Beleidsregels inkomensregelingen gemeente Hoorn 2026

Geldend van 17-04-2026 t/m heden met terugwerkende kracht vanaf 01-01-2026

Intitulé

Beleidsregels inkomensregelingen gemeente Hoorn 2026

Zaaknummer; 3029894

Gelet op de Participatiewet artikel 8 jo. Artikel 36 en artikel 36b, Gemeentewet artikel 147 jo. 108 en Algemene wet bestuursrecht;

  • Gelet op de verordening Individuele Inkomenstoeslag 2026;

  • Gelezen het voorstel van Zorg & Samenleving Beleidsregels Inkomensregelingen 2026;

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoorn besluit:

  • 1.

    De beleidsregels Inkomensregelingen gemeente Hoorn 2026 vast te stellen en

  • 2.

    De beleidsregels Bijzondere Bijstand 2023 gelijktijdig te laten vervallen.

Inhoud

Hoofdstuk 1

Beleidsregels bijzondere bijstand gemeente Hoorn

Artikel 1

Begripsbepaling

Artikel 2

Juridische grondslag

Artikel 3

Uitgangspunten

Artikel 3.1.

Algemene uitgangspunten

Artikel 3.2.

Bijzondere omstandigheden

Artikel 3.3.

Voorliggende voorzieningen

Artikel 3.4.

Hoogte van de bijzondere bijstand

Artikel 3.5.

Bijzondere bijstand als gift of in de vorm van een lening

Artikel 4

Indienen van een aanvraag

Artikel 5

Financiële draagkracht voor bijzondere bijstand

Artikel 5.1.

Hoe is de draagkracht opgebouwd?

Artikel 5.2.

Draagkracht uit inkomen en vermogen en draagkrachtperiode

Artikel 6

Drempelbedrag

Artikel 7

Veel voorkomende kostensoorten

Artikel 7.1.

Duurzame gebruiksgoederen

Artikel 7.2.

Verhuizing en woninginrichting

Artikel 7.3.

Doorbetaling van vaste lasten bij verblijf in een detentie

Artikel 7.4.

Kosten voor medisch, psychisch of leeftijd gerelateerde beperkingen

Artikel 7.5.

Uitvaartkosten

Artikel 7.6.

Rechtsbijstand en griffierecht

Artikel 7.7.

Bewindvoering, curatele en mentorschap

Artikel 7.8.

Reiskosten

Artikel 7.9

Bijzondere bijstand voor overbrugging

Artikel 8.

Woonkostentoeslag

Artikel 8.1

Uitgangspunten woonkostentoeslag

Artikel 9.

Collectieve zorgverzekering

Hoofdstuk 2

Beleidsregels Individuele Inkomenstoeslag

Artikel 10

Voorwaarden individuele inkomenstoeslag

Artikel 11

Recht op individuele inkomenstoeslag

Artikel 12

Aanvraag

Artikel 13.

Referteperiode statushouders

Hoofdstuk 3

Studietoeslag

Artikel 14

Voorwaarden

Artikel 15

Aanvraag

Artikel 16

Toekennen

Artikel 17

Hoogte studietoeslag

Artikel 18

Medisch advies

Artikel 19

Nieuw medisch advies bij zicht op verbetering

Hoofdstuk 4

Beleidsregels Meedoenbudget

Artikel 20

Meedoen budget

Hoofdstuk 5

Beleidsregels Kindpakket

Artikel 21

Kindpakket

Hoofdstuk 6

Overige bepalingen

Artikel 22

Hardheidsclausule

Artikel 23

Ingangsdatum

Artikel 24.

Citeertitel

Toelichting Hoofdstuk 1

Beleidsregels Bijzondere Bijstand

Toelichting Hoofdstuk 2

Beleidsregels Individuele Inkomenstoeslag

Toelichting Hoofdstuk 3

Beleidsregels Studietoeslag

Toelichting Hoofdstuk 4

Meedoenbudget

Toelichting Hoofdstuk 5

Kindpakket

Hoofdstuk 1 Beleidsregels bijzondere bijstand gemeente Hoorn

Artikel 1 Begripsbepaling

In deze beleidsregels wordt verstaan onder:

  • 1.

    Aanvrager: de persoon die de aanvraag doet en zijn of haar gezin;

  • 2.

    Algemeen gebruikelijke kosten: Dit zijn kosten die iedereen heeft en die vanuit het inkomen of het vermogen betaald moeten worden (door reserveren of betalen achteraf);

  • 3.

    Alleenstaande: een alleenstaande of alleenstaande met kinderen;

  • 4.

    Beslag: Van beslag is sprake wanneer een schuldeiser, ter aflossing van een schuld, op grond van een executoriale titel aanspraak maakt op de totale ruimte in het inkomen van de aanvrager. Hierbij moet de schuldeiser de beslagvrije voet toepassen;

  • 5.

    Bijstandsnorm: de norm die op een alleenstaande of gehuwde van toepassing is als bedoeld in artikel 20, artikel 21 of artikel 22 van de Participatiewet;

  • 6.

    College: het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Hoorn;

  • 7.

    Draagkracht: het deel van het inkomen en/of vermogen dat de aanvrager zelf kan bijdragen aan de kosten;

  • 8.

    Echtpaar: gehuwden of daarmee gelijkgestelden, al of niet met kinderen;

  • 9.

    Gezin: Gehuwden, gehuwden met kinderen, of een alleenstaande ouder met kinderen.

  • 10.

    Individuele inkomenstoeslag: de toeslag zoals bedoeld in artikel 36 van de Participatiewet;

  • 11.

    Inkomen: inkomen zoals bedoeld in artikel 32 van de Participatiewet, lid 1, 3 en 4, in artikel 6 van de BBZ als het inkomen uit onderneming betreft, en in artikel 3.18 overzicht 1 en 2 van de WSF wanneer het studenten betreft.

  • 12.

    Inrichting: een instelling voor kort- of langdurige zorg zoals bedoeld in artikel 1 onder f van de Participatiewet;

  • 13.

    Inwoner: de persoon die op het moment van de aanvraag ingeschreven staat in de gemeente Hoorn in de Basisregistratie Personen (BRP) en voldoet aan artikel 11 van de Participatiewet;

  • 14.

    Kind: de minderjarige die op 1 januari van het betreffende kalenderjaar nog geen 18 jaar is en op het moment van aanvraag door de ouder op hetzelfde adres woont als de aanvrager en voor wie kinderbijslag wordt ontvangen zoals bedoeld in de Algemene Kinderbijslagwet;

  • 15.

    Laag inkomen: Een laag inkomen is een inkomen van een inwoner dat niet hoger is dan maximaal 120% van de toepasselijke bijstandsnorm zoals bedoeld in artikel 5 sub c Participatiewet (inclusief vakantiegeld), waarbij artikel 22a Participatiewet (kostendelersnorm) buiten beschouwing wordt gelaten;

  • 16.

    Nibud: Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting;

  • 17.

    Studietoeslag: de toeslag zoals bedoeld in artikel 36b van de Participatiewet;

  • 18.

    Vermogen: Het vermogen zoals bedoeld in artikel 34 van de Participatiewet. Wanneer een aanvrager een toeslag alleenverdieners heeft ontvangen, of slachtoffer is van de toeslagenaffaire en hiervoor een schadevergoeding heeft ontvangen, wordt deze toeslag of schadevergoeding niet meegerekend bij het vermogen;

  • 19.

    Vermogensvrijlating: het vrij te laten vermogen zoals bedoeld in artikel 34, lid 3 van de Participatiewet;

  • 20.

    Voorliggende voorziening: een passende en toereikende voorziening waarop de aanvrager een beroep kan doen of aanspraak kan maken voor de bekostiging van specifieke uitgaven zoals bedoeld in artikel 5 sub e en 15 van de Participatiewet;

  • 21.

    Wet: Participatiewet;

  • 22.

    Wlz: de Wet langdurige zorg;

  • 23.

    Wmo: de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

  • 24.

    Woonkosten: Het bedrag dat iemand betaalt voor huur en servicekosten in het geval van een huurwoning, en betaalt voor de hypotheek, eventuele erfpachtcanon en eigenaarslasten in het geval van een eigen woning, woonwagen of woonboot waarin hij of zij woont;

  • 25.

    Wsf: Wet studiefinanciering 2000;

  • 26.

    WSNP: Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen.

  • 27.

    WTOS: Hoofdstuk 4 Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten

Artikel 2 Juridische grondslag

  • 1.

    Het college kent op grond van artikel 35 van de Participatiewet bijzondere bijstand toe aan een alleenstaande of het gezin, als zij voldoen aan de voorwaarden genoemd in deze beleidsregels.

  • 2.

    Voor begrippen die in deze beleidsregels worden gehanteerd, geldt de wettelijke betekenis, tenzij in deze beleidsregels een andere formulering is gegeven.

  • 3.

    Wanneer bedragen en percentages in de wetten en regels waar in deze beleidsregels naar verwezen wordt, veranderen, dan veranderen de bedragen en percentages in deze beleidsregels gelijktijdig en op gelijke wijze.

Artikel 3 Uitgangspunten

Artikel 3.1. Algemene uitgangspunten

  • 1.

    Het college beoordeelt de aanvraag om bijzondere bijstand op grond van de uitgangspunten van de Participatiewet, artikel 35 van de Participatiewet en deze beleidsregels.

  • 2.

    Bijzondere bijstand kan alleen worden verleend voor kosten die in Nederland gemaakt zijn en aan Nederland verbonden zijn.

Artikel 3.2. Bijzondere omstandigheden

  • 1.

    Bijzondere bijstand wordt alleen verstrekt wanneer er bijzondere omstandigheden zijn die leiden tot noodzakelijke kosten van het bestaan.

  • 2.

    Noodzakelijke kosten van het bestaan komen normaliter niet voor bijzondere bijstand in aanmerking omdat wordt verwacht dat de aanvrager daarin kan voorzien door te sparen of een lening aan te gaan. Wanneer het college echter oordeelt dat er sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor niet van de aanvrager verwacht kan worden dat hij of zij voor deze noodzakelijke kosten had gereserveerd of hiervoor een lening aangaat, dan wordt bijzondere bijstand verstrekt.

  • 3.

    De kosten voor alimentatie, de betaling van een boete, geleden of toegebrachte schade, premiebetaling en medische kosten zoals genoemd in artikel 14 van de Participatiewet komen niet voor bijzondere bijstand in aanmerking, behalve wanneer het college oordeelt dat er sprake is van een zeer dringende reden zoals bedoeld in artikel 16 van de Participatiewet.

Artikel 3.3. Voorliggende voorzieningen

  • 1.

    Er bestaat geen recht op bijzondere bijstand wanneer er een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening, of als de betreffende kosten in de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk worden beschouwd.

  • 2.

    Als voorliggende voorziening zoals bedoeld in artikel 15 van de Participatiewet wordt in ieder geval aangemerkt:

  • a.

    de Wet langdurige zorg;

  • b.

    de Zorgverzekeringswet;

  • c.

    de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

  • d.

    de Wet op de rechtsbijstand;

  • e.

    de wet op de huurtoeslag;

  • f.

    de Re-integratieverordening Participatiewet en de Nadere regels bij de Re-integratieverordening Participatiewet, voor zover het gaat om kosten van een re-integratievoorziening of om andere kosten voor arbeidsinschakeling (WerkSaam).

Artikel 3.4. Hoogte van de bijzondere bijstand

Bij het vaststellen van de hoogte van de bijzondere bijstand wordt aangesloten bij de prijzengids van het Nibud en bij de tabel met maximumbedragen voor opknapkosten, stoffering en woninginrichting van artikel 7.2 lid 5.

Artikel 3.5. Bijzondere bijstand als gift of in de vorm van een lening

  • 1.

    Bijzondere bijstand wordt in principe verstrekt als gift.

  • 2.

    Bijzondere bijstand wordt verstrekt in de vorm van een lening wanneer:

  • a.

    het een aanvraag is voor algemeen gebruikelijke kosten;

  • b.

    redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de aanvrager op korte termijn over voldoende middelen zal beschikken om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien; of

  • c.

    er sprake is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid van de aanvrager, waardoor deze niet in staat is om zelf de gevraagde kosten te betalen, terwijl dat redelijkerwijs wel van hem of haar kon worden verwacht;

  • 3.

    Wanneer in situaties, zoals genoemd in het tweede lid onder c, het verstrekken van een lening er toe zou leiden dat de aanvrager in zwaar problematische financiële omstandigheden dreigt te raken, verleent het college bijstand als gift.

Artikel 4 Indienen van een aanvraag

  • 1.

    De aanvraag voor bijzondere bijstand wordt schriftelijk of digitaal ingediend op een door het college beschikbaar gesteld formulier.

  • 2.

    Wanneer een schriftelijke of digitale aanvraag vanwege individuele omstandigheden niet mogelijk is, kan het college het recht op bijzondere bijstand ambtshalve vaststellen.

  • 3.

    Een aanvraag voor bijzondere bijstand moet worden ingediend voordat de kosten worden gemaakt, met uitzondering van rechtsbijstand, kosten van griffierecht, bewindvoering, curatele en mentorschap zoals benoemd in artikel 7.6 lid 3 en artikel 7.7 lid 1.

Artikel 5 Financiële draagkracht voor bijzondere bijstand

Artikel 5.1. Hoe is de draagkracht opgebouwd?

Wanneer de aanvrager een inkomen heeft boven de 120% van de bijstandsnorm en/of in het bezit is van vermogen, dan moet de gemeente vaststellen welk gedeelte van dat inkomen en/of vermogen de aanvrager zelf kan gebruiken om de kosten te betalen. Dit wordt de financiële draagkracht genoemd. Het deel dat de aanvrager niet zelf kan betalen, vergoedt de gemeente vanuit de bijzondere bijstand.

Artikel 5.1.1. Niet in aanmerking genomen toeslagen en bijdragen

  • 1.

    De individuele inkomenstoeslag (IIT), de studietoeslag en de toeslag Alleenverdieners worden bij de vaststelling van de draagkracht voor bijzondere bijstand niet in aanmerking genomen.

  • 2.

    De eigen bijdrage voor de kosten van kinderopvang wordt op de draagkracht in mindering gebracht.

Artikel 5.1.2. Beslag en schulden

  • 1.

    Aanvragers met een inkomen waarop executoriaal beslag ligt, worden geacht geen draagkracht te hebben. Aanvragers die aannemelijk kunnen maken dat op korte termijn executoriaal beslag wordt opgelegd, worden eveneens geacht geen draagkracht te hebben.

  • 2.

    Aanvragers die (a) in een wettelijke schuldsanering (WSNP) zitten, of waarmee (b) via een Bbz lening (als het een zelfstandige betreft) een minnelijke schuldsanering (MSNP) tot stand is gekomen, worden geacht vanaf aanvang van die sanering geen draagkracht te hebben.

  • 3.

    In het geval van een saneringskrediet kan er wel sprake zijn van draagkracht.

Artikel 5.1.3. Inkomen

  • 1.

    De middelen zoals genoemd in artikel 31, tweede lid van de Participatiewet, wordt niet meegenomen bij de berekening van de draagkracht.

  • 2.

    Het college merkt het inkomen (inclusief vakantietoeslag) boven 120% van de toepasselijke bijstandsnorm aan als draagkracht, tenzij het gaat om woonkosten als bedoeld in artikel 8 van deze beleidsregels. In dat laatste geval merkt het college het inkomen (inclusief vakantietoeslag) boven de bijstandsnorm volledig aan als draagkracht.

Artikel 5.1.4. Vermogen

  • 1.

    Het college merkt het vermogen boven de vermogensgrens van artikel 34 lid 3 van de Participatiewet aan als draagkracht.

  • 2.

    Motorvoertuigen met een gezamenlijke waarde tot € 5.000,- worden niet tot het vermogen gerekend.

  • 3.

    Als de waarde meer bedraagt dan € 5.000,- dan wordt het meerdere aangemerkt als vermogen als bedoeld in artikel 34 van de wet.

  • 4.

    Als een motorvoertuig meer dan 10 jaar oud is wordt deze geacht volledig afgeschreven te zijn en telt deze voor de waardebepaling niet mee, tenzij redelijkerwijs kan worden vastgesteld dat het voertuig, gelet op het merk en type, een waarde boven de € 5.000 vertegenwoordigt.

  • 5.

    In afwijking van het gestelde in de voorgaande leden van dit artikel kan bij de vermogensvaststelling in incidentele gevallen de (meer)waarde van motorvoertuigen buiten beschouwing worden gelaten als het motorvoertuig/de motorvoertuigen onmisbaar is/zijn in verband met werk en/of invaliditeit en verkoop van het motorvoertuig in redelijkheid niet kan worden gevergd.

  • 6.

    Voor de waardevaststelling van auto’s en de motoren dient gebruik gemaakt te worden van de ANWB Koerslijst.

  • 7.

    Als sprake is van een motorvoertuig die in het maatschappelijk verkeer wordt gezien als klassieker, dan wordt in afwijking van lid 4 van dit artikel de waarde van het motorvoertuig vastgesteld op basis van een door een erkend taxateur opgesteld taxatierapport.

  • 8.

    Een caravan of boot die de cliënt gebruikt als hoofdverblijf wordt vrijgelaten tot maximaal het bedrag aan vrijlating voor een eigen woning als bedoeld in artikel 34 lid 2 onderdeel d van de wet.

  • 9.

    Wanneer de aanvrager beschikt of kan beschikken over vermogen waarvan de waarde de vermogensgrens als bedoeld in artikel 34, derde lid, te boven gaat, dan wordt dit meervermogen in aanmerking genomen bij de berekening van de draagkracht.

Artikel 5.1.5. Overige bepalingen

  • 1.

    Met het oog op het vaststellen van de financiële draagkracht gaat het college uit van het inkomen:

  • a.

    over de drie kalendermaanden voorafgaand aan de bijzondere bijstandsaanvraag, als de aanvraag is gedaan door een aanvrager met sterk wisselende inkomsten, waaronder een aanvrager die als zelfstandige werkt;

  • b.

    over het kalenderjaar voorafgaand aan de bijzondere bijstandsaanvraag, als de aanvraag is gedaan door een zelfstandige en de hoogte van de inkomsten niet in redelijkheid is af te leiden uit de opgave over de drie maanden voorafgaand aan de bijzondere bijstandsaanvraag;

  • c.

    over de kalendermaand voorafgaand aan de bijzondere bijstandsaanvraag in het geval het een vast inkomen betreft.

  • 2.

    Bij de draagkrachtberekening wordt alleen het inkomen en het vermogen van de aanvrager of het gezin betrokken.

Artikel 5.2. Draagkracht uit inkomen en vermogen en draagkrachtperiode

  • 1.

    De draagkracht wordt berekend zoals is beschreven in artikel 5.1 en is dan geldig voor een periode van twaalf maanden, te rekenen vanaf de datum van toekenning van de kosten waarvoor de aanvraag om bijzondere bijstand is ingediend, indien sprake is van variabele inkomsten, zoals inkomsten uit arbeid, alimentatie, AOW met pensioen of uitkeringen (waaronder WW of ZW).

  • 2.

    De draagkracht wordt berekend zoals is beschreven in artikel 5.1. en is dan geldig voor een periode van zesendertig maanden, te rekenen vanaf de datum van toekenning van de kosten waarvoor de aanvraag om bijzondere bijstand is ingediend, indien sprake is van vaste inkomsten zoals AOW zonder pensioen, IOAW, IOAZ en Wajong.

  • 3.

    3. De draagkrachtberekening zoals genoemd in lid 1 wordt gemaakt met het inkomen en het vermogen zoals die op het moment van de aanvraag aanwezig zijn. Wijzigingen in het inkomen en het vermogen van de aanvrager tijdens het lopende draagkrachtjaar kunnen leiden tot een herberekening. De draagkracht wordt opnieuw berekend en vastgesteld als er sprake is van een substantiële financiële wijziging. Een inkomens- en/of vermogensdaling of -stijging die leidt tot meer of minder recht op bijzondere bijstand, geldt als een substantiële financiële wijziging.

  • 4.

    De vastgestelde draagkracht wordt op de toegekende (en toe te kennen) bijstand in mindering gebracht.

  • 5.

    Het college houdt bij de bepaling van het inkomen rekening met een executoriaal beslag op het inkomen.

  • 6.

    Wanneer de aanvraag voor bijzondere bijstand betrekking heeft op periodieke kosten, dan ontvangt de aanvrager voor de betreffende periode iedere maand hetzelfde bedrag aan bijzondere bijstand.

Artikel 6 Drempelbedrag

Het college hanteert geen drempelbedrag voor de bijzondere bijstand.

Artikel 7 Veel voorkomende kostensoorten

Artikel 7.1. Duurzame gebruiksgoederen

  • 1.

    De aanschaf en vervanging van duurzame gebruiksgoederen behoren in principe tot de algemeen noodzakelijke kosten van bestaan en moeten vanuit het eigen inkomen en/of vermogen of door reservering worden betaald.

  • 2.

    Wanneer er sprake is van een bijzondere situatie en er geen reserveringen zijn die aangewend kunnen worden, of geen lening aangegaan kan worden, dan kan bijzondere bijstand worden verstrekt. De mate waarin dat moet gebeuren is afhankelijk van de problematiek en de individuele omstandigheden.

  • 3.

    Het college verstrekt bijzondere bijstand voor noodzakelijke duurzame gebruiksgoederen in de vorm van leenbijstand tenzij dit niet mogelijk is.

Artikel 7.2. Verhuizing en woninginrichting

  • 1.

    Wanneer de aanvrager een woning betrekt aansluitend op een periode van crisisopvang, verblijf in een inrichting of detentie, of vanwege een andere zwaarwegende sociale of medische reden, dan geldt dit als een bijzondere situatie en is bijzondere bijstand mogelijk.

  • 2.

    Aan aanvragers die vanuit een crisissituatie, een inrichting of detentie een huurwoning betrekken wordt bijzondere bijstand verstrekt voor de eerste huur en de waarborgsom van deze woning.

  • 3.

    Het college verstrekt bijzondere bijstand voor verhuiskosten en voor woninginrichting als er sprake is van een medisch of sociale noodzaak tot verhuizing.

  • 4.

    Het college verstrekt bij een medisch of sociaal noodzakelijke verhuizing binnen de gemeente bijzondere bijstand voor het vervoer van huisraad, de woonlasten van de nieuwe woning als er sprake is van dubbele woonlasten, de kosten huurovereenkomst, de waarborgsom, opknapkosten, stoffering en woninginrichting. Het college verstrekt bij een medisch of sociaal noodzakelijke verhuizing naar een andere gemeente alleen bijzondere bijstand voor de kosten van het vervoer van de huisraad.

  • 5.

    Het college hanteert voor opknapkosten, stoffering en woninginrichting maximumbedragen die afhankelijk zijn van de gezinssituatie van de aanvrager. De volgende maximumbedragen zijn van kracht in 2026 en worden jaarlijks geïndexeerd:

Leefsituatie

Maximumbedrag voor opknapkosten

Maximumbedrag voor stoffering

Maximumbedrag voor woninginrichting

1 persoon

€ 300

€ 1.250

€ 2.500

2 personen

€ 350

€ 1.450

€ 3.000

> 2 personen

€ 350 + € 50 per persoon

€ 1.450 + € 200 per persoon

€ 3.000+ € 500 per persoon

Artikel 7.3. Doorbetaling van vaste lasten bij verblijf in een detentie

  • 1.

    Bij een vrijheidsbeneming van maximaal 3 maanden kan bijzondere bijstand verleend worden voor doorbetaling van de vaste lasten voor een duur van maximaal 3 maanden.

  • 2.

    Het gaat om de woonlasten voor de huur minus de huurtoeslag en kosten voor vastrecht van elektra, gas en water.

  • 3.

    Voor de overige vaste woonlasten (waaronder waterschapsbelasting, onroerendzaakbelasting en verzekeringen) kan bij een vrijheidsbeneming van maximaal 3 maanden, voor maximaal 3 maanden bijzondere bijstand worden verstrekt, tot een maximumbedrag van € 50,- per maand.

Artikel 7.4. Kosten voor medisch, psychisch of leeftijd gerelateerde beperkingen

  • 1.

    In afwijking van artikel 15 lid 1 van de Participatiewet verstrekt het college bijzondere bijstand aan personen met medisch, psychische of leeftijd gerelateerde beperkingen voor:

  • a.

    Pedicurekosten wanneer er geen recht op vergoeding door de zorgverzekeraar bestaat, tot maximaal € 300 per jaar.

  • b.

    De kosten voor een maaltijd boven de € 4. Er wordt maximaal € 5 per dag vergoed.

  • c.

    De servicekosten aan personen die in een verzorgingstehuis wonen.

Artikel 7.5. Uitvaartkosten

  • 1.

    Voor de kosten van een uitvaart in Nederland kunnen de nabestaanden bijzondere bijstand aanvragen, wanneer hun eigen middelen, verzekeringsgelden en de nalatenschap van de overledene ontoereikend zijn om deze kosten te dekken. De nabestaanden kunnen ieder voor zich in hun woonplaats bijzondere bijstand aanvragen voor hun aandeel in de kosten.

  • 2.

    Het college houdt bij bijstandsverlening rekening met een totaal maximum toe te kennen bedrag van € 4.200 per uitvaart.

  • 3.

    Het college verstrekt geen bijzondere bijstand voor kosten die worden verhaald op grond van de Wet op de lijkbezorging.

  • 4.

    Kosten van en in verband met uitvaarten in het buitenland komen niet voor bijzondere bijstand in aanmerking.

Artikel 7.6. Rechtsbijstand en griffierecht

  • 1.

    Voor de kosten van rechtsbijstand bij het voeren van een procedure die voor rekening komen van de inwoner (griffierecht, de eigen bijdrage rechtshulp, en andere noodzakelijke kosten in verband met de rechtszaak) wordt bijzondere bijstand verstrekt. Hierbij geldt als voorwaarde een door de Raad voor Rechtsbijstand verstrekte toevoeging waaruit nut of noodzaak van een te voeren procedure blijkt.

  • 2.

    Kosten van contra-expertise komen niet voor vergoeding vanuit de bijzondere bijstand in aanmerking.

  • 3.

    In afwijking van artikel 4 lid 3 van deze beleidsregels is het in het geval van rechtsbijstand en griffiekosten toegestaan om de bijzondere bijstand niet vooraf aan te vragen, maar uiterlijk binnen drie maanden na datum van de factuur.

  • 4.

    In afwijking van artikel 4 lid 3 van deze beleidsregels verstrekt het college bijzondere bijstand met terugwerkende kracht tot maximaal 3 maanden nadat de kantonrechter een uitspraak overeenkomstig titel 16, titel 19 en/ of titel 20 van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft gedaan of na de afgiftedatum van de kosten van griffierecht.

Artikel 7.7. Bewindvoering, curatele en mentorschap

  • 1.

    Voor de kosten van een curator, bewindvoerder en mentor kan bijzondere bijstand worden aangevraagd als de rechtbank het bewind heeft uitgesproken. Wanneer de aanvraag voor deze kosten is gedaan binnen drie maanden na de datum van de uitspraak door de rechter, wordt met de bijstandsverlening aangesloten bij de ingangsdatum van de bewindvoering, mentorschap of curatele. Voor deze aanvragen telt de eerste dag van de maand van aanvraag als ingangsdatum als de bewindvoerder is benoemd tussen de 1e en de 15e van die maand, of de 16e dag van de maand als de bewindvoerder is benoemd tussen de 16e en het einde van de maand.

  • 2.

    Wanneer het een aanvraag tot verlenging betreft, kan er niet met terugwerkende kracht bijzondere bijstand worden verleend. De bewindvoerder dient tijdig voor afloop van de toekenningsperiode een aanvraag tot verlenging in te dienen, zodat de nieuwe toekenning kan aansluiten. Doet de bewindvoerder dit niet tijdig, dan is de aanvraagdatum van de nieuwe aanvraag de ingangsdatum van de nieuwe toekenning.

  • 3.

    Het college verstrekt bijzondere bijstand voor de kosten van noodzakelijke budgettering aan die- gene die geen betalingen kan verrichten als gevolg van psychische en/of sociale problemen en die wegens omstandigheden geen gebruik kan/wil maken van het voorliggende budgetbeheer van de schuldhulpverleningsorganisatie. Het maximumbedrag is € 80 per maand.

  • 4.

    Voor WSNP-bewindvoerdersloon wordt geen bijzondere bijstand verstrekt.

  • 5.

    Wanneer een onder bewind, mentorschap of curatele gestelde burger een inkomen op op 120% van de bijstandsnorm heeft, wordt bijzondere bijstand verstrekt voor het loon van de bewindvoerder, mentor of curator en voor de eenmalige extra kosten. Deze eenmalige extra kosten komen alleen voor vergoeding in aanmerking als deze zijn bekrachtigd door de rechter. Berekening van een hoger tarief vanwege problematische schulden is toegestaan wanneer de rechtbank dit in de beschikking heeft opgenomen.

  • 6.

    Voor de vergoeding van de tarieven sluit de gemeente aan bij de “Regeling indexering beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren” zoals deze jaarlijks wordt gepubliceerd in de Staatscourant.

Artikel 7.8. Reiskosten

  • 1.

    Het college verstrekt bijzondere bijstand voor noodzakelijke reiskosten buiten de gemeente Hoorn die verband houden met bijzondere familieomstandigheden. Dit zijn bijvoorbeeld reiskosten voor bezoek aan partner/ echtgenoot en familie (eerste en tweede graad) die wordt verpleegd, verzorgd, uit huis is geplaatst of is gedetineerd.

  • 2.

    Het college verstrekt bijzondere bijstand aan een statushouder die deelneemt aan een inburgeringstraject in het kader van de Wet inburgering en daarvoor noodzakelijke reiskosten maakt naar een opleidingsinstituut buiten de gemeente Hoorn. Dit geldt ook voor de reiskosten in verband met examens als die buiten de gemeente Hoorn moeten worden afgelegd.

  • 3.

    Het college stemt de hoogte van bijzondere bijstand voor noodzakelijke reiskosten af op het goedkoopste reisalternatief.

  • 4.

    Het college stemt de frequentie voor noodzakelijke reiskosten af op de individuele situatie tenzij het gaat om reiskosten in verband met detentiebezoek. In dat geval geldt als frequentie maximaal eens per 14 dagen.

Artikel 7.9 Bijzondere bijstand voor overbrugging

  • 1.

    Het college kan een overbrugging verstrekken als een onvoorzienbare gebeurtenis leidt tot het plotseling wegvallen van inkomsten en de aanvrager niet over reserves beschikt om in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien

  • 2.

    De hoogte van de overbrugging is maximaal de toepasselijke bijstandsnorm, exclusief vakantietoeslag.

  • 3.

    De overbrugging wordt verstrekt in de vorm van leenbijstand, tenzij er sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor de bijzondere bijstand om niet moet worden verstrekt.

Artikel 8. Woonkostentoeslag

Artikel 8.1 Uitgangspunten woonkostentoeslag

  • 1.

    Wanneer een aanvrager een huurwoning of eigen woning heeft met hoge woonkosten, kan het college op grond van individuele omstandigheden, in het bijzonder in het geval van een niet voorzienbare inkomensdaling, bijzondere bijstand verlenen in de vorm van een woonkostentoeslag.

  • 2.

    Als een inwoner een woning huurt onder de huurtoeslaggrens, maar nog geen recht op huurtoeslag heeft, kan tijdelijk bijzondere bijstand worden verleend; De leeftijdsgrens gaat per 1 januari 2026 van 23 naar 21 jaar. Dit artikel geldt dus voor bijvoorbeeld een jongere van 20 jaar. We hebben hier geen limiet aan zitten omdat je vanaf 21 jaar wel recht gaat hebben op huurtoeslag.

  • 3.

    Als de huur boven de huurtoeslaggrens (€ 932,93 huurgrens 2026) ligt dan verstrekt het college woonkostentoeslag voor het deel dat niet wordt gecompenseerd door de belastingdienst.

  • 4.

    Het college verstrekt voor een periode van 12 maanden bijzondere bijstand in de vorm van een woonkostentoeslag als de aanvrager:

  • a.

    een huurwoning bewoont en buiten eigen toedoen geen recht heeft op (volledige) huurtoeslag of

  • b.

    een koopwoning bewoont en in bijstand behoevende omstandigheden verkeert.

  • 5.

    In geval van een noodzakelijke vervolgaanvraag wordt de periodieke bijzondere bijstand verleend in de vorm van leenbijstand wanneer er sprake is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid. Wanneer er geen sprake is van tekortschietend besef kan de woonkostentoeslag om niet worden verleend.

  • 6.

    Het college verstrekt de woonkostentoeslag met een krediethypotheek wanneer:

  • a.

    het te verstrekken of verstrekte bedrag aan bijzondere bijstand over een periode van twaalf maanden hoger is dan € 5.000 en

  • b.

    de overwaarde van de koopwoning de vermogensgrens uit artikel 34 lid 2 sub d van de wet overschrijdt.

Artikel 9. Collectieve zorgverzekering

  • 1.

    Inwoners van Hoorn met een inkomen tot 120% van de bijstandsnorm en een vermogen tot de vermogensgrens van artikel 34 lid 3 van de wet kunnen gebruik maken van een collectieve aanvullende ziektekostenverzekering via de gemeente. Deze verzekering biedt de dekking van de basisverzekering en de vergoedingen vanuit een aanvullend pakket. De gemeente betaalt mee aan de premie.

  • 2.

    De deelname aan de collectieve zorgverzekering wordt per de 1e van de volgende maand beëindigd als tussentijds blijkt dat niet meer wordt voldaan aan de inkomens- en vermogensvoorwaarden en/of de persoon niet meer woonachtig is in Hoorn.

Hoofdstuk 2 Beleidsregels Individuele Inkomenstoeslag

Artikel 10 Voorwaarden individuele inkomenstoeslag

  • 1.

    Om in aanmerking te komen voor de individuele inkomenstoeslag (IIT) dient aanvrager te voldoen aan de voorwaarden zoals genoemd in artikel 36 van de Participatiewet en in de Verordening individuele inkomenstoeslag Hoorn 2026. Aanvrager dient:

  • a.

    een langdurig laag inkomen te hebben zoals genoemd in artikel 3 van de Verordening individuele inkomenstoeslag gemeente Hoorn 2026;

  • b.

    in de referteperiode voorafgaand aan de peildatum geen in aanmerking te nemen vermogen te hebben zoals genoemd in artikel 34 van de Participatiewet;

  • c.

    geen zicht op inkomensverbetering te hebben, gelet op de omstandigheden van aanvrager zoals genoemd in artikel 36 eerste lid van de Participatiewet;

  • d.

    tot de omstandigheden zoals genoemd in onderdeel c van dit artikel worden in ieder geval gerekend:

  • I.

    krachten en bekwaamheden van een persoon, en

  • II.

    de inspanningen die de persoon heeft verricht om tot inkomensverbetering te komen.

  • 2.

    Onder een laag inkomen zoals genoemd in artikel 3 van de verordening individuele Inkomenstoeslag Hoorn 2026 wordt verstaan een inkomen dat niet hoger is dan 120% van de toepasselijke bijstandsnorm.

  • 3.

    Een mogelijke beslaglegging wordt buiten de berekening gehouden. Hiermee wordt bedoeld dat het bedrag aan beslag niet bij het inkomen wordt opgeteld.

  • 4.

    Een individuele inkomenstoeslag bedraagt per kalenderjaar:

  • a.

    € 400 voor een alleenstaande;

  • b.

    € 500 voor een alleenstaande ouder;

  • c.

    € 550 voor gehuwden.

Artikel 11 Recht op individuele inkomenstoeslag

  • 1.

    Recht op de individuele inkomenstoeslag heeft de aanvrager die op de peildatum geen zicht heeft op inkomensverbetering. Dit zijn inwoners die:

  • a.

    volledig en duurzaam arbeidsongeschikt zijn als bedoeld in artikel 9 lid 5 van de Participatiewet;

  • b.

    die op grond van artikel 9a van de Participatiewet een ontheffing van de plicht tot arbeidsinschakeling hebben; of

  • c.

    die op grond van artikel 6b van de Participatiewet medisch urenbeperkt zijn en waarop een vrijlating van inkomsten zoals bedoeld in artikel 31 tweede lid onder z van toepassing is; of

  • d.

    die op grond van artikel 9 tweede lid van de Participatiewet een tijdelijke ontheffing hebben;

  • e.

    alle inwoners die niet onder a t/m d behoren worden beoordeeld op basis van artikel 11 lid 2 van deze beleidsregel.

  • 2.

    Voor de beoordeling van het zicht op inkomensverbetering voor anderen dan bovenstaande categorieën, wordt gekeken naar onderstaande criteria:

  • a.

    De mogelijkheden van de aanvrager en/of zijn partner op de arbeidsmarkt;

  • b.

    Zijn/haar of hun inspanningen om te komen tot inkomensverbetering;

  • c.

    Het volgen van een opleiding of studie als bedoeld in de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten, de Wet studiefinanciering 2000, de Wet educatie en beroepsonderwijs of de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;

  • d.

    Opgelegde maatregelen die het zicht op inkomensverbetering kunnen belemmeren, zoals het niet voldoen aan de arbeids- of re-integratieverplichtingen of de verplichting om de Nederlandse taal te leren.

Artikel 12 Aanvraag

  • 1.

    Aanvragen worden schriftelijk ingediend als het een eerste aanvraag betreft.

  • 2.

    Aanvraagdatum is de peildatum. De peildatum bij een vervolgaanvraag is minimaal twaalf maanden na de eerste aanvraag.

  • 3.

    Bij een vervolgaanvraag kan de individuele inkomenstoeslag ambtshalve worden verstrekt.

Artikel 13. Referteperiode statushouders

In het kader van artikel 36 Participatiewet wordt voor statushouders de periode van verblijf in het buitenland betrokken bij de vaststelling van de referteperiode die geldt voor de beoordeling van het recht op individuele inkomenstoeslag.

Deze periode wordt slechts in aanmerking genomen indien de aanvrager aannemelijk maakt dat gedurende het verblijf in het buitenland geen sprake was van in aanmerking te nemen middelen als bedoeld in artikel 31 Participatiewet, noch van vermogen als bedoeld in artikel 34 Participatiewet, en dat evenmin sprake was van een reëel en concreet perspectief op inkomensverbetering.

Hoofdstuk 3 Studietoeslag

Artikel 14 Voorwaarden

  • 1.

    Er bestaat recht op studietoeslag op grond van artikel 36b van de Participatiewet als aanvrager:

  • a.

    als rechtstreeks gevolg van structurele medische beperking niet in staat is naast de studie inkomsten te verwerven;

  • b.

    studiefinanciering ontvangt op grond van de WSF of een tegemoetkoming krijgt op grond van de WTOS. Het Levenlanglerenkrediet van de WSF valt niet hieronder;

  • c.

    geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wajong Medische beperking: een fysieke en/of psychische beperking die voortkomt uit een in de persoon gelegen ziekte of medisch gebrek.

Artikel 15 Aanvraag

  • 1.

    Een aanvraag als bedoeld in artikel 36b van de Participatiewet wordt digitaal of schriftelijk aangevraagd door middel van een daarvoor bestemd aanvraagformulier.

  • 2.

    Aanvrager verstrekt bij de aanvraag de volgende stukken:

  • a.

    een bewijs van het ontvangen van studiefinanciering op grond van de WSF of van een tegemoetkoming op grond van de WTOS;

  • b.

    bij stage: een kopie van de stageovereenkomst waaruit de hoogte van de stagevergoeding blijkt.

  • 3.

    Aanvrager kan bij de aanvraag een deskundigenverklaring verstrekken waarin staat waarom aanvrager niet kan werken naast de studie

Artikel 16 Toekennen

  • 1.

    Als door burgemeester en wethouders is vastgesteld dat recht op studietoeslag bestaat, wordt de studietoeslag toegekend vanaf de dag waarop dit recht is ontstaan, voor zover deze dag niet ligt voor de dag waarop de aanvrager de aanvraag om studietoeslag heeft ingediend.

  • 2.

    In afwijking van lid 1 wordt studietoeslag met terugwerkende kracht toegekend over een periode die is gelegen voor de dag waarop de aanvrager de aanvraag om studietoeslag heeft ingediend als:

  • a.

    aanvrager daarom verzoekt; en

  • b.

    aanvrager over deze periode aannemelijk kan maken te voldoen aan de voorwaarden voor het recht op studietoeslag; en

  • c.

    aanvrager in deze periode woonplaats had in de gemeente Hoorn als bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en 11 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.

  • 3.

    In afwijking van lid 2 wordt studietoeslag niet met terugwerkende kracht toegekend over een periode die is gelegen:

  • a.

    voor 1 april 2022;

  • b.

    5 jaar voorafgaand aan de dag waarop de aanvrager de aanvraag om studietoeslag heeft ingediend.

  • 4.

    Als het medisch advies hiertoe aanleiding geeft, wordt de studietoeslag voor een beperkte afgebakende periode verstrekt.

  • 5.

    De studietoeslag wordt maandelijks uitbetaald.

  • 6.

    De studietoeslag die met terugwerkende kracht wordt toegekend, wordt na toekenning als een bedrag ineens uitbetaald.

Artikel 17 Hoogte studietoeslag

  • 1.

    De hoogte van de studietoeslag is gelijk aan de bedragen genoemd in artikel 7a van het “Besluit loonkostensubsidie en minimumbedragen studietoeslag Participatiewet 2021”. Deze worden jaarlijks geactualiseerd via de normenbrief van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

  • 2.

    Als de studietoeslag met terugwerkende kracht wordt toegekend, dan wordt de hoogte van de studietoeslag vastgesteld aan de hand van het in die maanden geldende beleid.

  • 3.

    Als uitgangspunt voor het bepalen van de hoogte van de studietoeslag geldt in de maand waarin een aanvrager jarig wordt, het bedrag dat hoort bij de leeftijd die aanvrager op de verjaardag heeft bereikt.

Artikel 18 Medisch advies

  • 1.

    Het college vraagt een medisch advies aan een onafhankelijke deskundige voor de beoordeling of er sprake is van een structurele medische beperking.

  • 2.

    Het vragen van een medisch advies blijft achterweg als:

  • a.

    direct duidelijk is dat er recht bestaat op studietoeslag gelet op de ernst/aard van de structurele medische beperking;

  • b.

    op basis van de deskundigenverklaring, als bedoeld in artikel 19 het recht kan worden vastgesteld;

  • c.

    vaststaat dat aanvrager geen studiefinanciering op grond van de WSF of tegemoetkoming op grond van de WTOS ontvangt;

  • d.

    aanvrager recht heeft op een Wajong uitkering; of

  • e.

    aanvrager werkt naast de studie, niet zijnde een stage;

Artikel 19 Nieuw medisch advies bij zicht op verbetering

Wanneer het medisch advies of de persoonlijke situatie van aanvrager daartoe aanleiding geeft, zal binnen de daartoe in het advies opgenomen termijn, of bij het ontbreken daarvan een redelijke termijn, een nieuw medisch advies worden gevraagd om te beoordelen of aanvrager nog aan de voorwaarden voldoet als bedoeld in artikel 14.

Hoofdstuk 4 Beleidsregels Meedoenbudget

Artikel 20 Meedoen budget

  • 1.

    Een inwoner van 18 jaar of ouder met een laag inkomen en een bescheiden vermogen kan per kalenderjaar een Meedoen budget krijgen. Het Meedoen budget wordt op de HoornPas gestort.

  • 2.

    Het Meedoen budget is een stimulans om mee te kunnen doen aan de samenleving en kan besteed worden aan:

  • a.

    Sport-, culturele-, en educatieve activiteiten en/of;

  • b.

    Vergoeding van kosten die deze activiteiten mogelijk (kunnen) maken.

  • c.

    De hoogte van het Meedoen budget bedraagt € 100 per kalenderjaar.

Hoofdstuk 5 Beleidsregels Kindpakket

Artikel 21 Kindpakket

  • 1.

    Een inwoner tot 18 jaar van wie de ouders een laag inkomen en een bescheiden vermogen hebben kan per kalenderjaar een Kindpakket krijgen.

  • 2.

    Het Kindpakket is een stimulans om mee te kunnen doen aan de samenleving alsof de ouder(s)/ verzorger(s) van die inwoner geen laag inkomen heeft/ hebben en bestaat in ieder geval uit de voorzieningen:

  • a.

    Het meedoenbudget zoals is opgenomen in hoofdstuk 4;

  • b.

    Toegang tot faciliteiten die via samenwerkingen door inspanning van het college tot stand zijn gekomen;

  • c.

    de mogelijkheid tot het behalen van zwemdiploma A en B;

  • d.

    de mogelijkheid tot het verkrijgen van een computer;

  • e.

    gratis toegangskaartjes voor de Hoornse kermis en

  • f.

    overige door het college aan te vullen voorzieningen.

  • 3.

    Het Meedoen budget in het Kindpakket bedraagt € 250 per kalenderjaar en kan besteed worden aan:

  • a.

    Sport-, culturele-, en educatieve activiteiten en/of;

  • b.

    Vergoeding van kosten die deze activiteiten mogelijk (kunnen) maken.

  • 4.

    De onder lid 2 sub c bedoelde mogelijkheid tot het behalen van zwemdiploma A en B geldt voor kinderen van 5 tot 11 jaar.

  • 5.

    De onder lid 2 sub d bedoelde mogelijkheid tot het verkrijgen van een computer, kan ééns in de vijf jaar voor kinderen van 4 tot 18 jaar oud worden verstrekt, waarbij maximaal 3 computers binnen één gezin worden verstrekt zolang tot dat gezin meer dan drie kinderen in de leeftijd van 4 tot 18 jaar behoren.

Hoofdstuk 6 Overige bepalingen

Artikel 22 Hardheidsclausule

In bijzondere gevallen kan door het college worden afgeweken van de bepalingen in deze beleidsregels, als er sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor de gevolgen van een afwijzing onevenredig zijn.

Artikel 23 Ingangsdatum

Deze beleidsregels treden in werking op de dag na bekendmaking en hebben terugwerkende kracht tot 1 januari 2026. De beleidsregels Bijzondere bijstand 2023 worden gelijktijdig ingetrokken.

Artikel 24 Citeertitel

Deze beleidsregels kunnen worden aangehaald als ''Beleidsregels Inkomensregelingen gemeente Hoorn 2026''.

Aldus vastgesteld, 31 maart 2026

College van burgemeester en wethouders

de secretaris,                        de burgemeester

Toelichting Hoofdstuk 1 Beleidsregels Bijzondere Bijstand

Artikel 1 – Begripsbepaling

Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) of de Gemeentewet worden niet afzonderlijk gedefinieerd in deze Beleidsregels. Deze zijn vanzelfsprekend van toepassing op deze beleidsregels.

Artikel 2 - Juridische grondslag

Lid 3: In een aantal gevallen staat achter bedragen in deze beleidsregels een peiljaar genoemd of wordt er verwezen naar een wetsartikel. Dit lid 3 zorgt ervoor dat in latere jaren steeds de bedragen en percentages van het desbetreffende jaar van toepassing zijn.

Artikel 3.1 - Algemene uitgangspunten

In paragraaf 2.2 (artikelen 11 tot en met 16) van de Participatiewet staan de algemene voorwaarden voor het recht op (bijzondere) bijstand.

Artikel 3.2 - Bijzondere omstandigheden

Uit artikel 35 Participatiewet (Individuele en categoriale bijzondere bijstand) vloeit voort dat bij een aanvraag om bijzondere bijstand altijd de volgende 4 vragen in een dwingende volgorde moeten worden beantwoord, om vast te stellen of recht bestaat op bijzondere bijstand:

  • 1.

    Doen de kosten zich voor?

  • 2.

    Zijn de kosten in het individuele geval noodzakelijk?

  • 3.

    Vloeien de kosten voort uit bijzondere individuele omstandigheden?

  • 4.

    Kunnen de kosten worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm?

Lid 1: Geeft aan dat het alleen mogelijk is bijzondere bijstand te verlenen voor noodzakelijke kosten wanneer er sprake is van bijzondere omstandigheden.

Lid 2: Voor kosten die als algemene noodzakelijke kosten worden beschouwd, geldt in principe dat de aanvrager deze zelf moet betalen, door hiervoor te sparen (de reserveringsplicht) of door gebruik te maken van een lening. Het is afhankelijk van de individuele situatie van de aanvrager of de omstandigheden, en daarmee de kosten, als bijzonder en als noodzakelijk kunnen worden beschouwd.

Lid 3: Beschrijft een aantal kostensoorten waarvan wettelijk bepaald is dat deze niet noodzakelijk zijn, maar deze opsomming is niet limitatief. Voor deze kostensoorten is dus geen bijzondere bijstand mogelijk, tenzij hier een zeer dringende reden voor is.

Artikel 3.3 - Voorliggende voorzieningen

Artikel 15 van de Participatiewet bepaalt dat er geen recht op bijstand bestaat wanneer de aanvrager een beroep kan doen op een voorliggende voorziening die toereikend en passend is. Het recht op bijzondere bijstand geldt ook niet voor kosten die in de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk worden beschouwd. Dit is bijvoorbeeld het geval als er in de voorliggende voorziening een vergoeding gemaximeerd is op een bepaald bedrag.

Artikel 3.4 - Hoogte van de bijzondere bijstand

Voor het vaststellen van de hoogte van de bijzondere bijstand hanteren we de richtbedragen van de landelijke Prijzengids voor de bijzondere bijstand van het NIBUD. Een uitzondering hierop zijn de kosten voor woninginrichting, stoffering en opknapkosten. Hiervoor zijn in artikel 7.2 lid 5 andere normbedragen vastgesteld.

Artikel 3.5 - Bijzondere bijstand als gift of in de vorm van een lening

Lid 1: Bijzondere bijstand wordt in principe verstrekt als gift. Artikel 48 tweede lid van de Participatiewet biedt echter de mogelijkheid om in een aantal gevallen bijzondere bijstand te verstrekken in de vorm van een lening . In Hoorn verstrekken we bijzondere bijstand in de vorm van een lening in de volgende gevallen:

Lid 2 b: wanneer iemand bijzondere bijstand aanvraagt, maar redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de aanvrager op korte termijn over voldoende geld zal beschikken om zelf in de gevraagde kosten te voorzien;

Lid 2c en lid 3: Het komt voor dat bijstandsverlening onvermijdelijk is, maar dat de oorzaak daarvan de aanvrager is aan te rekenen. Er is dan sprake van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid. Het gaat dan bijvoorbeeld om situaties waarbij de aanvrager door eigen toedoen in een situatie raakt die bijstandsverlening noodzakelijk maakt. In deze gevallen kan de bijzondere bijstand worden verstrekt in de vorm van een lening. Alleen wanneer de aanvrager in zwaar problematische financiële omstandigheden dreigt te raken (denk hierbij aan hoge schulden, dreigende huisuitzetting) kan het college ervoor kiezen om de bijzondere bijstand toch als gift te verstrekken, maar dan alleen voor de strikt noodzakelijke kosten. In deze gevallen geldt het 4-ogenprincipe waarbij de beoordeling door twee personen wordt gedaan.

Artikel 4 - Indienen van een aanvraag

Lid 3: Een aanvraag voor bijzondere bijstand moet worden ingediend vóórdat de kosten worden gemaakt. Hierop zijn twee uitzonderingen, deze staan in artikel 7.6 (Rechtsbijstand en griffierecht) lid 3 en 4 en artikel 7.7. (Bewindvoering, curatele en mentorschap) lid 1.

Artikel 5.1 – Hoe is de draagkracht opgebouwd?

Lid 2: Om werkende ouder(s) te stimuleren aan het werk te blijven, wordt de eigen bijdrage voor de kosten van kinderopvang bij het berekenen van de draagkracht buiten beschouwing gelaten. Zou deze eigen bijdrage niet buiten beschouwing worden gelaten, dan zou dat nadelig zijn voor de werkende ouder(s).

Artikel 5.1.2 – Beslag en schulden

Lid 1:. Naar aanleiding van een uitspraak van de rechter is de berekening van draagkracht voor bijzondere bijstand iets uitgebreid (ECLI:NL:RBAMS:2022:5913). Deze uitbreiding houdt in dat niet alleen aanvragers met een inkomen waarop beslag ligt, geacht worden geen draagkracht te hebben, maar dat ook aanvragers die aannemelijk kunnen maken dat op korte termijn beslag wordt gelegd, worden geacht geen draagkracht te hebben.

Lid 2: Er bestaat een verschil tussen de draagkrachtberekening voor de bijzondere bijstand en het vrij te laten bedrag bij een (minnelijke) schuldsanering. Een gevolg hiervan kan zijn dat voor sommige aanvragers de aanvraag bijzondere bijstand zou moeten worden afgewezen, terwijl zij volgens de berekening van de Kredietbank of de WSNP géén bestedingsruimte hebben boven het vrij te laten bedrag. Dit doet zich met name voor bij aanvragers die een hoger inkomen hebben dan bijstandsniveau. Door het opnemen van lid 2 wordt dit probleem ondervangen.

Artikel 5.1.3 – Inkomen

Lid 1: De Participatiewet geeft in artikel 31, tweede lid, aan dat inkomensbestanddelen zoals de huurtoeslag, zorgtoeslag, kinderopvangtoeslag e.d. niet moeten worden meegerekend bij de vaststelling van (algemene) bijstand. Aangezien deze inkomensbestanddelen als voorliggende voorziening worden beschouwd (zie artikel 3.3. lid 2 van deze beleidsregels) moeten ze bij de draagkrachtberekening niet opnieuw worden meegenomen.

Lid 2: Woonkosten zijn kosten die uit het inkomen op bijstandsniveau moeten worden betaald. Al het inkomen boven bijstandsniveau wordt daarom als draagkracht gezien.

Artikel 5.1.4 – Vermogen

Lid 1: Wanneer het vermogen van de aanvrager lager is dan de vermogensgrenzen die worden genoemd in artikel 34, derde lid, van de Participatiewet (2026: voor een alleenstaande: € 8.000 voor een echtpaar of alleenstaande ouder: € 16.000), wordt het niet meegerekend bij de berekening van de draagkracht voor bijzondere bijstand.

Lid 2 t/m 8: Er wordt aangesloten bij de Beleidsregel Vermogen, giften en overige middelen WerkSaam Westfriesland, artikel 6. Hiermee wordt voorkomen dat er andere regels gehanteerd worden voor de bijstand of de bijzondere bijstand.

Lid 2: is vastgelegd dat motorvoertuigen met een gezamenlijke waarde tot € 5.000,- buiten beschouwing worden gelaten bij de vermogensvaststelling. Deze vrijlating voorkomt dat cliënten met een voertuig van beperkte waarde worden geconfronteerd met gevolgen voor het recht op bijstand, aangezien een motorvoertuig in veel gevallen noodzakelijk is voor het dagelijks functioneren en daarom als algemeen gebruikelijk wordt gezien.

Lid 3: regelt dat, indien de gezamenlijke waarde van motorvoertuigen hoger is dan € 5.000,-, uitsluitend het meerdere boven deze grens als vermogen wordt aangemerkt. Hiermee wordt aangesloten bij het uitgangspunt van een gedeeltelijke vrijlating tot het vastgestelde bedrag.

Lid 4: Motorvoertuigen die ouder zijn dan 10 jaar worden geacht volledig te zijn afgeschreven en tellen niet mee bij de waardebepaling. Dit beoogt een praktische en uitvoerbare benadering, omdat oudere voertuigen doorgaans een beperkte economische waarde hebben. Hierbij wordt een uitzondering gemaakt voor voertuigen, die gelet op het merk en type, een waarde boven de € 5.000 vertegenwoordigen. In deze gevallen geldt de in lid 2 genoemde vrijlating.

Lid 5: biedt ruimte voor maatwerk. In incidentele gevallen kan het college besluiten om de (meer)waarde van een motorvoertuig geheel of gedeeltelijk buiten beschouwing te laten wanneer het voertuig onmisbaar is in verband met werk of invaliditeit en wanneer verkoop redelijkerwijs niet van de cliënt kan worden verlangd. Hierbij vindt altijd een individuele beoordeling plaats.

Lid 6: regelt dat voor een objectieve en uniforme vaststelling van de waarde van auto’s en motoren wordt gebruikgemaakt van de ANWB Koerslijst. Dit bevordert rechtsgelijkheid en voorkomt discussie over de waarde van motorvoertuigen. Wanneer een type auto niet op de Koerslijst staat (dit is vaak bij bedrijfsauto’s het geval) gebruik kan worden gemaakt van Autotrader of vergelijkbare sites.

Lid 7: bepaalt dat motorvoertuigen die in het maatschappelijk verkeer worden aangemerkt als klassieker niet automatisch als afgeschreven worden beschouwd. In deze gevallen wordt de waarde vastgesteld op basis van een taxatierapport van een erkend taxateur, omdat klassieke voertuigen een (aanzienlijke) waarde kunnen vertegenwoordigen ondanks hun leeftijd.

Lid 8: Een caravan of boot zijn bezittingen die meetellen bij het bepalen van het vermogen. Er is een uitzondering. Dat is als de cliënt de caravan of boot gebruikt als hoofdverblijf. Dat is vaak het geval bij een woonwagen en woonboot of –schip. In dat geval geldt de vrijlating voor een eigen woning. Deze staat in artikel 34, lid 2, onderdeel e van de wet. Voor de vaststelling van de waarde van een caravan of boot gaan we uit van de waarde in het economisch verkeer. Dit is de prijs die bij vrije verkoop redelijkerwijs kan worden verkregen. Via marktvergelijking kunnen wij de waarde bepalen. Hiervan kijken we naar vergelijkbare caravans of boten op Marktplaats.nl, Botentekoop.nl of andere caravan- en botenhandelsites. Daarbij wordt de laagste reële verkoopwaarde als uitgangspunt genomen.

Lid 9: Wanneer de aanvrager vermogen heeft dat meer is dan de vermogensvrijlating die wordt genoemd in artikel 34, derde lid van de Participatiewet, dan rekent de gemeente dit meervermogen volledig mee bij de berekening van de draagkracht.

Artikel 5.1.5 – Overige bepalingen

Lid 1: De draagkracht wordt vastgesteld op basis van het laatst bekende inkomen en wordt dan voor een jaar vastgesteld.

Net als bij aanvragers met wisselende inkomsten uit loondienst gaan we bij zelfstandigen, waaronder ZZP’ers, uit van de laatste drie maanden aan inkomsten indien de aanvrager de hoogte van dit inkomen in redelijkheid kan doorgeven bij de aanvraag. Soms is dit echt niet mogelijk, bijvoorbeeld wanneer de aanvrager geen goed inzicht heeft in het inkomen of wanneer er sprake is van lange betaaltermijnen en zeer wisselende kosten. Dan kan ervoor worden gekozen om uit te gaan van het inkomen zoals vermeld in de belastingaangiftes over het meest recente afgesloten kalenderjaar.

Lid 2: Bij de berekening van de draagkracht wordt het inkomen en vermogen van andere inwoners of kostendelers niet meegeteld.

Artikel 5.2 - Draagkracht uit inkomen en vermogen en draagkrachtperiode

Op grond van artikel 35, eerste lid, van de Participatiewet bepaalt het college het begin en de duur van de periode waarover het vermogen en het inkomen in aanmerking worden genomen.

Lid 1: De draagkracht berekend vanaf de toekenningsdatum. Een (periodieke) toekenning gaat dan ook in vanaf de toekenningsdatum van de kosten.

Lid 2:. Het komt bij Wajongers die in een inrichting verblijven voor dat er sprake is van draagkracht.

In deze gevallen ken je de bijzondere bijstand toe voor 12 maanden en geen 36 maanden.

Lid 3: Wanneer er sprake is van een substantiële financiële wijziging op grond waarvan de draagkracht opnieuw moet worden berekend is afhankelijk van de individuele situatie en wordt naar inzicht van het college bepaald. Een substantiële financiële wijziging is een wijziging waarvan de aanvrager redelijkerwijs had moeten weten dat deze wijziging van invloed is op het recht op bijzondere bijstand.

Lid 4: Als er draagkracht uit inkomen en vermogen is, wordt de volgende volgorde aangehouden voor de verrekening. De draagkracht uit vermogen moet als eerste worden verrekend. Dat is namelijk geld waar iemand nu al over beschikt. Vervolgens verreken je de draagkracht uit het inkomen..

Artikel 6 - Drempelbedrag

Artikel 35 lid 2 Participatiewet geeft de gemeente de mogelijkheid een drempel te stellen, wat wil zeggen dat bedragen onder een bepaalde hoogte niet worden vergoed. De gemeente Hoorn hanteert geen drempel voor de bijzondere bijstand.

Artikel 7.1 - Duurzame gebruiksgoederen

Lid 1: Van de aanvrager wordt verwacht dat hij of zij voor de kosten van duurzame gebruiksgoederen geld reserveert, of gebruik maakt van een lening. Als er sprake is van een schuldensituatie wordt de bijstand als gift verstrekt.

Artikel 7.2 – Verhuizing en woninginrichting

Lid 1 en 2: Voorbeelden van een verhuizing in een bijzondere situatie zijn:

  • Mensen die uit de crisisopvang komen en opnieuw moeten beginnen, zoals slachtoffers van eerwraak, mensenhandel of huiselijk geweld;

  • Voormalige dak- en thuislozen;

  • Mensen die na een langdurig verblijf in een verzorgings- of verplegingshuis weer zelfstandig gaan wonen en onvoldoende middelen hebben om deze verhuizing te betalen;

  • Mensen die na een langdurige detentieperiode een zelfstandige woning betrekken;

  • Jongeren die vanuit een crisissituatie zelfstandig gaan wonen;

  • Vluchtelingen met een voorlopige status die in Hoorn gehuisvest worden (statushouders).

Lid 3: Personen die vanuit zo’n situatie een zelfstandige woning betrekken, zijn in de meeste gevallen niet in staat geweest om geld te reserveren voor de noodzakelijke kosten die met het betrekken van een nieuwe woning gepaard gaan. Om die reden wordt bijzondere bijstand verstrekt. De kosten van woninginrichting zijn algemeen duurzame gebruiksgoederen die vanuit het inkomen of vermogen moeten worden betaald (door reservering) en worden als leenbijstand verstrekt. Bij de bepaling van de hoogte van de bijzondere bijstand wordt altijd uitgegaan van de goedkoopste oplossing.

Artikel 7.3 – Doorbetaling van vaste lasten bij verblijf in detentie

Lid 2: Gedetineerden hebben volgens artikel 13 van de Participatiewet geen recht op bijstand. Het college heeft besloten dat bijzondere bijstand mogelijk is voor de kosten van het aanhouden van de woning tijdens een detentieperiode van maximaal drie maanden. Dit met het doel om het huis te kunnen behouden en verdere problemen te voorkomen. De verstrekking van de bijzondere bijstand is ook voor de duur van maximaal drie maanden.

Artikel 7.4 – Kosten voor medisch, psychisch of leeftijd gerelateerde beperkingen

Lid 1: In dit artikel is opgenomen dat onder voorwaarden wel bijzondere bijstand mogelijk is voor pedicurekosten, de eigen bijdrage voor kosten van noodzakelijke maaltijdvergoeding (beide op declaratiebasis) en voor de servicekosten voor inwoners van een verzorgingshuis. Dit is dus in de gevallen als de zorgverzekeraar geen vergoeding biedt.

Artikel 7.5 - Uitvaartkosten

Lid 1: De kosten voor een uitvaart kunnen sterk variëren. Er wordt rekening gehouden met de persoonlijke voorkeur van de aanvragers tot een maximumbedrag van € 4.200.

Artikel 7.6 - Rechtsbijstand en griffierecht

Lid 1: Denk bij andere noodzakelijke kosten in verband met de rechtszaak bijvoorbeeld aan reiskosten, kosten van de dagvaarding, en kosten van getuigen of deskundigen.

Lid 2: In een beroepszaak kan de rechter contra-expertise vorderen. Deze kosten worden dan door justitie gedragen en komen daarom niet voor vergoeding vanuit de bijzondere bijstand in aanmerking.

Artikel 7.7 - Bewindvoering, curatele en mentorschap

lid 1 en 2: Normaliter moet bijzondere bijstand van te voren worden aangevraagd (zie art. 4). Omdat de bewindvoerder, mentor of curator pas kennis kan nemen van de hoogte van het inkomen van de onder bewind gestelde na de uitspraak van de rechter en na inventarisatie en beoordeling van de financiële gegevens, is het redelijk dat deze aanvragen voor bijzondere bijstand, en de verlenging hiervan, met enige terugwerkende kracht, namelijk drie maanden, kunnen worden gedaan.

Lid 4: Bij de WSNP wordt de bewindvoerder uit de boedel betaald, dus is er geen bijzondere bijstand mogelijk.

Artikel 7.8 - Reiskosten

Er wordt geen bijzondere bijstand verleend voor reiskosten die te maken hebben met (re)integratie. Deze kunnen worden voldaan vanuit het participatiebudget.

Er wordt altijd uitgegaan van het goedkoopste alternatief. Als het gaat om reizen per auto, wordt aan- gesloten op de kilometervergoeding van de Belastingdienst. In geval van carpoolen wordt de hoogte van de bijstand afgestemd op het aantal carpoolers. Op declaratiebasis.

In het geval van noodzakelijke reiskosten die een statushouder heeft naar een opleidingsinstituut, wordt vooraf het lesrooster overhandigd.

Artikel 7.9 Bijzondere bijstand voor overbrugging

Lid 1: In sommige gevallen komt iemand in financiële nood als een onvoorzienbare gebeurtenis leidt tot het plotseling wegvallen van inkomen en iemand niet over reserves beschikt. Er kan dan bijzondere bijstand worden verstrekt om in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Dit is ter over- brugging van een bepaalde periode totdat iemand een uitkering voor levensonderhoud ontvangt.

Lid 2: De hoogte van de overbrugging is maximaal de toepasselijke bijstandsnorm, exclusief vakantietoeslag. Deze wordt vastgesteld op het noodzakelijke bedrag.

Lid 3: De overbrugging wordt verstrekt in de vorm van leenbijstand tenzij er sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor de lening om niet moet worden verstrekt. Bij inwoners die aan hun inburgeringsplicht voldoen is sprake van bijzondere omstandigheden, de overbrugging wordt om niet verstrekt.

Artikel 8 - Woonkostentoeslag

Algemeen

Vanaf 2026 wordt de Huurtoeslag veranderd: meer mensen krijgen recht op deze toeslag. Wat is er veranderd:

  • Er is geen maximale huurgrens meer voor het aanvragen van Huurtoeslag;

  • De leeftijdsgrens voor jongeren is aangepast naar 21 jaar;

  • Servicekosten tellen niet meer mee;

  • De huurtoeslag wordt eerst aangevraagd bij de belastingdienst.

Vanaf 2026 kan met een hogere huur ook huurtoeslag aangevraagd worden. Dit kan als iemand aan alle andere voorwaarden van de huurtoeslag voldoet, zoals:

  • Het inkomen mag niet te hoog zijn.

  • Iemand mag niet te veel vermogen hebben.

  • Iemand woont in een zelfstandige woning.

De hoogte van de huurtoeslag wordt wel berekend met de maximale huur. In 2026 is deze maximale huur € 932,93 en voor jongeren tot 21 jaar is dat € 498,20. Bij een lagere huur wordt de huurtoeslag berekend met de huur die iemand nu betaalt.

Huurders hebben straks te maken met twee instanties: de Belastingdienst voor de huurtoeslag en de gemeente voor eventuele aanvulling.

Artikel 8.1 - Uitgangspunten woonkostentoeslag

Lid 1: De woonkostentoeslag is bedoeld voor de woonkosten van een woning.

Lid 2: Voor de huurtoeslag geldt vanaf 2026 een nieuwe leeftijdsgrens voor jongeren: 21 jaar. In 2025 is deze leeftijdsgrens nog 23 jaar. Jongeren onder de 18 jaar hebben geen recht op huurtoeslag behalve bij uitzondering.

Er wordt gekeken naar de oudste bewoner van het huishouden. Woont er iemand van 20 samen met iemand van 25? Dan telt de hogere huurgrens en dus niet die voor jongeren.

Lid 4: Aan toekenning en eventuele verlenging van een woonkostentoeslag is de verplichting verbonden dat de aanvrager zijn of haar best doet om goedkopere passende woonruimte te vinden of op een andere manier de woonkosten omlaag te brengen.

Lid 5: Met tekortschietend besef van verantwoordelijkheid wordt bedoeld dat iemand bijzondere bijstand aanvraagt terwijl dit te vermijden was. Denk bijvoorbeeld aan situaties waarbij de aanvrager door eigen toedoen in een situatie raakt die bijstandsverlening noodzakelijk maakt. In deze gevallen kan de bijzondere bijstand worden verstrekt in de vorm van een lening.

Artikel 9 - Collectieve zorgverzekering

De Participatiewet (artikel 35, derde lid) biedt de mogelijkheid om categoriale bijzondere bijstand te verstrekken in de vorm van een collectieve zorgverzekering of een tegemoetkoming in de premie daarvoor. Hoorn biedt zo’n collectieve zorgverzekering aan voor inwoners van Hoorn met een inkomen dat lager of gelijk is aan 120 % van de bijstandsnorm.

De collectieve zorgverzekering biedt tegen een gereduceerde premie een verplichte basisverzekering aan in combinatie met een aanvullende zorgverzekering. Iedereen die aan de inkomensvoorwaarde voldoet kan zonder medische keuringen deelnemen.

De wettelijke eigen bijdrage is iets anders dan het verplicht eigen risico. Het verplicht eigen risico geldt voor alle verzekerden. Dit bedrag wordt jaarlijks door de verzekeraar bepaald en moet door de verzekerde zelf worden betaald.

Toelichting Hoofdstuk 2 Beleidsregels Individuele Inkomenstoeslag

Artikel 10. Voorwaarden individuele inkomenstoeslag

Iedere aanvraag wordt beoordeeld aan de hand van de criteria in artikel 36 van de Participatiewet en die in de Verordening individuele inkomenstoeslag Participatiewet, maar ook op de vraag of er sprake is van uitzicht op inkomensverbetering en ook op de verrichte inspanningen om tot inkomensverbetering te komen. Bij elke aanvraag dienen dan ook de krachten en bekwaamheden van de aanvrager (en eventuele partner) en de inspanningen die aanvrager heeft verricht om tot inkomensverbetering te komen, in ogenschouw te worden genomen. Als dit is beoordeeld, kan pas worden vastgesteld of de aanvrager (en/of de eventuele partner) uitzicht heeft op inkomensverbetering. Alleen als daar geen uitzicht op is en er wordt voldaan aan de overige voorwaarden voortvloeiend uit artikel 36 van de wet, de bepalingen in de verordening en in de beleidsregels, is er recht op de individuele inkomenstoeslag.

Als in de periode van 12 maanden voorafgaand aan de peildatum geen boete- en/of maatregelwaardige gedragingen hebben plaatsgevonden wordt ervan uitgegaan, dat er voldoende inspanningen zijn geleverd.

ls één van de echtgenoten uitgesloten van het recht op individuele inkomenstoeslag, anders dan vanwege het niet voldoen aan de voorwaarden van artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet, dan komt de rechthebbende partner wel in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag. Het gaat hier om een partner die op een van de in artikelen 11 of 13 lid 1 van de Participatiewet genoemde gronden geen recht heeft op bijstand. Als slechts één partner recht heeft op individuele inkomenstoeslag, komt deze rechthebbende partner in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag naar de hoogte die voor hem als alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden. Dat is geregeld in artikel 4 lid 2 van de verordening Inkomenstoeslag.

Artikel 11. Recht op individuele inkomensverbetering

Personen met een uitkering voor levensonderhoud op grond van de Participatiewet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers dan wel de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, die de hieraan verbonden verplichtingen in voldoende mate zijn nagekomen, worden geacht voldoende inspanningen te hebben geleverd om tot inkomensverbetering te komen.

Volledig en duurzaam arbeidsongeschikt (zoals bij artikel 9, lid 5, Participatiewet) is hij of zij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen1 per uur (zie artikel 4 van de wet Werk en Inkomen naar arbeidsvermogen). Onder duurzaam wordt verstaan een medisch stabiele of verslechterde situatie. Onder duurzaam wordt mede verstaan een medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat.

Een volledig duurzaam arbeidsongeschikte heeft per definitie geen uitzicht op betaalde arbeid en de daarmee samenhangende inkomensverbetering. Een persoon die op de peildatum een ontheffing van de arbeidsverplichting heeft gekregen heeft ook geen zicht op inkomensverbetering.

Een studie kan op termijn uitzicht geven op inkomensverbetering.

Dit artikel is geen limitatieve opsomming.

1 Het maatmaninkomen is het loon dat iemand zou verdienen als die persoon niet ziek of arbeidsongeschikt was geworden

Artikel 12 Aanvraag

Lid 1: Een verzoek voor een Individuele inkomenstoeslag als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet wordt ingediend middels een door het college vastgesteld formulier.

Lid 2 + 3: ls er na een jaar sprake van ongewijzigde omstandigheden en bestaat er volgens de gemeente opnieuw een aanspraak op een bijdrage, dan kan deze bijdrage ambtshalve worden verleend. Dit beperkt de administratieve lasten en bevordert een snelle afhandeling.

Artikel 13 Referteperiode statushouders

In het kader van artikel 36 Participatiewet wordt voor statushouders de periode van verblijf in het buitenland betrokken bij de vaststelling van de referteperiode die geldt voor de beoordeling van het recht op individuele inkomenstoeslag.

Deze periode wordt slechts in aanmerking genomen indien de aanvrager aannemelijk maakt dat gedurende het verblijf in het buitenland geen sprake was van in aanmerking te nemen middelen als bedoeld in artikel 31 Participatiewet, noch van vermogen als bedoeld in artikel 34 Participatiewet, en dat evenmin sprake was van een reëel en concreet perspectief op inkomensverbetering.

Indien aan deze voorwaarden is voldaan, wordt de periode van verblijf in het buitenland aangemerkt als periode waarin het inkomen niet hoger was dan de toepasselijke bijstandsnorm en waarin geen uitzicht bestond op inkomensverbetering, zoals vereist voor toekenning van de individuele inkomenstoeslag.

Toelichting Hoofdstuk 3 Beleidsregels Studietoeslag

Algemeen

Doel van de studietoeslag is om jongeren met een structurele medische beperking die niet kunnen

bijverdienen naast hun studie, een extra (financiële) steun in de rug te bieden. Dat moet ertoe leiden dat meer mensen met een arbeidsbeperking gaan studeren en daarmee een betere kans op de arbeidsmarkt hebben.

Vanaf 1 april 2022 is de regeling van de studietoeslag in de Participatiewet gewijzigd. Uit onderzoek bleek namelijk dat het doel van de regeling niet altijd werd bereikt, omdat de studietoeslag in sommige gemeenten (te) laag was of er te strenger voorwaarden golden.

De aangepaste studietoeslag met minimumbedragen trad op 1 april 2022 in werking. De bedragen voor de studietoeslag en de vrijlating van de stagevergoeding zijn uitgewerkt in een AMvB. Het college verstrekt studietoeslag op grond van het nieuwe artikel 36b van de Participatiewet. Op 28 maart 2024 heeft de Raad de beleidsnota ‘Gelijke kansen voor een zeker bestaan’ vastgesteld. Daarin is afgesproken om de voorwaarden en uitvoering van de studietoeslag aan te passen naar het wettelijk minimum. Met deze nieuwe beleidsregel wordt hier toepassing aan gegeven.

Geen bijstand meer maar toeslag

De studietoeslag is vanaf 1 april 2022 geen bijstand meer. Daarom is er geen vermogenstoets. Ook de gegevens over de woon/leef situatie (gezinssamenstelling) zijn niet van invloed op het recht. Er geldt een leeftijdsgrens van 15 jaar. Het recht is gekoppeld aan het ontvangen van studiefinanciering op grond van de WSF of een tegemoetkoming op grond van de WTOS.

Ontvangst of recht op studiefinanciering WSF of een tegemoetkoming op grond van de WTOS

In de wettekst van artikel 36b van de Participatiewet staat dat een aanvraag kan worden gedaan als iemand studiefinanciering of WTOS ontvangt. Dit moet zo worden gelezen: er bestaat recht op studietoeslag als er recht bestaat op studiefinanciering op grond van de WSF 2000 of een tegemoetkoming op grond van hoofdstuk 4 WTOS. Of er recht bestaat blijkt uit een beschikking van DUO. Voor het moment waarop is voldaan aan de voorwaarden voor studietoeslag is niet de datum van ontvangst van studiefinanciering of WTOS van belang, maar de datum vanaf wanneer het recht bestaat.

Voorbeeld: De inwoner begint op 1 september 2022 met een opleiding, heeft recht op studiefinanciering met ingang van 1 december 2022 en ontvangt deze voor het eerst op 22 december 2022. Dan bestaat er recht op studietoeslag met ingang van 1 december 2022.

Structurele medische beperking

Een aanvrager moet als rechtstreeks gevolg van een ziekte of gebrek structureel niet in staat zijn naast de studie inkomsten te verdienen. Dit wordt aangeduid als een aanvrager met een structurele medische beperking. Zie de artikelsgewijze toelichting voor uitleg wat hiermee wordt bedoeld. Het gaat hierbij alleen om inkomsten uit loondienst of als zelfstandige. Ander inkomen, zoals alimentatie, is niet relevant. Er is geen inkomenstoets voor de studietoeslag en dus ook geen inkomstenkorting.

Inlichtingenplicht en terugvordering Participatiewet

Op grond van artikel 36b lid 4 van de Participatiewet geldt een aparte inlichtingenplicht voor de studietoeslag. Als de inlichtingenplicht wordt geschonden en achteraf blijkt dat op basis van onjuiste informatie ten onrechte of tot een te hoog bedrag studietoeslag is verstrekt, dan vindt terugvordering plaats op grond van artikel 58 Participatiewet overeenkomstig de regels terugvordering van bijstand. Dit volgt uit artikel 58 lid 6 van de Participatiewet.

Stage en stagevergoeding

Stage is vaak een verplicht onderdeel van de opleiding. Maar ook een stage die niet verplicht is draagt bij aan het vergroten van de toekomstige kansen op de arbeidsmarkt. Onverplichte stages of niet formeel door de onderwijsinstelling erkende stages vallen dus ook onder de vrijlating. Vereist is alleen dat de stage plaatsvindt in het kader van de studie.

Stages die plaatsvinden in het kader van de studie (zowel verplicht als onverplicht) vallen onder de vrijlatingsregeling zoals opgenomen in de wet.

Omdat een wettelijke definitie van het begrip stage ontbreekt, kunnen er onduidelijkheden ontstaan, met name als er ook, of alleen, productieve werkzaamheden worden uitgevoerd en er juridisch sprake is van een arbeidsovereenkomst.

Als er (ook) sprake is van een arbeidsovereenkomst valt dit niet onder de reikwijdte van artikel 36b lid 5 van de Participatiewet. Betaald werk kan natuurlijk van belang zijn of te maken hebben met de studie die wordt gevolgd maar het verstrekken van studietoeslag in combinatie hiermee verhoudt zich niet met de voorwaarden genoemd in artikel 36b lid 1 van de Participatiewet.

Artikelsgewijs

Artikel 14 Structurele medische beperking

De aanvrager die als rechtstreeks gevolg van een ziekte of gebrek structureel niet in staat is naast de studie inkomsten te verwerven wordt in de beleidsregels aangeduid als een aanvrager met een structurele medische beperking. Onder een medische beperking wordt zowel een fysieke als psychische beperking verstaan. Een individuele sociale beperking zoals het verlenen van mantelzorg valt niet onder deze regeling omdat die niet voortkomt uit een in de persoon gelegen ziekte of medisch gebrek.

De beperking moet structureel (dus langdurig) van aard zijn en ernstig genoeg om een rechtstreeks verband te kunnen leggen met het niet in staat zijn naast de studie inkomsten te kunnen verdienen.

Voor structureel hanteren we een termijn van 12 maanden. We sluiten hiermee aan bij andere wetgeving binnen het sociale zekerheidsstelsel. Een gebroken been of een medische ingreep met een te verwachten hersteltermijn van minder dan 12 maanden is dus geen structurele medische beperking.

Ook zijn er medische beperkingen die wel structureel zijn, maar iemand niet of beperkt belemmeren om naast de studie inkomsten te verwerven, zoals (milde en enkelvoudige) dyslexie, astma, diabetes, slechtziendheid of een milde vorm van reuma. Natuurlijk moet het college altijd per geval kijken of voldaan is aan de voorwaarden. Het is daarbij niet relevant dat iemand door economische omstandigheden geen inkomsten kan verwerven.

Inkomstenverwerving in combinatie met een studie

In deze beleidsregel is invulling gegeven aan het begrip structurele medische beperking waarbij een onlosmakelijk onderdeel hiervan is dat iemand niet in staat is inkomsten te verwerven naast een studie. Het is aan het college om binnen de kaders van de wet te bepalen wanneer een aanvrager in staat is een eigen inkomen te verwerven naast een voltijdsstudie, zonder dat dit ten koste gaat van de tijd die nodig is om de studie met succes af te ronden. Het college mag geen generieke regels stellen over wanneer een beperking dusdanig is dat iemand naast de studie niet meer kan werken. Dit is een individuele beoordeling die in principe door de medisch adviseur wordt gedaan.

Voor de afweging of mogelijkheden om inkomsten uit arbeid te verkrijgen al dan niet ten koste gaan van de tijd die nodig is om een bepaalde studie af te ronden wordt rekening gehouden met een gebruikelijke studievertraging. Enige vertraging door het verwerven van inkomsten is gebruikelijk, ook voor studenten zonder medische beperking.

Geringe en / of incidentele inkomsten

Gelet op de toelichting bij artikel 36b Participatiewet wordt onder het niet kunnen verwerven van inkomsten bedoeld in het geheel geen inkomsten te kunnen verdienen naast de studie.

Dat betekent dat het college de studietoeslag moet stopzetten als een student wel inkomsten heeft uit arbeid. De omvang van de werkzaamheden of de genoten inkomsten zijn daarbij niet relevant.

Dat geldt ook bij een vakantiebaan. Studenten die in de (zomer)vakantie gaan werken, verliezen tijdelijk het recht op studietoeslag. Ze kunnen na de vakantie wel een nieuwe, verkorte, aanvraag indienen.

Artikel 15 Aanvraag

In dit artikel staat hoe een aanvraag moet worden ingediend (lid 1). Ook is bepaald welke stukken de aanvrager moet verstrekken bij de aanvraag (lid 2). Deze stukken moet de aanvrager verplicht verstrekken mits die stukken van toepassing zijn. In lid 3 staat dat de aanvrager ook een deskundigenverklaring kan verstrekken. Dit hoeft niet. Maar het kan wel helpen om de medische situatie van aanvrager inzichtelijk te maken. Het inleveren van een deskundigenverklaring betekent niet automatisch dat een medisch advies voor de beoordeling of recht op studietoeslag bestaat niet meer nodig is. Maar soms kan uit de door aanvrager ingeleverde stukken wel al duidelijk zijn dat er sprake is van een structurele medische beperking. Dan kan een medisch advies door een onafhankelijke deskundige achterwege blijven.

Aanvrager hoeft niet te laten weten welke medische beperking hij heeft. Onder bewijs van de structurele medische beperking wordt verstaan een verklaring van een arts of het UWV waaruit dit blijkt. De deskundigenverklaring hoeft nadrukkelijk geen medische gegevens van de aanvrager te bevatten. Dit zijn bijzondere persoonsgegevens die alleen aan een medische deskundige voor de uitvoering van het medisch advies hoeven te worden gegeven. De verklaring hoeft zich slechts te richten op de vraag of de aanvrager in staat is een eigen inkomen te verwerven naast een voltijd studie, zonder dat dit ten koste gaat van de tijd die benodigd is om de studie met succes af te ronden.

Artikel 16 Toekennen

Het verstrekken van een studietoeslag is een gebonden bevoegdheid. Dat betekent dat als een aanvrager aan de wettelijke voorwaarden voldoet, er recht op studietoeslag bestaat. De wet voorziet niet in een verbod om met terugwerkende kracht studietoeslag te verlenen. Artikel 44 lid 1 van de Participatiewet is immers niet van overeenkomstige toepassing verklaard voor de studietoeslag.

Dit betekent dat een aanvrager recht op studietoeslag heeft tot 5 jaar voorafgaand aan de dag waarop hij zijn aanvraag heeft ingediend. Dat komt omdat financiële aanspraken jegens de overheid op grond van de rechtszekerheid tot een termijn van vijf jaren in rechte afdwingbaar zijn. De terugwerkende kracht kan niet verder gaan dan 1 april 2022 aangezien vanaf die datum de nieuwe regels voor de studietoeslag gelden. Dit is vastgelegd in lid 3.

Het college hoeft niet ambtshalve te onderzoeken of een aanvrager met terugwerkende kracht recht heeft op studietoeslag. Dit hoeft alleen als aanvrager daarom verzoekt. Dit is neergelegd in lid 2 van dit artikel. De gedachte hierachter is dat het in lijn in met het doel van de regeling om studietoeslag toe te kennen met ingang van de datum waarop de studietoeslag wordt aangevraagd. Het doel is namelijk het bieden van een steuntje in de rug van mensen met een medische beperking zodat zij zich op het studeren kunnen focussen. Dit omdat de combinatie met een bijbaan niet mogelijk is. Het verlenen van terugwerkende kracht wordt dit alleen op verzoek toegekend.

Uit lid 2 volgt ook dat aanvrager aannemelijk moet maken dat hij ook al voorafgaande aan de aanvraag een structurele medische beperking had die ervoor zorgde dat hij niet kon werken naast de studie. Dat zal niet altijd makkelijk zijn om aan te tonen. Het kan bijvoorbeeld blijken uit de medische voorgeschiedenis, eventueel in combinatie met het medisch advies.

Indien in de periode waarover de studietoeslag wordt met terugwerkende kracht aangevraagd, inkomsten uit arbeid of inkomsten als zelfstandige zijn geweest, is het in beginsel over de hele periode in het verleden niet aannemelijk dat de aanvrager aan de voorwaarden van de studietoeslag voldoet.

Het college waar de aanvrager in de periode waarop de kosten betrekking hebben zijn woonplaats had is bevoegd tot het verstrekken van algemene bijstand. In artikel 36b lid 6 is artikel 40 lid 1 van de Participatiewet van overeenkomstige toepassing verklaard. Om die reden kan de studietoeslag alleen met terugwerkende kracht worden toegekend over een periode dat een aanvrager woonplaats in de gemeente had.

De duur van de studietoeslag is in principe gelijk aan de duur van de studiefinanciering. Hiervan wordt afgeweken indien uit het medisch advies nadrukkelijk volgt dat er zicht is op verbetering van de medische situatie met consequenties voor het recht op de studietoeslag. In lid 4 is bepaald dat de studietoeslag in dat geval, in afwijking van de hoofdregel, wordt verstrekt voor de periode die in het medisch advies is genoemd.

Artikel 17 Hoogte studietoeslag

Bij het vaststellen van het bedrag voor de doelgroep jonger dan 21 jaar kiest de regering voor een lager minimumbedrag voor de studietoeslag dat evenredig is aan de verhouding van het toepasselijke Jeugd-wettelijk minimumloon (WML) ten opzichte van het reguliere WML. De hoogte van de studietoeslag is dus afhankelijk van de leeftijd. Het recht op een hoger bedrag op grond van leeftijd ontstaat op de dag waarop een persoon jarig is.

Toepassing van de wet leidt ertoe dat als een aanvrager jarig wordt in een maand en dat leidt tot een hogere studietoeslag, de studietoeslag over die maand naar rato wordt berekend. De hoogte bestaat dan: uit een percentage vermenigvuldigd met de norm voor de leeftijd voor de verjaardag en een percentage vermenigvuldigd met de norm voor de leeftijd sinds de verjaardag.

Het college mag ten gunste afwijken van de normen bepaald in de AMvB. Het college kiest ervoor dit te doen in de maand waarin aanvrager jarig wordt. Dit om de uitvoering van de studietoeslag te vereenvoudigen. In de maand dat aanvrager jarig wordt en dit leidt tot een hoger bedrag aan studietoeslag, wordt de studietoeslag in die maand gebaseerd op het bedrag dat geldt voor de leeftijd waarop aanvrager jarig is. Dit is geregeld in lid 3. Dus stel aanvrager wordt op 25 juli 20 jaar. Dan wordt de studietoeslag voor de hele maand juli berekend naar het bedrag voor een 20-jarige.

Artikel 18 Medisch advies

Artikel 36b lid 2 van de Participatiewet biedt de mogelijkheid om af te zien van een medisch advies. Het college kan dit doen op grond van bij het college bekende gegevens of door de aanvrager verstrekte gegevens. Dit kan alleen als op voorhand duidelijk is dat er recht bestaat op een studietoeslag.

Het afzien van een medisch advies mag niet ten nadele van aanvrager zijn. De aanvrager houdt de mogelijkheid een beroep te doen op een onafhankelijk medisch oordeel.

Onder c, d en e wijkt het college af van de hoofdregel. Dit kan alleen omdat al vaststaat dat er geen recht bestaat op studietoeslag. Een medisch advies heeft dan geen invloed meer op het recht op studietoeslag. Dit is het geval als aanvrager is uitgesloten van het recht op studietoeslag. Dit omdat aanvrager geen studiefinanciering ontvangt of een tegemoetkoming op grond van de WTOS. Dit is ook het geval als aanvrager een Wajong-uitkering ontvangt.

Ook is dit het geval als aanvrager al werkt naast de studie (behalve als het een stage betreft). In dat geval bestaat er geen recht omdat aanvrager kennelijk in staat is om te werken naast de studie.

Artikel 19 Nieuw medisch advies bij zicht op verbetering

Als het medisch advies daartoe aanleiding geeft kan een nieuw medisch advies worden aangevraagd, gedurende de lopende studietoeslag. Dit is ook mogelijk indien een andere persoonlijke situatie van de aanvrager hiertoe aanleiding geeft. Afhankelijk van de uitkomst van het onderzoek heeft dit wel of geen gevolgen voor de studietoeslag. In artikel 16 lid 4 is geregeld dat de duur van de studietoeslag beperkt kan worden indien dit nadrukkelijk is geadviseerd.

Toelichting Hoofdstuk 4 Meedoenbudget

Het Meedoen Budget is de uitvoering van de bevoegdheid van artikel 108 Gemeentewet, de bevoegdheid tot regeling van de huishouding van de gemeente. Inwoners die een bijstandsuitkering via WerkSaam ontvangen krijgen deze voorziening standaard van de gemeente Hoorn.

Gemeente Hoorn zet elk jaar een geldbedrag op de HoornPas — het meedoenbudget — wat besteed kan worden aan activiteiten zoals sportlessen, theater, cursussen en meer.

Het tegoed kan niet worden opgenomen als contant geld. De activiteiten kunnen via de HoornPas rechtstreeks bij de deelnemende organisaties afgerekend worden.

Toelichting Hoofdstuk 5 Kindpakket

Het Kindpakket is de uitvoering van de bevoegdheid van artikel 108 Gemeentewet, de bevoegdheid tot regeling van de huishouding van de gemeente.

Dit is een aparte voorziening voor kinderen tot 18 jaar om de gevolgen van het lage inkomen van de ouder(s)/ verzorger(s) van een kind zoveel mogelijk te beperken. Door dit Kindpakket kunnen kinderen zoveel mogelijk meedoen aan de samenleving net als alle andere kinderen van ouders/ verzorger(s) die geen laag inkomen hebben.

Het college spant zich in om zoveel mogelijk waardevolle faciliteiten voor kinderen door samenwerking tot stand te laten komen waarmee het Kindpakket kan worden aangevuld.

Ondertekening


Noot
1 Het maatmaninkomen is het loon dat iemand zou verdienen als die persoon niet ziek of arbeidsongeschikt was geworden