Beleidsregels leerlingenvervoer Ridderkerk

Geldend van 17-04-2026 t/m heden

Intitulé

Beleidsregels leerlingenvervoer Ridderkerk

Overwegende, dat:

  • de raad de Verordening leerlingenvervoer heeft herzien op 20 november 2025 waardoor de beleidsregels moeten worden aangepast aangezien besloten is tot enkele beleidswijzigingen gericht op de eigen verantwoordelijk en zelfredzaamheid van gezinnen.

  • de gemeente een groter beroep doet op het eigen netwerk en het gezamenlijk oplossen van vervoersproblemen. Zo werken we optimaal binnen de schaarse vervoerscapaciteit vanwege aanhoudende chauffeurstekorten

Gelet op artikel 6, lid 8 en artikel 24 van de Verordening leerlingenvervoer Ridderkerk

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ridderkerk besluit vast te stellen de volgende:

Beleidsregels leerlingenvervoer Ridderkerk

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen/kaders

Artikel 1. Definities

  • Dichtstbijzijnde toegankelijke school: dichtstbijzijnde school waarop de leerling is aangewezen van de verlangde godsdienstige of levensbeschouwelijke richting dan wel de openbare school.

  • Best passende school: de onderwijsplek die volgens de bedoeling van passend onderwijs het best past bij de kwaliteiten van de leerling en de behoefte aan onderwijs/zorg/ondersteuning van de leerling.

  • Leerling: de leerling als gedefinieerd in artikel 1 van de Verordening leerlingenvervoer Ridderkerk

  • Leerlingenvervoer: het vervoer van leerlingen naar en van de onderwijsinstelling als bedoeld in onderwijswetgeving.

  • Passende vervoersvoorziening: een vervoersvoorziening die aansluit bij de af te leggen route, de zelfredzaamheid en de behoeften van de leerling en het gezin, de beperkingen van de leerling en de (ontwikkelings)leeftijd van de leerling.

  • Verordening: Verordening leerlingenvervoer Ridderkerk.

Artikel 2. Afbakening

  • 1. In de volgende situaties is er geen sprake van leerlingenvervoer:

    • a.

      vervoer tussen schoolgebouwen onderling;

    • b.

      vervoer tussen school en zwembad of gymnastieklokaal;

    • c.

      vervoer voor medische of paramedische behandeling;

    • d.

      vervoer voor schoolreisjes en sportdagen;

    • e.

      vervoer naar logeerhuizen buiten de gemeente Ridderkerk.

  • 2. Buitenschoolse opvang: aangepast vervoer van school naar de buitenschoolse opvang of een door ouders aangewezen ander opvangadres dat niet is aangemerkt als woning, is bij hoge uitzondering mogelijk als voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      het opvangadres is in de gemeente Ridderkerk;

    • b.

      er zijn voor de gemeente geen extra kosten mee gemoeid;

    • c.

      de overige leerlingen in dezelfde route ondervinden er geen onevenredig nadeel van;

    • d.

      er is sprake van een vaste dag en een vast adres.

  • 3. Taalklas: leerlingen die zijn aangewezen op een taalklas (betreft primair onderwijs) kunnen ook in aanmerking komen voor een vervoersvoorziening als aan de voorwaarden wordt voldaan. Hierbij wordt bij het verstrekken van leerlingenvervoer uitgegaan van de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke taalklas.

Artikel 3. Doelstelling

Deze beleidsregels geven nadere invulling aan de beoordelingsruimte van het college bij de toepassing van de Verordening leerlingenvervoer Ridderkerk. De beleidsregels hebben tot doel:

  • a.

    rechtsgelijkheid en transparantie te bevorderen;

  • b.

    voorspelbaarheid in besluitvorming te waarborgen;

  • c.

    maatwerk mogelijk te maken binnen het kader van de verordening.

Hoofdstuk 2. Verblijf en verantwoordelijkheid

Artikel 4. (Feitelijk en tijdelijk) verblijf

  • 1. De verordening geeft aan dat de aanvraag moet worden ingediend bij de gemeente waar de leerling structureel en feitelijk verblijft.

  • 2. Als een leerling tijdelijk in een andere gemeente verblijft en naar dezelfde school (‘de oude school’) blijft gaan, wordt (volgens een landelijke afspraak) het leerlingenvervoer naar die school voor maximaal zes weken bekostigd door de gemeente waar de leerling tijdelijk niet verblijft.

Artikel 5. Dagcentrum

  • 1. In het geval een leerling vanuit een ouderlijke woning een school bezoekt en vanuit die school, omwille van een medische of sociale indicatie, naar een dagcentrum reist, is het college niet verplicht het vervoer van school naar het dagcentrum te bekostigen.

  • 2. Als het dagcentrum als structureel feitelijk (eventueel tweede) verblijf aangemerkt kan worden, kan het college ervan uitgaan dat het kind twee woningen in de zin van de Verordening heeft, te weten de ouderlijke woning en het dagcentrum. In een dergelijke situatie kan het college toch besluiten het vervoer te bekostigen, wanneer het dagcentrum zich binnen de gemeente bevindt. Het college bekostigt dan het vervoer van huis naar school en van school naar het dagcentrum. Het dagcentrum wordt dan aangemerkt als tweede woning. Het vervoer van het dagcentrum naar huis valt dan niet onder het leerlingenvervoer.

Artikel 6. Crisisplaatsing

  • 1. In geval van crisisopvang (uithuisplaatsing) van een leerling uit een andere gemeente in Ridderkerk kan het college een uitzondering maken op de maximale termijn van 6 weken. Indien de leerling naar verwachting maximaal 3 maanden in Ridderkerk verblijft en daarna terugkeert naar de andere gemeente. In dat geval:

    • a.

      bekostigd het college leerlingenvervoer vanuit Ridderkerk naar de oude school voor maximaal 3 maanden;

    • b.

      brengt het college de kosten voor de eerste zes weken in rekening bij de andere gemeente;

    • c.

      kan aangepast vervoer per direct voorlopig worden toegekend voor acht weken zodat de aanvraag in die periode beoordeeld en verwerkt kan worden.

  • 2. Wanneer een Ridderkerk leerling tijdelijk vanwege crisisopvang in een andere gemeente komt te wonen, verzoekt het college de andere gemeente om de werkwijze uit lid 1 toe te passen.

Artikel 7. Verantwoordelijkheid van ouders

  • 1. Ouders worden geacht in redelijkheid aanpassingen in hun leven te doen die hen in staat stellen om de leerling naar school te begeleiden of vervoeren, zoals:

    • a.

      aanpassing van werktijden;

    • b.

      organiseren van vervoer door familie/vrienden;

    • c.

      carpoolen met andere ouders;

    • d.

      aanschaf van een vervoersmiddel.

  • 2. Aangepast vervoer op grond van ‘begeleiding onmogelijk of ernstige benadeling’ wordt alleen toegekend voor zover ouders aan het college kunnen aantonen dat:

    • a.

      de belemmeringen genoemd in artikel 14 lid 1 en 2 van de beleidsregels, bij elkaar genomen, het brengen of vervoeren van de leerling verhinderen, én

    • b.

      de ouders alle aanpassingen en inspanningen bedoeld in artikel 7 lid 1 van de beleidsregels naar vermogen hebben betracht, én

    • c.

      er ondanks al deze inspanningen voor het schoolgaan van de leerling nog steeds geen oplossing is gevonden.

Artikel 8. Co-ouderschap (uitwerking artikel 1 van de Verordening)

  • 1. Ouders, al dan niet gescheiden, die niet bij elkaar wonen, kunnen afspreken om hun kind(eren) gezamenlijk te (blijven) verzorgen en opvoeden. Er is sprake van co-ouderschap als de beide ouders in een regelmatige afwisseling de zorg voor hun kind(eren) kinderen hebben.

  • 2. Bij co-ouderschap kan er recht zijn op bekostiging van leerlingenvervoer voor de dagen dat de leerling bij de betreffende ouder verblijft. De beide ouders moeten afzonderlijk een aanvraag indienen voor de dagen dat het kind tijdens weekdagen bij hen verblijft.

  • 3. Het kan voorkomen dat slechts in één van beide gemeenten aanspraak op leerlingenvervoer bestaat, doordat de school niet de dichtstbijzijnde toegankelijke school is.

Artikel 9. Verklaring voor noodzaak tot aangepast vervoer

  • 1. Wanneer wordt aangegeven dat een leerling gebruik moet maken van aangepast vervoer op grond van een beperking, kan ter onderbouwing een (medische) verklaring worden meegestuurd. Deze verklaring is opgesteld door een orthopedagoog, psycholoog, psychiater, arts en/of medisch specialist. Wanneer een (medische) verklaring ontbreekt wordt de leerling opgeroepen voor een onderzoek. In dit onderzoek kijkt een onafhankelijk arts naar de mogelijkheden en beperkingen van de leerling. Dit geldt ook wanneer de overgelegde (medische) verklaring onvoldoende houvast biedt voor een beoordeling.

  • 2. Het (medisch) onderzoek wordt uitgevoerd door een door het college aan te wijzen onafhankelijke adviesorganisatie. De kosten van dit externe advies komen voor rekening van het college.

Artikel 10. Structurele of tijdelijke beperking

  • 1. Van een verstandelijke beperking in de zin van de verordening kan pas sprake zijn indien de desbetreffende leerling een IQ van minder dan zeventig heeft (Landelijk Kenniscentrum LVB, 2025).

  • 2. Er is onderscheid tussen een structurele of een tijdelijke beperking. Het college is alleen verantwoordelijk voor het vervoer van leerlingen met een structurele beperking. Wanneer in de Verordening gesproken wordt over een beperking of handicap, wordt daarmee een structurele beperking of handicap bedoeld.

  • 3. Het college verzorgt geen vervoer om tijdelijke medische redenen korter dan drie maanden. Ouders zijn hier zelf verantwoordelijk voor. Wanneer een leerling vanwege herstel of revalidatie langer dan drie maanden afhankelijk is van rolstoel en/of krukken, kan een beroep worden gedaan op het leerlingenvervoer op grond van de hardheidsclausule. Het college kan een vervoersvoorziening verstrekken voor de duur van het herstel en/of de revalidatie.

Artikel 11. Toelatingsleeftijd (uitwerking artikel 1, definitie leerling, van de Verordening)

  • 1. Kinderen worden als zij de leeftijd van vier jaar hebben bereikt, leerling in de zin van de Wet op het primair onderwijs (WPO) (artikel 39, eerste lid, WPO). Voor het regulier basisonderwijs verstrekt het college een vervoersvoorziening vanaf het moment dat een kind vier jaar is geworden.

  • 2. Het kan voorkomen dat kinderen vanaf drie jaar worden toegelaten op het speciaal onderwijs. Deze toelatingsleeftijd is geregeld in artikel 39 van de Wet op de expertisecentra (WEC). Deze kinderen kunnen ook aanspraak maken op een vervoersvoorziening.

  • 3. Voor leerlingen die op grond van de onderwijswetgeving toegelaten zijn op een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs, ongeacht of zij de leerplichtige leeftijd al voorbij zijn, kunnen ouders aanspraak maken op een vervoersvoorziening, voor zolang de leerling de betreffende school bezoekt, mits aan de voorwaarden van de Verordening leerlingenvervoer wordt voldaan.

Artikel 12. Ontwikkelingsleeftijd (uitwerking artikel 11 van de Verordening)

  • 1. De kalenderleeftijd van een leerling komt niet altijd overeen met het leeftijdsniveau waarop de leerling functioneert. Door bijvoorbeeld een verstandelijke beperking kan de ontwikkelingsleeftijd van een persoon verschillen met zijn of haar kalenderleeftijd. De ontwikkelingsleeftijd wordt gehanteerd bij het toekennen van passend vervoer.

  • 2. Om tegemoet te kunnen komen aan de basisbehoeften en zelfredzaamheid van de leerling, is het van belang om te weten wat de mogelijkheden en onmogelijkheden van de leerling zijn. De ontwikkelingsleeftijd wordt in samenwerking met de school en/of andere deskundigen vastgesteld.

Artikel 13. Gewenningsjaar aangepast vervoer (uitwerking artikelen 18 en 19 van de Verordening)

Leerlingen die het eerste jaar naar een school voor voortgezet speciaal onderwijs gaan, kunnen in het kader van gewenning tijdens dit eerste jaar nog gebruik maken van het aangepast vervoer. Indien het voor de leerling van toepassing is, zal dit gewenningsjaar benut worden om de leerling vertrouwd te maken met de (brom)fiets of het openbaar vervoer. MEE op Weg kan hierbij worden ingezet om de zelfredzaamheid van de leerling te bevorderen.

Hoofdstuk 3. Gesprek en aanmelding

Artikel 14. Het gesprek

  • 1. Met ouders/verzorgers van kinderen die nieuw in het leerlingenvervoer komen, wordt bij de aanvraag een gesprek gevoerd. Het gesprek kan ook telefonisch plaatsvinden. Tijdens dit gesprek wordt uitgelegd wat leerlingenvervoer is en wordt gekeken naar de zelfstandigheid en zelfredzaamheid van de leerling en het gezin en de vervoersmogelijkheden van de leerling (bijvoorbeeld of de leerling met het openbaar vervoer kan reizen, eventueel met hulp). Ook ouders/verzorgers van kinderen die groep 8 bereiken of veranderen van school, worden uitgenodigd voor een gesprek. Met hen worden onder andere de mogelijkheden van het openbaar vervoer besproken.

  • 2. Wanneer de leerling groep 8 bereikt, verplicht het college de leerling om actief te werken aan een ontwikkelperspectief. De leerling zal, indien mogelijk, training volgen bij een gecontracteerde aanbieder van de gemeente die de leerling zelfstandig leert reizen.

Artikel 15. Overleg met samenwerkingsverbanden Passend Onderwijs

  • 1. De samenwerkingsverbanden Passend Onderwijs betrekken de vervoersaanvraag bij het traject om te komen tot een toelaatbaarheidsverklaring (TLV) en informeren de ouders hierover. Indien nodig neemt het samenwerkingsverband contact op met het college.

  • 2. Indien sprake is van verschil tussen de dichtstbijzijnde toegankelijke school en de best passende school neemt het college ter afstemming contact op met het samenwerkingsverband.

  • 3. Indien uit de beoordeling van het samenwerkingsverband volgt, dat er daadwerkelijk noodzaak is voor een specifiek genoemde (vso-)school, neemt het college dit oordeel over en verstrekt een vervoersvoorziening naar die school. Indien die school niet de dichtstbijzijnde toegankelijke school is, schrijft de betreffende school voor het college een onderbouwing, waaruit blijkt waarom deze school voor de leerling niet toegankelijk is. Als er sprake is van een wachtlijst, dan geeft de betreffende school een definitief advies over het al dan niet tussentijds kunnen overplaatsen naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school en eventueel benodigd maatwerk.

Artikel 16. Meerjarenbeschikking

  • 1. Een meerjarenbeschikking kan in de volgende gevallen worden toegekend:

    • a.

      voor leerlingen die een voorziening ontvangen voor het zelfstandig reizen met het openbaar vervoer. Dit geldt voor de periode waarin geen wijzigingen van de reismogelijkheden worden verwacht. De beschikkingsduur mag maximaal een periode van drie jaar zijn.

    • b.

      voor leerlingen waarvan verwacht wordt dat zij vanwege hun lichamelijke of geestelijke situatie altijd zijn aangewezen op aangepast vervoer. De meerjarige toekenning kan maximaal afgegeven worden tot en met het einde van de basisschool of tot het einde van de TLV.

    • c.

      voor leerlingen die aangepast vervoer beschikt hebben gekregen omdat de leerling (1) met het openbaar vervoer (naar school of terug) meer dan anderhalf uur onderweg is en (2) de reistijd met aangepast vervoer 50% of minder van de reistijd met het openbaar vervoer kan worden teruggebracht. De meerjarige toekenning kan maximaal afgegeven worden voor een periode van drie jaar of tot en met het einde van de TLV.

  • 2. Een meerjarenbeschikking eindigt voor een leerling die een school voor speciaal basisonderwijs of speciaal (voortgezet) onderwijs bezoekt in ieder geval aan het einde van de TLV.

  • 3. Indien de dichtstbijzijnde school niet toegankelijk is voor een leerling omdat er een wachtlijst bestaat en bekostiging dient plaats te vinden naar de eerstvolgende dichtstbijzijnde toegankelijke school, wordt voor de eerste twee jaar dat de leerling de verder gelegen school bezoekt, steeds een beschikking voor de periode van een jaar afgegeven.

  • 4. Indien het betalen van een eigen bijdrage van toepassing is, zal jaarlijks om de inkomensgegevens worden gevraagd om de eigen bijdrage te kunnen vaststellen.

  • 5. In de gevallen dat een meerjarenbeschikking wordt afgegeven, kan door het college steekproefsgewijs controle van de afgegeven meerjarenbeschikkingen worden uitgevoerd.

  • 6. In de beschikking wordt de verplichting opgenomen, dat de ouder(s) gehouden is/zijn wijzigingen die van invloed zijn op de toegekende vervoersvoorziening onmiddellijk schriftelijk bij het college te melden. Ten onrechte genoten bekostiging kan van de ouder(s) worden teruggevorderd, dan wel worden verrekend bij een eventuele nieuw verstrekte vervoersvoorziening.

Artikel 17. Nieuwe aanmeldingen en mutaties

  • 1. Het verwerken van nieuwe aanmeldingen duurt, conform de wettelijke termijn, maximaal 8 weken. Ouders zijn tijdens de periode van het verwerken van nieuwe aanmeldingen zelf verantwoordelijk voor het vervoer van de leerling.

  • 2. Wanneer ouders een adreswijziging niet tijdig doorgeven, zijn zij zelf verantwoordelijk voor het vervoer van de leerling.

  • 3. Wanneer een wijziging plaatsvindt en er geen of juist extra gebruik wordt gemaakt van aangepast vervoer, moet dit ruim van tevoren worden doorgegeven. Het college verstrekt de informatie uiterlijk om 17:00 uur op de dag voorafgaand aan de dag waarop de wijziging betrekking heeft aan de vervoerder. Wanneer ouders deze wijzigingen niet op tijd doorgeven, zijn zij zelf verantwoordelijk voor het vervoer van de leerling.

Hoofdstuk 3. Afstand en vormen van vervoer

Artikel 18. Loopafstand (uitwerking artikel 10 van de Verordening)

Het college hanteert als uitgangspunt dat van een leerling het volgende wordt verwacht met betrekking tot reizen te voet:

  • a.

    Tot 9 jaar: 1,5 kilometer

  • b.

    Vanaf 9 jaar en ouder: 2 kilometer

Artikel 19. Fietsafstand (uitwerking artikelen 9 en 17 van de Verordening)

Het college hanteert als uitgangspunt dat van een leerling het volgende wordt verwacht met betrekking tot reizen per fiets:

  • a.

    Van leerlingen in het regulier basisonderwijs wordt vanaf groep 7 verwacht dat zij kunnen fietsen als de afstand tot de school minder dan 10 km bedraagt. Hier wordt vanuit gegaan, aangezien leerlingen uiterlijk in groep 7 verkeersles krijgen. Dit wordt gezien als voorbereiding op het voortgezet onderwijs. Daarbij wordt uitgegaan van de kortste voor de leerling voldoende begaanbare en veilige weg, gebaseerd op Google Maps. Dit zijn in principe alle openbare wegen.

  • b.

    Indien twijfel bestaat over de fietsmogelijkheden van de leerling kan advies worden opgevraagd bij MEE op Weg en bij de deskundige als bedoeld in artikel 1 van de Verordening, over de medische beperkingen van de leerling met betrekking tot het reizen met de fiets.

Artikel 20. Openbaar vervoer (uitwerking artikelen 17 en 18 van de Verordening)

  • 1. Indien twijfel bestaat over de mogelijkheden van de leerling om met het openbaar vervoer te reizen (zelfstandig of met begeleiding) kan een onafhankelijk advies worden opgevraagd over de beperkingen van de leerling met betrekking tot reizen met het openbaar vervoer.

  • 2. Als de reistijd langer is dan anderhalf uur wordt gekeken of de reistijd met het aangepast vervoer met 50% verkort kan worden.

  • 3. Voor het speciaal (basis)onderwijs geldt in principe maximaal één overstap. Twee overstappen is in overleg met ouders mogelijk, indien de leerling dit aankan en er sprake is van een reële overstaptijd.

Artikel 21. Bepalen afstand en reistijd

  • 1. Voor het bepalen van afstanden maakt het college gebruik van de routeplanner Google Maps. Daarbij wordt altijd gekozen voor de kortste afstand (‘kortste route’) en wordt het gemiddelde van de heenreis en terugreis berekend.

  • 2. Voor het bepalen van de afstand tussen het woonadres en het schooladres in relatie tot de afstandsgrens in artikel 10 lid 1 van de verordening wordt gebruikgemaakt van de optie ‘kortste route per auto’.

  • 3. Wegwerkzaamheden en files worden in de berekening van de afstand niet meegenomen.

  • 4. Het vaststellen van de reistijd per openbaar vervoer vindt plaats op basis van de door de REIS-informatiegroep bv beschikbaar gestelde informatie via 0900-9292, en www.9292.nl.

Artikel 22. Stagevervoer

  • 1. Als stageplek wordt aangemerkt: de werkplek waarvoor ten behoeve van de leerling een stageovereenkomst is opgesteld. In de stageovereenkomst is onder meer beschreven met welk doel de leerling stage loopt, wat de werkzaamheden zijn en voor welke periode de stage is afgesproken.

  • 2. Een vervoersvoorziening van en naar de stageplek wordt afgegeven in aansluiting op de schooltijden, tenzij de branche waarin stage gelopen wordt deze aansluiting niet mogelijk maakt. De vervoersvoorziening is afgestemd op de afstand tussen de woning dan wel de opstapplaats en de stageplek en vice versa.

  • 3. Het college gaat ervan uit dat de stageplek gezocht wordt in de nabijheid van de woning, waardoor leerlingen minder lang hoeven te reizen en hun maatschappelijke betrokkenheid met de gemeente Ridderkerk wordt vergroot.

  • 4. Voor de stageplek geldt hetzelfde afstandscriterium als voor de school. Er vindt geen vergoeding plaats als de stageplek binnen de afstandsgrens staat, tenzij sprake is van een leerling met een beperking.

  • 5. Ter voorbereiding op deelname in het maatschappelijk verkeer en het vergroten van de zelfredzaamheid wordt voor het stagevervoer gekeken naar de mogelijkheden van het reizen met de (brom-)fiets en/of het openbaar vervoer. Er wordt een zo zelfstandig mogelijke manier van reizen van en naar het stageadres nagestreefd.

Artikel 23. Weekend- en vakantievervoer

De vervoersvoorziening voor weekend- en vakantievervoer voor de leerling vindt plaats aansluitend aan de schooltijden van de leerling. Het vervoer bij wisselende of afwijkende schooltijden behoort niet tot de taken van het college, maar tot de verantwoordelijkheid van de ouders zelf. Ook voor uitvaluren aan het begin en het eind van de schooldag worden geen extra taxiritten ingezet.

Artikel 24. Wisselende schooltijden en afwijken van het schoolrooster (uitwerking artikel 13 van de Verordening)

  • 1. Het vervoer bij wisselende of afwijkende schooltijden behoort niet tot de taken van het college, maar tot de verantwoordelijkheid van de ouders zelf. Ook voor uitvaluren aan het begin en het eind van de schooldag worden geen extra taxiritten ingezet.

  • 2. Het aangepaste vervoer wordt alleen georganiseerd voor vervoer van en naar de school, vanaf het vooraf opgegeven woonadres en op de schooltijden die zijn opgenomen in de schoolgids. Uitzonderingen worden gemaakt voor leerlingen die vanwege hun structurele beperking geen hele schooldag kunnen volbrengen, of voor wie de algemene schoolgids is aangepast in een individueel schoolplan.

  • 3. Bij afwijkende schooltijden in het examenjaar worden de reguliere schooltijden van het schoolplan aangehouden. Indien het examen na 10:00 uur plaatsvindt, kan er in de morgen, op aanvraag en in overleg, afgeweken worden van de reguliere schooltijden. Indien het examen voor 10:00 uur plaatsvindt wordt de reguliere schooltijd aangehouden, tenzij de vervoerder aangeeft dat er aan de betreffende rit geen meerkosten verbonden zijn. Voor uitvaluren worden geen extra ritten ingezet. Van de leerling wordt verwacht dat hij/zij op school wacht tot het einde van de reguliere schooltijd.

Artikel 25. Hoogbegaafd onderwijs

  • 1. Hoogbegaafde leerlingen kunnen met de juiste begeleiding en het juiste lesmateriaal op een reguliere, dichtbijgelegen school het voor hen passend onderwijs ontvangen.

  • 2. Hoogbegaafdheid is geen reden om vervoer te verstrekken naar een verder weg gelegen school voor primair onderwijs. Door de ouders aangeleverde specifieke informatie over de leerling kan echter aanleiding zijn om de hardheidsclausule toe te passen. De ouders moeten aantonen dat hun kind op de dichtstbijzijnde school niet het onderwijs kan krijgen dat hij nodig heeft. Voor informatie wordt contact opgenomen met het betreffende samenwerkingsverband voor Passend Onderwijs. Het samenwerkingsverband weet welke scholen de beschikbare zogenaamde “verrijking, versnelling en verdiepingsmaterialen” in hun leerplan hebben opgenomen.

Artikel 26. Schakelklas en Internationale Schakelklas (ISK)

  • 1. Het afstandscriterium uit artikel 9 van de verordening is niet van toepassing op het vervoer naar een schakelklas. Op het vervoer naar de Internationale Schakelklas (ISK) is het afstandscriterium wel van toepassing.

  • 2. Voor zover de leerling zelfstandig met openbaar vervoer kan reizen kan een voorziening voor openbaar vervoer worden toegekend, indien nodig met begeleiding. Hierbij wordt de afstandsgrens voor bekostiging van openbaar vervoer naar de reguliere schakelklas niet toegepast.

  • 3. Zolang de leerling niet zelfstandig kan reizen en de leerling tevens niet kan worden begeleid, kan een tijdelijke voorziening voor aangepast vervoer worden toegekend. Na drie maanden wordt een leerling die groep 7 heeft bereikt geacht zelfstandig te kunnen reizen.

  • 4. Een leerling in een schakelklas of ISK kan verlenging van de vervoersvoorziening ontvangen. Op verzoek van ouders en eventueel na raadpleging van een deskundige kan het college een tijdelijke voorziening voor taxivervoer verlengen met telkens drie maanden, tot maximaal twee jaar na aankomst van de leerling, voor zover de ouders nog steeds niet kunnen begeleiden en de leerling nog steeds niet zelfstandig kan reizen.

  • 5. In de eerste twee jaar na afgifte van de verblijfsvergunning aan de ouders wordt geen inkomensverklaring gevraagd en geen eigen bijdrage geheven.

  • 6. De gemeente meldt de leerling aan bij een organisatie die vervoerstraining geeft. Deze training helpt de leerling om zelfstandig te leren reizen.

Artikel 27. Ernstige benadeling

  • 1. De volgende belemmeringen kunnen er afzonderlijk of in combinatie aan bijdragen dat begeleiding door ouders onmogelijk is of tot ernstige benadeling zou leiden:

    • a.

      reistijd begeleider per schooldag: de reistijd bij het begeleiden of vervoeren van de leerling naar school kost de ouder meer dan 3 uur per dag (45 minuten enkele reistijd, ongeacht vervoersmiddel);

    • b.

      vervoersmiddelen: de ouders hebben niet de beschikking over een auto, bakfiets of ander vervoersmiddel waarmee de leerling vervoerd kan worden of over het daarvoor benodigde rijbewijs;

    • c.

      meerdere kinderen: er zijn meer kinderen in het gezin, die thuis verzorging nodig hebben of die nog niet zelfstandig naar school kunnen en die niet allemaal door de ouders naar school gebracht kunnen worden;

    • d.

      werk of opleiding van de alleenstaande ouder;

    • e.

      structurele medische redenen van één of beide ouders;

    • f.

      hoogzwanger en/of gecompliceerde zwangerschap of bevalling van de alleenstaande ouder.

  • 2. Inburgering van de ouders wordt beschouwd als werk en kan in samenhang met andere omstandigheden grond zijn voor toekenning van aangepast vervoer op grond van artikel 22, lid 1 onder c van de Verordening.

  • 3. Het feit dat ouders werken of naar werk reizen op de dagen en tijden waarop de leerling begeleid of vervoerd moet worden, is als zodanig géén belemmering in de zin van het eerste lid. In een gezin moeten de ouders deze belemmeringen in principe zelf verhelpen.

  • 4. Als ouders deze belemmering redelijkerwijs niet kunnen verhelpen leveren zij het college op verzoek een onderbouwing over:

    • a.

      de belemmeringen als bedoeld in artikel 16 lid 1 van de beleidsregels die de ouder als reden opgeeft;

    • b.

      de vereiste aanpassingen en inspanningen die zijn gedaan.

  • 5. Aangepast vervoer wordt na toekenning alleen toegekend voor de dagen en tijden waarop belemmeringen van toepassing zijn.

  • 6. Ingeval een leerling in een zorginstelling woont, blijven zowel de ouders, verzorgers als ook de instelling verantwoordelijk voor de zorg en de daarmee samenhangende begeleiding.

Artikel 28. Individueel vervoer

In beginsel bestaat er geen recht op individueel vervoer. Slechts in uitzonderlijke gevallen kan het voorkomen dat een leerling om medische en/of psychosociale reden niet samen met andere leerlingen kan worden vervoerd, maar individueel vervoerd moet worden.

Artikel 29. Individuele reistijd

De individuele reistijd per leerling in het voertuig is gelimiteerd tot 70 minuten per enkele reis, tenzij het door de afstand niet mogelijk is om binnen deze maximale tijdsduur te blijven of wordt aangetoond dat om medische en/of psychosociale redenen afwijken van de maximale individuele reistijd noodzakelijk is.

Artikel 30. Medische begeleiding

Indien een leerling om medische redenen begeleiding nodig heeft, zijn de ouders verantwoordelijk voor deze begeleiding. Hiervoor kan vaak een vergoeding worden verkregen op basis van de Zorgverzekeringswet (Zvw) of Wet langdurige zorg (Wlz). Door het college zal de zitplaats voor de begeleider beschikbaar worden gesteld.

Hoofdstuk 4. Financieel

Artikel 31. Financiële vergoeding openbaar vervoer

  • 1. Bij aanspraak op een vergoeding voor openbaar vervoer wordt maandelijks een bedrag overgemaakt aan de verzorgers van de leerling ter vergoeding van en naar de onderwijsinstelling, met een looptijd van tien maanden.

  • 2. Indien de beperking van de leerling met zich meebrengt dat begeleiding tijdens het reizen met het openbaar vervoer noodzakelijk is, wordt tevens een vergoeding voor de begeleider toegekend. De begeleiderspas staat niet op naam en kan daarom afwisselend gebruikt worden door meerdere personen die de begeleiding op zich nemen.

  • 3. Als een OV-kosten vergoeding voor een heel schooljaar wordt toegekend, wordt deze in tien termijnen uitbetaald.

  • 4. Geldt een OV-kosten vergoeding niet voor een heel schooljaar, dan wordt deze naar rato verdeeld over de maanden waarover is toegekend.

Artikel 32. Terugvordering

  • 1. Een ten onrechte ontvangen vergoeding kan van ouders worden teruggevorderd, dan wel worden verrekend bij een eventuele nieuwe verstrekking van vergoeding.

  • 2. Het college hanteert het uitgangspunt dat ten onrechte ontvangen tegemoetkomingen altijd van de ouder worden teruggevorderd of worden verrekend, tenzij er sprake is van dringende redenen om van terugvordering af te zien.

Artikel 33. Terugval in inkomen (uitwerking artikelen 1 definitie ‘inkomen’, 23 en 24 van de Verordening)

  • 1. Op aanvraag van de ouder wordt bij de toepassing van artikelen 23 en 24 van de verordening uitgegaan van het inkomen van een ander jaar dan het inkomen over het tweede jaar voorafgaande aan het schooljaar waarvoor de bekostiging wordt gevraagd, indien:

    • a.

      sprake is van een terugval in inkomen over het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de bekostiging wordt gevraagd, in welk geval wordt uitgegaan van het jaar voorafgaande aan het schooljaar waarvoor de bekostiging wordt vastgesteld, of

    • b.

      sprake is van een terugval in inkomen over het jaar waarvoor de bekostiging wordt vastgesteld, in welk geval wordt uitgegaan van het jaar waarvoor de bekostiging wordt vastgesteld.

  • 2. Voor de toepassing van het tweede lid wordt onder een terugval in inkomen verstaan: een vermindering van het toetsingsinkomen van de ouder van ten minste 15% ten opzichte van het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de bekostiging wordt vastgesteld.

Hoofdstuk 5. Handhaving en rechtmatigheid

Artikel 34. Wangedrag

Bij wangedrag van een kind in een taxibusje wordt een stoplichtmodel gehanteerd, waarbij onderstaande maatregelen in zwaarte oplopen en in vaste volgorde worden toegepast:

  • a.

    Er wordt een brief gestuurd naar de ouders/verzorgers van het kind. Ook vindt er een gesprek plaats tussen de chauffeur en de ouders/verzorgers. De chauffeur maakt hier een verslag van. Het doel is verbetering van het gedrag van de leerling.

  • b.

    Wanneer dit niet leidt tot verbetering van het gedrag stuurt het college een schriftelijke waarschuwing naar de ouders/verzorgers. Aan de hand hiervan worden zij uitgenodigd voor een gesprek. Er wordt hen dan de gelegenheid geboden het kind in het aangepast vervoer te (laten) begeleiden. Hiertoe biedt het college de ouders/verzorgers een zitplaats aan in het voertuig.

  • c.

    Als het probleem aanhoudt, krijgen ouders/verzorgers een laatste schriftelijke waarschuwing dat het vervoer wordt beëindigd indien het gedrag van de leerling niet verbetert. Indien het gedrag van de leerling niet verbetert, het gedrag niet verwijtbaar is aan de aandoening/handicap van de leerling en indien ouders/verzorgers geen begeleiding verzorgen, kan het college besluiten het aangepast vervoer te beëindigen. Dit geldt ook wanneer het gedrag van de leerling niet verbetert, er een medische oorzaak is aan te geven voor het ontoelaatbare gedrag en dit met begeleiding onder controle te houden is. In alle gevallen zijn de ouders/verzorgers verantwoordelijk voor de begeleiding, niet het college.

Hoofdstuk 6. Afsluiting.

Artikel 35. Inwerkingtreding en citeertitel.

  • 1. De beleidsregels leerlingenvervoer Ridderkerk treden in werking de dag na publicatie.

  • 2. De beleidsregels bekostiging leerlingenvervoer Ridderkerk 2023 worden ingetrokken.

Ondertekening

Aldus besloten door het college van burgemeester en wethouders op 31-03-2026.

de secretaris,

mw. M. Kitselar

burgemeester,

dhr. C.A. Oosterwijk