Beleidsregels beoordeling levensgedrag gemeente Meppel 2025

Geldend van 14-04-2026 t/m heden

Intitulé

Beleidsregels beoordeling levensgedrag gemeente Meppel 2025

De burgemeester van de gemeente Meppel,

Gelet op:

  • artikel 2:25, 2:28, 2:81 en 3:7 van de Algemene Plaatselijke Verordening Meppel;

  • artikel 8 en artikel 35 van de Alcoholwet;

  • artikel 30d van de Wet op de kansspelen jo. artikel 4 van het Speelautomatenbesluit 2000;

  • artikel 4:81 tot en met 4:84 Algemene wet bestuursrecht,

Overwegende dat:

  • de burgemeester onder andere bevoegd is te beslissen op aanvragen voor een exploitatievergunning voor (alcoholvrije) horecabedrijven, prostitutiebedrijven en escortbedrijven;

  • aanvragers, exploitanten, leidinggevenden en beheerders van inrichtingen een bijzondere verantwoordelijkheid dragen omdat het exploiteren van dergelijke inrichtingen raakt aan de openbare orde, de openbare veiligheid en het woon-, werk- en leefklimaat;

  • de toets op levensgedrag een noodzakelijke toets is om de risico's op inbreuken ten aanzien van de genoemde belangen te beperken;

  • het wenselijk is dat invulling wordt gegeven aan het begrip ‘slecht levensgedrag’ om zo meer structuur, zekerheid en transparantie te bieden,

Besluit:

De beleidsregels beoordeling levensgedrag gemeente Meppel 2025 vast te stellen.

Beleidsregels beoordeling levensgedrag

1. Inleiding

1.1. Doel en scope

Deze beleidsregel beschrijft de invulling, die de burgemeester geeft aan het begrip 'slecht levensgedrag'. Aanvragers, exploitanten, leidinggevenden en beheerders van alcohol schenkende horecabedrijven en slijterijen mogen op grond van de Alcoholwet (hierna: Aw) in geen enkel opzicht van slecht levensgedrag zijn. Op grond van de Algemene plaatselijke verordening Meppel (hierna: Apv) geldt hetzelfde voor de genoemde betrokkenen bij:

  • Openbare inrichtingen;

  • Prostitutiebedrijven en escortbedrijven;

  • Malafide bedrijfsvoeringactiviteiten;

  • Evenementen.

1.2. Rol betrokkenen

Exploitanten en leidinggevenden vervullen een belangrijke rol als het gaat om het woon- en leefklimaat in de omgeving van de onderneming en ook als het gaat om de openbare orde en veiligheid. Exploitanten en leidinggevenden dienen een verstoring van de openbare orde, zoals overlast, criminaliteit, geweld en alcoholmisbruik (en misbruik van andersoortige verdovende middelen) te voorkomen en te beperken. Daarnaast zijn zij verantwoordelijk voor (de veiligheid van) hun personeel, bezoekers en de directe omgeving van de onderneming en het signaleren en melden van misstanden, mensenhandel en uitbuiting. Van exploitanten en leidinggevenden wordt verwacht dat zij te allen tijde hun medewerking verlenen aan toezichthouders, informatie proactief delen en eerlijk zijn over de feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan en relevant zijn voor het beoordelen van het levensgedrag.

1.3. Recente jurisprudentie

De burgemeester beschikt op grond van jurisprudentie over beoordelingsruimte bij de invulling van het ‘slecht levensgedrag-criterium’. Deze beoordelingsruimte is niet in strijd met artikel 10 van de Dienstenrichtlijn, mits voldaan wordt aan een aantal randvoorwaarden die de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in de uitspraak van 25 mei 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:1493) onder elkaar heeft gezet.

De randvoorwaarden bij de beoordeling van het levensgedrag zijn dat:

  • alleen feiten en omstandigheden mogen worden betrokken die relevant zijn voor de exploitatie van het betreffende horecabedrijf (relevantie);

  • voor de betrokkene vooraf kenbaar moet zijn dat hij, gezien de relevante feiten en omstandigheden die bij het levensgedrag worden betrokken, niet aan die voorwaarde voldoet. Het moet gaan om gedragingen waarvan het voor een ieder evident is dat daarmee niet aan de voorwaarde omtrent het levensgedrag is voldaan (kenbaarheid);

  • de toepassing van de voorwaarde dat een betrokkene niet in enig opzicht van slecht levensgedrag is, mag op grond van het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel niet verder gaan dan nodig is om te waarborgen dat horecabedrijven worden geëxploiteerd op een wijze die geen gevaar oplevert voor de veiligheid, de openbare orde en het woon- en leefklimaat. Dit betekent dat geringe feiten en omstandigheden die te maken hebben met het levensgedrag op zichzelf bezien niet mogen meewegen en dat feiten en omstandigheden die wel kunnen leiden tot het oordeel ‘slecht levensgedrag’ niet gedurende een onredelijke lange periode in de weg mogen blijven staan (proportionaliteit).

  • Specifieke uitgangspunten zijn opgenomen in bijlage 1.

Gelet op het bovenstaande strekken deze beleidsregels tot invulling van de beoordelingsruimte van de burgemeester betreffende het slecht levensgedrag-criterium.

Het kunnen beschikken over een recente Verklaring Omtrent het Gedrag (hierna: VOG) in het kader van de beoordeling van het levensgedrag is niet relevant. Hiervoor geldt namelijk een ander, beperkter, toetsingskader op grond van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens.

1.4. Leeswijzer

Deze beleidsregel start met een inleidend deel waarin het juridisch kader en het doel van de levensgedragtoets is opgenomen. Daarna wordt ingegaan op de toetsing omtrent levensgedrag en de informatiebronnen die daarbij gebruikt worden. Vervolgens zoomen we in op de beoordelingscriteria en relevante gedragingen daarbij. Tot slot volgen nadere toelichtingen over aannemelijkheid, tijdsverloop en de wijze van weging van gedragingen.

2. Toets levensgedrag en bronnen

2.1. Algemeen en informatiebronnen

  • 1.

    De burgemeester toetst het levensgedrag bij de aanvraag van een vergunning, bij een verzoek tot wijziging van een vergunning, bij een verzoek tot verlenging van de vergunning, of een bijschrijving van een leidinggevende of beheerder, dan wel op ieder moment dat de burgemeester dit nodig acht.

  • 2.

    De burgemeester kan het levensgedrag opnieuw beoordelen indien er gedurende de looptijd van een vergunning sprake is van nieuwe feiten en/of omstandigheden of naar aanleiding van signalen.

  • 3.

    De burgemeester onderbouwt bij de weigering dan wel intrekking van de vergunning welke feiten of omstandigheden reden zijn om het levensgedrag tegen te werpen.

  • 4.

    De burgemeester weegt bij de toets van het levensgedrag diverse gegevens afzonderlijk en in onderlinge samenhang met elkaar en in relatie tot de vergunning.

  • 5.

    Hieronder volgt een niet-limitatieve opsomming van de belangrijkste informatiebronnen, die hierbij worden gebruikt:

    • a.

      Informatie van de politie;

    • b.

      Het Justitieel Documentatie Systeem;

    • c.

      Handhavingsgegevens en overige gegevens waarover de gemeente beschikt;

    • d.

      Informatie uit een Bibob-toets;

    • e.

      Informatie uit niet-openbare bronnen:

      • Informatie van de Nederlandse Arbeidsinspectie;

      • Informatie van de Belastingdienst;

      • Informatie van de Douane;

      • Informatie van de Immigratie- en Naturalisatiedienst;

      • Informatie van de Omgevingsdienst.

    • f.

      Informatie uit openbare bronnen:

      • Informatie het Centraal curatele- en bewindsregister;

      • Informatie uit het Centraal Insolventieregister.

  • 6.

    Indien noodzakelijk kan de burgemeester via het Regionaal Informatie en Expertise Centrum (hierna: RIEC) informatie uitwisselen met de Nederlandse Arbeidsinspectie, de Belastingdienst, de Douane en de Immigratie en Naturalisatiedienst (hierna: IND).

2.2. Toelichting informatiebronnen

Bij de levensgedragtoets worden altijd de politie en het Justitieel Documentatie Systeem geraadpleegd. Andere informatiebronnen, met uitzondering van eigen handhavingsgegevens, worden niet standaard geraadpleegd voor het beoordelen van het levensgedrag en de wijze van bedrijfsvoering.

3. Beoordeling levensgedrag

3.1. Beoordeling levensgedrag

  • 1.

    De burgemeester bepaalt per geval of er sprake is van slecht levensgedrag dat moet leiden tot het weigeren of intrekken van de vergunning.

  • 2.

    De toetsing vindt plaats naar aanleiding van de vergunningaanvraag of een bijschrijving van een leidinggevende of beheerder.

  • 3.

    De burgemeester kan het levensgedrag opnieuw beoordelen indien er gedurende de looptijd van een vergunning sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden, naar aanleiding van signalen over de onderneming of naar aanleiding van signalen over een andere onderneming van dezelfde exploitant. Bij de toetsing weegt de burgemeester alle relevante feiten en omstandigheden in samenhang met en in relatie tot de vergunning.

  • 4.

    De volgende feiten en gedragingen kunnen in ieder geval worden betrokken bij de beoordeling van het levensgedrag:

    • a.

      gedragingen die zijn verwoord in processen-verbaal of mutaties van de politie;

    • b.

      gedragingen die zijn neergelegd in rapportages van toezichthouders;

    • c.

      gedragingen die blijken uit strafrechtelijke procedures;

    • d.

      strafrechtelijke veroordelingen, transacties en strafbeschikkingen;

    • e.

      zaken waarin het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is verklaard;

    • f.

      zaken die zijn geseponeerd;

    • g.

      het structureel overtreden van wet- en regelgeving waarvoor bestuursrechtelijke maatregelen, zoals boetes of lasten onder dwangsom, kunnen worden opgelegd.

  • 5.

    In bijlage 2 bij deze beleidsregel is een niet-limitatief overzicht opgenomen van feiten die meewegen in de toets op levensgedrag. De bijlage wordt met deze beleidsregel vastgesteld.

3.2. Factoren voor het beoordelen van het levensgedrag

Bij de beoordeling van het levensgedrag van exploitanten, leidinggevenden, beheerders en aanvragers, worden de volgende factoren betrokken:

  • a.

    type inrichting;

  • b.

    periode waarin de feiten zijn gepleegd. In beginsel worden alleen feiten die zich hebben voorgedaan in de periode van vijf jaar voorafgaand aan het besluit meegenomen in de beoordeling. Dit geldt niet voor informatie van de Belastingdienst en overige fiscale feiten. Daarbij wordt gekeken naar de aard en de omvang van de informatie en of sprake is van een patroon om te beoordelen of dit relevant is voor de toets op levensgedrag. Bij de berekening van de periode van vijf jaar gelden de volgende uitgangspunten:

    • 1°.

      de pleegdatum is leidend;

    • 2°.

      voor de berekening van de laatste vijf jaar telt de periode waarin een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf of voorlopige hechtenis is ondergaan niet mee;

    • 3°.

      de peildatum voor het vaststellen van de periode van vijf jaar is de datum van het primaire besluit over het levensgedrag op de aanvraag van de exploitatievergunning, de tussentijdse bijschrijving van een exploitant, leidinggevende, beheerder of aanvrager dan wel de intrekking van de exploitatievergunning;

    • 4°.

      indien er sprake is van een patroon of een hoge frequentie van (soortgelijke) feiten, kunnen ook gedragingen of veroordelingen die langer dan vijf jaar voorafgaand aan het besluit hebben plaatsgevonden, in de beoordeling worden betrokken;

  • c.

    type feiten. Er is sprake van gedragingen die naar hun aard en ernst de vrees rechtvaardigen dat de aanwezigheid van de exploitant, leidinggevende, beheerder of aanvrager -als verantwoordelijke voor de exploitatie van het bedrijf of de activiteit- een bedreiging vormt voor de openbare orde, veiligheid of de kwaliteit van het woon- en leefklimaat in de buurt. Ook kan rekening worden gehouden met gedragingen die op zichzelf niet reeds als ernstig in vorenbedoelde zin worden beschouwd, maar die in samenhang met andere gedragingen een bepaald gedragspatroon opleveren dat voormelde vrees rechtvaardigt. Feiten die zijn begaan in de privésfeer worden eveneens betrokken in de beoordeling;

  • d.

    mate van samenhang van de gedragingen met de activiteit waarvoor de vergunningplicht geldt;

  • e.

    de omstandigheid of er een sanctie is opgelegd en de zwaarte van deze sanctie. Het is niet vereist dat er een sanctie is opgelegd om een feit mee te kunnen nemen in de beoordeling van het levensgedrag. Bij een sepot kan het feitencomplex informatie bevatten over de houding en het gedrag van de exploitant, de leidinggevende, beheerder of aanvrager die relevant is voor de toets op het levensgedrag. Het delict zelf zal niet worden meegenomen in de beoordeling, maar relevante informatie over houding en gedrag wel. Een dergelijk feitencomplex zal op zichzelf staand geen weigeringsgrond opleveren;

  • f.

    de leeftijd op pleegdatum en huidige leeftijd van de exploitant, leidinggevende, beheerder of aanvrager. Ook feiten gepleegd als minderjarige, kunnen bij de beoordeling worden betrokken;

  • g.

    de omstandigheid of de exploitant, leidinggevende, beheerder of aanvrager verwijtbaar of nalatig betrokken is geweest bij een pand dat op last van de burgemeester op grond van artikel 13b van de Opiumwet, artikel 174a van de Gemeentewet, of op grond van de APV is gesloten.

  • h.

    De burgemeester weegt bij de beoordeling van het levensgedrag van betrokkenen bij alcoholschenkende inrichtingen alcoholgerelateerde feiten verzwaard mee.

  • i.

    De burgemeester kijkt bij de beoordeling van het levensgedrag van aanvragers, exploitanten en beheerders van seksbedrijven onder andere naar de persoonlijke omstandigheden en de achtergrond van de betrokkene om te bepalen of het levensgedrag een risico vormt op het laten werken van (mogelijke) slachtoffers van misstanden in de inrichting.

  • j.

    In het geval van bedrijven, die op grond van de APV vergunningplichtig zijn, betrekt de burgemeester bij de beoordeling van het levensgedrag ook de reden voor deze vergunningplicht.

3.3. Toelichting specifieke gedragingen

3.3.1. Alcohol

Voor een Alcoholvergunning zijn daarnaast de volgende gedragingen relevant bij de beoordeling van het levensgedrag van leidinggevenden:

  • rijden onder invloed of andere alcohol gerelateerde gedragingen;

  • alle gedragingen, voor zover hierboven nog niet genoemd, die vermeld worden in artikel 3.4, eerste lid van het Alcoholbesluit.

Deze gedragingen zijn ook relevant indien er geen sprake is van een veroordeling of wanneer niet wordt voldaan aan het gestelde in artikel 3.4, tweede en derde lid. Deze gedragingen zijn voor een Alcoholvergunning relevant omdat van personen die verantwoordelijkheid dragen voor het verantwoord schenken van alcohol, verwacht mag worden dat zij zelf geen alcohol gerelateerde overtredingen plegen. Indien dat toch het geval is, betekent dit dat het vertrouwen in een goede naleving van de bepalingen van de Alcoholwet ontbreekt. Zo verhoudt zich het rijden onder invloed niet goed met de taken en verantwoordelijkheden van een leidinggevende van een horecabedrijf. Van een leidinggevende van een horecabedrijf wordt immers verwacht dat hij of zij anderen aanspreekt op hun verantwoordelijkheden en de risico’s van alcoholmisbruik.

De gedragingen, genoemd in het Alcoholbesluit, zijn relevant aangezien de wetgever zelf aan deze bepalingen in het Alcoholbesluit belang heeft gehecht voor het levensgedrag van personen die op een Alcoholvergunning vermeld willen worden. Voor zowel de Alcoholvergunning als de exploitatievergunning geldt dat andere dan de hiervoor genoemde (categorieën van) gedragingen enkel worden meegewogen bij de beoordeling van het levensgedrag, voor zover daaruit een zeker patroon ter bevestiging van het slechte levensgedrag valt te ontwaren. Het moet daarbij gaan om een recidiverend karakter van bepaalde gedragingen dan wel het schenden van regels in algemene zin al dan niet gedurende een langere periode, waardoor de betrokken gedragingen niet meer op zichzelf staan, maar in combinatie voldoende ernstig zijn om te kunnen worden betrokken bij het levensgedrag. Bij wijze van voorbeeld: als een persoon in het verkeer een stopteken heeft genegeerd, dan is dat in principe niet een voor de horeca-exploitatie relevant feit, maar als dezelfde persoon meermaals bevelen of aanwijzingen van politie, BOA’s en/of toezichthouders tijdens de horeca-exploitatie niet opvolgt, dan kan dat negeren van het stopteken in het verkeer wel relevant zijn omdat het duidt op een patroon van het niet opvolgen van bevelen of aanwijzingen van het gezag. Door deze beleidsregels en de hiervoor gegeven opsomming wordt ook voldaan aan het ‘kenbaarheidsvereiste’. Voor betrokkenen, die kennis kunnen nemen van deze beleidsregels, is immers vooraf kenbaar door welke relevante feiten en omstandigheden zij niet (langer) kunnen voldoen aan de eis dat zij niet in enig opzicht van slecht levensgedrag mogen zijn.

3.3.2. Speelautomaten

Voor een aanwezigheidsvergunning zijn daarnaast de volgende gedragingen relevant bij de beoordeling van het levensgedrag van leidinggevenden:

  • o

    alle gedragingen, voor zover hiervoor nog niet genoemd, die vermeld worden in artikel 4, leden 2, 3 en 4 van het Speelautomatenbesluit 2000. Deze gedragingen zijn ook relevant indien er geen sprake is van een veroordeling of wanneer niet wordt voldaan aan het gestelde in artikel 4, tweede, derde en vierde lid.

De gedragingen genoemd in het Speelautomatenbesluit 2000 zijn relevant aangezien de wetgever zelf aan deze bepalingen in het Speelautomatenbesluit 2000 belang heeft gehecht voor het levensgedrag van personen die een aanwezigheidsvergunning aanvragen.

4. Overige bepalingen

4.1. Hardheidsclausule

De burgemeester kan in bijzondere en dringende gevallen een artikel of artikelen van deze beleidsregels buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing ervan, gelet op het belang van de belanghebbende, leidt tot onbillijkheid van overwegende aard.

4.2. Inwerkingtreding

Deze regels treden in werking op de dag na bekendmaking.

4.3. Citeertitel

Deze beleidsregels worden aangehaald als: Beleidsregels beoordeling levensgedrag gemeente Meppel 2025.

Ondertekening

Aldus vastgesteld op 20 oktober 2025

De burgemeester van Meppel

Bijlage 1: uitgangspunten uit relevante jurisprudentie

  • Geringe feiten en omstandigheden kunnen op zichzelf staand niet leiden tot een weigering.

  • De feiten en omstandigheden die wel meegenomen kunnen worden, mogen niet een onredelijke lange periode worden meegewogen.

  • Voor het aannemen van slecht levensgedrag is niet vereist dat zich daadwerkelijk concrete problemen met betrekking tot het woon- of leefklimaat in de omgeving van de inrichting en/of de openbare orde of veiligheid hebben voorgedaan.

  • Liegen over relevante feiten en omstandigheden die van belang zijn voor de beoordeling van het levensgedrag of de bedrijfsvoering.

  • Een strafrechtelijke veroordeling is niet vereist. Ook constateringen die zijn verwoord in bijvoorbeeld processen-verbaal of BVH-mutaties van de politie of rapportages van toezichthouders wegen mee in de beoordeling.

  • Naast strafrechtelijke veroordelingen wegen ook transacties en strafbeschikkingen mee.

  • Zaken waarin het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is verklaard kunnen worden meegewogen.

  • De beoordeling van de vraag of iemand van slecht levensgedrag is, beperkt zich niet tot dezelfde feiten en gedragingen die bij de toetsing van een VOG in ogenschouw worden genomen. Een VOG vormt een aanknopingspunt voor de veronderstelling dat een aanvrager over de vereiste eigenschappen en kwaliteiten beschikt. Dit neemt echter niet weg dat het bestuursorgaan op grond van de Aw en de Apv een zelfstandige bevoegdheid heeft in de beoordeling van het levensgedrag.

  • Zaken waarop vrijspraak is gevolgd, worden niet meegewogen in de beoordeling van het levensgedrag.

  • Feiten die zijn geseponeerd wegens bijvoorbeeld onvoldoende bewijs/gering feit/medeschuld benadeelde worden in beginsel niet meegewogen. Informatie uit de betreffende zaak over het gedrag van betrokkene kan echter wel worden meegenomen in de beoordeling. Een exploitant kan bijvoorbeeld zijn vrijgesproken voor een geweldsdelict, maar het feitencomplex kan informatie bevatten over de houding en het gedrag van de exploitant die relevant is voor de toets aan het woon- en leefklimaat. Het geweldsdelict zal niet worden meegenomen in de beoordeling, maar relevante informatie over de houding en het gedrag van de exploitant wel. Een dergelijk feitencomplex zal geen opzichzelfstaande weigeringsgrond opleveren.

  • Het milieu waarin iemand zich begeeft, kan in samenhang bezien met de overige feiten en omstandigheden, ook een rol spelen bij de beoordeling van het levensgedrag. Denk bijvoorbeeld aan een persoon die in een omgeving verkeert waar criminele contacten aanwezig zijn;- levensgedrag waarvan geen weerslag te verwachten is op het woon- en leefklimaat, de openbare orde of de veiligheid, kan geen grond zijn voor weigering of intrekking van een vergunning.

Bijlage 2: lijst feiten en gedragingen

Geweldsdelicten en vernieling

  • Mishandeling

  • Moord of doodslag

  • Overige misdrijven tegen het leven

  • Openlijke geweldpleging tegen goederen of personen

  • Vernieling, vandalisme, baldadigheid

  • Brandstichting

Alcoholgerelateerde feiten

  • Rijden onder invloed van alcohol

  • Aanstalten maken rijden onder invloed van alcohol

  • Weigeren ademanalyse

  • Openbaar dronkenschap, openlijk of hinderlijk gebruik van alcohol

  • Overtreding ge- en verbodsbepalingen Alcoholwet

Drugsgerelateerde feiten

  • Bezit, handel en vervaardigen van hard- en softdrugs, inclusief voorbereidingshandelingen

  • Openlijk of hinderlijk gebruik van drugs

  • Rijden onder invloed van drugs of medicijnen

  • Drugsafval

Wapens en munitie

  • Bezit en handel in wapens of munitie als bedoeld in de Wet Wapens en Munitie

  • Schiet- en/of steekpartijen

  • Messenverbod

Vermogensdelicten

  • Diefstal/ Overval

  • Zakkenrollerij/ Straatroof

  • Oplichting

  • Verduistering

  • Heling

  • Chantage of afpersing

  • Witwassen

  • Fraude

  • Verdachte transacties

  • Vals/vervalst geld aanmaken of vals/vervalst geld uitgeven

  • Oplichting en flessentrekkerij

Zedendelicten en mensenhandel

  • Zedendelicten

  • Vervaardigen/bezit/verspreiden van kinderporno

  • Gijzeling of ontvoering

  • Mensenhandel, arbeidsuitbuiting en/of mensensmokkel

Niet meewerken met de politie en toezichthouders en het niet opvolgen van rechtelijke uitspraken

  • Wederspannigheid

  • Niet voldoen aan bevel of vordering

  • Valse aangifte

  • Vals/vervalste ID opgeven

  • Valsheid in geschrifte

  • Weigeren ademanalyse/ Weigeren bloedproef/ Weigeren vervangend (urine) onderzoek

  • Rijden tijdens rijverbod/ Rijden terwijl rijbewijs is ingevorderd/ Rijden tijdens rijontzegging

  • Omkopen ambtenaar in functie

Verplichtingen inzake Rijksbelastingen

  • Niet nakomen van fiscale verplichtingen op grond van Invorderingswet 1990

  • Niet nakomen van fiscale verplichtingen op grond van de Algemene wet inzake rijksbelastingen

  • Hinderlijk gedrag

  • Samenscholing, ongeregeldheden en ordeverstoringen

  • Afsteken vuurwerken op verboden plaatsen

  • Geluidshinder

  • Openbare orde sluiting op last van de burgemeester

  • Zonder vergunning exploiteren van een openbare inrichting

  • Inkoop- en verkoopregister handelaren in tweedehands goederen

Wegenverkeerswet

  • Joyriding

  • Snelheidsovertreding

  • Agressief rijgedrag

  • Onveilig rijgedrag

  • Verkeersongeval met letsel

  • Verlaten plaats na verkeersongeval

  • Rijden met vals/vervalst kenteken

  • Onverzekerd rijden

Overig

  • Discriminatie

  • Belediging

  • Bedreiging/ Intimidatie

  • Openbare schennis der eerbaarheid

  • Stalking

  • Cybercrime

  • Misdrijven Wet op de kansspelen (WOK)

  • Overtreding huisverbod

  • Huisvredebreuk

  • Chantage/ Machtsmisbruik

  • Criminele contacten

  • Deelname aan een criminele organisatie

  • Lidmaatschap verboden rechtspersoon