Beleidsregels bijzondere bijstand Gooise Meren 2026

Geldend van 24-04-2026 t/m heden

Intitulé

Beleidsregels bijzondere bijstand Gooise Meren 2026

Burgemeester en wethouders van de gemeente Gooise Meren

gelet op artikel 35 van de Participatiewet

b e s l u i t e n:

tot het vaststellen van de Beleidsregels bijzondere bijstand Gooise Meren 2026

Algemeen

Deze beleidsregels gaan over wat de gemeente kan doen als inwoners bepaalde noodzakelijke kosten niet kunnen betalen. Inwoners zijn in de eerste plaats zelf aan zet als er financiële problemen zijn. Als het inwoners niet lukt om zelf hun kosten te betalen, kan de gemeente hulp bieden. Die hulp heet bijzondere bijstand, en is bedoeld om inwoners te helpen ‘uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten’ te betalen als ze dat zelf niet meer kunnen. Hoe en wanneer die hulp gegeven kan worden, leggen we in deze beleidsregels uit. Het zijn regels op hoofdlijnen. Per situatie onderzoekt de gemeente wat de beste oplossing is voor het probleem van de inwoner. Dat noemen we maatwerk.

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1: Begripsbepalingen

  • 1. Alle begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet (PW), de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Gemeentewet.

  • 2. In deze beleidsregels wordt verstaan onder:

    • a.

      AOW: Algemene Ouderdomswet

    • b.

      AZC: Asielzoekerscentrum;

    • c.

      belanghebbende: degene die bijzondere bijstand aanvraagt;

    • d.

      de gemeente: het college van burgemeester en wethouders van Gooise Meren;

    • e.

      draagkracht: de middelen waar de belanghebbende over beschikt of redelijkerwijs kan beschikken om in de kosten te voldoen. Draagkracht in relatie tot bijzondere bijstand wordt uitgedrukt in een percentage van de voor de bijzondere bijstand in aanmerking te nemen middelen;

    • f.

      de wet: de Participatiewet;

    • g.

      Ioaw: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers;

    • h.

      Ioaz: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;

    • i.

      Nibud prijzengids: de meest recente prijzengids van het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting;

    • j.

      Pgb: persoonsgebonden budget;

    • k.

      rekenhuur: kale huur vermeerderd met de servicekosten;

    • l.

      vermogen: vermogen zoals bedoeld in artikel 34 van de wet;

    • m.

      Wajong: Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten

    • n.

      Wht: Wet op de huurtoeslag;

    • o.

      Wlz: Wet langdurige zorg;

    • p.

      Wmo 2015: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

    • q.

      Wrb: Wet op de rechtsbijstand;

    • r.

      WSF: Wet studiefinanciering 2000;

    • s.

      Wsnp: Wet schuldsanering natuurlijke personen;

    • t.

      Zvw: Zorgverzekeringswet.

Artikel 2: Moment van aanvraag en bijzondere bijstand met terugwerkende kracht

Een aanvraag om bijzondere bijstand moet worden ingediend binnen 3 maanden nadat de kosten zijn ontstaan, waarbij het niet uitmaakt of de kosten al zijn betaald.

Artikel 3: Aanvraag en bewijsstukken

  • 1. Een aanvraag om bijzondere bijstand kan het via een schriftelijk of digitaal aanvraagformulier van de gemeente worden ingediend.

  • 2. Belanghebbende moet bij zijn aanvraag in ieder geval de volgende stukken inleveren:

    • a.

      bewijsstukken van de kosten.

    • b.

      bewijsstukken van inkomen en vermogen als belanghebbende geen bijstandsuitkering van de gemeente ontvangt.

  • 3. De gemeente kan, als zij dit voor de beoordeling van de aanvraag noodzakelijk vindt, aanvullende gegevens vragen.

Artikel 4: Vaststellen van het inkomen

  • 1. Bij het vaststellen van het inkomen wordt uitgegaan van de in aanmerking te nemen middelen, zoals vastgesteld in artikel 32 en 33 van de wet.

  • 2. Het inkomen van de belanghebbende wordt vastgesteld aan de hand van de inkomensgegevens uit de polis-administratie (Suwinet).

  • 3. Voor het vatstellen van inkomen wordt gekeken naar de gegevens van de maand voorafgaand aan het moment waarin de kosten zijn gemaakt.

  • 4. Heeft belanghebbende een wisselend inkomen dan wordt uitgegaan van het gemiddelde inkomen in de drie maanden voorafgaand aan de datum waarop de kosten zijn gemaakt.

  • 5. Is de belanghebbende zelfstandige, dan wordt uitgegaan van het inkomen in de meest recente (voorlopige) aanslag inkomstenbelasting.

  • 6. Het inkomen wordt vastgesteld zonder vakantietoeslag.

  • 7. In de volgende situaties wordt bij de bepaling van het inkomen uitgegaan van het inkomen dat iemand echt kan uitgeven:

    • a.

      Wsnp;

    • b.

      Aflossing schuldsaneringskrediet bij de Kredietbank of een andere organisatie;

    • c.

      Executoriaal beslag of derdenbeslag;

    • d.

      bestuursrechtelijke premie (het gaat daarbij om de vrijlating van het bedrag dat de bestuursrechtelijke premie hoger is dan de gemiddelde nominale premie).

  • 8. Als het inkomen alleen bestaat uit een uitkering op grond van de AOW of de Wajong dan wordt dit voor de berekening van de draagkracht gelijkgesteld met de bijstandsnorm die voor belanghebbende geldt.

Artikel 5: Vaststellen van het vermogen

  • 1. Bij het vaststellen van het vermogen wordt uitgegaan van de in aanmerking te nemen middelen, zoals vastgesteld in artikel 34 van de wet.

  • 2. De peildatum voor de vaststelling van de hoogte van het vermogen is de datum waarop de kosten zijn gemaakt .

  • 3. Als belanghebbende een motorvoertuig bezit wordt de waarde hiervan tot maximaal € 6500 niet in aanmerking genomen.

  • 4. Het vermogen in de door belanghebbende zelf bewoonde eigen woning wordt niet in aanmerking genomen.

  • 5. Op het vermogen wordt éénmaal de maandelijkse van toepassing zijnde bijstandsnorm (zonder vakantietoeslag) in mindering gebracht.

Artikel 6: Berekening hoogte draagkracht

  • 1. Er is geen sprake van draagkracht uit inkomen als het inkomen minder is dan 120 procent van de bijstandsnorm.

  • 2. Van het inkomen tussen 120 procent en 140 procent van de bijstandsnorm geldt een draagkracht van 25 procent.

  • 3. Van het inkomen tussen 140 procent en 200 procent van de bijstandsnorm geldt een draagkracht van 50 procent.

  • 4. Van het inkomen boven 200 procent van de bijstandsnorm geldt een draagkracht van 100 procent.

  • 5. Bij de bepaling van de draagkracht wordt de kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a van de wet buiten beschouwing gelaten.

  • 6. Voor personen die in een inrichting verblijven wordt bij berekening van de draagkracht rekening gehouden met de bijstandsnorm voor een alleenstaande.

  • 7. Er is geen sprake van draagkracht uit vermogen wanneer het vastgestelde vermogen lager is dan de van toepassing zijnde grens als bedoeld in artikel 34 van de wet. Het vermogen boven deze grens wordt volledig in aanmerking genomen als draagkracht.

  • 8. Bij periodieke bijzondere bijstand wordt de draagkracht maandelijks verrekend. Bij eenmalige bijzondere bijstand wordt dit in één keer verrekend met de bijzondere bijstand.

Artikel 7: Draagkrachtperiode

  • 1. De draagkracht wordt voor een periode van twaalf maanden vastgesteld, en gaat in op de eerste dag van de maand nadat het besluit is genomen.

  • 2. Als er geen sprake is van draagkracht uit inkomen en/of vermogen, wordt in afwijking van lid 1 de draagkracht vastgesteld voor een periode van drie jaar voor belanghebbenden die uitsluitend een bijstandsuitkering, AOW, WAO, WIA of een Wajonguitkering ontvangen en naar het oordeel van de gemeente de situatie van belanghebbende hetzelfde blijft.

Artikel 8: Bijstand in de vorm van een lening

  • 1. Bij duurzame gebruiksgoederen en in situaties zoals bedoeld in artikel 48, tweede lid onderdelen a en b van de wet wordt de bijzondere bijstand verleend in de vorm van een renteloze geldlening.

  • 2. De geldlening moet worden terugbetaald door maandelijkse aflossing.

  • 3. De maandelijkse aflossing bedraagt 5% van de geldende bijstandsnorm.

  • 4. Als er sprake is van een minnelijke schuldregeling of Wsnp wordt de bijstand in afwijking van lid twee verstrekt als een lening met uitgestelde aflossing, die wordt omgezet in bijstand om niet als de schuldregeling positief is doorlopen en afgerond.

Artikel 9: Hoogte van de bijzondere bijstand

  • 1. Bij het vaststellen van de hoogte van de bijzondere bijstand gaan wij uit van de goedkoopste, bruikbare voorziening waarbij maximaal de normbedragen uit de Nibud prijzengids worden gehanteerd.

  • 2. Bij het vaststellen van de hoogte van de bijzondere bijstand wordt rekening gehouden met de noodzakelijke kosten die worden uitgespaard.

Hoofdstuk 2 Bijzondere bijstand voor medische kosten

Artikel 10: Algemene bepalingen

Voor medische kosten worden de Zvw, de Wlz, de WMO 2015 en de Jeugdwet gezien als een voorliggende voorziening.

Artikel 11: Brillen en contactlenzen

  • 1. Voor de kosten van de aanschaf van een bril (montuur en/of glazen) of contactlenzen kan eenmaal per drie jaar bijzondere bijstand worden verleend tot een bedrag van maximaal € 300,00.

  • 2. In afwijking van het eerste lid kan binnen de periode van drie jaar bijzondere bijstand worden verstrekt wanneer sprake is van:

    • een wijziging van de sterkte van de ogen van minimaal +1 of -1 vanaf de datum van aanschaf van eerdere bril en/of lenzen;

    • een noodzakelijke vervanging van de gehele bril of lenzen als een vergoeding vanuit de zorgverzekeraar niet mogelijk is.

Artikel 12: Hoortoestel

  • 1. Er kan bijzondere bijstand worden verleend voor de eigen bijdrage van een hoortoestel, batterijen en/of accu’s minus de vergoeding uit de aanvullende zorgverzekering.

  • 2. Accessoires komen niet in aanmerking voor vergoeding uit bijzondere bijstand.

Artikel 13: Tandartskosten

Voor tandartskosten wordt bijzondere bijstand verstrekt tot een maximumbedrag van € 300,- per persoon per kalenderjaar.

Artikel 14: Orthodontiekosten

  • 1. Voor personen van achttien jaar of ouder wordt eenmalig bijzondere bijstand verstrekt tot een maximumbedrag van € 250,- per persoon.

  • 2. Voor personen jonger dan achttien jaar wordt eenmalig bijzondere bijstand verstrekt tot een maximumbedrag van € 1000,- per persoon.

Hoofdstuk 3 Overige kosten

Artikel 15: Reiskosten

  • 1. Reiskosten behoren tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan, waar belanghebbende in beginsel zelf in moet voorzien.

  • 2. Reiskosten bij bezoek aan gezinsleden in een instelling komen in aanmerking voor bijzondere bijstand met een maximum van 4 keer per maand.

  • 3. Voor de hoogte van de vergoeding wordt uitgegaan van de goedkoopste manier van reizen met het openbaar vervoer.

Artikel 16: Uitvaartkosten

  • 1. Uitvaartkosten behoren tot de bijzondere, noodzakelijke kosten van het bestaan. In deze kosten kan worden voorzien door de nalatenschap van de overledene en/of een uitvaartverzekering. De wettelijke of per testament bepaalde erfgenamen zijn aansprakelijk voor de kosten van de uitvaart.

  • 2. Als de erfgenaam (zijn of haar deel van) de kosten niet kan betalen, kan er bijzondere bijstand worden verleend.

  • 3. De maximale vergoeding voor uitvaartkosten is €5.000,- (naar rato verdeeld over het aantal erfgenamen).

Artikel 17: Beschermingsbewind, curatele en mentorschap

  • 1. Voor de kosten van beschermingsbewind, curatele en mentorschap wordt bijzondere bijstand verleend, als de noodzaak blijkt uit een beschikking van de rechtbank.

  • 2. Bijzondere bijstand wordt verleend voor de in de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren genoemde kosten en de kosten van griffierecht.

  • 3. Voor de beheerskosten van een Pgb wordt geen bijzondere bijstand verleend, als er sprake is geweest van een specifiek, concreet keuzemoment waarin de belanghebbende heeft gekozen voor zorg via een Pgb, terwijl zorg in natura ook mogelijk was.

Artikel 18: Budgetbeheer

  • 1. Voor de kosten van budgetbeheer kan bijzondere bijstand worden verleend, als aan alle voorwaarden uit dit artikel wordt voldaan.

  • 2. De noodzaak tot budgetbeheer en de looptijd van dit traject dient te blijken uit een beoordeling van de afdeling schuldhulpverlening van de gemeente.

  • 3. De hoogte van de maandelijkse vergoeding bedraagt maximaal 60% van de kosten van bewind genoemd in artikel 3 lid 2 sub a van de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren.

  • 4. De budgetbeheerder dient aangesloten te zijn bij de brancheorganisatie NVVK.

Artikel 19: Rechtsbijstand en griffierechten

  • 1. Voor de kosten van eigen bijdrage rechtsbijstand en griffierechten kan bijzondere bijstand worden verleend als een toevoeging hiervoor is afgegeven door de Raad voor Rechtsbijstand.

  • 2. Bij het vaststellen van de hoogte van de bijzondere bijstand wordt altijd rekening gehouden met de toepasselijke korting van het Juridische Loket.

  • 3. Kosten die via de gerechtelijke procedure aan belanghebbende worden vergoed moeten worden terugbetaald, wanneer hiervoor bijzondere bijstand is verstrekt.

Artikel 20: Jongeren van 18 tot en met 20 jaar in een inrichting

  • 1. Personen van 18 tot en met 20 jaar die in een inrichting verblijven hebben op grond van artikel 13, tweede lid, onderdeel a van de Participatiewet geen recht op algemene bijstand.

  • 2. Indien de belanghebbende niet kan voorzien in de noodzakelijke kosten van levensonderhoud en deze kosten niet door de inrichting worden gedragen, kan bijzondere bijstand worden verleend op grond van artikel 35 van de Participatiewet.

  • 3. Bij de beoordeling wordt eerst vastgesteld of de belanghebbende een beroep kan doen op de onderhoudsplicht van de ouders.

  • 4. Van het niet kunnen doen van een beroep op de ouders is in ieder geval sprake indien:

    • a)

      de ouders zijn overleden of onbereikbaar zijn;

    • b)

      sprake is van een ernstig verstoorde relatie;

    • c)

      de belanghebbende buiten het gezin is geplaatst in het kader van de Jeugdwet;

    • d)

      sprake is van een crisissituatie;

    • e)

      de jongere op de ingangsdatum van de bijstandsverlening twaalf maanden of langer zelfstandig woont;

    • f)

      of andere zwaarwegende omstandigheden.

  • 5. De bijzondere bijstand wordt afgestemd op de noodzakelijke kosten van het bestaan en de individuele omstandigheden van de belanghebbende.

  • 6. De hoogte van de bijzondere bijstand bedraagt in beginsel niet meer dan de voor belanghebbende geldende norm voor verblijf in een inrichting.

  • 7. Bijzondere bijstand voor levensonderhoud in deze situatie wordt terughoudend toegepast en gemotiveerd, aangezien deze niet is bedoeld voor de algemene kosten van het bestaan.

Artikel 21: Inrichtingskosten en duurzame gebruiksgoederen

  • 1. Inrichtingskosten en duurzame gebruiksgoederen behoren tot de algemene kosten van bestaan, waarvoor geen bijzondere bijstand mogelijk is. Deze kosten kunnen worden voldaan uit het inkomen of door gespreide betaling achteraf, bijvoorbeeld door een geldlening van de Kredietbank.

  • 2. In afwijking van het eerste lid is bijzondere bijstand mogelijk als er sprake is van een noodzakelijke verhuizing die op geen enkele manier voorzienbaar is.

Artikel 22: Inrichtingskosten, duurzame gebruiksgoederen en eerste huur nieuwkomers

  • 1. Als er sprake is van een eerste vestiging na het verlaten van het AZC komen inrichtingskosten en duurzame gebruiksgoederen in aanmerking voor vergoeding vanuit bijzondere bijstand.

  • 2. Voor nieuwkomers geldt dat zij een totale lening bij de Kredietbank kunnen aanvragen. De gemeente geeft een borgstelling voor de lening af en verstrekt suppletie voor de aflossing.

  • 3. Als de aanvraag betrekking heeft op de volledige inrichting van een woning, bedraagt de renteloze lening maximaal het normbedrag van de Kredietbank. Dit normbedrag is afhankelijk van de gezinssamenstelling van de belanghebbende.

  • 4. Bij samenloop van een lening bij de Kredietbank en een geldlening voor bijzondere bijstand moet eerst de lening van de Kredietbank worden afgelost.

  • 5. Als er sprake is van een eerste vestiging na het verlaten van het AZC komt de eerste verhuurnota in aanmerking voor bijzondere bijstand.

Artikel 23: Verhuiskosten en eerste huur

  • 1. Kosten in verband met verhuizing (transportkosten, dubbele huur, administratiekosten) behoren tot de algemene kosten van bestaan, waarvoor geen bijzondere bijstand mogelijk is. Deze kosten kunnen worden voldaan uit het inkomen of door gespreide betaling achteraf, bijvoorbeeld door een geldlening van de Kredietbank.

  • 2. In afwijking van het eerste lid van dit artikel is bijzondere bijstand mogelijk als:

    • a.

      er sprake is van een noodzakelijke verhuizing die op geen enkele manier voorzienbaar is;

    • b.

      er sprake is van een eerste vestiging na het verlaten van het AZC.

Artikel 24: Woonkostentoeslag bij een huurwoning

  • 1. Bijzondere bijstand kan worden verleend als belanghebbende door een onverwachte terugval in de inkomens- en/of vermogenssituatie niet in staat is de huur volledig te betalen.

  • 2. Huurtoeslag volgens Wht geldt als voorliggende voorziening en dient eerst aangevraagd te worden wanneer hier aanspraak op kan worden gemaakt.

  • 3. Woonkostentoeslag geldt niet voor bedrijfsruimtes. Daar, waar het gaat om woon- en bedrijfsruimte kan woonkostentoeslag alleen voor de woonruimte worden verleend.

  • 4. Vergoeding bedraagt maximaal vijftig procent van het bedrag van de huurtoeslaggrens volgens de Wht.

  • 5. Wanneer bij de berekening van het inkomen voor de vaststelling van de huurtoeslag rekening is gehouden met de inkomens van medebewoners en daardoor de huurtoeslag is verlaagd of afgewezen, kan daarvoor geen bijzondere bijstand ter compensatie worden toegekend.

  • 6. De woonkostentoeslag wordt voor zes maanden toegekend. Aan het verstrekken van de woonkostentoeslag wordt een verhuisverplichting verbonden om te zoeken naar een huurwoning met een huur lager dan de huurtoeslaggrens.

  • 7. De periode als bedoeld in lid vijf kan met maximaal zes maanden worden verlengd als belanghebbende buiten zijn schuld nog geen woning heeft kunnen krijgen waarvoor wel recht bestaat op huurtoeslag. Dit houdt in ieder geval in dat belanghebbende heeft aangetoond:

    • a.

      in de afgelopen zes maanden actief naar goedkopere woonruimte te hebben gezocht en ook buiten de regio Gooi en Vechtstreek heeft gezocht. Met goedkopere woonruimte wordt bedoeld woonruimte met een huur lager dan de huurtoeslaggrens;

    • b.

      in de afgelopen zes maanden ingeschreven te hebben gestaan als woningzoekende bij Woningnet;

    • c.

      consequent en adequaat te hebben gereageerd op elke (aangeboden) woning met een huur lager dan de huurtoeslaggrens, ongeacht de aard of ligging van de woning;

    • d.

      geen passende woonruimte te hebben geweigerd;

    • e.

      alles in het werk te hebben gesteld om goedkopere woonruimte te verkrijgen.

Artikel 25: Woonkostentoeslag bij een koopwoning

  • 1. Woonkostentoeslag kan alleen worden verleend als belanghebbende de woning bezit en bewoont, er sprake is van een onverwachte terugval in de inkomens- en/of vermogenssituatie en de belanghebbende niet in staat is de woonkosten te betalen.

  • 2. Woonkostentoeslag geldt niet voor bedrijfsruimtes. Daar, waar het gaat om woon- en bedrijfsruimte kan woonkostentoeslag alleen voor de woonruimte worden verleend.

  • 3. De woonkostentoeslag wordt berekend volgens de systematiek van de Wht, waarbij alleen de volgende woonkosten voor woonkostentoeslag in aanmerking komen:

    • a.

      de kosten van hypotheekrente per maand, na aftrek van de hiermee verband houdende belastingteruggaaf;

    • b.

      de zakelijke lasten in verband met het hebben van eigendom, zoals de rioolrechten, het eigenaarsdeel van de waterschapslasten, het erfpachtcanon, de premies van verzekeringen tegen brand- en stormschade en het eigenaarsgedeelte onroerende zaakbelasting per maand.

  • 4. De woonkostentoeslag is gelijk aan het bedrag van de huurtoeslag die belanghebbende op grond van de Wht, gelet op zijn financiële situatie, voor de woonkosten per maand zou ontvangen.

  • 5. De woonkosten die boven de maximale huurgrens uitkomen worden tot maximaal vijftig procent van de huurtoeslaggrens vergoed.

  • 6. De woonkostentoeslag wordt voor een jaar toegekend. Aan de verlening van de woonkostentoeslag wordt de verplichting opgelegd om te zoeken naar goedkopere huisvesting waarvoor recht bestaat op huurtoeslag.

  • 7. De periode als bedoeld in lid vijf kan worden verlengd als belanghebbende buiten zijn schuld nog geen huur- of koopwoning met een huur/hypotheek lager dan de huurtoeslaggrens heeft kunnen krijgen. Dit houdt in ieder geval in dat belanghebbende:

    • a.

      Een jaar actief naar goedkopere woonruimte heeft gezocht waarvoor recht bestaat op huurtoeslag, ook buiten de regio Gooi en Vechtstreek. Dit betekent dat belanghebbende aantoonbaar consequent en adequaat gereageerd heeft op elke aangeboden woning met een huur lager dan de huurtoeslaggrens, ongeacht de aard of ligging van de woning;

    • b.

      alles in het werk zal stellen om de woning te verkopen als er uitzicht is op goedkopere woonruimte: schakelt een makelaar in, zet via een advertentie de woning te koop (krant, toegankelijke websites voor het aanbieden van de koopwoning);

    • c.

      geen passende woonruimte heeft geweigerd.

  • 8. Jaarlijks vindt er een herbeoordeling van de situatie plaats.

Hoofdstuk 4 Slotbepalingen

Artikel 26: Inwerkingtreding en overgangsrecht

Deze beleidsregels treden in werking op de dag na bekendmaking, onder gelijktijdige intrekking van Beleidsregels bijzondere bijstand Gooise Meren 2024.

Artikel 27: Hardheidsclausule

De gemeente kan in bijzondere individuele gevallen ten gunste van de belanghebbende afwijken van de bepalingen in deze regeling als deze regeling tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

Artikel 28: Citeertitel

Deze regeling kan worden aangehaald als Beleidsregels bijzondere bijstand Gooise Meren 2026.

Ondertekening

Burgemeester en wethouders van Gooise Meren

de secretaris

M. Voorhorst

burgemeester

drs. H.M.W. ter Heegde