Beleidsregels Participatiewet, Ioaw, Ioaz en Bbz Ooststellingwerf 2026

Geldend van 24-04-2026 t/m heden

Intitulé

Beleidsregels Participatiewet, Ioaw, Ioaz en Bbz Ooststellingwerf 2026

Burgemeester en wethouders van Ooststellingwerf; gelet op de bepalingen in titel 4.3 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 35 van de Participatiewet; besluiten de volgende beleidsregels vast te stellen:

Beleidsregels Participatiewet, Ioaw, Ioaz en Bbz Ooststellingwerf 2026

Hoofdstuk 1 Algemeen

Artikel 1. Begripsomschrijving

  • 1. Alle begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt en niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet en de Algemene wet bestuursrecht.

  • 2. Voor de toepassing van deze beleidsregels wordt verstaan onder:

    • a.

      De wet: de Participatiewet (PW);

    • b.

      Het college: het college van burgemeesters en wethouders van de gemeente Ooststellingwerf;

    • c.

      Draagkracht: Het inkomen en/of vermogen dat in een draagkrachtperiode gebruikt moet worden om de bijzondere kosten zelf te voldoen.

    • d.

      Nibud(lijst): lijst van het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting met de normeringen van kostensoorten bijzondere bijstand.

    • e.

      Experimentele behandeling: Een medische behandeling waarvan onvoldoende wetenschappelijk bewijs van goede kwaliteit voorhanden is, waaruit blijkt dat de behandeling veilig en effectief is.

    • f.

      ALO-kop: Alleenstaande ouderkop

    • g.

      ANWB: Algemene Nederlands Wielrijdersbond

    • h.

      Anw: Algemene Nabestaandewet

    • i.

      AOW: Algemene Ouderdomswet

    • j.

      AWIR: Algemene Wet Inkomensafhankelijke Regelingen

    • k.

      Bbz: Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004

    • l.

      BRP: Basis Registratie Personen

    • m.

      CBS: Centraal Bureau voor de Statistiek

    • n.

      CPI: consumentenprijsindexcijfer

    • o.

      GGZ: Geestelijke Gezondheidszorg

    • p.

      GMD: Gemeenschappelijk Medische Dienst.

    • q.

      Ioaw: Inkomensvoorziening voor Oudere en gedeeltelijk Arbeidsongeschikte Werknemers

    • r.

      Ioaz: Inkomensvoorziening voor Oudere en gedeeltelijk Arbeidsongeschikte gewezen Zelfstandigen

    • s.

      IOW: Inkomensvoorziening Oudere Werklozen

    • t.

      ISK: Internationale Schakelklas

    • u.

      MBO: Middelbaar beroepsonderwijs

    • v.

      Msnp: minnelijke schuldsaneringsregeling

    • w.

      NVVK: Branchevereniging voor schuldhulpverlening, sociaal bankieren en bewindvoering

    • x.

      VEH: Vereniging Eigen Huis

    • y.

      Vtlb: Vrij te laten bedrag in het kader van een schuldregeling Msnp of Wsnp

    • z.

      Wajong: Wet werk en arbeidsondersteuning Jonggehandicapten

    • aa.

      WAZ: Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen

    • bb.

      WAO: Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering

    • cc.

      Wgs: Wet gemeentelijke schuldhulpverlening

    • dd.

      WIA: Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen

    • ee.

      Wlz: Wet langdurige zorg

    • ff.

      Wmo: Wet maatschappelijke ondersteuning

    • gg.

      Wsnp: Wet schuldsanering natuurlijke personen

    • hh.

      Zvw: Zorgverzekeringswet

Hoofdstuk 2 Aanvraagprocedure

Artikel 2. Aanvraag, gegevens en aanvultermijn

  • 1. Een aanvraag voor bijstand wordt bij voorkeur digitaal met DigiD ingediend.

  • 2. In afwijking van het eerste lid kan een aanvraag ook schriftelijk ingediend worden.

  • 3. Overeenkomstig artikel 41 lid 2 van de wet worden de volgende aanvragen rechtstreeks bij het college ingediend:

    • a.

      Bbz en Ioaz

    • b.

      Aanvragen voor een dak – en thuislozen uitkering

    • c.

      Een lopende uitkering waarbij sprake is van:

      • i.

        Wijziging van norm of regeling

      • ii.

        Verblijf in inrichting

      • iii.

        Aanvragen waarvan de belanghebbende jonger is dan 18 jaar

      • iv.

        Aanvragen waarvan één van de partners ouder is dan de pensioengerechtigde leeftijd op het moment van aanvraag.

  • 4. In afwijking van het tweede lid wordt een aanvraag voor een dak- en thuislozen uitkering bij een centrumgemeente ingediend als de belanghebbende feitelijk niet in de gemeente Ooststellingwerf verblijft zoals bedoeld in artikel 40 van de wet.

  • 5. De termijn voor het inleveren van de gegevens of het verstrekken van inlichtingen die van belang zijn voor het verlenen van bijstand is minimaal 4 werkdagen en maximaal 20 werkdagen. Dit te rekenen vanaf de dagtekening van de aanvultermijn.

  • 6. De termijn genoemd in het vijfde lid kan worden verlengd als aannemelijk is dat er meer tijd nodig is.

  • 7. Het college bepaalt welke gegevens noodzakelijk zijn voor de vaststelling van het recht op bijstand, maar bevat minimaal een geldig identiteitsbewijs. Een bewijsstuk van een geldig identiteitsbewijs is niet nodig als de aanvraag overeenkomstig de werkwijze van het eerste lid is ingediend.

  • 8. Bij een eerste huisbezoek of als er gerede twijfel is over de identiteit, nationaliteit en/of verblijfsrecht dan kan het college in afwijking van het eerste en zevende lid een identiteitsbewijs eisen ter verificatie.

Artikel 3. Bijstandsaanvragen van jongeren voor afloop van de zoektermijn

  • 1. Het college maakt in ieder geval gebruik van de bevoegdheid een aanvraag voor algemene bijstand voor het verstrijken van de zoektermijn in behandeling te nemen als bedoeld in artikel 41, elfde lid, van de wet, wanneer sprake is van ten minste een van de volgende omstandigheden:

    • a.

      De jongere verblijft in een inrichting of heeft recht op opvang als bedoeld in artikel 1.1.1, van de Wmo 2015;

    • b.

      De jongere heeft uiterlijk een jaar voorafgaand aan de melding:

      • in een inrichting verbleven;

      • opvang gehad als bedoeld in artikel 1.1.1, van de Wmo 2015; of

      • bij een pleegouder of in een gezinshuis verbleven als bedoeld in artikel 2.3, zesde lid, van de Jeugdwet.

    • c.

      Voor de jongere gold uiterlijk binnen een jaar voorafgaand aan de melding een kinderbeschermingsmaatregel die werd uitgevoerd door een gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 2.4, van de Jeugdwet;

    • d.

      De jongere een zorgbehoefte heeft zoals bedoeld in de wet;

    • e.

      De jongere niet als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen of niet met een woonadres, maar met een briefadres ingeschreven is in de basisregistratie personen;

    • f.

      De jongere heeft uiterlijk een jaar voorafgaand aan de melding algemene bijstand ontvangen;

    • g.

      De jongere heeft probleemschulden, of schulden die naar het oordeel van het college probleemschulden kunnen worden, als de zoektermijn wordt toegepast;

Artikel 4. Intrekken aanvraag

Het staat de belanghebbende vrij een aanvraag om bijstand mondeling of schriftelijk in te trekken. Bij een mondelinge intrekking wordt een besluit verstuurd waarmee het verzoek wordt bevestigd. In dit besluit moet een bezwaarclausule staan.

Hoofdstuk 3 Algemene bijstand

Artikel 5. Inlichtingen- en/of meldingsplicht

  • 1. Bij een aanvraag om algemene bijstand op grond van de wet, Ioaw, Ioaz of Bbz moet de belanghebbende in ieder geval standaard van alle rekeningen van zichzelf en/of gezinsleden alle afschriften overleggen die betrekking hebben op de periode van drie maanden voorafgaande aan de ingangsdatum.

  • 2. Bij een lopende uitkering worden inlichtingen en gegevens onmiddelijk/ zonder uitstel aangeleverd. Hiermee wordt bedoeld dat de inlichtingen in ieder geval worden vermeld op het mutatieformulier/wijzigingsformulier in de maand waarin de wijziging plaatsvindt. Wanneer dit niet kan dan moet de wijziging in ieder geval schriftelijk te worden doorgegeven. Wijzigingen moeten voor de 1e dag van de eerstvolgende maand zijn doorgegeven.

  • 3. In afwijking van het tweede lid kan in uitzonderlijke gevallen en op individuele basis gewijzigde afspraken worden gemaakt over de verplichting inlichtingen te verstrekken via het mutatieformulier/wijzigingsformulier.

  • 4. De volgende gegevens hebben redelijkerwijs invloed op de bijstand en hiervan wordt verwacht dat onmiddellijk/ zonder uitstel melding en inlichtingen worden verstrekt. Het gaat om gegevens over:

    • a.

      (Wijzigingen) in inkomen en vermogen.

    • b.

      Werk en studie

    • c.

      Verblijf in buitenland

    • d.

      Vrijwilligerswerk

    • e.

      Identificatie

  • 5. De hersteltermijn tijdens de bijstand is minimaal 4 werkdagen en maximaal 20 werkdagen. Dit te rekenen vanaf de dag na het verzenden van het besluit waarin het recht op uitkering is opgeschort.

  • 6. De termijn kan worden verlengd als aannemelijk is dat er meer tijd nodig is.

  • 7. Het college maakt gebruik van haar bevoegdheid verkregen uit artikel 43a van de wet of 15a, eerste lid van de Ioaw om minder gegevens te vragen als na het eindigen van de algemene bijstand binnen twaalf maanden een nieuwe aanvraag wordt gedaan. Voorafgaand aan het gegevensgebruik gaat het college bij een belanghebbende ten minste na of er wijzigingen zijn in de volgende gegevens:

    • a.

      het hoofdverblijf;

    • b.

      de gezinssituatie; en

    • c.

      het inkomen en het vermogen.

Artikel 6. Ingangsdatum na afwijzing Bbz- of Ioaw/Ioaz

  • 1. Wanneer overeenkomstig artikel 43 zesde lid van de wet een aanvraag voor een Bbz- of Ioaw/Ioaz-uitkering wordt afgewezen en er alsnog onmiddellijk/ zonder uitstel een bijstandsaanvraag wordt ingediend, dan geldt de datum waarop de belanghebbende zich heeft gemeld voor de Bbz- of Ioaw/Ioaz-uitkering als meldingsdatum voor de bijstandsaanvraag.

  • 2. Met onmiddellijk/zonder uitstel in het eerste lid wordt bedoeld de melding overeenkomstig artikel 7 van deze beleidsregel.

Artikel 7. Ingangsdatum na afwijzing voorliggende voorziening of herleving

  • 1. De ingangsdatum van de algemene bijstand is gelijk aan de ingangsdatum die zou hebben gegolden voor de uitkering van de andere sociale zekerheidsinstelling als belanghebbende zich voor bijstand meldt binnen vijf werkdagen gerekend vanaf de dag van ontvangst van de afwijzing.

  • 2. Als belanghebbende zich niet binnen 5 werkdagen na de afwijzing meldt voor algemene bijstand, maar wel binnen 30 dagen, dan geldt het volgende: Het aantal dagen tussen de afwijzing en de melding wordt toegevoegd aan de startdatum van de uitkering van de andere sociale zekerheidsinstelling.

  • 3. Er wordt niet afgeweken van artikel 44 lid 1 van de wet als belanghebbende zich niet voor bijstand meldt binnen 30 dagen gerekend vanaf de dag van ontvangst van de afwijzing.

  • 4. Als belanghebbende minder dan 30 dagen voor de datum van melding nog recht op bijstand had wordt dit recht niet gezien als geëindigd en hoeft geen nieuwe aanvraag te worden gedaan.

Artikel 8. Ingangsdatum normwijziging bij opname in inrichting

  • 1. Als er direct voorafgaande aan de opname geen sprake is van een lopende bijstandsuitkering wordt de uitkering vanaf de datum opname berekend naar de norm bij verblijf in een inrichting.

  • 2. Als er direct voorafgaande aan de opname sprake van een lopende bijstandsuitkering wordt deze uitkering voortgezet gedurende de maand van de opname en de maand daaropvolgend. Daarna wordt de norm verblijf in inrichting toegepast.

  • 3. In afwijking van het eerste en tweede lid geldt bij gehuwden dat wanneer één van de partners in een inrichting wordt opgenomen de norm wijzigt met ingang van de datum opname. De norm voor beide partners is dan de som van de norm die voor ieder van hen als alleenstaande of alleenstaande ouder zouden gelden.

  • 4. Als het eerste t/m het derde lid vanuit het oogpunt van bijstandsverlening niet verantwoord is kan ervan worden afgeweken.

Artikel 9. Ingangsdatum met terugwerkende kracht wegens individuele omstandigheid

  • 1. Overeenkomstig artikel 44 vijfde lid van de wet kan bijstand vanaf de dag die maximaal drie maanden ligt voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld verstrekt worden. Voorwaarde is dat dit alleen kan wanneer er sprake is van individuele omstandigheden.

  • 2. Van individuele omstandigheden zoals bedoeld in het eerste lid is in ieder geval sprake als:

    • a.

      De belanghebbende aantoonbaar onjuist is geïnformeerd.

    • b.

      De belanghebbende om aantoonbare medische redenen zich niet kon melden en hiervoor ook geen hulp kon inschakelen.

    • c.

      De belanghebbende zich naar het oordeel van het college bevindt in een persoonlijke kwetsbare situatie.

    • d.

      De eerdere bijstandsaanvraag buiten behandeling is gesteld of afgewezen omdat belanghebbende aantoonbaar buiten zijn toedoen niet tijdig alle benodigde gegevens heeft verstrekt;

    • e.

      De belanghebbende onvoldoende zicht had op de hoogte van zijn inkomen of vermogen. Dit bijvoorbeeld als gevolg van een flexibel arbeidscontract, een echtscheiding, een erfenis of detentie;

    • f.

      De belanghebbende met terugwerkende kracht een verblijfsvergunning heeft gekregen;

    • g.

      Er omstandigheden zijn die erop wijzen dat het ernstige gevolgen voor de belanghebbende heeft als de bijstand niet wordt toegekend voorafgaand aan de melding. Dit is het geval als de belanghebbende aantoonbaar schulden of betalingsachterstanden heeft gemaakt die betrekking heeft op de periode drie maanden voorafgaand aan de melding.

  • 3. Het college kent de bijstand toe vanaf de dag waarop het recht op bijstand is ontstaan. Deze dag ligt maximaal drie maanden vóór de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld.

  • 4. Het eerste t/m derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op de toekenning van een uitkering, bedoeld in artikel 16a, vierde lid, van de Ioaw.

Artikel 10. Geen woonlasten

Als er, zoals bedoeld in artikel 27 van de wet geen woonkosten zijn verschuldigd of er wordt geen woning bewoond, wordt de van toepassing zijnde bijstandsnorm verlaagd met 20% van de gehuwdennorm.

Artikel 11. Schoolverlaters

Als er, zoals bedoeld in artikel 28 van de wet, sprake is van een schoolverlater wordt de bijstandsnorm niet verlaagd.

Artikel 12. Het kunnen volgen van onderwijs

  • 1. Hoofdregel is dat een jongere uitgesloten wordt van het recht op algemene bijstand als er mogelijkheden zijn in het onderwijs en hij kan daarvoor studiefinanciering kan krijgen. Als een jongere geen studiefinanciering kan krijgen, maar hij wel regulier onderwijs kan volgen en dat nalaat wordt hij ook uitgesloten.

  • 2. Het college kan een uitzondering op de scholingsplicht van het eerste lid maken wanneer een jongere op basis van een individuele afweging geobjectiveerd aantoont dat hij geen regulier onderwijs kan volgen of wanneer dit in redelijkheid (nog) niet gevergd kan worden. Uitzondering is mogelijk als de jongere:

    • a.

      Een volgens een deskundige vastgesteld cognitief probleem heeft;

    • b.

      Een volgens een deskundige vastgesteld medisch en/of psychisch probleem heeft;

    • c.

      Een volgens een deskundige vastgesteld sociaal probleem heeft;

    • d.

      Te maken heeft met andere persoonlijke omstandigheden, waardoor het verplicht volgen van onderwijs niet gevergd kan worden. Hierbij kan gedacht worden aan een schuldsaneringstraject dat door de scholingsplicht kan eindigen en niet wenselijk is.

  • 3. Een uitzondering op de scholingsplicht van het eerste lid wordt in ieder geval gemaakt als de jongere:

    • a.

      (Nog) geen aanspraak kan maken op studiefinanciering, bijvoorbeeld doordat de jongere moet wachten tot het eerstvolgende instroommoment;

    • b.

      Een startkwalificatie heeft en zijn kansen op de arbeidsmarkt door het volgen van verdere opleiding naar verwachting niet meer toenemen;

    • c.

      Verblijft in een op verpleging of verzorging gerichte instelling;

    • d.

      Inburgeraar is en een inburgeringstraject volgt.

Artikel 13. 18 jaar en kinderbijslag

In het geval een 18-jarige bijstand aanvraagt kunnen de ouders nog kinderbijslag ontvangen. Deze wordt niet als middel zoals bedoeld in artikel 31 van de wet aangemerkt.

Artikel 14. Commerciële relaties

  • 1. Als een belanghebbende de woning bewoont zoals bedoeld in artikel 33 lid 4 van de wet dan worden de inkomsten uit huur, onderhuur of het hebben van kostgangers aangemerkt als inkomen.

  • 2. Het eerste lid is alleen van toepassing als er sprake is van een commerciële (onder)huurrelatie of kostgangersrelatie. Hiervan is sprake als:

    • a.

      Er een schriftelijke overeenkomst aanwezig is

    • b.

      In deze overeenkomst een commerciële prijs is overeengekomen

    • c.

      Er betalingsbewijzen zijn van de laatste 3 maanden (via bankafschriften).

    Kunnen deze bewijsstukken niet overgelegd worden, dan wordt niet aannemelijk geacht dat er een commerciële relatie aanwezig is. Zonder aantoonbaar bewijs wordt uitgegaan van kostendeling.

  • 3. Met een commerciële prijs zoals bedoeld in het tweede lid wordt bedoeld een bedrag die minimaal gelijk is aan de basishuur zoals bedoeld in de Wet op de Huurtoeslag.

  • 4. In de schriftelijke overeenkomst zoals bedoeld in het tweede lid moet blijken:

    • a.

      Welk deel van de huur of het kostgeld is bedoeld als kale huur en welk deel is bedoeld voor energie- (en internet) kosten en bij kostganger schap de te leveren prestaties als maaltijdverstrekking en bewassing;

    • b.

      In de overeenkomst moet zijn aangegeven welke kamer(s) voor exclusief gebruik van de huurder of kostganger bestemd is en welke gedeelten van de woning bestemd zijn voor medegebruik;

    • c.

      In de overeenkomst moet zijn aangegeven op welk bankrekeningnummer de huur of het kostgeld betaald moet worden;

    • d.

      In de overeenkomst moet worden aangegeven op welke wijze de periodieke huurverhoging of kostgeldverhoging wordt bepaald.

  • 5. De inkomsten uit (onder)huur of kostganger, zoals bedoeld in het eerste lid wordt bepaald op de basishuur zoals bedoeld in de Wet op de huurtoeslag.

  • 6. In afwijking van het eerste en derde lid kunnen de inkomsten hoger vastgesteld worden als de commerciële huurprijs hoger is dan € 400,00. De hoogte van de inkomsten worden dan individueel bepaald.

Artikel 15. Voedingsgeld en was budget in inrichting

Voedingsgeld en was budget wordt als middel in aanmerking genomen als het voedingsgeld en was budget vrijelijk beschikbaar is en er voor het verblijf in de inrichting geen kosten zijn verbonden aan het nuttigen en krijgen van voeding of het laten wassen van het wasgoed.

Artikel 16. Specifieke regels vermogensvaststelling

  • 1. Overeenkomstig artikel 34 lid 2 onder a van de wet wordt bij aanvang van de algemene bijstand eenmalig een bedrag aan vermogen vrijgelaten (leefgeld). Het leefgeld bedraagt voor een gezin of alleenstaand ouder € 1.000,00 en voor een alleenstaande € 800,00.

  • 2. In afwijking van het eerste lid wordt bij thuiswonenden of personen in een inrichting geen rekening gehouden met leefgeld.

  • 3. Na hantering van de leefgeldvrijlating kan het vermogen niet negatief zijn. In dat geval wordt het vermogen op € 0,00 vastgesteld.

  • 4. Het vermogen wordt volledig opnieuw vastgesteld wanneer de belanghebbende vanuit een andere gemeente verhuist naar de gemeente Ooststellingwerf.

  • 5. Bij een wijziging in de gezinssituatie vindt een nieuwe vermogensbepaling plaats. Daarbij geldt de vermogensgrens die van toepassing is in de nieuwe situatie met inachtneming van de op dat moment aanwezige bezittingen en schulden. Tijdens de bijstandsperiode gespaarde gelden blijven bij de wijziging buiten beschouwing.

  • 6. De vermogensgrens bij co-ouderschap wordt bepaald aan de hand van bij wie het kind het feitelijk (hoofd)verblijf heeft of ingeschreven staat in het BRP.

  • 7. Een auto en/of motor/scooter/brommer met een (gezamenlijke) dagwaarde van maximaal € 5.000 enerzijds en een boot en/of caravan met een (gezamenlijke) dagwaarde van maximaal € 2.500 anderzijds worden als algemeen gebruikelijke bezittingen in de zin van artikel 34 lid 2 onder a van de wet aangemerkt. Wordt de gezamenlijke waarde overschreden dan wordt het meerdere van de gehele waarde van de gezamenlijke bezittingen als vermogen meegenomen.

  • 8. Een verzekering voor de kosten van begrafenis of crematie worden als algemeen gebruikelijke bezittingen in de zin van artikel 34 lid 2 onder a van de wet aangemerkt. Dit tenzij er sprake is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorzieningen van het bestaan.

  • 9. Een afkoopbare levensverzekering wordt buiten beschouwing gelaten bij de vaststelling van het vermogen als:

    • a.

      Zij korter dan 10 jaar geleden is afgesloten; en

    • b.

      De inleg minder bedraagt dan de van toepassing zijnde vermogensgrens; en

    • c.

      Er bij het afsluiten van de verzekering geen sprake was van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid.

  • 10. Als er meerdere levensverzekeringen zijn zoals bedoeld in het negende lid dan geldt de bepaling in dit lid voor het totaal van de verzekeringen.

Artikel 17. Interen of schadevergoedingen

  • 1. Wanneer na interen op het vermogen (opnieuw) een aanvraag voor algemene bijstand wordt gedaan wordt beoordeeld of het interen op aanvaardbare wijze heeft plaatsgevonden. Dit wordt individueel beoordeeld.

  • 2. Wanneer een belanghebbende een schadevergoeding ontvangt dan wordt de invloed hiervan op de bijstand individueel beoordeeld.

Artikel 18. Specifieke regels over inkomen

  • 1. Heffingskortingen op de te betalen belastingen en premies volksverzekeringen worden, voor zover ze een middel voor de bijstand zijn, op de uitkering in mindering gebracht vanaf het moment dat er aanspraak bestaat.

  • 2. We brengen heffingskortingen pas in mindering vanaf het (geschatte) moment dat belanghebbende deze feitelijk ontvangt als het belanghebbende niet kan worden verweten dat hij de heffingskortingen later ontvangt.

  • 3. Een eenmalige gift wordt niet tot de middelen van belanghebbende gerekend als deze bestemd is voor een specifiek doel en vanuit het oogpunt van bijstandsverlening redelijk is en niet meer bedraagt dan het wettelijke vastgestelde bedrag per kalenderjaar zoals omschreven in artikel 31 tweede lid onder m van de wet. Hiertoe wordt in ieder geval gerekend:

    • a.

      Giften die worden verstrekt en ingezet voor kosten waarvoor anders bijzondere bijstand verstrekt had kunnen worden;

    • b.

      Giften die worden verstrekt en ingezet voor medisch noodzakelijke kosten;

    • c.

      Giften waarmee probleemschulden zijn betaald die zijn ontstaan voorafgaand aan de ingangsdatum van algemene bijstand;

    • d.

      Giften in natura, niet zijnde een bijdrage die leidt tot een kostenbesparing als bedoeld in artikel 18, achtste lid, van de wet.

  • 4. Periodieke giften worden niet tot de middelen van belanghebbende gerekend zolang de som in een kalenderjaar niet meer bedraagt dan het wettelijke vastgestelde bedrag zoals omschreven in artikel 31 tweede lid onder m van de wet.

Artikel 19. Verhaal

  • 1. Het college maakt gebruik van de bevoegdheid genoemd in artikel 61 van de wet tot het verhalen van de kosten van bijstand in de gevallen en overeenkomstig de regels aangegeven in het artikel 62 tot en met 62 i van de wet.

  • 2. Voor de uitvoering van het eerste lid kan het college nadere regels maken.

Hoofdstuk 4 Verplichtingen

Artikel 20. Ontheffing arbeid- en re-integratieverplichting

  • 1. Meewerken aan de arbeids- en re-integratieverplichting is noodzakelijk en daarvoor wordt in de basis geen ontheffing gegeven.

  • 2. Het verrichten van onbetaalde arbeid als alternatieve straf kan niet leiden tot een (gedeeltelijke) ontheffing van de arbeidsplicht.

  • 3. Personen die een ontheffing willen hebben moeten in eerste instantie zelf aantonen dat er sprake is van een zodanige situatie dat ontheffing op basis van medische, sociale of psychische omstandigheden moet plaatsvinden.

  • 4. Zo nodig kan het college in afwijking van het derde lid een onafhankelijk medisch en/of belastbaarheidsonderzoek doen voor de beoordeling van een ontheffing.

  • 5. Een ontheffing kan nooit betrekking hebben op de re-integratieplicht. Dit tenzij de persoon aantoonbaar duurzaam arbeidsongeschikt is.

  • 6. De ontheffing is altijd tijdelijk en wordt in eerste instantie voor maximaal zes maanden afgegeven. Dit tenzij op voorhand uit de individuele situatie blijkt dat deze termijn te kort is. In dergelijke situaties is de ontheffing maximaal 12 maanden.

  • 7. Na de vastgestelde periode moet er een nieuwe beoordeling plaatsvinden. Een ontheffing moet altijd gepaard gaan met een plan van aanpak waarin de te zetten stappen beschreven worden.

Artikel 21. Verantwoordelijkheid inlichtingenverplichting

  • 1. De belanghebbende is er verantwoordelijk voor om inlichtingen zoals bedoeld in artikel 17 van de wet en bewijsstukken aan te leveren. De verwijtbaarheid ten aanzien van het niet, niet tijdig of onvolledig verstrekken van inlichtingen of aanleveren van bewijsstukken wordt altijd individueel beoordeeld.

  • 2. Met het genoemde in het eerste lid wordt in ieder geval bedoeld dat:

    • a.

      Als belanghebbende een opleiding gaat doen moet dit doorgeven worden.

    • b.

      Als belanghebbende naar het buitenland gaat moet dit voorafgaand aan het vertrek doorgegeven worden.

    • c.

      Als belanghebbende vrijwilligerswerk gaat doen moet dit doorgeven worden.

  • 3. Naar aanleiding van de melding bedoeld in het tweede lid onder a of c beoordeelt het college of toestemming kan worden verleend voor het volgen van die opleiding of vrijwilligerswerk met behoud van uitkering. De belanghebbende wordt met een beschikking op de hoogte gesteld.

  • 4. Naar aanleiding van de melding bedoeld in het tweede lid onder b wordt achteraf gecontroleerd of de belanghebbende niet langer dan de toegestane verblijfsduur in het buitenland is geweest. De belanghebbende is daarom verplicht vóór de eerste dag van de volgende maand volgend op de maand van terugkeer van het verblijf in het buitenland zijn terugkomst schriftelijk te melden.

  • 5. Voor de beoordeling van de toegestane verblijfsduur in het buitenland, zoals bedoeld in het vierde lid, wordt de vertrek dag aangemerkt als verblijf in Nederland en wordt de dag van terugkeer aangemerkt als verblijf buiten Nederland.

Artikel 22. Budgetteringsplicht

Het college kan een budgetteringsplicht opleggen als er sprake is van schulden waardoor de betaling van de maandelijkse vaste lasten in het gedrang kan komen.

Artikel 23. Huisbezoek, plicht tot medewerking

  • 1. Op individuele gronden kan op basis van artikel 53a lid 2 van de wet een huisbezoek worden gedaan.

  • 2. Bij een aanvraag wordt standaard het aanbod voor een huisbezoek gedaan tenzij er hiertoe duidelijk geen noodzaak is. Het huisbezoek mag geweigerd worden. In dat geval wordt er niet direct uitvoering gegeven aan artikel 53a lid 3 en 4 van de wet door de helft van de norm te verstrekken.

  • 3. Op individuele gronden kan er afgeweken worden van het tweede lid door wel toepassing te geven aan artikel 53a lid 3 of 4 van de wet. Dit moet goed gemotiveerd worden gezien de inbreuk op de privacy.

Artikel 24. Periode te overleggen bankafschriften tijdens de bijstand

Bij onderzoek naar de rechtmatigheid van een bijstandsuitkering is de hoofdregel dat bankafschriften over een periode van minimaal 3 maanden voorafgaande aan de meldingsdatum worden opgevraagd. Op basis van het doel van het onderzoek kan hiervan (naar boven) worden afgeweken.

Hoofdstuk 5 Bijzondere bijstand

5.1 Procedure

Artikel 25. Moment indiening aanvraag bijzondere bijstand

  • 1. De hoofdregel is dat de aanvraag bijzondere bijstand moet worden ingediend vóór of zeer spoedig na het tijdstip waarop de kosten zijn gemaakt.

  • 2. In afwijking van het eerste lid wordt bijzondere bijstand met terugwerkende kracht toegekend als aan de volgende voorwaarden is voldaan:

    • a.

      De kosten gaan niet langer terug dan 12 maanden gerekend vanaf de datum aanvraag; en

    • b.

      De datum waarop de kosten zijn gemaakt wordt bepaald op de datum van de originele nota; en

    • c.

      De noodzaak van de betreffende kosten is bij aanvraag nog steeds vast te stellen.

Artikel 26. Drempelbedrag

De bijzondere bijstand wordt geweigerd als:

  • a)

    De periodieke bijzondere noodzakelijke kosten van het bestaan een bedrag van € 10,00 per maand per kostensoort niet te boven gaat.

  • b)

    De incidentele kosten een bedrag van € 50,00 per kostensoort niet te boven gaat.

Artikel 27. Krediethypotheek

Als de belanghebbende algemene bijstand voor levensonderhoud ontvangt op grond van een krediethypotheek wordt de toegekende bijzondere bijstand ten laste gebracht van de krediethypotheek.

Artikel 28. Normering en indexering

  • 1. Tenzij dit anders aangegeven is wordt voor de berekening van de (meer)kosten van de bijzondere noodzakelijke kosten van het bestaan uitgegaan van de Nibudlijst.

  • 2. Als de Nibudlijst geen uitsluitsel geeft dan wordt de GMD lijst gehanteerd.

  • 3. Voor de bedragen die niet automatisch geïndexeerd worden geldt dat ze jaarlijks met ingang van 1 januari worden geïndexeerd met de gemiddelde CPI. Deze wordt jaarlijks door het CBS wordt vastgesteld.

5.2 Draagkracht

Artikel 29. Bepaling draagkracht

  • 1. De hoofdregel is dat:

    • a.

      Het inkomen dat hoger is dan de toepasselijke bijstandsnorm inclusief vakantietoeslag tot de draagkracht uit inkomen wordt gerekend. Van het meerdere wordt 35% als draagkracht genomen.

    • b.

      Al het vermogen dat hoger is dan de toepasselijke vermogensgrens op grond van de Participatiewet wordt tot de draagkracht uit vermogen gerekend.

  • 2. Met de van toepassing zijnde bijstandsnorm wordt bedoeld de norm zoals die is vermeld in paragraaf 3.2 van de wet met uitzondering van artikel 22a.

  • 3. In afwijking van het eerste lid onder a geldt:

    • a.

      Voor medische (meer)kosten is geen sprake van draagkracht tot 130% van de toepasselijke bijstandsnorm;

    • b.

      Voor een aanvraag bijzondere bijstand wordt het inkomen boven de toepasselijke bijstandsnorm inclusief vakantietoeslag voor 100% in aanmerking genomen als het gaat om:

      • I.

        Verwervingskosten en/of;

      • II.

        Woonkosten en/of;

      • III.

        Kosten van aflossing van een lening bij een gemeentelijke kredietbank.

    • c.

      Bij kostendeling zoals bedoeld in artikel 19a en 22a van de wet wordt voor de belanghebbende de vergelijkbare toepasselijke bijstandsnorm als volgt vastgesteld:

      • I.

        Voor een alleenstaande: 60% van de echtparennorm die behoort bij de leeftijdscategorie van de belanghebbende.

      • II.

        Voor gehuwden: 90% van de echtparennorm die behoort bij de leeftijdscategorie van de belanghebbende.

  • 4. In geval van een aanvraag bijzondere bijstand voor incidentele kosten moet eerst de volledige draagkracht uit inkomen en vermogen in de draagkrachtperiode gebruikt te worden voor betaling van de bijzondere kosten, voordat de bijzondere bijstand kan worden uitbetaald.

  • 5. In geval van een aanvraag bijzondere bijstand voor periodieke (maandelijks) kosten moet de volledige draagkracht uit vermogen in de draagkrachtperiode direct op de kosten in mindering worden gebracht. Aansluitend wordt de draagkracht uit inkomen verdeeld over 12 maanden.

  • 6. Bij samenloop wordt de draagkracht uit inkomen eerst in mindering gebracht op de periodieke kosten. De resterende draagkracht wordt in mindering gebracht op de incidentele kosten.

  • 7. Bij samenloop wordt de draagkracht uit vermogen het eerst verrekend en daarna de draagkracht uit inkomen.

  • 8. Als draagkracht eenmaal is vastgesteld wordt is het uitgangspunt dat niet meer aangepast.

  • 9. In afwijking van het achtste lid wordt op verzoek bij een lagere inkomens- of vermogenssituatie de draagkracht aangepast. Dit vanaf de eerste dag van de maand waarin het verzoek wordt ingediend. De draagkrachtperiode zoals bedoeld in artikel 32 blijf ongewijzigd.

Artikel 30. In aanmerking te nemen inkomen

  • 1. Voor de vaststelling van de draagkracht wordt het inkomen in aanmerking genomen overeenkomstig de artikelen 31 t/m 34 van de wet.

  • 2. Bij onregelmatige inkomsten is het gemiddelde inkomen in de drie maanden voorafgaande aan de maand van aanvraag bepalend.

  • 3. Belanghebbenden met een uitkering voor levensonderhoud op grond van de PW, IOAW of IOAZ hebben geen draagkracht uit inkomen. Dit geldt ook voor belanghebbenden met uitsluitend een AOW-uitkering.

  • 4. Bij inkomsten waarover recht bestaat op vakantietoeslag wordt het netto maandinkomen inclusief vakantietoeslag berekend door het netto maandinkomen (exclusief reservering vakantietoeslag) te vermenigvuldigen met 1,05 (5% netto).

  • 5. De ALO-kop die een alleenstaande ouder ontvangt wordt niet meegeteld als inkomen.

  • 6. Bij het berekenen van het inkomen als bedoeld in het eerste lid wordt uitgegaan van het netto besteedbaar inkomen als:

    • a.

      De belanghebbende zich in schuldsanering in het kader van een minnelijke traject of de WSNP bevindt waarbij een Vtlb is vastgesteld; en

    • b.

      De sanering wordt uitgevoerd door een organisatie die is aangesloten bij de NVVK; en

    • c.

      Bij de vaststelling van het vrij te laten bedrag geen rekening is gehouden met de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt aangevraagd.

Artikel 31. In aanmerking te nemen vermogen

  • 1. Voor de vaststelling van de draagkracht wordt het vermogen in aanmerking genomen overeenkomstig de artikelen 31 t/m 34 van de wet.

  • 2. De overwaarde in de woning wordt vastgesteld aan de hand van de onroerend zaakbelasting-beschikking en een actueel overzicht van de hoogte van de gevestigde hypotheken (schuld en spaarsaldo).

  • 3. In afwijking van het eerste lid wordt bij een aanvraag bijzondere bijstand voor duurzame gebruiksgoederen geen vrijlating van het vermogen toegepast. Dit zoals bedoeld in de leden 2, 3 en 4 van artikel 34 van de wet.

  • 4. Bij overschrijding van het vastgestelde vermogen in een eigen bewoonde woning, zoals bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt de bijzondere bijstand als lening verstrekt en wordt er zekerheid gesteld op de woning (vestigen van krediethypotheek).

Artikel 32. Draagkrachtperiode

  • 1. Het draagkrachtjaar begint op de eerste dag van de maand waarin de kosten zich voordoen.

  • 2. Het draagkrachtjaar betreft in beginsel een periode van 12 maanden.

  • 3. Als het draagkrachtjaar eenmaal is vastgesteld wordt deze niet meer aangepast.

  • 4. In afwijking van het tweede lid wordt het draagkrachtjaar bij enkel een aanvraag bijzondere bijstand voor bewindvoering- en/of curatele- en/of mentorschapskosten en aanverwante kosten vastgesteld tot en met de laatste dag van het betreffende kalenderjaar, tenzij dit (financiële) nadelige gevolgen heeft.

  • 5. In afwijking van het derde lid wordt bij beëindiging van de algemene bijstand de periodieke bijzondere bijstand ook beëindigd. Dit tenzij duidelijk blijkt dat het inkomen ongewijzigd blijft in het vastgestelde draagkrachtjaar.

  • 6. Wanneer de individuele omstandigheden dat vragen zoals bedoeld in artikel 9, kan ook een andere aanvangsdatum worden gekozen als startpunt van het draagkrachtjaar.

5.3 Algemene regels medische kosten

Artikel 33. Voorliggende voorziening

De Wlz, Wmo en Zvw en alle overige voorzieningen zijn voor alle medisch noodzakelijke kosten een passende en toereikende voorliggende voorziening en staan in de basis bijstandsverlening in de weg. Dit tenzij er sprake is van een zeer dringende reden zoals bedoeld in artikel 16 van de wet.

Artikel 34. Waar en wanneer medisch advies vragen

  • 1. Hoofdregel voor een aanvraag bijzondere bijstand voor medische kosten is dat de noodzaak van medische kosten vastgesteld moet worden met een medisch advies van een externe onafhankelijke deskundige. Bij periodieke jaarlijks terugkerende kosten moet bij een eerste beoordeling altijd een medisch advies worden opgevraagd.

  • 2. Afwijkend van het eerste lid wordt er geen medisch advies aangevraagd in één van de volgende gevallen:

    • a.

      De zorgverzekeraar vergoedt een deel van de kosten;

    • b.

      De medische kosten bedragen incidenteel minder dan € 500,00 en de noodzakelijkheid van de kosten kan worden vastgesteld aan de hand van een verklaring van een specialist/behandelaar of;

    • c.

      Het betreft regelmatig door belanghebbende te maken kosten en de noodzaak is al eerder vastgesteld door middel van een medisch advies dat nog steeds actueel is.

    • d.

      In individuele omstandigheden als de medische of sociale noodzaak van de kosten vaststaat.

Artikel 35. Zorgverzekering

  • 1. De Zvw (met het Besluit Zorgverzekering en de Regeling Zorgverzekering) en de Wlz zijn passende en toereikende voorliggende voorzieningen voor medische behandelingen, zorg, medicijnen en hulpmiddelen (basisverzekering). Een eigen bijdrage die voortvloeit uit een vergoeding vanuit de basisverzekering of uit de Wlz komt voor bijzondere bijstand in aanmerking.

  • 2. In afwijking van het eerste lid kan bijzondere bijstand in medische kosten worden verleend in situaties waar de kosten van medische zorg om budgettaire redenen uit het pakket van de Zvw zijn gehaald. Dit op voorwaarde dat de kosten medisch noodzakelijk zijn.

  • 3. Medische behandelingen, medicijnen en hulpmiddelen die niet worden vergoed vanuit de basisverzekering komen niet voor bijzondere bijstand in aanmerking. Dit tenzij er sprake is van een zeer dringende reden zoals bedoeld in artikel 16 van de wet.

  • 4. In afwijking van het tweede lid kunnen medische behandelingen, medicijnen en hulpmiddelen die niet (volledig) worden vergoed vanuit een aanvullende zorgverzekering, in aanmerking komen voor bijzondere bijstand. Dit is mogelijk in de situatie dat:

    • a.

      De aanvrager niet of minder uitgebreid aanvullend verzekerd is; óf

    • b.

      Een aanvullende verzekering heeft afgesloten bij een andere verzekeraar.

    Dit alleen tot ten hoogste het bedrag dat voor eigen rekening (eigen bijdragen) zou zijn gebleven als hij zich collectief aanvullend verzekerd had bij de door het college gekozen zorgverzekeraar. Dit onder aftrek van de premiebesparing die de belanghebbende heeft door geen of een andere aanvullende verzekering te hebben t.o.v. de premie die geldt voor de aanvullende AV Frieso Compleet. Dit is de zogeheten “rechtsgelijkheidsdrempel”.

5.4 Bijzondere bijstand per kostensoort

5.4.1. Medisch

Artikel 36. Brillen en contactlenzen

  • 1. Bijzondere bijstand voor de aanschafkosten van een bril is in beginsel niet mogelijk.

  • 2. In afwijking van het eerste lid is bijzondere bijstand wel mogelijk als er sprake is van een situatie dat de sterkte van de ogen binnen 3 jaar na aanschaf van de laatste bril of contactlenzen dermate is gewijzigd dat andere glazen/contactlenzen noodzakelijk zijn. Dit moet met een bewijsstuk aangetoond worden.

  • 3. De bijzondere bijstand bedraagt bij toepassing van het tweede lid niet meer dan de maximale vergoeding via de collectieve aanvullende zorgverzekering. Hierbij wordt rekening gehouden met de rechtsgelijkheidsdrempel.

Artikel 37. Tandartskosten

  • 1. Bijzondere bijstand voor de kosten van tandheelkundige behandeling is in beginsel niet mogelijk.

  • 2. In bijzondere omstandigheden kan worden afgeweken van het gestelde in het eerste lid. Een bijzondere situatie is in ieder geval een acute medische noodsituaties waarbij behandeling niet uitgesteld kan worden en de belanghebbende geen middelen heeft om de behandeling te betalen.

  • 3. De bijzondere bijstand bedraagt niet meer dan de maximale vergoeding via de collectieve aanvullende zorgverzekering. Hierbij wordt rekening gehouden met de rechtsgelijkheidsdrempel.

Artikel 38. Fysio- en oefentherapie

  • 1. Uitgangspunt is dat voor kosten fysiotherapie en oefentherapie geen bijzondere bijstand wordt verstrekt.

  • 2. In bijzondere (medische) omstandigheden kan worden afgeweken van het gestelde in het eerste lid.

  • 3. De bijzondere bijstand bedraagt niet meer dan de maximale vergoeding via de collectieve aanvullende zorgverzekering. Hierbij wordt rekening gehouden met de rechtsgelijkheidsdrempel.

Artikel 39. Personenalarmering

  • 1. Bijzondere bijstand voor de aanschafkosten van personenalarmering is niet mogelijk met uitzondering van de eigen bijdrage. De eigen bijdrage valt onder de basisverzekering.

  • 2. Bijzondere bijstand voor de abonnementskosten van personenalarmering is beginsel niet mogelijk.

  • 3. In bijzondere (medische) omstandigheden kan worden afgeweken van het gestelde in het tweede lid.

  • 4. De bijzondere bijstand genoemd in het tweede en derde lid bedraagt niet meer dan de maximale vergoeding via de collectieve aanvullende zorgverzekering. Hierbij wordt rekening gehouden met de rechtsgelijkheidsdrempel.

Artikel 40. Kosten van bewassing en kledingslijtage

  • 1. Hoofdregel is dat de kosten van bewassing tot de incidenteel voorkomende algemene kosten van het bestaan behoren. Uitgangspunt is dat deze moeten worden voldaan uit de bijstandsnorm.

  • 2. In afwijking van het eerste lid kan er vanwege medische redenen voor de meerkosten bijzondere bijstand worden verleend.

  • 3. Voor de hoogte van de bijstand genoemd in het tweede lid wordt aangesloten bij de bedragen genoemd in de geïndexeerde GMD-lijst.

Artikel 41. Kosten van aanschaf steunzolen

  • 1. Uitgangspunt is dat de bijzondere bijstand voor de aanschafkosten van steunzolen is niet mogelijk is.

  • 2. In bijzondere (medische) omstandigheden kan worden afgeweken van het gestelde in het eerste lid.

  • 3. De bijzondere bijstand bedraagt niet meer dan de maximale vergoeding via de collectieve aanvullende zorgverzekering. Hierbij wordt rekening gehouden met de rechtsgelijkheidsdrempel.

Artikel 42. Dieetkosten

  • 1. Hoofdregel is dat dieetkosten tot de incidenteel voorkomende algemene kosten van het bestaan behoren. Uitgangspunt is dat deze moeten worden voldaan uit de bijstandsnorm.

  • 2. In afwijking van het eerste lid kan er vanwege medische redenen voor de meerkosten bijzondere bijstand worden verleend.

  • 3. De hoogte van de meerkosten van een dieet wordt vastgesteld aan de hand van de dieetkostentabel van het Nibud.

Artikel 43. Zelfzorgmiddelen

  • 1. Hoofdregel is dat zelfzorgmiddelen tot de incidenteel voorkomende algemene kosten van het bestaan behoren. Uitgangspunt is dat deze moeten worden voldaan uit de bijstandsnorm.

  • 2. In afwijking van het eerste lid kan er vanwege medische redenen voor de meerkosten bijzondere bijstand worden verleend.

  • 3. De hoogte van de meerkosten wordt vastgesteld aan de hand van een onafhankelijk medisch advies.

5.4.2. Reiskosten

Artikel 44. Reiskosten in verband met werk, traject of inburgering

  • 1. Reiskosten in verband met werk, een traject of een inburgeringstraject zijn verwervingskosten en behoren in beginsel tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Optioneel kunnen deze kosten vergoed worden vanuit de re-integratiemiddelen.

  • 2. In afwijking van het eerste lid kunnen aan de ouders van schoolgaande minderjarige kinderen (12-18 jaar) die naar de ISK gaan bijzondere bijstand worden verstrekt. Voor de hoogte van de kosten wordt aansluiting gezocht bij de voorwaarden van artikel 47.

Artikel 45. Reiskosten in verband met bezoek gedetineerde

  • 1. Voor reiskosten van bezoek aan een gedetineerd gezinslid kan aan de overige gezinsleden bijzondere bijstand worden verleend. Voorwaarden zijn:

    • a.

      Er kan eenmaal per drie weken bijzondere bijstand worden verstrekt voor een bezoek.

    • b.

      De reiskosten worden vergoed voor de heen- en de terugweg.

    • c.

      Er wordt bij openbaar vervoer en bij vervoer met de eigen auto uitgegaan van de kortste afstand tussen het woonadres van de belanghebbende en het adres waar de gedetineerde is gehuisvest.

    • d.

      Van de reisbeweging of bezoek wordt een bewijs overlegd.

  • 2. De hoogte van de bijzondere bijstand is:

    • a.

      Gelijk aan de kosten van openbaar vervoer per persoon; óf

    • b.

      Gelijk aan de belastingvrije vergoeding per kilometer volgens de Belastingdienst, als men met de (eigen) auto reist. Hierbij wordt uitgegaan van het gezamenlijk reizen met één auto.

  • 3. In afwijking van het eerste lid onder a kan de frequentie van de bezoeken verhoogd worden als dit blijkt uit een schriftelijke gemotiveerde verklaring van de reclassering.

  • 4. De vastgestelde bijzondere bijstand wordt onder aftrek van de eigen bijdrage uitgekeerd. Deze eigen bijdrage betreft maandelijks € 25,00.

Artikel 46. Reiskosten bijwonen uitvaart

Er wordt geen bijzondere bijstand voor reiskosten voor het bijwonen van een uitvaart toegekend.

Artikel 47. Reiskosten schoolgaande kinderen

  • 1. Voor reiskosten van ten laste komende schoolgaande minderjarige kinderen kan bijzondere bijstand worden verleend. Hoofdregel is hierbij dat scholing van ten laste komende kinderen jonger dan 18 jaar altijd noodzakelijk is. In deze gevallen moet beoordeeld worden of de gekozen schoolsoort noodzakelijk is. Voorwaarden zijn:

    • a.

      Er is geen redelijk alternatief op kortere reisafstand én;

    • b.

      Alle voorliggende voorzieningen zijn uitgeput. Denk aan Wet Tegemoetkoming onderwijsbijdrage en studiekosten (Wtos), leerlingenvervoer, hulp van het opleidingsinstituut, etc. én;

    • c.

      Omdat kinderen die na de basisschool hun middelbare schoolopleiding of een vervolgopleiding (bijv. MBO) gaan volgen geacht worden een afstand tot en met 15 kilometer te kunnen overbruggen per (elektrische) fiets of brommer.

    • d.

      Er wordt bij openbaar vervoer uitgegaan van de kortste afstand tussen het woonadres van de belanghebbende en het adres van de school.

  • 2. Bij de berekening van de hoogte van de bijzondere bijstand wordt uitgegaan van de laagste tarieven van een openbaar vervoer maandabonnement.

  • 3. Per volledig schooljaar komt maximaal 10 keer de kosten van een maandabonnement in aanmerking voor bijzondere bijstand. Dit tenzij een jaarabonnement goedkoper is.

  • 4. De in het eerste en tweede lid vastgestelde bijzondere bijstand wordt onder aftrek van de eigen bijdrage uitgekeerd. Deze eigen bijdrage betreft maandelijks € 25,00.

Artikel 48. Reiskosten in verband met bezoek ziek familielid

  • 1. Bijzondere bijstand voor reiskosten naar een ziek familielid die is opgenomen in een ziekenhuis, revalidatie instelling, hospice of GGZ-instelling is in beginsel niet mogelijk.

  • 2. In bijzondere omstandigheden kan worden afgeweken van het gestelde in het eerste lid.

  • 3. De bijzondere bijstand genoemd in het tweede lid bedraagt niet meer dan de maximale vergoeding via de collectieve aanvullende zorgverzekering. Hierbij wordt rekening gehouden met de rechtsgelijkheidsdrempel.

5.4.3. Wonen

Artikel 49. Woonkostentoeslag voor huurders

  • 1. Er bestaat recht op bijzondere bijstand (woonkostentoeslag) voor de kosten van het huren van woonruimte als belanghebbende vanwege bijzondere omstandigheden niet of voor een lagere tegemoetkoming op grond van de Wet op de huurtoeslag in aanmerking komt.

  • 2. Er is geen recht op woonkostentoeslag als:

    • a.

      Belanghebbende in afwachting is van de afhandeling van een aanvraag om huurtoeslag. Dit tenzij er sprake is van bijzondere omstandigheden;

    • b.

      De woonkostentoeslag minder bedraagt dan het bedrag genoemd in artikel 14 lid 5 AWIR.

  • 3. Bij het vaststellen van het inkomen zoals bedoeld in artikel 31 geldt dat:

    • a.

      Er met het inkomen van inwonende kinderen tot 23 jaar rekening wordt gehouden voor zover dat meer bedraagt dan het bedrag genoemd in artikel 7 lid 5 AWIR. Hierbij wordt inkomen uit studiefinanciering niet tot het inkomen gerekend.

    • b.

      Er rekening wordt gehouden met het inkomen van andere medebewoners die niet tot het gezin van belanghebbende behoren.

  • 4. In afwijking van het derde lid onderdeel b wordt het inkomen van medebewoners niet meegenomen bij het vaststellen van de draagkracht als deze medebewoners met belanghebbende een gezamenlijk huurcontract hebben. In dat geval worden de woonkosten voor belanghebbende naar evenredigheid vastgesteld.

  • 5. De hoogte van de woonkostentoeslag wordt berekend op basis van de rekensystematiek van de Wet op de huurtoeslag.

  • 6. Bij het verlenen van woonkostentoeslag kan aan de belanghebbende de verplichting opgelegd worden alles in het werk te stellen om goedkopere woonruimte te verkrijgen. Deze verhuisverplichting wordt voor maximaal 12 maanden opgelegd.

  • 7. De periode en verhuisplicht in het zesde lid kan worden verlengd wanneer het belanghebbende niet te verwijten valt dat er in die periode geen geschikte woning is gevonden waardoor geen of minder woonkostentoeslag verstrekt hoeft te worden.

Artikel 50. Woonkostentoeslag voor eigenaren

  • 1. Er bestaat recht op bijzondere bijstand (woonkostentoeslag) voor de kosten van het bewonen van een eigen woning.

  • 2. Er is geen recht op woonkostentoeslag als de woonkostentoeslag minder bedraagt dan het bedrag genoemd in artikel 14 lid 5 AWIR.

  • 3. Bij het vaststellen van het inkomen volgens artikel 31, geldt dat

    • a.

      Ook met het inkomen van inwonende kinderen tot 23 jaar rekening wordt gehouden, voor zover dat meer bedraagt dan het bedrag genoemd in artikel 7 lid 5 AWIR, waarbij inkomen uit studiefinanciering niet tot het inkomen wordt gerekend.

    • b.

      Ook rekening wordt gehouden met het inkomen van eventuele medebewoners die niet tot het gezin van belanghebbende behoren.

  • 4. In afwijking van het derde lid onder b wordt het inkomen van medebewoners niet meegenomen bij het vaststellen van de draagkracht als deze medebewoners met belanghebbende een gezamenlijke koopovereenkomst hebben. In dat geval worden de woonkosten voor belanghebbende naar evenredigheid vastgesteld.

  • 5. Er kan bijzondere bijstand worden verstrekt voor de kosten van hypotheekrente minus de hypoheekrenteaftrek, het eigenaarsdeel onroerendezaakbelasting, de premie opstalverzekering, rioolrechten en erfpachtcanons.

  • 6. De hoogte van de woonkostentoeslag wordt berekend op basis van de rekensystematiek van de Wet op de huurtoeslag.

  • 7. De woonkostentoeslag wordt voorlopig toegekend als de hoogte van de teruggaaf inkomstenbelasting en de hoogte van de hypotheekrente nog niet definitief vaststaan.

  • 8. Belanghebbende moet de definitieve aanslag van de Belastingdienst en de jaaropgaaf van de hypotheekverstrekker inleveren zodra hij deze heeft ontvangen.

  • 9. Na ontvangst van de bewijsstukken genoemd in lid 8 wordt de woonkostentoeslag definitief vastgesteld. Te veel verstrekte bijstand wordt teruggevorderd. Bij een hogere definitieve vaststelling vindt een nabetaling plaats.

  • 10. Bij het verlenen van woonkostentoeslag kan aan de belanghebbende de verplichting opgelegd worden alles in het werk te stellen om goedkopere woonruimte te verkrijgen. Deze verhuisverplichting wordt voor maximaal 12 maanden opgelegd.

  • 11. De periode en verhuisplicht in het tiende lid kan worden verlengd wanneer het belanghebbende niet te verwijten valt dat er in die periode geen geschikte woning is gevonden waardoor geen of minder woonkostentoeslag verstrekt hoeft te worden.

Artikel 51. Vaste lasten woning gedetineerde

  • 1. Hoofdregel is dat een persoon wie rechtens zijn vrijheid is ontnomen in beginsel uitgesloten is van het recht op algemene en bijzondere bijstand.

  • 2. In afwijking van het eerste lid wordt bijzondere bijstand voor de kosten van het aanhouden van de woning tijdens detentie verstrekt als:

    • a.

      De duur van de detentie langer is dan 30 dagen aaneengesloten, maar niet langer dan 1 jaar aaneengesloten en;

    • b.

      Volgens een verklaring van reclassering het aanhouden van de betreffende woning aanbevolen wordt en;

    • c.

      De kosten niet kunnen worden voldaan uit het aanwezige positieve saldo op de betaal- en/of spaarrekening(en).

  • 3. De bijzondere bijstand wordt beperkt tot de bijzondere noodzakelijke kosten en wordt verstrekt in de vorm van een lening.

Artikel 52. Vaste lasten tijdens verblijf in inrichting

  • 1. Voor doorlopende verschuldigde vaste woonlasten tijdens het verblijf in een inrichting wordt bijzondere bijstand verleend gedurende maximaal een jaar als:

    • a.

      De kosten verbonden zijn met de woonruimte en;

    • b.

      Het contract niet tijdelijk kan worden opgezegd en;

    • c.

      Het aanhouden van de woonruimte noodzakelijk is.

  • 2. Bijzondere bijstand wordt verstrekt:

    • a.

      Vanaf het moment dat de algemene bijstandsnorm wijzigt naar de norm verblijf in een inrichting óf;

    • b.

      Vanaf de eerste dag van de maand volgend op de maand van opname in de inrichting.

  • 3. Er is geen sprake van het noodzakelijk aanhouden van de woonruimte als bij het begin van de opname duidelijk is dat belanghebbende langer dan een jaar wordt opgenomen. Er kan bijzondere bijstand worden verstrekt voor de opslag van de inboedel aIs de opname langer dan een jaar is.

  • 4. Met de kosten genoemd onder het eerste lid onder a wordt bedoeld:

    • a.

      Huur/rente hypotheek (geen aflossing/sparen voor aflossing);

    • b.

      Vastrecht gas;

    • c.

      Vastrecht elektriciteit;

    • d.

      Vastrecht waterleiding;

    • e.

      Onroerendzaakbelasting (indien kwijtschelding niet kan worden verkregen);

    • f.

      Verzekeringen die samenhangen met de woning (inboedelverzekering).

Artikel 53. Kosten van woninginrichting en duurzame gebruiksgoederen

  • 1. Kosten van woninginrichting worden aangemerkt als incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan.

  • 2. De noodzakelijke kosten van woninginrichting komen alleen voor vergoeding vanuit de bijzondere bijstand in aanmerking wanneer de kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden.

  • 3. Er is in ieder geval sprake van bijzondere omstandigheden wanneer het gaat om kosten van woninginrichting aan statushouders die zich voor het eerst vestigen in Nederland.

  • 4. De kosten voor duurzame gebruiksgoederen voor de inrichting van een woning worden bepaald op 45% van de (geïndexeerde) Nibud normen. Uitgangspunt is dat woninginrichting (deels) tweedehands kan worden aangeschaft.

  • 5. De bijzondere bijstand voor duurzame gebruiksgoederen wordt verstrekt in de vorm van een lening. De looptijd van de geldlening is 36 maanden.

  • 6. In de situatie dat nagelaten is geheel of gedeeltelijk te reserveren of een niet-noodzakelijke lening af te sluiten kan in afwijking van het vijfde lid de aflossingstermijn op maximaal 60 maanden worden gesteld. Dit is afhankelijk van de mate van het ongenoegzaam betoond besef van verantwoordelijkheid.

  • 7. De hoogte van de aflossingsbedragen wordt voor personen met een inkomen ter hoogte van de bijstandsnorm vastgesteld op 5% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm incl. vakantietoeslag. Dit ongeacht de samenstelling van dit inkomen.

  • 8. Voor een noodzakelijke verhuizing waarvoor een lening woninginrichting is verstrekt kan ook een vergoeding voor overige inrichtingskosten worden verstrekt voor niet duurzame gebruikersgoederen. Het gaat om kosten zoals verf, behang en vloerbedekking. Er wordt éénmalig een bedrag van € 500,00 zonder hiervoor een tegenprestatie te vragen verstrekt.

Artikel 54. Eerste maand huur en administratiekosten

  • 1. Uitgangspunt is dat de kosten van de eerste maand huur en administratiekosten behoren tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan waarvoor geen bijzondere bijstand wordt verstrekt.

  • 2. In afwijking van het eerste lid kan de eerste maand en administratiekosten als bijzonder noodzakelijk worden aangemerkt en dus voor vergoeding in aanmerking komen. Dit kan wanneer er sprake is van een bijzondere omstandigheid. Uitgangspunt is dat de bijzondere bijstand zonder hiervoor een tegenprestatie te vragen wordt verstrekt. Dit tenzij er sprake is van een situatie zoals omschreven in artikel 48 tweede lid van de wet.

Artikel 55. Verhuiskosten

  • 1. Uitgangspunt is dat de kosten van een verhuizing behoren tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan waarvoor geen bijzondere bijstand wordt verstrekt.

  • 2. In afwijking van het eerste lid kunnen verhuiskosten als bijzonder noodzakelijk worden aangemerkt en dus voor vergoeding in aanmerking komen. Hierbij moeten de volgende criteria zijn beoordeeld:

    • a.

      De voorliggende voorzieningen;

    • b.

      De (beperkte) reserveringscapaciteit;

    • c.

      De noodzaak van de kosten. In het bijzonder de urgentie van de verhuizing ontstaan door een plotselinge medische of sociale reden;

    • d.

      De aanwezige bijzondere omstandigheden;

    • e.

      Calamiteit;

    • f.

      Samenloop onvoorziene uitgaven; en

    • g.

      De omvang van de gevraagde bijstand.

  • 3. Tot de verhuiskosten worden gerekend:

    • a.

      De transportkosten;

    • b.

      De kosten van tijdelijke opslag;

    • c.

      De administratiekosten;

    • d.

      De kosten van aansluiting van nutsvoorzieningen (gas, water, licht en internet).

  • 4. Bijzondere bijstand in de verhuiskosten wordt zonder hiervoor een tegenprestatie te vragen verstrekt.

  • 5. De bijzondere bijstand wordt verstrekt in de vorm van een geldlening als de noodzaak tot bijstandsverlening het gevolg is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de bestaansvoorziening.

  • 6. Aanvragen voor bijstand in de kosten van verhuizing worden in behandeling genomen door de gemeente waaruit men vertrekt. De gemeente van vestiging beoordeeld de aanvraag om (her)-inrichting.

Artikel 56. Kosten babyuitzet

  • 1. Hoofdregel is dat de kosten van een babyuitzet tot de incidenteel voorkomende algemene kosten van het bestaan behoren. Uitgangspunt is dat deze uit de bijstandsnorm voldaan moeten worden.

  • 2. In afwijking van het eerste lid kan er in bijzondere omstandigheden afgeweken worden. Hiertoe kan worden gerekend:

    • a.

      De geboorte van een meerling; en/of

    • b.

      Een ongewenste zwangerschap.

  • 3. Voor de hoogte van de bijzondere bijstand wordt uitgegaan van de goedkoopste passende voorziening. Uitgangspunt is dat de babyuitzet (deels) tweedehands kan worden aangeschaft.

  • 4. Er geldt een maximale vergoeding ter hoogte van 45% van de richtprijzen zoals opgenomen in de Nibud prijzengids.

  • 5. Er moet door de belanghebbende een lijst met benodigdheden aangeleverd worden met betrekking tot de babyuitzet.

  • 6. Uitgangspunt is dat de bijstand als lening wordt verstrekt.

Artikel 57. Stookkosten

  • 1. Hoofdregel is dat stookkosten tot de incidenteel voorkomende algemene kosten van het bestaan behoren. Uitgangspunt is dat deze uit de bijstandsnorm voldaan moeten worden.

  • 2. In afwijking van het eerste lid kan er vanwege medische redenen voor de meerkosten bijzondere bijstand worden verleend voor stookkosten.

  • 3. De hoogte van de bijzondere bijstand wordt vastgesteld door de (meer)kosten te vergelijken met het gemiddelde verbruik per type woning.

5.4.4. Recht

Artikel 58. Legeskosten verblijfsvergunningen en naturalisatie

  • 1. Hoofdregel is dat legeskosten voor een verblijfsvergunning tot de incidenteel voorkomende algemene kosten van het bestaan behoren. Uitgangspunt is dat deze uit de bijstandsnorm voldaan moeten worden.

  • 2. In afwijking van het eerste lid kan er in bijzondere omstandigheden afgeweken worden.

  • 3. De kosten die verband houden met naturalisatie of gezinshereniging worden niet aangemerkt als bijzonder noodzakelijke kosten van het bestaan.

Artikel 59. Bewind, mentorschap of curatele

  • 1. Er wordt bijzondere bijstand verstrekt voor bewind, mentorschap of curatele en aanverwante kosten als:

    • a.

      Het bewind, mentorschap of curatele door de kantonrechter is ingesteld; en

    • b.

      De kantonrechter aan de bewindvoerder of mentor toestemming heeft gegeven om de betreffende kosten in rekening te brengen.

  • 2. De hoogte van de bijzondere bijstand bedraagt maximaal de door de kantonrechter toegewezen beloning voor de betreffende kosten.

  • 3. Voor kosten van budgetbeheer geldt dat lokaal budgetbeheer, budgetbegeleiding of budget coaching voorliggende voorzieningen zijn. Dit voor zover deze passend zijn.

  • 4. In afwijking van het eerste lid bestaat er geen recht op bijzondere bijstand als een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening.

Artikel 60. Rechtsbijstand

  • 1. Er wordt bijzondere bijstand verstrekt voor de eigen bijdrage rechtsbijstand en de bijkomende griffierechten als dit wordt verleend op grond van een toevoeging op grond van de Wet op de rechtsbijstand.

  • 2. Wanneer de belanghebbende in aanmerking kan komen voor de wettelijke korting op de eigen bijdrage rechtsbijstand wordt met deze korting rekening gehouden.

5.4.5. Overig

Artikel 61. Uitvaartkosten

  • 1. Er wordt bijzondere bijstand tot maximaal € 3.500,00 verstrekt, waarbij de volgende voorwaarden gelden:

    • a.

      Er kan geen beroep worden gedaan op een voorliggende voorziening;

    • b.

      De uitvaart en uitvaartkosten vinden in Nederland plaats;

    • c.

      De uitvaart en uitvaartkosten kunnen niet (volledig) uit de nalatenschap en/of een uitvaartverzekering worden voldaan;

    • d.

      De belanghebbende is aantoonbaar verantwoordelijk voor de uitvaart en uitvaartkosten. Dit is het geval indien de belanghebbende de hoedanigheid van erfgenaam heeft aangenomen of als de belanghebbende behoort tot de bloed- en aanverwanten op wie een verhaalsrecht voor deze kosten bestaat op grond van artikel 22 van de Wet op de lijkbezorging;

    • e.

      Bij de vaststelling van de hoogte van de noodzakelijke kosten voor de uitvaart en uitvaartkosten wordt uitgegaan van de goedkoopste adequate voorziening. Hiermee wordt bedoeld de kostenposten van een sobere uitvaart. Hierbij wordt een maximum gehanteerd van € 3.500,00.

    • f.

      De uitvaart en uitvaartkosten behoren niet tot de noodzakelijke kosten van het bestaan van de overledene zelf;

    • g.

      Bij meerdere erfgenamen worden de uitvaartkosten naar evenredigheid verdeeld;

    • h.

      Betaling vindt plaats na overleg van een factuur.

  • 2. Uitgangspunt is dat de bijzondere bijstand zonder hiervoor een tegenprestatie te vragen wordt verleend. Als uit de nalatenschap blijkt dat er sprake is van vermogen dat niet direct te gelde kan worden gemaakt wordt de bijzondere bijstand in de vorm van een geldlening verstrekt.

  • 3. In de beschikking moet staan dat de belanghebbende verplicht is om de verleende bijstand te besteden aan het voldoen van zijn aandeel in de uitvaartkosten van de overledene.

  • 4. Als de belanghebbende de nalatenschap heeft verworpen bestaat er geen recht op bijzondere bijstand. Ook wanneer de Wet op de Lijkbezorging al is toegepast is bijstand voor deze kosten niet mogelijk.

Artikel 62. Maaltijdvoorziening

  • 1. Hoofdregel is dat de kosten voor een maaltijd tot de incidenteel voorkomende algemene kosten van het bestaan behoren die in beginsel uit de bijstandsnorm voldaan moeten worden.

  • 2. In afwijking van het eerste lid wordt bijzondere bijstand voor de meerkosten van een maaltijdvoorziening verstrekt als:

    • a.

      Er een medische of een sociale indicatie is waaruit blijkt dat de belanghebbende als gevolg van ziekte of handicap dan wel op andere gronden niet in staat is om zichzelf te voorzien van een maaltijd, en

    • b.

      De kosten boven het normale uitgavenpatroon uitstijgen.

  • 3. Bij het vaststellen van de hoogte van de bijzondere bijstand wordt de vergoeding bepaald door het verschil tussen de kosten van de maaltijdvoorziening en de daadwerkelijke kosten volgens de Nibud-normen.

  • 4. Uitgangspunt is dat de bijzondere bijstand zonder hiervoor een tegenprestatie te vragen wordt verleend. Betaling vindt plaats na overleg van een factuur.

Artikel 63. Schuldhulpverlening

Voor de kosten van schuldhulpverlening wordt geen bijzondere bijstand verstrekt.

Artikel 64. Scholing- en opleiding

  • 1. Voor de kosten van scholing en opleiding wordt geen bijzondere bijstand verstrekt.

  • 2. In afwijking van het eerste lid kan er in uitzonderlijke bijzondere omstandigheden bijzondere bijstand verleend worden.

Artikel 65. Verwervingskosten

Voor verwervingskosten wordt geen bijzondere bijstand verstrekt.

Artikel 66. Kosten kinderopvang

  • 1. Voor de kosten van kinderopvang kan bijzondere bijstand worden verleend als hiervoor een sociaal medische indicatie aanwezig is. Voor het beleid wordt verwezen naar de Beleidsregel tegemoetkoming kosten kinderopvang op grond van een Sociaal Medische Indicatie (SMI) gemeente Ooststellingwerf 2024.

  • 2. Kinderen in de leeftijd van 0 t/m 4 jaar, die een ontwikkelingsachterstand hebben ontwikkeld of dreigen te ontwikkelen, kunnen via Stichting Scala deelnemen aan een Opstapprogramma. Ouders moeten een eigen bijdrage betalen voor materiaalkosten. Voor inwoners van de gemeente met een inkomen op bijstandsniveau is verstrekking van bijzondere bijstand in de eigen bijdrage mogelijk.

Artikel 67. Overbruggingsuitkering

  • 1. Bijzondere bijstand in de vorm van een overbruggingsuitkering kan in de volgende situaties worden verstrekt:

    • a.

      Een zeer dringende reden zoals bedoeld in artikel 16 van de wet; en

    • b.

      Als belanghebbende geen of onvoldoende middelen heeft om de periode tot de eerste betaling van de bijstand te overbruggen.

  • 2. De bijzondere bijstand bedraagt eenmalig 25% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm inclusief vakantiegeld.

  • 3. De bijzondere bijstand wordt zonder hiervoor een tegenprestatie te vragen verleend.

  • 4. De overbruggingsuitkering wordt verstrekt in de vorm van een geldlening als de noodzaak tot bijstandsverlening het gevolg is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de bestaansvoorziening.

  • 5. In afwijking van het tweede lid kan het eenmalige bedrag in zeer uitzonderlijke individuele situaties een ander bedrag worden bepaald.

Artikel 68. Reiskosten in verband met omgangsregeling

Voor reiskosten in verband met een omgangsregeling wordt geen bijzondere bijstand verstrekt.

Artikel 69. Schoonmaakkosten bij een ernstig vervuilde woning

  • 1. De kosten van het reinigen en/of ontsmetten van een ernstig vervuilde woning behoren in beginsel tot de incidentele algemene kosten van het bestaan.

  • 2. Als er in afwijking van het eerste lid aanleiding is om op individuele gronden bijzondere bijstand te verstrekken dan moet de reiniging en/of ontsmetting deel uitmaken van een integraal hulpverleningsplan.

Hoofdstuk 6 Vormen van bijstand

Artikel 70. Aflossing leenbijstand eigen woning

  • 1. Het college maakt gebruik van de bevoegdheid tot het vestigen van een krediethypotheek als bedoeld in artikel 48 derde lid van de wet. Dit wanneer bijstand in de vorm van een geldlening wordt verstrekt vanwege overwaarde in de eigen woning als bedoeld in artikel 50 van de wet. Belanghebbende is verplicht mee te werken aan het vestigen van een krediethypotheek.

  • 2. De geldlening is direct opeisbaar als de woning wordt verkocht of vererfd.

  • 3. Aflossing van de geldlening begint op het moment van beëindiging van de bijstandsuitkering en vindt maandelijks plaats. Er wordt voor een periode van maximaal tien jaar op de lening afgelost met uitzondering van het bepaalde in het vierde lid.

  • 4. Wanneer na de periode als bedoeld in het voorgaande lid het geleende bedrag niet volledig is terugbetaald blijft de vordering openstaan en wordt het restant van de lening direct in een keer afgelost bij de verkoop of vererving van de woning.

  • 5. Als binnen een periode van twee jaar na beëindiging van een bijstandsuitkering in de vorm van een geldlening opnieuw recht op bijstand ontstaat, wordt deze verstrekt met toepassing van de laatst vastgestelde waarde van de woning en de laatst gevestigde krediethypotheek. Ook wordt er pas een nieuwe geldlening/ krediethypotheek afgesloten als er minimaal € 10.000,00 aan nieuw vermogen is ontstaan in de woning.

Artikel 71. Aflossing leenbijstand vanwege op korte termijn beschikbare middelen

  • 1. Het college maakt gebruik van de bevoegdheid tot het verlenen van bijstand in de vorm van een lening als bedoeld in artikel 48 tweede lid van de wet wanneer er op korte termijn over middelen wordt beschikt. De lening is direct opeisbaar als de middelen beschikbaar komen.

  • 2. Als belanghebbende een bijstandsuitkering ontvangt kan er besloten worden om per direct tot aflossing van de lening met de bijstandsuitkering over te gaan. Dit met inachtneming van het vierde lid.

  • 3. Als belanghebbende geen bijstandsuitkering meer heeft maar nog niet de beschikking heeft over de middelen dan wordt de lening in termijnen afgelost. Dit rekening houdend met het vierde en zesde lid. De aflossing begint vanaf de eerste maand na de beëindiging van de bijstandsuitkering.

  • 4. In het geval van maandelijkse aflossing stelt het college:

    • a.

      Bij een inkomen op of onder bijstandsniveau de aflossing vast op 5% van de toepasselijke bijstandsnorm inclusief vakantietoeslag, of;

    • b.

      Bij een inkomen hoger dan de toepasselijke bijstandsnorm de aflossing vast volgens draagkracht. Hierbij heeft belanghebbende minimaal de beschikking over een bedrag ter hoogte van 95% van de toepasselijke bijstandsnorm.

  • 5. In afwijking van derde lid voert het college op verzoek van belanghebbende een berekening uit volgens artikel 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering om de beslagvrije voet te bepalen. Het college past de hoogte van het verrekende bedrag aan met ingang van de eerste dag van de maand die volgt op die van de beschikking.

  • 6. Als het inkomen de van toepassing zijnde bijstandsnorm te boven gaat bedraagt de aflossingsruimte 5% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm. Dit vermeerdert met 35% van het verschil tussen het inkomen en de toepasselijke bijstandsnorm.

  • 7. De lening kan kwijtgescholden worden overeenkomstig de regels van Hoofdstuk 4 van de Beleidsregels terugvordering -en invordering gemeente Ooststellingwerf 2022.

Artikel 72. Aflossing leenbijstand tekortschietend besef van verantwoordelijkheid

  • 1. Het college maakt gebruik van de bevoegdheid tot het verlenen van bijstand in de vorm van een lening als bedoeld in artikel 48 tweede lid van de wet. Dit wanneer er sprake is van tekortschietend besef voor de voorzieningen van het bestaan. De lening wordt direct opeisbaar als de bijstandsuitkering wordt beëindigd of de leenbijstand wordt omgezet in bijstand ‘om niet’.

  • 2. Als belanghebbende onvoldoende middelen heeft om de lening ineens af te lossen dan wordt overgegaan op maandelijkse aflossing. Dit met inachtneming van het derde en vierde lid en vanaf het moment dat de lening is verstrekt of vindt aflossing plaats vanaf de eerste maand nadat de lening opeisbaar is geworden.

  • 3. In het geval van maandelijkse aflossing stelt het college:

    • a.

      Bij een inkomen op of onder bijstandsniveau de aflossing vast op 5% van de toepasselijke bijstandsnorm inclusief vakantietoeslag, of;

    • b.

      Bij een inkomen hoger dan de toepasselijke bijstandsnorm de aflossing vast volgens draagkracht. Hierbij heeft belanghebbende minimaal de beschikking over een bedrag ter hoogte van 95% van de toepasselijke bijstandsnorm.

  • 4. Als het inkomen de van toepassing zijnde bijstandsnorm te boven gaat, bedraagt de aflossingsruimte 5% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm. Dit vermeerdert met 35% van het verschil tussen het inkomen en de toepasselijke bijstandsnorm.

  • 5. De lening kan kwijtgescholden worden overeenkomstig de regels van Hoofdstuk 4 van de Beleidsregels terugvordering en invordering gemeente Ooststellingwerf 2022.

Artikel 73. Aflossing leenbijstand duurzame gebruiksgoederen

  • 1. Aflossing van de lening begint op de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de bijzondere bijstand is verstrekt.

  • 2. Artikel 15 van de Beleidsregels terugvordering en invordering gemeente Ooststellingwerf 2022 is ook van toepassing.

  • 3. De lening kan kwijtgescholden worden in overeenstemming met de regels van Hoofdstuk 4 van de Beleidsregels terugvordering -en invordering gemeente Ooststellingwerf 2022.

Artikel 74. Aflossing meerdere geldleningen of betalingsnood

  • 1. Als belanghebbende meerdere geldleningen heeft lost hij het eerst af op de lening die het eerste is ontstaan of die volgt uit het oudste toekenningsbesluit.

  • 2. Bij samenloop van een geldlening en een terugvordering kan het college bepalen op welke schuld het eerste wordt afgelost.

  • 3. Het kan voorkomen dat aan een belanghebbende binnen de looptijd van een al bestaande lening opnieuw bijstand in de vorm van een geldlening wordt verstrekt. Voor de nieuwe geldlening geldt dan een nieuwe looptijd.

  • 4. In individuele gevallen moet beoordeeld worden of de nieuwe lening zoals bedoeld in het derde lid achtergesteld wordt of dat de nieuwe lening bijvoorbeeld wordt vastgesteld door het restbedrag van de bestaande lening en het bedrag van de nieuwe lening bij elkaar op te tellen en er een nieuwe lening periode vastgesteld wordt.

  • 5. Voordat een nieuwe lening wordt verstrekt moet beoordeeld worden of er geen sprake is van verwijtbaar handelen door de belanghebbende en of hierin aanleiding ligt om de lening te weigeren.

  • 6. Als er sprake is van noodzakelijk te achten extra financiële lasten of de belanghebbende niet in staat is om de aflossingsverplichtingen na te komen kan op individuele gronden de hoogte van het aflossingsbedrag worden gematigd en de looptijd verlengd worden. Dit met als doel belanghebbende tegemoet te komen in zijn of haar betalingsverplichtingen.

  • 7. In afwijking van het zesde lid kan er opschorting van de aflossing plaatsvinden in uitzonderlijke gevallen. Dit moet uitdrukkelijk worden gemotiveerd.

Artikel 75. Bijstand in Natura

Er kan in uitzonderlijke gevallen bijstand in natura verstrekt worden als en zolang er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat belanghebbende niet in staat is tot een verantwoorde besteding van zijn bestaansmiddelen en de andere vormen van bijstand geen oplossing bieden.

Artikel 76. Rente over leenbijstand

Wanneer bijzondere bijstand in de vorm van een geldlening wordt verstrekt is geen rente verschuldigd.

Hoofdstuk 7 Uitbetaling

Artikel 77. Uitbetaling algemene bijstand

De algemene bijstand wordt achteraf uitbetaald op uiterlijk de 5e van de maand volgend op de maand waarop de bijstand betrekking heeft. Dit tenzij het recht op bijstand niet vastgesteld kan worden.

Artikel 78. Uitbetaling vakantietoeslag

  • 1. De gereserveerde vakantietoeslag wordt maandelijks uitbetaald.

  • 2. In afwijking van het eerste lid wordt:

    • a.

      Zodra er geen beslag of inhouding op de uitkering plaatsvindt het vakantiegeld gereserveerd en eens per jaar in de maand juni uitbetaald.

    • b.

      Bij beëindiging van de bijstand de vakantietoeslag uitbetaald na afronding van het beëindigingsonderzoek.

Artikel 79. Voorschotten tijdens de bijstandsaanvraag

  • 1. Het college verleent in overeenstemming met artikel 52 van de wet aan een belanghebbende een voorschot algemene bijstand in de vorm van een renteloze lening. Dit als op de aanvraag niet is beslist binnen 4 weken na de aanvraagdatum en vervolgens telkens na uiterlijk 4 weken Dit tenzij:

    • a.

      Belanghebbende niet alle voor de aanvraag benodigde gegevens heeft overgelegd en hem dit te verwijten valt;

    • b.

      Belanghebbende anderszins onvoldoende medewerking verleent, of;

    • c.

      Meteen duidelijk is dat er geen recht op bijstand bestaat.

    • d.

      Belanghebbende nog over voldoende middelen beschikt.

  • 2. De toegekende bijstand wordt direct met het voorschot verrekend. Alleen in uitzonderlijke situaties is gespreide verrekening mogelijk.

  • 3. Uitgangspunt is dat er geen voorschot wordt verstrekt bij een aanvraag om bijzondere bijstand.

Hoofdstuk 8 Herziening, intrekking, terug- en invordering en verhaal

Artikel 80. Herzien, intrekken en terugvorderen

Het college stelt nadere beleidsregels vast ten aanzien van herziening, intrekking, terug- en invordering van de bijstand.

Hoofdstuk 9 Slotbepalingen

Artikel 81. Inwerkingtreding en overgangsrecht

  • 1. Deze beleidsregels treden in werking op 1 januari 2026 onder gelijktijdige intrekking van de Beleidsregels:

    • o

      Lager vaststellen normen Participatiewet 2015

    • o

      Medische kosten en bijzondere bijstand 2008

Artikel 82. Citeertitel

Deze beleidsregels kunnen worden aangehaald als: “Beleidsregels algemene en bijzondere bijstand Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz 2026”.

Ondertekening

Gedaan te Oosterwolde in de collegevergadering van 7 april 2026.

De burgemeester,

J. Werkman

De secretaris,

E. v.d. Laan