Landschapsontwikkelingsperspectief 'DaaRbuiten'

Geldend van 10-04-2026 t/m heden

Intitulé

Landschapsontwikkelingsperspectief 'DaaRbuiten'

Voorwoord

Beste lezer, Voor u ligt ‘DaaRbuiten’, ons perspectief op het landschap van Rucphen.

Een beleidsstuk waarin we onze ambitie voor het buitengebied hebben vastgelegd. We zetten in op een moderne vertaling van het typische Brabantse landschap waarin werken en wonen samengaan met recreatie en natuurontwikkeling.

En dat is niet meer dan logisch. Al eeuwen zijn werken en wonen onlosmakelijk verbonden met het landschap. Waar eerst het landschap de basis was voor het gebruik is dat in de laatste eeuw veranderd. We hebben het o.a. door middel van schaalvergroting naar onze hand gezet. Recente ontwikkelingen op het gebied van agrarische bedrijfsvoering, duurzaamheid, klimaat en biodiversiteit zorgen voor grote opgaven.

Met ‘DaaRbuiten’ bieden we binnen een groen kader mogelijkheden waarbinnen verschillende initiatieven een plaats kunnen vinden. Hiermee werken we aan een klimaatrobuust, maar bovenal, leefbaar en aantrekkelijk landschap.

Dit doen we niet alleen. We werken nauw samen met alle betrokkenen. Wensen, ideeën en initiatieven combineren we met vakkennis en de bestaande kaders. Hierdoor ontstaat er een mooie samenwerking met een resultaat waar iedereen trots op mag en kan zijn!

Ik kijk uit naar een (be)leefbaar landschap!

René Lazeroms Wethouder Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening, Financiën, Vrijetijdseconomie en Onderwijshuisvesting.

Hoofdstuk 1. Inleiding

1.1. Aanleiding en doel

Rucphen heeft een prachtig en groen buitengebied. Daar dragen niet alleen de Rucphense Bossen, maar ook het agrarisch cultuurlandschap in belangrijke mate aan bij. Dit fraaie landschap maakt dat Rucphen een aantrekkelijke gemeente is om in te wonen, te werken en te recreëren. Als productiegebied voor agrariërs levert het een belangrijke bijdrage aan de economie in Rucphen. Ook draagt het landschap bij aan de toeristisch recreatieve sector. Daarnaast vertegenwoordigt het landschap grote ecologische waarden waarbij met name de natuurgebieden een bijzondere flora en fauna herbergen. Het is dus van belang dat de kwaliteit van dit landschap voor de toekomst gewaarborgd blijft en verder wordt versterkt.

Aan het begrip landschap geeft iedereen een eigen inhoud, afhankelijk met welke bril men kijkt. De definitie volgens de Europese Landschapsconventie luidt: “Landschap is een gebied, zoals door mensen waargenomen, waarvan het karakter bepaald wordt door de (inter-)actie van natuurlijke en menselijke factoren”.

Beschrijven we het landschap dan maken we een onderscheid in bijvoorbeeld natuurlandschap of cultuurlandschap, of in open, besloten en dichte landschappen. Beschouwen we het landschap als gebied, dan spreken we in Rucphen van het Brabantse landschap of het landschap van de Baronie of het Markiezaat. Daar associëren we niet alleen een fraai landschap mee, maar ook gemoedelijkheid.

Kortom: Rucphen ligt in het Brabantse landschap. De omgeving is afwisselend met gebieden waar natuur domineert, waar menselijk gebruik domineert of waar dat hand in hand gaat. Sommige delen van het landschap zijn uitgesproken open, andere meer besloten. Dit alles is het resultaat van de manier waarop de mens de natuurlijke omgeving voor haar behoeften naar de hand gezet heeft.

Er gebeurt veel in het buitengebied van Rucphen. Veranderingen in de agrarische sector, de ontwikkeling van het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en de woningbouwopgaves tegen de kernen aan leiden onherroepelijk tot veranderingen. Dit biedt enerzijds kansen, maar zal evengoed op gespannen voet staan met de bestaande kwaliteiten van het landschap. Maatwerk is nodig. Daarom vindt de gemeente Rucphen het belangrijk om vanuit het landschap sturing te geven aan deze veranderingen en de landschappelijke kwaliteiten van het buitengebied voor de toekomst te borgen.

Doel:

• Behouden en versterken van de bestaande kwaliteiten van het Rucphense Landschap;

• Vanuit het landschap sturing geven aan de grote veranderingen die spelen.

1.2. Plan, programma of perspectief

Gekoppeld aan de Structuurvisie Landschap (2012) heeft het Landschapsontwikkelingsplan (2009) de afgelopen jaren de koers bepaald voor de ontwikkelingen in het buitengebied. Veranderende wet- en regelgeving en het wereldbeeld zorgen ervoor dat het landschapsontwikkelingsplan geactualiseerd dient te worden. Nu, in 2026, is het niet meer logisch om het geactualiseerde stuk nog steeds een “landschapsontwikkelingsplan” te noemen. Onder de Omgevingswet (2024) wordt “plan” namelijk vooral gebruikt voor het omgevingsplan, wat juridisch bindend is. Ook aan de term “programma” zitten onder de Omgevingswet voorwaarden verbonden:

• Landschappelijk ambities uit omgevingsvisie uitwerken;

• Maatregelen, projecten, prioriteiten bevatten;

• Een (globale) planning en verantwoordelijkheden benoemen;

• Door het college laten vaststellen als omgevingsprogramma.

Het voorliggende stuk is geen programma in de zin van de Omgevingswet. Om verwarring te voorkomen is voor de term “perspectief” gekozen. Bij dit landschapsontwikkelingsperspectief (LOP) zal later een apart uitvoeringsprogramma worden uitgewerkt, dat te zijner tijd ter besluitvorming wordt voorgelegd. Voor nu is een lijst gemaakt met de uit te voeren projecten (zie hoofdstuk 5).

De gemeenteraad van Rucphen heeft in september 2025 de Omgevingsvisie 2.0 “Rucphen 2040” vastgesteld. Dit LOP heeft een duidelijke koppeling met deze Omgevingsvisie. Het LOP vertaalt de landschappelijke ambities uit de Omgevingsvisie Rucphen 2.0 naar concrete doelen en maatregelen voor behoud, versterking en ontwikkeling van het landschap, in samenhang met landbouw, natuur, klimaat en recreatie. Daarnaast heeft dit LOP nadrukkelijk een koppeling met de gemeentelijke beleidsstukken Groen R I Groenbeleid en het beleid Teeltondersteunende voorzieningen (TOV-beleid).

1.3. Proces

Om gebiedskennis te mobiliseren en draagvlak te creëren is tijdens het opstellen van het landschapsontwikkelingsprogramma op verschillende momenten gesproken met de Provincie Noord-Brabant, ZLTO, Defensie, Brabant Water, Waterschap Brabantse DeltaANV (Agrarische Natuurvereniging) en Natuurwerkgroep Rucphen en omgeving. Overleggen hebben o.a. plaatsgevonden onder de vlag van het “Groene platform”. Hierin nemen de verschillende groen betrokken partijen uit onze gemeente zitting. Daarnaast is er met individuele terreineigenaren en inwoners van het buitengebied gesproken. Het doel was hierbij om zoveel mogelijk informatie te verzamelen, hierbij valt te denken aan wetenswaardigheden, aandachtspunten en knelpunten.

In de zomer was het mogelijk om zienswijzen in te dienen. Er zijn 4 zienswijzen op het Concept-LOP binnengekomen. De inhoud van deze zienswijzen is zorgvuldig bestudeerd en afgewogen. Dit heeft geleid tot aanpassing en verbetering van het LOP. Na het indienen van de zienswijzen zijn eind november 2025 nog aparte, verdiepende gesprekken geweest met: Natuurwerkgroep Rucphen en omgeving, ANV, Defensie, Natuurmonumenten, Staatsbosbeheer, Landgoed Schijf, Waterschap Brabantse Delta, Provincie Noord-Brabant en een groep agrarische ondernemers en vertegenwoordigers (ZLTO, Tree- en Fruitport). Deze gesprekken gingen zowel over het LOP als het TOV-beleid. Op basis van deze gesprekken is het LOP (en ook het TOV) nogmaals aangepast en aangescherpt. Dit is tot slot besproken tijdens een gezamenlijke bijeenkomst met alle stakeholders op 18 december 2025. Doel van deze bijeenkomst was consensus bereiken over het LOP en TOV. De reacties die tijdens deze bijeenkomst zijn gegeven zijn meegenomen (indien er consensus over was) in dit document: het “LOP DaaRbuiten” (en in het TOV-beleid).

Hoofdstuk 2. De basis van DaaRbuiten

Hoe vanzelfsprekend de aanwezigheid van een aantrekkelijk landschap ook lijkt, een duidelijke borging is voor behoud en ontwikkeling van belang. Dit perspectief sluit aan en bouwt voort op landelijke en provinciale kaders en verschillende gemeentelijke beleidskaders. In 2.1 gaan we in op de voor dit LOP meest relevante gemeentelijke beleidskaders. Alle andere landelijke en provinciale kaders en gemeentelijke beleidskaders staan toegelicht in de bijlage. In 2.2 gaan we – bezien vanuit de lange ontstaansgeschiedenis van het Rucphense landschap - in op de voor het LOP relevante actuele ontwikkelingen. Dit zijn zowel kansen als bedreigingen.

2.1. Wettelijk en beleidsmatig kader

Voor het LOP zijn op het landelijke, wettelijke niveau het Burgerlijk Wetboek en de Omgevingswet met daarin de Wet natuurbescherming van belang. Voor de ontwikkelingen in het landschap stelt ook de Provincie Noord-Brabant duidelijke kaders. Deze kaders zijn o.a. vastgelegd in de Omgevingsvisie, Omgevingsverordening en het regionaal Water en Bodem Programma. In het hoofdstuk uitvoeringsprogramma wordt ingegaan op de regeling Maatwerk omgevingskwaliteit uit de Omgevingsverordening. Op gemeentelijk niveau wordt het beleid ten aanzien van dit perspectief mede bepaald door eerder vastgestelde visies en plannen. Relevant zijn: Omgevingsvisie Rucphen 2.0, groenbeleidsplan Groen R, boombeleid BOOM, duurzaamheidsvisie, Visie (Vrijetijds) Economie, Klimaatbestendig Rucphen en Beleid Teeltondersteunende Voorzieningen (TOV). Voor dit LOP zijn de Omgevingsvisie, het groenbeleidsplan en het TOV-beleid het meest relevant. Op deze drie beleidsstukken wordt hieronder verder ingegaan.

Omgevingsvisie Rucphen 2.0 (2025) In de omgevingsvisie legt de gemeente de keuzes voor de lange termijn vast. Centraal staat de vraag hoe de gemeente Rucphen er in 2040 uit ziet. Hiervoor zijn drie hoofdambities geformuleerd, te weten Prettig Samenleven, Duurzaam Samenleven en Ruime mogelijkheden voor werken en vrijetijdsbesteding. Deze hoofdambities zijn verder onderverdeeld in uitgangspunten. De meest relevante uitgangspunten voor het landschap zijn:

Prettig Samenleven:

• Versterking van karakteristieke dorpen, het groene buitengebied, het diverse landschap en de cultuurhistorische waarden.

Duurzaam Samenleven:

• Aanpassen van de omgeving aan de veranderende (en extreme) weersomstandigheden;

• We beschermen de natuur;

• Een gezonde en veilige leefomgeving stimuleren die mensen uitnodigt om naar buiten te gaan en te bewegen. Werken en Vrijetijdsbesteding:

• Het ontwikkelen van een gunstig ondernemersklimaat;

• Door samenwerking worden de recreatieve mogelijkheden beter benut en uitgedragen;

• Rucphen is een agrarische gemeente waarbinnen adaptieve landbouw ook in de toekomst een plek blijft krijgen.

De landschapsambities zijn samen te vatten in drie kernlijnen:

*

In de Omgevingsvisie is de hele gemeente verdeeld in deelgebieden waaronder het buitengebied. Het buitengebied van Rucphen blijft een waardevol en veelzijdig gebied waar landbouw, natuur, landschap en recreatie in balans zijn. Het landelijk karakter met rust en ruimte wordt beschermd, terwijl er zorgvuldig ruimte is voor duurzame energie, adaptieve landbouw en passende nieuwe functies. Ontwikkelingen dragen bij aan biodiversiteit, klimaatbestendigheid en landschapskwaliteit, met woningbouw vooral in en rondom de kernen. Het buitengebied fungeert als groene long, recreatief uitloopgebied en drager van cultuurhistorische waarden.

De belangrijkste uitgangspunten voor het buitengebied (en dus ook het landschap) zijn:

• Behoud en versterking van het landelijke en karakteristieke landschap

• Adaptieve en duurzame landbouw als hoofdgebruiker

• Ontwikkelingen zijn kleinschalig en landschappelijk passend

• Woningbouw eerst in en rond de kernen

• Versterking van biodiversiteit, bodem en water

• Landschap als drager van klimaatadaptatie en duurzame energie

• Balans tussen landbouw, recreatie en andere functies

• Behoud van groene zones, Rucphense Bossen, cultuurhistorische waarden en erfgoed.

Alle hier voor het landschap relevante benoemde uitgangspunten zijn verder uitgewerkt in dit LOP.

Groen R | Groenbeleid gemeente Rucphen

Groen R is het gemeentelijke groenbeleidsplan van Rucphen uit 2022, dat inzet op een sterk, fijnmazig, samenhangend groen netwerk in dorpen en het buitengebied, dat bijdraagt aan leefkwaliteit, biodiversiteit, klimaatadaptatie en gezondheid. Het beleid richt zich op het behouden en versterken van bestaande groenstructuren, het toevoegen van nieuw groen en het verbinden van landschapselementen zodat er een robuust, toegankelijk en ecologisch waardevol groen netwerk ontstaat voor mens en dier. Groen komt niet alleen in parken en plantsoenen voor, maar ook in landschapselementen, lanen, wandel- en fietsroutes en ecologische structuren tussen kernen en het buitengebied. De aanpak is integraal, natuurinclusief en participatief, waarbij samenwerking met inwoners, organisaties en partners centraal staat.

De belangrijkste uitgangspunten zijn:

• Samenhangend groen netwerk: Ontwikkelen en versterken van een samenhangend stelsel van groenstructuren en groene verbindingen tussen kernen, buitengebied en natuur.

• Groen met meervoudige waarde: Groen draagt bij aan biodiversiteit, klimaatadaptatie, waterberging, gezondheid en recreatie.

• Natuurinclusieve inrichting en beheer: Groen wordt ingericht en beheerd met aandacht voor soortenrijkdom en ecologische kwaliteit.

• Samenwerken met de omgeving: Inwoners, organisaties en partners worden actief betrokken bij aanleg en beheer van groen

• Groen als basis voor ontwikkeling: Bij ruimtelijke initiatieven is groen een sturend en integraal onderdeel van het ontwerp.

BeleidTeeltondersteunende Voorzieningengemeente Rucphen (2026)

In het beleid Teeltondersteunende Voorzieningen (TOV beleid) schetsen we als gemeente Rucphen ons toekomstperspectief en ruimtelijke kaders voor agrarische teeltbedrijven in het buitengebied, die gebruik willen maken van teeltondersteunende voorzieningen buiten het bouwvlak. Dit is niet beperkt tot één specifiek type bedrijf, maar omvat teeltbedrijven van fruit, bomen, planten, groenten en bloemen. De ligging in het landschap en andere ruimtelijke overwegingen vormen de basis voor het TOV beleid. Daarmee is dit LOP een belangrijke basis voor het TOV-beleid. Het doel van het TOV-beleid is het creëren van een objectief ruimtelijk kader voor de uitbreiding van permanente teeltondersteunende voorzieningen (TOV) ter versterking van economisch gezonde en toekomstbestendige teeltbedrijven, in balans met het landschap, het bodem- en watersysteem en andere waarden van het landelijk gebied.

2.2. Sterke en zwakke punten, kansen en bedreigingen

De kracht van het Rucphense landschap is dat het in oorsprong een grote afwisseling kent. Door het veranderende gebruik van het landschap staat deze afwisseling onder druk. De ontwikkeling van het landschap in de (recente) geschiedenis maakt het landschap minder herkenbaar, waardoor de eigenheid vervaagt en inwoners zich minder verbonden voelen met hun omgeving.

Landschappelijke verschillen

Schaalvergroting in de landbouw, woningbouw in het buitengebied en een groeiende recreatiedruk hebben grote invloed op het landschap. Veel karakteristieke landschapselementen verdwijnen, waardoor de verschillende landschappen steeds meer op elkaar lijken. Ook de agrarische teelten zijn overal min of meer hetzelfde. De oorspronkelijk kleinschalige gebieden, de oude zandontginningen (zie 3.5), worden steeds grootschaliger. Hierdoor lijken ze steeds meer op de open gebieden, de jonge zandontginningen. Verandering hoort bij het landschap, maar door de verschillen tussen de landschapstypen te versterken worden deze weer herkenbaar. Samenwerking met andere initiatieven, zoals agrarisch natuurbeheer, is hierbij kansrijk.

Het cascolandschap

Het cascolandschap vormt het stabiele raamwerk van het landschap: een samenhangend netwerk van natuurgebieden, waterstructuren en landschapselementen waar de ontwikkelingssnelheid laag is. Dit casco biedt ruimte aan natuur, biodiversiteit en klimaatadaptatie en zorgt tegelijk voor samenhang tussen verschillende gebieden. Binnen en rondom dit raamwerk is ruimte voor dynamische functies zoals landbouw, recreatie en dorpsuitbreiding, mits deze het casco respecteren en versterken. Zo blijft het landschap herkenbaar en veerkrachtig, ook bij toekomstige ontwikkelingen.

Rucphen is goed bedeeld met een natuurgebied als de Rucphense Bossen en de op de grens met de gemeente Zundert gelegen Pannenhoef en Lange Maten. Deze natuurgebieden zijn onderdeel van het Natuurnetwerk Brabant. Ecologische verbindingszones zorgen voor robuuste verbindingen tussen de verschillende natuurgebieden. Aandacht is er voor de nog te realiseren oost–west verbindingen.

Grondbezit

De keerzijde van de ambities op het gebied van natuur is dat andere functies zoals landbouw, waar een vergroting van de schaal uit economisch perspectief vaak noodzaak is, in het gedrang (kunnen) komen. Grondeigenaren hebben hierin de troeven in handen. Ondanks het vrijkomen van grond door stoppende agrariërs komt er vrijwel geen grond vrij voor andere invullingen zoals natuurontwikkeling. Door samenwerkingen aan te gaan wordt voorkomen dat gebiedsprocessen in een slot vallen. Een actief grondbeleid, waarin grondruiling en/ of moderne herverkavelingen mogelijk zijn, zorgt voor het bouwen aan het landschap.

Erven en woonclusters

In het buitengebied zijn tal van erven en woonclusters. Wet- en regelgeving zorgt ervoor dat er tal van uitdagingen zijn voor ondernemers, inwoners maar ook voor de gemeente. Tegelijkertijd zijn het waardevolle woonplekken, en dragen ze in belangrijke mate bij aan het karakter van het landschap. Er dient ruimte te zijn voor initiatieven waarbij er sprake is van vernieuwde economische vitaliteit, waarbij tegelijkertijd het landelijk karakter gewaarborgd dient te worden. Rode ontwikkelingen maken groen mogelijk. Gebeurt dit niet, dan ligt verrommeling op de loer.

Recreatieve druk

Als groene long in de Brabantse stedenrij is onze gemeente aantrekkelijk voor recreatie. Recreanten bezoeken met name de Rucphense Bossen en ze doorkruisen onze gemeente als onderdeel van een wandel- of fietsroute. Bewegwijzerde routes leiden de recreanten door het Rucphense landschap. Binnen onze gemeente fungeren de verschillende dorpen, maar ook de Heimolen, als uitvalsbasis. De recreatieve druk op de Rucphense Bossen is hoog. Om de recreatiedruk te spreiden is het aantrekkelijker maken van het agrarische landschap een kans. Door de ligging tussen Zundert en Etten- Leur, plaatsen waar Van Gogh heeft gewoond, kan Rucphen een verbindende factor spelen. De ambities voor het Rucphense landschap sluiten aan bij de kernwaarden van het Van Gogh Nationaal Park.

Defensie

De spanningen in de wereld zorgen voor uitbreiding en intensivering bij Defensie. In de gemeente Rucphen heeft Defensie een groot oefenterrein, namelijk de Rucphense Heide gelegen in de Rucphense Bossen. Aan de Zundertseweg ligt een oud MOB-complex. Dit is een logistiek centrum voor de opslag van materieel en voertuigen. Daarnaast wordt er gedacht aan een defensielocatie in de buurt van Nispen. De militairen trainen in natuurgebieden. Dit maakt Defensie ook een belangrijke speler in het ontwikkelen, beheren en onderhouden van natuurgebieden. De mogelijke intensivering en uitbreiding van Defensie bieden ook kansen voor natuur- en landschapsontwikkeling. Denk bijvoorbeeld aan het realiseren van ecologische verbindingen ter compensatie van uitbreiding. Het intensiever gebruiken van militair oefenterrein kan in de toekomst ook beperkingen voor recreanten opleveren.

Landschap en de woonomgeving

Van welke kant je ook komt, de entree van de gemeente is altijd groen. Vanaf het zuiden door of langs de bossen en vanaf de andere zijden door een fraai cultuurlandschap. Aan dat groene gevoel dragen de laanbeplantingen langs de invalswegen in belangrijke mate bij. Het landschap rond de dorpen wordt door de inwoners gebruikt voor ommetjes. Als hiervoor goede mogelijkheden zijn, versterkt dat het gevoel van buiten wonen. Op enkele plaatsen zijn informele paadjes aanwezig. Deze staan onder druk door de uitbreidingsplannen.

Hoofdstuk 3. Een integrale landschapsanalyse

Om de nieuwe ontwikkelingsrichting van het gebied te bepalen is kennis van het huidige landschap van essentieel belang. Er is gekeken hoe het gebied gepositioneerd is in zijn omgeving en wat daarvan de invloeden zijn. Er is een uitgebreide analyse uitgevoerd van alle lagen van het landschap.

3.1. Plangebied

Om plannen voor een gebied te bedenken en processen in gang te kunnen zetten, is het van belang om eerst te onderzoeken wat er al is. Een van de manieren om dat te doen, is door het landschap te ontrafelen door deze in verschillende lagen te fileren. Wat op het maaiveld een ogenschijnlijke vanzelfsprekendheid is, heeft vaak een logische reden. De opbouw van de ondergrond zorgt al eeuwen voor de fysieke mogelijkheden boven de grond. De ontstaansgeschiedenis wijst de weg naar hoe het landschap en de verschillende gebruiksfuncties zich in de toekomst zouden kunnen ontwikkelen.

Luchtfoto

De luchtfoto is op het eerste gezicht moeilijk te lezen. We herkennen de Rucphense Bossen, de dorpen en de A58. Maar verder een monotoon landschap van agrarische percelen zoals op veel plaatsen te zien is op de hoge zandgronden in Nederland, maar zeker in Brabant, is te onderscheiden. Maar als je er door je oogharen naar kijkt, komen er structuren naar boven die in de volgende themakaarten terugkomen, zoals bijvoorbeeld de rationele verkaveling rondom Zegge en in de Oude Zoek.

Topografische kaart

De topografische kaart geeft op hoofdlijnen hetzelfde beeld als de luchtfoto. Door de vereenvoudiging en interpretatie van de luchtfoto naar een kaartbeeld is de kaart wel gemakkelijker leesbaar. Oude verbindingswegen lichten op en volgen de lijnen van het landschap. Duidelijk herkenbaar zijn de A58 en spoorweg die van west naar oost door het landschap snijden. Daarnaast ook los van zijn ondergrond zijn de toegevoegde wegenstructuren die ten behoeve van de omleidingsweg zijn gerealiseerd.

3.2. Bodem- en watersysteem

Hier gaan we in op het huidige bodem- en watersysteem. Om te snappen hoe het bodem- en watersysteem werkt is kennis van de hoogte en geomorfologie nodig.

Geomorfologie

Geomorfologie is de wetenschap die zich bezighoudt met de studie van de vormen van het aardoppervlak en de processen die hierbij een rol spelen of hebben gespeeld. De basis voor de huidige vorm van het aardoppervlak is gelegd in de laatste ijstijd. Tegen het einde van de laatste ijstijd zijn hier dekzandruggen en landduinen (bruin) ontstaan. Dit kwam omdat er meer begroeiing kwam, die ervoor zorgde dat het zand werd vastgehouden. Boven op de grootste dekzandrug bevinden zich de Rucphense Bossen. Ook tussen de Heimolen en Bosschenhoofd ligt een hogere dekzandrug. Het merendeel van de gemeente Rucphen bestaat uit dekzand. Naast de hoge ruggen, zijn dat lage vlaktes (kaki) en dekzandgebied (geel). In groen zijn de beekdalen en dalvormige laagtes aangegeven. Hier stromen veelal de beken en turfvaarten.

Hoogte

De gemeente Rucphen loopt geleidelijk af van zuid naar noord. Het hoogste punt is 19.7 meter boven N.A.P. en ligt in een bosperceel in de Zoekse Blok ten zuidwesten van Schijf. Het laagste punt van de gemeente is 1.9 meter boven N.A.P. en bevindt zich in de Lage Zegge ten westen van Zegge. Herkenbaar als een cirkel, naast de Rucphense Bossen, is de Oude Zoek. Dit ven is in de 19e eeuw drooggemalen en verkaveld en is hierdoor als laagte herkenbaar. De Achterhoek ten westen van St. Willebrord is een open gebied en ligt beduidend lager. Noordwaarts kijkend vanaf de Bernhardstraat is het dalen van de grond goed zichtbaar. De gronden ten westen en noordwesten van Zegge zijn duidelijk lager gelegen en vormen de opmaat naar de polders aan de noordzijde van Brabant. In het zandlandschap ten westen van de Rucphense Bossen zijn kleine hoogteverschillen waarneembaar. Dit is onder andere de Molenheide en relicten van oude beekdalen.

Bodem

Opvallend voor Rucphen en zijn omgeving is dat de heldere geomorfologische opbouw veel minder herkenbaar is in de bodemopbouw. Het gebied wordt vooral gedomineerd door podzolgronden (beige). Dit zijn voedselarme zandgronden met een duidelijke laagopbouw: een humusrijke bovengrond, een uitspoeilingslaag en een inspoelingslaag. Deze gronden hebben een lage natuurlijke vruchtbaarheid en het water zakt snel weg in het doorlatende zand, waardoor de grond droogtegevoelig is. Deze gronden zijn van nature geschikt voor heide, bos en extensieve landbouw. Nabij de Rucphense Heide komen op twee plekken arme vaaggronden voor. Deze bodems hebben een zwak ontwikkelde bodemopbouw en zijn ontstaan uit relatief jong of regelmatig verstoord materiaal. Daardoor ontbreken duidelijke bodemlagen. De vaaggronden zijn gevoelig voor verdichting en veranderingen in waterhuishouding. Over het algemeen zijn ze beter vochtvasthoudend en voedselrijker dan podzolgronden. Rondom verschilledne dorpen komen eerdgronden (bruin) voor. Dit zijn rijke, door de mens gevormde bodems, die vooral voorkomen in oude agrarischecultuurlandschappen. Rondom Zegge zijn klei op veengronden te herkennen. Relicten uit de tijd van de veenontginningen en de opmaat naar de lager gelegen gronden aan de noordzijde van onze provincie. De klei- en veenrelicten zijn restanten van de oude veenontginningen. Verder zijn op een paar plekken moerige zandgronden te vinden. Deze gronden hebben een moerige tussenlaag. Dit wordt gezien als sporen uit de verdwenen veenderijen. Op de kaart is met puntjes aangegeven waar vroeger het veen heeft gelegen (zie ook cultuurhistorie). Tot slot zijn er semi-rijke zandgronden die enkel leemrijk zijn. Deze liggen voornamelijk ten zuiden van Sprundel en een beetje bij Zegge.

Water

Het watersysteem van de gemeente Rucphen wordt sterk bepaald door de hoge zandgronden, de natuurlijke hoogteverschillen en de overgang naar de lagere beekdalen. De bodem bestaat voornamelijk uit arme zandgronden waar het water snel infiltreert en waar oppervlakkige waterlopen schaars zijn. Grondwater speelt daardoor een belangrijke rol in het functioneren van het watersysteem. Voor het grondwatersysteem geldt dat in het hele gebied sprake is van infiltratie. Alleen ten westen van Zegge vindt enige kwel plaats. Voor het oppervlaktewatersysteem geldt dat de beken en turfvaarten van hoog naar laag stromen. Dat is in ieder geval van zuid naar noord. En voor de oost-westrichting van het afstromend water vormt de dekzandrug van de Rucphense Bossen een duidelijke waterscheiding. Grofweg stroomt het water ten oosten af richting de Aa of Weerijs en ten westen van de Rucphense Bossen stroomt het water richting het bekenstelsel dat uiteindelijk in de Roosendaalse Vliet uitkomt. De Schijfse Vaart en vervolgens de Vlette Vaart stromen om de dekzandrug van de Rucphense Bossen heen richting Roosendaal. Nagenoeg alle watergangen in het gebied bevatten stuwen. Hierdoor is de afvoer van oppervlaktewater goed te sturen. Op de kaart zijn wateroverlastgevoelige gebieden aangegeven. Dit zijn relatief gezien lager gelegen gebieden met een ondiepe grondwaterstand. Hier kan bij extreme weersomstandigheden water blijven staan.

Het landschap is in het verleden sterk beïnvloed door de ontwatering ten behoeve van de landbouw en bosbouw. Het watersysteem is daardoor grotendeels gericht op zo snel mogelijke afvoer van water, een erfenis van de ruilverkavelingen en de landbouwkundige optimalisatie in het verleden. Hierdoor zijn sommige gebieden verdroogd en is de natuurlijke dynamiek van natte systemen verminderd. Tegenwoordig ligt de nadruk op langer water vasthouden in het gebied, het infiltreren, het verhogen van grondwaterstanden waar mogelijk en het herstellen van natuurlijke beekdalen en laagtes. Dit draagt bij aan klimaatadaptatie, natuurkwaliteit en een robuuster landschap. Op de kaart zijn de zeer droogtegevoelige gebieden (donker rood) en de droogtegevoelige gebieden (rood) aangegeven.

In en nabij de gemeente Rucphen bevinden zich drie waterwingebieden waar grondwater wordt gewonnen voor de drinkwatervoorziening. Het waterwingebied is het gebied waar drinkwater daadwerkelijk uit de bodem wordt gepompt. Omdat dit water direct wordt gebruikt voor consumptie, gelden hier strenge regels om verontreiniging te voorkomen. Om elk waterwingebied ligt een grondwaterbeschermingszone en een boringsvrije zone. Een grondwaterbeschermingszone is de zone waar het grondwater na verloop van tijd naar de winputten stroomt. Activiteiten die risico’s vormen voor de waterkwaliteit zijn hier ongewenst en er geldt dan ook beperkt of vergunningplichtig. De boringsvrije zone is bedoeld om diepe boringen en ingrepen in de ondergrond te voorkomen, die beschermende bodemlagen kunnen aantasten en verontreinigen naar het grondwater kunnen laten doorstromen. Deze zones zijn van groot belang voor een duurzame en veilige drinkwatervoorziening en vragen om een zorgvuldige afweging bij ruimtelijke ontwikkelingen, landbouwkundig gebruik en natuurontwikkeling.

3.3. Natuur

De twee grootste natuurgebieden in en grenzend aan de gemeente Rucphen zijn de Rucphense Bossen en de Pannenhoef / Lange Maten. Beide natuurgebieden maken onderdeel uit van het Natuurnetwerk Brabant (NNB). Het doel van het NNB-beleid is het veiligstellen van ecosystemen en het realiseren van leefgebieden met goede condities voor de biodiversiteit. In de Omgevingsverordening Noord-Brabant staat dat gronden in de NNB geheel dienen voor natuurontwikkeling. Landbouwgrond en ander niet-natuurgebruik moeten voor zover nodig gewijzigd worden naar natuurgebied. In de gemeente Rucphen komt vooral bestaande NNB voor. Op een enkel locatie zien we wat snippers nieuwe NNB, namelijk in het gebied Heimolen en aan de westzijde van de Rucphense Bossen nabij Nederheide.

Ecologische verbindingszones (EVZ) zijn verbindingen tussen het Natuurnetwerk Brabant en omliggende natuurgebieden om te zorgen dat dieren en planten niet geïsoleerd raken. EVZ’s fungeren als trekroutes en als leef- en voortplantingsgebied voor planten en dieren. In de gemeente liggen meerdere EVZ’s: natte en droge EVZ’s. Natte EVZ’s liggen langs de hoofdwaterlopen, zoals de Zwarte Sloot, de Zoeksche Loop en de Bijloop. Verder liggen er een aantal droge EVZ’s, die de waterlopen en/of bossen met elkaar verbinden, zoals de Molenbaan en het Oud Kerkpad. Een aantal van deze verbindingen zijn nog niet volledig gerealiseerd, zoals bij Den Polder, Scherpenberg en de Eldersche Turfvaart. Er is nog sprake van een restopgave.

De groenblauwe mantel vormt de overgangszone tussen de grotere natuurgebieden en het agrarische cultuurlandschap. In de gemeente Rucphen bevindt de groenblauwe mantel zich rondom drie gebieden, namelijk de Rucphense Bossen, de Oude Turfvaart en op de grens met de gemeente Zundert rondom natuurgebied de Pannenhoef, Lange Maten, Bijloop en Turfvaart. In deze overgangszone staat het combineren van functies centraal: landbouw blijft mogelijk, maar met aandacht voor bodem, water, landschap en natuur. In de groenblauwe mantel zijn landschapselementen, zoals poelen, houtwallen, bomenrijen en sloten, zeer gewenst. Zij dragen bij aan de biodiversiteit, waterberging en klimaatadaptatie. In deze gebieden zien we mogelijkheden voor recreatie, extensieve vormen van landbouw en multifunctioneel landgebruik. Daarentegen worden intensieve ontwikkelingen zoveel mogelijk vermeden. Tenzij wordt voldaan aan de voorwaarden uit de Omgevingsverordening Noord-Brabant, waaronder een aantoonbare bijdrage aan het versterken van de biodiversiteit (artikel 5.46). Voor Rucphen is de groenblauwe mantel een instrument om het landschap aantrekkelijker, robuuster en klimaatbestendig te maken, zonder het agrarisch gebruik uit het oog te verliezen.

De beken en turfvaarten vormen vanuit natuurperspectief een belangrijk groenblauw netwerk in het landschap. De beken zijn in principe natuurlijke waterlopen en de turfvaarten zijn relicten van het historische veen- en heidelandschap. Ze spelen een essentiële rol als leefgebied en verbindingsroute voor planten en dieren. Langs de beken en turfvaarten komen natte graslanden, oevervegetaties en ruigten voor, die geschikt zijn voor amfibieën, insecten,vogels en kleine zoogdieren. Door hun lineaire karakter functioneren ze als ecologische verbindingszone tussen natuurgebieden en het omliggende agrarische landschap. Het waterschap werkt aan een klimaatbestendig watersysteem, waarin water langer wordt vastgehouden, vertraagd wordt en grondwater beter benut wordt. De vele stuwen, die van oudsher in de beken en turfvaarten bevinden, zijn een flinke barrière voor vissen.

Naast de natuurgebieden heeft ook het agrarisch landschap natuurwaarde, onder meer als leefgebied voor soorten als patrijs en kievit. De patrijs is gebaat bij een kleinschalig landschap met overgangen van struweel naar open akker, zoals van oudsher aanwezig in de oude zandontginningen met akkers, graslanden, houtwallen, zandwegen en bermen. Deze structuur biedt broed- en schuilplaatsen en voldoende voedsel, vooral insecten voor de kuikens. In delen van Rucphen staat dit onder druk door schaalvergroting, het verdwijnen van perceelranden en intensiever gebruik. Tegelijkertijd zijn er kansen om het landschap geschikter te maken, bijvoorbeeld door kruidenrijke akkerranden, behoud van zandwegen, houtige landschapselementen en extensiever beheer. Een ander deel van het agrarisch landschap in Rucphen is waardevol voor de kievit, die open, vochtige graslanden en akkers nodig heeft. Vooral de lagere delen van het landschap, zoals broek- en veenontginningen en percelen langs beken, zijn geschikt. Intensiever landgebruik, ontwatering en het verdwijnen van natte plekken bedreigen deze kwaliteit. Kansen liggen in water vasthouden, later maaien, plas-dras plekken creëren en extensief beheer van percelen en randen, waardoor het agrarisch landschap weer ruimte biedt aan kieviten en andere weidevogels.

3.4. Cultuurhistorie

Ontstaan van het landschap

Het landschap van de gemeente Rucphen is het resultaat van een eeuwenlange wisselwerking tussen mens en natuur. In het cultuurlandschap van omstreeks 1900 zijn de verschillen in ondergrond, hoogteligging, waterhuishouding en ontginningsgeschiedenis vrijwel in één oogopslag zichtbaar. Grote delen van de gemeente waren toen al eeuwenlang in cultuur gebracht. Wat resteerde waren de armere gronden, die niet of nauwelijks rendabel waren, zoals rond St. Willebrord, en gronden die pas in gebruik werden genomen na de komst van kunstmest. Hierdoor kon met name aan de zuidzijde van de gemeente een schaalsprong in de landbouw plaatsvinden.

Het landschap vóór de ontginningen: Tot aan de Romeinse tijd bestond het Brabantse landschap grotendeels uit woeste gronden: uitgestrekte moerassen, heidevelden en bossen. Het drassige landschap was het domein van jagers en verzamelaars, die als nomaden door het gebied trokken. In 57 voor Christus kwamen de Romeinen in onze streek. Na een periode van wisselende bezetting trokken zij zich in de vierde eeuw definitief terug, waarna een lange periode van leegloop en armoede volgde. Pas in de periode van circa 600 tot 1000 kwamen de eerste ontginningen weer op gang.

Vroege akkerbouw en beekdalontginningen: Als eerste ontstond het akkerlandschap, waarvoor grote stukken oerbos werden gekapt. Dit landschap bestond uit grote, gemeenschappelijke akkers die dienden als voedselvoorziening voor meerdere gezinnen. Er werden onder andere rogge, boekweit, vlas, hennep en haver verbouwd. Vanaf de 12e eeuw maakten verbeterde afwateringsmethoden het mogelijk om ook de drassige beekdalen te ontginnen. Deze werden aanvankelijk gemeenschappelijk gebruikt als hooi- en wisselland, maar raakten in de 14e en 15e eeuw verkaveld in smalle stroken. Met vergelijkbare technieken konden ook de eerste moerassen worden ontgonnen, wat leidde tot het broekontginningslandschap. Toen de meest geschikte zandgronden en beekdalen eenmaal waren benut, namen individuele agrariërs stukken wildernis in gebruik. Door uitbreiding en aaneengroeiing van deze kleinschalige ontginningen ontstond het kenmerkende fijnmazige kampenlandschap.

Veenontginningen en turfwinning: Een aparte en zeer bepalende fase in de landschapsontwikkeling vormt de veenontginning in de late middeleeuwen. Uitgestrekte hoogveengebieden werden afgegraven ten behoeve van de turfwinning. Turf was een belangrijke brandstof voor de welvarende Vlaamse steden en de ontginningen gingen door tot in de 16e eeuw. Na afloop bleef een rationeel verkaveld, maar relatief arm zandlandschap achter. Tegelijkertijd waren veel bossen verdwenen of gedegradeerd tot heide. De sporen van deze veenontginningen zijn nog altijd zichtbaar in het landschap, onder meer in de noord-zuid lopende wegen bij Zegge, Schijf en ten noorden van Sprundel.

Historische routes en verkavelingspatronen: De verschillen in verkavelingsrichting en patronen in de gemeente zijn sterk verbonden met de ondergrond en ontginningsgeschiedenis. Opvallend is de natuurlijke oost-west oriëntatie van het landschap en de daarbij horende routes. Rucphen en Sprundel liggen aan een eeuwenoude verbinding tussen Breda en Bergen op Zoom. Daarnaast kruist een oude postverbinding van Rotterdam via Dordrecht naar Antwerpen diagonaal de gemeente, vanaf Seppe over de Heimolen en door de Rucphense Bossen richting Horendonk. De huidige Postbaan verwijst nog naar deze historische route.

Grootschalige ontginningen in de 19e eeuw: Rond 1800 leefden de ontginningsactiviteiten opnieuw op. De aanleg van wegen, die in de 18e eeuw was gestart, maakte het mogelijk om stadsmest aan te voeren, waardoor heidegronden eenvoudiger konden worden ontgonnen. De grootschalige ontginningen bereikten hun hoogtepunt na de landbouwcrisis van 1880. In minder dan honderd jaar tijd werden vrijwel alle Brabantse heidegebieden ontgonnen. Aanvankelijk gebeurde dit vooral door bosaanplant, waarvan veel huidige natuurgebieden het resultaat zijn, later ook door omzetting naar landbouwgrond. Zo ontstond het grootschalige ontginningslandschap dat vooral in het zuiden van de gemeente herkenbaar is.

Landschap en landbouw als samenhangend systeem: Onze streek kende tot halverwege de 19e eeuw een lange landbouwtraditie die vrijwel onveranderd bleef. Het gemengde agrarische bedrijf vormde de kern van de regionale economie en was volledig afhankelijk van het landschap. Bebouwing en landschap waren dan ook innig met elkaar verweven, zowel economisch als ruimtelijk. Deze verweving heeft de dorpen en het buitengebied in belangrijke mate gevormd.

Ruilverkaveling en modernisering na de Tweede Wereldoorlog: In de tweede helft van de 20e eeuw veranderde dit beeld ingrijpend. Het kaartbeeld uit de jaren ’50 laat zien dat grote delen van de resterende heidevelden werden omgezet in landbouwgrond, met rechte wegen en sloten. Het oude, kleinschalige landschap kon de groeiende bevolking niet langer voeden. Om de landbouw verder te ontwikkelen werden percelen samengevoegd en landschapselementen verwijderd. Onder het motto ‘Nooit meer honger’ gaf minister Mansholt na de Tweede Wereldoorlog het startschot voor grootschalige ruilverkavelingen. Paden werden verhard en rechtgetrokken, beken gekanaliseerd en houtwallen verwijderd. In enkele decennia, tussen de jaren ’60 en ’90, transformeerde een door eeuwen gevormd landschap tot een grootschalig en intensief gebruikt productielandschap, waarin veel cultuurhistorische elementen tot relicten zijn verworden.

Recente ontwikkelingen en landschappelijke samenhang: In de laatste decennia is het landschap minder sterk veranderd. De belangrijkste ontwikkeling naast verdere schaalvergroting is de toevoeging van ecologische verbindingszones: groene en blauwe corridors die natuurgebieden weer met elkaar verbinden. Daarmee blijft het landschap van Rucphen een gelaagd geheel, waarin de geschiedenis van ontginning, landbouw en modernisering nog steeds duidelijk afleesbaar is.

Veenontginnings- en turfgeschiedenis

Het veenontginningsgebied rondom Roosendaal, Etten-Leur en Rucphen behoort tot de West-Brabantse Venen. Het licht golvende dekzandlandschap had hier van nature geen beeklopen die zorgden voor een natuurlijke afwatering. Door de slechte ontwatering bleven dekzandkommen nat en ontstonden er meren en later vennen. Vanuit deze vennen heeft de veenvorming zich op grote schaal uitgebreid over de omgeving. Zo zijn de hoogveencomplexen in West-Brabant ontstaan. Van deze veenlaag is echter niets meer over. Deels is het weggeslagen door overstromingen en deels is het veen ontgonnen en afgegraven door de mensen. Daardoor is het tegenwoordig weer dekzandgebied. Omdat het veenontginningslandschap een verdwenen landschap is, is het niet meegenomen als apart landschapstype. Wel zijn een aantal oude veengebieden opgenomen als bijzonder landschap.

Op de kaart is heel goed te zien dat grote delen van de gemeente Rucphen bedekt zijn geweest met veen. In de volgende gebieden heeft het veen gelegen: rondom Zegge, Achterhoek, Jasperenheide (ten oosten van Sint Willebrord), rondom Nederheide (ten westen van de bossen), rondom Schijf (ten oosten van de bossen), de Oude Zoek en een groot gebied langs de Zundertse grens.De rijke veen- en turfgeschiedenis is nog steeds zichtbaar in het landschap. Denk aan relicten, zoals De Oude Zoek, de Weipolder, de Vlaamse Moer en de Moerputten bij Zegge. Turfvaarten en ontwateringssloten, zoals de Oude Turfvaart, Vlettevaart en Schijfse Vaart, markeren het historische watersysteem dat nodig was voor de ontginning van natte gronden. Deze fijnmazige waterlopen hebben bijgedragen aan de karakteristieke verkaveling en maken het landschap herkenbaar. Veel van de natte percelen hebben een hoge natuurwaarde en bieden leefgebied voor weidevogels, amfibieën en vochtminnende planten. Zo vormen de veenontginningen een belangrijke schakel in zowel de cultuurhistorie als het groenblauwe netwerk van Rucphen.

3.5. Landschappen

3.5.1. Landschapstypen

Het Rucphense landschap laat zich onderscheiden in oude zandontginningen en jonge zandontginningen. Onder de oude zandontginningen valt het kleinschalige akker- en kampenlandschap. Onder de jonge zandontginningen vallen de heideontginningen, zowel de hoge als de lage. Op de historische kaart van omstreeks 1900 is goed te zien wat de oude zandontginningen zijn. Deze gronden zijn in die tijd al te zien als akkerlandschap met een kleinschalige verkaveling. Op de historische kaart van 1900 zijn de jonge ontginningen nog veelal heide en woeste grond. Daarnaast is er het boslandschap. Het boslandschap overstijgt het onderliggende landschap, maar kent door zijn unieke uitstraling wel een eigen verhaal en thematiek. Op de kaart is goed te zien waar de oude zandontginningen (donkerbruin), de jonge zandontginningen (beige) en de bossen (donkergroen) liggen. Daarnaast hebben we op basis van de bijzondere geschiedenis en het feit dat daar in het landschap nog relicten van te beleven zijn een drietal bijzondere landschappen benoemd. Het betreft:

• de historische veenontginning rondom Zegge;

• de oude droogmakerij De Oude Zoek;

• het gebied Weipolder – Heimolen.

Oude zandontginningen

Geschiedenis: De middeleeuwse akkers maken deel uit van de oudste nog aanwezige vorm van ontginning. Kleine groepen agrariërs beheerden collectief een of meerdere akkers, waar plantaardig voedsel voor de hele gemeenschap werd verbouwd. De akkers zijn gelegen op zandruggen, die droog, maar niet erg voedselrijk waren. De akker werd dan ook jaarlijks bemest met uitwerpselen van koeien, varkens en schapen - die gehouden werden voor vlees, huiden, melk én mest - gemengd met zandhoudende heideplaggen. De akkers werden door deze jaarlijkse bemesting ieder jaar iets hoger.

Toen vrijwel alle geschikte grote zandruggen en vruchtbare laagtes ontgonnen waren, gingen individuele agrariërs over op het ontginnen van kleine stukken heide. De percelen zijn veel kleiner dan de collectieve akkers. Ze werden omringd met houtwallen en kleine bosjes, om ze te beschermen tegen vraat door wilde dieren en tegen verstuiving door de heide, iets wat regelmatig gebeurde. De kampen, in de middeleeuwen vaak de gronden van arme agrariërs, zijn nu vaak het symbool van het idyllische coulisselandschap.

Het hedendaagse landschap: Op diverse plaatsen in onze gemeente zijn de hoger liggende (bol) liggende akkers nog herkenbaar aanwezig, inclusief steilrandjes, bollingen en houtwallen. Op veel plaatsen is het historische landschap echter niet meer te herkennen. De uitvinding van prikkeldraad heeft de houtwallen overbodig gemaakt, door betere beregening en afwatering verloor de bolling haar functie met egalisatie tot gevolg, en door schaalvergroting en ruilverkaveling zijn veel akkers samengevoegd of juist gesplitst. De leesbaarheid van het landschap is hierdoor sterk afgenomen, maar de grotere productiviteit die dit met zich meebracht heeft er wel voor gezorgd dat sommige akkerlandschappen nu redelijk vitale landbouwgebieden zijn.

De kampenlandschappen hebben, vanwege de kleine kavels en de vele begroeiing, in de loop der tijd veel van hun economische waarde verloren. Om de productiviteit hoog genoeg te houden zijn percelen samengevoegd, en veel houtwallen en bosjes gekapt. Veel kampen hebben echter een andere bestemming gevonden: het landschap is vanwege de uitstraling erg geliefd als woonlandschap. Veel akkers worden dan ook ingericht als tuinen of (paarden)weiden.

Jonge Zandontginningen

Geschiedenis: Toen aan het einde van de 19e eeuw, mede onder invloed van de heersende landbouwcrisis, industriële hulpmiddelen als kunstmest versneld hun intrede deden in de landbouw, betekende dit een omwenteling in de eeuwenoude traditie van het gemengde agrariërsbedrijf. De afhankelijkheid van organische meststoffen nam sterk af, waardoor gemakkelijker grote stukken landbouwgrond bewerkt konden worden en de heide overbodig werd voor de agrarische bedrijfsvoering. De grootschalige heideontginningen die hier het gevolg van waren, hebben het landschap drastisch veranderd. Binnen honderd jaar tijd was de overwegend natuurlijke heide vrijwel geheel veranderd in het meest productieve landschapstype van de regio.

Het hedendaagse ontginningslandschap: Ook nu nog nemen de agrariërs op de grootschalige heideontginningen het grootste deel van de landbouwproductie voor hun rekening. Door de oorsprong van het landschapstype is er hier sprake van een ander verdienmodel. Anders dan bij andere landschapstypes is er bij de heideontginningen geen duidelijke koppeling tussen landschap en bedrijfsvoering: door kunstmest, hulpmiddelen en watermanagement konden zowel akkerbouw als grasteelt vrijwel overal plaatsvinden. Vanwege de opkomst van prikkeldraad waren houtwallen overbodig geworden als omheining. De heideontginningen hebben dan ook een vrij open karakter.

Boslandschap

Geschiedenis: Zowel het akker-, als het kampenlandschap kenden kleinschalige bosjes. De grootste regionale bosgebieden echter, die nu vooral bekend zijn als de grote natuurgebieden, kennen een heel andere oorsprong: ze zijn uit economisch oogpunt aangeplant. Deze relatief grootschalige ontginningswerken kwamen in de 19e eeuw op gang, waarbij rijke industriëlen grote stukken heide opkochten, om deze te bebossen ten behoeve van de industrie, waarbij de Limburgse mijnbouw een belangrijke afnemer was. Toen de bosbouw economisch minder interessant werd, zijn veel bosgebieden gekapt om plaats te maken voor landbouwgrond, of hebben ze een beschermde status als natuurgebied gekregen.

Het hedendaagse boslandschap: Van de oude bostypes is vrijwel niets terug te vinden. Dit in tegenstelling tot de ontginningsbossen, die het leeuwendeel van de regionale natuurgebieden beslaan. De bossen, die vaak nog de naam van de oorspronkelijke heide dragen (Rucphense Heide en Molenheide), zijn uitgestrekte gebieden van rationele, rechtlijnige bosverkavelingen. Ze zijn in een later tijdstip vaak voorzien van een aanvullend recreatief netwerk. De beplanting bestond aanvankelijk overwegend uit snelgroeiende naaldboomsoorten, maar is later afwisselender gemaakt door nieuw beleid dat meer gericht is op natuur en recreatie.

3.5.2. Bijzondere landschappen

We onderscheiden drie bijzondere landschappen:

• de historische veenontginning rondom Zegge;

• de oude droogmakerij De Oude Zoek;

• het gebied Weipolder – Heimolen.

De historische veenontginning rondom Zegge

Zegge is ontstaan op een hoger gelegen dekzandrug, die werd omgeven door woeste, natte veengebieden. Delen van het landschap zijn al tussen 1280 en 1287 in cultuur gebracht. Na de vervening, waarbij turf werd uitgegraven voor brandstof, werd de grond geschikt gemaakt voor agrarisch gebruik. De oorspronkelijk structuur in de vorm van kavelgrenzen en watergangen is nog te herkennen in het landschap van nu. Het landschap is open en grootschalig en heeft een rationele structuur. Landbouw is de belangrijkste drager van het landschap. Verspreid door het landschap zijn enige boskavels te vinden en een concentratie van opgaand groen is te vinden in het gebied ten zuidwesten bij Bosschenhoofd. De agrarische bebouwing, waaronder een behoorlijk aantal monumenten, ligt verspreid door het landschap en is haaks op de wegen georiënteerd. Ten westen en ten zuidoosten van de kern Zegge bevinden zich bedrijventerreinen.

De Oude Zoek

De Oude Zoek is een karakteristiek landschap in de gemeente Rucphen, ontstaan langs de oude waterloop de Zoek, die zorgde voor de ontwatering van het omliggende veen- en zandlandschap. Lange tijd werd het gebied gebruikt als hooiland, nat grasland en voor extensieve landbouw, gestuurd door de ligging in een laagte en de hoge grondwaterstand.

In 1865 werd De Oude Zoek ingericht als droogmakerij. Het gebied onderscheidt zich door de ronde vorm en rationele verkaveling, versterkt door opgaande laanbeplantingen langs lange lijnen die een coulisse-effect creëren. De natste delen, zoals het Moergat, zijn bij de ontginning overgeslagen en hebben hoge natuurwaarde. De ontginning volgde het drogere noordwestelijke kwadrant naar het natte zuidoostelijke, waardoor het historische patroon van sloten, greppels en percelen goed afleesbaar is gebleven.

Tegenwoordig is De Oude Zoek een agrarisch landschap met intensieve veehouderij, natte graslanden, sloten en houtopstanden langs perceelsgrenzen. De hoge grondwaterstanden en extensief beheerde delen bieden kansen voor weidevogels, amfibieën en vochtminnende planten. Zo vormt De Oude Zoek een waardevol cultuurhistorisch relict én een belangrijke schakel binnen het groenblauwe netwerk van Rucphen.

Weipolder – Heimolen

Het landschap rondom de Heimolen is een bijzonder en rijk geschakeerd gebied binnen de gemeente Rucphen. In een relatief klein gebied van circa 4 vierkante kilometer komen verschillende landschapstypen samen. Deze afwisseling is het resultaat van verschillen in bodem, hoogte en waterhuishouding en zorgt voor uitgesproken contrasten tussen hoog en laag, en tussen open en gesloten landschappen. Juist deze variatie maakt het gebied landschappelijk zeer herkenbaar en beleefbaar.

Binnen dit compacte gebied zijn bovendien unieke relicten uit de ontstaansgeschiedenis van het landschap bewaard gebleven. Naast de Heimolen zelf gaat het onder andere om een oude turfvaart, restanten van heideontginningen en archeologische sporen langs de Gastelsebaan van een Franse stelling uit de 18e eeuw. Het gebied is door de jaren heen grotendeels intact gebleven; grootschalige ingrepen zijn uitgebleven, waardoor het karakteristieke landschap nauwelijks is aangetast. Hierdoor biedt de Weipolder een zeldzaam en samenhangend inkijkje in het Brabantse landschap, waarin cultuurhistorie, geomorfologie en landgebruik op korte afstand samenkomen.

Open landschappen

Metname de jonge ontginningslandschappen zijn zeer open landschappen. De kenmerkende uitgestrektheid is nog steeds aanwezig in het landschap. De open landschappen liggen verspreid in de gemeente Rucphen. Op de grens met de gemeente Zundert bevinden zich jonge heideontginningen, die een open karakter hebben. De Oude Zoek is een oude droogmakerij die eveneens een grote openheid kent. Ten westen van de Rucphense Bossen bevindt zich nog een jonge heideontginning (Nederheide). Tussen Landgoed Visdonk en De Rucphense Bossen ligt een oude zandontginningen, die door de schaalvergroting en ruilverkaveling ook een open karakter heeft. Tot slot bevinden zich nog open gebieden in het lager gelegen noorden van de gemeente, namelijk het gebied Achterhoek en het gebied rondom Zegge. Behoud van het open landschap is in principe de leidraad in de aangegeven open gebieden. Rondom Zegge geldt een uitzondering. Aan de westzijde van Zegge is het wenselijk het zicht op het bedrijventerrein in Roosendaal te maskeren. Aan de zuidzijde van Zegge is aansluiting wenselijk bij de aanwezige bosgebieden en landschapselementen, o.a. het meer besloten landschap rond Heimolen.

3.6. Recreatie

De natuurgebieden zijn de grote trekpleister voor recreanten in de gemeente Rucphen. Rondom de noordelijke helft van de Rucphense Bossen bevinden zich dan ook veel parkeerplaatsen en verblijfsrecreatiegebieden. Van daaruit gaan mensen de bossen in via wandel-, fiets-, mountainbike- en ruiterroutes. In de zuidelijke helft ligt het cultuurhistorisch waardevolle Landgoed Schijf. Een groot deel van de Rucphense Bossen zijn overigens stiltegebied. In een stiltegebied mag gewoon rustig gerecreëerd worden. Wandelen, fietsen, mountainbiken en paardrijden vallen daar onder. De natuurlijke geluiden mogen niet verstoord worden, dus geen radio’s, sirenes, vuurwerk, etc. Ongeveer een derde van de Rucphense Bossen is tevens militair oefenterrein. Een deel valt ook in het stiltegebied, maar de schietbaan ligt erbuiten. De terreinbeherende organisaties geven aan dat de recreatiedruk op de Rucphense Bossen hoog is. Het agrarische landschap trekt alleen recreanten die er via fietsof wandelroutes doorheen komen. Toch liggen er gebieden in het landelijk gebied in het algemeen en specifieker in de bijzondere landschappen, die nog niet echt ontdekt zijn door recreanten.

3.7. Land- en tuinbouw

Land- en tuinbouw zijn een belangrijke drager van het landschap. De functie voedselvoorziening heeft het landschap mede gevormd. Vroeger ging men wonen waar ze ook goed voor hun voedsel konden zorgen. Ook nu is de voedselvoorziening een essentieel onderdeel van een leefbaar en toekomstbestendig buitengebied. Zoals op de kaarten te zien is, is een groot deel van het buitengebied van de gemeente Rucphen agrarisch gebied. Dit agrarische gebied bestaat uit zowel bouwland als grasland. De indeling van vroeger met de graslanden in de lage natte gebieden en de bouwlanden op de overgang van de hoge, droge gebieden naar de lage natte gebieden is niet meer terug te zien op kaart. De verdeling bouwlandgrasland is ook niet meer afhankelijk van de ondergrond. Mest en een stuurbaar watersysteem maken dat de verschillende gewassen en teelten (bijna) overal binnen de gemeente verbouwd kunnen worden. Er lijken nog wel meer boom- en sierteelt op de leemrijke zandgronden ten zuiden van de Sprundel te liggen.

3.8. Waarden in relatie tot TOV

Vanuit de waarden van het bodem- en watersysteem, natuurwaarden, cultuurhistorische en landschappelijke waarden gelden aandachtspunten voor teeltondersteunende voorzieningen (TOV). Op de kaart hiernaast zijn de relevante waarden gecombineerd.

Bodem- en watersysteem:

• Beken en turfvaarten

• Wateroverlast gevoelige gebieden (reservering waterberging)

• Attentiezone waterhuishouding

• Waterwingebied

• Grondwaterbeschermingsgebied Natuurwaarden:

• Natuurnetwerk Brabant (NNB)

• Groenblauwe mantel

Cultuurhistorischhe en landschappelijke waarden:

• Bijzonder landschap: Droogmakerij Oude Zoek

• Bijzonder landschap: Weipolder - Heimolen

• Bijzonder landschap: Historische veenontginning rondom Zegge

• Open landschappen

In het TOV-beleid gaat de gemeente in op of en onder welke voorwaarden permanente TOV buiten het bouwvlak aanvaardbaar zijn in relatie tot de in het LOP beschreven waarden.

Hoofdstuk 4. Een perspectief voor het landschap

In dit hoofdstuk geeft de gemeente een perspectief voor het landschap. Dit is een beschrijving in woord en beeld hoe het landschap zich op de lange(re) termijn mag en kan ontwikkelen. Het gaat niet alleen om behoud, maar vooral om richting te geven aan verandering. Het landschapsperspectief:

• schetst het gewenste toekomstbeeld per landschapstype en/of deelgebied;

• maakt duidelijk wat behouden, versterkt of getransformeerd mag worden;

• geeft houvast bij afwegingen tussen functies;

• biedt handelingsperspectief voor initiatiefnemers, grondeigenaren en de gemeente zelf;

• vertaalt ambities uit de omgevingsvisie en werkt deze uit.

Het perspectief is dus ontwikkelingsgericht: het benoemt kansen en randvoorwaarden, zonder alles dicht te regelen.

In dit hoofdstuk behadelen we achtereenvolgens: de cascobenadering, het landschappelijke raamwerk, toekomstbeeld per landschapstype, lijnen in het landschap, leidraden voor landschaps-ontwikkeling en landschappelijke inpassing.

4.1. Cascobenadering

Als gemeente hebben we de laatste jaren de waardering voor ons landschap herijkt. We zetten in op de herbeleving van het typische streekeigen Brabantse landschap, maar vertaald naar het huidige gebruik en de toekomstige opgaven. Het landschap fungeert als een ‘gesamtkunstwerk’; we zetten in op een multifunctioneel landschap. Waarin ambitie en traditie, werken en recreëren, cultuur en natuur met elkaar samengaan.

Om dit te bereiken maken we gebruik van de cascobenadering (Klaas Kerkstra, WUR). Dit is een manier van kijken naar het landschap en de ruimte, waarbij uitgegaan wordt van een duurzaam en robuust basisraamwerk (het casco), waarbinnen veranderingen en ontwikkelingen kunnen plaatsvinden. Uitgegaan wordt van laag- en hoogdynamische functies. Laagdynamische functies zijn bijvoorbeeld natuurontwikkeling en waterzuivering en -berging. Deze functies hebben een lange ontwikkelingstijd en zijn gebaat bij continuïteit en stabiliteit. Het zijn functies die sterk verbonden zijn met de abiotische ondergrond: geologie, bodem, grond- en oppervlaktewater. Hoogdynamische functies zijn bijvoorbeeld landbouw, industrie en wonen. Deze functies kennen een grote economische dynamiek en de ruimtelijke impact kan in de tijd snel veranderen. Hierin zijn wel gradaties te onderscheiden. De landbouw is immers ook sterk afhankelijk van de ondergrond. Het casco, ook wel landschappelijk raamwerk genoemd, bestaat dus uit relatief stabiele landschappelijk structuren met een lage ontwikkelingssnelheid. Binnen en rondom dit casco is ruimte voor dynamische functies.

Wat betekent dit in de praktijk?

Het casco / landschappelijk raamwerk wordt beschermd en versterkt, omdat het de identiteit, biodiversiteit en klimaatrobuustheid van het landschap draagt. Ontwikkelingen zijn mogelijk als deze aansluiten op het landschap, het casco niet aantasten en bijdragen aan kwaliteitsverbetering. Functies worden niet strikt gescheiden, maar slim gecombineerd, zodat ze elkaar versterken. Deze menging van functies is ook verankerd in het groenbeleidsplan Groen R. Natuurlijke processen mogen hierbij niet verstoord worden. Water- en bodemsturend is geheel in lijn met deze benadering.

Samengevat: de cascobenadering beschermt wat traag verandert en stuurt wat snel verandert, zodat ontwikkeling mogelijk blijft zonder het landschap haar kwaliteit en samenhang te laten verliezen.

4.2. Landschappelijk Raamwerk

Een robuust groen casco (landschappelijk raamwerk) versterkt de kenmerken van het landschap en is toegesneden op de wensen van de gebruikers van het landschap. Het landschappelijke raamwerk kunnen we versterken door de inzet van verschillende soorten landschapselementen en structuren. We zien de volgende kansrijke mogelijkheden in het landschap:

• De aanleg van ecologische verbindingen;

• Het realiseren van een bijenlandschap;

• De aanleg van een klimaatbuffer;

• Groenblauwe mantel versterken

• Het ontwikkelen en versterken van de ecologische ring Rucphen;

• Toevoegen en versterken van zandpaden;

• Het creëren van een aantrekkelijk agrarisch landschap voor mens en dier.

Hieronder gaan we nader in op deze landschapselementen en structuren die op de kansenkaart staan.

Ecologische verbindingszones

Zoals in het vorige hoofdstuk bij Natuur aangegeven is er voor de ecologische verbindingszones een restopgave. In het landschappelijk raamwerk maken we alle aangewezen EVZ’s af (eventueel met een alternatieve ligging). Daarnaast stellen we ook twee nieuwe EVZ’s voor, namelijk 1. de verbinding tussen Landgoed Visdonk en de Rucphense Bossen via Nederheide en 2. De verbinding tussen de Rucphense Bossen en Pannenhoef / De Lange Maten via Scherpenberg. Wel kunnen een aantal nog nu geïsoleerde, kleinere EVZ’s onderdeel uit gaan maken van deze nieuwe grote EVZ’s. Dit geldt voor de verbindingen bij het Rozenven, Scherpenberg en Oud Kerkpad. Overigens staan de nieuwe EVZ’s al wel als te versterken groenverbindingen op de kaart gemeentelijke groenstructuur in het groenbeleidsplan Groen R. De nieuwe EVZ’s zijn tegelijkertijd ook belangrijke robuuste verbindingen in het bijenlandschap.


Noot
*

[Tabel]

[Rij 1]

[Cel 1]

Kerngedachte

[Cel 2]

wat betekent dit voor het landschap?

[Rij 1]

[Cel 1]

behouden

&

versterken

[Cel 2]

inzet op natuur, landschapselementen,

groene structuren,

ecologische verbindingen

[Rij 2]

[Cel 1]

behouden

&

versterken

[Cel 2]

landschap als klimaatbuffer,

biodiversiteit versterken

[Rij 3]

[Cel 1]

behouden

&

balans

[Cel 2]

(Adaptieve) landbouw, recreatie

en natuur in evenwicht