Permanente link
Naar de actuele versie van de regeling
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR761109
Naar de door u bekeken versie
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR761109/1
Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Wassenaar 2026
Geldend van 25-04-2026 t/m heden
Intitulé
Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Wassenaar 2026Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Wassenaar;
gelet op Titel 4.3 van de Algemene wet bestuursrecht, de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Wassenaar 2026 en de Nadere regels maatschappelijke ondersteuning gemeente Wassenaar 2026;
overwegende dat het college met betrekking tot de beoordelingsvrijheid bij de uitvoering van de wet het noodzakelijk vindt om aan te geven op welke wijze daarmee wordt omgegaan en daartoe beleidsregels wenst vast te stellen;
Besluit, onder gelijktijdige intrekking van de Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Wassenaar 2017, vast te stellen de navolgende;
Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Wassenaar 2026 met als bijlage 1 een lijst met algemeen gebruikelijke voorzieningen.
Hoofdstuk 1. Begrippen
In dit document zijn de beleidsregels Maatschappelijke ondersteuning gemeente Wassenaar 2026 beschreven. Het document bevat een uitwerking van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Wassenaar 2026.
Met deze beleidsregels geeft de gemeente richting aan de wijze waarop de wettelijke taken worden uitgevoerd. Ze beschrijven hoe aanvragen worden beoordeeld, welke criteria worden gehanteerd en welke rechten plichten gelden zowel voor inwoners als de gemeente. De regels zorgen voor transparantie en rechtsgelijkheid, zodat inwoners weten waar zij aan toe zijn en professionals een duidelijk kader hebben voor hun afwegingen.
Artikel 1. Begripsbepalingen
Alle definities die in deze regeling worden gebruikt, hebben dezelfde betekenis als in de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, de hierop gebaseerde algemene maatregelen van bestuur, uitvoeringsbesluiten en de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Wassenaar 2026.
In deze beleidsregel wordt verstaan onder:
College: Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Wassenaar, inclusief de consulenten die bevoegd zijn om namens het college besluiten te nemen op basis van de mandaatregeling gemeente Wassenaar 2024;
Inwoner: Cliënt zoals bedoeld in de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;
Verordening: Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Wassenaar 2026;
Wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;
Hoofdstuk 2. Melding en onderzoek
Artikel 2.1 Melding
(Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, artikel 2.3.2 lid 1. Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Wassenaar 2026, Hoofdstuk 2, artikel 2.)
De wettelijke procedure begint met een melding. Dit betekent dat de inwoner bij het college aangeeft dat er een hulpvraag voor maatschappelijke ondersteuning is, dit heet een melding. De inwoner kan de melding zelf doen, maar ook iemand anders kan dit doen. Denk aan een vertegenwoordiger, mantelzorger, partner, familielid, casemanager, hulpverlener of een andere betrokken persoon.
De melding kan op verschillende manieren worden gedaan, namelijk: telefonisch, persoonlijk, schriftelijk of de inwoner kan via de website van de gemeente een digitaal meldingsformulier invullen. Het college zorgt ervoor dat de hulpvraag juist wordt geregistreerd.
Het college verstuurt een schriftelijke ontvangstbevestiging nadat de hulpvraag is geregistreerd.
De inwoner neemt bij voorkeur eerst contact op met de toegang van het Sociaal Team Wassenaar. Daar wordt uitgevraagd of de inwoner mogelijk gebruik kan maken van gebruikelijke voorzieningen en/of voorzieningen in het voorliggend veld en/of in staat is om het ervaren probleem op eigen kracht op te lossen. Wanneer dit niet mogelijk blijkt te zijn, gaat de melding door naar een Wmo-consulent van de gemeente. De consulent neemt contact op met de inwoner om de hulpvraag te bespreken. Dit kan telefonisch of tijdens een huisbezoek.
Artikel 2.1.1 Verkorte route
Het college hoeft niet elke melding uitgebreid te onderzoeken. Wanneer een inwoner bekend is bij het college omdat er al eerder een onderzoek heeft plaatsgevonden en de situatie van de inwoner niet veranderd is, is het mogelijk voor een inwoner gelijk een aanvraag te doen voor een maatwerkvoorziening.
Wanneer er al veel recente informatie over de inwoner bekend is, volstaat een verkort onderzoek. Er hoeft dan geen uitgebreid onderzoek plaats te vinden. Het starten van een verkort onderzoek gaat altijd in overleg met de inwoner. Een verkort onderzoek kan handig zijn bij bijvoorbeeld een herindicatie, enkelvoudige problematiek of eenvoudige aanvragen binnen vaste kaders.
Artikel 2.1.2 Spoedprocedure
In spoedeisende situaties moet het college na de melding van de inwoner direct een tijdelijke maatwerkvoorziening verstrekken. Dit volgt uit artikel 2.3.3 van de wet. Er is dan geen tijd om de uitkomsten van het onderzoek en de aanvraag af te wachten. De omstandigheden waarin de inwoner zich bevindt moeten zodanig zijn dat uitstel van een maatregel niet mogelijk is, bijvoorbeeld door het plotseling wegvallen van de mantelzorger, tijdelijke hulp bij het huishouden of maaltijdvoorzieningen als dit door een plotselinge gebeurtenis direct noodzakelijk is.
Na het verstrekken van de tijdelijke maatwerkvoorziening doet het college altijd nog onderzoek. Wanneer de uitkomst van het onderzoek bekend is en de aanvraag van de inwoner positief is beoordeeld, dan wordt de definitieve maatwerkvoorziening verstrekt.
Als blijkt uit het onderzoek dat de maatwerkvoorziening niet passend is zal de voorziening worden beëindigd.
Artikel 2.1.3 Melding via maatschappelijke partners
Het college maakt met maatschappelijke partners afspraken over de wijze waarop zij de meldingsfase en het onderzoek namens het college kunnen uitvoeren. Als een maatschappelijke partner al recente en relevante informatie over de inwoner heeft, dan kan er meteen een aanvraag worden ingediend. Het college hoeft dan geen extra of uitgebreid onderzoek meer te doen.
Door op deze manier samen te werken met maatschappelijke partners hoeven inwoners hun situatie niet onnodig opnieuw uit te leggen. Dit zorgt ervoor dat de ondersteuning sneller kan worden gestart.
Artikel 3. Cliëntondersteuning
(Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, artikel 2.3.2 lid 3. Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Wassenaar 2026, Hoofdstuk 2, artikel 3.)
Het college informeert de inwoner over de mogelijkheid om kosteloos onafhankelijke ondersteuning te krijgen. Deze ondersteuner kan helpen tijdens het gesprek met het college, bijvoorbeeld door de hulpvraag goed te verwoorden of te helpen bij het maken van keuzes. Het belang van de inwoner is daarbij steeds het uitgangspunt.
De inwoner mag zelf kiezen wie hem of haar ondersteunt. Dit kan iemand uit de eigen kring zijn, zoals een familielid, vriend, vrijwilliger of ouderenadviseur. Het kan ook een onafhankelijk cliëntondersteuner zijn.
Stichting MEE, onderdeel van het Sociaal Team Wassenaar, biedt aan inwoners van de gemeente Wassenaar cliëntondersteuning. Iedere inwoner kan rechtstreeks contact opnemen daarvoor is geen toestemming van het college nodig.
In de schriftelijke ontvangstbevestiging van de melding (zoals genoemd in artikel 2.1) wijst het college de inwoner altijd op deze mogelijkheid.
Wanneer de consulent een afspraak maakt voor een huisbezoek, dan vraagt hij of zij of de inwoner iemand meeneemt ter ondersteuning. Als de inwoner dit wel wil, maar niet zelf kan regelen, neemt de consulent contact op met de cliëntondersteuner van het Sociaal Team Wassenaar.
Het college biedt geen vergoeding voor cliëntondersteuners die niet zijn aangesloten bij het Sociaal Team Wassenaar. Die kosten betaalt de inwoner zelf.
Artikel 4. Persoonlijk plan
(Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 artikel 2.3.2 lid 2. Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Wassenaar 2026, Hoofdstuk 2, artikel 4.)
Het college wijst de inwoner op de mogelijkheid om een persoonlijk plan in te leveren. In dit plan geeft de inwoner aan hoe hij of zij de ondersteuning voor zich ziet. De inwoner kan dit plan zelf maken of samen met iemand uit het eigen netwerk, zoals een familielid of een professional.
Wettelijk gezien moet de inwoner het plan binnen 7 dagen na de melding inleveren. Als de termijn van 7 dagen te kort is voor de inwoner kan uitstel worden gegeven. Het plan moet in ieder geval binnen zijn voordat het onderzoek naar de ondersteuningsbehoefte start.
In het plan beschrijft de inwoner:
- -
welke problemen hij of zij heeft of ervaart;
- -
wat er al geprobeerd is om de problemen op te lossen;
- -
welke ondersteuning volgens de inwoner nodig is;
- -
wie deze ondersteuning kan bieden;
Het inleveren van een persoonlijk plan betekent niet automatisch dat het college alles uit het plan kan of zal toekennen. Het college weegt de wensen van de inwoner wel zorgvuldig mee. Als het college (een deel van) de wensen niet kan overnemen, dan wordt dit duidelijk uitgelegd in het onderzoeksverslag en/of in de beschikking.
Artikel 5. Onderzoek
(Wet maatschappelijke ondersteuning artikel 2.3.2 lid 4. Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Wassenaar 2026, Hoofdstuk 2, artikel 5.)
Een onderzoek na melding is noodzakelijk om de hulpvraag van de inwoner helder en duidelijk te krijgen. Het college voert het onderzoek, ook wel het keukentafelgesprek genoemd, het liefst uit bij de inwoner thuis. Als dat niet mogelijk is, kan de inwoner worden uitgenodigd op het gemeentekantoor of kan het college het gesprek op een andere geschikte locatie doen. Het is belangrijk dat het onderzoek samen met de inwoner wordt uitgevoerd. Als het mogelijk en/of noodzakelijk is, zijn ook mantelzorger(s), ondersteuners of wel de vertegenwoordiger van de inwoner meegenomen in het onderzoek.
Alle relevante feiten en omstandigheden van de hulpvraag zijn in het onderzoek meegenomen. Om zo goed mogelijk onderzoek te doen, zijn alle criteria die in de wet en verordening zijn genoemd, onderzocht. Het college houdt zich hierbij aan het stappenplan van de Centrale Raad van Beroep.
Tijdens het onderzoek bespreekt het college altijd een aantal vaste onderwerpen. Deze vormen de basis van het gesprek met de inwoner:
- a.
De wensen en behoeften van de inwoner, en welke persoonlijke kenmerken of voorkeuren belangrijk zijn.
- b.
De mogelijkheden van de inwoner zelf om de zelfredzaamheid of participatie te verbeteren. Dit kan met eigen kracht of met gebruikelijke hulp van huisgenoten.
- c.
De mogelijkheden van mantelzorgers of andere mensen uit het sociale netwerk om te helpen bij de zelfredzaamheid, participatie of behoefte aan beschermd wonen of opvang.
- d.
De ondersteuning die mantelzorgers zelf nodig hebben, zodat zij hun zorg goed kunnen volhouden.
- e.
De kansen om gebruik te maken van algemene voorzieningen, of van activiteiten die bijdragen aan mee kunnen doen in de samenleving. Daarbij wordt ook gekeken of algemene voorzieningen kunnen helpen bij beschermd wonen of opvang.
- f.
De mogelijkheden voor samenwerking met andere organisaties, zoals zorgverzekeraars, zorgaanbieders, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen. Het doel hiervan is om de ondersteuning zo goed mogelijk op elkaar af te stemmen.
- g.
De bijdrage in de kosten die de inwoner mogelijk moet betalen op basis van artikel 2.1.4 van de Wmo.
Het college heeft zes weken de tijd om het onderzoek uit te voeren. Indien er een wachtlijst is, informeert het college de inwoner hierover. Daarnaast is er in sommige situaties tijdens het onderzoek meer tijd nodig om tot een goede beoordeling te komen. Bijvoorbeeld als informatie van derden nodig is of als (in het geval van woningaanpassingen) het college moet uitzoeken welke noodzakelijke vergunningen geregeld moeten worden. Hierover dient gecommuniceerd te worden met de inwoner. De inwoner mag, ook al is het onderzoek nog niet afgerond, een aanvraag voor een maatwerkvoorziening indienen. Het college heeft vervolgens twee weken de tijd om een besluit te nemen.
Artikel 5.1. Onafhankelijk advies
Het kan in het onderzoek nodig zijn om advies te vragen aan een onafhankelijke deskundige om zo de hulpvraag zorgvuldig te kunnen beoordelen. Dit gebeurt bijvoorbeeld wanneer er na onderzoek nog onduidelijkheid is over:
- -
de aard of de ernst van de beperkingen;
- -
of een voorziening misschien tegen het herstel werkt (anti‑revaliderend);
- -
of het niet duidelijk is of een voorziening medisch noodzakelijk is;
- -
wat de meest passende voorziening is.
In deze situaties schakelt het college een onafhankelijke adviseur in. Deze adviseur geeft een advies, zodat het college een zorgvuldig en passend besluit kan nemen. Het college betaalt de kosten die hieraan verbonden zijn.
Artikel 5.2. Financiële mogelijkheden
De wet zegt dat het college geen ondersteuning mag weigeren op basis van het inkomen of vermogen van een inwoner. Maatschappelijke ondersteuning moet immers voor iedereen toegankelijk zijn. Wel kan het zo zijn dat iemand met voldoende financiële middelen zelf (algemene) oplossingen kan regelen. Het college mag dit tijdens het gesprek bespreekbaar maken en vragen of de inwoner de oplossingen zelf gaat regelen.
Artikel 6. Gespreksverslag
(Wet maatschappelijke ondersteuning artikel 2.3.2 lid 8. Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Wassenaar 2026, Hoofdstuk 2, artikel 5.)
De wet bepaalt dat het college een schriftelijk verslag van het onderzoek aan de inwoner moet verstrekken. Dit verslag heet het gespreksverslag. In het gespreksverslag staat informatie die tijdens het onderzoek is verzameld. Daarnaast zijn ook, indien nodig, alle medische adviezen, het persoonlijk plan, offertes of andere aanvullende informatie verwerkt.
Wanneer de uitkomsten van het onderzoek tot een maatwerkvoorziening leiden, beschrijft het plan ook voor welke maatwerkvoorziening de inwoner in aanmerking wil of kan komen. Als een inwoner het niet eens is met de uitkomsten van het onderzoek is het mogelijk alsnog een aanvraag voor een voorziening in te dienen.
De volgende onderwerpen zijn in ieder geval benoemd:
- -
De vorm van de maatwerkvoorziening, in natura of een persoonsgebonden budget.
- -
De termijn van de maatwerkvoorziening, bijvoorbeeld 2 jaar.
- -
De frequentie van de maatwerkvoorziening, bijvoorbeeld 3 uur per week.
De inwoner mag correcties en aanvullingen aanbrengen op het gespreksverslag. Deze opmerkingen worden als bijlage aan het gespreksverslag toegevoegd.
Er kan verschil zitten in de wijze waarop de termijn en frequentie is vastgelegd in het gespreksverslag. Dit is afhankelijk van het type maatwerkvoorziening. Maaltijdverzorging wordt bijvoorbeeld in minuten per week geïndiceerd, maar het is aan de inwoner zelf om, in samenspraak met de thuiszorginstantie, te bepalen hoe frequent ze dit geleverd willen hebben.
Artikel 7. Aanvraag en beschikking
(Wet maatschappelijke ondersteuning artikel 2.3.2, artikel 2.3.5 en artikel 2.3.6. Algemene Wet Bestuursrecht, artikel 1:3. Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Wassenaar 2026, Hoofdstuk 3, artikel 6, artikel 9 en artikel 10)
Na het onderzoek dient de inwoner een aanvraag in voor een maatwerkvoorziening bij het college. Dit kan de inwoner doen door het gespreksverslag te ondertekenen.
Het college heeft twee weken de tijd om de aanvraag te beoordelen. Binnen deze twee weken krijgt de inwoner een beschikking met de toekenning of afwijzing van de aanvraag.
In de beschikking zijn de rechten en plichten van de inwoner vastgelegd. Ook wordt daarin vermeld wat de voorwaarden zijn waarop een voorziening is toegekend. Het college moet ook een goede motivatie geven over hoe de voorziening de beperkingen van de inwoner compenseert. Bij deze motivatie wordt verwezen naar de verordening.
In geval van zorg in natura worden in ieder geval de volgende punten benoemd:
- -
welke maatwerkvoorziening verstrekt wordt en wat het beoogde resultaat daarvan is;
- -
de ingangsdatum en de duur van de verstrekking;
- -
of er een bijdrage in de kosten verschuldigd is en de daarbij door het college gehanteerde uitgangspunten, zoals de kostprijs van de voorziening.
In geval van een pgb worden in ieder geval de volgende punten benoemd:
- -
welke maatwerkvoorziening verstrekt wordt en wat het beoogde resultaat daarvan is;
- -
welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb;
- -
wat de hoogte van het pgb is en hoe deze is bepaald;
- -
de ingangsdatum en de duur van de verstrekking;
- -
hoe de besteding van het pgb verantwoord moet worden; en
- -
of een bijdrage in de kosten verschuldigd is en de daarbij door het college gehanteerde uitgangspunten, zoals de kostprijs van de voorziening.
Klachten- en bezwaarprocedure
In de beschikking staat ook de manier waarop inwoners in bezwaar kunnen gaan tegen het besluit van het college. Als de inwoner het niet eens is met de beschikking van het college is bezwaar bij het college en daarna beroep bij de rechtbank mogelijk. Binnen zes weken na de dagtekening van de beschikking moet de inwoner een bezwaarschrift indienen. De inwoner kan hierbij hulp krijgen van onafhankelijke cliëntondersteuning.
In bezwaar gaan is voor de inwoner meestal een moeilijk proces. Er bestaat daarom ook de mogelijkheid om samen opnieuw naar het probleem te kijken in de vorm van een informeel gesprek. Het college neemt altijd eerst contact op met de inwoner die bezwaar indient.
Hoofdstuk 3. Aanvraag maatwerkvoorziening
Artikel 8. Algemene criteria
(Algemene Wet Bestuursrecht artikel 3.2. Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, artikel 2.3.2, lid 4. Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Wassenaar 2026, hoofdstuk 3, artikel 7.)
Een inwoner kan alleen een maatwerkvoorziening krijgen als hij of zij de beperkingen in zelfredzaamheid of participatie niet op een andere manier kan oplossen.
De inwoner moet daarom eerst kijken of de problemen kunnen worden verminderd of opgelost met:
- -
eigen kracht (zelf oplossingen vinden) en/of;
- -
gebruikelijke hulp (hulp die huisgenoten normaal gesproken geven) en/of;
- -
mantelzorg en/of;
- -
hulp van andere personen uit het sociaal netwerk en/of;
- -
algemeen gebruikelijke voorzieningen (producten of diensten die iedereen normaal kan kopen en/of;
- -
algemene voorzieningen (laagdrempelige ondersteuning waarvoor geen uitgebreide aanvraag nodig is) en/of;
- -
andere voorzieningen.
Hieronder worden deze punten verder uitgelegd.
Artikel 8.1 Eigen kracht
Het college stimuleert dat een inwoner eerst zelf probeert zijn ondersteuningsvraag op te lossen. De inwoner kijkt daarbij eerst naar hulp uit het eigen sociaal netwerk, zoals partner, familie, vrienden of buren. Het is normaal dat mensen elkaar helpen wanneer iemand het tijdelijk niet alleen redt.
Alles wat een inwoner zelf kan regelen, komt vóór het inzetten van een maatwerkvoorziening. Dit kan ook ondersteuning zijn uit andere wetten, zoals de Zorgverzekeringswet (Zvw) of de Wet langdurige zorg (Wlz).
Tijdens het keukentafelgesprek geeft het college aandacht aan de eigen kracht van de inwoner en aan het netwerk om hem heen. Samen wordt gezocht naar praktische oplossingen, zodat de inwoner zo veel mogelijk zelf de regie houdt en zijn eigen kracht kan versterken.
Vooruitkijken hoort ook bij eigen kracht. Het college kijkt ook naar de levensfase van de inwoner en hoe de situatie kan veranderen. Voorbeelden hiervan zijn:
- -
verhuizen naar een kleinere woning wanneer de kinderen uit huis zijn.
- -
verhuizen naar een gelijkvloerse woning als traplopen moeilijk wordt;
- -
de woning zelf (laten) aanpassen om langer thuis te kunnen blijven wonen.
Door samen te kijken wat er mogelijk is, krijgt de inwoner meer ruimte om zelf beslissingen te nemen en oplossingen te vinden. Wat iemand kan, hangt af van de persoonlijke situatie, de beperkingen en de leerbaarheid (wat iemand kan leren of aanleren).
Het college erkent dat er grenzen zijn aan wat iemand zelf kan. Als eigen kracht en het sociaal netwerk niet voldoende zijn, kan de inwoner ondersteuning krijgen via een maatwerkvoorziening.
Wettelijk voorliggende voorzieningen
Voorliggende voorzieningen zijn voorzieningen uit andere wetten die voorrang hebben op maatwerkvoorzieningen uit de Wmo 2015.
Voorbeelden hiervan zijn:
- -
voorzieningen uit de Wet langdurige zorg (Wlz);
- -
zorg uit de Zorgverzekeringswet (Zvw);
- -
regelingen via het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV).
Tijdens het onderzoek kijkt het college altijd eerst of deze voorliggende voorzieningen passend en voldoende zijn voor de situatie van de inwoner. Als deze voorzieningen niet genoeg helpen, kan het college een aanvullende maatwerkvoorziening vanuit de Wmo aanbieden.
Wanneer een inwoner geen gebruik wil maken van een passende voorliggende voorziening, kan het college geen maatwerkvoorziening vanuit de Wmo verstrekken. Als de inwoner wel gebruik maakt van de wettelijke voorliggende voorzieningen is de inwoner op eigen kracht zelfredzaam en kan voldoende participeren.
Artikel 8.2 Gebruikelijke hulp
Gebruikelijke hulp is hulp waarvan het redelijk wordt gevonden dat een partner, ouder, inwonend kind of andere huisgenoot deze geeft. Deze personen moeten bij de inwoner in huis wonen. Welke hulp precies onder gebruikelijke hulp valt, hangt af van wie de hulp geeft en van de situatie van de inwoner. Het college moet altijd zorgvuldig onderzoeken of gebruikelijke hulp kan worden verwacht en zo ja, wat de omvang daarvan is.
Voorbeelden van gebruikelijke hulp zijn:
- -
het huishouden overnemen;
- -
meegaan naar familiebezoek of naar de (huis)arts;
- -
helpen met de administratie;
- -
de opvoeding en zorg voor kinderen op zich nemen;
- -
de inwoner stimuleren om activiteiten te ondernemen;
- -
samen activiteiten doen;
- -
helpen bij persoonlijke hygiëne;
- -
helpen bij het aanbrengen van dagstructuur.
De resultaten van het onderzoek naar gebruikelijke hulp zijn vastgelegd in het gespreksverslag. Hierin moet staan welke taken onder gebruikelijke hulp vallen en welke onder bovengebruikelijke hulp. Ook de hoeveelheid tijd die een persoon kwijt is aan de taken is opgenomen in het gespreksverslag.
Artikel 8.2.1. Overbelasting
Als een partner, ouder, volwassen kind of andere volwassen huisgenoot overbelast is of bijna overbelast raakt, verwacht het college tijdelijk geen gebruikelijke hulp. Het college onderzoekt altijd waardoor deze (dreigende) overbelasting ontstaat.
Wanneer de overbelasting komt door een combinatie van maatschappelijke activiteiten en een volledige school- of werkweek, dan gaat gebruikelijke hulp voor. Dit betekent dat maatschappelijke activiteiten tijdelijk verminderd of stopgezet kunnen worden.
Als een inwoner kiest voor een pgb (persoonsgebonden budget), dan let het college extra goed op mogelijke overbelasting. Een pgb vraagt namelijk extra taken en verantwoordelijkheid, zoals het regelen van de zorg en administratieve werkzaamheden. Daarom onderzoekt het college zorgvuldig of de mantelzorger deze extra belasting kan volhouden.
Artikel 8.2.2 Gebruikelijke hulp bij huishoudelijke ondersteuning
Als een inwoner huisgenoten heeft die de huishoudelijke taken kunnen doen, verwacht het college dat zij deze taken overnemen. Een leefeenheid (het huishouden) is samen verantwoordelijk voor het huishoudelijke werk. Van volwassen huisgenoten verwachten wij dat zij, naast werk, school of andere bezigheden, een huishouden kunnen voeren.
Van een huisgenoot tussen de 18 en 23 jaar veronderstelt het college dat deze huisgenoot een eenpersoonshuishouden kan voeren. Van een huisgenoot van 23 jaar of ouder acht het college dat de huisgenoot volledige gebruikelijke zorg kan leveren, dus ook voor een meerpersoonshuishouden.
De huishoudelijke taken voor een éénpersoonshuishouden zijn:
- -
schoonhouden van sanitaire ruimte;
- -
schoonhouden van keuken en een kamer;
- -
de was doen;
- -
boodschappen doen;
- -
maaltijd verzorgen;
- -
afwassen en opruimen.
Huisgenoten van 23 jaar en ouder zijn in het algemeen ook in staat eventuele jongere gezinsleden te verzorgen en te begeleiden.
Kinderen helpen mee in het huishouden naar leeftijd en ontwikkeling. De inzet van kinderen mag niet ten koste gaan van hun welzijn en ontwikkeling, zoals schoolprestaties. Er wordt altijd gekeken naar wat haalbaar is voor het kind.
Richtlijnen:
- -
Kinderen tot 5 jaar: leveren geen bijdrage aan het huishouden.
- -
Kinderen van 5 tot 12 jaar: helpen naar eigen mogelijkheden met lichte taken, bijvoorbeeld: opruimen, tafel dekken en afruimen, afwassen en afdrogen, een kleine boodschap doen en kleding in de wasmand doen.
- -
Kinderen vanaf 13 jaar: doen de bovenstaande taken en houden hun eigen kamer op orde: rommel opruimen, stofzuigen en het bed verschonen, en alles wat nodig is om op eigen benen te staan zoals (leren) koken.
Deze taken zijn een richtlijn, dit betekent dat het college altijd bekijkt of dit haalbaar is en op welke manier de taken kunnen worden ingevuld.
Artikel 8.3 Mantelzorg
Een mantelzorger zorgt langdurig (minimaal drie maanden, minstens acht uur per week) en onbetaald voor iemand die chronisch ziek, gehandicapt of hulpbehoevend is. Dit kan gaan om een partner, familielid, huisgenoot, vriend, kennis of collega. De zorg ontstaat uit een bestaande band, zoals familie of vriendschap. De mantelzorger en de inwoner hoeven niet in hetzelfde huis te wonen. Mantelzorg is vrijwillig en moet daadwerkelijk beschikbaar zijn. Het college kan een huisgenoot dus niet verplichten om mantelzorg te geven. Mantelzorg gaat verder dan gebruikelijke hulp. Een huisgenoot kan daardoor zowel gebruikelijke hulp als mantelzorg geven. Hoeveel mantelzorg iemand kan bieden, verschilt per persoon. Dit hangt af van de situatie, de gezondheid van de mantelzorger en de soort ondersteuning die nodig is. Daarom verschilt de behoefte aan ondersteuning voor iedere mantelzorger.
Taken van een mantelzorger kunnen onder andere bestaan uit:
- -
hulp bij medische verzorging;
- -
hulp bij persoonlijke verzorging;
- -
regelen van geldzaken en administratie;
- -
verzorgen van maaltijden;
- -
hulp in het huishouden;
- -
(begeleiding bij) vervoer;
- -
bieden van gezelschap, troost en afleiding.
Er zijn grenzen aan wat een mantelzorger kan doen. Soms eist de zorg meer van de persoon, waardoor de mantelzorger overbelast raakt. Dit moet zoveel mogelijk voorkomen worden. Het inzetten van respijtzorg ontlast (deels) de mantelzorger en vergroot zo de draagkracht van de persoon. In het Wmo-onderzoek wordt expliciet gekeken naar de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger. Maatwerkvoorzieningen die kunnen worden ingezet ter ondersteuning van de mantelzorger noemen we respijtzorg, het kan dan gaan om dagbesteding, huishoudelijke ondersteuning, kortdurend verblijf of een andere voorziening waardoor de mantelzorger (tijdelijk) ontlast wordt.
Namens het college faciliteert SMOW de mantelzorgondersteuning. Mantelzorgers kunnen bij de SMOW terecht voor informatie en advies. Daarnaast heeft de SMOW als taak om de mantelzorgwaardering te realiseren namens het college.
Artikel 8.4 Sociaal netwerk
Het sociaal netwerk van een inwoner bestaat uit alle mensen met wie hij of zij contact heeft. Dit kunnen familieleden, huisgenoten of mantelzorgers zijn, maar ook buren, vrienden of mensen van een vereniging. Vaak kunnen mensen uit het sociaal netwerk een deel van de ondersteuning geven of helpen bij het organiseren ervan. Het college betrekt het sociaal netwerk actief bij het onderzoek naar de hulpvraag, wanneer dit nodig is en wanneer de inwoner dit goed vindt. Alle afspraken die met het sociaal netwerk worden gemaakt, worden vastgelegd in het gespreksverslag.
Artikel 8.5 Algemeen gebruikelijke voorzieningen
Bij het beoordelen of een voorziening algemeen gebruikelijk is, kijkt het college of de voorziening voldoet aan de volgende criteria:
- 1.
de voorziening is niet speciaal bedoeld voor mensen met een beperking;
- 2.
de voorziening is echt beschikbaar voor de inwoner;
- 3.
de voorziening draagt op een passende manier bij aan het zorgen voor een situatie waarin de inwoner zelfredzaam kan zijn of kan participeren;
- 4.
de voorziening is betaalbaar voor iemand met een inkomen op minimumniveau.
Alle criteria moeten tegelijk gelden. Pas dan is de voorziening algemeen gebruikelijk. In bijlage 1 staat een lijst met voorzieningen die het college Wassenaar als algemeen gebruikelijk beschouwt.
Artikel 8.5.1 De voorziening is niet speciaal bedoeld voor mensen met een beperking
Hier kijkt het college of de voorziening niet speciaal is ontwikkeld voor mensen met een beperking. Er zijn voorzieningen die ooit zijn ontworpen voor personen met beperkingen, maar die worden inmiddels door iedereen gebruikt. Deze voorzieningen worden dan alsnog als algemeen gebruikelijk gezien.
Om dit criterium te kunnen toetsen wordt ook gekeken of de voorziening niet specifiek is aangeboden voor mensen met een beperking. Met andere woorden: ‘Is de voorziening in de reguliere handel verkrijgbaar?’. Denk hierbij bijvoorbeeld aan een éénhendel mengkraan of een (opklapbare) beugel uit de bouwmarkt en een reguliere elektrische fiets van de fietsenwinkel.
Artikel 8.5.2 De voorziening is echt beschikbaar voor de inwoner
Een voorziening is alleen algemeen gebruikelijk als deze te koop of te gebruiken is voor de inwoner. Is de voorziening niet beschikbaar, dan is deze niet algemeen gebruikelijk.
Voorbeeld:
Een maaltijdservice die niet bezorgt in het buitengebied is voor inwoners daar niet beschikbaar en dus niet algemeen gebruikelijk voor deze inwoner.
Artikel 8.5.3 De voorziening draagt op een passende manier bij aan de zelfredzaamheid of participatie van de inwoner
Hier kijkt het college of de voorziening echt helpt bij:
- -
zelfredzaamheid: gewone dagelijkse handelingen kunnen doen en een huishouden kunnen voeren
- -
participatie: mee kunnen doen in de samenleving
Voorbeelden van voorzieningen die hierbij helpen zijn:
- -
bepaalde vervoersmiddelen, zoals een fiets
- -
voorzieningen in huis, zoals een douchekop of glijstang
Deze voorzieningen helpen iemand om bijvoorbeeld op pad te gaan, mensen te ontmoeten of dagelijkse handelingen uit te voeren.
Artikel 8.5.4. De voorziening is betaalbaar voor iemand met een inkomen op minimumniveau
De voorziening moet te betalen zijn voor iemand met een bijstandsinkomen. Lees: een dienst, hulpmiddel, woningaanpassing of andere maatregel is naar aanvaarbare maatschappelijke opvattingen onder de gehele bevolking gangbaar te achten. Dan is er sprake van het financieel dragen met een inkomen op minimumniveau.
Het college gebruikt hiervoor een vaste rekensom uit de bijzondere bijstand. Een voorziening is betaalbaar als de kosten binnen 36 maanden terugbetaald kunnen worden met 5% van de bijstandsnorm per maand.
Rekensom:
bijstandsnorm x 5% x 36 maanden
De bijstandsnorm wordt twee keer per jaar aangepast: op 1 januari en 1 juli.
Artikel 8.6 Algemene en collectieve voorzieningen
Het begrip algemene voorziening is erg breed. Het gaat om voorzieningen waar iedereen, zonder indicatie of onderzoek vooraf, gebruik van kan maken. Het college is bekend met maatschappelijke partners die algemene voorzieningen aanbieden. Voorbeelden hiervan zijn de ontmoetingspunten, automaatje van de ANWB, de Bijbus enz.
Ook collectieve voorzieningen die vrij toegankelijk zijn voor alle inwoners van Wassenaar worden gezien als voorliggende voorzieningen. Collectieve voorzieningen kunnen worden aangeboden door vrijwilligers of professionals. Het doel van deze voorzieningen is om de inwoner te helpen om zelfstandig, op eigen kracht en naar tevredenheid mee te doen aan de samenleving.
Artikel 8.7 Maatwerk
Het onderzoek naar een maatwerkvoorziening blijft altijd maatwerk. Dat betekent dat het college kan afwijken van deze regels als er bijzondere omstandigheden zijn. Dit past binnen de hardheidsclausule in artikel 31 van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Wassenaar.
Artikel 9. Aanvullende criteria maatwerkvoorzieningen
Een maatwerkvoorziening moet aan een aantal punten voldoen. Hieronder lichten wij de belangrijkste uitgangspunten toe.
Artikel 9.1 Langdurig noodzakelijk
Een maatwerkvoorziening geven wij alleen als de inwoner deze voor langere tijd nodig heeft. Of iets langdurig nodig is, hangt af van de situatie van de inwoner. Het college kijkt vooral naar de vraag: Blijft het probleem, of gaat het weer over? Is er kans dat de situatie beter of slechter wordt? Een probleem is blijvend als de beperking volgens de medische kennis niet meer kan verbeteren. Dan is er geen verwachting op herstel. De prognose van de inwoner is hierbij belangrijk.
Heeft iemand tijdelijke beperkingen die vanzelf weer overgaan? Dan komt die persoon niet in aanmerking voor een maatwerkvoorziening. Als iemand na een tijd weer zonder hulpmiddelen of aanpassingen kan functioneren, dan is het een kortdurend probleem en verwacht het college dat de inwoner dit probleem zelf oplost. Voor tijdelijke problemen korter dan zes maanden verwacht het college dat de inwoner vanuit eigen kracht een passende oplossing zoekt, bijvoorbeeld door gebruik te maken van uitleen‑ of tijdelijke verhuurvoorzieningen voor hulpmiddelen.
Als de situatie wisselt, met periodes van verbetering en terugval, wordt dit gezien als een langdurige noodzaak. Ook wanneer iemand een korte levensverwachting heeft, wordt er gesproken van een langdurige noodzaak.
Er zijn wel uitzonderingen. Soms is voor een korte periode hulp nodig, zoals voor een afzienbare periode een collectieve vervoersvoorziening (Regiotaxi) of hulp bij het huishouden, bijvoorbeeld bij een ontregeld huishouden.
Artikel 9.2 Goedkoopst adequate voorziening
De ondersteuning die het college geeft, is altijd gebaseerd op de goedkoopst passende voorziening. Dit betekent dat wanneer er meerdere voorzieningen compenseren, het college altijd de goedkoopste variant mag verstrekken. Wil een inwoner een duurdere voorziening die ook passend is? Dan moet de inwoner het verschil in kosten zelf betalen. In dat geval krijgt de inwoner de voorziening via een pgb, maar alleen als hij of zij voldoet aan de voorwaarden voor een pgb. De hoogte van het pgb wordt altijd berekend op basis van de goedkoopste passende voorziening, ook als de inwoner zelf voor een duurdere variant kiest.
Artikel 9.3 Vermijdbaarheid en voorzienbaarheid
Er wordt verwacht van inwoners dat zij op tijd nadenken over ondersteuning die in de toekomst nodig kan zijn. Soms is namelijk te voorzien dat iemand hulp of aanpassingen nodig gaat hebben, bijvoorbeeld door leeftijd of andere te verwachten beperkingen. Inwoners moeten hiermee rekening houden bij keuzes die zij maken.
Als iemand verhuist naar een woning waarvan bij de verhuizing al duidelijk is dat deze niet geschikt is, dan kan de inwoner geen woonvoorziening van het college krijgen. Dit geldt ook wanneer iemand verhuist vanwege een voorzienbare levensfase, zoals ouder worden en kleiner of gelijkvloers willen gaan wonen. Uitzondering hierop is als het college vooraf toestemming heeft verleent voor de verhuizing. Zoals gesteld in de Verordening, artikel 8, lid 6.f.
Als iemand een maatwerkvoorziening aanvraagt door een verhuizing vanuit een woning die wél geschikt was, wordt deze aanvraag afgewezen.
Dit is anders wanneer er een belangrijke reden voor de verhuizing is. In deze uitzonderlijke situaties verwachten wij dat de inwoner van tevoren contact opneemt met het college. Samen wordt dan gekeken welke voorziening de goedkoopst adequate oplossing is.
Voorbeelden van zo’n belangrijke reden zijn:
- -
gaan samenwonen;
- -
trouwen of scheiden;
- -
een nieuwe baan die zo ver weg is dat verhuizen noodzakelijk is.
Of er sprake is van een belangrijke reden, hangt altijd af van alle feiten en omstandigheden.
Artikel 9.4 Eerder verstrekte voorziening
Als een inwoner een aanvraag doet voor een voorziening die hij of zij eerder al heeft gekregen, en de normale afschrijvingstermijn nog niet voorbij is, dan kan de inwoner in beginsel geen nieuwe maatwerkvoorziening krijgen.
Er kan een uitzondering worden gemaakt als de eerdere voorziening kwijtgeraakt, beschadigd is door omstandigheden waar de inwoner niets aan kan doen of niet meer passend is. In het geval van schade verwachten wij dat de inwoner degene die de schade heeft veroorzaakt aansprakelijk stelt.
Daarnaast krijgt een inwoner nooit dubbele voorzieningen voor hetzelfde probleem. Bijvoorbeeld: voor een verplaatsingsprobleem biedt het college één voldoende passende voorziening, zoals een scootmobiel. Als deze voorziening het probleem voldoende oplost, kan de inwoner niet ook nog een handbike of driewielfiets krijgen voor hetzelfde doel.
Artikel 9.5 Aanvaardbaar niveau
Het doel van de ondersteuning is dat een inwoner weer zo zelfstandig mogelijk kan meedoen in het dagelijks leven. Er wordt daarbij gekeken naar wat past bij de situatie.
Bij deze beoordeling wordt onder andere gelet op:
- -
hoe de inwoner functioneerde voordat de beperkingen ontstonden,
- -
én hoe mensen van dezelfde leeftijd en in vergelijkbare omstandigheden functioneren zonder beperkingen.
Tegelijkertijd betekent dit niet dat alle belemmeringen kunnen worden weggenomen. Soms moet een inwoner accepteren dat er blijvende beperkingen zijn. De ondersteuning gaat daarom niet verder dan wat nodig is om zelfredzaam te zijn en te kunnen meedoen. Het gaat niet om wat de inwoner zelf graag zou willen op basis van persoonlijke voorkeur of smaak. Dat betekent bijvoorbeeld dat het college niet verplicht is om ervoor te zorgen dat iemand alle hobby’s die hij vroeger deed, ook nu nog volledig kan uitvoeren.
Artikel 10. Maximale toekenningsduur
Als uit het gesprek en het onderzoek blijkt dat een inwoner een maatwerkvoorziening nodig heeft, kijkt het college welke voorziening passend is. Ook wordt bepaald voor welke periode de inwoner deze voorziening krijgt.
Wanneer een voorziening voor onbepaalde tijd wordt toegekend, onderzoekt het college periodiek, doormiddel van een tussentijdse evaluatie, opnieuw of de inwoner de hulp nog nodig heeft.
Dit zijn de richtlijnen:
|
Voorziening |
Duur van de indicatie |
Tussentijdse evaluatie |
|
Verplaatsings- en vervoersvoorzieningen |
Zonder einddatum |
n.v.t. |
|
Woonvoorzieningen |
Zonder einddatum |
n.v.t. |
|
Huishoudelijke ondersteuning |
Zonder einddatum |
Tweejaarlijks |
|
Begeleiding (pgb of zin) |
Maximaal 2 jaar |
Jaarlijks |
|
Dagbesteding (pgb of zin) |
Maximaal 5 jaar |
Tweejaarlijks |
|
Kortdurend verblijf |
Maximaal 1 jaar |
n.v.t. |
|
Persoonsgebonden budget (pgb) voor huishoudelijke ondersteuning |
Maximaal 5 jaar |
Jaarlijks |
Hoofdstuk 4. Bijdrage in de kosten
Wanneer een inwoner gebruik maakt van voorzieningen kan het zijn dat de inwoner een eigen bijdrage verschuldigd is. Of dat zo is en de hoogte van een eventuele eigen bijdrage hangen af van het soort voorziening waar de inwoner gebruik van maakt. De eigen bijdrage wordt hieronder toegelicht.
Artikel 11. Bijdrage voor maatwerkvoorzieningen en algemene voorzieningen
(Hoofdstuk 5, artikel 15 en 16 Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Wassenaar 2026)
Sinds januari 2020 bestaat de eigen bijdrage voor maatwerkvoorzieningen van de Wmo uit het abonnementstarief, dit staat omschreven in het uitvoeringsbesluit Wmo 2015. De inwoner krijgt onafhankelijk van het inkomen een eigen bijdrage per maand opgelegd, de maximale eigen bijdrage worden jaarlijks geïndexeerd. De eigen bijdrage geldt tot de kostprijs van een voorziening is bereikt of zolang de inwoner gebruik maakt van de voorziening. De eigen bijdrage geldt ook voor het onderhoud en de verzekering van een hulpmiddel. Wanneer de inwoner tijdelijk geen gebruik maakt van de maatwerkvoorziening is het niet mogelijk om het abonnement te pauzeren. De inwoner blijft de eigen bijdrage betalen of moet de maatwerkvoorziening zelf stopzetten, waarmee de indicatie vervalt. Wanneer de inwoner opnieuw hulp wil zal deze opnieuw een hulpvraag in moeten dienen en het gehele proces doorlopen.
Naast de uitsluiting van inwoners die geen eigen bijdrage betalen vanuit het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 is er in de Verordening bepaalt dat er in een aantal situaties geen eigen bijdrage wordt opgelegd.
Hoofdstuk 5. Herziening, intrekking, terugvordering en bestrijding misbruik bij individuele voorzieningen en PGB
Artikel 12. Niet meewerken aan onderzoek
(Hoofdstuk 6, artikel 18 Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Wassenaar 2026)
Het college doet onderzoek nadat een inwoner een melding heeft gedaan. De inwoner moet daarbij alle informatie geven die nodig is om het onderzoek goed uit te voeren. Als het onderzoek niet kan worden afgerond door de inwoner zelf, kan het college de aanvraag voor een maatwerkvoorziening weigeren of afwijzen.
Het onderzoek gebeurt altijd in overleg met de inwoner.
De inwoner moet daarom:
- -
meewerken aan het keukentafelgesprek;
- -
juiste en volledige informatie geven;
- -
en toestemming geven om informatie op te vragen of te delen met andere organisaties.
Bij voorkeur komt het college op huisbezoek, omdat dit de leefsituatie het beste laat zien. Als de situatie al voldoende duidelijk is, kan het onderzoek soms ook telefonisch of per e‑mail worden gedaan. Alleen contact via elektronische berichten, zoals e‑mail of WhatsApp, is niet voldoende om een goed onderzoek uit te voeren en zal worden gezien als niet meewerken aan het onderzoek.
Als een inwoner niet meewerkt of onvoldoende informatie geeft, kan het college geen goed onderzoek doen. In dat geval kan het college niet vaststellen wat de ondersteuningsbehoefte is.
Artikel 12.1 Verzwaarde medewerkingsplicht bij een pgb
Als de inwoner in aanmerking wil komen voor een persoonsgebonden budget (pgb) geldt er een verzwaarde medewerkingsplicht. Een pgb is geen recht, maar een keuzevorm onder voorwaarden. De bewijslast van die voorwaarden ligt in belangrijke mate bij de inwoner.
Het college kan een pgb alleen verstrekken als de inwoner voldoet aan de eisen gesteld in artikel 11. Dit betekent dat het college aanvullend onderzoek doet naar de pgb-vaardigheid van de inwoner of de beheerder. Het college mag ook de niet-gecontracteerde zorgverlener en tarieven toetsen.
Als de inwoner niet aan het verzwaarde onderzoek meewerkt kan het college niet vaststellen dat er aan de pgb-voorwaarden is voldaan. Eventueel kan de inwoner alsnog in aanmerking komen voor zorg in natura (zin), maar alleen wanneer de inwoner meewerkt aan het onderzoek zoals hierboven omschreven.
Artikel 13. Gedragsafspraken en meewerken aan ondersteuning
Als een inwoner grensoverschrijdend gedrag vertoont of niet meewerkt aan de ondersteuning, mag het college de Wmo indicatie intrekken of herzien. Dit staat in artikel 2.3.10, lid 1, onderdeel d van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Het kan dan zo zijn dat de inwoner niet meer voldoet aan de voorwaarden om zorg te krijgen.
Grensoverschrijdend gedrag is ernstig wangedrag dat de hulpverlening onmogelijk of onveilig maakt, zoals agressie, intimidatie of seksueel ongewenst gedrag. Dit kan leiden tot beëindiging van ondersteuning als het structureel en goed gedocumenteerd is.
Bij grensoverschrijdend gedrag geldt dat de inwoner eerst een schriftelijke waarschuwing krijgt. Mocht er daarna nogmaals grensoverschrijdend gedrag vertoond worden kan de ondersteuning worden stopgezet.
Artikel 14. Voorkoming en bestrijding ten onrechte ontvangen voorzieningen en pgb's en misbruik of oneigenlijk gebruik
(Hoofdstuk 6, artikel 19 Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Wassenaar 2026)
De verantwoordelijkheid van de inwoner bij een maatwerkvoorziening op grond van zorg in natura (zin) is beperkt. De kosten hiervoor worden rechtstreeks door het college aan de aanbieder betaalt en de gecontracteerde aanbieders staan onder toezicht van een contractmanager.
De verantwoordelijkheid van de inwoner bij een persoonsgebonden budget is hoog. De kosten hiervoor gaan indirect via de inwoner. De inwoner moet daarom voldoen aan de voorwaarden zoals omschreven in artikel 11.
Indien de inwoner onvoldoende meewerkt aan een (her)onderzoek of niet de informatie verstrekt die noodzakelijk is voor een beoordeling kan het college:
- -
een maatwerkvoorziening op grond van zorg in natura (zin) weigeren of beëindigen;
- -
een persoonsgebonden budget (pgb) weigeren of intrekken.
Als het college vermoedt dat er sprake is van misbruik of oneigenlijk gebruik van een maatwerkvoorziening of pgb, dan vraagt het college de toezichthouder Wmo om dit te onderzoeken. De toezichthouder kan documenten opvragen, gesprekken voeren en onderzoeken hoe de voorziening of het pgb wordt ingezet.
Artikel 14.1 Oneigenlijk gebruik
Oneigenlijk gebruik is dat er formeel geleverd wordt, maar niet op de manier die is afgesproken. Het gaat dus niet altijd om fraude, maar ook om onjuist of onvoldoende gebruik. Er worden bijvoorbeeld minder uren geleverd dan afgesproken, andere zorg dan afgesproken of ongeschoolde inzet waar deskundigheid voor is vereist. Ook kan het zijn dat voorzieningen niet (meer) worden gebruikt of onjuist worden gebruikt.
Artikel 14.2 Misbruik of fraude
Misbruik of fraude betekent dat er bewust onjuiste of misleidende informatie wordt gegeven of dat er geld wordt ontvangen voor zorg die niet geleverd is. Hierbij is sprake van opzet of bewust handelen. Dit kan gaan om zorg die gedeclareerd wordt maar niet is geleverd, het pgb wordt gebruikt voor andere doelen dan waarvoor het is toegekend, er is bewust onjuiste of verzwegen informatie vanuit de inwoner gegeven waardoor een verkeerde voorziening is ingezet, er worden dubbele declaraties of soms zelf schijnzorg geleverd.
Artikel 14.3 onjuiste of onvolledige informatie
Als een inwoner door onjuiste of onvolledige informatie een voorziening of pgb heeft gekregen, valt dat onder oneigenlijk gebruik of misbruik, afhankelijk van de situatie:
- -
zonder opzet / vergissing → oneigenlijk gebruik
- -
met opzet / bewust misleidend → misbruik of fraude
In beide situaties mag het college de voorziening of het pgb herzien of intrekken, en eventueel de waarde terugvorderen. Bij fraude kan het college zwaardere maatregelen nemen, zoals melding bij de toezichthouder of andere bevoegde instanties.
Hoofdstuk 6. Overgangsrecht en slotbepalingen
Artikel 15. Evaluatie
Het gevoerde beleid wordt periodiek geëvalueerd.
Artikel 16. Geen bepalingen
In gevallen, de uitvoering van deze regeling betreffend, waarin deze regeling niet voorziet, beslist het college.
Artikel 17. Intrekking oude beleidsregels en overgangsrecht
-
1. De Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Wassenaar 2017 worden ingetrokken.
-
2. Deze beleidsregels worden aangehaald als: Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Wassenaar 2026.
Artikel 18. Inwerkingtreding en citeertitel
-
1. Deze beleidsregels treden in werking op de dag na de bekendmaking in het gemeenteblad.
-
2. Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Wassenaar 2026.
Ondertekening
Aldus vastgesteld in de vergadering van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Wassenaar op dinsdag 7 april 2026,
drs. A.P.A. Oostermeijer
gemeentesecretaris
drs. L.A. de Lange
burgemeester
Bijlage 1. Algemeen gebruikelijke voorzieningen
In deze bijlage staan dingen, ook wel voorzieningen genoemd, die het college algemeen gebruikelijk vindt. Niet alles kan worden opgenoemd, het kan dus zijn dat er voorzieningen niet op de lijst staan, maar wel algemeen gebruikelijk zijn.
Woonvoorzieningen
- -
Aanrechtblad
- -
(Mobiele) airco woonruimte
- -
Anti-sliptegels (bij nieuwbouw of renovatie)/-coating
- -
Automatische deuropener garage
- -
Badplank
- -
Bedbeugel
- -
Centrale verwarming
- -
Deurdranger
- -
Douchekop en glijstang
- -
Douchezitje (in elke uitvoering)
- -
Douchestoel op poten
- -
Drempelhulpen (binnens- en buitenshuis)
- -
Eenhendelmengkraan
- -
Handgreep/wandbeugel
- -
Hangtoilet
- -
Keukenapparatuur
- -
Losse toiletverhoger
- -
Losse Intercom (niet als onderdeel van een elektrische deuropener)
- -
Luchtbevochtiger en -ontvochtiger
- -
Meterkast met meerdere groepen
- -
Ophogen straatwerk (bij verzakking)
- -
Robotstofzuiger
- -
Sanibroyeur, dan wel tweede toilet
- -
Spoel-föhninstallatie
- -
Standaard zonwering (binnen en buiten)
- -
Stofzuiger met HEPA-filter
- -
Screens
- -
Stalling voor een fiets of driewielfiets
- -
Thermostatische kraan
- -
Toiletstoel (standaard)
- -
(Tweede) trapleuning
- -
Verhoogd toilet (6+, 10+)
- -
Vervanging van stoffen meubilair door glad meubilair
Mobiliteit
- -
Aankoppelfiets/aanhangfiets
- -
Autoaanpassingen: automatische transmissie, stuurbekrachtiging, elektrisch bedienbare ramen, warmte werend glas, cruise control, airco
- -
Bakfiets
- -
Beenzak/voetenzak/schootskleed
- -
Buggy
- -
Bromfiets
- -
Fiets, met hulpmotor/trapondersteuning en/of lage instap (voor kinderen tot 12 jaar niet algemeen gebruikelijk)
- -
Fietskar voor vervoer kinderen
- -
Ligfiets met of zonder trapondersteuning
- -
Loopfiets
- -
Opvouwbare scootmobiel
- -
Rolstoelhandschoenen
- -
Segway
- -
Snorfiets, bromfiets, scooter
- -
Spartamet (voor kinderen tot 12 jaar niet algemeen gebruikelijk)
- -
Step/elektrische step
- -
Tandem (met of zonder hulpmotor)
- -
Transportrolstoel voor incidenteel gebruik
- -
Windscherm
Voorzieningen in doelgroepgebouwen
Denk hierbij aan de gemeenschappelijke ruimten in een seniorencomplex, of een woonvoorziening specifiek voor gehandicapten.
- -
Elektrische deuropeners
- -
Intercomsysteem
- -
Onbelemmerde toegang (ook met rolstoel of scootmobiel) tot complex en berging
Ziet u een fout in deze regeling?
Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl.
Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl