Permanente link
Naar de actuele versie van de regeling
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR760859
Naar de door u bekeken versie
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR760859/1
LLO-regeling Samen werken aan ontwikkeling (NPH)
Geldend van 23-04-2026 t/m heden
Intitulé
LLO-regeling Samen werken aan ontwikkeling (NPH)GEDEPUTEERDE STATEN VAN DE PROVINCIE GRONINGEN
Overwegende dat:
- -
provinciale staten het Provinciaal programmaplan Nationaal Programma Groningen 2024-2029 als kader hebben vastgesteld;
- -
het provinciaal programmaplan inhoudelijk aansluit op keuzes in het Hoofdlijnenakkoord 2023-2027;
- -
sedeputeerde staten een uitvoeringsprogramma hebben ingediend bij het Nationaal Programma Groningen om middelen vrij te maken om subsidie te verstrekken aan projecten die samenwerkingsinitiatieven ondersteunen en stimuleren op het gebied van leven lang ontwikkelen;
- -
gedeputeerde staten uit het Nationaal Programma Groningen een bijdrage hebben ontvangen voor het ondersteunen van projecten waarvoor een subsidieregeling dient te worden opgesteld.
- -
over het algemeen projecten in het kader van deze gezamenlijke LLO activiteiten zonder overheidssteun minder snel of in beperktere mate tot stand zouden komen;
- -
andere partijen en overheden in de provincie kunnen leren van de ervaringen.
Gelet op:
- -
titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht;
- -
artikel 3, derde lid, van de Kaderverordening subsidies provincie Groningen 2017;
- -
de Procedureregeling subsidies provincie Groningen 2018;
Besluiten:
Vast te stellen de LLO-regeling Samen werken aan ontwikkeling (NPH), luidende als volgt.
Artikel 1 Begripsbepaling
In deze regeling wordt verstaan onder:
- -
AGVV: verordening 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014, waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard, laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EU) 2023/1315 van de Commissie van 23 juni 2023;
- -
Awb: Algemene wet bestuursrecht;
- -
de-minimisverordening: verordening (EU) 2023/2831 van de Commissie van 13 december 2023 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun;
- -
evidence based leren en werken: voortdurend proces van (evidence based) afstemming/ bijstelling (tussen de partijen binnen het samenwerkingsverband indien hier sprake van is) op basis van wetenschappelijk onderzoek, professionele ervaring en de wensen van de doelgroep;
- -
LLO: Leven Lang Ontwikkelen;
- -
LLO-activiteiten: leer- of ontwikkelactiviteiten of reeks van activiteiten gericht op het versterken van het LLO-ecosysteem;
- -
LLO-ecosysteem: het samenhangend geheel van partijen die in de regio het verschil willen maken in het bevorderen van LLO om de leercultuur, de bestaande en innovatieve leerinfrastructuur te versterken ten behoeve van de brede welvaart voor allen en ter bevordering van het verdienvermogen van de regio;
- -
penvoerder: vanuit het samenwerkingsverband wordt één partij aangewezen als penvoerder die namens de samenwerkende partijen is gemachtigd om namens hen op te treden;
- -
programmaplan: meest recente editie van het programma Werken aan Ontwikkeling geschreven vanuit de basis van het Provinciaal Programmaplan 2024-2029;
- -
provincie: provincie Groningen;
- -
privaatrechtelijke rechtspersonen: onder privaatrechtelijke rechtspersonen vallen organisaties die zijn opgericht op basis van het Burgerlijk Wetboek (BW) en die zelfstandig rechtspersoonlijkheid bezitten. Deze organisaties zijn dus geen onderdeel van de overheid en opereren meestal met een bepaald doel zoals winst, idealisme of vereniging van belangen. Hieronder vallen onder andere: Naamloze vennootschap (NV), Besloten vennootschap (BV), Vereniging, Stichting en Coöperatie;
- -
publieke organisaties: een organisatie die deel uitmaakt van of wordt gefinancierd door de overheid en een publiekrechtelijke taak uitvoert. Hieronder vallen onder meer overheidsinstanties zoals rijksoverheid, provincies, gemeenten en waterschappen, evenals instellingen voor publiek bekostigd onderwijs, waaronder basisscholen, middelbare scholen, mbo-instellingen, hogescholen en universiteiten. Ook andere instellingen die op grond van wet- of regelgeving publiekrechtelijke bevoegdheden hebben of structureel bekostigd worden uit publieke middelen, worden als publieke partij aangemerkt;
- -
regio: de arbeidsmarktregio Groningen als bedoeld in het Besluit werkgebieden UWV 2024;
- -
samenwerkingsverband: verband zonder rechtspersoonlijkheid, bestaande uit twee of meer werkgevers of onderwijsinstellingen.
- -
sector: Een samenhangend geheel van ondernemingen en organisaties die vergelijkbare economische activiteiten uitvoeren, onderscheiden volgens de Standaard Bedrijfsindeling (SBI) van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS).
- -
SNN: het Samenwerkingsverband Noord-Nederland.
- -
VwEU: Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, Rome, 25-03-1957
Artikel 2 Doel subsidie
Het doel van deze regeling is het bevorderen en versterken van een duurzame en inclusieve infrastructuur voor een leven lang ontwikkelen (LLO) door het stimuleren van samenwerkingsverbanden tussen werkgevers en/ of onderwijsinstellingen. De regeling ondersteunt initiatieven die bijdragen aan de ontwikkeling, uitvoering en opschaling van LLO-trajecten die inspelen op de veranderende arbeidsmarkt en de duurzame inzetbaarheid van (toekomstige) werkenden vergroten om zodoende een bijdrage te leveren aan de innovatiekracht van organisaties.
Artikel 3 Doelgroep
Subsidie kan worden aangevraagd door een samenwerkingsverband.
Artikel 4 Subsidievorm
Gedeputeerde staten verstrekken op grond van deze regeling subsidies in de vorm van een geldbedrag.
Artikel 5 Penvoerder
-
1. Er wordt door de subsidieaanvragers een penvoerder aangewezen.
-
2. Betalingen worden enkel aan de penvoerder gedaan, tenzij deze failliet is verklaard, in surséance van betaling verkeert, dan wel indien op hem de wet schuldsanering natuurlijke personen van toepassing is verklaard.
Artikel 6 Subsidiabele activiteiten
-
1. Subsidie wordt uitsluitend verstrekt voor activiteiten die bijdragen aan de doelstelling van de regeling in de regio of sector en die worden uitgevoerd door een samenwerkingsverband
-
2. Voor zover sprake is van staatssteun, wordt subsidie verleend binnen de kaders van de artikelen 25 (onderzoeks- en ontwikkelingssteun), 27 (innovatieadviesdiensten en ondersteuning) en 31 (opleidingssteun) van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening (AGVV), voor zover de betreffende activiteiten binnen de reikwijdte van deze artikelen vallen.
-
3. Subsidiabele activiteiten zijn gericht op één of meerdere van de volgende onderdelen:
- a.
Stimulering van deelname aan LLO
Activiteiten die bijdragen aan het vergroten van deelname van werknemers, werkzoekenden of andere doelgroepen aan leven lang ontwikkelen, zoals interventies gericht op bewustwording, motivatie, loopbaanoriëntatie of het wegnemen van drempels voor scholing.
Deze activiteiten vallen in beginsel niet onder de artikelen 25, 27 of 31 AGVV. Indien sprake is van staatssteun, kunnen deze activiteiten worden gesubsidieerd onder het de‑minimissteunkader of een ander Europees steunkader.
- b.
Om-, bij- en nascholing
Activiteiten gericht op het ontwikkelen, vernieuwen of verbeteren van scholingsprogramma’s, opleidingsmodules, bedrijfsinterne scholing of praktijkgerichte leeromgevingen.
Voor zover deze activiteiten kwalificeren als opleidingsactiviteiten of de ontwikkeling van opleidingsprogramma’s, kunnen zij worden gesubsidieerd onder artikel 31 AGVV.
- c.
Aansluiting onderwijs en arbeidsmarkt
Activiteiten die bijdragen aan een betere afstemming tussen onderwijsaanbod en arbeidsmarktbehoefte, zoals het ontwikkelen van nieuwe leerroutes, kwalificaties, curricula, skills‑profielen of praktijkgerichte onderwijsmodules.
Voor zover deze activiteiten bestaan uit innovatieadviesdiensten of de ontwikkeling van nieuwe methodieken of instrumenten, kunnen zij worden gesubsidieerd onder artikel 27 of artikel 25 AGVV. Overige activiteiten kunnen, indien sprake is van staatssteun, worden gesubsidieerd onder het de‑minimissteunkader.
- d.
Samenwerkingsversterking
Activiteiten die gericht zijn op het versterken, structureren of professionaliseren van de samenwerking tussen de deelnemende werkgevers, werkgeversorganisaties en onderwijsinstellingen, eventueel aangevuld met andere uitvoeringspartners, met als doel gezamenlijk LLO‑activiteiten te ontwikkelen, af te stemmen of duurzaam te verankeren.
Voor zover deze activiteiten kwalificeren als innovatieadviesdiensten of kennisoverdracht, kunnen zij worden gesubsidieerd onder artikel 27 AGVV. Overige samenwerkingsactiviteiten kunnen, indien sprake is van staatssteun, worden gesubsidieerd onder het de‑minimissteunkader.
- e.
Vraagverkenning en -articulatie
Activiteiten gericht op het in kaart brengen van scholings-, ontwikkel- of arbeidsmarktbehoeften van werkgevers, werknemers, sectoren of regio’s, zoals taak- en functieanalyses, skills‑verkenningen, toekomstprognoses en strategische HRM‑analyses.
Voor zover deze activiteiten kwalificeren als industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling, kunnen zij worden gesubsidieerd onder artikel 25 AGVV. Overige activiteiten kunnen, indien sprake is van staatssteun, worden gesubsidieerd onder het de‑minimissteunkader.
- f.
Verkenning van haalbaarheid of rendabiliteit van projecten of LLO-oplossingen
Activiteiten gericht op het onderzoeken van de haalbaarheid, rendabiliteit of effectiviteit van nieuwe LLO‑oplossingen, samenwerkingsstructuren, trajecten of fysieke/virtuele infrastructuren.
Voor zover deze activiteiten kwalificeren als haalbaarheidsstudies in de zin van artikel 25 AGVV kunnen zij onder dit artikel worden gesubsidieerd.
- a.
-
4. Niet voor subsidie komen in aanmerking activiteiten die uitsluitend betrekking hebben op reguliere bedrijfsvoering, verplichte scholing, implementatie van bestaande methoden, commerciële exploitatie en activiteiten zonder innovatief, ontwikkelend of versterkend karakter.
Artikel 7 Subsidieaanvraag
-
1. Een aanvraag wordt ingediend bij het SNN via een daarvoor vastgesteld digitaal aanvraagformulier dat is te vinden via www.snn.nl.
-
2. In aanvulling op artikel 4:2 Awb en artikel 2.1 lid 2 van de Procedureregeling gaat de aanvraag vergezeld van:
- a.
een projectplan en een begroting conform het door het SNN beschikbaar gestelde format;
- b.
een beknopte samenvatting van het project waarvoor de subsidie wordt aangevraagd die kan worden gebruikt in voor een ieder toegankelijke publicaties;
- c.
een steunanalyse conform het door SNN beschikbaar gestelde format;
- d.
een verklaring dat de organisatie niet kwalificeert als een onderneming in financiële moeilijkheden.
- e.
een verklaring dat er geen openstaand bevel tot terugvordering uitstaat ingevolge een eerdere beschikking van de Europese Commissie waarin de steun onrechtmatig en onverenigbaar met de interne markt is verklaard
- f.
een de-minimisverklaring, voorzover de aanvrager een beroep doet op de de-minimisverordening.
- a.
Artikel 8 Subsidieplafond en wijze van verdeling
-
1. Gedeputeerde staten stelt het subsidieplafond vast op € 10.500.000, --.
-
2. Het dagelijks bestuur SNN verdeelt het in het vorige lid bedoelde bedrag op volgorde van ontvangst van de aanvragen voor zo ver deze compleet zijn.
-
3. Voor zover door verstrekking van subsidie voor aanvragen als bedoeld in het vorige lid, die op dezelfde dag zijn ontvangen en compleet zijn bevonden, het subsidieplafond wordt overschreden, wordt de onderlinge rangschikking van die aanvragen vastgesteld door middel van loting.
Artikel 9 Aanvraagperiode
-
1. Een aanvraag kan worden ingediend in de periode vanaf 21 april 2026 tot en met 31 december 2028.
-
2. Een aanvraag kan worden ingediend vanaf 09:00 uur op de in het eerste lid genoemde startdatum en is tijdig ingediend indien zij op de in het eerste lid genoemde einddatum vóór 17:00 uur is ontvangen.
Artikel 10 Starttermijn en doorlooptijd
-
1. Met de uitvoering van de op grond van deze regeling gesubsidieerde projecten wordt gestart binnen zes maanden na dagtekening van de verleningsbeschikking.
-
2. De uitvoering van het project is voor 1 juli 2029 voltooid.
-
3. Op verzoek van de subsidieontvanger kan gedeputeerde staten de termijn, bedoeld in het eerste of tweede lid verlengen.
Artikel 11 Hoogte subsidie
-
1. Het subsidiepercentage bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten.
-
2. In afwijking van het eerste lid kan de hoogte van het subsidiepercentage of de maximale subsidie per aanvrager worden beperkt, indien de regels van de Algemene groepsvrijstellingsverordening of de de-minimisverordening daartoe aanleiding bieden.
-
3. De subsidie bedraagt minimaal € 100.000,- per project.
-
4. De subsidie bedraagt maximaal € 2.000.000,- per project.
Artikel 12 Subsidiabele kosten
-
1. Voor zover zij direct verbonden zijn met de uitvoering van activiteiten als bedoeld in artikel 2 van deze regeling, zijn uitsluitend de kosten subsidiabel die passen binnen de kostensoorten zoals toegestaan onder de toepasselijke artikelen van de AGVV. De koppeling tussen activiteiten en subsidiabele kosten luidt als volgt:
- a.
voor activiteiten uit artikel 6, derde lid sub b worden de subsidiabele kosten beperkt tot kosten als genoemd in artikel 31 AGVV;
- b.
voor activiteiten uit artikel 6, derde lid sub c worden de subsidiabele kosten beperkt tot kosten als genoemd in artikel 27, artikel 25 AGVV;
- c.
voor activiteiten uit artikel 6, derde lid sub d worden de subsidiabele kosten beperkt tot kosten als genoemd in artikel 27 AGVV;
- d.
voor activiteiten uit artikel 6, derde lid sub e en f worden de subsidiabele kosten beperkt tot kosten als genoemd in artikel 25 AGVV;
- a.
-
2. Voor zover zij direct verbonden zijn met de uitvoering van activiteiten als bedoeld in artikel 2 van deze regeling en worden gesubsidieerd op grond van het de‑minimissteunkader zijn alle kosten subsidiabel met uitzondering van de kosten zoals genoemd in artikel 14 van deze regeling en de kosten die op grond van de Procedureregeling van de provincie Groningen niet in aanmerking komen.
-
3. De loonverletkosten worden berekend door het aantal aan opleiding te besteden uren te vermenigvuldigen met een vast uurtarief van € 23,91.
-
4. De subsidiabele kosten, bedoeld in het eerste lid, worden in aanmerking genomen met inbegrip van de btw, indien de subsidieontvanger de btw niet als belasting als bedoeld in artikel 2 van de Wet op de omzetbelasting in aftrek kan brengen.
Artikel 13 Berekening loonkosten en eigen arbeid
-
1. De loonkosten, inclusief overhead, worden berekend:
- a.
door het aantal aan het project te besteden uren te vermenigvuldigen met een vast uurtarief van € 60,-;
- b.
als een vast percentage van een maandtarief van € 8.600 per werknemer, bij een voltijd dienstverband van 1.720 uur per jaar, of een evenredig deel daarvan bij een deeltijd dienstverband, overeenkomstig het vooraf vastgestelde vaste percentage van de tijd dat werknemers per maand aan het project hebben gewerkt en zonder verplichting om een afzonderlijk arbeidstijdregistratiesysteem op te zetten
- a.
-
2. In afwijking van het eerste lid maken kennisinstellingen gebruik van een uurtarief berekend op basis van een door de Minister van EZK goedgekeurde integrale kostensystematiek als bedoeld in artikel 12, eerste lid, van het Kaderbesluit nationale EZK- en LNV-subsidies, indien zij daarover beschikken. Het gebruik van de integrale kostensystematiek is niet toegestaan indien binnen een project wordt gekozen voor de berekening van de loonkosten inclusief overhead, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c. 3.
-
3. Indien op grond van het tweede lid gebruik wordt gemaakt van de integrale kostensystematiek (IKS), zijn artikel 12, derde lid, van het Kaderbesluit nationale EZK- en LNV subsidies en artikel 1.2, eerste lid, van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies, van overeenkomstige toepassing.
-
4. De subsidieontvanger stelt een document op met vermelding van de namen van de werknemers, bedoeld in het eerste lid onder b, en het vaste percentage, bedoeld in dat onderdeel, waaruit akkoord blijkt van de werkgever en de werknemers, en houdt dat document beschikbaar in zijn administratie.
Artikel 14 Niet-subsidiabele kosten
Voor subsidie komen de volgende kosten in ieder geval niet in aanmerking als subsidiabele kosten als bedoeld in artikel 13, eerste lid:
- a.
administratieve en financiële sancties en boetes;
- b.
winstopslagen binnen een groep of samenwerkingsverband;
- c.
fooien en geschenken;
- d.
representatiekosten en -vergoedingen;
- e.
kosten van personeelsactiviteiten;
- f.
kosten van overboekingen en annuleringen;
- g.
gratificaties en bonussen;
- h.
kosten van outplacementtrajecten; en
- i.
voor indiening van de subsidieaanvraag gemaakte kosten.
Artikel 15 Cumulatie
Indien reeds door een bestuursorgaan of de Europese Commissie subsidie is verstrekt voor de subsidiabele kosten of een deel daarvan, wordt slechts een zodanig bedrag aan subsidie verstrekt dat het totale bedrag aan subsidies niet meer bedraagt dan het bedrag dat volgens het toepasselijke Europese steunkader is toegestaan.
Artikel 16 Weigeringsgronden
-
1. Onverminderd de artikelen 4:25 en 4:35 Awb en de artikelen 2.5 en 2.6 van de Procedureregeling wordt de subsidie in ieder geval geweigerd indien:
- a.
het project niet in lijn is met het programmaplan Werken aan Ontwikkeling,
- b.
het een aanvrager betreft tegen wie een bevel tot terugvordering uitstaat ingevolge een eerdere beschikking van de Europese Commissie waarin de steun onrechtmatig en onverenigbaar met de interne markt is verklaard;
- c.
de subsidieverstrekking in strijd zou zijn met een Europees steunkader omdat:
- I.
subsidie verstrekt zou worden aan een aanvrager die een onderneming drijft die in moeilijkheden verkeert als bedoeld in het desbetreffende steunkader, of
- II.
de subsidie geen stimulerend effect heeft als bedoeld in het desbetreffende steunkader.
- I.
- d.
de Europese Commissie overeenkomstig artikel 108, derde lid, van het VWEU heeft vastgesteld dat de subsidie onverenigbaar is met de interne markt;
- e.
de subsidieverstrekking naar het oordeel van Gedeputeerde Staten niet verenigbaar is met de artikelen 107 en 108 van het VWEU;
- a.
-
2. Voorts wordt een subsidie geweigerd indien:
- a.
het project niet voldoet aan de voorwaarden in deze subsidieregeling
- b.
de activiteiten niet worden uitgevoerd in de regio of de resultaten niet aantoonbaar ten goede komen aan de regio;
- c.
de financiering van het project, met uitzondering van de gevraagde subsidie, niet aantoonbaar sluitend is;
- d.
er een gegronde reden bestaat om aan te nemen dat de aanvrager doelstellingen nastreeft of activiteiten ontplooit die in strijd zijn met de wet, het algemeen belang, de goede zeden of de openbare orde;
- e.
de kosten van de activiteit niet in een redelijke verhouding staan tot het te bereiken resultaat.
- a.
Artikel 17 Beoordelingscriteria
-
1. Subsidieaanvragen worden beoordeeld op basis van de volgende criteria:
- a.
De mate waarin het project bijdraagt aan de ambities van het programma Werken aan Ontwikkeling (missiegedreven);
- b.
De mate van sociale innovatie;
- c.
De kwaliteit van het project;
- d.
De mate waarin het project evidence-based werkt;
- e.
De bijdrage aan duurzame ontwikkeling en aan maatschappelijke-sociale impact
- a.
-
2. De criteria zijn nader uitgewerkt in de toelichting van deze regeling. De beoordeling wordt uitgedrukt in een kwalitatieve score die leidt tot een oordeel voldoende of onvoldoende.
Artikel 18 Adviescommissie
-
1. Gedeputeerde staten stellen een onafhankelijke adviescommissie in die tot taak heeft subsidieaanvragen te beoordelen en hierover advies uit te brengen. Een adviescommissie heeft tot taak de provincie te adviseren omtrent de inhoudelijke beoordeling van aanvragen om subsidie.
-
2. Een adviescommissie bestaat uit ten minste drie leden die op voordracht van de Stuurgroep Werken aan Ontwikkeling worden benoemd en van wie de vergoeding wordt vastgesteld op grond van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers.
-
3. Een adviescommissie stelt haar eigen werkwijze schriftelijk vast.
-
4. Een lid van een adviescommissie neemt geen deel aan de voorbereiding en vaststelling van een advies, indien dat lid een persoonlijk of zakelijk belang heeft bij de beschikking op de aanvraag, of een persoonlijk of zakelijk belang heeft bij de beschikking op een andere aanvraag in dezelfde onderlinge rangschikking. Voorafgaand aan elke vergadering ondertekenen de commissieleden een verklaring inzake belangenverstrengeling.
-
5. Het advies van de commissie vormt een zwaarwegende grondslag voor het besluit tot subsidieverlening door gedeputeerde staten.
Artikel 19 Bevoorschotting en betaling
-
1. Gedeputeerde Staten verstrekken vooruitlopend op het starten van de projectactiviteiten, een voorschot van 40% van het verleende subsidiebedrag met een maximum van € 500.000,-.
-
2. Gedeputeerde Staten kunnen onderbouwd afwijken van de in het eerste lid genoemde verstrekking van het voorschot. In ieder geval wordt geen voorschot verleend wanneer de verleningsbeschikking een of meer opschortende of ontbindende voorwaarden bevat. Dit is altijd het geval als de financiering niet zeker is gesteld.
-
3. Gedeputeerde Staten verstrekken op aanvraag opvolgende voorschotten op basis van gemaakte en betaalde kosten. Het voorschot bedraagt de in de rapportage verantwoorde gemaakte en betaalde subsidiabele kosten, vermenigvuldigd met het toegekende subsidiepercentage.
-
4. De voorschotten bedragen in totaal maximaal 80% van het verleende subsidiebedrag.
-
5. In afwijking van het vierde lid kan in afstemming met de provincie Groningen een voorschot tot een maximum van 100% van de maximaal verleende subsidie worden verstrekt, indien:
- a.
het zeer aannemelijk is dat het project conform de subsidievoorwaarden op afzienbare termijn kan worden afgerond;
- b.
het aannemelijk is dat de kosten die nog gemaakt worden subsidiabel gesteld zullen worden; en
- c.
het niet toekennen van het voorschot onredelijke gevolgen voor de liquiditeitspositie van de aanvragende onderneming heeft.
- a.
Artikel 20 Verplichtingen
Aan de penvoerder die subsidie ontvangt worden de volgende verplichtingen opgelegd:
- a.
de subsidieontvanger overlegt jaarlijks een tussentijds voortgangsverslag, indien de periode van uitvoering van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt verstrekt meer dan twaalf maanden bedraagt;
- b.
de penvoerder verleent gedurende de looptijd van de regeling op verzoek van de provincie medewerking aan regionale of sectorale bijeenkomsten om aldaar de opgedane inzichten van het project toe te lichten;
- c.
de penvoerder verleent gedurende vijf jaar na de datum van de beschikking tot subsidieverlening medewerking aan een evaluatie van de doeltreffendheid en de effecten van de verleende subsidie, voor zover medewerking redelijkerwijs kan worden verlangd;
- d.
de penvoerder verleent opdrachten aan derden voor uitvoering van de activiteiten, of een deel daarvan, op basis van transparante criteria en tegen marktconforme tarieven en houdt zich aan de toepasselijke wet- en regelgeving;
Artikel 21 Vaststelling van de subsidie
-
1. Na afronding van het project dient de begunstigde binnen 13 weken een verzoek tot subsidievaststelling in.
-
2. Hoofdstuk 3 van de Procedureregeling is van toepassing op de overige vereisten rondom de subsidievaststelling.
-
3. De administratie en de daartoe behorende bescheiden worden gedurende zeven jaren na de vaststelling van de subsidie bewaard.
Artikel 22 Citeertitel
Deze subsidieregeling wordt aangehaald als: Samen werken aan ontwikkeling (NPG).
Artikel 23 Inwerkingtreding
Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na bekendmaking in het Provinciaal blad.
Ondertekening
Groningen, 15 april 2026
Hoogachtend,
Gedeputeerde Staten van Groningen,
René Paas, voorzitter
Johan Koopmans, plaatsvervangend secretaris
I. Toelichting algemeen
1.Inleiding en doel
In 2019 is het Nationaal Programma Groningen gestart om Groningers perspectief te bieden. In dit programma werken inwoners, gemeenten, provincie, het Rijk, maatschappelijke organisaties en het bedrijfsleven samen aan brede welvaart voor alle Groningers en aan het imago van Groningen.
Vanuit de Provincie Groningen is er onder meer gericht op gezondheid, economie, landschap en onderwijs, onderwerkpen die voor alle inwoners van Groningen belangrijk zijn. Daarvoor heeft de provincie een provinciaal programmaplan opgesteld. Dit programmaplan dient als kader voor het toekennen van middelen vanuit het Nationaal Programma Groningen.
Vanuit de programmalijn 'Werken aan Ontwikkeling' worden de middelen voor deze regeling beschikbaar gesteld.
De regionale arbeidsmarkt staat de komende jaren voor grote uitdagingen. Het verdienvermogen van de regio blijft achter en heeft versterking nodig. Binnen de programmalijn 'Werken aan Ontwikkeling' wordt de verbinding gelegd tussen de drie domeinen die voor de toekomstige arbeidsmarkt van belang z het missie gedreven innovatiebeleid, de inclusiviteitsagenda in het sociale domein en de toegang tot leven lang ontwikkelen.
De arbeidsmarktregio Groningen kent door de demografische ontwikkelingen - zoals ontgroening en vergrijzing, groei in de Stad en krimp in de Ommelanden met de druk die daarbij ontstaat op de lokale economie, voorzieningen en leefbaarheid - extra uitdagingen. De krappe arbeidsmarkt raakt mensen in hun dagelijks bestaan en werkgevers bij de uitvoering van hun werkzaamheden. Deze krapte op de arbeidsmarkt zal de komende decennia aanhouden. Met 'Werken aan ontwikkeling' wordt op zoek gegaan naar het versterken van de gehele arbeidsmarkt met oog voor economische innovatie en de leefbaarheid van het gehele gebied.
2.Projecten
Veel arbeidsmarkt- en kwalificatieproblemen kunnen werkgevers niet in hun eentje oplossen. In aanvulling op de regeling voor individuele werkgevers subsidieert deze regeling samenwerking tussen 2 of meer werkgevers (of 1 of meer werkgeversorganisaties) met een onderwijsinstelling of andere uitvoeringspartner. Projecten onder deze openstelling stimuleren praktijkgerichte samenwerkingen tussen onderwijs, werkgevers en andere stakeholders om een duurzaam, inclusief en flexibel ecosysteem voor leven lang ontwikkelen (LLO) te realiseren.
Projecten richting zich op:
- •
Sterke regionale of sectorale samenwerkingsverbanden
Een stevige publiek-private samenwerking (onderwijsinstellingen, werkgevers, overheden en soms ook maatschappelijke organisaties) vormt de basis van elk project. Deze samenwerkingen zorgen voor structurele inbedding en draagvlak.
- •
Responsiviteit op de arbeidsmarkt
E
lk project speelt in op actuele of verwachte veranderingen in werk, zoals digitalisering, energietransitie of vergrijzing. Het kan bijvoorbeeld gaan om:
- o
Vraagzijde:
- ▪
Taak- en functie-analyses – en differentiatie resulterend in vernieuwde functieprofielen
- ▪
Toekomstprognoses en uitwerking strategische HRM samenwerking
- ▪
- o
Aanbodzijde:
- ▪
Versterken leercultuur
- ▪
Verbeterde inrichting leer-werkomgevingen
- ▪
Inzichtelijk maken skills (kandidaat-)werknemers
- ▪
Innovatie HRM beleid, bijvoorbeeld gericht op verbeteren duurzame inzetbaarheid of nieuwe zij-instroom
- ▪
- o
Matching en trajectontwikkeling
- ▪
Vormgeving nieuwe (zij)instroomtrajecten
- ▪
- o
Deze projecten hebben als gemeenschappelijk doel dat werkgevers samen bouwen aan een lerende samenleving in hun regio en/of sector, waarin mensen, ongeacht leeftijd of achtergrond, zich blijvend kunnen ontwikkelen (instroom, doorstroom en uitstroom),
3.Vormgeving
De aanvragen worden op volgorde van ontvangst in de openstellingsperiode beoordeeld, volgens het zogenaamde ‘molenaarsprincipe’. Aanvragen worden na compleetheid beoordeeld op grond van vooraf kenbaar gemaakte criteria. Projecten die voldoen aan de minimale vereisten, waaronder een voldoende kwalitatieve bijdrage aan het programma, worden op volgorde van ontvangst beschikt totdat het voor deze subsidietitel geldende subsidieplafond is bereikt.
Bij de beoordeling van de subsidieaanvraag wordt gebruik gemaakt van een adviescommissie. De adviescommissie adviseert SNN. Een project wordt voorgelegd aan de adviescommissie die het project inhoudelijk op kwaliteit beoordeelt en advies geeft ten aanzien van de criteria die zijn opgenomen in artikel 17.
Indien SNN, op advies van de adviescommissie, besluit het project als voldoende te beoordelen, wordt ten slotte in de derde stap het project financieel-technisch getoetst. Beoordeeld wordt of het project voldoet aan de eisen om los van de beoordelingscriteria, voor subsidie in aanmerking te komen. Denk hierbij aan de staatssteunregelgeving, de uitvoeringsperiode, de maximaal gevraagde subsidie en sluitendheid van de financiering. In dit kader wordt ook getoetst of de begrote projectkosten voldoen aan de van toepassing zijnde regelgeving. Als na de inhoudelijke toetsing ook de financieel-technische toetsing positief blijkt, dan kan subsidie worden verleend en volgt de verleningsbeschikking. Indien hiertoe aanleiding is kan een afwijkende werkwijze worden gevolgd.
4.Staatssteun
Het is noodzakelijk dat er toetsing plaatsvindt op staatssteunaspecten. In artikel 6 van deze regeling zijn alle relevante artikelen uit de Algemene groepsvrijstellingverordening opgenomen die van toepassing kunnen worden verklaard. SNN beoordeelt de projecten bij aanvraag op de regionale bepalingen en beoordeelt of het verlenen van staatssteun geoorloofd is.
Er kan ten aanzien van staatssteun in het algemeen sprake van zijn drie situaties: geen staatssteun (geen economische activiteiten), geoorloofde staatssteun of ongeoorloofde staatssteun. Steun kan worden verleend wanneer geen sprake is van staatssteun of wanneer de steun past binnen geldende staatssteunregels. De bepaling van de (maximale) steun wordt per begunstigde uitgevoerd, wat inhoudt dat de (maximale) subsidiepercentages kunnen verschillen tussen de projectpartners. Op basis van deze berekening wordt vervolgens het subsidiepercentage en subsidiebedrag voor het project als geheel bepaald.
De steunanalyse of er sprake is van staatssteun in de aanvraag, en indien dat zo is, welke grondslag tot geoorloofde staatssteun van toepassing is, is een verplicht onderdeel van de aanvraag. De steunanalyse dient dus door de aanvrager te worden aangeleverd. Het verdient aanbeveling deze te laten opstellen door een deskundige in dit specifieke rechtsgebied. De steunanalyse wordt door het SNN beoordeeld als onderdeel van de financieel-technische toets. Wanneer op grond van staatssteunbeperkingen (Algemene groepsvrijstellingsverordening of de de-minimisverordening) een lager maximumpercentage aan subsidie geldt dan het subsidiepercentage als genoemd in de regeling, het geldende (lagere) percentage wordt aangehouden bij de subsidieverlening
II.Toelichting artikelen
Artikel 1 Begripsbepaling
Dit artikel legt de definities vast voor zover daar in deze subsidietitel aan wordt gerefereerd. Daar waar van toepassing is de herkomst van de definities weergegeven.
Artikel 6 Subsidiabele activiteiten
Voor subsidie komen activiteiten in aanmerking die bijdragen aan het ontwikkelen van LLO-activiteiten.
Subsidiabele activiteiten zijn gericht op één of meerdere van de volgende onderdelen:
Stimulering van deelname aan LLO
Activiteiten die gericht zijn op het stimuleren van deelname aan scholing, vaardigheidsontwikkeling en leer- en ontwikkeltrajecten, met bijzondere aandacht voor werkenden, werkzoekenden, en de toekomstige beroepsbevolking.
Om-, bij- en nascholing
Het ontwikkelen, verbeteren of toegankelijk maken van trajecten gericht op om-, bij- of nascholing, afgestemd op veranderende beroepen, sectoren en transities op de arbeidsmarkt.
Aansluiting onderwijs en arbeidsmarkt
Activiteiten die gericht zijn op het verbeteren van de aansluiting tussen het onderwijsaanbod en de vraag vanuit de arbeidsmarkt, bijvoorbeeld via het aanpassen van curricula, ontwikkelen van nieuwe leerroutes of versterken van praktijkcomponenten in opleidingen.
Samenwerkingsversterking
Het opzetten, uitbouwen of verduurzamen van samenwerkingsstructuren en -processen gericht op gezamenlijke LLO-aanpakken, zoals gezamenlijke programmering, kennisdeling en afstemming tussen betrokken partijen.
Vraagverkenning en -articulatie
Activiteiten die bijdragen aan het inzichtelijk maken van actuele en toekomstige leer- en ontwikkelbehoeften, zoals gezamenlijke verkenningen, behoeftenanalyses en het vormgeven van leertrajecten op basis van praktijkgerichte vraagstukken.
Verkenning van haalbaarheid of rendabiliteit van projecten of LLO-oplossingen
Activiteiten die bestaan uit onderzoek of analyse gericht op het bepalen van de uitvoerbaarheid, haalbaarheid, rendabiliteit of potentiële impact van (nieuwe) LLO-projecten of oplossingen.
Artikel 9 Aanvraagperiode
Van belang is dat de complete subsidieaanvraag uiterlijk ingediend moet zijn op 31 december 2028 17.00 uur. De verdeling van het beschikbare budget vindt plaats via het zogenoemde molenaarsprincipe: 'wie het eerst komt, wie het eerst maalt'. Het is daarmee mogelijk dat het beschikbare budget voor 31 december 2028 op is.
Artikel 10 Starttermijn en doorlooptijd
In de verleningsbeschikking zal een einddatum voor het project worden opgenomen, gebaseerd op hetgeen in de aanvraag is aangegeven als de datum waarop het project reëel voltooid zal zijn. De einddatum is medebepalend voor de periode waarin subsidiabele kosten gedeclareerd kunnen worden. Het is aan de aanvrager om in de aanvraag voldoende te onderbouwen dat de opgegeven periode noodzakelijk is voor het project en dat het project binnen de opgegeven periode volledig kan worden afgerond.
Een project duurt tot maximaal 36 maanden na dagtekening van de verleningsbeschikking met als uiterste einddatum 1 juli 2029.
Artikel 12 Subsidiabele kosten
- 1.
Loonkosten
- o
Salarissen en vergoedingen voor medewerkers die direct betrokken zijn bij de uitvoering van de LLO-activiteiten, zoals projectmanagers, trainers, coaches, en administratief personeel.
- o
Kosten voor tijdelijke medewerkers die specifiek worden ingehuurd voor het uitvoeren van LLO-gerelateerde activiteiten, zoals ontwikkelaars van opleidingsmateriaal, of coördinatoren van werkplekken of stages.
- o
Vergoedingen voor werknemers die extra taken verrichten in het kader van het project, zoals interne medewerkers die betrokken zijn bij de coördinatie, organisatie, of begeleiding van de activiteiten.
- o
- 2.
Opleidings- en trainingskosten
- o
Kosten voor de ontwikkeling van opleidingsprogramma’s, inclusief lesmateriaal, cursuslocaties, en het inhuren van trainers of docenten.
- o
Kosten voor het uitvoeren van trainingssessies, workshops, en andere onderwijsactiviteiten die specifiek gericht zijn op het verbeteren van vaardigheden of kennis in de regio.
- o
- 3.
Praktijkcomponenten
- o
Kosten voor werkplekken of praktijkmodules, zoals het aanbieden van stageplekken of praktijkgerichte leeromgevingen.
- o
Kosten voor begeleiding van lerenden tijdens hun praktijkervaringen.
- o
- 4.
Verletkosten van lerenden (niet-productieve uren)
- o
Kosten voor de uren waarin lerenden zich niet bezig houden met hun reguliere werk, maar deelnemen aan LLO-activiteiten. Dit betreft niet-productieve uren die als leeruren worden ingevoerd. De verletkosten kunnen worden vergoed op basis van het bruto uurtarief en de voorwaarden voor het percentage van de jaarlijkse arbeidsduur.
- o
- 5.
Onderzoeks- en analysekosten
- o
Kosten voor marktonderzoek, behoefteanalyses of andere vormen van verkenning die nodig zijn om de vraag en de haalbaarheid van de voorgestelde LLO-activiteiten vast te stellen.
- o
Kosten voor het uitvoeren van haalbaarheidsonderzoeken, pilots, of verkenningen naar de rendabiliteit van de voorgestelde LLO-oplossingen.
- o
- 6.
Communicatie- en wervingskosten
- o
Kosten voor het werven van deelnemers voor LLO-activiteiten, bijvoorbeeld via advertenties, promotiemateriaal, bijeenkomsten, festivals, online campagnes of andere communicatie-inspanningen.
- o
Kosten voor het ontwikkelen van informatiemateriaal over de activiteiten en hun voordelen.
- o
- 7.
Begeleidings- en coachingskosten
- o
Kosten voor het aanbieden van persoonlijke begeleiding, adviesbegeleiding, loopbaanbegeleiding, of mentorschap aan de deelnemers van de LLO-activiteiten.
- o
Kosten voor coaching van werkzoekenden, werknemers of andere doelgroepen die deelnemen aan het project.
- o
- 8.
Reiskosten en vergoedingen
- o
Reiskosten van deelnemers of medewerkers die nodig zijn voor deelname aan de LLO-activiteiten, zoals reizen naar cursuslocaties of werkplekken.
- o
Vergoedingen voor reiskosten of verblijfskosten die deelnemers maken in het kader van het project.
- o
- 9.
Huur- en materiaalkosten
- o
Kosten voor het huren van externe ruimtes voor bijeenkomsten, trainingen, workshops of vergaderingen die nodig zijn voor de uitvoering van de activiteiten.
- o
Kosten voor het aanschaffen of huren van materialen, apparatuur of software die wordt gebruikt voor de uitvoering van de LLO-activiteiten.
- o
- 10.
Administratieve en projectmanagementkosten
- o
Kosten voor de projectadministratie, zoals rapportage, monitoring en evaluatie van de voortgang van de activiteiten.
- o
Kosten voor accountant, indien hoogte subsidie een accountantsverklaring vereisen;
- o
Kosten voor de organisatie en coördinatie van het project, inclusief interne vergaderkosten en het bijhouden van projectdocumentatie.
- o
- 11.
Evaluatiekosten
- o
Kosten voor het uitvoeren van evaluaties om de impact van de activiteiten te meten, bijvoorbeeld het verzamelen van feedback van deelnemers of het analyseren van de behaalde resultaten
- o
Artikel 16 Weigeringsgronden
De projectresultaten van het project dienen ten goede te komen aan de regio. Indien dit niet het geval is, zal de aanvraag worden afgewezen.
Ook van belang is dat een project technisch en economisch haalbaar is. Hierop wordt het project expliciet beoordeeld. Een project dient obstakelvrij te zijn om voor subsidie in aanmerking te kunnen komen. Dit houdt in dat er geen wezenlijke formele, juridische en financiële aspecten mogen zijn die uitvoering van het project in de weg staan. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan benodigde vergunningen of milieueisen waar het project aan moet voldoen. De aanvrager dient aannemelijk te maken dat deze aspecten de start van het project op de voorziene datum niet in de weg zullen staan. In geval van vergunningverlening dient bijvoorbeeld expliciet in de aanvraag aangegeven te worden of hier sprake van is en in welke fase de vergunningverlening zich bevindt. De haalbaarheid van het project dient aldus expliciet door de aanvrager aannemelijk gemaakt te worden.
Verder moet duidelijk zijn dat het project fysiek voltooid moet kunnen zijn of dat alle concrete acties (de projectactiviteiten) volledig ten uitvoer kunnen worden gelegd binnen 36 maanden na dagtekening van de verleningsbeschikking. Tevens dient te worden onderbouwd dat de opgegeven uitvoeringsduur noodzakelijk is om het project geheel ten uitvoer te kunnen leggen.
Artikel 17 Beoordelingscriteria
- 1.
De projecten worden beoordeeld aan de hand van de volgende beoordelingscriteria (tweede lid): − Per onderdeel worden maximaal de volgende hoeveelheid punten toegekend.
- A.
De mate waarin het project bijdraagt aan de ambities van het programma Werken aan Ontwikkeling (missiegedreven);
- B.
De mate van sociale innovatie;
- C.
De kwaliteit van het project;
- D.
De mate waarin het project evidence-based werkt;
- E.
De bijdrage aan duurzame impact
- A.
Het is van groot belang dat de aanvrager zorgdraagt voor een gedegen kwantitatieve en kwalitatieve onderbouwing van de in de aanvraag gepresenteerde zaken. Dit geldt in het bijzonder ten aanzien van de beoordelingscriteria. Een complete en gedegen onderbouwing borgt dat de adviescommissie zich een goed oordeel kan vormen over een project en de mate waarin het project scoort op de beoordelingscriteria. Op basis van alle informatie die de aanvrager per criterium geeft, vormt de adviescommissie vervolgens een oordeel. De beoordeling wordt uitgedrukt in een kwalitatieve score die twee gradaties kent: voldoende en onvoldoende. Aanvragen met een voldoende totaalbeoordeling en het voldoen aan de knock-out criteria worden gehonoreerd.
- A.
De mate waarin het project bijdraagt aan de ambities van het programma Werken aan Ontwikkeling (missiegedreven)
Bij het beoordelen van dit criterium wordt een oordeel gegeven over de passendheid van de aanvraag in uitvoeringsprogramma Werken aan Ontwikkeling en meer specifiek de bijdrage aan de doelstellingen waar de openstelling op ziet.
De beoordeling op dit punt wordt nadrukkelijk gekoppeld aan de kwalitatieve onderbouwing die in de aanvraag wordt gegeven. Er wordt bezien in welke mate de activiteiten corresponderen met de actie waar deze uitvoeringsregeling op gericht is. Bij de beoordeling wordt gekeken hoe de regio van dit project profijt heeft. Binnen het projectconsortium is ruimte voor partijen van buiten de regio, indien deze partijen over belangrijke expertise en kennis beschikken die van toegevoegde waarde zijn voor de uitvoering van het project
- B.
De mate van sociale innovatie
Hierbij wordt met name gelet op in hoeverre het project betrekking heeft op innovatie in de manier van werken. De subsidie moet dus zorgen voor een vernieuwde impuls voor de regio.
- C.
De kwaliteit van het project
Hierbij wordt met name gelet op de elementen:
- -
In hoeverre is er in de aanvraag rekening gehouden met veranderende omstandigheden tijdens de uitvoering van het project. Het project moet flexibel en wendbaar zijn, met de mogelijkheid om onderdelen bij te stellen als blijkt dat bepaalde onderdelen niet of onvoldoende werken. Er moet dus een mechanisme zijn voor bijsturing en het aanpassen van de activiteiten indien nodig.
- -
De aanvraag moet voldoen aan alle formele eisen op het gebied van verantwoording, staatssteun, wet- en regelgeving. Dit betekent dat de subsidie in lijn moet zijn met de Europese staatssteunregels en dat de betrokken partijen beschikken over de benodigde administratieve en juridische structuren om de uitvoering van het project transparant en volgens de regels te waarborgen.
- -
De aanvraag moet inzicht geven in de kostenstructuur van het project. Er moet duidelijkheid zijn over de cofinanciering van het project (in cash of in kind), zodat een deel (minimaal 50%) van de kosten door de samenwerkende partijen zelf wordt gedragen. Dit zorgt voor betrokkenheid en verantwoording bij de uitvoering van de activiteiten.
- -
Het project moet worden uitgevoerd met heldere rapportages over voortgang, resultaten en besteding van de middelen. De personeelskosten en kosten derden moeten aantoonbaar redelijk zijn t.o.v. de reguliere gangbare bedragen. Hiervoor worden door het SNN formats ter beschikking gesteld.
- -
- D.
De mate waarin het project evidence-based werkt
- -
De aanvraag moet evidence-based werken en leren omvatten, wat betekent dat het project aantoont hoe het leert van de van de activiteiten als ook van de actoren binnen het samenwerkingsverband. Het project moet bijdragen aan de opbouw van kennis en expertise die verder wordt gedeeld.
- -
- E.
De bijdrage aan duurzame impact
- -
Het project moet duurzaam impact hebben, wat betekent dat de resultaten van de subsidie op lange termijneffect moeten hebben op de regio, de arbeidsmarkt of het onderwijsaanbod.
- -
Artikel 19 Bevoorschotting en betaling
Indien aan een project een subsidie is toegekend zonder ontbindende/opschortende voorwaarden, kan vooruitlopend op het starten van het project worden verzocht om een voorschot van 40 procent van de verleende subsidie, met een maximum van € 500.000,-. Dit kan ook als bij projecten met ontbindende/opschortende voorwaarden, aan alle ontbindende/opschortende voorwaarden is voldaan.
Het derde lid geeft aan dat bevoorschotting plaatsvindt op basis van een verzoek dat tegelijkertijd met het indienen van een volledige voortgangsrapportage wordt gedaan. Bij een verzoek tot bevoorschotting worden de tot dan toe gemaakte, betaalde en gerapporteerde kosten als basis gebruikt voor de bepaling van het bedrag dat wordt uitbetaald. Het SNN kan ten opzichte van het verzoek kosten niet meenemen bij de berekening van het voorschot waarvan het SNN van mening is dat deze kosten niet subsidiabel zijn of dat nog niet duidelijk is of deze kosten aan het eind van het project subsidiabel gesteld kunnen worden. Op basis van de kosten die overblijven wordt vervolgens het uit te keren voorschotbedrag bepaald. Deze kosten worden hiertoe vermenigvuldigd met het effectieve subsidiepercentage, volgend uit de toegekende subsidie gedeeld door de totale subsidiabele kosten uit de aanvraag. Uit het feit dat een voorschot wordt verstrekt over kosten, volgt niet noodzakelijkerwijs dat deze kosten subsidiabel gesteld zullen worden bij de vaststelling van de subsidie.
Ziet u een fout in deze regeling?
Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl.
Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl