Nadere regels maatschappelijke ondersteuning gemeente Wassenaar 2026

Geldend van 25-04-2026 t/m heden

Intitulé

Nadere regels maatschappelijke ondersteuning gemeente Wassenaar 2026

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Wassenaar;

gelezen in samenhang met de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Wassenaar 2026 en de Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Wassenaar 2026;

overwegende dat de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Wassenaar 2026 aan het college de bevoegdheid biedt om de verordening op onderwerpen/punten uit te werken middels nadere regels;

Besluit, onder gelijktijdige intrekking van het Financieel besluit maatschappelijke ondersteuning Wassenaar 2025, vast te stellen de navolgende;

Nadere regels maatschappelijke ondersteuning gemeente Wassenaar 2026 met als bijlage 1: Financieel besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Wassenaar 2026.

Hoofdstuk 1. Begrippen

In dit document heeft het college de Nadere regels Maatschappelijke ondersteuning gemeente Wassenaar 2026 opgenomen. Het document bevat een nadere uitwerking van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Wassenaar 2026.

In deze nadere regels is onder andere vastgelegd welke maatwerkvoorzieningen in Wassenaar worden toegekend, welke voorwaarden gelden, welke tarieven en vergoedingssystemen worden gebruikt, en hoe de gemeente omgaat met eigen bijdragen, kwaliteitseisen en verplichtingen van aanbieders en inwoners. Hiermee wordt gecreëerd dat de gemeente transparantie en voorspelbaar is en wordt gewaarborgd dat inwoners gelijkwaardig worden behandeld, ongeacht door wie of wanneer hun aanvraag wordt beoordeeld.

De nadere regels zijn bedoeld als praktisch instrument voor zowel professionals als inwoners. Ze bieden houvast bij de uitvoering, ondersteunen maatwerk waar dat passend is en zorgen tegelijk voor een duidelijke, toetsbare basis voor besluitvorming binnen het wettelijke kader van de Wmo.

Artikel 1. Begripsbepalingen

Alle definities die in deze regeling worden gebruikt, hebben dezelfde betekenis als in de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, de hierop gebaseerde algemene maatregelen van bestuur, uitvoeringsbesluiten en de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Wassenaar 2026.

In deze nadere regel wordt verstaan onder:

college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Wassenaar, inclusief de consulenten die bevoegd zijn om namens het college besluiten te nemen op basis van de mandaatregeling gemeente Wassenaar 2024;

inwoner: cliënt zoals bedoeld in de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

verordening: Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Wassenaar 2026;

wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

Hoofdstuk 2. Maatwerkvoorzieningen

(Algemene wet bestuursrecht artikel 3.2. Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, artikel 2.3.2, lid 4. Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Wassenaar 2026, hoofdstuk 3, artikel 7, lid 3, van de verordening.)

Artikel 2. Maatwerkvoorzieningen

Als uit het gesprek en het onderzoek blijkt dat er een maatwerkvoorziening nodig is, beoordeelt het college voor welke voorzieningen de inwoner in aanmerking komt. Dit geldt ook voor het vaststellen of de inwoner de voorziening in natura of in een pgb verstrekt krijgt. We kennen in Wassenaar de volgende voorzieningen:

  • -

    Verplaatsings- en vervoersvoorzieningen;

  • -

    Woonvoorzieningen;

  • -

    Huishoudelijke ondersteuning;

  • -

    Begeleiding;

  • -

    Dagbesteding;

  • -

    Kortdurend verblijf;

  • -

    Beschermd Wonen en Maatschappelijke Opvang, uitgevoerd door centrumgemeente Den Haag.

Artikel 2.1 Verplaatsings- en vervoersvoorziening

Om te kunnen participeren in de samenleving is het van belang dat een inwoner zich in en om de woning kan verplaatsen en de lokale/regionale voorzieningen kan bereiken. De inwoner moet in staat worden gesteld zijn sociale contacten te onderhouden, boodschappen te kunnen doen en deel te kunnen nemen aan sociale en culturele activiteiten. Hierbij wordt als eerste gekeken naar de eigen mogelijkheden van het sociale netwerk. Tevens wordt gekeken of de inwoner gebruik kan maken van algemene voorzieningen in Wassenaar, zoals het openbaar vervoer of voorzieningen zoals Automaatje of de Bijbus.

Uit jurisprudentie blijkt dat om te kunnen participeren de inwoner de mogelijkheden moet hebben om jaarlijks lokaal en regionaal (tot ongeveer 25 kilometer afstand vanaf de woning van de inwoner) 1.500 kilometer moet kunnen reizen. Deze omvang kan ook bereikt worden met meerdere vervoersvoorzieningen samen. In de praktijk kan dit betekenen dat een inwoner met een scootmobiel al een deel van de kilometers kan verplaatsen, indien de inwoner dan ook een Collectieve Vervoersvoorziening (Regiotaxi) nodig heeft, kan hierbij rekening worden gehouden in de aantal toegekende kilometers.

Hieronder volgt een overzicht van de verplaatsings- en vervoersvoorzieningen uit het kernassortiment van de maatwerkvoorzieningen:

  • -

    handbewogen rolstoel;

  • -

    elektrische rolstoel;

  • -

    scootmobiel;

  • -

    aangepaste fietsen;

  • -

    aangepaste buggy;

  • -

    aangepaste wandelwagen;

  • -

    CVV (Collectief Vraagafhankelijk Vervoer).

Wanneer deze voorzieningen niet voldoen, wordt gekeken naar een andere voorziening, waarbij het college als uitgangspunt neemt dat sprake moet zijn van de goedkoopst adequate voorziening. Omdat dit maatwerk is, kan dit voor elke inwoner verschillend zijn. Voorbeelden van andere verplaatsingsvoorzieningen zijn een ouder-kindtandem en een rolstoelfiets.

Artikel 2.1.1 Rolstoel

Het gaat om het verplaatsen in en om de woning. Dat betekent dat het om verplaatsingen gaat die direct vanuit de woning worden gedaan. Daarom gaat het hier om inwoners die voor het dagelijks verplaatsen zijn aangewezen op een rolstoel. Onder rolstoelvoorzieningen wordt verstaan een handbewogen rolstoel of een elektrische rolstoel inclusief de benodigde accessoires.

Als een rolstoel voor dagelijks zittend gebruik noodzakelijk is, zal zo nodig via een medisch en al dan niet ergotherapeutisch advies door het college een Programma van Eisen (PvE) worden opgesteld. In de regel wordt gebruik gemaakt van de expertise van de leveranciers.

Indien nodig, kunnen aan de rolstoel aanpassingen worden gedaan. Met aanpassingen wordt bedoeld; extra onderdelen die niet standaard op een rolstoel zitten (zoals comfort beensteunen, een werkblad of een houder voor een zuurstoffles) en die wel noodzakelijk zijn voor de inwoner. Tijdens het onderzoek wordt door het college ook rekening gehouden met belangen van eventueel aanwezige mantelzorgers. Dat kan bijvoorbeeld betekenen dat, als de mantelzorger niet in staat is de rolstoel in alle omstandigheden te duwen, een ondersteunende motorvoorziening kan worden toegekend.

Wanneer slechts incidenteel gebruik wordt gemaakt van een rolstoel, zoals wanneer de rolstoel in de auto wordt meegenomen om elders, bij het winkelen, in het ziekenhuis of bij uitstapjes, te gebruiken, kan de inwoner worden verwezen naar de uitleen of de mogelijkheid om op locatie een rolstoel te lenen/huren.

Artikel 2.1.2 Collectief Vraagafhankelijk Vervoer (CVV) en Individueel (rolstoel)taxivervoer

Bij vervoersvoorzieningen wordt eerst bekeken of de inwoner in staat is gebruik te maken van het collectief vervoer, d.w.z. de Regiotaxi. Een inwoner kan maximaal per kalenderjaar 1.500 km met het collectief vraagafhankelijk vervoer reizen tegen het tarief wat dat vastgesteld wordt door de Metropoolregio Rotterdam Den Haag (MRDH). De Regiotaxi houdt het aantal kilometers van een inwoner bij. Wanneer een inwoner op sociale indicatie samen reist met een begeleider, mag deze begeleider mee reizen tegen het kortingstarief. Wanneer dit op medische indicatie is, mag de begeleider gratis meereizen.

Als een inwoner een hogere vervoersbehoefte heeft dan de 1.500 kilometer per kalenderjaar kan van de maximale hoogte worden afgeweken. Dit kan bijvoorbeeld zijn als de inwoner zijn of haar partner in het verzorgingshuis zeer regelmatig bezoekt. Dit is echter een gemotiveerde afwijking van het aantal kilometers ten aanzien waarvan jaarlijks zal worden bekeken of deze hogere vervoersbehoefte nog noodzakelijk is.

Pas als de inwoner geen gebruik van de Regiotaxi kan maken of wanneer collectief vervoer geen passende voorziening is, wordt een andere maatwerkvoorziening verstrekt. De vraag of het collectief vervoer als voorziening voldoet aan de compensatieplicht, kan slechts beantwoord worden op grond van een onderzoek naar de (inventarisatie van) beperkingen, maar ook de persoonskenmerken en vervoersbehoeften van de inwoner.

Wanneer (op basis van medisch advies) is vastgesteld dat het collectief vraagafhankelijke vervoer voor deze inwoner niet of onvoldoende compenserend is, kan er een indicatie worden gegeven voor individueel vervoer per regiotaxi. Ook een indicatie voor rolstoelvervoer en medische begeleiding is mogelijk.

Bovenregionale vervoersdoelen

Alle bovenregionale vervoersdoelen vallen buiten de reikwijdte van de Wmo 2015. Voor vervoersbehoefte buiten de regio is de Valys aangewezen. Om Valys aan te vragen moet de inwoner beschikken over het volgende;

  • -

    een bewijs van het college dat de inwoner recht heeft op een maatwerkvoorziening in het kader van Wmo-vervoer (bijv. Wmo-Regiotaxipas) of;

  • -

    een bewijs van het college dat de inwoner recht heeft op een Wmo-(rij)hulpmiddel (bijv. Wmo rolstoel of scootmobiel);

  • -

    een gehandicaptenparkeerkaart Passagier (GPK P);

  • -

    OV-begeleiderskaart van Argonaut.

Waarvoor geldt het collectief vervoer (regiotaxi) niet?

  • 1.

    De regiotaxi mag niet worden gebruikt voor het reizen naar geïndiceerde dagbesteding. Als de inwoner niet zelfstandig van en naar de dagbesteding kan komen dan moet er een indicatie dagbesteding inclusief vervoer afgegeven te worden. De zorgaanbieder krijgt een vergoeding om het vervoer voor de inwoner te regelen. Bij een pgb voor dagbesteding krijgt de inwoner extra budget toegekend voor het vervoer van en naar de dagbesteding.

  • 2.

    Wanneer een inwoner naar het ziekenhuis moet, is de zorgverzekeraar wettelijk gezien verantwoordelijk voor de kosten.

  • 3.

    Vervoer naar en van werk of school. Uitkeringsinstantie UWV of het leerlingenvervoer regelt het vervoer naar en van het werk of school. De werkgever of school kan de inwoner daar meer over vertellen. Ook hiervoor mag géén gebruik worden gemaakt van de Wmo-taxi.

Vervoerstarief voor inwoners tot 16 jaar

Kinderen jonger dan 6 jaar reizen niet zelfstandig. Zij zijn voor vervoer afhankelijk van hun ouders of verzorgers. Vanaf 6 jaar krijgen kinderen langzaam meer zelfstandigheid. Vanaf die leeftijd kunnen zij daarom ook een aanvraag doen voor het collectieve vervoer.

Voor kinderen jonger dan 16 jaar geldt dat zij een deel van het normale tarief betalen. Dit percentage hangt af van hun leeftijd:

  • -

    Kinderen van 6 tot 12 jaar ontvangen maximaal 50% van het totale tarief.

  • -

    Kinderen van 12 tot 16 jaar ontvangen maximaal 75% van het totale tarief.

Mindering in vervoerstarief

Als partners recht hebben op een maatwerkvoorziening voor vervoer of op het Collectief Vraagafhankelijk Vervoer (CVV), en één van hen kan geen gebruik maken van het CVV, dan krijgt één partner een indicatie voor het maximumbedrag voor individueel vervoer.

Partners zijn meerderjarige personen die getrouwd zijn, een geregistreerd partnerschap hebben, een samenlevingscontract met wederzijdse zorgplicht bij de notaris hebben afgesloten of samen op hetzelfde adres staan ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BRP).

Wanneer de vervoersbehoefte om andere redenen lager is, bijvoorbeeld omdat iemand gedeeltelijk van een scootmobiel gebruik kan maken, dan kunnen de tarieven met 50% worden verlaagd.

Dit hangt af van de vraag in hoeverre de vervoersbehoefte al op een andere manier wordt opgelost.

Een andere voorziening voor lokaal verplaatsen

Als een inwoner van de gemeente al een andere voorziening heeft voor zijn vervoer, zoals een scootmobiel, driewielfiets of een ander hulpmiddel, dan kan het aantal kilometers procentueel met maximaal 50% worden verlaagd.

Dit komt omdat de maatwerkvoorziening al een groot deel van de verplaatsingsbehoefte opvangt. Daardoor is minder gebruik van het CVV nodig.

Artikel 2.1.3 Eigen vervoer

Als een inwoner zonder aanpassingen geen gebruik kan maken van zijn eigen auto en het openbaar vervoer, het collectieve vervoer of het individuele taxivervoer niet voldoen, kunnen autoaanpassingen worden vergoed. Bij autoaanpassingen wordt beoordeeld of de aanpassing algemeen gebruikelijk is (dus geen stuurbekrachtiging of cruise control). Hierbij wordt van de levensduur van minimaal 7 jaar van de aanpassingen uitgegaan (uiteraard rekening houdend met de persoonskenmerken van de inwoner op dat moment). Bij verstrekking van een autoaanpassing is het daarom noodzakelijk dat de inwoner aantoont dat de aan te passen auto de investering nog waard is en de inwoner nog minimaal 7 jaar van de auto gebruik maakt.

Het aanschaffen van de auto is verantwoordelijkheid van de inwoner zelf. Het college zal enkel de aanpassing vergoeden in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb). De hoogte van het pgb wordt vastgesteld na het beoordelen van ten minste twee offertes, aan te leveren door de inwoner. Eventueel kan deze offerte worden aangevuld met aangetoonde meerkosten voor verzekering. De uitbetaling vind plaats op declaratiebasis na het overleggen van de facturen.

De kosten voor de autoaanpassing kent het college voor een periode van zeven jaar toe, dat wil zeggen binnen 7 jaar afgeschreven. Bij een nieuwe aanvraag voor eenzelfde aanpassing binnen deze periode wordt slechts het reeds afgeschreven bedrag vergoed. Dit geldt niet bij een calamiteit.

Er vindt een toekenning plaats indien is voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • -

    belanghebbende maakt deel uit van een huishouden bestaande uit meer dan 2 personen;

  • -

    én kan geen gebruik maken van een vervoersmiddel en het openbaar vervoer, én de gezinssituatie speelt een substantiële rol in de vervoersbehoefte van belanghebbende. Dat wil zeggen: men kan aannemelijk maken dat er veelal in gezinsverband wordt gereisd;

  • -

    de eigen auto kan niet worden gebruikt als de auto niet is aangepast aan de beperkingen van belanghebbende;

  • -

    er is geen (medische) contra-indicatie om in een auto te kunnen rijden;

  • -

    de bestuurder is de aanvrager of lid van het huishouden van de aanvrager;

  • -

    de bestuurder heeft een geldig rijbewijs en is of komt in het bezit (eigenaar) van een auto, gelijktijdig met de autoaanpassing;

  • -

    er treedt naar alle waarschijnlijkheid geen ingrijpende wijziging op in de rijbevoegdheid van de bestuurder;

Ook aan de eigen auto zijn randvoorwaarden gesteld. De auto moet:

  • -

    redelijk aan te passen en in goede staat zijn;

  • -

    het goedkoopst aan te passen model zijn;

  • -

    mag niet ouder zijn dan vijf jaar en nog minimaal zeven jaar mee kunnen. Dit hoeft niet te gelden bij overplaatsbare aanpassingen.

Ten slotte dient de eigenaar zelf de aanpassingen aan de auto te verzekeren.

Artikel 2.1.4 Aangepaste fietsen

Een fiets met (extra) lage instap, fiets met ondersteuning, tandem of elektrische fiets zijn niet speciaal ontworpen voor mensen met een beperking en worden in de reguliere handel verkocht. Daarom worden deze als algemeen gebruikelijk beschouwd, ook al zijn de aanschafkosten hoger dan van een normale fiets.

Voor een inwoner jonger dan 16 jaar kan niet gesteld worden dat een aangepaste fiets algemeen gebruikelijk is. Het college zal in voorkomende gevallen moeten beoordelen of een inwoner jonger dan 16 jaar voor de beperkingen in zijn zelfredzaamheid en normale deelname aan het maatschappelijk verkeer is aangewezen op een aangepaste fiets. Dit moet blijken uit de noodzaak daarvoor: dat zal in de meeste gevallen een medische noodzaak zijn. Kort gezegd: wat zijn de beperkingen in de activiteiten en draagt de maatwerkvoorziening bij aan het opheffen of verminderen daarvan? Heeft het verstrekken van een dergelijke fiets een therapeutisch doel (in beweging blijven of afvallen), dan valt dat in principe niet onder de ondersteuningsplicht van het college.

Daarnaast bestaan fietsen zoals de driewieler, rolstoelfiets en een duofiets; deze fietsen zijn speciaal ontworpen en bestemd voor mensen met een beperking en worden alleen bij gespecialiseerde bedrijven verkocht. Deze fietsen kunnen als maatwerkvoorziening worden verstrekt.

Artikel 2.1.5 Handbike

Het verstrekken van een handbike is aan de orde als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • -

    de inwoner is volledig rolstoelgebonden;

  • -

    de inwoner heeft een vervoersbehoefte in de directe omgeving van de woning in het kader van het leven van alledag (zelf boodschappen kunnen doen, familie bezoeken, deelnemen aan hobby of andere vrijetijdsactiviteiten);

  • -

    De inwoner beschikt over voldoende verkeersinzicht om zich op veilige en verantwoorde wijze met de handbike aan het verkeer deel te nemen.

Indien de inwoner niet volledig rolstoelgebonden is en een handbike wil voor doeleinden zoals blijven bewegen en sporten word de handbike gezien als sportvoorziening.

Artikel 2.1.6 Scootmobiel

Een scootmobiel is bedoeld voor het vervoer van de korte en middellange afstanden en kan worden gebruikt als aanpassing of aanvulling op het collectief vervoer.

In basis wordt de goedkoopst adequate scootmobiel verstrekt, conform de laagste categorie in het assortiment van de gecontracteerde hulpmiddelenleverancier(s). Indien uit medische/ergonomische objectiveerbare gegevens wordt aangetoond dat die scootmobiel niet voldoet, wordt er gekozen voor een hogere categorie.

Stalling

Het stallen van de scootmobiel moet op een adequate wijze. Een aanwezige schuur, berging, garage, bijkeuken of tuinhuisje kan als adequaat worden beschouwd. Ook het afdekken van een scootmobiel met een hoes is een adequate oplossing als de inwoner, de huisgenoten of de mantelzorger daartoe in staat zijn en er een oplaadmogelijkheid voor handen is.

Als de inwoner geen mogelijkheid heeft tot het stallen van de scootmobiel, en er kan geen stalling worden gerealiseerd, zoekt het college naar een andere passende oplossing voor het ervaren verplaatsingsprobleem.

Rijlessen

Het college vindt het belangrijk dat inwoners veilig en verantwoord gebruik kunnen maken van een scootmobiel. Wanneer uit het onderzoek blijkt dat een inwoner (nog) onvoldoende vaardig, zeker of verkeersveilig is in het gebruik van een scootmobiel, kan het college als onderdeel van de maatwerkvoorziening één of meerdere scootmobiel­lessen inzetten. Deze lessen worden alleen ingezet als er geen voorliggende voorzieningen aanwezig zijn, zoals lessen met een ergotherapeut vanuit de zorgverzekering. Wanneer blijkt dat, ondanks lessen, veilig gebruik structureel niet mogelijk is, zoekt het college naar een andere passende oplossing voor het ervaren verplaatsingsprobleem.

Artikel 2.1.7 Gesloten buitenwagen

Een gesloten buitenwagen, ook wel gehandicaptenvoertuig genoemd, is een overdekt voertuig dat niet harder dan 45 km per uur rijdt en waarvoor aparte (verkeers)regels gelden. Canta is een bekend merk dat daarom ook wel als soortnaam wordt gebruikt. Een gesloten buitenwagen kan alleen een passende oplossing zijn als op medisch advies is vastgesteld dat er geen voorliggende voorzieningen voldoen om het probleem op te lossen.

Een gesloten buitenwagen is niet hetzelfde als een brommobiel. Hoewel een brommobiel ook maar 45 kilometer per uur rijdt gelden voor een brommobiel geen aparte verkeersregels. Een brommobiel is niet specifiek bedoeld voor gehandicapten en wordt als algemeen gebruikelijk beschouwd.

Artikel 2.1.8 Een ander verplaatsingsmiddel

Naast de voorzieningen die al zijn genoemd, zijn er veel andere verplaatsingsmiddelen die het college kan verstrekken, zowel in natura als via een pgb.

Denk bijvoorbeeld aan voorzieningen voor kinderen, zoals:

  • -

    aangepaste fiets- of autostoeltjes

  • -

    een wandelwagen of buggy in een bijzondere uitvoering

Als een inwoner geen gebruik kan maken van de standaardvoorzieningen, kijkt het college welke andere verplaatsingsvoorzieningen beschikbaar zijn om het probleem toch op te lossen.

Artikel 3 Woonvoorzieningen

Woningaanpassingen zijn bouwkundige of woontechnische ingrepen, die gericht zijn op compensatie van beperkingen die de inwoner ondervindt bij het normale gebruik van de woonruimte. Het gaat om onroerende, dus aard- en/of nagelvaste voorzieningen. Bij grotere bouwkundige aanpassingen aan de woning werkt het college altijd eerst met een programma van eisen, waarmee zo nodig meerdere offertes opgevraagd kunnen worden.

Hieronder volgen een aantal voorbeelden van woonvoorzieningen die het college kan realiseren:

  • -

    tillift;

  • -

    traplift;

  • -

    elektrische deuropeners;

  • -

    complexe oprijdplaten;

  • -

    losse unit;

  • -

    aanbouw met slaapkamer en natte cel.

Zoals hierboven beschreven, blijft het toekennen van een woonvoorziening maatwerk en bestaat er de mogelijkheid te kiezen voor een niet nader genoemde woonvoorziening.

Het college heeft een lijst met algemene weigeringsgronden voor het toekennen voor een woonvoorziening, welke zijn toegelicht in artikel 8 lid 6, van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Wassenaar 2026.

Artikel 3.1 Woonvoorzieningen van niet-bouwkundige of woon technische aard

Losse woonvoorzieningen hebben als voordelen dat ze vaak snel kunnen worden ingezet, soms voordeliger zijn, vaak voor meerdere doeleinden kunnen worden ingezet (bijvoorbeeld: een kantelbare douchestoel kan ook worden gebruikt om aan de wastafel te zitten of om op te zitten bij het aankleden) en meegenomen kunnen worden in geval van verhuizing. Bij het bepalen van al dan niet bouwkundige woonvoorzieningen houdt het college rekening met de belangen van mantelzorgers, zoals bij tilliften en andere hulpmiddelen die door mantelzorgers bediend moeten worden.

Losse woonvoorzieningen zijn daarom veelal voorliggend op bouwkundige woonvoorzieningen. Een losse tillift is bijvoorbeeld te verkiezen boven een plafondlift.

Losse woonvoorzieningen kunnen zowel in bruikleen als in eigendom worden verstrekt. Relatief goedkope hulpmiddelen (waarvan de kosten van transport en reiniging voor herverstrekking niet opwegen tegen de kosten van verstrekking van een nieuw hulpmiddel) zullen in eigendom worden verstrekt.

Artikel 3.2 Traplift

Een traplift is een bouwkundige woonvoorziening die bedoeld is om ergonomische belemmeringen bij het traplopen op te heffen. Voor het leveren van nieuwe dan wel hergebruikte trapliften, inclusief service, onderhoud, keuring en reparatie heeft het college een overeenkomst afgesloten met één leverancier. Alle te leveren trapliften hebben een technische levensduur van minimaal tien jaar. In principe worden in een huis geen twee trapliften aangebracht.

De plaatsing van een traplift mag niet leiden tot verslechtering van de gebruiksveiligheid van de bestaande trap voor andere gebruikers. De trap blijft voldoen aan het minimumveiligheidsniveau voor bestaande bouw (Bbl).

Artikel 3.3 Bezoekbaar maken

Het college kan, indien de inwoner in een Wlz-instelling verblijft, bijdragen aan het bezoekbaar maken van één woning in de gemeente. Het betreft hier een buitenwettelijke voorziening, omdat de inwoner ofwel geen ingezetene is van de gemeente ofwel niet zijn hoofdverblijf heeft in de woning die bezoekbaar wordt gemaakt. Onder bezoekbaar maken wordt uitsluitend verstaan het middels een woonvoorziening bewerkstelligen dat de inwoner de woonruimte, de woonkamer en een toilet kan bereiken.

Met het bezoekbaar maken van de woonruimte bedoelt het college dat de inwoners de woonruimte, de woonkamer en een toiletvoorziening kan bereiken en gebruiken. De kosten van deze maatwerkvoorziening kan oplopen tot een maximum van € 1.500,-.

Artikel 3.4 Aanpassen van gemeenschappelijke ruimtes

Aanpassingen in gedeelde ruimten van wooncomplexen voor ouderen of mensen met een beperking vallen meestal niet onder de compensatieplicht. Dit komt doordat deze aanpassingen horen bij het standaarduitrustingsniveau van dit soort gebouwen. Daarom worden ze gezien als algemeen gebruikelijk. Wel moet het college altijd onderzoeken of het gebouw specifiek bedoeld is voor ouderen of mensen met een beperking. Als dat zo is, gelden er andere verwachtingen voor wat het wooncomplex zelf hoort te regelen.

Artikel 3.5 Verhuizen

Wanneer een inwoner beperkingen ervaart in zijn of haar woning, zoekt het college altijd naar de goedkoopste passende oplossing. Soms is verhuizen de goedkoopste en beste oplossing. Hierdoor komen woningen sneller vrij en hoeven er minder aanpassingen in bestaande woningen te worden gedaan.

Het is niet mogelijk om alle afwegingsfactoren voor een verhuisbesluit precies op te sommen, omdat elke situatie anders is. Wel zijn er enkele veel voorkomende punten waarnaar wordt gekeken:

  • -

    de woonkosten en de financiële gevolgen van de verhuizing;

  • -

    de termijn waarop een geschikte woning beschikbaar komt (in verband met de medisch verantwoorde termijn);

  • -

    de sociale omstandigheden van de inwoner;

  • -

    de aanwezigheid van mantelzorg.

Het is belangrijk dat inwoners snel kunnen verhuizen naar een woning die geschikt is voor de toekomst, omdat er rekening wordt gehouden met wat medisch verantwoord is. Er is veel vraag naar dit soort woningen, terwijl het aanbod beperkt is. De inwoner kan een financiële tegemoetkoming krijgen voor de kosten die gemaakt worden voor de verhuizing.

Dubbele woonlasten

In uitzonderlijke situaties kan een indicatie afgegeven worden voor tijdelijke dubbele woonlasten (maximaal 3 maanden). Dit is wanneer een inwoner gedurende de uitvoering van de woningaanpassing niet in de (toekomstige) eigen woning kan wonen. Deze voorziening kan het bedrag dat per maand genoemd is in artikel 13 lid 1 onder a van de Wet op de huurtoeslag niet te boven gaan.

Huurderving

Aan de eigenaar van een woning kan een voorziening huurderving worden toegekend met het doel deze woning ter beschikking of opnieuw ter beschikking van een persoon met een beperking te laten komen. Deze voorziening kan alleen uitbetaald worden in de vorm van een financiële tegemoetkoming aan de eigenaar van de woning.

Voorwaarden:

  • 1.

    De hoogte van de financiële tegemoetkoming is gelijk aan de kale huur van de woning met een maximum van het bedrag genoemd in artikel 13 lid 1 onder a van de Wet op de huurtoeslag;

  • 2.

    De tegemoetkoming wordt maximaal 6 maanden verstrekt;

  • 3.

    De eerste maand huur wordt niet vergoed.

Indien de verhuurder een vergoeding wenst voor huurderving, dient hij hiervoor schriftelijk een verzoek bij het college.

Artikel 3.6 Woningsanering

Wanneer er sprake is van aantoonbare beperkingen ten gevolge van het ontstaan van COPD, astma of allergie, waarvoor vervanging van vloerbedekking of gordijnen noodzakelijk is kan hiervoor (onder voorwaarden) een indicatie worden afgegeven. Verwacht wordt dat de inwoner (of diens verzorger) zich in het vervolg bij de aanschaf van nieuwe materialen aan het Pakket van Eisen voor de woninginrichting zal houden. Ook mag verwacht worden dat betrokkene zelf maatregelen treft ter voorkoming van klachten. Woningsanering kan enkel in de vorm van een pgb worden toegekend.

In aanmerking voor vergoeding komen: vloerbedekking en overgordijnen en vitrage. Hierbij worden enkel de gangbare verblijfsruimten (woonkamer en eigen slaapkamer) gesaneerd. Bedragen worden vastgesteld op basis van Nibudprijzen (vloerbedekking en jaloezieën).

In de regel kan er een vergoeding worden verstrekt als:

  • 1.

    de allergie niet voortvloeit uit de aard van de gebruikte materialen in de woning of de bouwtechnische staat van de woning;

  • 2.

    de inwoner niet tevoren had kunnen weten dat allergie, astma of COPD zou ontstaan of verergeren;

  • 3.

    vervanging van het artikel medisch gezien op zeer korte termijn noodzakelijk is;

  • 4.

    de te vervangen artikelen ouder dan 7 jaar zijn.

Artikel 4. Huishoudelijke Ondersteuning

Het doel van huishoudelijke ondersteuning is de inwoner zoveel mogelijk in de eigen leefomgeving ondersteuning te bieden bij huishoudelijke taken, waardoor zij in staat zijn tot het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen en het voeren van een gestructureerd huishouden.

Het resultaat van de voorziening moet zijn een schoon en leefbaar huis voor de inwoner.

Een huis is schoon en leefbaar als het normaal bewoond en gebruikt kan worden en voldoet aan basis hygiëne-eisen.

Schoon staat voor: een basishygiëne borgen, waarbij vervuiling van het huis en gezondheidsrisico’s van bewoners worden voorkomen.

Leefbaar staat voor: opgeruimd en functioneel, bijvoorbeeld om vallen te voorkomen.

Voor onderbouwing van de producten wordt gebruik gemaakt van het Normenkader van Bureau HHM dat gebaseerd is op een gemiddelde cliëntsituatie. De daadwerkelijke inzet per inwoner kan verschillen.

afbeelding binnen de regeling

De gemiddelde clientsituatie zoals omschreven in het normenkader Huishoudelijke ondersteuning 2025 gemaakt door Bureau HHM

afbeelding binnen de regeling

Op basis van het HHM-normenkader zijn, in samenwerking met de aanbieders, drie producten ontwikkeld voor Huishoudelijke Ondersteuning. Elk product biedt een verschillende mate van ondersteuning, afgestemd op de behoeften van de inwoner. De drie producten zijn:

  • -

    Samen doen

  • -

    Samen aanpakken

  • -

    Samen sterk

Deze producten verschillen in intensiteit van ondersteuning. Hieronder volgt een toelichting en een beschrijving van elk product.

Samen Doen: (Lichte ondersteuning)

De inwoner of zijn netwerk doet veel zelf, de huishoudelijk medewerker ondersteunt waar nodig. De focus ligt op de eigen regie en het behoudt hiervan.

Inwoners hebben een lichtere ondersteuningsbehoefte dan de gemiddelde cliëntsituatie uit het Normenkader. Inwoners zijn zelf of samen met het netwerk nog in staat om in bepaalde mate bij te dragen aan de huishoudelijke werkzaamheden. Echter is overname nodig van enkel noodzakelijke zwaardere huishoudelijke werkzaamheden.

Voorbeelden van ondersteuning zijn: stofzuigen, dweilen, sanitair schoonmaken,

Samen Aanpakken: (Gemiddelde ondersteuning)

Samen werken aan een leefbare omgeving. De focus ligt op eigen regie en gezamenlijkheid (ook met het aanwezige netwerk).

Inwoners hebben een gemiddelde ondersteuningsbehoefte en vallen onder de gemiddelde cliëntsituatie uit het Normenkader.

Voorbeelden van ondersteuning zijn: de voorbeelden van ondersteuning van het product Samen Doen met daarbij extra toegevoegd stof afnemen laag, middenhoog, volledige schoonmaak, bed verschonen.

Samen Sterk: (Zwaardere ondersteuning)

De huishoudelijk medewerker neemt meer over, maar de samenwerking blijft centraal. Focus op overname en ondersteuning maar eigen regie blijft in beeld waar mogelijk (ook met aanwezige netwerk).

Inwoners hebben door beperkingen van de client of samenstelling van het huishouden een grotere ondersteuningsbehoefte dan opgenomen in de gemiddelde cliëntsituatie van het Normenkader. Er is sprake van verzwarende omstandigheden die leiden tot extra vervuiling of vragen om een hoger hygiëneniveau, waardoor meer inzet nodig is.

Voorbeelden van ondersteuning zijn: de voorbeelden van het product Samen Aanpakken met daarbij extra toegevoegd intensieve schoonmaak, grotere samenstelling huishouden, enige extra inzet door beperkingen of belemmeringen van de inwoner, regie/organisatie

De aanbieder maakt samen met de inwoner een ondersteuningsplan waarin wordt vastgelegd hoe en op welke manier de huishoudelijke taken worden uitgevoerd.

Artikel 4.1 Eenmalige schoonmaak bij ernstige vervuiling: (grote schoonmaak)

Bij sommige inwoners moet er vanwege een ernstig vervuild huis een eenmalige schoonmaak worden ingezet om een huis weer bewoonbaar te kunnen maken. Het product wordt ingezet voor inwoners die niet op eigen kracht of met hulp van het netwerk het huis weer bewoonbaar kunnen maken of waarbij er geen oplossing in het voorliggend veld kan worden gevonden. Van de opdrachtnemer wordt verwacht dat deze de woning eenmalig volledig opruimt en schoonmaakt, zodat een inwoner kan beschikken over een leefbare woning. Bij deze inwoner is vaak een vorm van ambulante begeleiding aan de orde, afstemming met de betrokken organisaties is van belang.

De gecontracteerde aanbieder geeft in de offerte aan wat er noodzakelijk is om het resultaat te behalen: denk hierbij aan termijnen, materialen, arbeidsuren en wat er verder noodzakelijk is voor de eenmalige schoonmaak (bijvoorbeeld afvalverwijdering).

De gecontracteerde aanbieder mag de opdracht voor de eenmalige schoonmaak uitbesteden aan een door hun geschikt bevonden partij, in de offerte zal de aanbieder dit duidelijk aangeven. De structurele huishoudelijke ondersteuning zal door de gecontracteerde aanbieder zelf uitgevoerd worden.

Artikel 4.2 Maaltijdverzorging

Onder maaltijdverzorging wordt bijvoorbeeld verstaan het verzorgen van de broodmaaltijd, koffie- en theezetten, warme maaltijd opwarmen. Het uitgangspunt voor het te behalen resultaat is dat indien nodig 1 keer per dag de broodmaaltijd wordt bereid en klaargezet en 1 keer per dag een warme maaltijd wordt opgewarmd en/of klaargezet. Voor de frequentie wordt gebruik gemaakt van het Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning van bureau HHM.

afbeelding binnen de regeling

* of minder als een inwoner hierin een deel van de week of zelf met het netwerk kan voorzien.

Tijdens het gesprek met de inwoner worden alle mogelijkheden doorgenomen en besproken voor maaltijdverzorging. Is er een huisgenoot aanwezig die in staat is de maaltijd klaar te zetten of op te warmen? Dan hoeft het college op grond van gebruikelijke hulp geen ondersteuning te bieden. Kan betrokkene op eigen kracht of met hulp van de mensen om hem heen een maaltijd verzorgen? Is bijvoorbeeld een kind of één van de buren in staat een maaltijd klaar te zetten of op te warmen? Ook wordt besproken of voorliggende voorzieningen zoals kant-en-klaar maaltijden van de supermarkt, mee-eten bij een verzorgingshuis, maaltijdbezorging aan huis etc. oplossingen bieden. Daarbij dient ook onderzocht te worden of de inwoner aanspraak kan maken op ondersteuning op grond van de Zorgverzekeringswet. Indien een persoon niet (meer) in staat is zelf of met hulp van de omgeving maaltijden te verzorgen en voorliggende voorzieningen niet of onvoldoende tot de noodzakelijke oplossing leiden, kan ondersteuning door het college worden ingezet.

De maaltijdvoorziening kan betrekking hebben op de volgende activiteiten;

  • -

    bereiding van de broodmaaltijd: broodmaaltijden smeren en klaarzetten, tafeldekken, afwassen of in- of uitruien van de vaatwasmachine;

  • -

    bereiding van warme maaltijden: maaltijden opwarmen en klaarzetten, tafeldekken, afwassen of in- of uitruimen van de vaatwasmachine;

  • -

    toezicht: de medewerker ziet erop toe dat de inwoner het eten en drinken daadwerkelijk tot zich neemt.

afbeelding binnen de regeling

De normering in minuten zoals aangegeven in het Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning van HHM.

Artikel 4.3 Thuis zorgen voor kinderen onder de 6 jaar

Het zorgen voor kinderen is een taak van ouder en/of verzorgers. Dat geldt ook voor ouders die door beperkingen niet in staat zijn hun kinderen te verzorgen. Elke ouder is zelf verantwoordelijk voor de opvang en (het organiseren van de noodzakelijke) verzorging van zijn of haar kinderen. Uitgangspunt is hierbij dat bij uitval van een van de ouders de andere ouder deze zorg of zijn aandeel in de zorg daar waar mogelijk overneemt. Op grond van gebruikelijke zorg hoeft het college niet te compenseren.

Het college ondersteunt alleen als ouders door acuut ontstane problemen een oplossing nodig hebben voor kinderen tot en met de leeftijd van 5 jaar. De ondersteuning is dus per definitie tijdelijk, in afwachting van een definitieve oplossing. Een indicatie wordt afgegeven met een maximale duur van 3 maanden om ouder(s) of verzorger(s) de mogelijkheid te bieden in een oplossing te voorzien. Van ouders mag worden verwacht dat zij zich tot het uiterste zullen inspannen om die oplossing zo snel mogelijk te vinden. Daarbij dient ook betrokken te worden of de persoon aanspraak kan maken op ondersteuning via zijn/haar zorgverzekering.

De zorg voor kinderen omvat het wassen, douchen, aankleden, verschonen en het voeden van het kind. Het passen op kinderen valt hier niet onder, hierop is voorliggend kinderopvang/gastouder enz.

Voor dit resultaat is sprake van veel beïnvloedende variabelen met een sterk wisselende uitkomst. Daardoor is het onmogelijk een algemeen geldende maatstaf op te stellen. Voor de normering van de activiteiten met betrekking tot het thuis verzorgen van kinderen heeft het college zich geconformeerd aan 3.2.1 en 3.2.2 van de ’Wmo richtlijn, Indicatieadvisering voor Hulp bij het Huishouden’ van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) van december 2006.

afbeelding binnen de regeling

afbeelding binnen de regeling

Artikel 5. Begeleiding

De inwoner met een beperking of een chronisch, psychisch of psychosociaal probleem kan in aanmerking komen voor begeleiding. Begeleiding is bedoeld voor inwoners die zelfstandig wonen, beperkt zelfredzaam zijn en niet volledig door het eigen netwerk, maatschappelijk partners of andere partijen uit het Sociaal Team Wassenaar kunnen worden ondersteund.

Er is sprake van beperkingen in zelfredzaamheid en participatie als het zelfstandig nemen van besluiten of oplossen van problemen niet vanzelfsprekend is. Wanneer de inwoner hulp nodig heeft bij het regelen van dagelijkse bezigheden of bij het aanbrengen van dagelijkse routine en structuur, niet goed begrijpt wat anderen zeggen of zichzelf niet voldoende begrijpelijk kan maken. Als gevolg van deze problematiek is er bijsturing van taken vereist door een professional, omdat de situatie anders verslechtert en/of waardoor de veiligheid van de inwoner en/of zijn omgeving in gevaar zijn.

De beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie kunnen het gevolg zijn van belemmeringen op (een combinatie van) de volgende terreinen:

  • -

    Cognitief functioneren (denk aan LVB of NAH)

  • -

    Psychisch en psychosociaal functioneren (bijvoorbeeld GGZ)

  • -

    Lichamelijk functioneren

Het resultaat van de individuele begeleiding is het ontwikkelen en behouden van een zo groot mogelijke zelfredzaamheid en/of participatie, waarbij de inwoner individueel wordt ondersteund door een begeleider. Het resultaat kan ook zijn dat de ondersteuning kan worden afgebouwd of overgedragen kan worden aan maatschappelijke partners of andere partijen uit het Sociaal Team Wassenaar.

Het college zorgt ervoor dat inwoner die niet in staat zijn de normale dagelijkse activiteiten te doen, begeleiding kunnen krijgen. Begeleiding houdt in dat inwoners begeleid worden bij deze activiteiten. Het betekent dat de begeleider helpt bij de dagelijkse gang van zaken en de inwoner helpt om op een goede manier met zijn omgeving om te gaan. De begeleider kan ook helpen bij vaak terugkerende activiteiten, zoals het structureren van de dag, het ondersteunen bij de administratie en het omgaan met financiën. De begeleider neemt deze activiteiten niet volledig over, maar ondersteunt de inwoner.

Bij het onderzoek of de maatwerkvoorziening individuele begeleiding noodzakelijk is worden de volgende elementen betrokken:

  • -

    er is sprake van zware en/of chronische meervoudige problematiek;

  • -

    het gaat om (complexe) problematiek die specifieke expertise vraagt;

    • o

      Wanneer de inwoner ook in behandeling is (geweest), dient bij het bieden van de begeleiding advies ingewonnen te worden bij een behandelaar, dit kan enkel met toestemming van de inwoner;

  • -

    Het gaat om (complexe) problematiek die niet kan worden uitgevoerd door maatschappelijke partners of andere partijen uit het Sociaal Team Wassenaar;

  • -

    Inwoner is onvoldoende in staat eigen kracht in te zetten en/of heeft een zwak of afwezig netwerk;

    • o

      Of er is voldoende ontwikkelperspectief om de eigen kracht van de inwoner te vergroten en/of het eigen netwerk te benutten

  • -

    De situatie van de inwoner is instabiel of de veiligheid is in het geding;

Begeleidingsvormen die zich richten op (of onderdeel zijn van) behandeling en (alternatieve) therapieën vallen onder de Zorgverzekeringswet.

Een inwoner kan in aanmerking komen voor begeleiding als er ondersteuning nodig is bij:

  • -

    Het krijgen of behouden van structuur of regie;

  • -

    Het aanleren van praktische vaardigheden;

  • -

    Het behoud of de vergroting van de zelfstandigheid;

  • -

    Het aanleren van sociale vaardigheden

  • -

    Het leren omgaan door de gezinsleden met de beperkingen die de inwoner heeft;

  • -

    Het ondersteunen bij het krijgen en behouden van huisvesting.

De ondersteuning kan ook de vorm hebben van waakvlamcontact, waarbij periodiek in de gaten wordt gehouden of de behaalde resultaten nog steeds aanwezig zijn en of er aanvullende ondersteuning nodig is. Waakvlamcontact kan slechts aan de orde zijn als er geen sprake is van een indicatie voor nachtelijk toezicht en huisvesting.

Producten

In ons gecontracteerde aanbod zijn de volgende producten opgenomen:

  • -

    Begeleiding kortdurend acute probleemsituaties

  • -

    Begeleiding individueel leren en ontwikkelen

  • -

    Begeleiding individueel behouden

  • -

    Waakvlamcontact

  • -

    Groepstraining

  • -

    Bereik- en beschikbaarheid

  • -

    Ambulante ondersteuning aan volwassenen met een visuele beperking

  • -

    Specialistisch maatwerk

Evaluatie en (proces)regie

Er vinden structurele evaluatiemomenten plaats waarbij de aanbieder wordt gevraagd om een evaluatieplan aan te leveren. Waar nodig wordt er (proces)regie gevoerd.

Artikel 6. Dagbesteding

Het college zorgt ervoor dat inwoners die niet in staat zijn de dag goed in te vullen dagbesteding kunnen krijgen. Dagbesteding houdt in dat inwoners mee kunnen doen aan recreatieve of andere groepsactiviteiten onder begeleiding, voor één of meer dagdelen per week. Dagbesteding kan ook worden ingezet om de mantelzorger of in het geval voor jeugd; de ouder te ontlasten en om de inwoner een mogelijkheid te bieden om sociale contacten aan te gaan. Daarnaast kan dagbesteding worden ingezet als voorbereiding op arbeidsmatige dagbesteding vanuit de Participatiewet.

Een inwoner kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening dagbesteding, als:

  • -

    de inwoner ondersteuning nodig heeft bij het vergroten van het netwerk en om eenzaamheid tegen te gaan;

  • -

    het noodzakelijk is om personen die mantelzorg verlenen aan de inwoner te ontlasten, dit noemen we dan respijtzorg;

  • -

    de inwoner niet in staat is om deel te nemen aan gangbare activiteiten voor invulling van de dag, zoals werk, scholing of vrije tijdsbesteding;

  • -

    de inwoner structuur en veiligheid nodig heeft om zelfredzaam te blijven en zelf regie te kunnen houden;

  • -

    het noodzakelijk is om de inwoner aan te sporen tot zingevende activiteiten;

  • -

    de inwoner ondersteuning nodig heeft bij het zich eigen maken van werknemersvaardigheden.

Bij de toekenning van dagbesteding wordt rekening gehouden met de volgende factoren:

  • -

    Welk resultaat behaald dient te worden en wat het te verwachten ontwikkelingsperspectief is;

  • -

    Welke omvang en duur noodzakelijk is, rekening houdend met:

    • o

      Hoe vaak de ondersteuning noodzakelijk is (aantal dagdelen per week);

    • o

      Wat verwacht mag worden, wat is gebruikelijk in de maatschappij;

De inwoner die in aanmerking wil komen voor dagbesteding moet het volgende kunnen:

  • -

    Mee kunnen doen in een dagelijkse structuur;

  • -

    Kunnen functioneren in een groep;

  • -

    Uitvoeren van (arbeidsmatige) activiteiten;

  • -

    Aangaan van sociale (werk)relaties;

  • -

    Opvolgen van instructies

Producten

In ons gecontracteerde aanbod zijn de volgende producten opgenomen:

  • -

    Dagbesteding ontwikkelen

  • -

    Dagbesteding behouden

Vervoer van en naar de dagbesteding

Bij een indicatie voor begeleiding groep wordt onderzocht of de inwoner in staat is om de locatie van de dagbesteding te bereiken. Wanneer een inwoner in staat is met het openbaar vervoer (eventueel na oefenen onder begeleiding), met de fiets of een ander vervoermiddel zelfstandig (of onder begeleiding van mantelzorg of vrijwilliger, indien beschikbaar) te reizen naar de dagbesteding dan is dat voorliggend. Wanneer dit niet mogelijk is zal vervoer van en naar de dagbesteding worden geïndiceerd. Voor vervoer naar de dagbesteding mag geen gebruik worden gemaakt van het collectieve vervoer zoals de Regiotaxi.

Als vervoer wordt geïndiceerd, maakt het onderdeel uit van het totale arrangement dagbesteding en wordt het geregeld door de aanbieder. Het vervoer mag groepsgewijs worden geregeld voor meerdere inwoners waar vervoer onderdeel uitmaakt van de maatwerkvoorziening begeleiding groep. Toezicht in het vervoer wordt niet geïndiceerd omdat wordt aangenomen dat het niveau van het vervoer naar dagbesteding is aangepast aan de gebruikers.

Artikel 7. Kortdurend verblijf

Kortdurend verblijf is een vorm van begeleiding die wordt ingezet om de mantelzorger(s) en de directe omgeving tijdelijk te ontlasten, met als doel het versterken en/of behoud van de aanwezige mantelzorg en een leefbare thuissituatie. Kortdurend verblijf is een voorziening die gezien wordt als respijtzorg. Dat houdt in dat kortdurend verblijf geïndiceerd kan worden als de gebruikelijke ondersteuning (mantelzorg) tijdelijk niet in staat is de begeleidingsfunctie uit te voeren of deze daarvan te ontlasten.

Het ontlasten van een mantelzorger

Er zijn veel mogelijkheden om de mantelzorger te ontlasten. Zodra duidelijk wordt dat een mantelzorger overbelast dreigt te raken en daardoor niet meer in staat is de mantelzorg (volledig) te leveren, beoordeelt het college eerst of binnen het eigen netwerk een oplossing voor de overbelasting kan worden gevonden. Te denken valt aan een familielid die een middag of weekend de zorg overneemt. Ook het indiceren van dagbesteding kan als doel hebben de mantelzorger te ontlasten. Tevens kan gedacht worden aan de inzet van een vrijwilliger. Als blijkt dat dit niet voldoende is om de dreigende overbelasting van de mantelzorger te voorkomen, kan kortdurend verblijf worden geïndiceerd.

Richtlijnen kortdurend verblijf

Kortdurend verblijf betreft het verblijven op een locatie anders dan het eigen woonadres. Inwoners die in aanmerking komen voor kortdurend verblijf ontvangen langdurig ondersteuning van mantelzorgers bij het kunnen functioneren in de thuissituatie. De mantelzorger heeft mogelijk ondersteuning nodig om de mantelzorg vol te kunnen houden. Kortdurend verblijf is er op gericht om het toezicht op de inwoner tijdelijk over te nemen.

Kortdurend verblijf kan gecombineerd worden met huisartsengeneeskundige of verpleegkundige zorg vanuit de Zorgverzekeringswet. In sommige gevallen vergoedt de zorgverzekering via een aanvullende polis het kortdurend verblijf. Via zo’n aanvullende polis biedt de zorgverzekeraar de mogelijkheid om de mantelzorg tijdelijk door een derde over te laten nemen. Inwoners zijn niet verplicht om zich hiervoor te verzekeren. Kortdurend verblijf vanuit de Wmo is niet gericht op herstel van de cliënt na ziekte en/of ziekenhuisopname.

Het kortdurend verblijf wordt geïndiceerd in etmalen. De duur van het kortdurend verblijf is afhankelijk van wat noodzakelijk is in de specifieke situatie van de inwoner. Er zijn situaties denkbaar waarbij gedacht kan worden aan verblijf van een week of enkele weken achtereen. Indien er structureel meer dan 3 etmalen per week noodzakelijk is, dan is er sprake van opname waarvoor een indicatie op grond van de Wlz moet worden gesteld.

Gepland en ongepland kortdurend verblijf

Kortdurend verblijf kan in de eerste plaats ongepland verblijf betreffen, bijv. bij het plotseling wegvallen van een mantelzorger of ter ontlasting van de mantelzorgers, waarbij het eigen netwerk van de inwoner geen oplossing kan bieden. De Wmo is alleen dan van toepassing indien er geen noodzaak is voor opname in een instelling. Indien de inwoner een tijdelijke behoefte heeft aan medisch noodzakelijk verblijf in verband met geneeskundige zorg dan valt dit onder de Zorgverzekeringswet.

Bij een geplande voorzienbare afwezigheid, zoals een geplande ziekenhuisopname van de mantelzorger is het college verantwoordelijk voor tijdelijke overname van de zorg ter ondersteuning van de mantelzorger. Dit is ook het geval wanneer een mantelzorger vakantie nodig heeft om de zorg voor de inwoner vol te houden en de inwoner tijdelijk opgevangen moet worden.

Artikel 8. Toegang tot Beschermd wonen

Beschermd wonen is bedoeld voor inwoners die door hun beperkingen behoefte hebben aan een beschermd woonklimaat dat gericht is op het bieden van structuur en ondersteuning van alle dagelijkse activiteiten. De doelgroep bestaat uit mensen met vaak psychische problematiek al dan niet in combinatie met een (licht) verstandelijke beperking, schulden en verslaving. Inwoners krijgen begeleiding (24/7 beschikbaar) bij het aanbrengen van structuur in hun dagelijks leven, ondersteuning bij regelzaken en geldbeheer en bij het vinden van een passende dag invulling. Voor het merendeel van de inwoners is beschermd wonen een opstap naar zelfstandig wonen.

Een beschermde woonomgeving is een veilige en afgeschermde woon- en leefomgeving waar samenhangende zorg wordt geboden aan cliënten die door hun beperkingen niet in staat zijn zelfstandig te wonen en een mogelijk gevaar voor zichzelf of anderen vormen. De bescherming richt zich primair op de persoon zelf, niet op zijn omgeving of de maatschappij.

Een melding voor beschermd wonen wordt gedaan bij het college Wassenaar. Het college screent of een inwoner in aanmerking zou kunnen komen voor beschermd wonen. Als uit de screening komt dat een inwoner in aanmerking komt voor een beschermde woonplek geeft het college een advies af waarmee de inwoner zich kan melden bij de centrumgemeente Den Haag. Centrumgemeente Den Haag handelt deze aanvraag verder af inclusief het afgeven van de indicatie en een passende woonplaats te zoeken bij een instelling.

De beschikking op de aanvraag om een maatwerkvoorziening ten behoeve van Beschermd Wonen zoals genoemd in artikel 2.3.5. van de wet, wordt afgegeven door centrumgemeente Den Haag.

Het college houdt als er sprake is van een wachttijd voor plaatsing bij beschermd wonen, contact met de inwoner en organiseert gedurende deze wachttijd zogenaamde overbruggingszorg.

Artikel 8.1 Toegang maatschappelijke opvang

Het college van de gemeente Den Haag regelt de toegang tot maatschappelijke opvang voor inwoners van Wassenaar. De inwoners worden verwezen naar het Centraal Coördinatiepunt (CCP).

Artikel 8.2 Toegang vrouwen- en mannenopvang in het kader van huiselijk geweld

De toegang tot de vrouwenopvang en mannenopvang wordt uitgevoerd door Stichting Arosa. Arosa biedt hulp en opvang in regio Haaglanden aan iedereen die betrokken is bij huiselijk geweld. Stichting Arosa is één van de landelijk aangewezen aanmeldplaatsen voor advies en intake ten behoeve van de landelijke verdeling van vrouwen en mannen binnen de deze vorm van opvang.

Hoofdstuk 3. Bepalingen met betrekking tot een persoonsgebonden budget (pgb) en de financiële tegemoetkoming

Artikel 9. Regels voor een pgb

(Hoofdstuk 4, artikel 11, 12, 13 en 14 Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Wassenaar 2026)

Als is vastgesteld dat een inwoner recht heeft op een maatwerkvoorziening, kan hij of zij kiezen voor een pgb. Met een pgb kan een inwoner zelf diensten inkopen, zoals begeleiding of hulp bij het huishouden. Een pgb is niet verplicht, omdat de meeste ondersteuning al is ingekocht door het college (zorg in natura). Een pgb is vooral geschikt voor inwoners die zelf de regie kunnen voeren over hun ondersteuning. Als een inwoner toch een pgb wil, doet het college eerst onderzoek. De inwoner moet namelijk een bewuste, vrijwillige en goed doordachte keuze maken. Er bestaat volledige keuzevrijheid.

De inwoner maakt een budgetplan (of vult het format budgetplan van de gemeente in).

In dit plan staan:

  • -

    de doelen;

  • -

    de activiteiten;

  • -

    de motivatie om voor pgb te kiezen;

  • -

    de tarieven;

  • -

    de zorgverlener;

  • -

    de kwaliteitseisen;

  • -

    de eventuele vertegenwoordiger.

Het college beoordeelt het budgetplan op drie punten:

  • 1.

    de motivatie om te kiezen voor een pgb;

  • 2.

    de pgb‑vaardigheid van de inwoner en/of vertegenwoordiger;

  • 3.

    de kwaliteit van de in te kopen zorg of ondersteuning.

Een pgb kan ook worden gebruikt voor de aanschaf van een hulpmiddel.

De regels voor een pgb voor diensten gelden niet voor een pgb voor hulpmiddelen.

Het college Wassenaar betaalt het bedrag voor het hulpmiddel in één keer uit na ontvangst van de factuur. De kosten voor onderhoud worden vergoed op basis van declaraties, tot het maximumbedrag dat het college normaal betaalt aan de leverancier. Voor de verzekeringskosten gebruikt het college het bedrag van de goedkoopste WA‑verzekering per jaar voor het hulpmiddel.

Regie

Het is belangrijk dat iemand zelf de regie kan voeren om een pgb goed te gebruiken. Als een inwoner dit niet zelf kan, mag hij of zij een vertegenwoordiger aanwijzen. Deze vertegenwoordiger moet bekwaam zijn en genoeg kennis en vaardigheden hebben om het pgb goed te beheren.

Voordat het college een pgb toekent, wordt er eerst gecontroleerd of de inwoner pgb‑vaardig is en of de inwoner voldoet aan de voorwaarden. Dit betekent dat de inwoner het pgb zelfstandig en verantwoord kan beheren. Het college volgt hierbij de landelijke afspraken die zijn gemaakt met het ministerie van VWS, zorgverzekeraars, zorgkantoren, gemeenten en Per Saldo. De vaardigheden worden getoetst met een pgb‑vaardigheidstoets.

De vertegenwoordiger mag niet dezelfde persoon zijn als de zorgverlener. Dit komt omdat de vertegenwoordiger moet letten op de kwaliteit van de zorg en op het juist besteden van het budget. Ook mag de vertegenwoordiger niet op een andere manier betrokken zijn bij de organisatie die de zorg geeft, bijvoorbeeld als directeur of bestuurder. De vertegenwoordiger moet namelijk een onafhankelijke rol hebben.

Het pgb‑budget moet volledig worden gebruikt voor de ondersteuning zelf. Het mag niet worden gebruikt voor bemiddelingskosten, reiskosten of administratiekosten. Dit voorkomt dat derden geld weghalen bij de pgb‑houder.

Het beheren en besteden van het pgb is de verantwoordelijkheid van de inwoner of de vertegenwoordiger. De vertegenwoordiger is verantwoordelijk voor:

  • -

    het juiste gebruik van het budget

  • -

    alle taken die bij het pgb horen

  • -

    de kwaliteit van de ondersteuning

Deze verantwoordelijkheden kunnen eventueel worden verdeeld over meerdere vertegenwoordigers.

Maximale inzet van hulpverlener

De kwaliteit van ondersteuning is belangrijk. Daarom mag een ondersteuner, of dit nu een professional of een informele helper is, nooit meer dan 48 uur per week via een pgb ondersteuning geven. Als iemand structureel meer uren moet werken, raakt die persoon overbelast. Dit kan de kwaliteit en veiligheid van de ondersteuning verminderen en is slecht voor de gezondheid van de ondersteuner. Dit geldt ook voor mantelzorgers of andere informele ondersteuners.

Bij het bepalen hoeveel uren een ondersteuner maximaal mag werken, kijkt het college naar alle betaalde werkzaamheden die deze persoon doet. Ook tellen andere vormen van ondersteuning mee, bijvoorbeeld hulp die iemand via een pgb geeft aan andere personen of gezinsleden.

Als er een situatie is waarin 24 uur per dag, 7 dagen per week ondersteuning nodig is — zowel gepland als ongepland — moeten er minstens twee ondersteuners zijn.

Eén persoon kan niet 24/7 beschikbaar zijn.

Vakantie

Het is onder bepaalde voorwaarden mogelijk om een pgb te gebruiken tijdens een vakantie buiten de gemeente. Dit kan alleen als het college hier vooraf toestemming voor geeft. De ondersteuning moet nodig zijn om tijdens de vakantie te kunnen functioneren. Denk bijvoorbeeld aan hulp bij het maken van een transfer van de rolstoel naar het bed in het vakantieadres. Een pgb mag niet worden gebruikt om (een deel van) de vakantie zelf te betalen. Sommige pgb’s zijn bedoeld voor gebruik in en rond de eigen woning. Deze mogen niet worden ingezet tijdens een vakantie. Een voorbeeld hiervan is het pgb voor hulp bij het huishouden. Dit is alleen bedoeld voor het huishouden in de gemeente Wassenaar.

Als iemand het pgb nodig heeft om tijdens de vakantie goed te kunnen functioneren, mag het pgb maximaal 13 weken per jaar voor vakantie worden gebruikt. Dit geldt per toekenningsperiode van 12 maanden. Van deze 13 weken mogen maximaal 6 weken achter elkaar worden opgenomen. Deze regel sluit aan bij de lengte van de zomervakantie van basisscholen. Als het pgb voor een kortere periode dan 12 maanden wordt toegekend, wordt het aantal vakantieweken naar rato berekend.

Trekkingsrecht

Volgens de regels van de Rijksoverheid kan een inwoner een pgb alleen gebruiken via het trekkingsrecht. Dat betekent dat de inwoner het pgb niet zelf op zijn rekening krijgt.

De Sociale Verzekeringsbank (SVB) voert het trekkingsrecht uit. Het college maakt het pgb‑budget over naar de SVB. De inwoner, of zijn vertegenwoordiger, stuurt een zorgovereenkomst naar de SVB. In deze overeenkomst staat van wie de inwoner zorg of ondersteuning krijgt. Daarna kan de inwoner of vertegenwoordiger een factuur of declaratie indienen bij de SVB.

Meer informatie over deze werkwijze staat op de website van de SVB: www.svb.nl.

Eenmalige pgb’s, zoals die voor een hulpmiddel, zijn uitgezonderd van het trekkingsrecht. Het college betaalt na ontvangen van de factuur de kosten direct aan de inwoner.

Artikel 10. Financiële tegemoetkoming

(Hoofdstuk 4, artikel 14 Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Wassenaar 2026)

Naast voorzieningen in natura en een pgb, kan het college ook eenmalige financiële vergoedingen geven aan inwoners die daar recht op hebben. Deze vergoeding kan worden gegeven voor sporthulpmiddelen, vervoersvoorzieningen en voor kosten voor verhuizen of het opknappen van een woning.

Hieronder wordt uitgelegd welke voorzieningen dit zijn en aan welke voorwaarden iemand moet voldoen om een vergoeding te krijgen. De bedragen van de vergoedingen staan in bijlage 1: Financieel besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Wassenaar 2026.

Artikel 10.1 Verhuizing en inrichting

De verhuiskostentegemoetkoming is bedoeld voor inwoners die moeten verhuizen omdat dit de goedkoopste passende oplossing is, maar die de kosten hiervan niet zelf kunnen betalen.

Het bedrag van deze vergoeding is gebaseerd op marktonderzoek en de Nibud-normen en staat in bijlage 1: Financieel besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Wassenaar 2026. De inwoner hoeft hiervoor geen kostenoverzicht aan het college te geven.

Een inwoner kan de vergoeding krijgen als hij of zij aan deze voorwaarden voldoet:

  • 1.

    de verhuizing mag pas starten nadat het college toestemming heeft gegeven;

  • 2.

    de inwoner verhuist van en naar een woning die het hele jaar bewoond kan worden;

  • 3.

    de inwoner gaat niet voor het eerst zelfstandig wonen;

  • 4.

    de inwoner verhuist niet naar een Wlz‑instelling;

  • 5.

    de huidige woning geeft ergonomische beperkingen;

  • 6.

    de vergoeding wordt pas betaald nadat de inwoner schriftelijk bewijst dat hij/zij het nieuwe huur- of koopcontract heeft getekend én ingeschreven staat op het nieuwe adres.

Verlaten van een aangepaste woning

Er kan een indicatie afgegeven worden voor een verhuiskostenvergoeding wanneer een inwoner of zijn huisgenoten een aangepaste woning op het verzoek van het college verlaat. Het betreft een situatie waarbij de persoon voor wie de woning was aangepast bijvoorbeeld is verhuist naar een instelling voor langdurige zorg of wanneer een partner is overleden waarvoor de aangepaste woning noodzakelijk was. Hierdoor zijn er meer aangepaste woningen beschikbaar in de gemeente.

Artikel 10.2 Vervoer per eigen auto

Als uitgesloten is dat een inwoner gebruik kan maken van het collectief vervoer kan er compensatie gegeven worden voor het gebruik van de eigen auto of taxi. De ingangsdatum van de financiële tegemoetkoming voor individueel vervoer start op de eerste van de maand volgend op de aanvraagdatum.

Het college kent een tegemoetkoming voor vervoerskosten. Wanneer een inwoner een vervoersvoorziening als maatwerkvoorziening nodig heeft, maar een collectieve vervoersvoorziening, (inclusief individueel vervoer), geen adequate oplossingen zijn, dan is een forfaitaire tegemoetkoming toekennen aan de inwoner mogelijk. De tegemoetkoming verstrekken wij voor maximaal 1.500 kilometer per kalenderjaar en heeft een hoogte van de door het rijk vastgestelde belastingvrije kilometervergoeding. De hoogte is terug te vinden in bijlage 1: Financieel besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Wassenaar 2026.

Artikel 10.3 Sportvoorziening

Als een inwoner door zijn beperking niet kan sporten zonder een sporthulpmiddel, zoals een sportrolstoel, kan er een aanvraag worden gedaan bij het college. Een sporthulpmiddel kan nodig zijn om mee te kunnen doen in de samenleving. Het gaat om sporten bij een sportvereniging of in een vaste trainingsgroep. Sporthulpmiddelen die door meerdere mensen tegelijk worden gebruikt, komen niet in aanmerking voor een vergoeding.

Als een inwoner nog niet precies weet welke sport past bij de inwoner is er een mogelijkheid om voor drie maanden een sporthulpmiddel te lenen via de uitleen van uniek sporten. Een inwoner kan meerdere hulpmiddelen voor drie maanden testen voordat er wordt overgegaan tot het aanschaffen van een hulpmiddel.

Als het voor een inwoner duidelijk dat de sport langdurige beoefend gaat worden kan er een financiële vergoeding worden aangevraagd bij het college. De vergoeding is alleen voor de extra kosten die door de beperking ontstaan. Dit wordt bepaalt aan de hand van een offerte waarin onderhoud en reparatiekosten zijn meegenomen. De vergoeding kan één keer per drie jaar worden aangevraagd. De hoogte van de tegemoetkoming wordt vastgesteld op basis van de offerte tot het maximale bedrag wat in bijlage 1: Financieel besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Wassenaar 2026 beschreven staat.

Als de kosten op grond van de offerte lager zijn dan het maximale bedrag uit bijlage 1: Financieel besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Wassenaar 2026 geeft dit de inwoner geen recht om nogmaals een resterend bedrag aan te vragen. Gezien het feit dat het een tegemoetkoming is voor de duur van drie jaar.

Het college geeft dus alleen een vergoeding als het hulpmiddel persoonlijk is, maar wél wordt gebruikt voor sport in een vereniging of groep. Een vergoeding wordt niet gegeven als het hulpmiddel vooral bedoeld is voor de persoonlijke ontwikkeling van de inwoner. Dit geldt bijvoorbeeld voor sporten op een hoog wedstrijdniveau. Dit niveau ligt hoger dan gewoon recreatief sporten waarbij iemand anderen kan ontmoeten. Wie aan topsport wil doen, moet een beroep doen op sponsors of een sportbond, net als sporters zonder beperking.

Hoofdstuk 4. Kwaliteit en veiligheid

Artikel 11. Onderzoek naar kwaliteit en recht- en doelmatigheid maatwerkvoorzieningen en pgb.

(Hoofdstuk 6, artikel 21 Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Wassenaar 2026)

Het college doet periodiek onderzoek naar:

  • -

    rechtmatigheid van (pgb-)uitgaven;

  • -

    feitelijk geleverde ondersteuning;

  • -

    kwaliteit en doelmatigheid van zorg;

  • -

    de vraag of de inwoner nog voldoet aan de voorwaarden van een pgb (indien van toepassing).

Het college mag hiervoor gegevens opvragen. Denk aan declaraties, zorgovereenkomsten, bewijs van prestatielevering en (bijzondere) persoonsgegevens. De inwoner, zorgverlener of aanbieder dient deze gegevens te verstrekken.

Artikel 12. Toezicht op kwaliteit

(Hoofdstuk 7, artikel 22 Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Wassenaar 2026)

Met de invoering van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) per 1 januari 2015 is het college verantwoordelijk geworden voor het toezicht op de uitvoering van de Wmo.

In de Wmo 2015 is het volgende over kwaliteit en het toezicht erop opgenomen:

  • -

    aanbieders moeten ervoor zorgen dat de voorziening die zij bieden van goede kwaliteit is;

  • -

    de aanbieder doet bij de toezichthoudende ambtenaar, bedoeld in artikel 21, onverwijld melding van:

    • -

      iedere calamiteit die bij de verstrekking van een voorziening heeft plaatsgevonden;

    • -

      geweld bij de verstrekking van een voorziening;

    • -

      het college wijst personen aan die belast zijn met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet.

De colleges binnen de regio Haaglanden hebben het toezichthouderschap op maatwerkvoorzieningen (voorzieningen, diensten) in natura en pgb neergelegd bij de GGD Haaglanden. In dit kader is een dienstverleningsovereenkomst afgesloten met de GGD Haaglanden. De GGD onderzoekt de melding waarna hij de aanbieder en het college adviseert over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld.

Naast het toezicht op de kwaliteit van de zorgverlening heeft de contractbeheerder binnen het college de verantwoordelijkheid om te kijken naar de verdere contractuele verplichtingen.

Artikel 13. Calamiteiten

(Hoofdstuk 7, artikel 24 Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Wassenaar 2026)

De meldingsplicht bij calamiteiten geldt voor alle aanbieders van Wmo-voorzieningen, dus ook voor aanbieders van algemene voorzieningen en pgb-gebonden zorg/ondersteuning. In geval van calamiteiten kan het college de GGD verzoeken deze calamiteiten te onderzoeken. De GGD rapporteert aan het college. Het college beoordeelt of er contractuele gevolgen zijn vanwege de calamiteit of dat andere oplossingen mogelijk zijn.

Bij calamiteiten door cliënten onderneemt het college als opdrachtgever voor de dienstverlening aan de inwoner, actie. Bijvoorbeeld door een ordegesprek of door maatregelen op te leggen aan de inwoner.

Hoofdstuk 8. Overgangsrecht en slotbepalingen

Artikel 14. Evaluatie

Het gevoerde beleid wordt periodiek geëvalueerd.

Artikel 15. Geen bepalingen

In gevallen, de uitvoering van deze regeling betreffend, waarin deze regeling niet voorziet, beslist het college.

Artikel 16. Intrekking oude beleidsregels en overgangsrecht

  • 1. Het Financieel besluit maatschappelijke ondersteuning Wassenaar 2025 wordt ingetrokken.

  • 2. Deze Nadere regels worden aangehaald als: Nadere regels maatschappelijke ondersteuning gemeente Wassenaar 2026.

Artikel 17. Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1. Deze nadere regel treedt in werking op de dag na de bekendmaking in het gemeenteblad.

  • 2. Deze nadere regel wordt aangehaald als: Nadere regels maatschappelijke ondersteuning gemeente Wassenaar 2026.

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de vergadering van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Wassenaar op dinsdag 7 april 2026,

drs. A.P.A. Oostermeijer

gemeentesecretaris

drs. L.A. de Lange

burgemeester

Bijlage 1. Financieel besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Wassenaar 2026.

Artikel 1. Tarieven voor het persoonsgebonden budget voor huishoudelijke ondersteuning

De tarieven voor het persoonsgebonden budget voor huishoudelijke ondersteuning luiden als volgt conform de systematiek in artikel 13 en artikel 14 van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Wassenaar 2026.

Omschrijving  

 

Pgb-tarief voor ondersteuning geleverd door formele hulp 

(100% ingekocht tarief) 

Pgb-tarief voor ondersteuning geleverd door zzp’ers 

(85% ingekocht tarief) 

Pgb-tarief voor ondersteuning geleverd door informele hulp  

(50% ingekocht tarief) 

Samen doen (lichte ondersteuning) 

€  263,53 per maand 

€ 244,00 per maand 

€ 131,77 per maand 

Samen aanpakken (gemiddelde ondersteuning) 

€ 365,42 per maand 

€ 310,61 per maand 

€ 182,71 per maand 

Samen sterk  (Zwaardere ondersteuning) 

€ 573,49 per maand 

€ 487,47 per maand 

€ 286,75 per maand 

Artikel 2. Tarieven voor het persoonsgebonden budget voor maaltijdvoorziening en kindverzorging

De tarieven voor het persoonsgebonden budget voor kortdurend verblijf, maaltijdvoorziening en kindverzorging luiden als volgt conform de systematiek in artikel 13 en artikel 14 van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Wassenaar 2026.

Omschrijving  

 

Pgb-tarief voor ondersteuning geleverd door formele hulp 

(100% ingekocht tarief) 

Pgb-tarief voor ondersteuning geleverd door zzp’ers 

(85% ingekocht tarief) 

Pgb-tarief voor ondersteuning geleverd door informele hulp  

(50% ingekocht tarief) 

Kindzorg  

€ 42,99 per uur 

€ 36,54 per uur 

€ 21,50 per uur 

Maaltijdvoorziening 

€ 42,99 per uur 

€ 36,54 per uur  

€ 21,50 per uur 

Artikel 3. Omvang van het persoonsgebonden budget bij koop en huur van hulpmiddelen

Het persoonsgebonden budget bedraagt, rekening houdend met de kosten voor verzekering en onderhoud voor de gehele gebruiksjaren, ten hoogste als volgt.

Soort voorziening  

Aanschaf, verzekering en onderhoud hele periode 

Handbewogen rolstoel voor continu gebruik  

€ 3.680 

Handbewogen rolstoel voor incidenteel/kortdurend gebruik  

€ 675 

Handbewogen rolstoel voor (semi-) permanent /algemeen gebruik  

€ 2.330 

Handbewogen rolstoel voor actief gebruik  

€ 3.910 

Handbewogen kinderrolstoel voor (semi) permanent /actief gebruik  

€ 3.210 

Handbewogen kinderrolstoel voor permanent gebruik  

€ 4.430 

Elektrische rolstoel voor (semi-)permanent gebruik, primair binnen, maar ook om het huis  

€ 11.010 

Elektrische rolstoel voor (semi-)permanent gebruik, primair buiten, maar ook binnenshuis  

€ 13.470 

Elektrische kinderrolstoel  

€ 14.710 

Scootmobiel voor gebruik in de woonomgeving (minimaal 8 km/uur)  

€ 3.290 

Scootmobiel voor gebruik in de woonomgeving (minimaal 10 km/uur)  

€ 4.170 

Scootmobiel voor langere afstanden en intensief gebruik (minimaal 15 km/uur)  

€ 5.155 

Standaard driewielfiets zonder hulpmotor  

€ 4.300 

Standaard driewielfiets met hulpmotor  

€ 7.020 

Artikel 3.1. Gebruiksjaren

Voor hulpmiddelen geldt een aantal gebruiksjaren van 7 jaar.

Artikel 3.2. Huren van een hulpmiddel

Indien een inwoner het persoonsgebonden budget aanwendt voor het huren van een hulpmiddel ontvangt hij per kalenderjaar het in het eerste lid genoemde totaalbedrag, gedeeld door het aantal gebruiksjaren.

Artikel 4 Tarieven voor het persoonsgebonden budget voor begeleidingsproducten

De tarieven voor begeleiding producten luiden als volgt conform de systematiek in artikel 13 en artikel 14 van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Wassenaar 2026.

Omschrijving 

 

Pgb-tarief voor ondersteuning geleverd door formele hulp 

(100% ingekocht tarief) 

Pgb-tarief voor ondersteuning geleverd door zzp’ers 

(85% ingekocht tarief) 

Pgb-tarief voor ondersteuning geleverd door informele hulp  

(50% ingekocht tarief) 

Kortdurende begeleiding bij acute probleemsituaties 

€95,69 per uur 

€ 81,34 per uur 

€ 47,85 per uur 

Individuele begeleiding gericht op leren/ontwikkelen 

€ 83,90 per uur 

€ 71,32 per uur 

€ 41,95 per uur 

Groepstraining 

€ 63,79 per stuk (sessie) 

€ 54,22 per stuk 

€ 31,90 per stuk 

Bereik- en beschikbaarheid 

€ 15,25 per week 

€ 12,96 per week 

€ 7,63 per week 

Individuele begeleiding gericht op behouden 

€ 76,27 per uur 

€ 64,83 per uur 

€ 38,14 per uur 

Waakvlamcontact 

€ 71,41 per uur 

€ 60,70 per uur 

€ 35,71 per uur 

Dagbesteding ontwikkelen 

€ 73,50 per dagdeel * 

62,48 per dagdeel * 

€ 36,75 per dagdeel * 

Dagbesteding behouden 

€ 60,32 per dagdeel * 

51,27 per dagdeel * 

€ 30,16 per dagdeel * 

Kortdurend verblijf 

€ 199,96 per etmaal 

169,97 per etmaal 

€ 99,98 per etmaal 

* 1 dagdeel betreft 4 aaneengesloten uren.

ZIN-tarieven en pgb-tarieven

De tarieven voor vervoer betreffen tarieven per etmaal.

Deze tarieven kunnen enkel ingezet worden bij de bovenstaande producten voor dagbesteding.

Vervoer  

0-5 km 

(tarief 2026) 

6-10 km 

(tarief 2026) 

11-20 km 

(tarief 2026) 

Vervoer regulier ZIN 

€ 16,16 

€ 16,16 

€ 26,56 

Vervoer regulier ZZP 

€ 13,74 

€ 13,74 

€ 22,58 

Vervoer regulier sociaal netwerk 

€ 8,08 

€ 8,08 

€ 13.28 

Vervoer rolstoel ZIN 

€ 22,43 

€ 30,68 

€ 42,33 

Vervoer rolstoel ZZP 

€ 19.07 

€ 26,08 

€ 35,98 

Vervoer rolstoel sociaal netwerk 

€ 11,21 

€ 15,34 

€ 21,17 

All-in tarieven

Alle tarieven zijn all-in tarieven waarin alle kosten, toeslagen en belastingen - inclusief eventueel verschuldigde Btw - van de dienstverlener voor uitvoering van de Maatwerkvoorziening Begeleiding, als beschreven in de Overeenkomst Wmo individuele begeleiding, dagbesteding en kortdurend verblijf , zijn verdisconteerd. Het is de dienstverlener niet toegestaan andere kosten in rekening te brengen of op welke wijze dan ook kosten, die op de een of andere wijze verband houden met de dienstverlening zoals beschreven in de Overeenkomst Wmo individuele begeleiding, dagbesteding en kortdurend verblijf die met de gemeenten zijn afgesloten, te verhalen op de cliënt.

Artikel 5. Tarieven individueel vervoer

De vergoeding voor verschillende maatwerkvoorzieningen voor individueel vervoer bedragen op jaarbasis maximaal als volgt:

a. voor vervoer per taxi

€ 2.590

b. voor vervoer met de (eigen) auto

€ 645

c. voor een rolstoeltaxi

€ 3.879

Artikel 6. Tarieven voor een maatwerkvoorziening in de vorm van een financiële tegemoetkoming

De tarieven voor een financiële tegemoetkoming worden vastgesteld conform de systematiek in artikel 15 van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Wassenaar 2026.

Artikel 6.1. Verhuizing en herinrichting

De tegemoetkoming voor de vergoeding voor verhuizen en herinrichting bedraagt € 4000,- per verhuizing.

Artikel 6.2. Vervoer per eigen auto

De vergoeding voor vervoer per eigen auto bedraagt € 360,- per jaar.

Artikel 6.3. Sportvoorziening

De vergoeding voor een sportvoorziening bedraagt € 3.500,- per drie jaar.