlingen |
280m2 |
460m2 |
|
Voortgezet onderwijs |
4296 leerlingen |
8 locaties |
88 leerlingen |
280 leerlingen |
2360m2 |
3630m2 |
|
Speciaal voortgezet onderwijs |
153 leerlingen |
1 locatie |
0 leerlingen |
0 leerlingen |
0m2 |
0m2 |
|
Kinderdagopvang |
1449 kindplekken |
43 locaties |
63 kindplekken |
167 kindplekken |
680m2 |
1820m2 |
|
Peuteropvang met VE |
464 kindplekken |
|
20 kindplekken |
54 kindplekken |
|
|
|
BSO |
1694 kindplekken |
32 locaties |
74 kindplekken |
198 kindplekken |
640m2 |
1720m2 |
Wat betreft onderwijs vallen drie deelonderwerpen het meest op. De eerste is de peuteropvang met voorschoolse educatie (VE). Hierbij is de groei alleen uitgedrukt in kindplekken, gezien de precieze ruimtegebruik moeilijk in te schatten is door de menging en dubbelgebruik van andere onderwijsvoorzieningen. Daarnaast valt op dat er geen extra leerlingen verwacht worden voor het speciale onderwijs. Dit kan inderdaad aan de orde zijn, echter is dit niet alleen afhankelijk van de inwonersontwikkeling binnen Vlaardingen maar door de regionale aard ook van de ontwikkelingen en de vraag naar dit type speciaal onderwijs in de regio. Tot slot is het primair onderwijs ruim de grootste ruimtevrager, voor bijna de helft van de totale m2 binnen onderwijs, hoofdzakelijk door het grote aandeel van de leeftijdsgroep die hier gebruik van maakt.
Sport
|
Onderwerp |
Huidig aanbod |
Extra behoefte tot 2030 |
Extra behoefte tot 2040 |
Extra behoefte 2030 in m2 |
Extra behoefte 2040 in m2 |
|
Sporthallen |
4 sporthallen |
0 sporthallen |
0,5 sporthal |
0m2 |
1375m2 |
|
Gymzalen en sportzalen |
7 gymzalen |
0,5 gymzaal |
1 gymzaal |
355m2 |
710m2 |
|
Zwembaden |
1 locatie |
0 locaties |
0 locaties |
0m2 |
0m2 |
|
Sporten spelen en bewegen |
182 |
openbare sport en speelplekken |
|
|
|
|
Buitensportvelden |
58 velden |
2,5 buitensportvelden |
6,5 buitensportvelden |
15000m2 |
39000m2 |
Bij sport valt vooral de vraag naar sporthallen en zwembaden op. Voor sporthallen is dit te verklaren door de opname van de twee nieuwe sporthallen, waardoor op papier geen extra vraag meer is tot 2030. De echte vraag is echter ook afhankelijk van de spreiding over de gemeente, net als bij de gymzalen en sportzalen, gezien in het kader van bewegingsonderwijs er een beschikbare voorzieningen binnen 1 km van de basisschool moet zijn. Hierdoor kan het zijn dat de vraag op papier er niet is over de gehele gemeente, maar er toch een extra voorziening nodig is. De lage vraag naar zwembaden kan verklaard worden doordat de extra vraag naar de hoeveelheid locaties gebruikt is om de toekomstige vraag in te schatten. Zoals eerder genoemd is het zelden noodzakelijk om een extra zwembad te openen in een gemeente, hierdoor wordt de vraag waarschijnlijk te laag ingeschat. Tot slot is er bij de buitensportvelden het andere uiterste te zien, waarbij dit grotendeels de vraag naar sportvoorzieningen als geheel bepaald. Hier is het belangrijk om in acht te nemen dat door efficiënter gebruik van bestaande sportvelden al een hoop terrein te behalen valt.
Welzijn
|
Onderwerp |
Huidig aanbod |
Extra behoefte tot 2030 |
Extra behoefte tot 2040 |
Extra behoefte 2030 in m2 |
Extra behoefte 2040 in m2 |
|
Buurt- en wijkcentra |
5 locaties |
0,5 locatie |
1 locatie |
375m2 |
750m2 |
|
Ontmoetingsplekken |
15 locaties |
0,5 locatie |
2 locaties |
100m2 |
400m2 |
|
Dagbesteding |
10 locaties |
0,5 locatie |
1 locatie |
200m2 |
400m2 |
|
Maatschappelijke opvang |
34 opvangplekken |
6 regulier, 2 crisis |
10 regulier, 4 crisis |
240m2 |
405m2 |
|
Scouting |
4 locaties |
0 locaties |
0,5 locatie |
0m2 |
3600m2 |
|
Voedsel- en kledingbank |
2 locaties |
0 locaties |
0 locaties |
0m2 |
0m2 |
Wat betreft welzijnsvoorzieningen valt vooral op hoe weinig ruimtevraag vraag er op papier is. Enerzijds zijn voorzieningen zoals buurt- en wijkcentra vaak kleinschaliger als bijvoorbeeld een school of een sportveld, anderzijds lijkt dit geen recht te doen in de trends die nu spelen in de maatschappij en de groeiende vraag naar dit type voorzieningen. Hier zal echter bij 5.2 dieper op in worden gegaan. Ook valt de scouting op; door de schaal per locatie betekend is er een risico dat deze parameter niet heel accuraat is. Echter is het duidelijk dat er voorlopig nog geen behoefte is aan een extra locatie of forse uitbreiding.
Gezondheid
|
Onderwerp |
Huidig aanbod |
Extra behoefte tot 2030 |
Extra behoefte tot 2040 |
Extra behoefte 2030 |
Extra behoefte 2040 |
|
Huisartsen |
35 fte |
5 fte |
8 fte |
750m2 |
1200m2 |
|
Tandartsen |
34 fte |
2 fte |
5 fte |
170m2 |
425m2 |
|
Apotheken |
10 locaties |
0,5 locaties |
1 locatie |
110m2 |
220m2 |
|
Fysiotherapeuten |
79 fysiotherapeuten |
3,5 fysiotherapeuten |
9 fysiotherapeuten |
210m2 |
540m2 |
|
Consultatiebureaus |
2 locaties |
0 locaties |
0 locaties |
|
|
|
Verpleeghuizen |
908 woonplekken |
171 woonplekken |
247 woonplekken |
|
|
Met oog op de gezondheidsvoorzieningen zie je direct de doorwerking van de verhoging van de verhoogde referentiewaarde voor huisartsen; waarbij het aanbod met een zevende van het huidige aanbod stijgt richting 2030, terwijl er maar een groei van 2.000 inwoners voorspeld is. Voor de verpleeghuizen en consultatiebureaus is er geen inschatting gemaakt van de verwachte m2 in het vooronderzoek. Dit is voor dit stuk aangevuld op basis van 70m2 per woonplek inclusief gemeenschappelijke ruimtes. Hiermee kom je op een geschatte ruimtevraag van 11.970m2 voor 2030 en 17.290m2 uit aan ruimtevraag. Echter gezien dit in het vooronderzoek niet als dusdanig genoemd is, is voor nu buiten het figuur gehouden.
Cultuur
Bij de culturele voorzieningen wordt een groei van 0,5 locatie tot 2030 en 1 locatie tot 2040 verwacht. Dit kan echter door de nieuwe wetgeving die sinds 2025 in is gegaan en de middelen die hierbij beschikbaar zijn gesteld een te lage inschatting zijn.
6 Omzetting vraag naar m2
|
Sport |
Verwachte extra vraag 2030 |
Totale vraag 2030
|
Totale vraag 2040 |
Verwachte extra vraag 2040 |
|
Sporthallen |
440m2 |
17380m2 |
18480m2 |
1540m2 |
|
Gymzalen en sportzalen |
128m2 |
5056m2 |
5376m2 |
448m2 |
|
Zwembaden |
146m2 |
5767m2 |
6132m2 |
511m2 |
|
Buitensport velden |
9240m2 |
364980m2 |
388080m2 |
32340m2 |
|
Welzijn |
Verwachte extra vraag 2030 |
Totale vraag 2030
|
Totale vraag 2040 |
Verwachte extra vraag 2040 |
|
Buurt- en wijkcentra |
112m2 |
4424m2 |
4704m2 |
392m2 |
|
Ontmoetingsplekken |
80m2 |
3160m2 |
3360m2 |
280m2 |
|
Dagbesteding |
104m2 |
4108m2 |
4368m2 |
364m2 |
|
Maatschappelijke opvang |
52m2 |
2054m2 |
2184m2 |
182m2 |
|
Scouting |
720m2 |
28440m2 |
30240m2 |
2520m2 |
|
Voedsel- en kledingbank |
14m2 |
553m2 |
588m2 |
49m2 |
|
Gezondheid |
Verwachte extra vraag 2030 |
Totale vraag 2030
|
Totale vraag 2040 |
Verwachte extra vraag 2040 |
|
Huisartsen |
150m2 |
5925m2 |
6300m2 |
525m2 |
|
Tandartsen |
78,2m2 |
3089m2 |
3284m2 |
274m2 |
|
Apotheken |
57,2m2 |
2259m2 |
2402m2 |
200m2 |
|
Fysiotherapeuten |
105m2 |
4148m2 |
4410m2 |
368m2 |
|
Verpleeghuizen |
1918m2 |
75761m2 |
80556m2 |
6713m2 |
|
Cultuur |
Verwachte extra vraag 2030 |
Totale vraag 2030
|
Totale vraag 2040 |
Verwachte extra vraag 2040 |
|
Bibliotheek |
59m2 |
2338m2 |
2486m2 |
207m2 |
|
Cultureel centrum |
239m2 |
9448m2 |
10046m2 |
837m2 |
7 Berekening wegingsfactoren trends
|
|
Basis 2030 |
2040 |
Berekening |
Te gebruiken formule per jaar |
Groei % per jaar |
|
Sterke groei |
10% |
30% |
g^5=1,10 à g=1,016 |
Y=X*1,016^t |
1,6% |
|
Lichte groei |
5% |
15% |
g^5=1,05 à g=1,0081 |
Y=X*1,0081 ^t |
0,8% |
|
Neutraal/onbekende groei |
0% |
0% |
g^5=1,00 à g=1 |
Y=X*1^t |
0% |
|
Lichte daling |
-5% |
-15% |
g^5=0,95 à g=0,992 |
Y=X*0,992^t |
-0,8% |
|
Sterke daling |
-10% |
-30% |
g^5=0,90 à g= 0,984 |
Y=X*0,984^t |
-1,6% |
g= groeifactor
X=startwaarde (in 2025)
Y= Waarde in 2030 of 2040
t= Tijd in jaren
Formules zijn dusdanig dat deze in 2030 op een totale stijging van 5 en 10% uitkomen ten opzichte van de gebruikte waardes nu. Ofwel:
Ter illustratie; als in 2025 de referentiewaarde in 100m2 per 1.000 inwoners is, zal hij dus uitkomen in 2030 op 110m2 per 1.000 inwoners bij een sterke groei, 105m2 per 1.000 inwoners bij een lichte groei etc. Als je de lijn doorzet kom je grofweg op de percentages met bijbehorende berekening in 2040 uit.
Ondersteunende Bronnen:
CBS Bevolkingsprognose 2023–2070
-
a.
Verwachte bevolkingsgroei tot 2040 ligt landelijk tussen +5% en +12%, afhankelijk van scenario en regio.
-
b.
In stedelijke gebieden kan dat tot 15% oplopen, wat vergelijkbaar is met jouw “lichte groei”-categorie.
PBL – Regionale bevolkings- en huishoudensprognose 2023–2050
-
a.
Spreekt over lichte tot sterke groei van +5% tot +20% voor stedelijke regio’s in de Randstad, met gelijktijdige vergrijzing en huishoudensverdunning.
Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP), De sociale staat van Nederland (2022)
-
a.
Signaleert een structurele toename in zorg- en welzijnsvraag van circa 5–10% per decennium, mede door vergrijzing en toename van psychische problematiek.
Trimbos-instituut, Staat van de Gezondheid (2023)
Mulier Instituut (2021), Sportaccommodaties in Nederland: trends en capaciteit
-
a.
Concludeert dat de ruimtevraag voor sportvoorzieningen gemiddeld met 5–10% per decennium stijgt in verstedelijkte gemeenten, tenzij er actief gestuurd wordt op multifunctioneel gebruik.
RIVM & PBL (2020), Nationale Omgevingsverkenning 2050
Verwacht ruimtevraagstijging van 10–20% in stedelijke gebieden, afhankelijk van bevolkingsgroei en leefstijltrends.
8 Berekening invloed trends en berekening
Onderwijs
Voor onderwijs is een afwijkende methode gebruikt ten opzichte van de andere thema’s. Eerst is de verwachte groepsgrootte tot en met 2040 bepaald
|
|
% 0 tot 4 |
% 4 tot 12 |
% 12 tot 18 |
% 2 tot 4 binnen 0 tot 4 |
% 2 tot 4 jaar |
Bron |
|
2025 |
4,1% |
8,9% |
6,40% |
40,7% |
1,6% |
CBS, jongeren per gemeente |
|
2030 |
4,0% |
9,10% |
6,10% |
40,7% |
1,6% |
CBS, StatLine (tabel 86041NED) |
|
2040 |
4,2% |
9,4% |
5,90% |
40,7% |
1,7% |
CBS |
Deze is als wegingsfactor gebruikt ten opzichte van de totale bevolkingsgroei richting 2030 en 2040. Hierbij het IHP-onderwijs waar mogelijk als basis gebruikt. Hieruit krijg je het verwachte aantal leerlingen voor iedere mijlpaal.
|
Onderwerp |
Huidig aantal (2024) |
Verwacht aantal 2030 |
Verwacht aantal 2040 |
Toename 2030 |
Toename 2040 |
|
Primair onderwijs |
6061 |
6436 |
6811 |
375 |
750 |
|
Speciaal onderwijs |
406 |
426 |
456 |
20 |
50 |
|
Voortgezet onderwijs |
4153 |
4384 |
4619 |
231 |
466 |
|
Kinderdagopvang |
1.449 |
1.450 |
1.619 |
1 |
170 |
|
Peuteropvang met VE |
464 |
464 |
519 |
0 |
55 |
|
BSO |
1.694 |
1.777 |
1.952 |
83 |
258 |
De laatste stap is het omzetten van het aantal kinderen naar vraag in m2
|
Onderwerp |
Huidige ruimtevraag |
Ruimtevraag 2030 |
Ruimtevraag 2040 |
Extra vraag 2030 |
Extra vraag 2040 |
ruimte/lln |
|
Primair onderwijs |
35841m2 |
37956m2 |
39896m2 |
2115m2 |
4055m2 |
7,7 |
|
Speciaal onderwijs |
4028m2 |
4195m2 |
4447m2 |
167m2 |
419m2 |
5,9 |
|
Voortgezet onderwijs |
32300m2 |
33749m2 |
35019m2 |
1449m2 |
2719m2 |
15,7 |
|
Kinderdagopvang |
17.473 m2 |
17.490 m2 |
19.527m2 |
17 m2 |
2.053m2 |
12,1 |
|
Peuteropvang met VE |
5.595 m2 |
5.601 m2 |
6.253m2 |
5m2 |
658m2 |
12,1 |
|
BSO |
18.705 m2 |
19.622 m2 |
21.551 m2 |
917m2 |
2.847m2 |
11,0 |
Voor de rest van de thema’s is op basis van de trends en ontwikkelingen gekeken welke de meest waarschijnlijk impact hebben en welke impact die heeft. Dit is omgezet naar een wegingsfactor zoals genoemd in 5.2 en bijlage 7.
|
|
Vergrijzing |
Gezondheids-problemen |
Multiculturaliteit |
Gemiddeld |
Effect 2030 tov vooronderzoek |
Effect 2040 tov vooronderzoek |
|
Sporthallen |
Neutraal |
Omlaag |
Omlaag |
Omlaag |
-5% |
-15% |
|
Gymzalen en sportzalen |
Omlaag |
Neutraal |
Omlaag |
Omlaag |
-5% |
-15% |
|
Zwembaden |
Neutraal |
Omhoog |
Omlaag |
Neutraal |
0% |
0% |
|
Buiten sportvelden |
Omlaag |
Omlaag |
Omlaag |
Sterk omlaag |
-10% |
-30% |
|
Spelen, sporten, bewegen |
Neutraal |
Omhoog |
Neutraal |
Neutraal tot omhoog |
0% |
0% |
|
|
Vergrijzing |
Mentale problemen |
Grotere kwetsbare bevolking |
Mutli-culturaliteit |
Gemiddeld |
Effect 2030 tov vooronderzoek |
Effect 2040 tov vooronderzoek |
|
Buurt- en wijkcentra |
Omhoog |
Omhoog |
Omhoog |
Omhoog |
Sterk Omhoog |
+15% |
+30% |
|
Ontmoetings-plekken |
Omhoog |
Omhoog |
Omhoog |
Omhoog |
Sterk Omhoog |
+15% |
+30% |
|
Dagbesteding |
Omhoog |
Omhoog |
Omhoog |
Neutraal |
Sterk Omhoog |
+15% |
+30% |
|
Maatschappelijke opvang |
Omlaag |
Omhoog |
Omhoog |
Omhoog |
Omhoog |
+5% |
+15% |
|
Scouting |
Omlaag |
Neutraal |
Neutraal |
Omlaag |
Omlaag |
-5% |
-15% |
|
Voedsel- en kledingbank |
Omlaag |
Omhoog |
Omhoog |
Omhoog |
Neutraal tot omhoog |
0% |
0% |
|
|
Vergrijzing |
Meer Mentale problemen |
Meer obesitas en fysieke problemen |
Grotere kwetsbare bevolking |
Grotere multi-culturaliteit |
Eindresultaat |
Effect 2030 tov vooronderzoek |
Effect 2040 tov vooronderzoek |
|
Huisartsen |
Omhoog |
Omhoog |
Omhoog |
Omhoog |
Omhoog |
Sterk omhoog |
+15% |
+30% |
|
Tandartsen |
Neutraal |
Omlaag |
Neutraal |
Omlaag |
Omlaag |
Neutraal |
0% |
0% |
|
Apotheken |
Omhoog |
Omhoog |
Omhoog |
Omhoog |
Neutraal |
Sterk omhoog |
+15% |
+30% |
|
Fysiotherapeuten |
Omhoog |
Neutraal |
Omhoog |
Neutraal |
Neutraal |
Omhoog |
+5% |
+15% |
|
Consultatiebureaus |
Omlaag |
Neutraal |
Neutraal |
Omhoog |
Neutraal |
Neutraal |
0% |
0% |
|
Verpleeghuizen |
Omhoog |
Omhoog |
Omhoog |
Omhoog |
Omlaag |
Sterk omhoog |
+15% |
+30% |
9 Verwachte vraag op basis van trends per sub-onderwerp
|
Thema |
Onderwerp |
Huidige vraag |
Verwachte vraag trends 2030 |
Verwachte vraag trends 2040 |
|
Onderwijs |
Primair onderwijs |
35.837m2 |
39.870m2 |
35.007m2 |
|
|
Speciaal onderwijs |
2.460m2 |
2.591m2 |
2.451m2 |
|
|
Voortgezet onderwijs |
31.360m2 |
38.869m2 |
38.542m2 |
|
|
Speciaal voortgezet onderwijs |
1.560m2 |
1.631m2 |
1.784m2 |
|
|
Kinderdagopvang |
17.473m2 |
18.157m2 |
19.249m2 |
|
|
Peuteropvang met VE |
|
|
|
|
|
BSO |
18.705m2 |
19.345m2 |
20.383m2 |
|
Totaal |
|
107.395m2 |
120.462m2 |
117.417m2 |
|
Thema |
Onderwerp |
Huidige vraag |
Verwachte vraag trends 2030 |
Verwachte vraag trends 2040 |
|
Sport |
Sporthallen |
16940m2 |
16511m2 |
15708m2 |
|
|
Gymzalen en sportzalen |
4928m2 |
4803m2 |
4570m2 |
|
|
Zwembaden |
5621m2 |
5767m2 |
6132m2 |
|
|
Sporten spelen bewegen |
|
|
|
|
|
Buitensport velden |
355740m2 |
328482m2 |
271656m2 |
|
Totaal |
|
383.229m2 |
355.563m2 |
298.066m2 |
|
Thema |
Onderwerp |
Huidige vraag |
Verwachte vraag trends 2030 |
Verwachte vraag trends 2040 |
|
Gezondheid |
Huisartsen |
5.775m2 |
5.925m2 |
7.560m2 |
|
|
Tandartsen |
3.011m2 |
3.089m2 |
3.284m2 |
|
|
Apotheken |
2.202m2 |
2.485m2 |
3.123m2 |
|
|
Fysiotherapeuten |
4.043m2 |
4.355m2 |
5.072m2 |
|
|
Consultatiebureaus |
2 locaties |
|
|
|
|
Verpleeghuizen |
73.843m2 |
83.337m2 |
104.723m2 |
|
Totaal |
|
88.875m2 |
99.191m2 |
123.762m2 |
|
Thema |
Onderwerp |
Huidige vraag |
Verwachte vraag trends 2030 |
Verwachte vraag trends 2040 |
|
Welzijn |
Buurt- en wijkcentra |
4312m2 |
4424m2 |
5645m2 |
|
|
Ontmoetingsplekken |
3080m2 |
3476m2 |
4368m2 |
|
|
Dagbesteding |
4004m2 |
4519m2 |
5678m2 |
|
|
Maatschappelijke opvang |
2002m2 |
2157m2 |
2512m2 |
|
|
Scouting |
27720m2 |
27018m2 |
25704m2 |
|
|
Voedsel- en kledingbank |
539m2 |
581m2 |
676m2 |
|
Totaal |
|
41657m2 |
42174m2 |
44583m2 |
10 Startnotitie thematisch omgevingsprogramma maatschappelijke voorzieningen
Aanleiding & context
Een passend aanbod aan sociaal-maatschappelijke voorzieningen is van belang voor het leefbaar houden van onze stad en het bereiken van onze inhoudelijke doelstellingen. In de nog door uw gemeenteraad vast te stellen omgevingsvisie is ‘Ruimte voor welzijn en maatschappelijke voorzieningen’ als deelonderwerp opgenomen. Om onze verantwoordelijkheden, ambities en doelstellingen in het sociaal domein te kunnen verwezenlijken en Vlaardingen leefbaar te houden zijn (sociaal-)maatschappelijke voorzieningen nodig. Dit zijn voorzieningen die raken aan cultuur, onderwijs, sport, welzijn en zorg en gezondheid.
Veel van deze voorzieningen hebben fysieke locaties en dus ruimte nodig om gerealiseerd te worden. Door de groei van onze stad neemt de druk op maatschappelijke voorzieningen toe. Hierdoor is er het belangrijk om een integrale benadering te hanteren, zodat diverse behoeften effectief ingevuld kunnen worden, ruimte wordt gecreëerd voor meervoudig gebruik en sectorale voorzieningen worden voorkomen waar samengestelde voorzieningen nodig zijn.
Een eerste stap is het verkrijgen van inzicht in wat ‘voldoende’ voorzieningen zijn in Vlaardingen. Daarom is in de omgevingsvisie gesteld dat ‘we in Vlaardingen concrete referentiewaarden willen vaststellen’. Deze referentiewaarden geven een beeld van de (ruimte)vraag per type maatschappelijke voorziening per 1.000 inwoners, zodat een schatting gemaakt kan worden van de benodigde hoeveelheid en ruimte voor deze voorzieningen in de toekomst. Dit onderzoek is in 2024 uitbesteed aan SWECO en in januari 2025 aangeleverd. Het bevat harde waarden die voortkomen uit het vastgestelde beleid binnen het sociale domein en dient als onderbouwing voor het programma van maatschappelijke voorzieningen. Aangezien de waarden vrijwel direct in het omgevingsprogramma opgenomen worden, is besloten het document niet vast te stellen. Dit zou anders dubbelop zijn en zonder verdere toelichting een vertekend beeld kunnen geven. Kortom, alles wat in het document staat, wordt uitgebreider behandeld in het omgevingsprogramma. Met deze referentiewaarden wordt dus de basis gelegd worden voor het thematisch omgevingsprogramma maatschappelijke voorzieningen .
Het doel van het Omgevingsprogramma Maatschappelijk Voorzieningen is het vastleggen van randvoorwaarden voor de maatschappelijke voorzieningen op basis van de opgestelde referentiewaarden. Het omgevingsprogramma dient zowel intern als extern helderheid te verschaffen omtrent de te maken keuzes en mogelijkheden voor toekomstige initiatieven en ontwikkelingen van maatschappelijke voorzieningen.
Het vaststellen van dit (niet-verplichte) programma is een bevoegdheid van het college. Desondanks vinden wij het belangrijk dat tijdens het proces vanuit zoveel mogelijk kanten input wordt opgehaald. Daarom willen wij u graag in de gelegenheid stellen ons op basis van bijgevoegde startnotitie aandachtspunten mee te geven op basis van de volgende vragen:
-Kan de raad zich, in algemeenheid, vinden in de inhoud van het programma?
-Is een presentatie van de eindversie ter informatie voldoende voor de raad? Of is er een wens om feedback te leveren op de conceptversie van het document?
-Wat voor rol ziet de raad voor de opgestelde referentiewaarden? Op welke wijze en hoe strikt willen we deze waarden meenemen in de gesprekken met ontwikkelaars/initiatiefnemers?
-Is het wenselijk om de nieuwe versie van het thematisch omgevingsprogramma maatschappelijk voorzieningen, die elke 4 jaar wordt opgesteld, samen te behandelen met de nieuwe versies van de omgevingsvisie en het vastgoedbeleid?
-Is het voldoende om de organisaties die maatschappelijke functies leveren via collega's te betrekken? Of ziet de raad mogelijkheden om deze organisaties direct te betrekken?Of is het indirect betrekken via de collega’s die hiermee in contact staan voldoende? Indien wenselijk, in welke vorm zouden we deze partijen erbij willen betrekken?
Wet- en regelgeving
Het omgevingsprogramma maatschappelijke voorzieningen is een uitvloeisel van het sub-thema ‘Ruimte voor welzijn en maatschappelijke voorzieningen’ die opgenomen is in de omgevingsvisie. De omgevingsvisie is een juridisch verplicht strategisch document onder de omgevingswet waarin de langetermijnvisie op de fysieke leefomgeving wordt vastgelegd. Het vormt hiermee de basis voor beleidskeuzes en juridische instrumenten zoals het omgevingsplan en omgevingsvergunningen. In de omgevingsprogramma’s worden de concrete acties en projecten die uit de omgevingsvisie volgen uitgewerkt, zoals ook het geval bij het omgevingsprogramma maatschappelijke voorzieningen.
Omdat het omgevingsprogramma maatschappelijke voorzieningen één thema betreft die op het schaalniveau van heel Vlaardingen wordt uitgewerkt wordt er gesproken over een ‘thematisch’ omgevingsprogramma.
Het betreft overigens geen verplicht omgevingsprogramma. Het programma is ontstaan uit de wens om meer interne en externe duidelijkheid te creëren wat betreft de vraag en het aanbod van maatschappelijke voorzieningen. Samenvattend is het programma is dus geen juridische verplichting volgend uit de omgevingsvisie.
Het programma is niet MER-plichtig, omdat er geen concrete grootschalige projecten of projecten met grote milieu-impact uit dit programma volgen waarvoor een MER nodig zou zijn. Een Milieu Effect Rapportage (MER) is een onderzoek naar de mogelijke milieueffecten van een project, dit is in dit geval dus niet aan de orde.
Vigerend beleidskader en Integraliteit beleid
Verbinding sociaal domein
De beleidsdocumenten vanuit het sociale domein vormen de basis die gebruikt is voor het bepalen van de referentiewaarden. Deze input vormt hiermee dus ook de basis voor het op te stellen omgevingsprogramma. Denk hierbij aan het IHP onderwijs, het Uitvoeringsprogramma beschermd wonen, maatschappelijke opvang en vrouwenopvang en het beleid omtrent Sporten en Spelen.
Het Omgevingsprogramma Maatschappelijk Voorzieningen is een aanvulling op het inhoudelijke beleid van de diverse richtingen binnen het sociale domein. Voor een deel van deze doelen is namelijk een fysieke vertaling nodig, denk aan sportvelden voor het beleid rondom sport en bewegen of locaties voor het bieden van voldoende maatschappelijke opvang. Het omgevingsprogramma maatschappelijke voorzieningen vormt door het bieden van duidelijke kaders omtrent de wenselijkheid en ruimtevraag van de voorzieningen een brug tussen het fysieke domein en het sociale domein.
Verbinding wonen
De grootste raakvlakken tussen het omgevingsprogramma maatschappelijke voorzieningen en het beleid omtrent wonen is te vinden in de woonzorgvisie. Zowel direct door de inclusie van verpleeghuizen in het stuk, als indirect door zorgvraag die bijvoorbeeld ouderenwoningen met zich mee brengt. Wat betreft de verpleeghuizen geldt hetzelfde als de andere stukken vanuit het sociaal domein; deze is meegenomen in de referentiewaarde, in dit geval van de verpleeghuizen. Voor de indirecte zorgvraag geldt dat dit per case moet worden afgestemd aan de hand van de kaders uit het omgevingsprogramma maatschappelijke voorzieningen.
Verbinding fysiek domein
Zoals eerder al gesteld vormt het omgevingsprogramma maatschappelijk voorzieningen een brug tussen het beleid vanuit het sociale domein en de fysieke ruimte. De wens om deze brug te slaan is door de raakvlakken met het fysieke domein opgenomen in de omgevingsvisie. De Omgevingsprogramma Maatschappelijk Voorzieningen geeft hiermee vorm aan de wens om tot een meetbaar kader te komen voor de maatschappelijke voorzieningen zoals opgenomen in de omgevingsvisie.
Verbinding vastgoed en vastgoedbeleid
Doordat een deel van de voorzieningen direct worden beheerd door de gemeente is er
een sterk raakvlak met de vastgoedafdeling en hiermee het vastgoedbeleid. Op dit moment
wordt er parallel aan het maatschappelijk voorzieningenbeleid geschreven aan dit
vastgoedbeleid. Belangrijk hierin is om duidelijk af te kaderen wat onder het vastgoedbeleid
valt en wat onder het omgevingsprogramma maatschappelijke valt. In het vastgoedbeleid
wordt met betrekking tot het maatschappelijk vastgoed het volgende opgenomen:
-
a.
Visies en uitgangspunten voor vastgoed in gemeentelijk bezit en de koppeling hier van met het inhoudelijke beleid.
-
b.
De typen vastgoed die we als gemeente wel/niet in bezit willen hebben.
-
c.
Het aankopen van (strategisch) vastgoed en het afstoten van vastgoed dat niet tot de kernportefeuille van de gemeente behoort.
-
d.
Hoe er wordt omgegaan met vastgoed in het bezit van de gemeente met betrekking tot keuzes zoals aanhouden, afstoten, renoveren, verduurzamen etc. De toegankelijkheid van gemeentelijk vastgoed voor alle inwoners, zodat iedereen, inclusief mensen met een beperking, hiervan gebruik kunnen maken (o.a. VN verdrag inclusie).
-
e.
Het beheer en administratie van de gemeentelijke vastgoedportefeuille.
Gezien bovenstaande onderwerpen dus worden opgenomen in het vastgoedbeleid vallen deze buiten de scope van het Omgevingsprogramma Maatschappelijk Voorzieningen.
Afbakening onderwerp in relatie tot de rol van de gemeente
Functies binnen het Omgevingsprogramma Maatschappelijk Voorzieningen
De afbakening voor de typen voorzieningen is van belang voor zowel de inventarisatie van de huidige maatschappelijke voorzieningen als de doorwerking naar toekomstige maatschappelijke voorzieningen.
De afbakening zoals hij is opgenomen in de referentiewaarden is gelijk aan de indeling zoals het in het omgevingsprogramma wordt aangehouden, om de inhoud zo eenduidig mogelijk te houden. De rol van een gemeente verschilt per aard van de zorgtaak, hierom zijn de maatschappelijke voorzieningen onderverdeelt in drie subcategorieën. De eerste categorie omvat wettelijke zorgtaken; dit zijn taken waarbij een gemeente een wettelijke verplichting heeft om de voorzieningen te realiseren. Onder de tweede categorie vallen de voorzieningen met betrekking tot de coördinerende zorgtaken. Hierbij is de gemeente verantwoordelijk voor een basisniveau aan de betreffende voorzieningen maar is zij niet direct betrokken bij de uitvoering hiervan. De laatste categorie betreft de voorzieningen die onder de aanvullende zorgtaken vallen. Dit zijn voorzieningen waarbij een gemeente geen verplichting heeft om deze te realiseren, maar deze soms wel oppakt op basis van opgesteld wenselijkheid en/of beleid. De indeling van maatschappelijke functies en de type zorgtaak staat weergeven in de figuur hieronder.
|
Categorie |
Functie |
Type zorgtaak |
Schaal van organiseren |
|
Cultuur
|
Bibliotheek |
Wettelijk (vanaf 2026) |
Gemeente |
|
Cultureel centrum |
Aanvullend |
Gemeente |
|
|
Kunstgalerie |
Aanvullend |
Gemeente |
|
|
Openbaar kunstwerk |
Coördinerend |
Gemeente |
|
|
Onderwijs
|
Buitenschoolse opvang |
Coördinerend |
Gemeente |
|
Kinderdagverblijf |
Coördinerend |
Gemeente |
|
|
Primair onderwijs |
Wettelijk |
Gemeente |
|
|
Speciaal onderwijs |
Wettelijk |
Gemeente |
|
|
Voortgezet onderwijs |
Coördinerend |
Gemeente |
|
|
Speciaal voortgezet onderwijs |
Coördinerend |
Gemeente |
|
|
Peuteropvang met VE |
Wettelijk |
Gemeente |
|
|
Sport
|
Sportaccommodatie |
Wettelijk (alleen voor bewegingsonderwijs, de rest coördinerend) |
Gemeente |
|
Zwembad |
Aanvullend |
Gemeente |
|
|
Sport en bewegen in openbare ruimte |
Wettelijk |
Gemeente |
|
|
Speelvoorziening |
Wettelijk |
Gemeente |
|
|
Welzijn
|
Buurthuis / ontmoeting |
Aanvullend |
Gemeente |
|
Dagbesteding (o.a. leerwerkbedrijf en werkleerbedrijf SOW) |
Wettelijk |
Regio MVS |
|
|
Maatschappelijke opvang (o.a. dak- en thuislozenopvang en vrouwenopvang) |
Coördinerend |
Regio MVS |
|
|
Scouting |
Aanvullend |
Gemeente |
|
|
Voedselbank |
Aanvullend |
Gemeente |
|
|
Zorg en gezondheid |
Apotheek |
Coördinerend |
Gemeente |
|
Consultatiebureau (CJG) |
Coördinerend |
Regio Rijnmond / gemeente |
|
|
Fysiotherapeut |
Coördinerend |
Gemeente |
|
|
Huisarts |
Coördinerend |
Regio MVS |
|
|
Tandarts |
Coördinerend |
Gemeente |
|
|
Verpleeghuis |
Coördinerend |
Gemeente |
De rol van de gemeente
De verschillende typen zorgtaken is belangrijk om in acht te nemen, gezien de rol
van de gemeente per type zorgtaak verschilt. Bij wettelijke zorgtaken heeft de gemeente
een regisserende rol, gezien zij direct betrokken is bij de realisering van deze taken.
Bij coördinerende en aanvullende zorgtaken is er alleen een indirecte rol voor de
gemeente bij het realiseren van deze voorzieningen, waardoor zij doorgaans een meer
faciliterende rol heeft.
Dit in acht nemende kan de rol van de gemeente uitgezet worden in vier aspecten:
1. Zorgen voor een heldere visie ten aanzien van de aanwezigheid, huisvesting en gebruik van maatschappelijke voorzieningen binnen de stad en diverse wijken;
2. Regisseren op vraag en aanbod van maatschappelijke voorzieningen, met oog voor de diverse wijken en doelgroepen;
3. Zorgen voor goede benutting van de maatschappelijke voorzieningen, door het faciliteren van inwoners en (maatschappelijke) organisaties;
4. Zorgdragen voor duidelijke kaders, afspraken en werkwijzen voor het samen werken aan een prettige stad.
Van thema breed naar gebiedsgericht
Het Omgevingsprogramma Maatschappelijk Voorzieningen maakt inzichtelijk wat de bestaande
voorzieningenstructuur in Vlaardingen is en wat de ontwikkelbehoefte is vanuit de
domeinen en wijken. Het is daarnaast een instrument om prioriteiten te kunnen stellen,
welke maatschappelijke voorzieningen in welke wijken de hoogste prioriteit hebben.
Deze zullen op brede schaal worden opgenomen in het omgevingsprogramma. Echter dient
de vertaling van de doelen die genoemd worden in programma nog nadere uitwerking te
vinden op wijkniveau.
Planning
Q1 2025
Ambtelijk: Oplevering ‘Referentiewaarden maatschappelijke voorzieningen gemeente Vlaardingen’
Ambtelijk: Opstellen Consulterende Raadsmemo ‘Startnotitie Thematisch Omgevingsprogramma Maatschappelijk Voorzieningen’
College: Presentatie ‘Referentiewaarden maatschappelijke voorzieningen gemeente Vlaardingen’
Q2 2025
Raad: Presentatie ‘Referentiewaarden maatschappelijke voorzieningen gemeente Vlaardingen’ en behandeling ‘Startnotitie Thematisch Omgevingsprogramma Maatschappelijk Voorzieningen’ als consulterende memo
Ambtelijk: Informatie ophalen inhoudelijke collega’s
Ambtelijk: Concept ‘Thematisch Omgevingsprogramma Maatschappelijk Voorzieningen’
Q3 2025
Ambtelijk: Ophalen feedback conceptversie(s)
College: Ophalen feedback conceptversie
Q4 2025
Ambtelijk: Definitieve versie ‘Thematisch Omgevingsprogramma Maatschappelijk Voorzieningen’
College: Vaststelling definitieve versie
Ambtelijk: Presentatie definitieve versie
Raad: Presentatie definitieve versie
Aanpak
Werkwijze
Als eerste stap is de wens voor beleid omtrent de ruimtelijke vertaling van de gewenste
maatschappelijke voorzieningen opgenomen in de omgevingsvisie. Hierin staat de behoefte
om onderzoek te laten doen om tot een objectief beeld te komen over wat er nu en in
de toekomst gewenst is met oog op de fysieke vertaling van maatschappelijke voorzieningen.
Hiervoor is SWECO ingehuurd om het ‘Referentiewaarden maatschappelijke voorzieningen
gemeente Vlaardingen’ uit te voeren. Deze is in januari 2025 opgeleverd. Deze referentiewaarden
geven een beeld van de ruimtevraag naar voorzieningen op basis van het bestaande voorzieningenniveau,
landelijke eisen en/of het bestaande beleid en vormen dus de basis voor het omgevingsprogramma
maatschappelijke voorzieningen.
Het vervolg is het opstellen van het betreffende thematische omgevingsprogramma maatschappelijke voorzieningen. Hierbij wordt er een multidisciplinaire ambtelijke werkgroep opgesteld. Aan de betrokken collega’s wordt input gevraagd vanuit hun ervaring en wordt daarnaast verzocht om input op te halen bij de partijen die de maatschappelijke voorzieningen verzorgen binnen Vlaardingen om zo te waarborgen dat het omgevingsprogramma maatschappelijke voorzieningen niet alleen aansluit bij de vraag binnen de gemeente maar ook in praktijk haalbaar en wenselijk is.
Daarnaast wordt de raad betrokken via een startnotitie om feedback en invulling te geven aan het op te stellen programma en zal de eindversie ter informatie worden gepresenteerd aan de raad. Ook zal er een toelichting worden gegeven van het referentiewaarden onderzoek een de raad.
Het is van groot belang dat het document niet alleen opgesteld wordt, maar dat deze ook bruikbaar is voor de collega’s die betrokken zijn bij de beoordeling van deze initiatieven en ontwikkelingen. Hierom zal er tijdens het proces ook nadrukkelijk worden bekeken of de kaders zoals ze opgesteld zijn ook in de praktijk toepasbaar zijn. Ook moet er ruimte zijn om dit na een periode te evalueren en aan te passen indien dit gewenst is.
Om dit te kunnen waarborgen en om eventuele aanpassingen te doen aan de referentiewaarden op basis van nieuw opgesteld beleid is het wenselijk om het document elk jaar te actualiseren. Hiermee kunnen wijzigingen in het beleid tijdig doorgevoerd worden in het thematisch omgevingsprogramma maatschappelijk voorzieningen en blijft er grip op de koers die we als gemeente moeten inzetten om in 2030 en 2040 respectievelijk het gewenste voorzieningenniveau te bereiken. Elke vier jaar zal er een compleet nieuwe versie worden opgesteld waarbij er niet alleen naar de inhoud, maar ook kritisch naar de vorm van het gehele document zal worden gekeken, denk hierbij aan het reflecteren op en het opnemen van nieuwe doeldata na het bereiken van 2030.
Risico’s
Spanningsveld tussen benodigde striktheid en noodzakelijke flexibiliteit
Het eerste risico ligt hem in de nuances van de referentiewaarden zoals ze worden meegenomen in het document. Het is van hoogst belang om dit zeer nauwkeurig en duidelijk te verwoorden. Indien er geen afwijkingsmogelijkheden zijn zien externe/ontwikkelende partijen allicht af van een ontwikkeling die wel wenselijk is, maar niet aan de eisen van de referentiewaarden kan voldoen. Denk hierbij aan een zorgflat voor ouderen, waarbij er niet kan worden voldaan aan de eisen die zouden ontstaan voor schoolgebouwen. In dit soort gefundeerde gevallen zou moeten kunnen worden afgeweken van de gestelde normen. De andere kant van de medaille is dat als er te veel speelruimte wordt gegeven er moeilijkheden kunnen ontstaan bij onderhandelingen bij partijen en er allicht te vaak vanaf geweken wordt en het document dan overbodig kan worden.
Gebrek aan monitoring en onvoldoende feedbackmechanismen
Dit spanningsveld hangt nauw samen met de noodzaak voor monitoring en risico dat er op volgt als dit onvoldoende wordt gedaan. Indien het document als onvoldoende toepasbaar wordt gezien door de ambtelijke collega’s zal deze niet gebruikt worden en zullen de doelen niet nagestreefd worden. Logisch risico dat hier op volgt is dat de gestelde referentiewaarden niet gehaald worden. Hierom is het belangrijk dat er genoeg feedbackmomenten zijn tijdens de opstelling van het document, maar ook na de vaststelling hiervan. Om het document zo relevant en toepasbaar mogelijk te houden en de resultaten te monitoren is het dus belangrijk dat er een jaarlijkse herziening plaatsvind van het omgevingsprogramma maatschappelijke voorzieningen.
Beperkt geografisch en demografisch inzicht
Tot slot is voor omgevingsprogramma maatschappelijk voorzieningen alleen onderzoek gedaan naar de referentiewaarden op het niveau van heel Vlaardingen. Het ontbreken van een gedegen onderzoek naar de geografische spreiding van voorzieningen en de demografische verschillen tussen wijken vormt een risico voor de bruikbaarheid van het omgevingsprogramma maatschappelijk voorzieningen in de praktijk. Het programma biedt wel algemeen geldende kaders, maar heeft idealiter nog verdieping nodig om ruimtelijke plannen effectief te beoordelen en in te richten. Het risico dat hieruit volgt is dat plannen, of gebieden, die afwijken van de norm moeilijk te beoordelen zijn, wat de toepasbaarheid van het omgevingsprogramma maatschappelijk voorzieningen in de praktijk verminderd. Hierom is het, zoals genoemd bij de afbakening, raadzaam om na de opstelling van het omgevingsprogramma maatschappelijk voorzieningen nog verder onderzoek te doen op wijkniveau.
Ziet u een fout in deze regeling?
Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl.
Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl