Besluit van provinciale staten van Zeeland van 17 april 2026, kenmerk 820126, houdende vaststelling van de Verordening rekenkamer Zeeland 2026

Geldend van 23-04-2026 t/m heden

Intitulé

Besluit van provinciale staten van Zeeland van 17 april 2026, kenmerk 820126, houdende vaststelling van de Verordening rekenkamer Zeeland 2026

De provinciale staten van Zeeland;

  • -

    gelet op de artikelen 79a tot en met 79k, 183 tot met 186a en artikel 145 van de Provinciewet;

  • -

    gelet op het instellingsbesluit van de Programmaraad van de Rekenkamer d.d. 26 mei 2015 en het instellingsbesluit van de commissie Organisatorische en Bestuurlijke Zaken Rekenkamer d.d. 3 juli 2023;

  • -

    gezien het advies van de commissie Organisatorische en Bestuurlijke Zaken Rekenkamer;

besluiten vast te stellen de volgende verordening:

Verordening rekenkamer provincie Zeeland 2026

Artikel 1. Begripsbepaling

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • a.

    Rekenkamer provincie Zeeland: de rekenkamer van de provincie Zeeland ex artikel 79a tot en met 79k Provinciewet

  • b.

    Voorzitter: de bestuurder van de Rekenkamer die als zodanig is benoemd door provinciale staten van de provincie Zeeland, of diens vervanger.

  • c.

    Leden: de bestuurders van de Rekenkamer die als zodanig zijn benoemd door provinciale staten van de provincie Zeeland.

  • d.

    Ambtelijk medewerkers: de directeur-onderzoeker en de onderzoeker(s) van de Rekenkamer waar het college van gedeputeerde staten van de provincie Zeeland dan wel de provinciale staten een arbeidsovereenkomst mee aan zijn gegaan.

Artikel 2. Rekenkamer: instelling en taak

  • 1. Er is een rekenkamer Zeeland;

  • 2. De rekenkamer Zeeland bestaat uit drie leden, waaronder een voorzitter;

  • 3. De Rekenkamer onderzoekt de doelmatigheid, de doeltreffendheid en de rechtmatigheid van het door het provinciebestuur gevoerde beleid. Een door de rekenkamer ingesteld onderzoek naar de rechtmatigheid van het door het provinciebestuur gevoerde beleid bevat geen controle van de jaarrekening als bedoeld in artikel 217, tweede lid van de wet.

Artikel 3. Programmaraad voor de Rekenkamer

  • 1. Er is een Programmaraad die functioneert als klankbordgroep voor de Rekenkamer over onderzoeksprogramma's en onderzoeken.

  • 2. De Programmaraad bestaat uit vier tot zes (staten-)leden, inclusief twee fractievoorzitters, uit de grote(re) en kleine(re) fracties, enigszins in verhouding met de samenstelling van provinciale staten en met een evenredige verdeling tussen de coalitie- en oppositiepartijen. De leden van de programmaraad worden benoemd door provinciale staten.

Artikel 4. Commissie organisatorische en bestuurlijke zaken rekenkamer Zeeland

  • 1. Deze commissie bestaat uit drie statenleden (inclusief twee fractievoorzitters) die worden benoemd door provinciale staten van Zeeland. In de samenstelling van de commissie dienen coalitie- en oppositiepartijen vertegenwoordigd te zijn.

  • 2. De commissie kiest uit haar midden een voorzitter.

  • 3. De leden van de commissie worden indien gewenst bijgestaan door een adviseur van de Statengriffie.

  • 4. De taak van deze commissie is om namens provinciale staten van Zeeland met het bestuur van de Rekenkamer te overleggen en af te stemmen over bestuurlijke -, organisatorische dan wel financiële aangelegenheden met betrekking tot de rekenkamer Zeeland en indien daar aanleiding toe is hieromtrent advies uit te brengen over of voorstellen te doen aan provinciale staten.

Artikel 5. Benoeming

De leden van de rekenkamer, waaronder de voorzitter, worden benoemd voor een periode van zes jaar. Ze kunnen maximaal voor één periode van zes jaar worden herbenoemd.

Om de continuïteit van de Rekenkamer te borgen kunnen leden die benoemd werden vóór vaststelling van deze verordening nog eenmaal worden benoemd.

Artikel 6. Rechtspositie leden van de Rekenkamer

  • 1. Leden van de Rekenkamer vallen voor hun vergoeding onder het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers.

  • 2. Leden van de Rekenkamer ontvangen voor hun werkzaamheden een vergoeding. Voor de voorzitter bedraagt deze vergoeding 120% van de maximale vergoeding die leden van provinciale staten ontvangen ingevolge het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers. De andere leden ontvangen een vergoeding ter hoogte van 90% van de maximale vergoeding die leden van provinciale staten ontvangen ingevolge het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers.

  • 3. De leden van het bestuur kunnen de reis- en verblijfkosten declareren op grond van artikel 2.1.7 van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers en artikel 2.1 van de Regeling rechtspositie decentrale politieke ambtsdragers.

Artikel 7. Rechtspositie medewerkers van de Rekenkamer

  • 1. Op voordracht van de voorzitter van de Rekenkamer besluiten gedeputeerde staten tot het aangaan van arbeidsovereenkomsten met zoveel ambtenaren van de rekenkamer als nodig zijn voor een goede uitoefening van haar werkzaamheden. Indien de voordracht een op de griffie werkzame ambtenaar betreft, besluiten provinciale staten tot het aangaan van de arbeidsovereenkomst.

  • 2. Personen, met wie op voordracht van de Rekenkamer een arbeidsovereenkomst wordt aangegaan zijn alleen aan de Rekenkamer verantwoording verschuldigd.

  • 3. De Cao provinciale sector en de lokale rechtspositieregelingen voor ambtenaren van de provincie Zeeland zijn op de medewerkers van toepassing voor zover deze geen ondergeschiktheid impliceren aan het provinciebestuur.

  • 4. De Rekenkamer kan één of meer van zijn onderzoeksbevoegdheden (op grond van de artikelen 184 en 185 Provinciewet) aan één of meer van zijn medewerkers mandateren.

Artikel 8. Budget van de Rekenkamer

  • 1. De Rekenkamer doet jaarlijks een voorstel aan provinciale staten voor het ter beschikking stellen van de nodige middelen voor een goede uitoefening van de taken.

  • 2. De Rekenkamer verantwoordt de baten en lasten van het vorige begrotingsjaar in het jaarverslag, bedoeld in artikel 186 van de Provinciewet.

  • 3. De directeur-onderzoeker van de Rekenkamer is bevoegd binnen zijn budget uitgaven te doen voor de uitvoering van de werkzaamheden van de Rekenkamer.

Artikel 9. Monitoring aanbevelingen

De griffie verstrekt provinciale staten jaarlijks gelijktijdig met de behandeling van het jaarverslag van de Provincie een overzicht van de aan provinciale staten gedane voorstellen van de Rekenkamer welke door provinciale staten zijn overgenomen en door de staten zelf moeten worden uitgevoerd, vergezeld van de wijze waarop aan de voorstellen vervolg is gegeven.

Artikel 10. Slotbepalingen

  • 1. Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Provinciaal Blad waarin zij wordt geplaatst, onder gelijktijdige intrekking van de Verordening nadere inrichting Rekenkamer provincie Zeeland 2004;

  • 2. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening rekenkamer Zeeland 2026.

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de vergadering van provinciale staten van 17 april 2026

H.M. de Jonge, voorzitter

drs. F.J. van Houwelingen MPA, statengriffier

Toelichting

Algemeen

Deze verordening is een aanvulling op hetgeen in de Provinciewet is opgenomen over de provinciale rekenkamer. Zie de tekst van de Provinciewet, zoals op 1 januari 2023 gewijzigd door de Wet versterking decentrale rekenkamers, hoofdstukken IVa (De rekenkamer) en XIa (De bevoegdheid van de rekenkamer).

provinciale staten moeten op grond van artikel 79k van de Provinciewet een verordening opstellen voor een vergoeding voor de werkzaamheden van de leden van de Rekenkamer en een tegemoetkoming in hun kosten. Voorts mogen provinciale staten op grond van artikel 145 van de Provinciewet aanvullende regels stellen in het belang van de Provincie en met inachtneming van de wet.

De Rekenkamer moet een reglement van orde voor haar werkzaamheden vaststellen (artikel 79i van de Provinciewet). De rekenkamer zendt het reglement ter kennisneming aan provinciale staten.

Artikelsgewijs

Enkel die bepalingen die verdere toelichting behoeven, worden hieronder nader toegelicht.

Artikel 2. Rekenkamer

Provinciale staten hebben een rekenkamer ingesteld. Dit is een wettelijke verplichting (artikel 79a van de Provinciewet). Op grond van artikel 79b Provinciewet stellen provinciale staten het aantal leden van de Rekenkamer vast.

Artikel 3. Programmaraad

In 2015 werd door provinciale staten de Programmaraad voor de Rekenkamer ingesteld met als opdracht voor het bestuur van de Rekenkamer te functioneren als klankbord over onderzoeksprogramma's en onderzoeken.

Artikel 4. Commissie organisatorische en bestuurlijke zaken rekenkamer Zeeland

Omdat de Rekenkamer soms behoefte heeft om informatie in te winnen bij een afvaardiging van de staten en om te overleggen over organisatorische wijzigingen binnen de Rekenkamer of veranderingen in het rekenkamerbudget is in 2023 de commissie organisatorische en bestuurlijke zaken rekenkamer Zeeland ingesteld.

Artikel 5. Benoeming

De leden van de Rekenkamer worden door provinciale staten benoemd en kunnen door hen ook worden herbenoemd (artikel 79c, eerste en vierde lid, van de Provinciewet). De benoemingstermijn is wettelijk op zes jaar vastgesteld. Een te korte benoemingsperiode kan de onafhankelijkheid in gevaar brengen, omdat de vraag ‘word ik wel herbenoemd’ dan al te snel weer wordt gevoeld. Voordeel van deze termijn is ook dat over benoeming en herbenoeming in het gewone geval steeds door twee verschillend samengestelde staten wordt beslist. Voorts draagt het feit dat benoeming plaatsvindt na overleg met de Rekenkamer ertoe bij dat de leden primair op grond van deskundigheid worden benoemd (artikel 79c, vijfde lid). In de praktijk is de situatie zo dat niet steeds de gehele Rekenkamer opnieuw moet worden benoemd. Dit komt de continuïteit en de onafhankelijkheid van de Rekenkamer ten goede. Zie Kamerstukken 27 751, nr. 3, p. 68.

Artikel 6. Rechtspositie leden van de Rekenkamer

De leden van de Rekenkamer ontvangen een bij verordening van provinciale staten vastgestelde vergoeding voor hun werkzaamheden en een tegemoetkoming in de kosten (artikel 79k van de Provinciewet). In de provincie Zeeland is deze vergoeding gekoppeld aan de hoogte van de vergoeding die statenleden op basis van het rechtpositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers ontvangen voor hun werkzaamheden.

Artikel 7. Rechtspositie medewerkers van de Rekenkamer

In de Provinciewet is geregeld dat gedeputeerde staten op voordracht van de voorzitter van de Rekenkamer besluiten tot het aangaan van arbeidsovereenkomsten met zoveel ambtenaren van de Rekenkamer als nodig zijn voor een goede uitoefening van haar werkzaamheden (artikel 79j, tweede lid). Indien de voordracht een op de griffie werkzame ambtenaar betreft, besluiten provinciale staten tot het aangaan van de arbeidsovereenkomst. De ambtenaren die werkzaamheden verrichten voor de Rekenkamer, verrichten niet ook werkzaamheden voor een ander orgaan van de provincie, met uitzondering van de op de griffie werkzame ambtenaren (artikel 79j, derde lid). Dit betekent dat griffiemedewerkers deels voor de griffie en deels voor de Rekenkamer kunnen werken. Vanwege de onafhankelijke positie van de Rekenkamer zijn de ambtenaren, inclusief dus de griffiemedewerkers, voor werkzaamheden voor de Rekenkamer uitsluitend verantwoording schuldig aan de Rekenkamer (artikel 79j, vierde lid).

Dit artikel voorziet in het aangaan van een arbeidsovereenkomst met een directeur-onderzoeker en één of meer medewerkers.

Artikel 8. Budget

Provinciale staten moeten de Rekenkamer de nodige middelen ter beschikking stellen voor een goede uitoefening van haar werkzaamheden (artikel 79j van de Provinciewet). Dit omvat de totale kosten van de Rekenkamer en alle overige kosten voor de uitvoering van de taken.

Artikel 9. Monitoring aanbevelingen

Volgens artikel 186a van de Provinciewet moet het college jaarlijks aan provinciale staten een overzicht sturen van de aan het college gedane voorstellen van de Rekenkamer, vergezeld van zijn standpunt daaromtrent en van de wijze waarop aan de voorstellen vervolg is gegeven.

Niet alle voorstellen, meestal aanbevelingen genoemd, zijn voor wat betreft de uitvoering de verantwoordelijkheid van het college. Er zijn ook aanbevelingen die provinciale staten zelf moeten uitvoeren. Om een zo compleet mogelijk beeld te krijgen van de status van alle aanbevelingen uit de Rekenkamerrapporten, kunnen de staten ervoor kiezen om de griffie jaarlijks ook een overzicht op te laten stellen met de status van de aanbevelingen die aan provinciale staten zijn gericht, door de staten zijn overgenomen en door hen zelf moeten worden uitgevoerd. Dit kan provinciale staten helpen om een overzicht te behouden van de overgenomen aanbevelingen en de status hiervan.