Permanente link
Naar de actuele versie van de regeling
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR760201
Naar de door u bekeken versie
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR760201/1
Financiële Verordening gemeente Oude IJsselstreek 2025
Geldend van 08-04-2026 t/m heden met terugwerkende kracht vanaf 01-01-2025
Intitulé
Financiële Verordening gemeente Oude IJsselstreek 2025Besluit van de raad van de gemeente Oude IJsselstreek tot vaststelling van de Financiële Verordening gemeente Oude IJsselstreek
De raad van de gemeente Oude IJsselstreek;
gelezen het voorstel van de Auditcommissie van 26 januari 2026 en nummer;
gelet op artikel 212, eerste lid, van de Gemeentewet;
besluit vast te stellen de volgende verordening:
Financiële Verordening gemeente Oude IJsselstreek
Paragraaf 1. Algemene bepalingen
Artikel 1. Definities
In deze verordening wordt verstaan onder:
- administratie: het systematisch verzamelen, vastleggen, verwerken en verstrekken van informatie ten behoeve van het besturen, functioneren en beheersen van de gemeentelijke organisatie en de verantwoording die daarover moet worden afgelegd;
- gemeente: publiekrechtelijke en privaatrechtelijke rechtspersoon met regelgevende bevoegdheid bestuurd door burgemeester en wethouders;
- nominale waarde grondexploitatie: het exploitatieresultaat bij afsluiting van de grondexploitatie. De voorziening tegen eindwaarde is gelijk aan het resultaat van de grondexploitatiebegroting op nominale waarde.
- overheadkosten: alle kosten die samenhangen met de sturing en ondersteuning van de medewerkers in het primaire proces;
- overheidsbedrijf: onderneming met privaatrechtelijke rechtspersoonlijkheid, niet zijnde een personenvennootschap met rechtspersoonlijkheid, waarin de gemeente, al dan niet tezamen met een of meer andere publiekrechtelijke rechtspersonen, in staat is het beleid te bepalen of een onderneming in de vorm van een personenvennootschap, waarin een publiekrechtelijke rechtspersoon deelneemt;
- rechtmatigheidsverantwoording: de rapportage van burgemeester en wethouders waarbij aangegeven wordt in welke mate de totstandkoming van de financiële beheershandelingen en de vastlegging daarvan overeenstemmen met de relevante wet- en regelgeving;
- verbonden partij: een privaatrechtelijke of publiekrechtelijke organisatie waarin de gemeente een bestuurlijk en een financieel belang heeft.
Paragraaf 2. Begroting en verantwoording
Artikel 2. Vaststelling programma-indeling en paragrafen
1. De raad stelt bij aanvang van iedere raadsperiode een programma-indeling voor die raadsperiode vast.
2. De raad stelt bij aanvang van iedere raadsperiode op voorstel van burgemeester en wethouders per programma vast:
a. de taakvelden, en
b. de beleidsindicatoren. Het voorstel van burgemeester en wethouders bevat in ieder geval de verplichte beleidsindicatoren, bedoeld in artikel 25, tweede lid, onder a, van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten.
3. De raad kan bij aanvang van iedere raadsperiode een nadere onderverdeling van de programma’s vaststellen.
4. De raad stelt bij aanvang van iedere raadsperiode vast over welke onderwerpen hij in extra paragrafen naast de verplichte paragrafen van de begroting en de jaarstukken kaders wil stellen en wil worden geïnformeerd.
Artikel 3. Inrichting begroting en jaarstukken
1. Bij de uiteenzetting van de financiële positie in de begroting wordt:
a. van de nieuwe investeringen per investering het benodigde investeringskrediet
weergegeven en wordt van de lopende investeringen het geautoriseerde investeringskrediet
en de raming van de uitputting van het investeringskrediet in het lopende boekjaar
weergegeven, en
b. in aanvulling op het bepaalde in de artikelen 20 en artikel 21 van het Besluit begroting en
verantwoording provincies en gemeenten inzicht gegeven in de ontwikkeling van de
schuldpositie als gevolg van de begroting, de meerjarenraming, de investeringen en de
grondexploitatie.
2. In de jaarrekening wordt van de investeringen de uitputting van de geautoriseerde investeringskredieten en de actuele raming van de totale uitgaven en inkomsten weergegeven.
3. In het overzicht van de geraamde incidentele baten en lasten per programma worden posten vanaf € 50.000,- nader toegelicht.
Artikel 4. Kaders begroting en meerjarenraming
1. Burgemeester en wethouders bieden voor 1 juni aan de raad de voorjaarsnota aan met een voorstel voor het beleid en de financiële kaders van de begroting voor het volgende begrotingsjaar en de meerjarenraming. De raad stelt de voorjaarsnota voor 15 juli vast.
2. In de begroting wordt een post onvoorzien van € 50.000,- opgenomen.
Artikel 5. Autorisatie begroting en investeringskredieten
1. De raad autoriseert met het vaststellen van de begroting de baten en de lasten per programma.
2. In afwijking van het eerste lid kan de raad een activiteit welke onderdeel is van een programma, als prioriteit aanwijzen en daarvoor de baten en lasten apart autoriseren.
3. Nieuwe investeringskredieten worden bij de begrotingsbehandeling met het vaststellen van de financiële positie geautoriseerd.
4. Budgettair neutrale wijzigingen mogen zonder direct raadsbesluit geraamd worden en worden vervolgens in de direct daaropvolgende rapportage expliciet vermeld voor autorisatie door de raad.
5. Burgemeester en wethouders informeren de raad als zij verwachten, dat de lasten van een programma of een prioriteit de begrote lasten dreigen te overschrijden, de investeringsuitgaven van een investeringskrediet het begrote investeringskrediet dreigen te overschrijden, of de baten van een programma of een prioriteit de begrote baten dreigen te onderschrijden. De raad geeft aan of hij een voorstel wil voor het wijzigen van de begrote lasten van het programma of de prioriteit, voor het wijzigen van het begrote investeringskrediet, of voor het bijstellen van het beleid.
6. Bij de behandeling van de tussentijdse rapportages in de raad bedoeld in artikel 6, eerste lid, doen burgemeester en wethouders voorstellen voor het wijzigen van de geautoriseerde baten en lasten, het wijzigen van de geautoriseerde investeringskredieten en het bijstellen van het beleid. In geval van investeringen met een meerjarig karakter doen burgemeester en wethouders indien nodig ook bij iedere begroting op grond van geactualiseerde ramingen voorstellen voor het wijzigen van de geautoriseerde investeringskredieten.
7. Voor een investering waarvan het investeringskrediet niet met het vaststellen van de begroting is geautoriseerd, leggen burgemeester en wethouders voorafgaand aan het aangaan van verplichtingen een investeringsvoorstel met een voorstel voor het vaststellen van een investeringskrediet aan de raad voor. Bij investeringen groter dan 1 miljoen informeren burgemeester en wethouders de raad in het voorstel over het effect van de investering op de schuldpositie van de gemeente.
8. Bij investeringen met een meerjarig karakter stellen burgemeester en wethouders aan de raad voor op welke wijze de jaarschijven binnen het investeringsbudget worden opgebouwd. Goedkeuring voor verschuivingen tussen de jaarschijven van meer dan 100.000 aan lasten van een investeringsbudget worden aan de raad integraal voorgelegd bij de jaarrekening.
Artikel 6. Tussentijdse rapportages
1. Burgemeester en wethouders informeren de raad door middel van tussentijdse rapportages over de realisatie van de begroting van de gemeente over de eerste drie maanden en de eerste negen en na twaalf maanden van het lopende boekjaar.
2. De tussentijdse rapportage bevat in ieder geval een uiteenzetting over de uitvoering en het bijstellen van het beleid en een overzicht met de bijgestelde raming van:
a. de baten en de lasten per programma uitgesplitst naar programmaonderdelen;
b. het overzicht van de algemene dekkingsmiddelen uitgesplitst naar programmaonderdelen;
c. het totale saldo van de baten en lasten, volgend uit de onderdelen a en b;
d. de beoogde toevoegingen en onttrekkingen aan reserves per programma;
e. het resultaat, volgend uit de onderdelen c en d;
f. de realisatie en raming van de uitputting van de investeringskredieten.
3. In de tussentijdse rapportages worden afwijkingen op de oorspronkelijke ramingen van de baten en lasten van taakvelden, prioriteiten en investeringskredieten in de begroting groter dan € 50.000,- toegelicht. Hierbij wordt er apart over baten en lasten gerapporteerd.
Artikel 7. Jaarstukken
1. Gelijktijdig met het aanbieden van de jaarstukken bieden burgemeester en wethouders de raad het voorstel aan over de bestemming van het jaarrekeningresultaat.
2. Vooruitlopend op het bestemmingsvoorstel over het jaarrekeningresultaat kunnen burgemeester en wethouders de raad voorstellen om restantmiddelen op onderdelen van het rekeningresultaat over te hevelen naar het volgende begrotingsjaar.
Artikel 8. Actieve informatieplicht
Daar waar de raad niet heeft ingestemd door vaststelling van de begroting beslissen burgemeester en wethouders in het kader van de actieve informatieplicht niet over:
a. de aan- en verkoop van goederen, werken en diensten groter dan € 500.000,-
b. het verstrekken van leningen, waarborgen en garanties groter dan € 250.000,- , en
c. het verstrekken van kapitaal aan instellingen en ondernemingen,
dan nadat de raad is geïnformeerd over het voornemen en hiertoe in de gelegenheid is gesteld zijn wensen en bedenkingen ter kennis van burgemeester en wethouders te brengen.
Artikel 9. EMU-saldo
Als het Rijk de gemeente bericht dat alle gemeenten samen het collectieve aandeel van gemeenten in het EMU-tekort, bedoeld in artikel 3, zesde lid, van de Wet houdbare overheidsfinanciën, hebben overschreden, informeren burgemeester en wethouders de raad of een aanpassing van de begroting nodig is. Als burgemeester en wethouders een aanpassing nodig achten, doen burgemeester en wethouders een voorstel voor het wijzigen van de begroting.
Paragraaf 3. Rechtmatigheidsverantwoording
Artikel 10. Verantwoordings- en rapportagegrens rechtmatigheidsverantwoording
1. De raad stelt vast op welke wijze hij door middel van de paragraaf bedrijfsvoering van de begroting en de jaarstukken, naast de verplichte onderdelen van deze paragraaf, wil worden geïnformeerd over rechtmatigheid.
2. In de rechtmatigheidsverantwoording bij de jaarrekening rapporteren burgemeester en wethouders aan de raad over afwijkingen met een verantwoordingsgrens van 2% van de totale lasten van de gemeente, exclusief de dotaties aan de reserves.
3. In de paragraaf bedrijfsvoering worden de geconstateerde afwijkingen (fouten of onduidelijkheden) groter dan € 50.000,- nader toegelicht.
Artikel 11. Voorwaardencriterium
1. Het voorwaardencriterium is het criterium van rechtmatigheid, dat betrekking heeft op de eisen die worden gesteld bij de uitvoering van de financiële beheershandelingen. De eisen/voorwaarden zijn afkomstig uit diverse wet- en regelgeving en hebben betrekking op aspecten als doelgroep, termijn, grondslag, administratieve bepalingen, normbedragen, bevoegdheden, bewijsstukken, recht, hoogte en duur.
2. Burgemeester en wethouders bieden de raad jaarlijks in het eerste kwartaal van het lopende jaar ter vaststelling een normenkader rechtmatigheid aan. Dit kader bestaat uit alle relevante (interne) wet- en regelgeving waaruit financiële beheershandelingen kunnen voortvloeien. Als gedurende het jaar de wet- en regelgeving wijzigt dan wordt er een geactualiseerd normenkader in het opvolgende jaar in het eerste kwartaal ter besluitvorming voorgelegd aan de raad.
Artikel 12. Begrotingscriterium
1. Het begrotingscriterium is een criterium van rechtmatigheid dat betrekking heeft op de grenzen van de baten en lasten in de door de raad geautoriseerde begroting van exploitatie en investeringskredieten en de hiermee samenhangende programma’s, waarbinnen de financiële beheershandelingen tot stand moeten zijn gekomen.
2. De begrotingsrechtmatigheid wordt beoordeeld op het niveau waarop de begroting door de raad is geautoriseerd, zoals is opgenomen in artikel 5.
3. Bij investeringsprojecten wordt de begrotingsrechtmatigheid beoordeeld op het niveau van het totaal gevoteerde kredietbedrag. Een overschrijding van het jaarbudget, passend binnen het totaalbedrag van het krediet, wordt daarmee als rechtmatig beschouwd.
4. Uitgangspunt is dat iedere afwijking van de begroting als onrechtmatig wordt beschouwd. Afwijkingen worden als acceptabel aangemerkt in de volgende situaties:
a. Er is sprake van een overschrijding waarbij direct gerelateerde inkomsten de overschrijding compenseren;
b. Er is sprake van een overschrijding op een open-einde regeling;
c. De overschrijding is tijdig aan de raad gemeld als deze is opgenomen in een tussentijdse rapportage of begrotingswijziging gedurende het begrotingsjaar danwel toereikend zijn toegelicht tijdens een raadsinformatieavond en/of raadsinformatiebrief;
d. De overschrijdingen op programmaniveau van de kapitaallasten en de uren;
e. De overschrijding is het gevolg van artikel 175 van de Gemeentewet wanordelijkheden, rampen of zware ongevallen of vrees daartoe.
5. Afwijkingen zijn niet-onrechtmatig in de volgende situaties:
a. Er is sprake van een overschrijding van de lasten;
b. Er is sprake van een afwijking in de baten;
c. Er is sprake van een onderschrijding van investeringskredieten;
als deze (onder a, b en c) toereikend zijn toegelicht in de jaarrekening.
6. Begrotingsonrechtmatigheden die passen binnen het bestaande beleid van de raad, worden opgenomen in de rechtmatigheidsverantwoording (voor zover de verantwoordingsgrens voor afzonderlijke fouten of onduidelijkheden is overschreden), maar worden niet nader toegelicht in de paragraaf bedrijfsvoering.
Artikel 13. Misbruik en oneigenlijk gebruik-criterium
1. Het misbruik en oneigenlijk gebruik-criterium is het criterium van rechtmatigheid, dat betrekking heeft op het voorkomen, detecteren en corrigeren van misbruik en oneigenlijk gebruik van overheidsgelden en gemeentelijke eigendommen bij financiële beheershandelingen.
2. Het college zorgt voor en legt de regels vast voor het voorkomen van misbruik en oneigenlijk gebruik van gemeentelijke regelingen en eigendommen.
Paragraaf 4. Financieel beleid
Artikel 14. Waardering en afschrijving vaste activa
1. Burgemeester en wethouders bieden de raad in het eerste jaar van de nieuwe raadsperiode een nota investeringen aan. Deze nota wordt door de raad vastgesteld en behandelt in ieder geval:
a. de wijze waarop voorstellen voor investeringen worden aangeboden en geautoriseerd door de raad, in aanvulling op wat in deze verordening is vastgelegd;
b. de afschrijvingsmethode en afschrijvingstermijn per categorie;
c. het moment van starten met afschrijven;
d. de gebruiksduur per categorie kapitaalgoederen ofwel de afschrijvingstermijn;
e. de componentenbenadering;
f. restwaarde.
2. Burgemeester en wethouders bieden de raad jaarlijks een meerjareninvesteringsplan aan als bijlage bij de begroting, waarbij inzicht wordt verschaft in de geplande investeringen en de daarmee gepaard gaande kapitaallasten voor de komende meerjarenperiode.
Artikel 15. Reserves en voorzieningen
1. In de beleidsbegroting, de financiële begroting, het jaarverslag en de jaarrekening vindt geen toerekening van rente over de reserves en voorzieningen aan de taakvelden plaats.
2. Burgemeester en wethouders bieden de raad eens in de vier jaar of wanneer de actualiteit dit dicteert, een nota reserves en voorzieningen aan. Deze nota wordt door de raad vastgesteld en behandelt in ieder geval:
a. de vorming en besteding van reserves;
b. de vorming en besteding van voorzieningen, en
c. bij welke specifiek benoemde taakvelden het verschil tussen het geraamde saldo van baten en lasten en het gerealiseerde saldo van baten en lasten mogen worden verrekend met een daartoe in het leven geroepen reserve.
3. Bij een voorstel voor de instelling van een bestemmingsreserve voor een investeringsvoornemen wordt in ieder geval aangegeven:
a. het specifieke doel van de reserve;
b. het bestedingsplan van de reserve
c. de voeding van de reserve;
d. de maximale hoogte van de reserve, en
e. de maximale looptijd.
4. Als een bestemmingsreserve voor een investeringsvoornemen binnen de aangegeven maximale looptijd niet heeft geleid tot een investering, valt de bestemmingsreserve vrij en wordt deze aan de algemene reserve toegevoegd.
5. De reserves worden periodiek getoetst en beoordeeld en de onderliggende bestedingsplannen worden hierbij geactualiseerd.
Artikel 16. Rechten en heffingen
1. Voor het bepalen van de geraamde kostprijs van rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, en van goederen, werken en diensten die worden geleverd aan overheidsbedrijven en derden, wordt een extracomptabel stelsel van kostentoerekening gehanteerd. Bij deze kostentoerekening worden naast de directe kosten, de overheadkosten en de rente van de inzet van vreemd vermogen, reserves en voorzieningen voor de financiering van de in gebruik zijnde activa betrokken.
2. Het college legt vast op welke wijze een kostentoerekening wordt gemaakt. Het college informeert de raad hierover.
Artikel 17. Prijzen economische activiteiten
1. Voor de levering van goederen, diensten en werken door de gemeente aan overheidsbedrijven en derden waarbij de gemeente in concurrentie met marktpartijen treedt, wordt ten minste de geraamde integrale kostprijs in rekening gebracht.
2. Bij het verstrekken van leningen of garanties door de gemeente aan overheidsbedrijven en derden worden ten minste de geraamde integrale kosten in rekening gebracht.
3. Bij het verstrekken van kapitaal door de gemeente aan overheidsbedrijven en derden gaan burgemeester en wethouders uit van een vergoeding van ten minste de geraamde integrale kosten van de verstrekte middelen.
4. Bij afwijking van het eerste, tweede of derde lid vanwege een publiek belang doen burgemeester en wethouders vooraf voor elk van deze activiteiten afzonderlijk een voorstel voor een raadsbesluit, waarin het publiek belang van de activiteiten wordt gemotiveerd.
5. Raadsbesluiten met de motivering van het publiek belang als bedoeld in het vorige lid zijn niet nodig als minder dan de integrale kostprijs in rekening wordt gebracht en er sprake is van een van de uitzonderingen zoals genoemd in artikel 25h van de Mededingingswet.
Artikel 18. Vaststelling hoogte belastingen, rechten, heffingen en prijzen
1. Burgemeester en wethouders doen de raad jaarlijks een voorstel voor de hoogte van de gemeentelijke tarieven voor de belastingen, de heffingen, leges, marktgelden, etc. waarvan het wenselijk wordt geacht de tarieven jaarlijks vast te stellen.
2. Burgemeester en wethouders bieden de raad eens in de vier jaar een nota aan met de kaders voor de prijzen voor de levering van gemeentelijke goederen, werken en diensten aan overheidsbedrijven en derden en voor de huren en de tarieven voor erfpachten. Deze nota wordt door de raad vastgesteld.
3. Burgemeester en wethouders leggen bij een tussentijdse wijziging van prijzen, huren en tarieven voor erfpachten, die afwijkt van de kaders uit de nota vooraf een besluit voor aan de raad.
Artikel 19. Financieringsfunctie
1. Burgemeester en wethouders nemen bij het uitzetten en het aantrekken van middelen de volgende kaders in acht:
a. voor het aantrekken van financieringen met een looptijd langer dan één jaar worden ten minste twee prijsopgaven bij verschillende financiële instellingen gevraagd; en
b. er wordt geen gebruik gemaakt van financiële derivaten als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder c, van de Wet financiering decentrale overheden.
2. Burgemeester en wethouders bieden de raad wanneer actualisatie nodig is een nota leningen- en garantiebeleid (treasurystatuut) aan. Deze nota wordt door de raad vastgesteld en behandelt de werkwijze voor het verstrekken van leningen, garanties en risicodragend kapitaal.
Paragraaf 5. Paragrafen bij de begroting en jaarstukken
Artikel 20. Lokale heffingen
Burgemeester en wethouders nemen in de paragraaf lokale heffingen bij de begroting en de jaarstukken naast de verplichte onderdelen op grond van artikel 10 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten in ieder geval op:
a. de kostentoerekening van de geraamde rentekosten en de geraamde overheadkosten aan de rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht;
b. onder het onderdeel beleid bedoeld in artikel 10, Aanhef en onder b, van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten een overzicht van de te onderscheiden lokale heffingen, de maatstaf en de doelstelling die wordt beoogd met het opleggen van de heffing.
Artikel 21. Weerstandsvermogen en risicobeheersing
1. In dit artikel wordt verstaan onder:
- netto schuld per inwoner: bruto schuld minus de omvang van de geldelijke bezittingen gedeeld door het aantal inwoners op 31 december van het begrotingsjaar. Onder bruto schuld wordt verstaan het totaal van langlopende leningen, kortlopende schulden, crediteuren, vorderingen en overlopende passiva. Onder geldelijke bezittingen wordt verstaan: het totaal van leningen aan deelnemingen, leningen aan overige verbonden partijen, leningen aan derden, langlopende uitzettingen, kortlopende uitzettingen, debiteurenvorderingen, liquide middelen en overlopende activa;
- onbenutte belastingcapaciteit onroerendezaakbelasting: positieve uitkomst van het verschil tussen de opbrengst onroerendezaakbelasting bij de tarieven die minimaal nodig zijn voor toegang tot de procedure van artikel 12 van de Financiële-verhoudingswet en de (geraamde) opbrengst onroerendezaakbelasting.
2. Burgemeester en wethouders nemen in de paragraaf weerstandsvermogen en risicobeheersing van de begroting en de jaarstukken naast de verplichte onderdelen op grond van artikel 11 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten in ieder geval op:
a. de ontwikkeling van de netto schuld per inwoner;
b. het saldo van de baten en lasten voor dotaties en onttrekkingen van reserves als percentage van de inkomsten;
c. de onbenutte belastingcapaciteit onroerendezaakbelasting als percentage van de inkomsten;
d. de wijze waarop met conjuncturele risico’s en de omvang van het weerstandsvermogen wordt omgegaan;
e. de wijze waarop met projectspecifieke risico’s wordt omgegaan bij het bepalen van de tussentijdse winstneming en de omvang van het weerstandsvermogen.
Artikel 22. Onderhoud kapitaalgoederen
1. Burgemeester en wethouders nemen in de paragraaf onderhoud kapitaalgoederen van de begroting en de jaarstukken de verplichte onderdelen op grond van artikel 12 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten.
2. Burgemeester en wethouders bieden de raad ten minste eens in de vier jaar een onderhoudsplan openbare ruimte aan. Het onderhoudsplan openbare ruimte geeft het kader weer voor het beoogde onderhoudsniveau, de planning van het onderhoud en de kosten van het onderhoud voor het openbaar groen, water, wegen, kunstwerken en straatmeubilair. De raad stelt het onderhoudsplan openbare ruimte vast.
3. Burgemeester en wethouders bieden de raad ten minste eens in de vier jaar een rioleringsplan aan. Het rioleringsplan geeft het kader weer voor het beheer van het watersysteem, waaronder het beoogde onderhoudsniveau, de planning van het onderhoud, de uitbreiding van de riolering en de kosten van het onderhoud. De raad stelt het rioleringsplan vast.
4. Burgemeester en wethouders bieden de raad ten minste eens in de vier jaar een onderhoudsplan gebouwen aan. Het onderhoudsplan gebouwen bevat voorstellen voor het te plegen onderhoud en de bijbehorende kosten aan de gemeentelijke gebouwen. De raad stelt het onderhoudsplan gebouwen vast.
Artikel 23. Financiering
Burgemeester en wethouders nemen in de paragraaf financiering van de begroting en de jaarstukken naast de verplichte onderdelen op grond van artikel 13 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten in ieder geval op:
a. het beleid voor liquiditeitsplanning en -risico, rentevisie en -risico, kredietplanning en risico.
b. verslag van de kasgeldlimiet, de renterisiconorm, de omvang van het vreemd vermogen, de omvang van de uitzettingen, de huidige liquiditeitspositie en planning, de rentekosten en renteopbrengsten, verbonden aan de financieringsfunctie.
Artikel 24. Bedrijfsvoering
Burgemeester en wethouders nemen in de paragraaf bedrijfsvoering van de begroting en de jaarstukken naast de verplichte onderdelen op grond van artikel 14 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten in ieder geval op:
a. de omvang, opbouw en ontwikkeling van het personeelsbestand en de loonkosten;
b. de kosten van inhuur derden;
c. de huisvestingskosten;
d. de automatiseringskosten;
e. de budgetten voor de raad, de griffie, de rekenkamer en de accountant;
f. een toelichting op alle afwijkingen in rechtmatigheid, die in de rechtmatigheidsverantwoording zijn opgenomen en eventueel welke maatregelen worden genomen om deze afwijkingen in de toekomst te voorkomen;
g. een overzicht van en toelichting op niet-financiële onrechtmatigheden in verband met het niet naleven van bepalingen in de Wet financiering decentrale overheden en de bijbehorende ministeriële regelingen, als deze voorkomen;
h. rapportage van het veelvuldig niet naleven van normen uit de gids proportionaliteit en/of slechte documentatie of naleving hiervan, als deze voorkomen;
i. geconstateerde fraude door eigen medewerkers, als dit voorkomt.
Artikel 25. Verbonden partijen
Burgemeester en wethouders nemen in de paragraaf verbonden partijen van de begroting en de jaarstukken naast de verplichte onderdelen op grond van artikel 15 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten in ieder geval op:
a. informatie over nieuwe participaties, het beëindigen van bestaande participaties, het wijzigen van bestaande participaties en het zich voordoen van problemen bij bestaande participaties.
Artikel 26. Grondbeleid
1. Burgemeester en wethouders bieden de raad ten minste eens in de acht jaar een nota grondbeleid aan. De raad stelt de nota grondbeleid vast. De nota grondbeleid bevat in ieder geval:
a. de strategische visie van het toekomstig grondbeleid van de gemeente;
b. te ontwikkelen en in ontwikkeling genomen projecten;
c. het verloop van de grondvoorraad;
d. de uitgangspunten voor de verkoopprijzen van gronden;
e. de wijze waarop met de toerekening van bovenwijkse voorzieningen wordt omgegaan.
2. Burgemeester en wethouders bieden de raad jaarlijks een grondprijzenbrief aan met een vastgestelde uitgifteprijs voor zowel maatschappelijke grond als intern door te leveren grond. De raad stelt de grondprijzenbrief vast.
3. De voorziening voor verliesgevende grondexploitaties wordt gewaardeerd tegen nominale waarde.
Artikel 27. Openbaarheid
Burgemeester en wethouders nemen in de paragraaf openbaarheid van de begroting en de jaarstukken hun beleidsvoornemens en hun uitvoering van de Wet open overheid (Woo) op. Conform artikel 9, onderdeel h en artikel 16a van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten wordt in ieder geval opgenomen:
a. Beleidsvoornemens op het gebied van transparantie en informatiehuishouding;
b. Korte reflectie op de uitvoering daarvan.
Paragraaf 6. Financiële organisatie en financieel beheer
Artikel 28. Administratie
De administratie is zodanig van opzet en werking, dat zij in ieder geval dienstbaar is voor:
a. het sturen en het beheersen van activiteiten en processen in de gemeente als geheel en in de eenheden;
b. het verstrekken van informatie over ontwikkelingen in de omvang van de vaste activa, voorraden, vorderingen, schulden, contracten, enzovoorts;
c. het verschaffen van informatie over uitputting van de toegekende budgetten en investeringskredieten en voor het maken van kostencalculaties;
d. het verschaffen van informatie over indicatoren met betrekking tot de gemeentelijke productie van goederen en diensten en de maatschappelijke effecten van het gemeentelijke beleid;
e. het afleggen van verantwoording door burgemeester en wethouders aan de raad over de rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het gevoerde bestuur in relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de begroting en relevante wet- en regelgeving, en
f. de controle van de registratie van gegevens als zodanig en van de daaraan ontleende informatie, alsmede voor de controle op de rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het gevoerde bestuur in relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de begroting en relevante wet- en regelgeving.
Artikel 29. Financiële organisatie
Burgemeester en wethouders dragen in ieder geval zorg voor:
a. een eenduidige indeling van de gemeentelijke organisatie en een eenduidig toewijzing van de gemeentelijke taken in de organisatie;
b. een adequate scheiding van taken, functies, bevoegdheden en verantwoordelijkheden;
c. de verlening van mandaten en volmachten voor het aangaan van verplichtingen ten laste van de toegekende budgetten en investeringskredieten;
d. de interne regels voor taken en bevoegdheden, de verantwoordingsrelaties en de bijbehorende informatievoorziening van de financieringsfunctie;
e. de te maken afspraken met de organisatie over de te leveren prestaties, de daarvoor beschikbare middelen en de wijze en frequentie van rapportage over de voortgang van de activiteiten en uitputting van middelen;
f. het beleid en de interne regels voor de inkoop en de aanbesteding van goederen, werken en diensten;
g. het beleid en de interne regels voor de steunverlening en de toekenning van subsidies aan ondernemingen en instellingen, en
h. het beleid en de interne regels voor het voorkomen van fraude van gemeentelijke regelingen en eigendommen, opdat aan de eisen van rechtmatigheid, controle en verantwoording wordt voldaan.
i. het verzamelen en vastleggen van gegevens over de geleverde prestaties en de maatschappelijke effecten zodat de doelmatigheid en doeltreffendheid van het beleid, zoals vastgesteld door de raad, kunnen worden getoetst.
Artikel 30. Interne beheersing
1. Burgemeester en wethouders dragen zorg voor de jaarlijkse interne waarborging van de getrouwheid van de informatieverstrekking en de rechtmatigheid van de beheershandelingen. Deze waarborg omvat de zogenaamde “three lines of defense”. Bij afwijkingen rapporteren burgemeester en wethouders daarover in de rechtmatigheidsverantwoording, zoals beschreven in artikel 24 onder f. Daarnaast informeren burgemeester en wethouders de raad over genomen maatregelen tot herstel van de tekortkomingen.
2. Burgemeester en wethouders zorgen voor de systematische controle van de administratie en de ontwikkeling van de bezittingen en het financieel vermogen van de gemeente. Bij afwijkingen in de administratie nemen burgemeester en wethouders maatregelen tot herstel van de tekortkomingen.
Paragraaf 7. Slotbepalingen
Artikel 31. Intrekking oude regeling
De Financiële verordening gemeente Oude IJsselstreek 2016 wordt ingetrokken, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de jaarrekening en het jaarverslag en bijbehorende stukken van het begrotingsjaar voorafgaand aan het jaar waarin deze verordening in werking treedt.
Artikel 32. Inwerkingtreding en citeertitel
1. Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking en werkt terug tot en met 1 januari 2025.
2. Deze verordening wordt aangehaald als: Financiële verordening gemeente Oude IJsselstreek 2025.
Artikel 33. Evaluatie
1. De werking van deze financiële verordening wordt uiterlijk in jaar drie van een nieuwe raadsperiode op initiatief van de Auditcommissie geëvalueerd.
2. De evaluatie richt zich in ieder geval op:
a. de toepasbaarheid en uitvoerbaarheid van de verordening in de praktijk;
b. de werking van de planning- en controlcyclus;
c. de werking van de rechtmatigheidsverantwoording;
d. de informatiepositie van de raad.
3. De Auditcommissie betrekt het college en de organisatie bij de uitvoering van de evaluatie en informeert het college en de raad over de uitkomsten van de evaluatie en doet, indien nodig, voorstellen tot wijziging van deze verordening.
Ondertekening
Aldus vastgesteld in de vergadering van de raad van 26 februari 2026.
De voorzitter,
De griffier,
Ziet u een fout in deze regeling?
Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl.
Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl