Gemeenschappelijke regeling Dienst Gezondheid & Jeugd Zuid-Holland Zuid

Geldend van 14-04-2026 t/m heden

Intitulé

Gemeenschappelijke regeling Dienst Gezondheid & Jeugd Zuid-Holland Zuid

Lorem

De colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Alblasserdam, Dordrecht, Gorinchem, Hardinxveld-Giessendam, Hendrik-Ido-Ambacht, Hoeksche Waard, Molenlanden, Papendrecht, Sliedrecht en Zwijndrecht;

overwegende:

dat in de Wet publieke gezondheid de verplichting is opgenomen dat de colleges van burgemeester en wethouders die behoren tot een regio als bedoeld in de

Wet veiligheidsregio’s, via het treffen van een gemeenschappelijke regeling zorg moeten dragen voor de instelling en instandhouding van een regionale gezondheidsdienst in die regio;

gelet op de Wet gemeenschappelijke regelingen;

b e s l u i t e n :

de gemeenschappelijke regeling Dienst Gezondheid & Jeugd Zuid-Holland Zuid te wijzigen [achtste wijziging] en als volgt vast te stellen:

Hoofdstuk 1 Begripsbepalingen

Artikel 1

  • 1.

    In deze regeling wordt verstaan onder:

    • a.

      deelnemende gemeente: een aan de regeling deelnemende gemeente;

    • b.

      gebied: het grondgebied van de deelnemende gemeenten;

    • c.

      jeugdhulp: jeugdhulp, op preventie gerichte ondersteuning van jeugdigen, jeugdreclassering en het voorzien in kinderbeschermingsmaatregelen, zoals bedoeld in de Jeugdwet.

    • d.

      programma: een programma in de begroting van het samenwerkingsverband, zoals bedoeld in artikel 8 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten (BBV);

    • e.

      regeling: deze gemeenschappelijke regeling;

    • f.

      samenwerkingsverband: het rechtspersoonlijkheid bezittend openbaar lichaam als bedoeld in artikel 2 van deze regeling;

    • g.

      Veilig Thuis: een advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling, zoals bedoeld in artikel 4.1.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

    • h.

      wet: de Wet gemeenschappelijke regelingen;

  • 2.

    Waar in deze regeling artikelen van de Gemeentewet of van enige andere wet of wettelijke regeling van overeenkomstige toepassing worden verklaard, komen in die artikelen in de plaats van de gemeente, de gemeenteraad, het college en de burgemeester, onderscheidenlijk het samenwerkingsverband, het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter.

Hoofdstuk 2 Het openbaar lichaam

Artikel 2

  • 1.

    Er is een openbaar lichaam genaamd: Dienst Gezondheid & Jeugd Zuid-Holland Zuid.

  • 2.

    Het openbaar lichaam is rechtspersoon als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de wet en is gevestigd in Dordrecht.

Hoofdstuk 3 Doel en belangen

Artikel 3

Het samenwerkingsverband heeft tot doel het behartigen van de belangen van de deelnemende gemeenten door het adviseren over en uitvoeren van taken op de volgende gebieden:

  • 1.

    publieke gezondheid;

  • 2.

    onderwijs;

  • 3.

    jeugdhulp;

  • 4.

    de maatschappelijke ondersteuning, in het bijzonder huiselijk geweld en kindermishandeling.

Hoofdstuk 4 Taken en bevoegdheden

Afdeling 1 Taken en bevoegdheden

Artikel 4

Het samenwerkingsverband voert taken uit op de in artikel 3 genoemde gebieden. De daarmee samenhangende bevoegdheden worden in en door deze regeling door de deelnemende gemeenten aan het algemeen bestuur gedelegeerd. Het algemeen bestuur kan deze bevoegdheden delegeren aan het dagelijks bestuur. Waar sprake is van bevoegdheden waarvoor de deelnemende gemeenten organen van het samenwerkingsverband hebben gemandateerd, wordt dat specifiek vermeld.

  • I.

    Publieke gezondheid

  • Het samenwerkingsverband voert op het gebied van de Publieke Gezondheid de volgende taken uit:

    • 1.

      het verwerven van, op epidemiologische analyse gebaseerd, inzicht in de gezondheidssituatie van de bevolking;

    • 2.

      het elke vier jaar, voorafgaand aan de opstelling van de nota gemeentelijke gezondheidsbeleid, bedoeld in artikel 13, tweede lid van de Wet publieke gezondheid, op landelijk gelijkvormige wijze verzamelen en analyseren van gegevens over deze gezondheidssituatie;

    • 3.

      het bewaken van gezondheidsaspecten in bestuurlijke beslissingen;

    • 4.

      het bijdragen aan opzet, uitvoering en afstemming van preventieprogramma’s, met inbegrip van programma’s voor de gezondheidsbevordering;

    • 5.

      het bevorderen van medisch milieukundige zorg;

    • 6.

      het bevorderen van technische hygiënezorg;

    • 7.

      het bevorderen van psychosociale hulp bij rampen;

    • 8.

      het geven van prenatale voorlichting aan aanstaande ouders;

    • 9.

      het aanbieden van een vrijwillig prenataal huisbezoek door de organisatie die voor het college de jeugdgezondheidszorg verricht, voor zover daartoe aanleiding is na toepassing van een adequaat signaleringsinstrument, alsmede het in dat kader door het college bepalen van de omvang van deze doelgroep;

    • 10.

      de uitvoering van de jeugdgezondheidszorg;

    • 11.

      de uitvoering van de ouderengezondheidszorg;

    • 12.

      de uitvoering van de algemene infectieziektebestrijding;

    • 13.

      het houden van toezicht als bedoeld in artikel 1.61 van de Wet kinderopvang;

    • 14.

      het houden van toezicht als bedoeld in artikel 6.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

    • 15.

      het namens het college uitoefenen van de Openbare Geestelijke Gezondheidszorg (OGGZ), onderverdeeld in:

      • a.

        het in stand houden van een Meldpunt Zorg en Overlast voor de toeleiding naar niet-acute zorg en overlast als bedoeld in artikel 2.1.1 van de Wet maatschappelijk ondersteuning 2015 en artikel 172 van de Gemeentewet;

      • b.

        het in stand houden van een Meldpunt Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg voor de toeleiding naar acute zorg als bedoeld in hoofdstuk 6 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg.

  • II.

    Onderwijs

  • Het samenwerkingsverband voert op het gebied van het Onderwijs de volgende taken uit:

    • 1.

      Het bewaken van de leerplicht en de kwalificatieplicht door het als bevoegd gezag uitvoeren van de Leerplichtwet.

    • 2.

      Het voorkomen van voortijdig schoolverlaten door het namens het college uitvoeren van de Regionale Meld- en Coördinatiefunctie, als bedoeld in de Regels inzake regionale meld- en coördinatiefunctie voortijdig schoolverlaten, na inwerkingtreding van de Wet Van school naar duurzaam werk, Doorstroompunt genoemd.

  • III.

    Jeugdhulp

    • 1.

      Het samenwerkingsverband voert op het gebied van Jeugdhulp als bevoegd gezag de volgende taken uit:

      • a.

        de inkoop en het contractmanagement ten aanzien van jeugdhulpaanbieders en Gecertificeerde Instellingen;

      • b.

        clientadministratie en facturatie;

      • c.

        advies, informatievoorziening en verantwoording;

      • d.

        contractbeheer en projectleiding.

    • 2.

      Het samenwerkingsverband voert op het gebied van Jeugdhulp namens het college de volgende taken uit:

      • a.

        de bevoegdheden van het college als bedoeld in de hoofdstukken 1, 2, 6, 7, 8 en 10 van de Jeugdwet;

      • b.

        de bevoegdheden van het college als bedoeld in de Verordening jeugdhulp en de daarop gebaseerde regels van elke deelnemende gemeente;

      • c.

        het verrichten van proceshandelingen en het vertegenwoordigen van het bevoegd orgaan in bestuursrechtelijke en civiele procedures ten aanzien van de taken en bevoegdheden zoals bedoeld in dit artikel.

  • IV.

    Huiselijk geweld en kindermishandeling

  • Het samenwerkingsverband voert op het gebied van Huiselijk geweld en kindermishandeling de volgende taken uit:

    • a.

      Het uitvoeren van de taken en bevoegdheden van Veilig Thuis als bedoeld in hoofdstuk 4 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

    • b.

      Het uitvoeren van de taken en bevoegdheden in de Jeugdwet en de daaronder vallende regelingen, voor zover deze betrekking hebben op Veilig Thuis;

    • c.

      Het in stand houden van een regionaal crisisinterventieteam voor acuut onveilige situaties;

    • d.

      de risicotaxatie en de procesregie voor de uitvoering van de Wet tijdelijk huisverbod.

Artikel 5

  • 1.

    De in artikel 4 genoemde taken en bevoegdheden worden nader omschreven en uitgewerkt in een vierjaarlijks door het algemeen bestuur vast te stellen meerjarig beleidsplan.

  • 2.

    Het meerjarig beleidsplan omvat een globaal overzicht van de in het op de vaststelling volgende vier jaar te ondernemen activiteiten, alsmede een globaal overzicht van de financiële gevolgen van deze activiteiten zoals die jaarlijks in de begroting zullen worden opgenomen.

  • 3.

    Het ontwerp meerjarig beleidsplan wordt tenminste acht weken voor de aanbieding aan het algemeen bestuur door het dagelijks bestuur toegezonden aan de raden van de deelnemende gemeenten, zodat zij hierop hun zienswijze kenbaar kunnen maken.

  • 4.

    Behoudens het bepaalde in het derde lid van dit artikel en het bepaalde in artikel 34, tweede en derde lid van deze regeling zal het algemeen bestuur door tussenkomst van het dagelijks bestuur de gemeenteraden ook om een zienswijze vragen over onderwerpen en besluiten, waarover naar haar oordeel een zienswijze van de gemeenteraden wenselijk en mogelijk is.

Afdeling 2 Dienstverlening

Artikel 6

  • 1.

    Het samenwerkingsverband is bevoegd tot het verrichten van diensten voor een of meer deelnemende gemeenten en andere publiekrechtelijke organisaties, indien deze daarom verzoeken en het algemeen bestuur dat verzoek inwilligt.

  • 2.

    Het samenwerkingsverband is bevoegd tot het verrichten van diensten voor instellingen en organen waarin het namens de deelnemende gemeenten zitting heeft, indien de desbetreffende instelling of het orgaan hierom verzoekt en het algemeen bestuur dat verzoek inwilligt.

  • 3.

    Een besluit tot dienstverlening vermeldt de wijze van kostenverrekening en de overige voorwaarden waaronder tot de gevraagde dienstverlening wordt overgegaan.

Afdeling 3 Het aangaan van regelingen met derden

Artikel 7

De bestuursorganen van het samenwerkingsverband hebben ter verwezenlijking van de taken die zijn opgenomen in deze regeling de bevoegdheid om een gemeenschappelijke regeling aan te gaan als bedoeld in hoofdstuk IX van de wet, of toe te treden tot een gemeenschappelijke regeling als bedoeld in hoofdstuk VIII van de wet.

Afdeling 4 Privaatrechtelijke rechtshandelingen en de voorbereiding daarvan

Artikel 7a

  • 1.

    Het samenwerkingsverband heeft de beschikking over alle hem van rechtswege toekomende bevoegdheden om aan het maatschappelijk verkeer deel te nemen als bedoeld in artikel 31 van de wet.

  • 2.

    Het samenwerkingsverband is bevoegd tot de oprichting van en de deelneming in privaatrechtelijke rechtspersonen, met inachtneming van het daarover bepaalde in artikel 31a van de wet.

  • 3.

    Het samenwerkingsverband is bevoegd tot verlening van een uitsluitend recht in de zin van artikel 18 van de Richtlijn 2014/24/EU en artikel 2.24, onder a, van de Aanbestedingswet, ter zake van dienstverlening op het gebied van personeelsaangelegenheden, informatisering en automatisering en telefonie, alsmede op het gebied van financiële en juridische dienstverlening.

Hoofdstuk 5 Bestuursorganen

Artikel 8

Het bestuur van het samenwerkingsverband bestaat uit:

  • a.

    het algemeen bestuur;

  • b.

    het dagelijks bestuur;

  • c.

    de voorzitter.

Afdeling 1 Het algemeen bestuur

Artikel 9 De samenstelling

  • 1.

    Het algemeen bestuur bestaat uit de voorzitter en uit leden die door de colleges van de deelnemende gemeenten uit hun midden worden aangewezen.

  • 2.

    Het algemeen bestuur bestaat, naast de voorzitter, uit evenveel leden als het aantal gemeenten dat aan de regeling deelneemt. Iedere gemeente wordt door één lid vertegenwoordigd. Ieder lid heeft een plaatsvervanger.

Artikel 10

  • 1.

    De colleges van de deelnemende gemeenten beslissen zo spoedig mogelijk na de eerste vergadering van elke nieuwe zittingsperiode over de aanwijzing van de leden van het algemeen bestuur.

  • 2.

    Het lidmaatschap van een lid van het algemeen bestuur eindigt op de dag waarop het betreffende college uit zijn midden een ander lid aanwijst, zoals bedoeld in artikel 9, eerste lid.

  • 3.

    Indien tussentijds een plaats van een lid van het algemeen bestuur vacant of beschikbaar komt, wijst het college dat het aangaat in zijn eerstvolgende vergadering

  • of zo spoedig mogelijk daarna een nieuw lid aan.

  • 4.

    Het lidmaatschap van het algemeen bestuur is onverenigbaar met de betrekking van ambtenaar aangesteld door of vanwege het samenwerkingsverband of daaraan ondergeschikt.

Artikel 11

  • 1.

    Een lid van het algemeen bestuur kan te allen tijde ontslag nemen.

  • 2.

    Van elke aanwijzing en ontslag van een lid van het algemeen bestuur geeft het college dat het aangaat binnen acht dagen kennis aan de voorzitter van het bestuur.

  • 3.

    Degene die ophoudt lid van het college te zijn dat hem als lid van het algemeen bestuur heeft aangewezen, houdt tevens op lid van het algemeen bestuur te zijn.

Artikel 12 De werkwijze

  • 1.

    Het algemeen bestuur stelt voor zijn vergaderingen een reglement van orde vast.

  • 2.

    Het algemeen bestuur vergadert in het openbaar. Er kan met gesloten deuren worden vergaderd, wanneer dit door één vijfde gedeelte der aanwezige leden wordt verlangd of de voorzitter het nodig acht. Het algemeen bestuur beslist vervolgens of met gesloten deuren zal worden vergaderd.

Artikel 13

  • 1.

    In een besloten vergadering van het algemeen bestuur kan noch worden beraadslaagd noch een besluit worden genomen ter zake van:

    • a.

      de vaststelling en wijziging van de begroting;

    • b.

      de vaststelling van de jaarrekening;

    • c.

      het invoeren, wijzigen of afschaffen van retributies of andere heffingen;

    • d.

      het vaststellen, wijzigen of intrekken van verordeningen;

    • e.

      het toetreden tot, het uittreden uit of het wijzigen of opheffen van de regeling;

    • f.

      het treffen, wijzigen, verlengen of opheffen van een gemeenschappelijke regeling tussen het openbaar lichaam en andere openbare lichamen, alsmede het toetreden tot en het uittreden uit een dergelijke regeling;

    • g.

      het oprichten van of deelnemen in stichtingen, maatschappen, vennootschappen en coöperatieve en andere vereniging dan wel het ontbinden daarvan of het beëindigen van deelneming daaraan.

  • 2.

    In een besloten vergadering van het algemeen bestuur kan geen besluit worden genomen ter zake van:

    • a.

      het aangaan van geldleningen, het aangaan van rekening-courant overeenkomsten, het uitlenen van gelden en het waarborgen van geldelijke verplichtingen door anderen aan te gaan;

    • b.

      het geheel of gedeeltelijk vervreemden en het bezwaren van onroerend goed;

    • c.

      het doen van een uitgaaf voordat de begroting waarbij deze uitgaaf is geraamd, is goedgekeurd.

Artikel 14 Besluitvorming

  • 1.

    Elk lid van het algemeen bestuur heeft een gewogen stemrecht. Het aantal stemmen dat een lid in de vergadering kan uitbrengen, wordt bepaald door het aantal inwoners van de gemeente die het lid vertegenwoordigt. Hierbij geldt de volgende stemverdeling:

    • a.

      een gemeente met minder dan 30.000 inwoners: 1 stem;

    • b.

      een gemeente met 30.000 of meer inwoners, maar minder dan 60.000 inwoners: 2 stemmen;

    • c.

      een gemeente met 60.000 of meer inwoners, maar minder dan 90.000 inwoners: 3 stemmen;

    • d.

      een gemeente met 90.000 of meer inwoners, maar minder dan 120.000 inwoners: 4 stemmen;

    • e.

      een gemeente met 120.000 of meer inwoners: 5 stemmen.

  • 2.

    Bij de bepaling van het aantal inwoners, als bedoeld in het eerste lid, wordt uitgegaan van de cijfers zoals deze door het Centraal Bureau voor de Statistiek zijn vastgesteld per 1 januari van het jaar voorafgaande aan het jaar van aanvang van iedere zittingsperiode van de gemeenteraden.

  • 3.

    De voorzitter onthoudt zich in het algemeen bestuur van stemmen.

  • 4.

    Besluiten worden genomen met meerderheid van stemmen, tenzij in deze regeling anders is bepaald. Als de stemmen staken, wordt het voorstel geacht te zijn verworpen.

Artikel 15 Bevoegdheden

  • 1.

    Alle bevoegdheden die bij deze regeling door de deelnemende gemeenten worden gedelegeerd, berusten bij het algemeen bestuur, tenzij bij de wet of in deze regeling anders is bepaald.

  • 2.

    Het algemeen bestuur kan mede op verzoek van de raden van de deelnemende gemeenten ertoe besluiten om ingezetenen van de deelnemende gemeenten of andere belanghebbenden te betrekken bij de besluiten die het neemt en de manier waarop dat gebeurt.

Artikel 16 Informatie en verantwoordingsplicht

  • 1.

    Het algemeen bestuur verstrekt zo spoedig mogelijk aan de colleges of de raden van de deelnemende gemeenten schriftelijk alle inlichtingen die door een of meer leden van die colleges of raden worden gevraagd.

  • 2.

    Een lid van het algemeen bestuur verstrekt het college dat hem als lid heeft aangewezen schriftelijk dan wel op een andere door dat college te bepalen wijze, alle inlichtingen die door een of meer leden van dat college worden gevraagd.

  • 3.

    Een lid van het algemeen bestuur is aan het college dat hem als lid heeft aangewezen, verantwoording verschuldigd voor het door hem in het algemeen bestuur gevoerde beleid.

  • 4.

    Het afleggen van verantwoording geschiedt volgens door het betrokken college geregelde wijze.

Artikel 17 Vergoedingen

De leden van het algemeen bestuur ontvangen voor hun werkzaamheden geen vergoeding.

Afdeling 2 Het dagelijks bestuur

Artikel 18 Samenstelling

  • 1.

    Het dagelijks bestuur bestaat naast de voorzitter uit maximaal drie leden die door het algemeen bestuur uit zijn midden worden aangewezen, met dien verstande dat tenminste één lid afkomstig moet zijn uit één van de gemeenten Gorinchem, Hoeksche Waard of Molenlanden.

  • 2.

    De aanwijzing van de leden van het dagelijks bestuur vindt plaats in de eerste vergadering van het algemeen bestuur in de nieuwe zittingsperiode.

  • 3.

    Met betrekking tot de leden van het dagelijks bestuur zijn de artikelen 40 en 41 van de Gemeentewet van overeenkomstige toepassing.

  • 4.

    Degene die ophoudt lid van het algemeen bestuur te zijn, houdt tevens op lid van het dagelijks bestuur te zijn.

  • 5.

    Indien tussentijds een plaats in het dagelijks bestuur vacant of beschikbaar komt, wijst het algemeen bestuur zo spoedig mogelijk een nieuw lid aan. Gaat het openvallen van een plaats in het dagelijks bestuur gepaard met het openvallen van een plaats in het algemeen bestuur, dan wordt het aanwijzen van een nieuw lid van het dagelijks bestuur uitgesteld, totdat de opengevallen plaats in het algemeen bestuur is bezet.

  • 6.

    Een lid van het dagelijks bestuur kan in geval van langdurige afwezigheid worden vervangen door een door het algemeen bestuur uit zijn midden aan te wijzen lid. Deze tijdelijke vervanging kan ook plaatsvinden, indien een lid van het dagelijks bestuur het voorzitterschap waarneemt.

Artikel 19 De werkwijze

  • 1.

    Het dagelijks bestuur vergadert minimaal zesmaal per jaar of zo dikwijls de voorzitter het nodig oordeelt of tenminste twee leden dit de voorzitter schriftelijk en met redenen omkleed verzoeken. In het laatste geval wordt de vergadering binnen veertien dagen na een zodanig verzoek gehouden.

  • 2.

    In de eerste vergadering van elke zittingsperiode regelen de leden van het dagelijks bestuur de portefeuilleverdeling en de onderlinge plaatsvervanging. De portefeuilleverdeling wordt medegedeeld aan het algemeen bestuur en aan de deelnemende gemeenten.

  • 3.

    Het dagelijks bestuur stelt een reglement van orde voor zijn vergaderingen vast. Dit reglement wordt medegedeeld aan het algemeen bestuur.

Artikel 20 Besluitvorming

Elk lid van het dagelijks bestuur heeft in de vergadering één stem. De artikelen 56, 58 en 59 van de Gemeentewet zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 21 Bevoegdheden

Het dagelijks bestuur heeft in elk geval de bevoegdheden die artikel 33b van de wet aan het dagelijks bestuur toekent.

Artikel 22 Informatie en verantwoordingsplicht

  • 1.

    Het dagelijks bestuur geeft aan de colleges of de raden van de deelnemende gemeenten schriftelijk alle inlichtingen die door één of meer leden van die colleges of raden worden gevraagd.

  • 2.

    Het dagelijks bestuur en elk van zijn leden zijn voor het in dat bestuur gevoerde beleid tezamen en ieder afzonderlijk verantwoording verschuldigd aan het algemeen bestuur.

  • 3.

    Het dagelijks bestuur en elk van zijn leden verstrekken aan het algemeen bestuur alle inlichtingen die door één of meer leden daarvan worden gevraagd.

  • 4.

    De vergaderstukken en verslagen van het algemeen bestuur, alsmede de besluitenlijsten en andere documenten van het dagelijks bestuur, worden actief openbaar gemaakt conform het bepaalde in de Wet open overheid.

  • 5.

    Een lid van het dagelijks bestuur kan door het algemeen bestuur worden ontslagen, indien dit lid het vertrouwen van het algemeen bestuur niet meer bezit.

Artikel 23 Vergoedingen

De leden van het dagelijks bestuur ontvangen voor hun werkzaamheden geen vergoeding.

Afdeling 3 De voorzitter

Artikel 24 Algemene bepalingen

  • 1.

    De voorzitter wordt door het algemeen bestuur op bindende voordracht van het college van Dordrecht aangewezen.

  • 2.

    Het algemeen bestuur beslist omtrent schorsing of ontslag van de voorzitter.

  • 3.

    Door en uit het algemeen bestuur wordt een plaatsvervangend voorzitter aangewezen.

  • 4.

    Bij afwezigheid of ontstentenis van de voorzitter wordt deze vervangen door de plaatsvervangend voorzitter.

Artikel 25 Taken en bevoegdheden

  • 1.

    De voorzitter is belast met de leiding van de vergaderingen van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur.

  • 2.

    De voorzitter vertegenwoordigt het samenwerkingsverband in en buiten rechte. Hij kan de vertegenwoordiging opdragen aan een door hem aan te wijzen gemachtigde.

  • 3.

    Indien de gemeente waartoe de voorzitter behoort, partij is in een geding waarbij het openbaar lichaam betrokken is, oefent de plaatsvervangend voorzitter de betreffende bevoegdheden uit.

Hoofdstuk 6 Commissies van advies en bijstand

Artikel 26

  • 1.

    Het algemeen bestuur kan vaste commissies van advies instellen.

  • 2.

    Het algemeen bestuur regelt de bevoegdheden, werkwijze en samenstelling van de commissies.

  • 3.

    De leden van de commissies genieten, indien het algemeen bestuur dat bepaalt, een door het algemeen bestuur te bepalen tegemoetkoming in de kosten op jaarbasis.

Artikel 27

  • 1.

    Het algemeen bestuur stelt in elk geval een adviescommissie, genaamd Auditcommissie, in die het algemeen en dagelijks bestuur gevraagd en ongevraagd adviseert met betrekking tot financiële aangelegenheden.

  • 2.

    Het algemeen bestuur stelt een verordening vast waarin de samenstelling, taken en bevoegdheden en de werkwijze van de Auditcommissie verder worden uitgewerkt.

Artikel 28

Andere commissies van advies aan het dagelijks bestuur of aan de voorzitter worden door het algemeen bestuur onderscheidenlijk het dagelijks bestuur of de voorzitter ingesteld.

Hoofdstuk 7 Personeel en organisatie

Afdeling 1 Directie

Artikel 29

  • 1.

    Het samenwerkingsverband staat onder dagelijkse leiding van de directeur publieke gezondheid, als bedoeld in de Wet publieke gezondheid en in de Wet veiligheidsregio's, in deze regeling te noemen de directeur.

  • 2.

    Het algemeen bestuur beslist omtrent benoeming, schorsing en ontslag van de directeur. De benoeming geschiedt uit een door het dagelijks bestuur op te maken aanbeveling, in overeenstemming met het besluit van het algemeen bestuur van de Veiligheidsregio Zuid-Holland Zuid.

  • 3.

    Het dagelijks bestuur kan voor de directeur een instructie vaststellen omtrent de wijze waarop deze zijn taken verricht.

Afdeling 2 De secretaris

Artikel 30

  • 1.

    De directeur is secretaris van het samenwerkingsverband.

  • 2.

    De secretaris staat het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter bij de uitoefening van hun taak terzijde.

  • 3.

    Het algemeen bestuur kan voor de secretaris een instructie vaststellen.

  • 4.

    Het algemeen bestuur regelt de vervanging van de secretaris bij zijn afwezigheid.

  • 5.

    De secretaris woont de vergaderingen bij van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur.

  • 6.

    Alle stukken uitgaande van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur worden door de secretaris mede ondertekend.

Afdeling 3 Rechtspositie personeel

Artikel 31

  • 1.

    Het dagelijks bestuur voorziet binnen het raam van de door het algemeen bestuur vastgestelde kaders in de rechtspositie van de werknemers van het samenwerkingsverband.

  • 2.

    Het dagelijks bestuur kan de in het eerste lid bedoelde bevoegdheden mandateren aan de directeur.

  • 3.

    De rechtspositie en bezoldiging van de werknemers van het samenwerkingsverband worden bepaald door de regels die gelden voor de werknemers van de gemeente Dordrecht, tenzij het dagelijks bestuur zelf voorziet in de rechtspositie en bezoldiging.

Afdeling 4 Organisatie

Artikel 32

Het dagelijks bestuur regelt de inrichting van de organisatie van het samenwerkingsverband.

Hoofdstuk 8 Algemene financiële bepalingen

Afdeling 1 Financiële administratie

Artikel 33

  • 1.

    Het algemeen bestuur stelt bij verordening de uitgangspunten vast voor het financiële beleid, de regels voor het financiële beheer en voor de inrichting van de financiële organisatie.

  • 2.

    Het algemeen bestuur stelt bij verordening regels vast voor de controle op het financiële beheer en de inrichting van de financiële organisatie.

  • 3.

    De artikelen 212 en 213 van de Gemeentewet zijn van overeenkomstige toepassing.

Afdeling 2 De begroting

Artikel 34

  • 1.

    Het algemeen bestuur stelt een begroting en een meerjarenbegroting vast overeenkomstig het bepaalde in artikel 34, eerste lid van de wet.

  • 2.

    Het dagelijks bestuur zendt de ontwerpbegroting voordat zij aan het algemeen bestuur wordt aangeboden toe aan de raden van de deelnemende gemeenten overeenkomstig het bepaalde in artikel 35, eerste lid van de wet.

  • 3.

    De raden van de deelnemende gemeenten kunnen hun zienswijze over de begroting bij het dagelijks bestuur naar voren brengen. Het dagelijks bestuur voegt de commentaren waarin deze zienswijzen zijn vervat bij de ontwerpbegroting zoals deze aan het algemeen bestuur wordt aangeboden.

  • 4.

    Na vaststelling van de begroting zendt het algemeen bestuur de begroting aan de raden van de deelnemende gemeenten, die ter zake gedeputeerde staten van hun gevoelen kunnen doen blijken.

  • 5.

    Het dagelijks bestuur zendt de begroting terstond na vaststelling aan gedeputeerde staten overeenkomstig het bepaalde in artikel 34, tweede lid van de wet.

Artikel 35

  • 1.

    In de begroting wordt aangegeven welke bijdrage elke deelnemende gemeente verschuldigd is aan het samenwerkingsverband. De begroting geeft per programma inzicht in de baten en lasten van dat programma.

  • 2.

    De deelnemende gemeenten betalen bij wijze van voorschot jaarlijks vóór 16 januari en vóór 16 juli telkens de helft van de in het eerste lid bedoelde bijdrage, met uitzondering van die gedeelten die op basis van het derde lid reeds bij wijze van voorschot zijn betaald.

  • 3.

    Voor de uitvoering van de gedelegeerde en gemandateerde taken in het kader van de Jeugdwet stelt het algemeen bestuur bij verordening nadere regels vast over de financiële verhouding tussen de deelnemende gemeenten en het samenwerkingsverband ten aanzien van de hoogte van de bijdrage en vergoedingen en de wijze van bevoorschotting.

  • 4.

    Bijdragen die een deelnemende gemeente verschuldigd is aan het samenwerkingsverband ten behoeve van een programma mogen niet aangewend worden ter dekking van de kosten van een ander programma.

  • 5.

    Voor de andere dan de in het derde lid genoemde taken die het samenwerkingsverband uitvoert, stelt het algemeen bestuur bij verordening nadere regels vast over de wijze waarop de door de deelnemende gemeenten verschuldigde algemene en specifieke bijdrage wordt berekend. Bij het opstellen van de verordening geldt als uitgangspunt dat de financiële gevolgen uitsluitend worden gedragen door de gemeenten die de betreffende taken hebben gedelegeerd.

Artikel 36

  • 1.

    De deelnemende gemeenten dragen er zorg voor dat het samenwerkingsverband te allen tijde over voldoende middelen beschikt om aan al zijn verplichtingen jegens derden te kunnen voldoen.

  • 2.

    Onverminderd het gestelde in het eerste lid garanderen de deelnemende gemeenten jegens iedere geldgever de nakoming van de huidige en toekomstige verplichtingen die het samenwerkingsverband te eniger tijd jegens die geldgever heeft.

  • 3.

    Indien een van de deelnemende gemeenten op grond van een in het eerste of tweede lid bedoelde borgstelling of garantie wordt aangesproken door een geldgever zijn de deelnemende gemeenten jegens elkaar verplicht bij te dragen in de schuld waarvoor de eerstbedoelde deelnemende gemeente wordt aangesproken, in de

  • verhouding tot het inwoneraantal op 1 januari van het dienstjaar waarin de geldlening wordt aangegaan.

Artikel 37

Het dagelijks bestuur zendt de algemene financiële en beleidsmatige kaders en de voorlopige jaarrekening aan de raden van de deelnemende gemeenten overeenkomstig het bepaalde in artikel 34b van de wet.

Artikel 38

De bepalingen van artikel 34 van deze regeling over de ontwerpbegroting zijn mede van toepassing op besluiten tot wijziging van de begroting, voor zover die wijzigingen invloed hebben op de bijdragen van de deelnemende gemeenten.

Artikel 39

Wanneer de raad van een deelnemende gemeente weigert de in artikel 35, eerste lid van deze regeling bedoelde bijdrage in de gemeentebegroting op te nemen, doet het algemeen bestuur aan gedeputeerde staten het verzoek over te gaan tot toepassing van de artikelen 194 juncto 195 van de Gemeentewet.

Afdeling 3 De jaarrekening

Artikel 40

  • 1.

    Van de inkomsten en uitgaven van het samenwerkingsverband wordt door het dagelijks bestuur over elk dienstjaar verantwoording afgelegd aan het algemeen bestuur onder overlegging van de jaarrekening met de daarbij behorende bescheiden.

  • 2.

    Het dagelijks bestuur biedt deze jaarrekening ter vaststelling aan het algemeen bestuur aan onder toevoeging van een verslag van een onderzoek naar de deugdelijkheid ervan, ingesteld door de overeenkomstig artikelen 212 en 213 van de Gemeentewet aangewezen accountant, en onder toevoeging van hetgeen het dagelijks bestuur voor zijn verantwoording dienstig acht.

  • 3.

    Bij het toezenden van de voorlopige jaarrekening als bedoeld in artikel 37 van deze regeling worden de raden van de deelnemende gemeenten in de gelegenheid gesteld een zienswijze te geven.

  • 4.

    De jaarrekening en de toelichting daarop, alsmede het advies dat ter zake door de Auditcommissie, als bedoeld in artikel 27 van deze regeling, werd uitgebracht, wordt gelijktijdig met de aanbieding aan het algemeen bestuur aan de raden van de deelnemende gemeenten gezonden.

  • 5.

    Het algemeen bestuur onderzoekt de jaarrekening zonder uitstel en stelt haar vast overeenkomstig het bepaalde in artikel 34, derde lid van de wet. Van de vaststelling doet het dagelijks bestuur mededeling aan de raden van de deelnemende gemeenten.

  • 6.

    De jaarrekening wordt binnen twee weken na vaststelling met alle bijbehorende stukken aan gedeputeerde staten aangeboden overeenkomstig het bepaalde in artikel 34, vierde lid van de wet.

  • 7.

    De vaststelling van de jaarrekening strekt het dagelijks bestuur tot decharge, behoudens later in rechte gebleken valsheid in geschrifte of andere onregelmatigheden.

Artikel 41

  • 1.

    In de jaarrekening wordt het door elk van de deelnemende gemeenten over het betreffende jaar werkelijk verschuldigde bedrag opgenomen, waarbij per programma een uitsplitsing wordt gemaakt van de gerealiseerde inkomsten en uitgaven.

  • 2.

    De kosten worden, rekening houdende met andere inkomsten, per programma over de deelnemende gemeenten verdeeld naar rato van de verdeelmaatstaven die in de begroting van datzelfde jaar voor die programma's worden gehanteerd.

  • 3.

    Verrekening van het verschil tussen de op grond van artikel 35, tweede en derde lid van deze regeling betaalde voorschotten en de werkelijk verschuldigde bedragen vindt plaats onmiddellijk na de kennisgeving aan de deelnemende gemeenten van de vaststelling van de jaarrekening.

Hoofdstuk 9 Geschillen en evaluatie

Artikel 42

  • 1.

    Ten aanzien van geschillen omtrent de toepassing van de regeling in de ruimste zin, geldt het gestelde in artikel 28 van de wet.

  • 2.

    Het algemeen bestuur kan mede op verzoek van de raden van de deelnemende gemeenten besluiten het functioneren van de regeling periodiek te evalueren. Zij stelt daartoe vooraf het doel en de reikwijdte van de evaluatie vast, alsmede de wijze van evalueren. Daarbij worden de deelnemende gemeenten gehoord.

Hoofdstuk 10 Klachten- en ombudsvoorziening

Artikel 43

  • 1.

    Het algemeen bestuur stelt met inachtneming van titel 9.1 van de Algemene wet bestuursrecht een interne klachtenregeling vast.

  • 2.

    Het openbaar lichaam sluit teneinde te voldoen aan de bepalingen van titel 9.2 van de Algemene wet bestuursrecht een overeenkomst met de Nationale ombudsman.

Hoofdstuk 11 Het archief

Artikel 44

  • 1.

    Het dagelijks bestuur draagt zorg voor de archiefbescheiden van het samenwerkingsverband en zijn organen overeenkomstig een door het algemeen bestuur met inachtneming van de Archiefwet vast te stellen regeling, welke aan gedeputeerde staten moet worden medegedeeld.

  • 2.

    De secretaris is belast met het beheer van de archiefbescheiden voor zover deze niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats van de gemeente Dordrecht, doch kan deze taak aan een andere ambtenaar delegeren.

  • 3.

    .De archivaris van de gemeente Dordrecht oefent toezicht uit op het in het derde lid bedoelde beheer.

  • 4.

    Voor de bewaring van de op grond van artikel 12 van de Archiefwet 1995 over te brengen archiefbescheiden van de in deze regeling genoemde organen is aangewezen de archiefbewaarplaats van de gemeente Dordrecht.

  • 5.

    De in het vierde lid bedoelde archiefbescheiden worden beheerd door de archivaris van de gemeente Dordrecht.

Hoofdstuk 12 Toetreding, uittreding, wijziging en opheffing

Artikel 45 Toetreding

  • 1.

    Het dagelijks bestuur zendt een verzoek tot toetreding van een andere gemeente tot deze regeling aan de colleges van de deelnemende gemeenten.

  • 2.

    Toetreding tot de regeling door andere gemeenten kan plaatsvinden, indien de colleges van tenminste twee derde van de deelnemende gemeenten daarmee instemmen.

  • 3.

    Het algemeen bestuur regelt de gevolgen van de toetreding en kan aan de toetreding bepaalde voorwaarden verbinden.

  • 4.

    Terstond na de toetreding wordt door het college van de toetredende gemeente uit zijn midden een of meerde leden voor het algemeen bestuur aangewezen.

Artikel 46 Uittreding

  • 1.

    Een deelnemende gemeente kan uittreden door toezending aan het algemeen bestuur van het daartoe strekkende besluit van haar college.

  • 2.

    Het dagelijks bestuur zendt een besluit tot uittreding van een gemeente aan de colleges van de overige deelnemende gemeenten.

  • 3.

    Tenzij het algemeen bestuur een kortere termijn bepaalt, kan de uittreding niet eerder plaatsvinden dan tegen 31 december van het tweede kalenderjaar volgende op dat waarin het besluit tot uittreding door het college van de betreffende deelnemende gemeente is genomen.

  • 4.

    Het algemeen bestuur besluit over de voorwaarden waaronder de uittreding kan worden geëffectueerd en regelt de financiële en overige gevolgen van de uittreding.

  • 5.

    De uittreedsom bestaat in beginsel uit een vergoeding ter compensatie van frictiekosten en desintegratiekosten onder aftrek van eventuele baten.

  • 6.

    Onder frictiekosten worden verstaan alle incidentele kosten te maken door het samenwerkingsverband als direct gevolg van de uittreding.

  • 7.

    Onder desintegratiekosten worden verstaan alle kosten die het samenwerkingsverband maakt of draagt als direct gevolg van de uittreding in relatie tot het afbouwen van overcapaciteit in personele en materiële sfeer en andere verplichtingen, het afbouwen van risico’s daarbij inbegrepen, over een periode van 5 jaar gerekend vanaf het moment van de uittreding.

  • 8.

    Het algemeen bestuur kan afwijkende uittredingsregels vaststellen voor specifiek omschreven taken. Bij voorkeur maakt de voorbereiding van afwijkende uittredingsregels deel uit van de besluitvorming waarbij de deelnemende gemeenten nieuwe taken aan het samenwerkingsverband opdragen, zodat de colleges of de raden van de deelnemende gemeenten hun zienswijze op de uittredingsregels kunnen geven.

Artikel 47 Wijziging

  • 1.

    Zowel het algemeen bestuur, op voorstel van het dagelijks bestuur, als de colleges van de deelnemende gemeenten kunnen voorstellen doen tot wijziging van de regeling.

  • 2.

    De regeling wordt gewijzigd, zodra de colleges van alle deelnemende gemeenten tot deze wijziging hebben besloten.

Artikel 48 Opheffing

  • 1.

    De regeling kan worden opgeheven wanneer de colleges van tenminste drie vierde van het aantal deelnemende gemeenten daartoe besluiten.

  • 2.

    Een besluit, als bedoeld in het eerste lid, kan niet eerder worden genomen dan nadat het algemeen bestuur daarover zijn mening heeft kenbaar gemaakt.

  • 3.

    In geval van opheffing van de regeling regelt het algemeen bestuur de financiële gevolgen van de opheffing in een liquidatieplan. Hierbij kan van bepalingen van deze regeling worden afgeweken.

  • 4.

    Het liquidatieplan wordt door het algemeen bestuur, de raden van de deelnemende gemeenten gehoord, vastgesteld en behoeft de goedkeuring van gedeputeerde staten.

  • 5.

    Het liquidatieplan voorziet in ieder geval ook in de financiële en overige gevolgen van de opheffing voor het personeel.

  • 6.

    De organen van het samenwerkingsverband blijven zo nodig na het tijdstip van de opheffing van de regeling in functie, totdat de liquidatie is voltooid.

Artikel 49 Bekendmaking

Het college van Dordrecht draagt zorg voor bekendmaking van de regeling als bedoeld in artikel 26 van de wet.

Hoofdstuk 13 Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 50

  • 1.

    De regeling wordt getroffen voor onbepaalde tijd.

  • 2.

    De regeling treedt in werking op de dag na de bekendmaking.

  • 3.

    De regeling wordt aangehaald als “Gemeenschappelijke regeling Dienst Gezondheid & Jeugd Zuid-Holland Zuid”.

Ondertekening

Aldus besloten op:

26 augustus 2025 door burgemeester en wethouders van Alblasserdam, gelet op de daartoe op grond van artikel 1, tweede lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen op 30 september 2025 verkregen toestemming van de gemeenteraad;

30 september 2025 door burgemeester en wethouders van Dordrecht, gelet op de daartoe op grond van artikel 1, tweede lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen op 14 oktober 2025 verkregen toestemming van de gemeenteraad;

27 mei 2025 door burgemeester en wethouders van Gorinchem, gelet op de daartoe op grond van artikel 1, tweede lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen op 12 juni 2025 verkregen toestemming van de gemeenteraad;

26 augustus 2025 door burgemeester en wethouders van Hardinxveld-Giessendam, gelet op de daartoe op grond van artikel 1, tweede lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen op 25 september 2025 verkregen toestemming van de gemeenteraad;

27 mei 2025 door burgemeester en wethouders van Hendrik-Ido-Ambacht, gelet op de daartoe op grond van artikel 1, tweede lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen op 7 juli 2025 verkregen toestemming van de gemeenteraad;

12 augustus 2025 door burgemeester en wethouders van Hoeksche Waard, gelet op de daartoe op grond van artikel 1, tweede lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen op 23 september 2025 verkregen toestemming van de gemeenteraad;

6 mei 2025 door burgemeester en wethouders van Molenlanden, gelet op de daartoe op grond van artikel 1, tweede lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen op 19 juni 2025 verkregen toestemming van de gemeenteraad;

9 december 2025 door burgemeester en wethouders van Papendrecht, gelet op de daartoe op grond van artikel 1, tweede lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen op 29 januari 2026 verkregen toestemming van de gemeenteraad;

27 mei 2025 door burgemeester en wethouders van Sliedrecht, gelet op de daartoe op grond van artikel 1, tweede lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen op 23 september 2025 verkregen toestemming van de gemeenteraad;

20 mei 2025 door burgemeester en wethouders van Zwijndrecht, gelet op de daartoe op grond van artikel 1, tweede lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen op 24 juni 2025 verkregen toestemming van de gemeenteraad.