Permanente link
Naar de actuele versie van de regeling
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR760977
Naar de door u bekeken versie
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR760977/1
Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Wassenaar 2026
Geldend van 24-04-2026 t/m heden
Intitulé
Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Wassenaar 2026De gemeenteraad van Wassenaar,
gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 16 december 2025;
gelet op de artikelen 2.1.3, 2.1.4, eerste, tweede, derde, vierde en zesde lid, 2.1.4a, eerste, tweede, derde, vijfde en zesde lid, 2.1.4b, tweede lid, 2.1.5, eerste lid, 2.1.6, 2.1.7, 2.3.6, vierde lid, en 2.6.6, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en artikelen 3.8, tweede lid, en 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015;
Overwegende dat:
- –
het noodzakelijk is om inwoners te ondersteunen als zij beperkingen ondervinden in hun maatschappelijke participatie en zelfredzaamheid en zij niet in staat zijn om op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg, met hulp van het sociale netwerk of met gebruikmaking van algemene voorzieningen hiervoor een oplossing vinden;
- –
het noodzakelijk is om inwoners met psychische of psychosociale problemen en inwoners die vanwege huiselijk geweld of om andere redenen de thuissituatie hebben verlaten te ondersteunen bij het zich handhaven in de samenleving als zij hier niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg, of met hulp van het sociale netwerk of met gebruikmaking van algemene voorzieningen toe in staat zijn;
- –
het noodzakelijk is om bij verordening regels te stellen over de invulling van de plicht tot ondersteuning.
b e s l u i t:
- 1.
De Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Wassenaar 2026 vast te stellen.
Hoofdstuk 1: Begrippen
Artikel 1. Begripsbepalingen
-
1. In deze verordening wordt verstaan onder:
- a.
algemeen gebruikelijke voorziening: een voorziening die:
- –
niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking;
- –
daadwerkelijk beschikbaar is;
- –
een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de inwoner in staat is tot zelfredzaamheid of participatie en;
- –
financieel gedragen kan worden met een inkomen op minimumniveau.
- –
- b.
algemene voorziening: aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning.
- c.
andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de wet;
- d.
AVG: Algemene verordening gegevensbescherming
- e.
college: Het college van burgemeester en Wethouders van gemeente Wassenaar
- f.
financieel besluit: Financieel besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Wassenaar
- g.
hoofdverblijf: de woonruimte, bestemd en geschikt voor permanente bewoning, waar de inwoner met beperkingen zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft;
- h.
hulpvraag: behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2 lid 1 van de wet;
- i.
ingezetene: inwoner die hoofdverblijf heeft in de gemeente Wassenaar;
- j.
inwoner: cliënt zoals bedoeld in de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;
- k.
melding: kenbaar maken van de hulpvraag aan het college als bedoeld in artikel 2.3.2 lid 1 van de wet;
- l.
nadere regels: regels die de uitwerking van onderdelen van de verordening bevatten, deze worden vastgesteld door het college van de gemeente Wassenaar;
- m.
persoonlijk plan: plan waarin de inwoner de omstandigheden, bedoeld in artikel 2.3.2 lid 4 Wmo 2015 onderdelen a tot en met g van de wet, beschrijft en aangeeft welke maatschappelijke ondersteuning naar zijn mening het meest is aangewezen;
- n.
pgb: persoonsgebonden budget;
- o.
uitvoeringsbesluit: Uitvoeringsbesluit Wmo 2015;
- p.
VOG: Verklaring Omtrent het Gedrag
- q.
wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.
- r.
zzp: Zelfstandige zonder personeel
- a.
-
2. Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de wet, het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 en de Algemene wet bestuursrecht.
Hoofdstuk 2: Melding en onderzoek
Artikel 2. Melding
-
1. Een hulpvraag kan door of namens de inwoner schriftelijk op een door het college beschikbaar gesteld meldingsformulier, telefonisch of op digitale wijze, bij het college worden gemeld.
-
2. Het college bevestigt de ontvangst van een hulpvraag schriftelijk en maakt zo spoedig mogelijk een afspraak voor een gesprek.
-
3. In spoedeisende gevallen als bedoeld in artikel 2.3.3 van de wet treft het college na de melding zo spoedig mogelijk een tijdelijke maatwerkvoorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek als bedoeld in artikel 5.
-
4. Het college kan afspraken maken met aanbieders en partijen uit het maatschappelijk middenveld op welke wijze zij, namens de inwoner, met (een gewijzigde) behoefte aan maatschappelijke ondersteuning een melding kunnen doen.
Artikel 3. Cliëntondersteuning
-
1. Het college draagt zorg voor de beschikbaarheid van kosteloze cliëntondersteuning.
-
2. Het college wijst de inwoner en zijn mantelzorger voor het onderzoek op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning.
Artikel 4. Persoonlijk plan
-
1. Het college informeert de inwoner over de mogelijkheid tot het indienen van een persoonlijk plan en stelt hem gedurende zeven dagen na de melding in de gelegenheid het plan te overhandigen.
-
2. Het college betrekt het persoonlijk plan bij het onderzoek als bedoeld in artikel 5 van deze verordening.
Artikel 5. Onderzoek
-
1. Een gesprek maakt deel uit van het onderzoek. Het gesprek wordt gevoerd met de inwoner of zijn vertegenwoordiger, voor zover mogelijk zijn mantelzorger en voor zover nodig andere personen.
-
2. De volgende factoren maken in ieder geval deel uit van het onderzoek en vormen de basis van het gesprek:
- a.
de behoeften, persoonskenmerken en de voorkeuren van de inwoner;
- b.
de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te verbeteren of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;
- c.
de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of te voorzien in zijn de behoefte aan beschermd wonen of opvang;
- d.
de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de inwoner;
- e.
de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;
- f.
de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid, zijn participatie of aan beschermd wonen of opvang;
- g.
welke bijdrage in de kosten de inwoner met toepassing van artikel 2.1.4 van de wet verschuldigd zal zijn.
- a.
-
3. Tijdens het gesprek wordt aan de inwoner in begrijpelijke bewoordingen medegedeeld welke mogelijkheden bestaan om te kiezen voor een pgb en wat de gevolgen van die keuze zijn.
-
4. Het college informeert de inwoner over de mogelijkheid om een aanvraag als bedoeld in artikel 6 in te dienen.
-
5. Als dit nodig is voor het onderzoek, kan het college de inwoner, zijn mantelzorger of bij gebruikelijke hulp zijn huisgenoten oproepen voor een gesprek of een onderzoek door een daartoe aangewezen deskundige;
-
6. Als dit nodig is voor het onderzoek, kan het college een door hem daartoe aangewezen adviesinstantie om advies vragen.
-
7. Het college geeft de inwoner een schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek, waaronder een verslag van het gesprek.
-
8. De inwoner ondertekent het verslag voor gezien of akkoord en stuurt een ondertekend exemplaar naar het college.
Hoofdstuk 3: Aanvraag maatwerkvoorziening
Artikel 6. Aanvraag
Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening wordt door of namens een inwoner schriftelijk ingediend bij het college.
Artikel 7. Algemene criteria
-
1. Een inwoner komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in zijn zelfredzaamheid of participatie, als de inwoner de beperkingen niet kan verminderen of wegnemen door gebruik te maken van:
- a.
eigen kracht en/of;
- b.
gebruikelijke hulp en/of;
- c.
mantelzorg en/of;
- d.
hulp van andere personen uit het sociale netwerk en/of;
- e.
algemeen gebruikelijke voorzieningen en/of;
- f.
algemene voorzieningen en/of;
- g.
andere voorzieningen.
- a.
-
2. Een inwoner met psychische of psychosociale problemen en een inwoner die vanwege huiselijk geweld of om een andere reden de thuissituatie heeft verlaten, komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving, als de inwoner de problemen niet kan verminderen of wegnemen door gebruik te maken van:
- a.
eigen kracht en/of;
- b.
gebruikelijke hulp en/of;
- c.
mantelzorg en/of;
- d.
hulp van andere personen uit het sociale netwerk en/of;
- e.
algemeen gebruikelijke voorzieningen en/of;
- f.
algemene voorzieningen en/of;
- g.
andere voorzieningen.
- a.
-
3. Het college kan nadere regels stellen over maatwerkvoorzieningen die op grond van het eerste en tweede lid beschikbaar zijn.
Artikel 8. Voorwaarden en weigeringsgronden
-
1. Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst compenserende voorziening.
-
2. De maatwerkvoorziening wordt alleen verstrekt als deze gezien de beperkingen van de inwoner, veilig voor hemzelf en zijn omgeving is, geen gezondheidsrisico’s met zich meebrengt, geen brandgevaarlijke situaties veroorzaakt en niet anti-revaliderend werkt.
-
3. Geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt:
- a.
als voor de problematiek die aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning, een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat;
- b.
als de inwoner de gevraagde voorziening voor de melding heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij er sprake is van een acute noodsituatie waardoor het voor de inwoner dringend noodzakelijk was de voorziening te treffen;
- c.
als de inwoner de gevraagde voorziening na de melding en vóór datum van besluit op de aanvraag heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij het college daarvoor schriftelijk toestemming heeft gegeven of de noodzaak en passendheid van de voorziening en de gemaakte kosten achteraf nog kan beoordelen;
- d.
als de gevraagde voorziening al eerder aan de inwoner is verstrekt op grond van enige wettelijke bepaling en de normale afschrijvingstermijn van die voorziening nog niet verstreken is. Tenzij de voorziening verloren is gegaan door omstandigheden die niet aan de inwoner zijn toe te rekenen of de inwoner de restwaarde van de voorziening die verloren is gegaan geheel of gedeeltelijk vergoed;
- e.
als deze niet hoofdzakelijk op het individu is gericht;
- f.
als de voorziening niet noodzakelijk was geweest wanneer de inwoner rekening had gehouden met bestaande en bekende beperkingen en de te verwachten ontwikkelingen daarvan;
- g.
als de inwoner een indicatie heeft voor zorg met verblijf op grond van de Wet langdurige zorg of er redenen zijn om aan te nemen dat de inwoner daarvoor in aanmerking komt, maar weigert mee te werken aan het verkrijgen van een besluit hierover, tenzij artikel 8.6a van de wet van toepassing is;
- a.
-
4. Geen maatwerkvoorziening gericht op zelfredzaamheid en participatie wordt verstrekt als:
- a.
deze niet langdurig noodzakelijk is, tenzij het gaat om hulp bij het huishouden of begeleiding;
- b.
de persoon die een maatwerkvoorziening aanvraagt geen ingezetene is van de gemeente Wassenaar.
- a.
-
5. Bij de te verstrekken vervoersvoorziening wordt alleen rekening gehouden met de verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving met een maximum van 1.500 kilometer op jaarbasis.
-
6. Geen woonvoorziening wordt verstrekt:
- a.
als de beperkingen voorkomen uit de aard van de in de woning gebruikte materialen, de slechte staat van het onderhoud of de omstandigheid dat de woning niet voldoet aan de geldende wettelijke eisen;
- b.
als de inwoner zijn hoofdverblijf niet heeft of niet zal hebben in de woning waaraan de voorziening wordt getroffen. In afwijking van dit lid kan voor inwoners die in een Wlz- instelling wonen één woning bezoekbaar gemaakt worden;
- c.
ten behoeve van woonruimte die niet geschikt zijn voor permanente bewoning;
- d.
als het om voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten gaat, anders dan automatische deuropeners, hellingbanen, het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren, het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders of het aanbrengen van een opstelplaats bij de toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimte;
- e.
als noodzaak het gevolg is van een verhuizing waarvoor geen aanleiding was op grond van beperkingen bij de zelfredzaamheid of participatie en er geen belangrijke redenen voor de verhuizing zijn;
- f.
als de inwoner niet is verhuisd naar de voor zijn beperkingen meest geschikte beschikbare woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is gegeven door het college;
- g.
als de voorziening in geval van nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen kan worden.
- a.
-
7. Het college verstrekt de voorzieningen opvang en beschermd wonen volgens het daartoe vastgesteld beleid van de centrumgemeente Den Haag, de geldende verordening maatschappelijke ondersteuning en de daarop gebaseerde nadere regels en/of beleidsregels maatschappelijke ondersteuning van deze centrumgemeente.
Artikel 9. Toegang en besluit
-
1. Het college legt het besluit om wel of geen maatwerkvoorziening te verstrekken vast in een beschikking.
-
2. De inwoner moet zich, indien van toepassing, binnen 3 maanden na de besluitdatum hebben gemeld bij de aanbieder van de maatwerkvoorziening of het pgb binnen 3 maanden gebruiken voor het resultaat waarvoor het is verstrekt.
Artikel 10. Inhoud en beschikking
-
1. In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening staat of deze voorziening in natura of pgb wordt verstrekt.
-
2. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura vermeldt de beschikking in ieder geval:
- a.
welke maatwerkvoorziening verstrekt wordt en wat het beoogde resultaat daarvan is;
- b.
de ingangsdatum en de duur van de verstrekking;
- c.
indien van toepassing de termijn van 3 maanden waarbinnen de inwoner zich bij de aanbieder moet hebben gemeld als bedoeld in artikel 9 tweede lid;
- d.
of een bijdrage in de kosten verschuldigd is en de daarbij door het college gehanteerde uitgangspunten, zoals de kostprijs van de voorziening.
- a.
-
3. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb vermeldt de beschikking in ieder geval:
- a.
aan welk doel het pgb moet worden besteed;
- b.
welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb;
- c.
wat de hoogte van het pgb is en hoe deze is bepaald;
- d.
de ingangsdatum en de duur van de verstrekking;
- e.
de termijn van 3 maanden waarbinnen de inwoner het pgb moet besteden als bedoeld in artikel 9 tweede lid;
- f.
hoe de besteding van het pgb verantwoord moet worden en;
- g.
of een bijdrage in de kosten verschuldigd is en de daarbij door het college gehanteerde uitgangspunten, zoals de kostprijs van de voorziening.
- a.
Hoofdstuk 4: Bepalingen met betrekking tot pgb
Artikel 11. Regels voor een pgb
-
1. Als een inwoner in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening en de ondersteuning zelf wenst in te kopen door middel van een pgb, toetst het college of voldaan wordt aan de in artikel 2.3.6 tweede lid van de wet opgenomen voorwaarden. De inwoner dient daarvoor een budgetplan in dat door het college is vastgesteld. In het budgetplan is in elk geval opgenomen;
- a.
hoe de inwoner zelf of met hulp van iemand uit het sociale netwerk of zijn vertegenwoordiger de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze gaat uitvoeren;
- b.
wat de motivatie is om de maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb te ontvangen;
- c.
welke voorziening de inwoner met het pgb zou willen inkopen en bij welke aanbieder;
- d.
op welke wijze de kwaliteit van de voorziening gewaarborgd en duidelijk is dat de voorziening geschikt is voor het doel waarvoor het pgb wordt verstrekt;
- e.
de kosten van de voorziening, uitgedrukt in aantal eenheden en tarief.
- a.
-
2. Het pgb mag niet worden besteed aan:
- a.
kosten voor bemiddeling, tussenpersonen of belangenbehartigers;
- b.
kosten voor het voeren van een pgb-administratie;
- c.
kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb;
- d.
kosten voor een feestdagenuitkering en een eenmalige uitkering.
- a.
-
3. Het pgb bevat geen vrij besteedbaar deel.
-
4. Het college kan de Sociale Verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken om betalingen uit het pgb voor ten hoogste dertien weken geheel of gedeeltelijk op te schorten als duidelijk is dat de inwoner het pgb in die periode anders ten onrechte kan inzetten.
Artikel 12. Weigeringsgronden voor een pgb
-
1. Een aanvraag voor een pgb kan worden geweigerd indien:
- a.
de inwoner volgens de medewerker niet voldoet aan één van de voorwaarden die in artikel 11 van deze verordening staan, of niet voldoet aan één van de voorwaarden die in artikel 2.3.6, tweede lid, van de Wet staan;
- b.
de ondersteuning die de inwoner met het pgb wil inkopen volgens de medewerker niet of niet in voldoende mate zal bijdragen aan het bereiken van het beoogde resultaat;
- c.
de inwoner en/of vertegenwoordiger een bespreking van het budgetplan weigert of, na daartoe te zijn opgeroepen, zonder geldige reden niet verschijnt;
- d.
de inwoner of de vertegenwoordiger problematische schulden heeft, een schuldsaneringstraject doorloopt of onder de Wet schuldsanering natuurlijke personen valt, tenzij de bewindvoerder het beheer van het pgb op zich neemt. De kosten hiervan moet de inwoner betalen;
- e.
er sprake is van ernstige verslavingsproblematiek bij de inwoner of vertegenwoordiger. Bij vermoedens hiervan kan nader onderzoek worden gedaan door bijvoorbeeld een medische verklaring op te vragen;
- f.
er sprake is van aantoonbaar begane fraude door de inwoner of vertegenwoordiger in de vier jaar voorafgaand aan de aanvraag;
- g.
de inwoner of vertegenwoordiger niet beschikt over de taken, kennis en vaardigheden die nodig zijn om het pgb goed te kunnen beheren, waaronder wordt verstaan het onvoldoende machtig zijn van de Nederlandse taal in woord en geschrift. Het college werkt de taken, kennis en vaardigheden uit in nadere regels;
- h.
de vertegenwoordiger ook de uitvoerder van de ondersteuning is, of op een andere manier betrokken is bij de uitvoerende organisatie, bijvoorbeeld als directeur of bestuurder;
- i.
onafhankelijk advies heeft uitgewezen dat de ondersteuning niet verantwoord is;
- j.
het pgb bestemd is voor besteding in het buitenland;
- k.
het pgb bestemd is voor besteding op vakantie;
- l.
de aanvraag tot gevolg heeft dat één en dezelfde persoon meer dan 48 uur per week moet werken. Bij het vaststellen of deze 48 uur per week overschreden wordt, kunnen alle betaalde werkzaamheden worden meegewogen, en ook de hoeveelheid ondersteuning die deze persoon, al dan niet via een pgb, levert aan andere personen of gezinsleden.
- a.
-
2. In afwijking van artikel 12.1 onder j en k, kan het college toestemming verlenen om de toegekende ondersteuning die met het pgb ingekocht wordt ook in te zetten tijdens verblijf in het buitenland of op vakantie.
-
3. Het college kan nadere regels stellen over de taken, kennis en vaardigheden waarover een inwoner of vertegenwoordiger moet beschikken om een pgb op een verantwoorde wijze te beheren.
Artikel 13. Onderscheid formele en informele hulp
-
1. Bij het vaststellen van de hoogte van het pgb, wordt onderscheid gemaakt tussen formele en informele hulp.
-
2. Van formele hulp is sprake als de hulp verleend wordt door onderstaande personen, met uitzondering van personen uit het sociaal netwerk van de inwoner;
- a.
personen die werkzaam zijn bij een instelling die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en die beschikken over de relevante diploma's die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken en een recente VOG kunnen overleggen, of;
- b.
personen die aangemerkt zijn als zelfstandige zonder personeel (zzp’er). Daarnaast moeten ze ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007), beschikken over relevante diploma's die nodig zijn voor uitoefening van de betreffende taken en een recente VOG kunnen overleggen.
- a.
-
3. Informele hulp is:
- a.
Hulp die geboden wordt door personen die niet voldoen aan de criteria als genoemd in het tweede lid.
- b.
Hulp die geboden wordt door personen die voldoen aan de criteria als genoemd in het tweede lid, maar tot het sociaal netwerk van de inwoner behoren of eerstegraads of tweedegraads bloedverwant zijn.
- a.
Artikel 14. Hoogte pgb
-
1. De hoogte van het pgb voor een hulpmiddel of woningaanpassing wordt maximaal vastgesteld op:
- a.
het bedrag van de goedkoopst compenserende voorziening in natura bij de leverancier waarmee de gemeente een overeenkomst heeft gesloten, zo nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering of;
- b.
het bedrag van de kosten volgens de door het college geaccepteerde offerte indien de gemeente voor het betreffende hulpmiddel of woningaanpassing geen overeenkomst heeft gesloten.
- a.
-
2. De hoogte van een pgb voor vervoer bedraagt de netto-zoneprijs die de gemeente betaalt voor het collectief vervoer vermenigvuldigd met het aantal benodigde zones, waarbij het uitgangspunt geldt dat 1.500 kilometer op jaarbasis binnen de eigen leef- en woonomgeving moet kunnen worden gereisd.
-
3. De hoogte van het pgb voor formele hulp is gelijk aan het tarief voor gecontracteerde ondersteuning in natura, tenzij op basis van het budgetplan van de inwoners passende en toereikende ondersteuning voor een lager tarief kan worden ingekocht.
-
4. De hoogte van het pgb voor hulp door een zzp-er bedraagt maximaal 85% van het tarief waarvoor het college aanbieders heeft gecontracteerd.
-
5. De hoogte van het pgb voor informele hulp bedraagt maximaal 50% van het tarief waarvoor het college aanbieders heeft gecontracteerd.
-
6. Als het op basis van eerste, tweede en derde lid vastgestelde pgb in een individueel geval onvoldoende is om de aangewezen voorziening te kunnen inkopen, wordt het tarief zodanig aangepast dat de maatwerkvoorziening hiermee bij ten minste één aanbieder kan worden ingekocht.
Artikel 15. Financiële tegemoetkoming
Een inwoner komt in aanmerking voor een financiële tegemoetkoming als dit een passende bijdrage levert aan de zelfredzaamheid en participatie en het om één van de volgende voorzieningen gaat;
- a.
de vergoeding voor verhuizen en herinrichting. De hoogte is gebaseerd op marktonderzoek naar de kosten voor verhuizing en de Nibud-normen voor stoffering. Het college legt de hoogte vast in het financieel besluit;
- b.
de vergoeding voor vervoer per eigen auto, als dit vervoer niet algemeen gebruikelijk is en inwoner geen gebruik kan maken van het collectief vervoer. De hoogte is gebaseerd op de kilometerprijs van het Nibud en het uitgangspunt dat de inwoner 1500 kilometer per jaar binnen de eigen leef- en woonomgeving moet kunnen reizen. Het college legt de hoogte vast in het financieel besluit;
- c.
de vergoeding voor een sportvoorziening bedraagt maximaal € 3.500,-. Dit bedrag kan één keer per drie jaar worden aangevraagd. Dit bedrag is inclusief onderhoud en verzekering;
Hoofdstuk 5: Bijdrage in de kosten
Artikel 16. Bijdrage voor maatwerkvoorzieningen en algemene voorzieningen
-
1. Een inwoner is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening in natura of een pgb zolang hij van de maatwerkvoorziening gebruik maakt of gedurende de periode waarvoor het pgb wordt verstrekt.
-
2. Het college int geen eigen bijdrage via het CAK voor:
- a.
een rolstoel;
- b.
een financiële tegemoetkoming;
- c.
wanneer maatwerkvoorzieningen zijn bedoeld voor een inwoner die de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt;
- d.
een voorziening in gemeenschappelijke ruimtes van wooncomplexen;
- e.
collectief vervoer, de inwoner betaalt een bijdrage per gemaakte rit aan de aanbieder;
- f.
algemene voorzieningen, de aanbieder kan een bijdrage vragen in de kostprijs.
- a.
Artikel 17. Hoogte bijdrage in de kosten
-
1. Voor de algemene voorzieningen en maatwerkvoorzieningen die niet genoemd worden in lid 2 t/m 4 bedraagt de hoogte van de bijdrage voor een of meerdere voorzieningen samen het bedrag genoemd in artikel 2.1.4 derde lid en artikel 2.1.4a vierde lid van de wet per maand voor de ongehuwde inwoner of de gehuwde inwoner samen.
-
2. De bijdrage in de kosten voor maatwerkvoorzieningen beschermd wonen en maatschappelijke opvang worden vastgesteld conform het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015.
-
3. De hoogte van de bijdrage voor een hulpmiddel of woningaanpassing overstijgt niet de kostprijs van de voorziening.
-
4. De kostprijs van een maatwerkvoorziening in natura is gelijk aan de kosten die het college voor de desbetreffende maatwerkvoorziening zelf maakt.
-
5. De bijdragen in de kosten voor de maatwerkvoorziening beschermd wonen en maatschappelijke opvang worden door gemeente Den Haag vastgesteld en geïnd.
-
6. In afwijking van de bepalingen in dit artikel kan een inwoner op grond van hoofdstuk 3 van het Uitvoeringsbesluit Wmo geen bijdrage verschuldigd zijn.
Hoofdstuk 6: Herziening, intrekking, terugvordering en bestrijding misbruik bij individuele voorzieningen en pgb
Artikel 18. Niet meewerken aan onderzoek
-
1. De inwoner is verplicht om, binnen de eigen mogelijkheden, mee te werken aan onderzoek zoals vermeld in artikel 5. Dit onderzoek is gericht op besluitvorming over, en de doelmatige en effectieve inzet van maatwerkvoorzieningen.
-
2. Als de inwoner naar het oordeel van het college niet of onvoldoende meewerkt, kan het college bepalen dat het recht op een maatwerkvoorziening niet kan worden vastgesteld. In dit geval kan het college besluiten om geen maatwerkvoorziening te verstrekken, een lagere omvang vast te stellen of een eerder/reeds toegekende maatwerkvoorziening op te schorten of in te trekken, zulks conform het bepaalde in de artikelen 2.3.8. en 2.3.10 van de wet.
Artikel 19. Voorkoming en bestrijding ten onrechte ontvangen voorzieningen en pgb's en misbruik of oneigenlijk gebruik.
-
1. Het college informeert de inwoner in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een maatwerkvoorziening of pgb zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet.
-
2. Onverminderd artikel 2.3.8 van de wet doet de inwoner aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet.
-
3. Onverminderd artikel 2.3.10 van de wet kan het college een beschikking voor een voorziening, financiële tegemoetkoming of pgb herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat:
- a.
de inwoner onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van onjuiste gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid;
- b.
de inwoner niet langer op de maatwerkvoorziening of het daarmee samenhangende pgb is aangewezen;
- c.
de inzet van de voorziening of het pgb niet leidt tot het beschreven resultaat uit het gespreksverslag;
- d.
de individuele voorziening of het pgb niet meer toereikend is te achten;
- e.
de inwoner langer dan zes weken verblijft in een instelling als bedoelt in de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet, of
- f.
de inwoner niet voldoet aan de voorwaarden die zijn verbonden aan de individuele voorziening of het pgb.
- g.
de inwoner de maatwerkvoorziening, de financiële tegemoetkoming, het pgb of algemene voorziening niet of voor een ander doel gebruikt.
- a.
-
4. Een beslissing tot toekenning van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen drie maanden na uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van de individuele voorziening waarvoor de toekenning heeft plaatsgevonden.
-
5. Het college kan een beslissing op grond van het derde lid, onder a, intrekken als de inwoner of degene die daaraan heeft meegewerkt opzettelijk onjuiste en onvolledige gegevens heeft verstrekt. Het college kan geheel of gedeeltelijk de geldwaarde vorderen van de ten onrechte genoten maatwerkvoorziening of het ten onrechte genoten pgb.
-
6. Als het recht op een in eigendom verstrekte voorziening is ingetrokken, kan het college deze voorziening terugvorderen.
-
7. Als het recht op een in bruikleen verstrekte voorziening is ingetrokken, kan het college deze voorziening terugvorderen.
-
8. Teneinde uitvoering te geven aan de toezichthoudende taak, als bedoeld in hoofdstuk 6 van de Wet, verwerkt het college persoonsgegevens, waaronder mogelijk bijzondere persoonsgegevens als bedoeld in artikel 9 van de AVG.
Artikel 20. Verrekening
Het college kan een terug te vorderen bedrag verrekenen met betalingen op grond van de wet, die nog uitgekeerd moeten worden.
Artikel 21. Onderzoek naar kwaliteit en recht- en doelmatigheid maatwerkvoorzieningen en pgb
-
1. Het college onderzoekt periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van maatwerkvoorzieningen en pgb's met het oog op de beoordeling van de kwaliteit en recht- en doelmatigheid daarvan.
-
2. Het college treft de nodige maatregelen om oneigenlijk gebruik van maatwerkvoorzieningen tegen te gaan en fraude te bestrijden. Tot deze maatregelen behoren in ieder geval:
- a.
het college wijst personen aan die belast zijn met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of op grond van de Wet en deze verordening;
- b.
de toezichthoudende ambtenaren zijn, voor zover dat voor de vervulling van hun taak noodzakelijk is, bevoegd tot inzage van dossiers.
- c.
het college zoekt waar mogelijk de samenwerking met organisaties die zich ook bezighouden met het tegengaan van oneigenlijk gebruik en fraude op het terrein van de zorg of aanverwante terreinen;
- d.
het college verricht zo nodig onderzoek bij zorgverleners van maatwerkvoorzieningen die een subsidie- of contractrelatie hebben met de gemeente Wassenaar onderhouden of die ondersteuning verlenen op grond van een persoonsgebonden budget aan inwoners van de gemeente Wassenaar;
- e.
het college maakt afspraken met aanbieders van voorzieningen over de facturatie, resultaatsturingen, accountantscontroles, zodat declaraties en uitbetalingen in overeenstemming zijn met de contractuele afspraken, de leveringsopdracht, de prestatieafspraken en de feitelijk geleverde prestaties;
- f.
het college controleert, al dan niet steekproefsgewijs, of de gemaakte afspraken zoals genoemd in het voorgaande lid worden nagekomen;
- g.
het college kan nadere regels stellen over de wijze waarop toezicht wordt gehouden op de naleving van de bepalingen omtrent het gebruik van maatwerkvoorzieningen en persoonsgebonden budgetten.
- a.
Hoofdstuk 7: Kwaliteit en Veiligheid
Artikel 22. Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning
-
1. Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen door:
- a.
voorzieningen af te stemmen op de persoonlijke situatie van de inwoner;
- b.
voorzieningen af te stemmen op andere vormen van zorg;
- c.
inzet van de juiste deskundigheid;
- d.
ervoor te zorgen dat de kwaliteit van de voorzieningen en de deskundigheid van beroepskrachten voldoen aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de van toepassing zijnde erkende keurmerken voor de betreffende sector;
- e.
er bij het leveren van voorzieningen op toe te zien dat beroepskrachten handelen in overeenstemming met de professionele standaard.
- a.
-
2. Het college kan nadere regels stellen over verdere eisen aan de kwaliteit van voorzieningen, waaronder eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten.
-
3. Het college ziet toe op de naleven van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek en het zo nodig in overleg met de inwoner ter plaatse controleren van geleverde voorzieningen.
Artikel 23. Verhouding prijs en kwaliteit levering voorzieningen door derden
-
1. Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4 van de wet en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de dienst stelt het college vast:
- a.
een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan van overeenkomsten met derde; of
- b.
een reële prijs die geldt als ondergrens voor:
- i.
een inschrijving en het aangaan overeenkomst met derde; of
- ii.
de vaste prijs, bedoeld in onderdeel a.
- i.
- a.
-
2. Het college stelt de prijzen, bedoeld in het eerste lid, vast:
- a.
Conform de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3 tweede lid onderdeel c van de wet, en;
- b.
rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5 tweede lid van de wet, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners.
- a.
-
3. Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitsverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren diensten, in ieder geval rekening met:
- a.
kosten van de beroepskracht;
- b.
redelijke overheidskosten;
- c.
kosten voor niet-productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg;
- d.
reis- en opleidingskosten;
- e.
indexatie van loon binnen een overeenkomst;
- f.
overige kosten als gevolg van gemeentelijke eisen, zoals rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen.
- a.
-
4. Het college houdt in het belang van een goede prijs- kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren overige voorzieningen, in ieder geval rekening met;
- a.
de marktprijs van de voorziening, en;
- b.
de eventuele extra taken die in verband met de voorziening van de leverancier worden gevraagd, zoals;
- i.
aanmeten, leveren en plaatsen van de voorziening;
- ii.
instructie over het gebruik van de voorziening;
- iii.
ionderhoud van de voorziening, en
- iv.
verplichte deelname in bepaalde samenwerkingsverbanden.
- i.
- a.
Artikel 24. Meldingregeling calamiteiten en geweld
-
1. Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en geweldsincidenten bij de levering van een voorziening door een aanbieder en wijst een toezichthoudend ambtenaar aan.
-
2. Aanbieders melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening, onmiddellijk aan de toezichthoudend ambtenaar.
-
3. De toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1 van de wet, doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten en adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld.
Hoofdstuk 8: Waardering mantelzorgers
Artikel 25. Jaarlijkse waardering mantelzorgers
-
1. Het college draagt jaarlijks zorg voor een blijk van waardering voor mantelzorgers indien mantelzorg wordt verleend aan een inwoners die zijn hoofdverblijf heeft in de gemeente Wassenaar.
-
2. De wijze van waardering als bedoeld in het eerste lid komt tot stand in samenspraak met een welzijnsorganisatie.
-
3. Bij de waardering als bedoeld in het eerste lid heeft het college oog voor mantelzorgers van inwoners die mogelijk alleen gebruik maken van algemene voorzieningen.
Hoofdstuk 9: Klachten en medezeggenschap
Artikel 26. Klachtregeling
-
1. Aanbieders zijn verplicht te beschikken over een regeling voor de afhandeling van klachten van inwoners.
-
2. Het college ziet toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.
Artikel 27. Medezeggenschap
-
1. Aanbieders zijn verplicht te beschikken over een regeling voor de medezeggenschap van inwoners over voorgenomen besluiten van de aanbieder die voor de gebruikers van belang zijn ten aanzien van de aan hen geleverde Wmo-voorziening.
-
2. Het college ziet toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.
Artikel 28. Betrekken van ingezetenen bij het beleid
-
1. Het college stelt ingezetenen, waaronder in ieder geval inwoners of hun vertegenwoordigers, vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende maatschappelijke ondersteuning, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen.
-
2. Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning.
-
3. Het college kan nadere regels vaststellen ter uitvoering van het eerste en tweede lid.
Hoofdstuk 10: Overgangsrecht en slotbepalingen
Artikel 29. Evaluatie
Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt periodiek geëvalueerd. Het college rapporteert over de bevindingen aan de gemeenteraad.
Artikel 30. Geen bepalingen
In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffend, waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college.
Artikel 31. Hardheidsclausule
Het college kan in bijzondere gevallen in het voordeel van de inwoner afwijken van de bepalingen in deze verordening als door de toepassing ervan de inwoner duidelijk onrecht wordt aangedaan.
Artikel 32. Intrekking oude verordening en overgangsrecht
-
1. De Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Wassenaar 2015 wordt ingetrokken.
-
2. Een inwoner houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Wassenaar 2015, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen.
-
3. Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Wassenaar 2015 en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld conform deze verordening.
-
4. Het beslissen op bezwaarschriften tegen besluiten op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Wassenaar 2015 gebeurt op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Wassenaar 2015 die daarvoor haar geldigheid behoudt.
-
5. Van lid 4 kan ten gunste van de inwoner worden afgeweken.
Artikel 33. Inwerkingtreding en citeertitel
-
1. Deze verordening treedt in werking op de dag na de bekendmaking in het Gemeenteblad.
-
2. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Wassenaar 2026.
Ondertekening
Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de gemeenteraad van Wassenaar
gehouden op maandag 30 maart 2026
de griffier,
drs. J. Kleinhesselink
de voorzitter,
drs. L.A. de Lange
Ziet u een fout in deze regeling?
Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl.
Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl