Permanente link
Naar de actuele versie van de regeling
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR760489
Naar de door u bekeken versie
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR760489/1
Beleidsregels terugvordering, invordering en boete voor de Participatiewet, IOAW en IOAZ Ermelo, Harderwijk en Zeewolde 2026
Geldend van 15-04-2026 t/m heden met terugwerkende kracht vanaf 01-04-2026
Intitulé
Beleidsregels terugvordering, invordering en boete voor de Participatiewet, IOAW en IOAZ Ermelo, Harderwijk en Zeewolde 2026De colleges van burgemeesters en wethouders van de gemeenten Ermelo, Harderwijk en Zeewolde
Gelet op:
- •
Artikel 160, eerste lid, aanhef en onder b, van de Gemeentewet;
- •
De artikelen 18a, 54, 55, 58, 59 en 60 van de Participatiewet;
- •
De artikelen 17, 20a, 25, 26 en 28 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW);
- •
De artikelen 17, 20a, 25, 26 en 28 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ);
- •
Titel 4.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Bestuurlijke geldschulden);
- •
Het Boetebesluit sociale zekerheidswetten;
Overwegende dat:
- •
Het wenselijk is om duidelijke regels vast te stellen over de wijze waarop het college omgaat met haar bevoegdheden met betrekking tot het herzien, intrekken, terugvorderen en invorderen van ten onrechte verleende uitkeringen;
- •
Er behoefte is aan een eenduidig beleid voor het opleggen van bestuurlijke boetes bij schending van de inlichtingenplicht binnen de regio Ermelo, Harderwijk en Zeewolde;
- •
Deze beleidsregels bijdragen aan de rechtszekerheid van de inwoners door transparantie te bieden over de kaders voor kwijtschelding, betalingsregelingen en de inzet van dwangmiddelen;
- •
De samenwerking tussen de gemeenten Ermelo, Harderwijk en Zeewolde vraagt om geharmoniseerd beleid ter uitvoering van de Participatiewet, IOAW en IOAZ;
besluit vast te stellen de hieronder beschreven
‘Beleidsregels terugvordering, invordering en boete voor de Participatiewet, IOAW en IOAZ Ermelo, Harderwijk en Zeewolde 2026’
HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 1. Begrippen
- a.
Awb: Algemene wet bestuursrecht;
- b.
Pw: Participatiewet;
- c.
IOAW: wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers.
- d.
IOAZ: wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen
- e.
belanghebbende: een belanghebbende in de zin van artikel 1:2 lid 1 van de Awb. Een persoon wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken;
- f.
college: het college van de burgemeester en wethouders van de gemeente Ermelo;
- g.
debiteur: de persoon op wie de gemeente een geldvordering heeft.
- h.
inwoner: de burger die in de gemeente Ermelo woont.
- i.
uitkering: (leen) bijstand of inkomensvoorziening op grond van de Pw, de IOAW of IOAZ;
- j.
leenbijstand: de als renteloze lening verstrekte algemene bijstand op grond van artikel 48 lid 2 Pw.
- k.
inlichtingenplicht: verplichting genoemd in artikel 17 lid 1 Pw, artikel 13 lid 1 IOAW, artikel 13 lid 1 IOAZ en artikel 30c lid 2 en 3 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
- l.
herziening: herziening van het recht op bijstand is het opnieuw beoordelen van het recht op bijstand over een periode in het verleden, waarbij het recht op bijstand afwijkend kan worden vastgesteld;
- m.
boete: bestuurlijke boete zoals bedoeld in artikel 18a Pw en artikel 20a van de IOAW / IOAZ;
- n.
terugvordering: de vaststelling van het bedrag aan uitkering waar de inwoner geen recht (meer) op heeft en tevens de grondslag om het geld terug te betalen, op grond van artikel 58 Pw, artikel 25 van de IOAW of IOAZ.
- o.
invordering: het innen van de vordering en de boete;
- p.
bruteren: verhogen van de vordering zoals bedoeld in artikel 58 lid 5 Pw. Het verhogen van de vordering met de loonbelasting en premies volksverzekeringen waarvoor de gemeente die de uitkering verstrekt krachtens de Wet op de loonbelasting 1964 inhoudingsplichtig is, voor zover deze belasting en premies niet verrekend kunnen worden met de door het college af te dragen loonbelasting en premies volksverzekeringen.
- q.
aflossingscapaciteit: het bedrag dat de debiteur kan aflossen. Dit bedrag hangt af van het inkomen, het vermogen en de waarde van de bezittingen waarover de debiteur beschikt of redelijkerwijs kan beschikken;
- r.
schuldregeling: een minnelijke of wettelijke schuldregeling of saneringskrediet, waarbij de debiteur minimaal 18 maanden zijn volledige aflossingscapaciteit inzet en de schuldregeling eindigt met finale kwijting van de schulden.
- s.
opzet: het willens en wetens handelen of nalaten gericht op het ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan bijstand ontvangen.
- t.
grove schuld: ernstig nalatig of verwijtbaar slordig handelen aan opzet grenzend, wat ertoe heeft geleid dat er ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan uitkering is ontvangen.
- u.
normale verwijtbaarheid: verwijtbaar gedrag middels schending inlichtingenplicht zonder verzachtende (verminderde verwijtbaarheid) of verzwarende omstandigheden (opzet of grove schuld).
- v.
verminderde verwijtbaarheid: omstandigheden tijdens de schending van de inlichtingenplicht die ervoor zorgen dat het belanghebbende niet zwaar aan te rekenen valt dat hij de inlichtingenplicht heeft geschonden.
HOOFDSTUK 2. TERUGVORDERING
Artikel 2. Algemene bepalingen
-
1. Het college maakt gebruik van de bevoegdheid tot:
- a.
het terugvorderen, zoals dit haar toekomt op grond van artikel 58 tweede lid en artikel 59 van de Participatiewet en artikel 25, tweede lid en artikel 26 van de IOAW en IOAZ;
- b.
het verrekenen van de bijstand zoals dit haar op grond van artikel 58, vierde lid van de Participatiewet, en ook artikel 25 vierde lid van de IOAW en IOAZ toekomt;
- c.
het verrekenen van de vordering met de Participatiewet, IOAW- of IOAZ-uitkering zoals dit haar op grond van artikel 60, derde lid Participatiewet, en ook artikel 28, derde lid IOAW of IOAZ toekomt;
- d.
het bruteren van de vordering die is ontstaan door schending van de inlichtingenplicht, indien er niet binnen het lopende kalenderjaar wordt terugbetaald. Tenzij de belanghebbende niet verweten kan worden dat hij de vordering niet al heeft voldaan in het kalenderjaar waarin deze is ontstaan.
- e.
het invorderen van de vordering via een dwangbevel, zoals dit haar op grond van artikel 60, tweede lid van de Participatiewet en ook artikel 28, eerste lid IOAW en IOAZ toekomt; en
- f.
het opschorten, herzien of intrekken van het besluit tot toekenning, ingevolge artikel 54, derde en vierde lid Participatiewet indien er geen sprake is van een schending van de inlichtingenplicht en artikel 17, derde en vierde lid van de IOAW en IOAZ, indien de uitkering ten onrechte, dan wel tot een te hoog bedrag is verleend;
- a.
-
2. De bevoegdheden genoemd in eerste lid, onderdelen a tot en met f gelden voor het college als algemene verplichtingen onder voorbehoud van de in deze beleidsregels beschreven uitzonderingen.
HOOFDSTUK 3. HET AFSTAND DOEN VAN VORDERINGEN
Artikel 3. Kwijtschelding van restantvorderingen
-
1. Het college verleent op verzoek kwijtschelding voor restantvorderingen indien belanghebbende vanaf de datum van het besluit tot terugvordering:
- a.
voor de duur van minimaal 36 maanden aaneengesloten, heeft afgelost volgens de betreffende aflossingscapaciteit, én gevraagd en ongevraagd relevante informatie heeft verstrekt;
- b.
het geen vordering als gevolg van schending van de inlichtingenplicht betreft zoals genoemd in art. 3 lid 2.
- a.
-
2. Bij vorderingen als gevolg van schending van de inlichtingenplicht verleent het college op verzoek kwijtschelding voor restantvorderingen indien belanghebbende vanaf de datum van het besluit tot terugvordering:
- a.
voor de duur van minimaal 120 maanden aaneengesloten naar draagkracht heeft afgelost én gevraagd en ongevraagd relevante informatie heeft verstrekt, in geval van grove schuld of opzet;
- b.
voor de duur van minimaal 60 maanden aaneengesloten naar draagkracht heeft afgelost én gevraagd en ongevraagd relevante informatie heeft verstrekt, in geval van normale of verminderde verwijtbaarheid;
- a.
-
3. Bij vorderingen als gevolg van schending van de inlichtingenplicht kan het college op verzoek van belanghebbende kwijtschelding verlenen voor restantvorderingen indien belanghebbende vanaf de datum van het besluit tot terugvordering:
- a.
gedurende 60 maanden (bij normale of verminderde verwijtbaarheid) of 120 maanden (bij grove schuld of opzet) niet volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan, maar het achterstallige bedrag over die periode, vermeerderd met de daarover verschuldigde wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten, alsnog heeft betaald;
- b.
een bedrag, overeenkomend met ten minste 50% van de restsom, in één keer aflost.
- a.
Artikel 4. Uitzondering kwijtschelding
-
1. Aflossingen op vorderingen langer dan de termijn genoemd in artikel 3 komen niet in aanmerking voor terugbetaling. De restantvordering zal worden kwijtgescholden;
-
2. Indien het college de bijstand in de vorm van een geldlening of borgtocht heeft verstrekt zoals bedoeld in artikel 48 lid 2 PW, artikel 50 lid 1 PW of artikel 51 lid 1 PW, komt deze niet aanmerking voor kwijtschelding.
-
3. Indien de bijstand wordt teruggevorderd op grond van artikel 58, tweede lid, onderdeel b of c van de Participatiewet, omdat de uit de geldlening voortvloeiende verplichtingen niet of niet behoorlijk zijn nagekomen of voortvloeit uit gestelde borgtocht, komt deze vordering niet in aanmerking voor kwijtschelding.
Artikel 5. Afzien van terugvordering vanwege dringende redenen
Het college kan besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien als daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
HOOFDSTUK 4. INVORDERING
Na de terugvordering start de invordering. Dit is de manier waarop de vordering wordt terugbetaald.
Artikel 6. Algemeen
Het college start de invordering gelijktijdig met de afgifte van het besluit tot terugvordering en/of het besluit boeteoplegging en hanteert daarbij de in artikel 4:87 van de Awb genoemde betalingstermijn van zes weken.
Artikel 7. Inhouden op uitkering
Het college kan in het geval van een vordering op grond van de Participatiewet, de IOAW en de IOAZ zo spoedig als mogelijk onderzoeken of verrekening in de zin van artikel 60 lid 3 of 4 Participatiewet, artikel 28 lid 2 en 3 IOAW en artikel 28 lid 2 en 3 IOAZ mogelijk is. Indien dit mogelijk is, dan zal het college overgaan tot het inhouden van de vordering op de lopende uitkering levensonderhoud, rekening houdend met de beslagvrije voet zoals omschreven in artikel 475dc Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
Artikel 8. Verlenen van uitstel van Betaling
-
1. De belanghebbende die geen uitkering geniet krachtens de Participatiewet, IOAW of IOAZ, kan een verzoek indienen voor een betalingsregeling.
-
2. Voor het treffen van een betalingsregeling en het vaststellen van de aflossingscapaciteit hanteren wij de volgende uitgangspunten:
- a.
Wij gaan akkoord met een betalingsregeling als de vordering met het besproken maandelijkse termijnbedrag volledig wordt afgelost binnen een periode van 36 maanden, waarbij het minimaal af te lossen bedrag €25,00 per maand bedraagt tenzij de beslagvrije voet dit niet toelaat.
- b.
bij een betalingsregeling anders dan onder sub a omschreven, stellen we de aflossingscapaciteit als volgt vast: 5% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm vermeerderd met 35% van het meer-inkomen inclusief vakantietoeslag. De belanghebbende dient hiervoor juiste en volledige gegevens te verstrekken met betrekking tot zijn inkomsten.
- c.
Is het voor de belanghebbende niet mogelijk om de aflossingscapaciteit zoals beschreven artikel 8 lid 2 sub b volledig aan te wenden voor de vordering, dan kan diegene schriftelijk en gemotiveerd verzoeken om af te wijken van de genoemde percentages. Het college kan met dit verzoek instemmen wanneer kennis is genomen van de beslagvrije voet en alle relevante gegevens waartoe onder meer bewijsstukken van inkomsten, uitgaven en vermogensbestanddelen behoren.
- a.
-
3. Belanghebbende kan voor het wijzigen van de betalingsregeling een schriftelijk verzoek doen.
-
4. De betalingsregeling kan worden ingetrokken wanneer:
- a.
de belanghebbende de betalingsregeling niet nakomt;
- b.
de belanghebbende onjuiste of onvolledige gegevens verstrekt;
- c.
de belanghebbende niet meewerkt aan het overleggen van gegevens;
- d.
veranderde omstandigheden.
- a.
Artikel. 9 Afzien van invordering kruimelbedragen
Wanneer een terug te vorderen uitkering een bedrag van € 50,00 niet te boven gaat en voor zover aan het terugvorderingsbesluit artikel 58 Pw of artikel 25 IOAW / IOAZ ten grondslag ligt, kan er worden afgezien van invordering.
Artikel 10. Afwijzen verzoek tot een betalingsregeling of herziening
Een verzoek om een betalingsregeling of het verzoek tot herziening van de betalingsregeling wordt afgewezen als:
- a.
de medewerking van de belanghebbende naar het oordeel van het college onvoldoende is;
- b.
onjuiste gegevens worden verstrekt en op verzoek niet worden hersteld binnen daarvoor gestelde termijn;
- c.
de gevraagde gegevens niet (volledig) binnen de daartoe gestelde termijn zijn verstrekt.
Artikel 11. Administratief heronderzoek
Het college kan, in geval van artikel 8 lid 2 sub b en c, een periodiek administratief heronderzoek inplannen om te bezien of de betalingsregeling nog aansluit bij de middelen van belanghebbende. Het periodiek administratief heronderzoek vindt in beginsel plaats elke 12 maanden. Van deze termijn kan gemotiveerd worden afgeweken.
Artikel 12. Tussentijdse beoordeling van de betalingsregeling
-
1. Als uit een administratief heronderzoek blijkt dat de aflossingscapaciteit van belanghebbende mogelijk is gewijzigd, kan het college een draagkrachtonderzoek instellen.
-
2. Wanneer het college als gevolg van een draagkrachtonderzoek besluit tot het wijzigen van de overeengekomen betalingsregeling wordt belanghebbende hiervan bij beschikking in kennis gesteld.
-
3. In het geval van een gewijzigde betalingsverplichting wordt deze opgelegd met ingang van de eerste dag van de maand die volgt op die van de beschikking.
-
4. Indien belanghebbende de gewijzigde betalingsregeling naar aanleiding van het administratief heronderzoek niet wenst na te komen, kan belanghebbende verzoeken de eerder overeengekomen betalingsregeling voort te zetten. In dat geval komt de vordering niet meer in aanmerking voor kwijtschelding zoals bedoeld in artikel 3 van deze beleidsregels.
Artikel 13. Afzien van invordering op erfgenamen
Het college ziet af van invordering op een erfgenaam, tenzij de situatie dit redelijkerwijs niet toelaat, wanneer deze erfgenaam als gevolg van het aanvaarden van de nalatenschap hoofdelijk aansprakelijk is geworden voor de vordering van de erflater.
Artikel 14: Afzien terugvordering achteraf beschikken over middelen bij een erfenis
-
1. Het college maakt geen gebruik van zijn bevoegdheid tot terugvordering op grond van artikel 58, tweede lid, onderdeel f, onder 1, van de Participatiewet indien belanghebbende aanspraak kan maken op een erfenis. Hiermee wordt afgezien van terugvordering over de periode tussen datum overlijden van de erflater en de datum van ontvangst van de erfenis.
-
2. Het college trekt de bijstand in vanaf de datum van ontvangst van de erfenis, indien hiermee het vrij te laten vermogen als bedoeld in artikel 34, derde lid, van de Participatiewet wordt overschreden.
-
3. De inlichtingenplicht geldt vanaf de datum van ontvangst van de erfenis.
-
4. Degene die aanspraak kan maken op een erfenis, kan op grond van artikel 55 van de Participatiewet de verplichting worden opgelegd de erfenis (beneficiair) te aanvaarden.
-
5. In afwijking van het eerste lid, kan het college, indien belanghebbende verwijtbaar de procedure rekt waardoor de uitbetaling later plaatsvindt dan mogelijk, alsnog gebruik maken van zijn bevoegdheid tot terugvordering op grond van artikel 58, tweede lid, onderdeel f, onder 1, van de Participatiewet.
Artikel 15. Betalingsvolgorde
Met uitzondering van het gestelde in artikel 4:92 tweede lid Awb, waarin is bepaald dat de debiteur bij de betaling de geldschuld kan aanwijzen waaraan de betaling moet worden toegerekend, worden betalingen, waarvoor geen bestemming is aangegeven, in volgorde van oud naar nieuw:
- a.
allereerst aangewend voor aflossing van een openstaande netto vordering om brutering te voorkomen;
- b.
vervolgens een opgelegde boete;
- c.
vervolgens, indien er leenbijstand openstaat, de terugbetaling van de leenbijstand;
- d.
vervolgens op een bruto vordering, als gevolg van schending inlichtingenplicht;
- e.
vervolgens de netto vorderingen.
Artikel 16. Kosten bij overdragen aan deurwaarder
Als belanghebbende niet bereid is tot het treffen van een betalingsregeling of een eerder opgelegde betalingsregeling niet nakomt, kan worden overgegaan tot beslaglegging. Nadat de vordering is overgedragen aan de deurwaarder wordt deze verhoogd met de op de invordering betrekking hebbende kosten.
HOOFDSTUK 5. DE BESTUURLIJKE BOETE IN VERBAND MET HET SCHENDEN VAN DE INLICHTINGENPLICHT
Artikel 17. Boete
-
1. Het college legt een bestuurlijke boete op zoals bedoeld in artikel 18a van de Participatiewet.
-
2. Het college maakt gebruik van de in artikel 18a van de Participatiewet neergelegde bevoegdheden.
Artikel 18. Waarschuwing
Het college maakt gebruik van de in artikel 2aa. van het Boetebesluit Sociale Zekerheidswetten neergelegde bevoegdheid.
Artikel 19. Kwijtschelding boete
-
1. Het college maakt gebruik van de in artikel 18a dertiende lid Pw, artikel 20a twaalfde lid IOAW en IOAZ, neergelegde bevoegdheid om op verzoek van de belanghebbende de bestuurlijke boete waarbij geen sprake is van opzet of grove schuld, geheel of gedeeltelijk kwijt te schelden bij medewerking aan een schuldregeling.
-
2. De in het vorige lid genoemde boete wordt kwijtgescholden op het moment dat de belanghebbende een schuldregeling succesvol heeft doorlopen en in die periode van de schuldregeling niet opnieuw een boete is opgelegd.
Artikel 20. Dringende redenen
Het college kan afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete als daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
HOOFDSTUK 6. SLOTBEPALINGEN
Artikel 21. Intrekking oude regelingen
-
1. De beleidsregels terug- en invordering Bbz 2004 worden ingetrokken.
-
2. De intrekking, als bedoeld in het eerste lid, gaat in op de dag dat deze nieuwe beleidsregels in werking treden.
Artikel 22. Inwerkingtreding
Deze beleidsregels treden in werking met ingang van 1 april 2026 en werken terug tot en met 1 april 2026.
Artikel 23. Citeertitel
Deze beleidsregels kunnen worden aangehaald als “Beleidsregels Terugvordering, Invordering en Boete voor de Participatiewet, IOAW, en IOAZ Ermelo, Harderwijk en Zeewolde 2026”
Ondertekening
Aldus vastgesteld in de vergadering van burgemeester en wethouders van de gemeente Zeewolde d.d. 24 februari 2026.
Zeewolde,
Burgemeester en Wethouders voornoemd,
de secretaris,
K.C. Hamstra
de burgemeester,
A.M. Harmsma
BIJLAGE 1: ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING
Algemeen: Deze bijlage verduidelijkt de achtergrond van de beleidsregels en is leidend bij de uitvoering. Let op: onderstaande toelichting is niet uitputtend en beperkt zich tot de artikelen die een nadere toelichting vereisen.
Artikelsgewijs
Artikel 2: Algemene bepalingen
De gemeente is verplicht een uitkering terug te vorderen op grond van artikel 58 lid 1 Pw, als de ontvanger van bijstand deze uitkering tot een te hoog bedrag of ten onrechte heeft gekregen indien de inlichtingenplicht is geschonden. Het gaat dan om situaties waarin de ontvanger van bijstand verkeerde informatie, geen informatie of te laat informatie heeft gegeven. In de andere gevallen die de wetgever noemt, kan de gemeente terugvorderen op grond van artikel 58 lid 2 Pw, maar hoeft dat niet. In die gevallen kan de gemeente gebruik maken van haar bevoegdheid. Dit hoofdstuk gaat in op de bevoegdheden van de gemeente zoals bedoeld in artikel 58 lid 2 Pw. Als het om bijstand gaat, staan die vereisten in artikel 58 van de Participatiewet. Een vergelijkbare bepaling is opgenomen in artikel 25 van de IOAW en de IOAZ.
In een terugvorderingsbesluit staat tot welk bedrag de uitkering of de lening wordt teruggevorderd, wat de reden is van de terugvordering en op welke wettelijke grond die is gebaseerd. Ook staat er binnen welke termijn er betaald moet worden. Ook wordt aangegeven op welke manier de vordering terugbetaald moet worden.
Om te kunnen terugvorderen en de vordering te incasseren, maakt de gemeente gebruik van andere bevoegdheden. De gemeente:
- a.
weegt af of een uitkering teruggevorderd dient te worden.
- b.
verrekent de vordering met een uitkering van de gemeente indien mogelijk; Bij een vordering op grond van de Participatiewet is de verrekeningsbevoegdheid 6 maanden en bij een vordering op grond van de IOAW en de IOAZ is de verrekeningsbevoegdheid 3 maanden.
- c.
verhoogt de vordering met de loonbelasting en premies volksverzekeringen, die de gemeente moet inhouden als het om een uitkering gaat (dit heet bruteren) indien mogelijk en er sprake is van een schending van de inlichtingenplicht;
- d.
gebruikt voor beslaglegging op inkomen een dwangbevel dat, waar dat mogelijk is, per post wordt verstuurd. Dit heet een vereenvoudigd derdenbeslag;
- e.
brengt de kosten van het leggen van beslag (in geval een deurwaarder moet worden ingezet) in rekening bij de debiteur; en
- f.
verhaalt de vordering op bezittingen van de debiteur die gedekt zijn door pand- en hypotheekrechten ten gunste van de gemeente. De gemeente mag deze bezittingen dan verkopen om de vordering te kunnen incasseren.
De gemeente vordert vanuit de wet een deel van de uitkering terug als een ontvanger van bijstand te veel of ten onrechte uitkering heeft ontvangen vanwege een schending van de inlichtingenplicht. De gemeente vordert dan alleen het bedrag terug dat de ontvanger te veel aan uitkering zou hebben gekregen als hij op tijd de juiste informatie had gegeven. Daarnaast kan de gemeente terugvorderen als er wel voldaan is aan de inlichtingenplicht maar er, bijvoorbeeld, onterecht een uitkering is verstrekt of een voorschot is verstrekt. Gaat het om een terugvordering omdat de ontvanger onjuiste informatie heeft gegeven over zijn vermogen? Dan vordert de gemeente alleen het bedrag terug waarmee de vermogensgrens uit de Participatiewet is overschreden.
Artikel 3: Kwijtschelding van restantvordering
Op verzoek van de debiteur kunnen wij in sommige situaties kwijtschelding verlenen. Dit kan bijvoorbeeld wanneer de debiteur binnen een periode van 3 jaar in totaal 36 maanden heeft afgelost, en er geen sprake is geweest van een vordering ten gevolge van een schending van de inlichtingenplicht. Daarbij is het wel nodig dat de debiteur uit zichzelf of op verzoek van de gemeente alle informatie heeft verstrekt die van belang is. Belangrijke informatie zijn bijvoorbeeld gegevens over inkomsten en bezittingen.
-De wettelijke terugbetalingstermijn bij vorderingen als gevolg van schending van de inlichtingenplicht is 60 of 120 maanden. Ook hiervoor geldt dat de debiteur relevante informatie heeft gevraagd en ongevraagd heeft verstrekt. Voor moeilijk invorderbare terugvorderingen geldt een afzonderlijke afweging in lid 4.
Artikel 4: Uitzondering kwijtschelding
Wanneer bij inwerkingtreding van dit beleid een debiteur al langer aflost dan de nieuwe soepelere termijn eist (bijvoorbeeld al 50 maanden aflost terwijl 36 maanden nu voldoende is), dan wordt het bedrag dat nu nog openstaat per direct kwijtgescholden. Betalingen die al verricht zijn (ook de ‘te veel’ betaalde maanden) worden niet terugbetaald aan de debiteur.
Artikel 5: Afzien van terugvordering vanwege dringende redenen
Het uitgangspunt is, dat de gemeente een uitkering terugvordert die ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verstrekt. Maar er zijn uitzonderingen denkbaar. Er moet sprake zijn van een bijzondere en uitzonderlijke omstandigheid wil afwijking van de regel gerechtvaardigd zijn. Het (gedeeltelijk) afzien van terugvordering moet leiden tot het voorkomen van een verslechtering van de omstandigheden.
Bij het nemen van een terugvorderingsbesluit houdt de gemeente rekening met het evenredigheidsbeginsel. We wegen daarin de keuzes van de klant mee, maar houden ook rekening met een stapeling van de volgende factoren:
- a.
de persoonlijke situatie van de belanghebbende;
- b.
de financiële situatie;
- c.
de werksituatie; en
- d.
de kans op een hoger inkomen.
- e.
de oorzaak van de terugvordering
Diegene die ten onrechte bijstand heeft ontvangen moet over deze factoren uit eigen beweging informatie geven, anders kan de gemeente hier geen rekening mee houden. De gemeente moet de belanghebbende hiervoor wel in de gelegenheid stellen om deze informatie te verstrekken.
Artikel 6: Invordering (Algemeen)
De gemeente informeert de debiteur per brief over het besluit om een uitkering terug te vorderen of om een boete op te leggen. Daarbij wordt hem een wettelijke termijn van zes weken gegeven om de vordering te betalen. In de brief van de gemeente staat ook op welke manier de debiteur de vordering moet betalen. Het volgende blijkt in ieder geval uit de beschikking:
- a.
hoe hoog de vordering / boete is;
- b.
de verplichting om de vordering binnen zes weken in een keer te betalen;
- c.
wanneer de betalingsverplichting ingaat;
- d.
dat de debiteur binnen zes weken een betalingsvoorstel kan doen;
- e.
dat de vordering meteen wordt ingehouden, met inachtneming van de beslagvrije voet, op een uitkering of vordering van de debiteur op de gemeente, als dat mogelijk is;
- f.
wat de gemeente doet als de debiteur de betalingsverplichting niet nakomt;
- g.
hoe de gemeente haar vorderingen incasseert; en
- h.
dat de betalingsverplichtingen van de debiteur niet aangepast worden als de debiteur nieuwe schulden maakt.
Artikel 7: Inhouden op uitkering
In de situatie waar sprake is van een vordering van bijstand op grond van de Participatiewet, de IOAW en de IOAZ, zal de gemeente deze vordering inhouden op de uitkering indien dit mogelijk is. Dit recht op bijstand zijn tegoeden waaronder ook het tot dan toe opgebouwde en gereserveerde vakantiegeld valt. De inhouding vindt zo spoedig mogelijk plaats, of anders per de eerstvolgende betaling nadat de brief besluit tot terugvordering is verzonden. Bij de inhouding op de uitkering wordt rekening gehouden met de beslagvrije voet.
Artikel 8: Verlenen van uitstel van betaling
Personen die geen uitkering van de gemeente ontvangen maar wel aan de gemeente moeten terugbetalen, kunnen niet altijd binnen de betalingstermijn van zes weken terugbetalen. De debiteur kan dan een aflossingsverzoek doen indien de totaalsom van de vordering binnen 36 maandelijkse termijnen afgelost kan worden. Als de gemeente met een aflossingsverzoek instemt, treft de gemeente een betalingsregeling met de debiteur en hoeft hij de vordering niet in één keer af te lossen. Voorwaarde is wel dat de debiteur maandelijks ten minste € 25,00 per maand aflost op de vordering, tenzij de beslagvrije voet dit niet toelaat.
Debiteuren kunnen ook verzoeken om een andere regeling wanneer zij niet het bedrag binnen 36 maanden kunnen terugbetalen. Om te berekenen wat zij kunnen aflossen moet er informatie worden overlegd. Uit deze informatie moet blijken wat de inkomsten van de debiteur zijn. De termijn van de betalingsregeling gaat lopen, vanaf het moment dat de betalingsregeling ingaat.
Wanneer de debiteur het berekende aflossingsbedrag niet kan aflossen kan hij dat schriftelijk aan de gemeente kenbaar maken waarom dat niet lukt. De gemeente kan dan aan de hand van de actuele gegevens opnieuw de draagkracht berekenen en de beslagvrije voet vaststellen. Hierna kan het college een nieuwe afloscapaciteit en betalingsregeling afspreken met belanghebbende.
Wanneer een betalingsregeling niet meer kan worden nagekomen dan kan de debiteur dat kenbaar maken. Dit kan onder andere via een verzoekformulier betalingsregeling op de website van Meerinzicht. De gemeente zal dan opnieuw bekijken of de regeling dient te worden gewijzigd.
Wanneer de debiteur zich niet aan de betalingsverplichting houdt, kan dit gevolgen hebben voor de regeling. De betalingsregeling kan dan worden ingetrokken. Het college verstaat onder het niet nakomen van de betalingsverplichting, in elk geval de situatie dat belanghebbende niet volledig of niet tijdig de maandelijkse betalingsregeling nakomt. Het college sluit aan bij de omschrijving van de inlichtingenplicht van artikel 60 lid 1 Participatiewet voor de beoordeling van artikel 8 lid 4 sub b. Het college sluit aan bij artikel 17 lid 2 Participatiewet voor de beoordeling van artikel 8 lid 4 sub c. Het college verstaat onder veranderde omstandigheden in elk geval wijzigingen in het vermogen en het inkomen.
Artikel 9: Afzien van invordering kruimelbedragen
Het invorderen van kleine bedragen kost naar verhouding veel tijd en is niet altijd efficiënt. Daarom ziet de gemeente af van invordering als het totaal aan terug te vorderen bedragen aanvankelijk minder is dan € 50,00.
Artikel 10: Afwijzen verzoek tot een betalingsregeling of herziening
Een verzoek om een betalingsregeling kan ook worden afgewezen. Dit kan wanneer de debiteur onvoldoende meewerkt, onjuiste gegevens verstrekt of te laat is met het verstrekken van gegevens.
Artikel 12: Tussentijdse beoordeling van een betalingsregeling
Een betalingsregeling kan getoetst worden. Uit de toetsing blijkt of deze moet worden bijgesteld naar de actuele situatie. Mocht de regeling worden gewijzigd, dan gaat de nieuwe betalingsverplichting in op de eerste dag van de daaropvolgende kalendermaand. De debiteur wordt van de wijziging per beschikking op de hoogte gebracht.
Artikel 13: Afzien van invordering op erfgenamen
De gemeente besluit om een vordering niet in te vorderen wanneer de schuld aan iemand toekomt die hiervan eigenaar is geworden nadat hij een erfenis heeft aanvaard. Eventuele opgelegde boetes gaan niet mee in de nalatenschap.
Artikel 15: Betalingsvolgorde
Als de gemeente meerdere vorderingen op de debiteur heeft, dan kan de debiteur aangeven voor welke vordering de betaling bedoeld is. Heeft de debiteur dit niet aangegeven, dan neemt de gemeente aan dat die betaling bedoeld is voor het aflossen van een vordering volgens de door de gemeente bepaalde volgorde:
- 1.
eerst de netto vorderingen om brutering te voorkomen. Dit gaat om vorderingen als gevolg van schending inlichtingenplicht binnen hetzelfde jaar. Voor vorderingen vloeiend uit geen schending inlichtingenplicht, verhoogt het college de vordering niet met de gemaakte kosten (bruteren);
- 2.
Daarna opgelegde boetes;
- 3.
Indien er leenbijstand openstaat, terugbetaling van de leenbijstand;
- 4.
Vervolgens de bruto vorderingen, als gevolg van schending inlichtingenplicht;
- 5.
En tenslotte de netto vorderingen.
Heeft de gemeente meerdere vorderingen van dezelfde soort, dan wordt betaling toegerekend aan de oudste vordering van die soort.
Artikel 16: Kosten bij het overdragen aan een deurwaarder
De gemeente verhoogt de vordering met incassokosten pas op het moment dat de incasso is overgedragen aan een gerechtsdeurwaarder.
Artikel 18: Waarschuwing
Iedereen die een bijstandsuitkering ontvangt, heeft een inlichtingenplicht. Dat staat in artikel 17 lid 1 van de Participatiewet. De inlichtingenplicht houdt in dat mensen vanuit zichzelf, en natuurlijk ook desgevraagd, alles melden aan de gemeente wat van belang kan zijn voor het recht op een bijstandsuitkering. Als een inwoner bijstand ontvangt en zich niet houdt aan de inlichtingenplicht, moet in beginsel een boete worden opgelegd. Hierover gaat dit hoofdstuk.
De gemeente is dus verplicht om, indien de inlichtingenplicht is geschonden, een boete op te leggen. Hierop zijn een aantal uitzonderingen:
Een waarschuwing wordt in elk geval gegeven in de volgende situaties:
Situatie 1: de inwoner heeft geen of onjuiste inlichtingen verstrekt maar dit heeft niet geleid tot een benadelingsbedrag of het benadelingsbedrag is niet hoger dan € 150,00.
Situatie 2: de inwoner heeft in eerste instantie geen inlichtingen verstrekt over een wijziging van de persoonlijke situatie maar heeft uit eigen beweging alsnog binnen een redelijke termijn de juiste inlichtingen verstrekt voordat de overtreding is geconstateerd en het college hier niet aantoonbaar naar heeft gehandeld. Een redelijke termijn is niet langer dan 60 dagen nadat de inlichtingen verstrekt hadden moeten worden.
De gemeente volstaat met het geven van een waarschuwing als zich één van bovengenoemde situaties voordoet én niet eerder in de voorafgaande twee jaar een waarschuwing is gegeven.
Artikel 19: Kwijtschelding boete
De gemeente heeft de mogelijkheid om, op verzoek van de inwoner, de boete kwijt te schelden. In dat geval toetst de gemeente of er sprake is van geen opzet of grove schuld. Als op basis hiervan gekozen wordt om de boete kwijt te schelden, is de inwoner verplicht om mee te werken aan een schuldregeling. Daadwerkelijke kwijtschelding van de boete vindt plaats op het moment dat de inwoner de schuldregeling succesvol heeft doorlopen en in die periode niet opnieuw een boete is opgelegd. Met schuldregeling wordt zowel een minnelijke als wettelijke schuldregeling bedoeld. In de situatie waarbij een saneringskrediet verstrekt wordt voor het afkopen van de schulden, wordt de boete op het moment van afbetaling schulden kwijtgescholden.
Artikel 20: Dringende redenen
Bij dringende redenen gaat het om situaties die niet vaak voorkomen, waarbij iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden plaatsvindt. In dat geval kan er worden afgezien van het opleggen van de boete.
De gemeente legt ook geen boete op als de overtreding niet aan de overtreder kan worden verweten. Voor het opleggen van een boete is het nodig dat aan de inwoner persoonlijk een verwijt valt te maken van de schending van de inlichtingenverplichting. Dit heeft te maken met het bestraffende karakter van de boete. Daarvoor geldt namelijk het beginsel dat geen straf kan worden opgelegd zonder schuld.
Ziet u een fout in deze regeling?
Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl.
Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl