Permanente link
Naar de actuele versie van de regeling
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR760406
Naar de door u bekeken versie
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR760406/1
Beleidsregels Vermogen en Algemene Bijstandsnorm bij lage woonkosten of verblijf in inrichting 2026
Geldend van 14-04-2026 t/m heden
Intitulé
Beleidsregels Vermogen en Algemene Bijstandsnorm bij lage woonkosten of verblijf in inrichting 2026Gelet op de wettelijke grondslag(en) van
- 1.
artikel 23 van de Participatiewet;
- 2.
artikel 27 van de Participatiewet;
- 3.
artikel 34 van de Participatiewet;
- 4.
artikel 35 van de Participatiewet;
- 5.
artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht
overwegende, dat het college van burgemeester en wethouders :
- •
op grond van artikel 27 van de Participatiewet bevoegd is de algemene bijstandsnorm lager vast te stellen bij lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan als gevolg van de woonsituatie;
- •
op grond van artikel 23 van de Participatiewet gehouden is bij verblijf van de belanghebbende in een inrichting een andere bijstandsnorm toe te passen en beleidsregels wenselijk acht vast te stellen over het moment waarop deze normwijziging plaatsvindt;
- •
ter bevordering van een zorgvuldige, uniforme en transparante uitvoering beleidsregels wenst vast te stellen over de toepassing van deze bepalingen;
Besluit
vast te stellen: de Beleidsregels Vermogen en Algemene Bijstandsnorm bij lage woonkosten of verblijf in inrichting 2026.
Inleiding
Deze beleidsregels vervangen de Beleidsregels lager vaststellen bijstandsnorm 2021, die worden ingetrokken. In deze beleidsregels staat uitgelegd wat de gemeente meetelt als vermogen bij het vaststellen van het vermogen wanneer iemand bijvoorbeeld een bijstandsuitkering aanvraagt. Ook staat in deze beleidsregels dat de algemene bijstandsnorm verandert wanneer iemand lage of geen woonkosten heeft of in een inrichting verblijft.
Hoofdstuk 1. Algemeen
In deze beleidsregels staan verschillende begrippen die zijn bedoeld om de leesbaarheid van de beleidsregels te vergroten. Zo staat de term ‘gemeente’ bijvoorbeeld voor het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leiden.
Artikel 1.1 Begripsbepalingen
-
1. Alle begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt en die niet verder worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet en de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
-
2. Voor de toepassing van deze beleidsregels wordt verstaan onder:
- 1.
basishuur: het deel van de huur dat een huurder zelf moet betalen zoals bedoeld in artikel 16 van de Wet op de Huurtoeslag. Over de basishuur is geen huurtoeslag mogelijk. De rijksoverheid stelt jaarlijks een minimum basishuur vast.
- 2.
belanghebbende: de alleenstaande of gehuwden die recht hebben op bijstand. In deze beleidsregels worden gehuwden of een gezamenlijke huishouding als bedoeld in artikel 3 van de Participatiewet als één belanghebbende beschreven.
- 3.
hypotheeklasten: de maandelijkse kosten van rente en aflossing die voortvloeien uit een hypothecaire geldlening voor de eigen woning, exclusief bijkomende kosten zoals premies van verzekeringen, belastingen, erfpachtcanon, onderhoudskosten en boeterente
- 4.
kale huur: de huurprijs van een woning exclusief bijkomende kosten zoals servicekosten, gas, water en licht;
- 5.
norm: de normen als bedoeld in artikel 20 tot en met 23 van de wet;
- 6.
wet: de Participatiewet
- 7.
woonkosten: huur, hypotheek of andere aantoonbare kosten die rechtstreeks samenhangen met het feitelijk beschikken over onderdak.
- 8.
woonlasten: kosten voor het rioolrecht, eigenaarsgedeelte onroerend zaakbelasting, opstal/brandverzekering, waterschapslasten, gas, water en licht.
- 1.
Toelichting:
Lid 2 sub 1: De rijksoverheid stelt jaarlijks een minimum basishuur vast. Daarvan verwacht de wetgever dat dit huur is die wordt betaald vanuit de algemene bijstand en niet wordt gedekt door eventuele huurtoeslag. In 2025 is deze basishuur € 199,05 voor eenpersoonshuishoudens en € 197,24 voor meerpersoonshuishoudens.
Hoofdstuk 2. Vermogen
De (algemene) bijstandsuitkering is bedoeld om mensen te ondersteunen wanneer zij zelf geen geld hebben voor de noodzakelijke kosten van het bestaan. Het rijk verwacht van inwoners dat zij, wanneer zij zelf een vermogen hebben, eerst daarvan gebruik maken voordat zij aanspraak maken op een bijstandsuitkering. Een inwoner mag wel een deel vermogen hebben en alsnog recht hebben op een bijstandsuitkering (artikel 34 van de wet). De wet stelt vast dat het vermogen moet worden vastgesteld en wat de vermogensgrens is. Het college heeft ruimte om in te vullen hoe het vermogen wordt vastgesteld.
In dit hoofdstuk staat uitgelegd wat er naast wat er in de wet staat los wordt gelaten bij het vaststellen van het vermogen. Het vaststellen van het vermogen gebeurt op basis van de wettelijke principes waarbij de gemeente altijd kijkt naar de individuele situatie. De drie artikelen in hoofdstuk 2 zijn nader omschreven omdat dit de meest voorkomende situaties zijn waarin vragen rondom het vaststellen van vermogen opkomen.
Artikel 2.1 Vrijlaten waarde auto’s en motoren
-
1. Een auto of motor met een waarde tot maximaal € 4.500,00 wordt als algemeen gebruikelijk aangemerkt en wordt niet tot de middelen van belanghebbende gerekend.
-
2. Een auto of motor met een waarde hoger dan bedoeld in het eerste lid, wordt alleen tot de middelen van belanghebbende gerekend voor het deel van de waarde boven het bedrag in het eerste lid.
-
3. Als een belanghebbende beschikt of redelijkerwijs kan beschikken over meer dan één auto of motor, geldt de vrijlating zoals bedoeld in het eerste of tweede lid, slechts voor één auto of één motor.
-
4. Voor de vaststelling van de waarde van auto’s en motoren gaat het college uit van de laagst geschatte verkoopwaarde in de koerslijsten van de ANWB.
-
5. Als de auto of motor niet voorkomt in de koerslijsten van de ANWB kan het college de waarde vaststellen op basis van een schriftelijke en verifieerbare waardebepaling van een erkende dealer of een andere vergelijkbare, objectieve bron.
-
6. Het college kan een auto of motor buiten beschouwing laten bij het vermogen. Dit kan als het voertuig een hogere waarde heeft dan in lid 1 maar, gelet op de persoonlijke omstandigheden, noodzakelijk is voor het dagelijks functioneren of voor noodzakelijke zorgtaken. Dit geldt alleen als het niet redelijk is te verwachten dat de belanghebbende de waarde te gelde maakt.
-
7. Bij deze beoordeling betrekt het college alle relevante feiten en omstandigheden, waaronder medische en sociale omstandigheden en de gebruiksmogelijkheden van het voertuig.
-
8. Er is in ieder geval sprake van een medische noodzaak als op grond van de Wmo een vervoersvoorziening is verstrekt.
Toelichting:
Lid 1 :
Auto’s, motoren, boten en caravans gelden als bezittingen die meetellen voor de vermogensvaststelling. Op grond van constante jurisprudentie geldt dat een auto, motor, boot of caravan tot het vermogen van de belanghebbende behoort als hij daar daadwerkelijk de beschikking over heeft of redelijkerwijs over kan beschikken. Het college bepaalt dat zij de waarde van een auto of motor tot maximaal € 4.500,- vrijlaat.
Auto om medische redenen
In sommige gevallen kan het bezit van een auto om medische redenen noodzakelijk zijn. Denk bijvoorbeeld aan een autobus in verband met een gehandicapt familielid of een aangepaste auto vanwege een functiebeperking. In deze situaties wordt de waarde van de auto niet als vermogen beschouwd. Omdat de auto noodzakelijk is kan deze niet worden verkocht en is er dus niet redelijkerwijs mogelijkheid om over het vermogen te beschikken.
Lid 3 :
Een auto of een motor kan tot maximaal € 4.500,00 worden vrijgelaten. Als er meerdere auto’s en/of motoren zijn, kan deze vrijlating slechts op één voertuig worden toegepast.
Artikel 2.2 Reservering voor uitvaart
-
1. Reserveringen voor kosten van uitvaart of crematie waarover een belanghebbende redelijkerwijs kan beschikken, bijvoorbeeld omdat deze op een rekening staat of contant beschikbaar is, worden in aanmerking genomen bij het bepalen van het vermogen.
-
2. Als de belanghebbende niet over de middelen voor een reservering voor uitvaart of crematie kan beschikken, bijvoorbeeld omdat het in een verzekering zit, dan neemt het college de reservering niet als vermogen in aanmerking.
Artikel 3.1 Ontbreken van woonkosten
De algemene bijstand is bedoeld om te voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan. De algemene bijstandsnorm is daarop afgestemd. Onder noodzakelijke kosten vallen woonkosten tot de minimum basishuur. De Rijksoverheid stelt elk jaar de hoogte van de minimum basishuur vast.
- 1.
In de volgende situaties gaat het college ervan uit dat een belanghebbende die de bijstandsnorm ontvangt zoals in artikel 21 van de wet, door diens woonsituatie lagere algemene kosten van het bestaan heeft dan waar de algemene bijstand op is afgestemd:
- a.
bij het niet aanhouden van een woonruimte.
- b.
bij bewoning van een woning waaraan woonkosten onder de minimum basishuur liggen;
- c.
als een derde langer dan 6 maanden de woonkosten betaalt;
- d.
als een derde langer dan 6 maanden de woonkosten deels betaalt waardoor het verschuldigde deel van de kosten onder de minimum basishuur liggen.
- a.
- 2.
De verlaging in verband met de woonsituatie, als bedoeld in artikel 27 van de wet, bedraagt:
- a.
als de belanghebbende (zelf) geen woonkosten betaalt: 10% van de gehuwden norm.
- b.
als de woonkosten van de belanghebbende (zelf) minder dan 10% van de gehuwden norm zijn: het verschil tussen de daadwerkelijke woonkosten en 10% van de gehuwden norm.
- c.
als belanghebbende (zelf) geen woonlasten betaalt: 9 % van de gehuwdennorm.
- d.
als belanghebbende (zelf) geen woonkosten betaalt en geen woonlasten heeft; 19 % van de gehuwdennorm.
- a.
- 3.
Als de woonkosten wijzigen, bijvoorbeeld doordat bij een voorziening eerst geen en later wel een eigen bijdrage voor woonkosten wordt gevraagd, kan het college de bijstandsnorm aanpassen aan de gewijzigde situatie. Daarbij moet duidelijk zijn dat de eigen bijdrage betrekking heeft op woonkosten.
Toelichting:
Niet aanhouden van een woonruimte
Lid 1, sub a; wanneer er geen woonruimte wordt aangehouden, bijvoorbeeld omdat iemand dakloos is, gaat het college ervan uit dat deze persoon geen woonkosten heeft. We gaan daarbij uit van de feitelijke situatie. Als de inwoner aannemelijk maakt dat er wel sprake is van kosten voor onderdak ondanks dat er geen woning wordt aangehouden besluit het college op basis van die situatie of de woonkosten onder de basishuur liggen.
Noodzakelijke kosten
Onder de noodzakelijke kosten vallen woonkosten tot de minimum basishuur omdat dat het deel van de huur of woonkosten is dat iemand zelf moet betalen, ook als deze maximale huurtoeslag krijgt. Wanneer iemand deze kosten niet maakt heeft diegene lagere kosten dan waar de algemene bijstandsnorm voor bedoel is.
Lage woonkosten
Een woning waaraan lagere kosten dan de basishuur aan verbonden zijn kan bijvoorbeeld zijn een gekraakte woning, of een woning van een derde die geen of lage kosten of bijdrage doorrekent. Het kan hier ook gaan over bewoning bij een maatschappelijke instantie waaronder (maar niet beperkt tot) een veiligheidshuis, babyhuis, exodushuis, of dak- en thuislozenopvang wanneer er geen mogelijk is tot hulpverlening of begeleiding gedurende meer dan de helft van ieder etmaal.
Bijdrage in (een deel van) de woonkosten door een derde (lid 2 sub c en d)
Giftenvrijlating
Op grond van artikel 31, tweede lid, onder m van de Participatiewet worden giften niet tot de middelen gerekend tot een bedrag van €1.200 per kalenderjaar. Dit geldt ook voor bijdragen die leiden tot een kostenbesparing (artikel 18, achtste lid, Participatiewet). Voorbeelden zijn: een derde die de huur betaalt of boodschappen verzorgt.
Normverlaging bij structurele situatie
De giftenvrijlating staat los van de normverlaging op grond van artikel 27 Participatiewet. Artikel 27 ziet op de feitelijke woonsituatie. Heeft de belanghebbende structureel lagere woonkosten? Dan kan het college de bijstandsnorm verlagen.
Het college hanteert een termijn van zes maanden om te beoordelen of sprake is van een structurele situatie. Deze termijn sluit aan bij andere termijnen in de Participatiewet, zoals de inkomstenvrijlating (artikel 31, tweede lid, onder n).
Gevolg
Kortdurende bijdragen (korter dan zes maanden) vallen onder de giftenvrijlating van artikel 31 Participatiewet. Structurele bijdragen (zes maanden of langer) leiden tot verlaging van de bijstandsnorm op grond van artikel 27 Participatiewet. Dit geldt ongeacht of het bedrag binnen de jaarlijkse giftenvrijlating van €1.200 valt.
Hoogte van de verlaging
De kortingspercentages zijn gebaseerd op de basishuur uit artikel 16 van de wet op de huurtoeslag (bij geen of lage woonkosten) en de gemiddelde Nibud-bedragen voor gas, elektriciteit en water (bij geen woonlasten).
Bij woonkosten (lid 2 sub b) worden de daadwerkelijke kosten bepaald. Het percentage van de korting wordt vervolgens vastgesteld op een variabel tussen 1 en 10%. Bij woonlasten wordt vastgesteld of belanghebbende wel of geen woonlasten heeft. De korting wordt vastgesteld op 0 of 9%. Dit is een bewuste keuze omdat woonlasten variabel zijn vanwege schommelingen in energieprijzen en het gedragselement bij energieverbruik. Het veelvuldig herberekenen van de korting en ook het korten op lage woonlasten bij bewuste energiebesparing is onwenselijk. 9% van de gehuwdennorm is een optelsom van de gemiddelde NIBUD schattingen voor kosten van gas, water en electriciteit.
Voorbeeld:
Een inwoner heeft geen woonlasten en betaalt €100 woonkosten. De korting wordt vastgesteld op:
Woonkosten: 10% van de gehuwdennorm (€199) – daadwerkelijke kosten (€100) = €99, dat is 5% van de gehuwdennorm
Woonlasten: geen woonlasten, korting van 9%
Totale korting: 5% woonkosten + 9% woonlasten = 14%
Hoofdstuk 4. Normomzetting algemene bijstand bij verblijf in inrichting
Wanneer een inwoner in een inrichting verblijft, gelden er andere bedragen voor de bijstand. Dit staat in artikel 23 van de wet. Dat komt omdat hun bestaanskosten worden betaald uit andere wetten en voorzieningen dan de Participatiewet.
Artikel 4.1 Ingangsdatum normwijziging bij verblijf in inrichting langer dan zes maanden
Wanneer het verblijf in inrichting naar verwachting meer dan 6 maanden duurt, dan verstrekt het college de algemene bijstand tot een maand na de dag van de opname naar de bijstandsnorm die zou gelden wanneer geen sprake zou zijn van verblijf in een inrichting.
Artikel 4.2 Ingangsdatum normwijziging bij verblijf in inrichting korter dan 6 maanden
-
1. Wanneer het verblijf in inrichting op voorhand in principe tijdelijk is en korter dan 6 maanden, dan verstrekt het college de algemene bijstand tot drie maanden na de dag van de opname naar de bijstandsnorm die zou gelden wanneer geen sprake zou zijn van opname in een inrichting.
-
2. Bij korte herhaaldelijke opnames binnen de termijn van 3 maanden geldt de eerste dag van opname als de startdatum van de periode.
Toelichting:
Verblijf in inrichting met woonkosten of lasten
Artikel 23 van de wet bepaalt dat bij verblijf in een inrichting afwijkende bedragen gelden voor de te verlenen bijstand. Wanneer er meer dan de helft van ieder etmaal een mogelijkheid is tot hulpverlening of begeleiding, valt het verblijf onder verblijf in inrichting. Dit staat in begripsbepaling artikel 1 lid f van de wet.
Het kan voorkomen dat iemands woonsituatie onder de definitie van inrichting valt, maar dat deze persoon wel woonkosten maakt. Bijvoorbeeld bij gescheiden wonen en zorg. In dit geval kan de gemeente bijzondere bijstand verschaffen voor woonkosten op basis van artikel 35 van de wet.
Moment van verblijf
We rekenen het moment van opname in een inrichting als het moment van verblijf in een inrichting.
Moment van normwijziging
deze beleidsregel bepaalt dat de gemeente bij een verblijf korter dan 6 maanden in een inrichting de eerder geldende bijstandsnorm nog drie maanden na de opnamedatum laat doorlopen. Daarna zet de gemeente de norm om naar de norm voor verblijf in een inrichting.
Tijdelijke opnames duren vaak kort en kunnen meerdere keren kort na elkaar plaatsvinden. In zulke situaties is het niet wenselijk om de norm direct om te zetten. De norm zou dan steeds wisselen, wat onrust veroorzaakt voor zowel de inwoner als de gemeente. Bovendien lopen in deze korte periodes meestal de vaste lasten van de belanghebbende door, waardoor de gemeente telkens bijzondere bijstand zou moeten verlenen.
Bij verblijf langer dan 6 maanden in een inrichting doet deze situatie zich niet voor. Daarom houdt de gemeente in deze gevallen de eerder geldende bijstandsnorm nog één maand na de opnamedatum aan.
Voorbeeld
Een alleenstaande wordt op 15 juni opgenomen in een inrichting. De alleenstaande norm van artikel 21 sub a van de wet wordt nog tot drie maanden na de dag van de opname verstrekt. Dat betekent dus dat belanghebbende deze norm behoudt tot en met 15 september. Vanaf 16 september geldt de inrichtingsnorm.
Hoofdstuk 5. Slotbepalingen
Artikel 5.1 Inwerkingtreding en citeertitel
-
1. Deze beleidsregels treden in werking per 1 april 2026 en worden aangehaald als “Beleidsregels Vermogen en Algemene Bijstandsnorm bij lage woonkosten of verblijf in inrichting 2026”.
-
2. De beleidsregels de beleidsregels Lager vaststellen bijstandsnorm Leiden 2021 vervallen.
Artikel 5.2 Overgangsrecht
-
1. Deze beleidsregels zijn van toepassing op aanvragen ingediend op of na 1 april 2026 en op besluiten genomen op of na 1 april 2026 .
-
2. Op bezwaren en beroepen tegen besluiten genomen vóór 1 april 2026 blijven de Beleidsregels lager vaststellen bijstandsnorm 2021 van toepassing totdat op het bezwaar of beroep onherroepelijk is beslist.
-
3. Voor bijstandsgerechtigden die op 1 april 2026 een bijstandsuitkering ontvangen waarop hoofdstuk 3 of 4 van de oude beleidsregels van toepassing was, blijven de bepalingen van de oude beleidsregels van toepassing gedurende drie maanden na inwerkingtreding, tenzij belanghebbende om toepassing van de nieuwe regels verzoekt of de nieuwe regels gunstiger zijn.
Ondertekening
Ziet u een fout in deze regeling?
Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl.
Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl