Permanente link
Naar de actuele versie van de regeling
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR760886
Naar de door u bekeken versie
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR760886/1
Regeling vervalt per 01-01-2029
Openstellingsbesluit subsidie verbeteren leefgebied icoonsoorten Zuid-Holland 2026
Geldend van 23-04-2026 t/m 31-12-2028
Intitulé
Openstellingsbesluit subsidie verbeteren leefgebied icoonsoorten Zuid-Holland 2026Gedeputeerde staten van Zuid-Holland;
Gelet op de artikelen 3.1 en 3.2 van de Subsidieregeling groen Zuid-Holland 2016 en de artikelen 1.3, vierde lid, en 1.4 van de Algemene subsidieverordening Zuid-Holland;
Overwegende dat:
- –
de provincie Zuid-Holland verantwoordelijk is voor de bescherming en het behoud van gezonde populaties inheemse plant- en diersoorten en hier invulling aan geeft door in te zetten op het verbeteren van het leefgebied van icoonsoorten en habitatrichtlijnsoorten;
- –
de provincie Zuid-Holland zich onderscheidt van andere provincies door onder meer het grote oppervlak aan stedelijk gebied;
- –
natuurwaarden buiten natuurgebieden bijdragen aan het behalen van de natuurdoelen vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn en daarmee bijdraagt aan het leef- en vestigingsklimaat in Zuid-Holland;
Besluiten vast te stellen het volgende besluit:
Openstellingsbesluit subsidie verbeteren leefgebied icoonsoorten Zuid-Holland 2026
Artikel 1 Begripsbepalingen
In dit openstellingsbesluit wordt verstaan onder:
- –
Asv: Algemene subsidieverordening Zuid-Holland;
- –
autochtoon inheems plantmateriaal: bomen, struiken en planten die directe nakomelingen zijn van de planten die zich na de ijstijd spontaan hebben gevestigd in Nederland en zich via natuurlijke uitzaai of door kunstmatige vermeerdering uit lokaal plantmateriaal hebben vermeerderd;
- –
bebouwde kom: bebouwde kom als bedoeld in artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994;
- –
belangrijk weidevogelgebied: gebied waarin de dichtheid aan broedparen van grutto, tureluur, kievit of scholekster meer dan 30 paren per 100 hectare bedraagt, zoals weergegeven op kaart 16, in bijlage II van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening;
- –
biodiversiteit: verscheidenheid van inheemse plant- en diersoorten die voorkomen in Zuid-Holland;
- –
de-minimis voor de landbouwsector: Verordening (EU) nr. 1408/2013 van de Commissie van 13 december 2023 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun in de landbouwsector (Pb L, 2023/2831);
- –
economische activiteit: het aanbieden van goederen of diensten op een markt waarop sprake is van concurrentie;
- –
habitatrichtlijnsoorten: plant- en diersoorten opgenomen in bijlage 1 bij dit besluit;
- –
houtige landschapselementen: houtwal, houtsingel, elzensingel, bomenlaan, struweelhaag, struweelrand, knotbomenrij, solitaire knotboom, half- of hoogstamboomgaard of griendje of bosje;
- –
icoonsoorten: plant- en diersoorten opgenomen in bijlage 1 bij dit besluit;
- –
inheemse soorten: alle planten- of boomsoorten die van oorsprong in het natuurlijke verspreidingsgebied van de soort voorkomen;
- –
kansrijk weidevogelgebied: gebied waar meer dan 15 maar minder dan 30 broedparen grutto's, tureluurs, kieviten of scholeksters per 100 hectare broeden;
- –
landelijk gebied: gebied dat is gelegen buiten de grens van de bebouwde kom;
- –
natuurgebied: Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied;
- –
Natura 2000-gebied: natuurgebied aangewezen volgens de Vogelrichtlijn of Habitatrichtlijn;
- –
Nederlandse Rassenlijst Bomen: hulpmiddel bij de aanleg van bos, landschappelijke beplantingen en openbaar groen;
- –
Natuurnetwerk Nederland: natuurnetwerk Nederland (NNN) als bedoeld in artikel 2.11 van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening;
- –
onderneming: iedere eenheid die een economische activiteit uitoefent;
- –
overige landschapselementen: kruidenrijke akkerrand, insectenrijk graslandrand, bloemenblok, keverbank, bloemdijk, zandwal en natte elementen zoals poel, natuurvriendelijke oever, rietzoom of klein rietperceel;
- –
Reguliere de-minimis verordening: Verordening (EU) Nr. 2023/2831 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun (PbEU, L 352);
- –
Srg: Subsidieregeling groen Zuid-Holland 2016;
- –
stedelijk gebied: gebied dat is gelegen binnen de grens van de bebouwde kom;
- –
voedselbos:
- a.
een door mensen ontworpen productief ecosysteem naar het voorbeeld van een natuurlijk bos, met een hoge diversiteit aan meerjarige of houtige soorten, waarvan delen, zoals de vruchten, zaden, bladeren en stengels voor de mens als voedsel dienen;
- b.
met aanwezigheid van: een kruinlaag van hogere bomen, minimaal drie andere vegetatielagen van respectievelijk lagere bomen, struiken, kruiden, bodembedekkers, ondergrondse gewassen en ‘’klimplanten, en een rijk bosbodemleven;
- c.
met een aaneengesloten oppervlakte van minimaal 0,5 hectare;
- d.
dat zich in het kader van deze subsidieregeling kenmerkt doordat geen gebruik wordt gemaakt van kunstmest of chemische bestrijdingsmiddelen; en
- e.
bestaat uit minimaal 50% inheemse soorten (bomen, struiken en ondergroei).
- a.
Artikel 2 Subsidiabele activiteiten en prestaties
-
1. Subsidie kan worden verstrekt voor activiteiten die gericht zijn op de substantiële verbetering van het leefgebied van icoonsoorten of habitatrichtlijnsoorten in Zuid-Holland.
-
2. De activiteit, bedoeld in het eerste lid, draagt bij aan:
- a.
het vergroten van de biodiversiteit aan inheemse plant- en diersoorten (met name van provinciale icoonsoorten en habitatrichtlijnsoorten) door het aanleggen of inrichten van een gevarieerd leefgebied;
- b.
het realiseren of versterken van ecologisch waardevolle verbindingen of stapstenen in stedelijk of landelijk gebied.
- a.
-
3. Subsidie als bedoeld in het eerste lid, wordt verstrekt in de vorm van een projectsubsidie.
Artikel 3 Doelgroep
Subsidie als bedoeld in artikel 2 wordt verstrekt aan natuurlijke personen, privaatrechtelijke rechtspersonen en publiekrechtelijke rechtspersonen.
Artikel 4 Deelplafonds
-
1. Voor subsidieverlening op grond van dit openstellingsbesluit gelden voor de aanvraagperioden, genoemd in artikel 5, gezamenlijk de volgende deelplafonds:
- a.
€ 500.000,- voor activiteiten die plaatsvinden in landelijk gebied;
- b.
€ 400.000,- voor activiteiten die plaatsvinden in stedelijk gebied.
- a.
-
2. Subsidie wordt slechts verleend voor zover het voor de betreffende aanvraag geldende deelplafond niet is bereikt.
-
3. Indien een activiteit plaatsvindt in zowel landelijk gebied als stedelijk gebied, wordt de activiteit voor de toepassing van dit artikel aangemerkt als een activiteit die plaatsvindt in stedelijk gebied.
Artikel 5 Aanvraagperioden
In afwijking van artikel 2.3 van de Asv kan een aanvraag voor subsidie worden ingediend in de volgende perioden:
- a.
van 1 juni tot en met 30 juni 2026;
- b.
van 1 oktober tot en met 30 oktober 2026.
Artikel 6 De-minimis
Subsidie aangevraagd door een onderneming wordt verleend met toepassing van de op de aanvrager van toepassing zijnde de-minimisverordening.
Artikel 7 Weigeringsgronden
In aanvulling op artikel 2.6 van de Asv wordt subsidie geweigerd indien:
- a.
de activiteit plaatsvindt binnen een natuurgebied;
- b.
de activiteit niet uitvoerbaar is vanwege wettelijke of praktische belemmeringen;
- c.
de activiteit niet past in het huidige landschap, rekening houdend met het ruimtelijk kwaliteitsbeleid van de provincie;
- d.
de aanvrager niet de eigenaar van de grond is of door de eigenaar geen schriftelijke toestemming is gegeven;
- e.
het activiteitenplan in combinatie met de begroting niet realistisch is;
- f.
voor dezelfde activiteit op grond van deze of een andere subsidieregeling van de provincie Zuid-Holland subsidie is aangevraagd of verleend;
- g.
de activiteit mede de aanplant van invasieve exoten betreft;
- h.
de activiteit betrekking heeft op de aanleg van een voedselbos of houtige landschapselementen op een projectlocatie die is gelegen in een belangrijk weidevogelgebied;
- i.
de activiteit betrekking heeft op de aanleg van een voedselbos of houtige landschapselementen op een projectlocatie die is gelegen in een kansrijk weidevogelgebied, en die leidt tot een significante vermindering van het oppervlak, de kwaliteit of de samenhang van het weidevogelgebied;
- j.
de activiteit behoort tot het reguliere takenpakket van de aanvrager indien de aanvrager een publiekrechtelijke rechtspersoon is;
- k.
de aanvraag onvolledig is, of de verstrekte gegevens en documenten onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking;
- l.
de aanvraag op grond van artikel 11 minder dan 36 punten behaalt, of op één van de criteria nul punten scoort.
Artikel 8 Subsidievereisten
Om voor subsidie als bedoeld in artikel 2, eerste lid, in aanmerking te komen wordt voldaan aan de volgende vereisten:
- a.
de activiteit verbetert het leefgebied van minimaal vier icoonsoorten of habitatrichtlijnsoorten substantieel;
- b.
bij het realiseren van beplanting, wordt voor minimaal 90% inheemse soorten gebruikt, vrij van schadelijke gewasbeschermingsmiddelen;
- c.
bij het realiseren van houtige landschapselementen wordt bij voorkeur autochtoon inheems plantmateriaal gebruikt;
- d.
bij het realiseren van voedselbossen en half- en hoogstamboomgaarden wordt in het ontwerp en de aanleg in totaal voor minimaal 50% inheemse soorten gebruikt;
- e.
wanneer de activiteit binnen de bebouwde kom plaatsvindt, wordt deze gerealiseerd in de openbare ruimte, dan wel op een plaats die voor eenieder openbaar toegankelijk is;
- f.
na uitvoering van de activiteit is geborgd dat het resultaat hiervan gedurende een periode van ten minste 10 jaar duurzaam in stand wordt gehouden en gedurende die periode geen chemische gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast.
Artikel 9 Subsidiabele kosten
De volgende kosten komen voor de subsidie in aanmerking:
- a.
kosten voor begeleiding bij ontwerp, planvorming en realisatie van het project, tot een maximum van 10% van de subsidiabele kosten;
- b.
kosten voor het benodigde plantmateriaal of zaaigoed;
- c.
kosten voor graafwerkzaamheden, bodemverbetering, het planten van het plantmateriaal, leveringskosten;
- d.
kosten voor de aanschaf van wildgaaskokers en boompalen, en het aanbrengen van boompalen en het plaatsen van wildgaaskokers, tot een maximum van 10% van de subsidiabele kosten;
- e.
kosten voor nazorg, te weten inboet en noodzakelijke bewatering, gedurende twee plantseizoenen na aanplant, tot een maximum van 10% van de subsidiabele kosten;
- f.
kosten voor (ontwikkelings)beheer, tot een maximum van 20% van de subsidiabele kosten.
Artikel 10 Subsidiehoogte
-
1. De hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 2, eerste lid, bedraagt ten hoogste 75% van de subsidiabele kosten tot een maximum van:
- a.
€ 10.000,00 voor natuurlijke personen;
- b.
€ 30.000,00 voor privaatrechtelijke rechtspersonen;
- c.
€ 50.000,00 voor publiekrechtelijke rechtspersonen.
- a.
-
2. Indien toepassing van het eerste lid ertoe leidt dat de subsidie minder bedraagt dan € 5.000,- wordt de subsidie niet verstrekt.
Artikel 11 Rangschikking
-
1. In afwijking van artikel 1.3 van de Srg worden volledige aanvragen voor activiteiten als bedoeld in artikel 2 die voor subsidie in aanmerking komen gerangschikt op basis van de volgende beoordelingscriteria, die nader uitgewerkt zijn in bijlage 2 bij dit besluit:
- a.
de mate van urgentie;
- b.
de mate van effectiviteit van de activiteit;
- c.
de haalbaarheid van de activiteit;
- d.
de mate van efficiëntie van uitvoering van de activiteit.
- a.
-
2. Aan ieder criterium kunnen nul tot en met vijf punten worden toegekend. De rangschikking vindt plaats aan de hand van het totaal aantal punten die ingevolge het eerste en tweede lid aan de genoemde criteria worden toegekend, waarbij de aan de criteria toegekende punten worden vermenigvuldigd met de volgende wegingsfactoren:
- a.
het criterium bedoeld in het eerste lid, onder a, heeft een wegingsfactor van 4;
- b.
het criterium bedoeld in het eerste lid, onder b, heeft een wegingsfactor van 3;
- c.
het criterium bedoeld in het eerste lid, onder c, heeft een wegingsfactor van 3;
- d.
het criterium bedoeld in het eerste lid, onder d, heeft een wegingsfactor van 2.
- a.
-
3. Aanvragen worden gehonoreerd op volgorde van rangschikking, beginnend met de aanvraag die het hoogste aantal punten heeft behaald.
-
4. Wanneer aan twee of meer aanvragen een gelijk aantal punten is toegekend en de som van het subsidiebedrag waarvoor deze aanvragen in aanmerking komen het subsidieplafond te boven gaat, dan wordt voor de toepassing van het derde lid de onderlinge rangschikking tussen deze aanvragen bepaald aan de hand van de hoogste scores op achtereenvolgens de volgende criteria:
- a.
urgentie;
- b.
effectiviteit;
- c.
haalbaarheid/ kans op succes;
- d.
efficiëntie.
- a.
-
5. Van de aanvragen die na toepassing van het bepaalde in het vijfde lid een gelijk aantal punten hebben behaald, wordt de onderlinge rangschikking van deze aanvragen bepaald door loting.
Artikel 12 Verplichtingen van de subsidieontvanger
-
1. In afwijking van artikel 1.4, eerste lid, van de Srg, wordt aan de subsidieontvanger de volgende verplichtingen opgelegd:
- a.
de activiteit wordt binnen 1 jaar na subsidieverlening gestart;
- b.
de activiteit wordt uiterlijk 31 december 2028 gerealiseerd;
- c.
de subsidieontvanger werkt mee aan publiciteit over de activiteit;
- d.
voor wat betreft inheemse aanplant van bomen en houtige landschapselementen, als bedoeld in artikel 8 onder c en d, wordt gebruik gemaakt van soorten genoemd op de Nederlandse Rassenlijst Bomen;
- e.
bomen en houtige landschapselementen worden in de periode tussen 1 november en 1 maart aangeplant;
- f.
na het aanleggen van een voedselbos of uitvoeren van andere maatregelen ter verbetering van het leefgebied van icoonsoorten of habitatrichtlijnsoorten, is de subsidieontvanger verplicht om de gerealiseerde natuur ten minste 10 jaar na subsidievaststelling duurzaam in stand te houden.
- a.
-
2. In afwijking van het eerste lid, onder b, kunnen gedeputeerde staten op verzoek van de subsidieontvanger de termijn, bedoeld in het eerste lid, onder b, voor activiteiten die plaatsvinden in stedelijk gebied eenmalig met ten hoogste één jaar verlengen mits het verzoek vóór het verstrijken van die termijn is ingediend en gemotiveerd.
Artikel 13 Verantwoording
-
1. Bij een subsidie van minder dan € 25.000,00 toont de subsidieontvanger desgevraagd aan dat de activiteiten zijn verricht door middel van een eigen verklaring, vergezeld van foto- of videomateriaal van de situatie voor en na uitvoering van de activiteiten.
-
2. In aanvulling op artikel 4.2 en 4.3 van de Asv wordt bij een subsidie vanaf €25.000,00 foto- of videomateriaal van de situatie voor en na uitvoering van de activiteiten overlegd.
Artikel 14 Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het provinciaal blad waarin dit besluit wordt geplaatst.
Artikel 15 Werkingsduur
Dit openstellingsbesluit vervalt op 31 december 2028 met dien verstande dat de regeling van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn aangevraagd.
Artikel 16 Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als: Openstellingsbesluit subsidie verbeteren leefgebied icoonsoorten Zuid-Holland 2026.
Ondertekening
Den Haag, 14 april 2026
Gedeputeerde staten van Zuid-Holland
drs. M.J.A. van Bijnen MBA, secretaris
M.E. van Leeuwen, plv. voorzitter
Bijlage 1 behorende bij artikel 1 van het Openstellingsbesluit subsidie verbeteren leefgebied icoonsoorten Zuid-Holland 2026, houdende lijsten van icoonsoorten en habitatsoorten
A Icoonsoorten Provincie Zuid-Holland:
- 1.
Argusvlinder
- 2.
Bever
- 3.
Blauwborst
- 4.
Boomklever
- 5.
Bruinvis
- 6.
Gewone dotterbloem
- 7.
Egel
- 8.
Gewone zeehond
- 9.
Gierzwaluw
- 10.
Glassnijder
- 11.
Groene Glazenmaker
- 12.
Groenknolorchis
- 13.
Grote stern
- 14.
Grutto
- 15.
Heivlinder
- 16.
Huismus
- 17.
Kleine zwaan
- 18.
Kluut
- 19.
Konijn
- 20.
Meervleermuis
- 21.
Merel
- 22.
Nachtegaal
- 23.
Noordse woelmuis
- 24.
Otter
- 25.
Patrijs
- 26.
Purperreiger
- 27.
Rietorchis
- 28.
Roerdomp
- 29.
Rosse vleermuis
- 30.
Rugstreeppad
- 31.
Spindotterbloem
- 32.
Steenuil
- 33.
Steur
- 34.
Weidehommel
- 35.
Wilde hyacint
- 36.
Zalm
- 37.
Zandhagedis
- 38.
Zandhommel
- 39.
Zeearend
- 40.
Zwarte stern
B Habitatrichtlijnsoorten (Bijlage II) met relevantie voor Zuid-Holland:
- 1.
Nauwe korfslak
- 2.
Zegge-korfslak
- 3.
Gestreepte waterroofkever
- 4.
Zeeprik
- 5.
Rivierprik
- 6.
Elft
- 7.
Fint
- 8.
Zalm
- 9.
Bittervoorn
- 10.
Grote modderkruiper
- 11.
Kleine modderkruiper
- 12.
Beek/Rivierdonderpad
- 13.
Kamsalamander
- 14.
Meervleermuis
- 15.
Bever
- 16.
Noordse woelmuis
- 17.
Bruinvis
- 18.
Otter
- 19.
Grijze zeehond
- 20.
Gewone zeehond
- 21.
Tonghaarmuts
- 22.
Groenknolorchis
- 23.
Platte schijfhoren
C. Habitatrichtlijnsoorten (Bijlage IV) met relevantie voor Zuid-Holland
- 1.
Kleine dwergvleermuis
- 2.
Gewone grootoorvleermuis
- 3.
Watervleermuis
- 4.
Baardvleermuis
- 5.
Franjestaart
- 6.
Platte schijfhoren
- 7.
Noordzeehouting
- 8.
Kamsalamander
- 9.
Heikikker
- 10.
Poelkikker
- 11.
Rivierrombout
- 12.
Gevlekte witsnuitlibel
- 13.
Teunisbloempijlstaart
- 14.
Gestreepte waterroofkever
- 15.
Kruipend moerasscherm
Bijlage 2 behorende bij artikel 11, eerste lid, van het Openstellingsbesluit subsidie verbeteren leefgebied icoonsoorten Zuid-Holland 2026
In deze bijlage is, ter nadere uitwerking van artikel 11, eerste lid, per beoordelingscriterium aangegeven op basis van welke aspecten deze criteria worden beoordeeld en hoeveel punten per aspect kunnen worden toegekend. De in deze bijlage opgenomen puntenverdeling vormt de grondslag voor de bepaling van de score per beoordelingscriterium, waarop de wegingsfactoren, bedoeld in artikel 11, tweede lid, worden toegepast.
a. De mate van urgentie (maximaal 5 punten, de weging is 4, totaal te behalen punten is 20)
Bij dit criterium gaat het om de vraag in hoeverre de activiteiten bijdragen aan het versterken van het leefgebied van geselecteerde icoonsoorten. Om het concreet te maken is bij deze weging gekozen voor focus op de volgende lijst van icoonsoorten. Projecten die bijdragen aan het versterken van het leefgebied van deze soorten, zullen hoger scoren. Deze geselecteerde icoonsoorten zijn: argusvlinder, heivlinder, zandhommel, kleine zwaan, patrijs, kluut, grote stern, zwarte stern, steenuil, huismus, rugstreeppad, egel, meervleermuis, noordse woelmuis, groene glazenmaker, gewone dotterbloem, otter en zandhagedis.
- i.
0 punten: Zeer geringe bijdrage. Van een zeer geringe bijdrage is sprake als het project niet bijdraagt aan versterking van het leefgebied van geselecteerde icoonsoorten;
- ii.
1 punt: geringe bijdrage. Van een geringe bijdrage is sprake als het project een geringe bijdrage levert aan versterking van het leefgebied van geselecteerde icoonsoorten;
- iii.
2 punten: matige bijdrage. Van een matige bijdrage is sprake als enigszins een bijdrage wordt geleverd aan versterking van het leefgebied van geselecteerde icoonsoorten;
- iv.
3 punten: voldoende bijdrage. Van een voldoende bijdrage is sprake als een redelijke bijdrage wordt geleverd aan versterking van het leefgebied van geselecteerde icoonsoorten;
- v.
4 punten: goede bijdrage. Van een goede bijdrage is bijvoorbeeld sprake als een duidelijke bijdrage wordt geleverd aan versterking van het leefgebied van geselecteerde icoonsoorten;
- vi.
5 punten: zeer goede bijdrage. Van een zeer goede bijdrage is sprake als overtuigend een bijdrage wordt geleverd aan versterking van het leefgebied van geselecteerde icoonsoorten.
b. Mate van effectiviteit van de activiteit (maximaal 5 punten, de weging is 3, totaal te behalen punten is 15)
Bij dit beoordelingscriterium gaat het om de bijdrage die het project levert aan de provinciale beleidsdoelstellingen van dit openstellingsbesluit, bedoeld in artikel 2, tweede lid. Een project dat gelijktijdig aan meerdere doelen bijdraagt, zal een hogere score toegekend krijgen. De effectiviteit wordt bepaald door de mate waarin een project bijdraagt aan het realiseren van deze doelstellingen. Bij de beoordeling van het te verwachten effect wordt niet enkel gekeken naar de omvang en het bereik van het project. Dit om te voorkomen dat aan grotere projecten automatisch een hogere score toegekend moet worden dan aan kleinere projecten. De punten worden als volgt toegekend:
- i.
0 punten: Zeer geringe bijdrage. Van een zeer geringe bijdrage is sprake als het project niet bijdraagt aan de doelen van dit openstellingsbesluit;
- ii.
1 punt: geringe bijdrage. Van een geringe bijdrage is sprake als het project een geringe bijdrage levert aan een van de doelen uit het openstellingsbesluit.
- iii.
2 punten: matige bijdrage. Van een matige bijdrage is sprake als enigszins een bijdrage wordt geleverd aan een van de doelen uit het openstellingsbesluit;
- iv.
3 punten: voldoende bijdrage. Van een voldoende bijdrage is sprake als overtuigend aan een van de doelen van dit openstellingsbesluit wordt bijgedragen;
- v.
4 punten: goede bijdrage. Van een goede bijdrage is bijvoorbeeld sprake als enigszins aan beide doelen van het openstellingsbesluit wordt bijgedragen;
- vi.
5 punten: zeer goede bijdrage. Van een zeer goede bijdrage is sprake als overtuigend aan beide doelen van het openstellingsbesluit wordt bijgedragen.
c. Mate van haalbaarheid van de activiteit (maximaal 5 punten, de weging is 3, totaal te behalen punten is 15)
Bij dit beoordelingscriterium gaat het om de kans dat het project succesvol uitgevoerd kan worden. Of een project haalbaar is, kan worden bepaald aan de hand van de kwaliteit van het projectplan de concrete situatie/omstandigheden waar het project plaats zal vinden. Er wordt gekeken naar de volgende aspecten:
- •
De in het plan opgenomen vereiste kwaliteit (deskundigheid, ervaring) van de projectleider;
- •
hoe realistisch is het plan (mate waarin het project al is voorbereid of snel in uitvoering kan worden genomen);
- •
zijn relevante partijen in voldoende mate bij de uitvoering van het plan betrokken/ is voldoende aannemelijk dat rechthebbenden mee zullen werken;
- •
kent het project een realistische planning, opzet en begroting.
Op basis van bovenstaande aspecten wordt de haalbaarheid als volgt gekwalificeerd:
- i.
0 punten als de haalbaarheid zeer gering is. Er is geen vertrouwen dat de activiteit kan worden uitgevoerd;
- ii.
1 punt als de haalbaarheid gering is. Er is enig vertrouwen dat de activiteit kan worden uitgevoerd;
- iii.
2 punten als de haalbaarheid matig is. Om de activiteit te kunnen uitvoeren, moet nog aan een aantal voorwaarden (bijvoorbeeld vergunningen) worden voldaan, waarbij het nog onzeker is of aan de voorwaarden voldaan kan worden;
- iv.
3 punten als de haalbaarheid voldoende is. De activiteit kan worden uitgevoerd, de risico’s zijn inzichtelijk gemaakt, maar nog niet concreet beheersbaar gemaakt;
- v.
4 punten als de haalbaarheid goed is. De activiteit kan worden uitgevoerd, de risico’s zijn benoemd en beheersbaar gemaakt;
- vi.
5 punten als de haalbaarheid zeer goed is. De activiteit kan worden uitgevoerd, ook als er zich gedurende de uitvoering financiële tegenvallers voor doen.
d. De mate van efficiëntie (maximaal 5 punten, de weging is 2, totaal te behalen punten is 10).
Bij dit criterium wordt beoordeeld of de input (geld, kennis, kunde en overige middelen) efficiënt wordt ingezet om de gewenste output te realiseren. Daarbij wordt overwogen of de opgevoerde kosten passend zijn, wordt gekeken in hoeverre de proceskosten die in het project gemaakt worden in verhouding staan tot de feitelijke projectkosten én wordt bezien of binnen het project op een goede manier gebruik gemaakt wordt van reeds bestaande kennis en kunde.
Op basis van de genoemde aspecten worden de volgende scores toegekend:
- i.
0 punten als de efficiëntie zeer gering is. Kosten worden niet doelmatig gemaakt en middelen niet doelmatig ingezet. De opgevoerde project kosten zijn te hoog in relatie tot de output. Ook wordt er geen gebruik gemaakt van bestaande kennis en kunde;
- ii.
1 punt als de efficiëntie gering is. Kosten en middelen worden onvoldoende doelmatig ingezet. De aanvraag bevat bijvoorbeeld veel uren van adviseurs of kosten voor haalbaarheidsstudies, in plaats van bestaande kennis en kunde gebruik te maken;
- iii.
2 punten als de efficiëntie matig is. De doelmatigheid van de opgevoerde kosten en de ingezette middelen is matig. Er wordt wel gebruik gemaakt van bestaande kennis en kunde, maar de opgevoerde project kosten zijn hoog in relatie tot de output;
- iv.
3 punten als de efficiëntie voldoende is. De doelmatigheid van de opgevoerde kosten zijn redelijk en de benodigde kennis en kunde is in kaart gebracht en wordt gebruikt in het project. Daarbij is de hoogte van het gevraagde subsidiebedrag in overeenstemming met wat normaliter de kosten zijn van een dergelijke activiteit;
- v.
4 punten als de efficiëntie goed is. De opgevoerde projectkosten staan in goede verhouding met de output van het project. Het project wordt efficiënt uitgevoerd;
- vi.
5 punten als de efficiëntie zeer goed is. Het project wordt efficiënter uitgevoerd dan redelijkerwijs verwacht mag worden. De aanvrager realiseert de grootst mogelijke output met de zo klein mogelijke inzet van geld, kennis, kunde en overige middelen.
Ziet u een fout in deze regeling?
Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl.
Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl