Financiële verordening Werkorganisatie BUCH 2025

Geldend van 14-04-2026 t/m heden met terugwerkende kracht vanaf 01-01-2025

Intitulé

Financiële verordening Werkorganisatie BUCH 2025

Het bestuur van de gemeenschappelijke regeling Werkorganisatie BUCH ;

gelezen het voorstel van de algemeen directeur van d.d. 10 februari 2026;

gelet op het bepaalde artikel 35, zevende lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen ex artikel 212 van de Gemeentewet, in samenhang met artikel 17 van de gemeenschappelijke regeling Werkorganisatie BUCH;

b e s l u i t:

Vast te stellen de Financiële verordening Werkorganisatie BUCH 2025

Paragraaf 1. Algemene bepalingen

Artikel 1. Definities

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • -

    administratie: het systematisch verzamelen, vastleggen, verwerken en verstrekken van informatie ten behoeve van het besturen, functioneren en beheersen van de gemeentelijke organisatie en de verantwoording die daarover moet worden afgelegd.

  • -

    afdeling: iedere organisatorische eenheid binnen de gemeentelijke organisatie met een eigen rechtstreekse verantwoordelijkheid aan de algemeen directeur;

  • -

    begroting: de begroting als bedoeld in de Gemeentewet en zoals nader bepaald in het Besluit Begroting en Verantwoording provincies en gemeenten (BBV);

  • -

    cluster: een samenvoeging van gelijksoortige activa;

  • -

    doelmatigheid: het realiseren van de boogde maatschappelijke effecten van het beleid met een zo beperkt mogelijke inzet van middelen;

  • -

    doeltreffendheid: de mate waarin de beoogde maatschappelijke effecten daadwerkelijk worden behaald;

  • -

    jaarstukken: de jaarrekening en het jaarverslag als bedoeld in de Gemeentewet en zoals nader bepaald in het BBV;

  • -

    rechtmatigheid: het overeenstemmen van de financiële beheerhandeling en de vastlegging daarvan met de vigerende wet- en regelgeving, zoals omschreven in het Besluit accountantscontrole decentrale overheden (Bado);

  • -

    rechtmatigheidsverantwoording: de rapportage van de algemeen directeur waarbij aangegeven wordt in welke mate de totstandkoming van de financiële beheershandelingen en de vastlegging daarvan overeenstemmen met de relevante wet- en regelgeving;

  • -

    programma: een samenstel van een aantal samenhangende beleidsvelden.

  • -

    overheidsbedrijf: onderneming met privaatrechtelijke rechtspersoonlijkheid, niet zijnde een personenvennootschap met rechtspersoonlijkheid, waarin de gemeente, al dan niet tezamen met een of meer andere publiekrechtelijke rechtspersonen, in staat is het beleid te bepalen of een onderneming in de vorm van een personenvennootschap, waarin een publiekrechtelijke rechtspersoon deelneemt.

Paragraaf 2. Begroting en verantwoording

Artikel 2. Vaststelling programma-indeling en paragrafen

  • 1. Het bestuur stelt bij aanvang van iedere bestuursperiode een programmaonderdeel-indeling voor die bestuursperiode vast. Om de P&C-cyclus, de indeling van de P&C-stukken en de financiële administratie geharmoniseerd te kunnen houden, worden wijzigingen hierin BUCH breed besproken en geharmoniseerd vastgesteld.

  • 2. Het bestuur stelt bij aanvang van iedere bestuursperiode op voorstel de algemeen directeur de algemeen directeur per programma vast:

    • a.

      de taakvelden, en

    • b.

      de beleidsindicatoren en/of prestatie-indicatoren, voor het meten van en het afleggen van verantwoording over de realisatie van maatschappelijke effecten en doelstellingen. Het voorstel van de algemeen directeur bevat in ieder geval de verplichte beleidsindicatoren, bedoeld in artikel 25, tweede lid, onder a, van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten.

  • 3. Het bestuur stelt bij aanvang van iedere bestuursperiode vast over welke onderwerpen hij in extra paragrafen naast de verplichte paragrafen van de begroting en de jaarstukken kaders wil stellen en wil worden geïnformeerd.

Artikel 3. Inrichting begroting en jaarstukken

  • 1. Bij de begroting worden per programmaonderdeel de begrote baten en lasten weergegeven en bij de jaarstukken per programmaonderdeel de gerealiseerde baten en lasten.

  • 2. Bij de uiteenzetting van de financiële positie in de begroting wordt:

    • a.

      van de investeringen (per cluster) het benodigde investeringskrediet weergegeven en wordt van de lopende investeringen (per cluster) het geautoriseerde investeringskrediet en de raming van de uitputting van het investeringskrediet in het lopende boekjaar weergegeven, en

    • b.

      in aanvulling op het bepaalde in de artikelen 20 en artikel 21 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten inzicht gegeven in de ontwikkeling van de schuldpositie als gevolg van de begroting, de meerjarenraming, de investeringen en de grondexploitatie.

  • 3. In de jaarrekening wordt van de investeringen (per cluster) de uitputting van de geautoriseerde investeringskredieten en de actuele raming van de totale uitgaven en inkomsten weergegeven.

  • 4. In het overzicht van de geraamde incidentele baten en lasten per programma worden posten vanaf € 50.000 afzonderlijk gespecificeerd. Posten kleiner dan € 50.000 worden verzameld weergegeven per programma en niet verder toegelicht.

Artikel 4. Kaders begroting en meerjarenraming

  • 1. De algemeen directeur biedt voor 15 december van het jaar voorafgaande aan de behandeling van de begroting aan het bestuur een kadernota aan met een voorstel voor het beleid en de financiële kaders van de begroting voor het volgende begrotingsjaar en de meerjarenraming. Het bestuur stelt deze nota vast.

  • 2. In de begroting wordt een post onvoorzien van € 1.000 opgenomen.

Artikel 5. Autorisatie begroting en investeringskredieten

  • 1. Het bestuur autoriseert met het vaststellen van de begroting de baten en de lasten per programmaonderdeel.

  • 2. Bij de begrotingsbehandeling of bij de behandeling van de kadernota geeft het bestuur aan van welke nieuwe investeringen hij op een later tijdstip een apart voorstel voor autorisatie van het investeringskrediet wil ontvangen. De overige nieuwe investeringskredieten worden per cluster bij de begrotingsbehandeling met het vaststellen van de financiële positie geautoriseerd.

  • 3. De algemeen directeur informeert het bestuur als hij verwacht, dat de lasten van een programmaonderdeel of een prioriteit de geautoriseerde lasten dreigen te overschrijden, de investeringsuitgaven van een investeringskrediet het geautoriseerde investeringskrediet (per cluster) dreigen te overschrijden, of de baten van een programmaonderdeel of een prioriteit de geautoriseerde baten dreigen te onderschrijden. Het bestuur geeft aan of hij een voorstel wil voor het wijzigen van de geautoriseerde lasten van het programmaonderdeel of de prioriteit, voor het wijzigen van het geautoriseerde investeringskrediet (per cluster), of voor het bijstellen van het beleid.

  • 4. Bij de behandeling van de tussentijdse rapportages in het bestuur bedoeld in artikel 6, eerste lid, doet de algemeen directeur voorstellen voor het wijzigen van de geautoriseerde baten en lasten, het wijzigen van de geautoriseerde investeringskredieten per cluster en het bijstellen van het beleid. In geval van investeringen (per cluster) met een meerjarig karakter doet de algemeen directeur indien nodig ook bij iedere begroting op grond van geactualiseerde ramingen voorstellen voor het wijzigen van de geautoriseerde investeringskredieten.

  • 5. Voor een investering waarvan het investeringskrediet niet met het vaststellen van de begroting is geautoriseerd, legt de algemeen directeur voorafgaand aan het aangaan van verplichtingen een investeringsvoorstel met een voorstel voor het vaststellen van een investeringskrediet aan het bestuur voor. Bij investeringen groter dan € 1.000.000 informeert de algemeen directeur het bestuur in het voorstel over het effect van de investering op de rentegevolgen en de schuldpositie van de gemeenschappelijke regeling.

Artikel 6. Tussentijdse rapportages

  • 1. De algemeen directeur informeert het bestuur door middel van tussentijdse rapportages zoals vastgelegd in de BUCH breed geharmoniseerde P&C cyclus over de realisatie van de begroting.

  • 2. De tussentijdse rapportages bevatten in ieder geval een uiteenzetting over de uitvoering en het bijstellen van het beleid en een overzicht met de bijgestelde raming van:

    • a.

      de baten en de lasten per programmaonderdeel;

    • b.

      het overzicht van de algemene dekkingsmiddelen uitgesplitst naar programmaonderdelen;

    • c.

      het overzicht van de overhead en de geraamde vennootschapsbelasting;

    • d.

      het totale saldo van de baten en lasten, volgend uit de onderdelen a, b en c;

    • e.

      de beoogde toevoegingen en onttrekkingen aan reserves per programma;

    • f.

      het resultaat, volgend uit de onderdelen d en e;

    • g.

      de realisatie en raming van de uitputting van de investeringskredieten per cluster.

  • 3. De tussenrapportage over de beleidsvoortgang bevat tenminste per beleidsspeerpunt:

    • a.

      voortgang beleid;

    • b.

      voortgang planning;

    • c.

      voortgang financiën.

  • 4. In de tussentijdse rapportages worden afwijkingen op de oorspronkelijke ramingen van de baten en lasten per programmaonderdeel en investeringskredieten in de begroting groter dan € 50.000 toegelicht.

Artikel 7. Nadere uitwerking budgetrecht

In afwijking van artikel 4, eerste lid, van de Bevoegdhedenregeling bestuur Werkorganisatie BUCH 2020 is de algemeen directeur bevoegd tot het wijzigen van de begroting:

  • a.

    Waarbij geen wijziging wordt aangebracht in de bijdragen van de gemeenten;

  • b.

    Waarbij een positieve wijziging wordt aangebracht in de bijdragen van de gemeenten;

  • c.

    die voortvloeien vanuit maatwerkafspraken met de deelnemende gemeenten;

  • d.

    die voortvloeien vanuit autonome ontwikkelingen zoals cao afspraken, stijging van premiepercentages, stijging van verzekeringspremies.

Artikel 8. EMU-saldo

Als het Rijk de gemeenschappelijke regeling bericht dat alle gemeenten samen het collectieve aandeel van gemeenten in het EMU-tekort, bedoeld in artikel 3, zesde lid, van de Wet houdbare overheidsfinanciën, hebben overschreden, informeert de algemeen directeur het bestuur of een aanpassing van de begroting nodig is. Als de algemeen directeur een aanpassing nodig acht, doet de algemeen directeur een voorstel voor het wijzigen van de begroting.

Paragraaf 3. Rechtmatigheidsverantwoording

Artikel 9. Verantwoordings- en rapportagegrens rechtmatigheidsverantwoording

  • 1. Het bestuur stelt vast op welke wijze hij door middel van de paragraaf bedrijfsvoering van de begroting en de jaarstukken, naast de verplichte onderdelen van deze paragraaf, wil worden geïnformeerd over rechtmatigheid.

  • 2. In de rechtmatigheidsverantwoording bij de jaarrekening rapporteren de algemeen directeur aan het bestuur over afwijkingen met een verantwoordingsgrens van 2% van de totale lasten van de gemeenschappelijke regeling, exclusief de dotaties aan de reserves.

  • 3. In de paragraaf bedrijfsvoering worden de geconstateerde afwijkingen (fouten of onduidelijkheden) groter dan € 75.000 nader toegelicht.

Artikel 10. Voorwaardencriterium

  • 1. Het voorwaardencriterium is het criterium van rechtmatigheid, dat betrekking heeft op de eisen die worden gesteld bij de uitvoering van de financiële beheers handelingen. De eisen/voorwaarden zijn afkomstig uit diverse wet- en regelgeving en hebben betrekking op aspecten als doelgroep, termijn, grondslag, administratieve bepalingen, normbedragen, bevoegdheden, bewijsstukken, recht, hoogte en duur. Voorwaarden zoals gesteld in eigen interne regelgeving behoren alleen tot het normenkader voor zover het bepalingen betreft over recht, hoogte en duur.

  • 2. De algemeen directeur biedt het bestuur jaarlijks ter vaststelling een normenkader rechtmatigheid aan. Dit kader bestaat uit alle relevante (interne) wet- en regelgeving waaruit financiële beheers handelingen kunnen voortvloeien.

Artikel 11 Begrotingscriterium

  • 1. Het begrotingscriterium is een criterium van rechtmatigheid dat betrekking heeft op de grenzen van de baten en lasten in de door het bestuur geautoriseerde begroting van exploitatie en investeringskredieten per cluster en de hiermee samenhangende programmaonderdelen, waarbinnen de financiële beheershandelingen tot stand moeten zijn gekomen;

  • 2. De begrotingsrechtmatigheid wordt beoordeeld op het niveau waarop de begroting door het bestuur is geautoriseerd, zoals is opgenomen in artikel 5.

  • 3. Bij investeringsprojecten wordt de begrotingsrechtmatigheid per cluster beoordeeld op het niveau van het totaal gevoteerde kredietbedrag. Een overschrijding van het jaarbudget, passend binnen het totaalbedrag van het krediet, wordt daarmee als rechtmatig beschouwd.

  • 4. Uitgangspunt is dat iedere afwijking van de begroting als onrechtmatig wordt beschouwd. Afwijkingen worden als acceptabel aangemerkt in de volgende situaties:

    • a.

      Er is sprake van een overschrijding waarbij direct gerelateerde inkomsten de overschrijding compenseren.

    • b.

      Er is sprake van een overschrijding op een open-einde regeling.

    • c.

      De overschrijding is geautoriseerd door middel van de vaststelling van een tussentijdse rapportage.

    • d.

      Afwijkingen op de baten die uiterlijk in de jaarrekening zijn toegelicht.

    • e.

      indien een hogere storting in een voorziening het gevolg is van hogere wetgeving.

  • 5. Begrotingsonrechtmatigheden die passen binnen het bestaande beleid van het bestuur, worden opgenomen in de rechtmatigheidsverantwoording (voor zover de verantwoordingsgrens voor afzonderlijke fouten of onduidelijkheden is overschreden), maar worden niet nader toegelicht in de paragraaf bedrijfsvoering.

Artikel 12 Misbruik en oneigenlijk gebruik-criterium

  • 1. Het misbruik en oneigenlijk gebruik-criterium is het criterium van rechtmatigheid, dat betrekking heeft op het voorkomen, detecteren en corrigeren van misbruik en oneigenlijk gebruik van overheidsgelden en gemeentelijke eigendommen bij financiële beheershandelingen.

  • 2. De algemeen directeur zorgt voor en leggen vast de regels voor het voorkomen van misbruik en oneigenlijk gebruik van gemeentelijke regelingen en eigendommen.

Paragraaf 4. Financieel beleid

Artikel 13. Kaders financieel beleid

  • 1. In de in artikel 16 genoemde beleidsnota’s worden zoveel mogelijk alleen de gemeentelijke kaders tussen bestuur en de algemeen directeur vastgelegd;

  • 2. Nieuwe bestedingsvoorstellen en investeringsaanvragen die nog niet zijn geautoriseerd door het bestuur worden zoveel mogelijk behandeld bij de integrale financiële afwegingsmomenten van de P&C cyclus. Indien het een grote beleidsverandering c.q. nieuw beleidsstuk betreft kan dit ook via een separaat voorstel ter besluitvorming aan het bestuur worden voorgelegd;

  • 3. Voor het sluitend houden van de begroting zijn de volgende spelregels afgesproken:

    • a.

      Zoveel mogelijk “nieuw voor oud”;

    • b.

      Geld dat over is gaat naar de gemeenten ;

    • c.

      Tegenvallers worden zoveel mogelijk binnen het betreffende programmaonderdeel opgevangen.

Artikel 14. Beleidsnota’s

  • 1. In onderstaande beleidsnota’s worden de uitgangspunten en regels met betrekking tot de betreffende thema’s uitgewerkt;

  • 2. Deze nota’s worden periodiek geactualiseerd, zoveel mogelijk BUCH breed geharmoniseerd en zoveel mogelijk tegelijkertijd ter vaststelling aan het bestuur en de BUCH raden aangeboden:

    • a.

      Nota vaste activa, inclusief onderhoud kapitaalgoederen

    • b.

      Nota Risicomanagement en Weerstandsvermogen/ratio

    • c.

      Treasurystatuut (zie artikel 23)

    • d.

      Nota Kostentoerekening en tarieven

    • e.

      Geharmoniseerde P&C cyclus BUCH gemeenten (Harmonisatie P&C cycli BUCH gemeenten)

Artikel 15. Waardering en afschrijving vaste activa

  • 1. De algemeen directeur biedt het bestuur periodiek een nota vaste activa aan. Deze nota wordt door het bestuur vastgesteld en behandelt in ieder geval:

    • a.

      de wijze waarop voorstellen voor investeringen worden aangeboden en geautoriseerd door het bestuur, in aanvulling op wat in deze verordening is vastgelegd;

    • b.

      de afschrijvingsmethode en afschrijvingstermijn per categorie;

    • c.

      het moment van starten met afschrijven;

    • d.

      de gebruiksduur per categorie kapitaalgoederen ofwel de afschrijvingstermijn;

    • e.

      de componentenbenadering;

    • f.

      restwaarde.

  • 2. De algemeen directeur biedt het bestuur jaarlijks een meerjareninvesteringsplan aan als bijlage bij de begroting, waarbij inzicht wordt verschaft in de geplande investeringen per cluster en de daarmee gepaard gaande kapitaallasten voor de komende meerjarenperiode.

Artikel 16. Voorziening voor oninbare vorderingen

  • 1. Voor openstaande vorderingen wordt een voorziening gevormd wegens oninbaarheid voor reguliere debiteuren. Onder reguliere vorderingen vallen alle private en publieke vorderingen, namens de algemeen directeur opgelegd door het bestuur van de Werkorganisatie BUCH. De hoogte van de voorziening wordt jaarlijks bepaald.

  • 2. Privaatrechtelijke vorderingen komen voort uit overeenkomsten naar burgerlijk recht, tot dienstverlening of leveringen van producten door de gemeenschappelijke regeling aan derden, waarvoor de gemeenschappelijke regeling een vergoeding factureert.

    Voor private vorderingen worden alle openstaande posten individueel beoordeeld. Hierbij wordt beoordeeld of de vordering redelijkerwijs nog inbaar is en zo niet voor welk percentage de vordering als dubieus gekenmerkt moet worden.

    Wanneer een niet te innen bedrag een bedrag van € 10.000 te boven gaat dient de afboeking te worden voorgelegd aan de algemeen directeur.

  • 3. Publiekrechtelijke vorderingen zijn gebaseerd op met name wetgeving en verordeningen. Het zijn vorderingen voortkomend uit de uitoefening van de publiekrechtelijke taak. De publiekrechtelijke vorderingen betreffen vorderingen op openbare lichamen worden niet op oninbaarheid getoetst. Deze vorderingen worden als volwaardig beschouwd.

Artikel 17. Kostprijsberekening

  • 1. Bij het bepalen van de geraamde kostprijs voor heffingen en leges worden, naast de directe kosten, ook de overheadkosten meegenomen in de kostentoerekening.

    Directe kosten omvatten alle kosten die rechtstreeks aan de betreffende activiteit kunnen worden toegerekend, waaronder:

    • Kosten voor goederen en dienstverlening

    • Salarislasten

    • Kapitaalslasten

    • Btw

    • Eventuele opbouw van spaarvoorzieningen

    De opslag voor overhead bevat maximaal de volgende toerekeningen:

    • a)

      Kosten voor studie, % van de gemiddelde loonsom

    • b)

      Reiskosten

    • c)

      Kantoor automatisering

    • d)

      Facilitair

    • e)

      Personeelsadministratie / HR-advies en bedrijfszorg

    • f)

      Huisvestingskosten.

  • 2. Voor overige kostprijsberekeningen wordt aangesloten bij de door het Ministerie van Binnenlandse Zaken vastgestelde overheidstarieven, via de kennisbank Openbaar Bestuur (Home | Kennisbank Openbaar Bestuur).

Artikel 18. Prijzen economische activiteiten

  • 1. Voor de levering van goederen, diensten en werken door de gemeenschappelijke regeling aan overheidsbedrijven en derden waarbij de gemeenschappelijke regeling in concurrentie met marktpartijen treedt, wordt ten minste de geraamde integrale kostprijs in rekening gebracht.

  • 2. Bij het verstrekken van leningen of garanties door de gemeenschappelijke regeling aan overheidsbedrijven en derden worden ten minste de geraamde integrale kosten in rekening gebracht.

  • 3. Bij het verstrekken van kapitaal door de gemeenschappelijke regeling aan overheidsbedrijven en derden gaat de algemeen directeur uit van een vergoeding van ten minste de geraamde integrale kosten van de verstrekte middelen.

  • 4. Bij afwijking van het eerste, tweede of derde lid vanwege een publiek belang doet de algemeen directeur vooraf voor elk van deze activiteiten afzonderlijk een voorstel voor een bestuursbesluit, waarin het publiek belang van de activiteiten wordt gemotiveerd.

  • 5. Bestuursbesluiten met de motivering van het publiek belang als bedoeld in het vorige lid zijn niet nodig als minder dan de integrale kostprijs in rekening wordt gebracht en er sprake is van een van de uitzonderingen zoals genoemd in artikel 25h van de Mededingingswet.

Artikel 19. Vaststelling hoogte belastingen, rechten, heffingen en prijzen

  • 1. De algemeen directeur biedt periodiek een nota aan het bestuur aan met de kaders voor de prijzen voor de levering van gemeentelijke goederen, werken en diensten aan overheidsbedrijven. Deze nota wordt door het bestuur vastgesteld.

  • 2. De algemeen directeur legt bij een tussentijdse wijziging van prijzen, die afwijkt van de kaders uit de nota vooraf een besluit voor aan het bestuur.

Artikel 20. Financieringsfunctie

  • 1. De algemeen directeur neemt bij het uitzetten en het aantrekken van middelen de volgende kaders in acht:

    • a.

      voor het aantrekken van financieringen met een looptijd langer dan één jaar worden ten minste twee prijsopgaven bij verschillende financiële instellingen gevraagd; en

    • b.

      er wordt geen gebruik gemaakt van financiële derivaten als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder c, van de Wet financiering decentrale overheden.

  • 2. De algemeen directeur biedt het bestuur periodiek een het treasurystatuut aan. Deze wordt door het bestuur vastgesteld en behandelt de werkwijze omtrent het verstrekken van leningen, garanties en risicodragend kapitaal.

Paragraaf 5. Paragrafen bij de begroting en jaarstukken

Artikel 21. Weerstandsvermogen en risicobeheersing

  • 1. In dit artikel wordt verstaan onder:

    • a.

      netto schuld per inwoner: bruto schuld minus de omvang van de geldelijke bezittingen gedeeld door het aantal inwoners op 31 december van het begrotingsjaar.

    • b.

      bruto schuld: het totaal van langlopende leningen, kortlopende schulden, crediteuren, vorderingen en overlopende passiva.

    • c.

      geldelijke bezittingen: het totaal van leningen aan deelnemingen, leningen aan overige verbonden partijen, leningen aan derden, langlopende uitzettingen, kortlopende uitzettingen, debiteurenvorderingen, liquide middelen en overlopende activa;

    • d.

      onbenutte belastingcapaciteit onroerendezaakbelasting: positieve uitkomst van het verschil tussen de opbrengst onroerendezaakbelasting bij de tarieven die minimaal nodig zijn voor toegang tot de procedure van artikel 12 van de Financiële-verhoudingswet en de (geraamde) opbrengst onroerendezaakbelasting.

  • 2. De algemeen directeur neemt in de paragraaf weerstandsvermogen en risicobeheersing van de begroting en de jaarstukken naast de verplichte onderdelen op grond van artikel 11 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten in ieder geval op:

    • a.

      de ontwikkeling van de netto schuld per inwoner;

    • b.

      het saldo van de baten en lasten voor dotaties en onttrekkingen van reserves als percentage van de inkomsten;

    • c.

      de onbenutte belastingcapaciteit onroerendezaakbelasting als percentage van de inkomsten;

    • d.

      de wijze waarop met conjuncturele risico’s en de omvang van het weerstandsvermogen wordt omgegaan.

Artikel 22. Onderhoud kapitaalgoederen

  • 1. De algemeen directeur neemt in de paragraaf onderhoud kapitaalgoederen van de begroting en de jaarstukken de verplichte onderdelen op grond van artikel 12 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten op.

  • 2. De algemeen directeur biedt het bestuur ten minste eens in de 5 jaar een onderhoudsplan gebouwen aan. Het onderhoudsplan gebouwen bevat voorstellen voor het te plegen onderhoud en de bijbehorende kosten aan de gemeentelijke gebouwen. Het bestuur stelt het onderhoudsplan gebouwen vast.

Artikel 23. Bedrijfsvoering

De algemeen directeur neemt in de paragraaf bedrijfsvoering van de begroting en de jaarstukken naast de verplichte onderdelen op grond van artikel 14 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten in ieder geval op, voor zover van toepassing:

  • a.

    de omvang, opbouw en ontwikkeling van het personeelsbestand en de loonkosten;

  • b.

    de kosten van inhuur derden;

  • c.

    de huisvestingskosten;

  • d.

    de automatiseringskosten;

  • e.

    de budgetten voor het bestuur en de accountant;

  • f.

    een toelichting op alle afwijkingen in rechtmatigheid, die in de rechtmatigheidsverantwoording zijn opgenomen, voor zover deze de rapportagegrens, zoals bedoeld in artikel 11 overschrijden en eventueel welke maatregelen worden genomen om deze afwijkingen in de toekomst te voorkomen;

  • g.

    een overzicht van en toelichting op niet-financiële onrechtmatigheden in verband met het niet naleven van bepalingen in de Wet financiering decentrale overheden en de bijbehorende ministeriële regelingen, als deze voorkomen;

  • h.

    rapportage van het veelvuldig niet naleven van normen uit de gids proportionaliteit en/of slechte documentatie of naleving hiervan, als deze voorkomen;

  • i.

    geconstateerde fraude door eigen medewerkers, als dit voorkomt.

Paragraaf 6. Financiële organisatie en financieel beheer

Artikel 24. Administratie

De administratie is zodanig van opzet en werking, dat zij in ieder geval dienstbaar is voor:

  • a.

    het sturen en het beheersen van activiteiten en processen in de gemeenschappelijke regeling als geheel en in de afdelingen;

  • b.

    het verstrekken van informatie over ontwikkelingen in de omvang van de vaste activa, voorraden, vorderingen, schulden, contracten;

  • c.

    het verschaffen van informatie over uitputting van de toegekende budgetten en investeringskredieten en voor het maken van kostencalculaties;

  • d.

    het verschaffen van informatie over indicatoren met betrekking tot de gemeentelijke productie van goederen en diensten en de maatschappelijke effecten van het gemeentelijke beleid;

  • e.

    het afleggen van verantwoording door de algemeen directeur aan het bestuur over de rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het gevoerde bestuur in relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de begroting en relevante wet- en regelgeving, en

  • f.

    de controle van de registratie van gegevens als zodanig en van de daaraan ontleende informatie, alsmede voor de controle op de rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het gevoerde bestuur in relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de begroting en relevante wet- en regelgeving.

Artikel 25. Financiële organisatie

De algemeen directeur draagt in ieder geval zorg voor:

  • a.

    een eenduidige indeling van de gemeentelijke organisatie en een eenduidig toewijzing van de gemeentelijke taken aan de afdelingen, conform de geldende bevoegdhedenregeling;

  • b.

    een adequate scheiding van taken, functies, bevoegdheden en verantwoordelijkheden;

  • c.

    de verlening van mandaten en volmachten voor het aangaan van verplichtingen ten laste van de toegekende budgetten en investeringskredieten;

  • d.

    de interne regels voor taken en bevoegdheden, de verantwoordingsrelaties en de bijbehorende informatievoorziening van de financieringsfunctie;

  • e.

    de te maken afspraken met de Werkorganisatie BUCH over de te leveren prestaties, de daarvoor beschikbare middelen en de wijze en frequentie van rapportage over de voortgang van de activiteiten en uitputting van middelen;

  • f.

    het beleid en de interne regels voor de inkoop en de aanbesteding van goederen, werken en diensten;

  • g.

    het beleid en de interne regels voor de steunverlening en de toekenning van subsidies aan ondernemingen en instellingen;

  • h.

    het beleid en de interne regels voor het voorkomen van fraude van gemeentelijke regelingen en eigendommen, opdat aan de eisen van rechtmatigheid, controle en verantwoording wordt voldaan;

  • i.

    het verzamelen en vastleggen van gegevens over de geleverde prestaties en de maatschappelijke effecten zodat de doelmatigheid en doeltreffendheid van het beleid, zoals vastgesteld door het bestuur, kunnen worden getoetst.

Artikel 26. Interne controle

  • 1. De algemeen directeur draagt zorg voor de jaarlijkse interne toetsing van de getrouwheid van de informatieverstrekking en de rechtmatigheid van de beheershandelingen. Bij afwijkingen rapporteren de algemeen directeur daarover in de rechtmatigheidsverantwoording, zoals beschreven in artikel 27 onder f. Daarnaast informeert de algemeen directeur het bestuur over genomen maatregelen tot herstel van de tekortkomingen.

  • 2. De algemeen directeur zorgt voor de systematische controle van de administratie en de ontwikkeling van de bezittingen en het financieel vermogen van de gemeenschappelijke regeling met dien verstande dat de waardepapieren, de voorraden, de uitstaande leningen, de debiteurenvorderingen, de liquiditeiten, de opgenomen leningen, de kortlopende schulden en de vorderingen van crediteuren jaarlijks worden gecontroleerd en registergoederen en bedrijfsmiddelen ten minste eenmaal in de 4 jaar. Bij afwijkingen in de administratie nemen de algemeen directeur maatregelen tot herstel van de tekortkomingen.

Paragraaf 7. Slotbepalingen

Artikel 27. Intrekking en overgangsregeling

De Financiële verordening Werkorganisatie BUCH 2024 wordt ingetrokken. De Financiële verordening Werkorganisatie BUCH 2024 blijft van toepassing op de jaarrekening 2024 en het jaarverslag 2024 en de daarbij behorende stukken en op de begroting 2025 met bijbehorende stukken.

Artikel 28. Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1. Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag na bekendmaking en werkt terug tot en met 1 januari 2025;

  • 2. Deze verordening wordt aangehaald als: Financiële verordening Werkorganisatie BUCH 2025.

Ondertekening

Aldus besloten door het bestuur van de gemeenschappelijke regeling Werkorganisatie BUCH in de vergadering van 10 maart 2026.

T.A Andriessen

secretaris

M. ten Bruggencate

voorzitter