Permanente link
Naar de actuele versie van de regeling
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR760236
Naar de door u bekeken versie
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR760236/1
Verzamelbeleidsregel Participatiewet in balans fase 1 Heemstede 2026
Geldend van 11-04-2026 t/m heden met terugwerkende kracht vanaf 01-01-2026
Intitulé
Verzamelbeleidsregel Participatiewet in balans fase 1 Heemstede 2026Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heemstede;
gelet op artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, de artikelen 31, tweede lid, onderdeel s, 41, elfde lid, 43a, eerste lid, en 44, vijfde lid, van de Participatiewet en de artikelen 15a, eerste lid, en 16a, vierde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers;
besluit vast te stellen de volgende regeling:
Verzamelbeleidsregel Participatiewet in balans fase 1 Heemstede 2026
HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 1 Definities
In deze regeling wordt verstaan onder:
- –
college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heemstede;
- –
Ioaw: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers;
- –
giften: onverplichte of onverschuldigde betalingen van geld of schenking in natura uit vrijgevigheid door een natuurlijke persoon of door een instelling, waarbij geen sprake is van een tegenprestatie, wederdienst of verplichtend karakter;
- –
jongere: de belanghebbende of het gezin, bedoeld in artikel 41, vierde lid, van de Wet;
- –
probleemschulden: schulden die naar het oordeel van het college in redelijkheid niet meer afgelost kunnen worden;
- –
schuldregeling: een schuldregeling op grond van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening of de Wet schuldsanering natuurlijke personen;
- –
wet: Participatiewet;
- –
Wmo 2015: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;
- –
zoektermijn: de termijn van vier weken, genoemd in artikel 41, vierde lid, van de wet.
HOOFDSTUK 2 BELEIDSKEUZES
Artikel 2 Vrijlaten van giften in individuele gevallen
-
1. Giften, voor zover de som van deze giften en de bijdragen, bedoeld in artikel 18, achtste lid, niet meer bedraagt dan € 1.200,-- per kalenderjaar worden niet tot de middelen van belanghebbende gerekend conform artikel 31, tweede lid, onderdeel m van de wet.
-
2. Hiernaast worden giften uitgezonderd van de middelen als deze naar het oordeel van het college in het individuele geval en uit een oogpunt van bijstandsverlening verantwoord zijn als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel s, van de wet.
-
3. Het college beschouwt de volgende categorieën giften in ieder geval als verantwoord:
- a.
giften die worden verstrekt en ingezet voor kosten waarvoor anders bijzondere bijstand verstrekt had kunnen worden;
- b.
giften die worden verstrekt en ingezet voor medisch noodzakelijke kosten;
- c.
giften die worden verstrekt en ingezet voor het aflossen van schulden voor huur, energielasten, zorgverzekering of ter beschikking worden gesteld van een schuldregeling;
- d.
giften die worden verstrekt en ingezet voor scholing en opleiding die bijdragen aan de arbeidsinschakeling, waaronder het behalen van het rijbewijs;
- e.
giften in natura die worden verstrekt door charitatieve instellingen, zoals de voedselbank, sociale fondsen en hulporganisaties.
- a.
Artikel 3 Het behandelen van bijstandsaanvragen van jongeren voor afloop van de zoektermijn
Het college maakt in ieder geval gebruik van de bevoegdheid een aanvraag voor algemene bijstand voor het verstrijken van de zoektermijn in behandeling te nemen als bedoeld in artikel 41, elfde lid, van de Wet, wanneer sprake is van ten minste een van de volgende omstandigheden:
- a.
de jongere stond recent ingeschreven bij het praktijkonderwijs of het VSO;
- b.
de jongere heeft een medische urenbeperking of die behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie;
- c.
de jongere heeft uiterlijk een jaar voorafgaand aan de melding:
- 1°.
in een inrichting verbleven;
- 2°.
opvang gehad als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo 2015; of
- 3°.
verbleef bij een pleegouder of in een gezinshuis als bedoeld in artikel 2.3, zesde lid, van de Jeugdwet.
- 1°.
- d.
voor de jongere gold uiterlijk binnen een jaar voorafgaand aan de melding een kinderbeschermingsmaatregel die werd uitgevoerd door een gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 2.4 van de Jeugdwet;
- e.
de jongere heeft een zorgbehoefte;
- f.
de jongere is niet als ingezetene ingeschreven in de basisregistratie personen of staat met een briefadres ingeschreven in de basisregistratie personen;
- g.
de jongere ontving uiterlijk een jaar voorafgaand aan de melding algemene bijstand;
- h.
de jongere heeft probleemschulden, of betalingsverplichtingen die naar het oordeel van het college probleemschulden kunnen worden, als de zoektermijn wordt toegepast.
Artikel 4 Het volgen van de vereenvoudigde aanvraagprocedure
-
1. Het college maakt gebruik van de bevoegdheid om gegevens die bij hem berusten in verband met eerdere bijstandsverlening als bedoeld in artikel 43a, eerste lid, van de wet, te gebruiken, wanneer:
- a.
dit gebruik leidt tot een voor de belanghebbende minder belastende aanvraag;
- b.
de nieuwe aanvraag is ingediend binnen twaalf maanden na het eindigen van de algemene bijstand; en,
- c.
de eerdere bijstandsverlening is beëindigd vanwege:
- 1°.
werkaanvaarding;
- 2°.
een uitsluitingsgrond als bedoeld in artikel 13 van de wet;
- 3°.
een verblijf buiten de gemeente.
- 1°.
- a.
-
2. Voorafgaand aan het gegevensgebruik gaat het college bij een belanghebbende ten minste na of er wijzigingen zijn in de volgende gegevens:
- a.
het hoofdverblijf;
- b.
de gezinssituatie; en
- c.
het inkomen en het vermogen.
- a.
-
3. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de aanvraagprocedure van een uitkering als bedoeld in artikel 15a, eerste lid, van de Ioaw.
Artikel 5 Het verlenen van bijstand met terugwerkende kracht
-
1. Het college is in ieder geval van oordeel dat individuele omstandigheden ertoe noodzaken bijstand toe te kennen vanaf een dag gelegen voor de dag waarop een belanghebbende zich heeft gemeld als bedoeld in artikel 44, vijfde lid, van de wet als:
- a.
er omstandigheden zijn die rechtvaardigen, dat belanghebbende zich niet eerder heeft gemeld, zoals in een van de volgende situaties het geval kan zijn:
- 1°.
de belanghebbende was niet in staat om bijstand aan te vragen;
- 2°.
de belanghebbende was niet op de hoogte van de mogelijkheid bijstand aan te vragen;
- 3°.
een aanvraag voor een passende en toereikende voorliggende voorziening is afgewezen;
- 4°.
een eerdere bijstandsaanvraag is buiten behandeling gesteld of afgewezen omdat de aanvrager niet tijdig alle benodigde gegevens aan het college heeft verstrekt;
- 5°.
de belanghebbende had onvoldoende zicht op de hoogte van zijn inkomen of vermogen, bijvoorbeeld als gevolg van een flexibel arbeidscontract, een echtscheiding, een erfenis of detentie;
- 6°.
de belanghebbende heeft met terugwerkende kracht een verblijfsvergunning gekregen.
- 1°.
- b.
er omstandigheden zijn die erop wijzen dat het ernstige gevolgen voor de belanghebbende heeft, als de bijstand niet wordt toegekend voorafgaand aan de melding, zoals in een van de volgende situaties het geval kan zijn:
- 1°.
de belanghebbende heeft betalingsachterstanden;
- 2°.
na de melding is executoriaal beslag gelegd op de middelen van belanghebbende of is belanghebbende failliet verklaard;
- 3°.
na de melding is de huur van woonruimte opgezegd, de zorgverzekering geroyeerd, of gas, licht of water afgesloten.
- 1°.
- a.
-
2. Het college kent de bijstand toe vanaf de dag waarop het recht op bijstand is ontstaan. Deze dag ligt maximaal drie maanden vóór de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld.
-
3. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de toekenning van een uitkering, als bedoeld in artikel 16a, vierde lid, van de Ioaw.
HOOFDSTUK 3 SLOTBEPALINGEN
Artikel 7 Intrekking oude regeling
De Beleidsregels vrijlating giften Participatiewet 2022 worden ingetrokken.
Artikel 8 Overgangsrecht
Besluiten die zijn genomen voor de datum waarop deze regeling in werking is getreden, blijven in stand totdat daarover opnieuw wordt beslist.
Artikel 9 Inwerkingtreding
Deze regeling treedt met terugwerkende kracht in werking vanaf 1 januari 2026.
Artikel 10 Citeertitel
Deze regeling wordt aangehaald als: Verzamelbeleidsregel Participatiewet in balans fase 1 Heemstede 2026.
Ondertekening
Vastgesteld door het college bij besluit van 31 maart 2026
Toelichting
Algemeen
Op 1 januari 2026 is de Participatiewet (de Wet) gewijzigd door de Participatiewet in balans en door de Verzamelwet SZW 2026. De wijzigingen door de Participatiewet in balans treden gefaseerd in werking. Deze beleidsregel ziet op het invullen van de beleids- en uitvoeringsruimte van het college op een viertal bevoegdheden uit de eerste fase. Deze bevoegdheden bieden het college onder voorwaarden de mogelijkheid om:
- 1.
vrijgelaten giften te verruimen;
- 2.
de vier weken zoektermijn voor jongeren achterwege te laten;
- 3.
bij het college berustende gegevens te hergebruiken en daarmee de aanvraag voor belanghebbenden te vereenvoudigen; en,
- 4.
met terugwerkende kracht bijstand te verlenen tot maximaal drie maanden voor de melding.
Voor de laatste twee bevoegdheden (hergebruik van gegevens en terugwerkende kracht) geldt daarenboven dat het college deze ook kan inzetten voor de aanvraag van een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Ioaw). Dit komt in de beleidsregel ook tot uiting in de artikelen 4, derde lid, en 5, derde lid.
Artikelsgewijs
In deze artikelsgewijze toelichting worden enkel die (onderdelen) van bepalingen behandeld die nadere toelichting behoeven.
Artikel 1 Definities
In dit artikel zijn de begrippen omschreven die worden gebruikt in de beleidsregel. Voor het overige gelden de definities uit de Participatiewet of de Algemene wet bestuursrecht. Enkele van de begrippen uit de beleidsregel worden hieronder nader toegelicht.
Probleemschulden
In de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs) wordt het begrip ‘probleemschulden’ (of: 'problematische schulden') niet gedefinieerd. Wel wordt aangegeven voor wie schuldhulpverlening is bedoeld. In artikel 1 van de Wgs staat:
‘het ondersteunen bij het vinden van een adequate oplossing gericht op de aflossing van schulden indien redelijkerwijs is te voorzien dat een natuurlijke persoon niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden of indien hij in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, alsmede de nazorg.’
Voor de Wet schuldsanering natuurlijke personen (Wsnp) geldt een vergelijkbaar criterium. In de definitie zijn iets eenvoudiger woorden gebruikt om dit uit te drukken. Daarbij speelt ook de overweging, dat het niet de bedoeling is om exact te gaan boekhouden bij het beoordelen van iemands financiële situatie. Het is voldoende dat ‘naar het oordeel van’ het college iemand zijn schulden niet meer kan aflossen of is gestopt met betalen.
Schuldregeling
Een schuldregeling is een betaalregeling met schuldeisers voor de aflossing van problematische schulden. De gemeente kan met de schuldeisers en de schuldenaar een schuldregeling treffen, op grond van de Wgs. Daarnaast kan de rechter een wettelijke schuldsanering uitspreken, op grond van de Wsnp. In beide gevallen leidt een schuldregeling ertoe dat na afronding belanghebbende een ‘schone lei’ krijgt.
Zoektermijn
Onder ‘zoektermijn’ wordt verstaan: de termijn van vier weken nadat een jongere (tot 27 jaar) zich heeft gemeld om algemene bijstand aan te vragen. Pas na die termijn kan een aanvraag worden ingediend en door het college in behandeling worden genomen (enkele uitzonderingen daargelaten, zie artikel 41, vierde lid, van de Wet).
Artikel 2 Vrijlaten van giften in individuele gevallen
In artikel 2 zijn regels opgenomen over het vrijlaten van giften in het kader van artikel 31, eerste lid, onderdelen m en s, van de Wet.
Als het gaat om giften in natura die bestemd zijn voor kosten waarin de algemene bijstand voorziet, spreken we over ‘bijdragen die leiden tot een kostenbesparing’ (zie ook artikel 18, achtste lid, van de Wet). Deze zgn. besparingsbijdragen worden niet als middel aangemerkt, die als inkomen of vermogen bij de bijstandverlening betrokken moeten worden. Zij kunnen echter wel leiden tot verlaging van de algemene bijstand, vanwege lagere bestaanskosten. Met toepassing van artikel 18, eerste lid, van de Wet wordt de bijstand dan afgestemd op die lagere bestaanskosten (individualiseringsbeginsel). Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn bij de regelmatige ontvangst van boodschappen of het betalen van de zorgpremie of huur door derden. Zulke besparingsbijdragen van derden vallen ook onder de giftenvrijlating van thans maximaal € 1.200 per kalenderjaar. Zij vallen echter niet onder de surplus-regeling voor giften, die in het individuele geval gelet op artikel 31, eerste lid, onderdeel s, van de Wet, vrijgelaten kunnen worden bovenop de algemene vrijlating van € 1.200 per kalenderjaar. Daarom is het nodig beide soorten bijdragen goed af te bakenen.
In de Participatiewet geldt een gift als middel dat vrijgelaten wordt als dat in het individuele geval verantwoord is in het kader van de bijstandsverlening (artikel 31, tweede lid, onderdeel s). Dit artikel blijft ongewijzigd, maar ingevoegd wordt, dat giften en kostenbesparingen tot een bedrag van € 1.200,- per kalenderjaar in ieder geval niet tot de middelen worden gerekend (artikel 31, tweede lid, onderdeel m). Dit bedrag wordt periodiek aangepast. De wetgever heeft niet beoogd beleidsruimte te bieden om dat bedrag categoriaal te verhogen of te verlagen.
Het is aan het college om te bepalen in welke gevallen het verantwoord is om giften vrij te laten. Bepalend is, dat een belanghebbende door de gift niet in een positie komt die niet langer verenigbaar is met bijstandverlening. Daarvoor zijn aanknopingspunten te vinden in de financiële situatie van de belanghebbende. Als er beslag op de uitkering ligt, of als de belanghebbende een schuldregeling heeft getroffen, zal dit bijvoorbeeld eerder aanleiding vormen om giften in het individuele geval buiten beeld te houden, dan als er geen financiële problematiek speelt.
Naast de categoriale vrijlatingsregeling heeft het college verder invulling gegeven onder welke omstandigheden het al dan niet verantwoord is om giften buiten beeld te houden bij het beoordelen van het recht op bijstand. In dit artikel zijn aanknopingspunten gegeven op basis waarvan giften in het individuele geval door het college in elk geval buiten beschouwing worden gelaten.
Artikel 3 Het behandelen van bijstandsaanvragen van jongeren voor afloop van de zoektermijn
Voor alle jongeren tot 27 jaar geldt een zoektermijn van vier weken na de melding voor algemene bijstand. In deze zoektermijn van vier weken wordt van hen verwacht dat zij zoeken naar werk of scholing. Voor jongeren vanuit het praktijkonderwijs of het voortgezet speciaal onderwijs geldt een uitzondering. Dat geldt ook voor jongeren met een medische urenbeperking of die behoren tot de doelgroep die in aanmerking komt voor loonkostensubsidie. Zij kunnen direct een aanvraag indienen, en de gemeente moet deze aanvraag direct in behandeling te nemen.
Aan artikel 41 van de Wet, waar de zoektermijn is geregeld, wordt een elfde lid toegevoegd:
‘In afwijking van het vierde lid kan het college de aanvraag voor het verstrijken van de termijn van vier weken in behandeling nemen, indien naar het oordeel van het college de omstandigheden van de belanghebbende of het gezin daartoe aanleiding geven.’
Het twaalfde lid voegt daaraan toe, dat het college de jongere na de melding dan in de gelegenheid stelt om direct zijn aanvraag in te dienen.
Uitgangspunt blijft, dat zelfredzame jongeren werk zoeken of zich voor een opleiding aanmelden. Daarmee investeren zij in hun toekomst. Maar dat is niet voor alle jongeren een realistisch perspectief. Voor jongeren in kwetsbare omstandigheden wordt met deze wetswijziging de mogelijkheid geboden om de zoektermijn achterwege te laten.
In artikel 3 worden groepen jongeren genoemd voor wie de zoektermijn achterwege blijft, omdat zij zich in kwetsbare omstandigheden bevinden. De genoemde omstandigheden gelden als indicator voor de aanwezigheid van kwetsbare omstandigheden.
Artikel 4 Het volgen van de vereenvoudigde aanvraagprocedure
De aanvraagprocedure voor algemene bijstand is voor veel inwoners ingewikkeld en wordt als (te) lang ervaren. Vooral bij een korte periode van werk of bij flexibel werk moet de – behoorlijk uitgebreide - aanvraagprocedure steeds weer opnieuw doorlopen worden en zit men lang in financiële onzekerheid. Door de combinatie van een aantal maatregelen wordt de (behandeling van de) aanvraag sneller en eenvoudiger. Eén van die maatregelen is de vereenvoudigde (of verkorte) aanvraagprocedure, op grond van het nieuwe artikel 43a:
‘1. Indien na het eindigen van de algemene bijstand binnen twaalf maanden een nieuwe aanvraag wordt gedaan, kan het college de gegevens die bij hem berusten in verband met de eerdere bijstandsverlening gebruiken, indien dit leidt tot een voor de belanghebbende minder belastende aanvraag.
2. Het college verifieert de juistheid en actualiteit van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, in de beschikbare bronnen en zo nodig bij de belanghebbende.’
-
Dit nieuwe artikel geeft gemeenten de ruimte om een inwoner die binnen twaalf maanden opnieuw een bijstandsuitkering aanvraagt via een vereenvoudigde aanvraag op korte termijn weer van een uitkering te voorzien. Van deze ruimte is gebruik gemaakt. Behoudens de gegevens over het hoofdverblijf, de gezinssituatie, het inkomen en het vermogen benut het dan de nog aanwezige gegevens over de eerdere bijstandsperiode en vraagt deze niet opnieuw van de belanghebbende.
Ioaw
De tekst van het nieuwe artikel 43a van de Wet, is woordelijk herhaald en overgenomen in artikel 15a van de Ioaw. Er zijn geen inhoudelijke argumenten om voor de uitvoering van de Ioaw op dit punt een andere koers te varen dan voor de Participatiewet.
Artikel 5 Het verlenen van bijstand met terugwerkende kracht
Een bijstandsuitkering gaat in op de dag dat het recht ontstaat, maar niet eerder dan de meldingsdatum (art. 44, eerste lid, van de Wet). In de meeste gevallen zal de meldingsdatum daarom de ingangsdatum zijn. Dat betekent dat het niet mogelijk is om een uitkering met terugwerkende kracht toe te kennen. Volgens vaste rechtspraak kan dit bij uitzondering wél als er sprake is van bijzondere omstandigheden. Hierbij kan gedacht worden aan de situatie dat iemand om medische redenen niet in staat was om zich eerder te melden en een aanvraag in te dienen. Omdat deze uitzondering als te beperkt werd ervaren, zijn de mogelijkheden om bijstand met terugwerkende kracht te verstrekken verruimd op grond van artikel 44, vijfde lid:
‘In afwijking van het eerste lid kan het college bijstand toekennen vanaf de dag die maximaal drie maanden gelegen is voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld, indien individuele omstandigheden hiertoe noodzaken.’
Met dit nieuwe lid (kan-bepaling) krijgt het college de ruimte om de bijstand in individuele omstandigheden met maximaal drie maanden terugwerkende kracht toe te kennen. Van die ruimte is in deze beleidsregels gebruik gemaakt.
Artikel 8 Overgangsrecht
Voor besluiten die zijn genomen voor 1 januari 2026, geldt in ieder geval, dat deze in stand blijven totdat daarover opnieuw is beslist. Dat zal bij de giftenregeling het geval kunnen zijn. Denkbaar is, dat besloten is om in een individueel geval periodieke giften vrij te laten. Die vrijlating blijft doorlopen, totdat daarop met toepassing van de nieuwe regels is beslist.
Ziet u een fout in deze regeling?
Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl.
Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl