Permanente link
Naar de actuele versie van de regeling
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR760197
Naar de door u bekeken versie
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR760197/1
Beleidsregels aanvraag en toekenning inkomensvoorzieningen Gemeente Leiden 2026
Geldend van 10-04-2026 t/m heden met terugwerkende kracht vanaf 01-01-2026
Intitulé
Beleidsregels aanvraag en toekenning inkomensvoorzieningen Gemeente Leiden 2026Het college van burgemeester en wethouders van gemeente Leiden,
Wettelijke basis voor deze beleidsregels:
- 1.
Artikel 4:81 eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht;
- 2.
Artikelen 20, derde en vierde lid, 27, 41, elfde lid, 43a, eerste lid, en 44, vijfde lid, van de Participatiewet;
- 3.
Artikelen 15a, eerste lid, en 16a, vierde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers.
Overwegingen
Het college van burgemeesters en wethouders:
- •
vindt het wenselijk om invulling te geven aan de beleidsvrijheid in de wetswijziging Participatiewet in Balans, en
- •
wil deze beleidsregels vaststellen om te zorgen voor een zorgvuldige, uniforme en transparante uitvoering.
Besluit
Vast te stellen de beleidsregels aanvraag en toekenning inkomensvoorziening Gemeente Leiden 2026.
Inleiding
Met de wetswijziging Participatiewet in Balans veranderen verschillende regels op het gebied van werk en inkomen. Een deel van deze wijzigingen gaat over het aanvragen en toekennen van algemene bijstand en IOAW-uitkeringen. De wet regelt dit grotendeels, maar op een aantal punten hebben gemeenten beleidsvrijheid.
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leiden (hierna: de gemeente) vindt het belangrijk om deze keuzes te verduidelijken en vast te leggen in beleidsregels.
Deze beleidsregels gaan over:
- •
de verkorte aanvraagprocedure (Garantieknop),
- •
toekenning met terugwerkende kracht,
- •
de zoekperiode voor jongeren, en
- •
de harmonisatie van de jongerennorm.
Hoofdstuk 1. Algemeen
In dit hoofdstuk worden de belangrijkste begrippen in deze beleidsregels uitgelegd, zodat duidelijk is wat ermee wordt bedoeld. Zo staat de term ‘gemeente’ bijvoorbeeld voor het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leiden.
Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen
In deze beleidsregels worden de volgende afkortingen en begrippen gehanteerd:
- a.
Basishuur: het deel van de huur dat een huurder zelf moet betalen zoals bedoeld in artikel 16 van de Wet op de Huurtoeslag. De rijksoverheid stelt jaarlijks een minimum basishuur vast;
- b.
Gemeente: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leiden;
- c.
IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers;
- d.
Jongere: een betrokkene van 16 jaar of ouder maar jonger dan 27 jaar;
- e.
Jongerennorm: de bijstandsnorm voor personen van 18 tot 21 jaar als bedoeld in artikel 20 van de Wet, inclusief de eventuele verhoging op grond van dat artikel.
- f.
Probleemschulden: schulden die naar het oordeel van de gemeente in redelijkheid niet meer afgelost kunnen worden;
- g.
Schuldregeling: een schuldregeling op grond van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening of de Wet schuldsanering natuurlijke personen;
- h.
Wet: Participatiewet;
- i.
Woonkosten: van huur (zoals in artikel 1, sub d van de wet op de huurtoeslag) of hypotheeklasten;
- j.
Woonlasten: kosten voor het rioolrecht, eigenaarsgedeelte onroerend zaakbelasting, opstal/brandverzekering, waterschapslasten, gas, water en licht;
- k.
WW: Werkloosheidswet;
- l.
Zoekperiode: de termijn van vier weken, genoemd in artikel 41, vierde lid, van de Wet.
Alle begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt en die niet nader zijn omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Algemene wet bestuursrecht, de Participatiewet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte; werknemers, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 en de Wet basisregistratie personen.
Hoofdstuk 2. Terugwerkende kracht bij aanvragen
Vanaf 1 januari 2026 mogen gemeenten de bijstand tot maximaal drie maanden met terugwerkende kracht toekennen als individuele omstandigheden dat rechtvaardigen. Dit is geregeld in artikel 44, lid 5 van de wet.
Artikel 2.1 Het verlenen van bijstand met terugwerkende kracht
- a.
De gemeente oordeelt in ieder geval dat individuele omstandigheden als bedoeld in artikel 44, vijfde lid, van de Wet aanwezig zijn, indien:
- i.
Er omstandigheden zijn die rechtvaardigen dat de inwoner zich niet eerder heeft gemeld, of
- ii.
er omstandigheden zijn die maken dat het niet toekennen van bijstand voorafgaand aan de melding ernstige gevolgen heeft voor de inwoner.
- i.
- b.
De gemeente kent de bijstand toe met ingang van de dag waarop individuele omstandigheden als bedoeld in onderdeel a aanwezig zijn. Deze dag ligt maximaal drie maanden vóór de dag waarop de inwoner zich heeft gemeld.
- c.
Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op de toekenning van een uitkering, bedoeld in artikel 16a, vierde lid, van de IOAW.
Toelichting
De wetgever heeft in de memorie van toelichting beschreven wat we onder individuele omstandigheden kunnen verstaan. Namelijk:
- •
Mensen die aantoonbaar aanzienlijke schulden hebben door te late melding;
- •
Mensen die overvraagd zijn door een crisissituatie;
- •
Situaties tijdens of na een oproepcontract of met een flexibel arbeidscontract;
- •
Na een echtscheiding;
- •
Na detentie;
- •
Na afwijzing WW;
- •
Na buitenbehandelingstelling van de aanvraag;
Er vindt altijd een individuele beoordeling plaats. De genoemde individuele omstandigheden zijn voorbeelden. De lijst is niet limitatief.
Hoofdstuk 3. Garantieknop (verkorte aanvraagprocedure)
Vanaf 1 januari 2026 mogen gemeenten gegevens uit een eerdere bijstandsverlening binnen 12 maanden opnieuw gebruiken voor een verkorte aanvraag. Dit is geregeld in artikel 43a van de Wet. De gemeente past dit toe via de Garantieknop.
Artikel 3.1 Voorwaarden
De gemeente maakt gebruik van de bevoegdheid om gegevens die bij haar berusten in verband met eerdere bijstandsverlening als bedoeld in artikel 43a, eerste lid, van de Wet, opnieuw te gebruiken, wanneer:
- a.
de nieuwe aanvraag is ingediend binnen twaalf maanden na het eindigen van de algemene bijstand; en
- b.
de eerdere bijstandsverlening is beëindigd vanwege:
- I.
het aanvaarden van werk;
- II.
een uitsluitingsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid onder a van de Wet; of
- III.
het volgen van een studie of opleiding.
- I.
Artikel 3.2 Beoordelen aanvraag
Voorafgaand aan het gegevensgebruik genoemd in artikel 3.1, gaat de gemeente bij een inwoner ten minste na of er wijzigingen zijn in de volgende gegevens:
- a.
het hoofdverblijf;
- b.
de gezinssituatie; en
- c.
het inkomen en het vermogen.
Als er veranderingen in bovenstaande gegevens zijn die invloed kunnen hebben op de hoogte van of het recht op de bijstandsuitkering, moet de bijstandsgerechtigde alsnog de gewone aanvraagprocedure doorlopen.
Toelichting
Bij een verkorte aanvraagprocedure kan de gemeente eerder bekende gegevens opnieuw gebruiken als deze gegevens nog actueel zijn. Kleine verschillen in vermogen, zoals normale schommelingen op een bankrekening, staan het gebruik van de verkorte aanvraagprocedure niet in de weg. Alleen wanneer sprake is van wijzigingen die het recht op of de hoogte van de uitkering kunnen beïnvloeden, zoals een vermogen boven de vermogensgrens of andere substantiële wijzigingen, wordt de gewone aanvraagprocedure gevolgd.
Artikel 3.3 Toepassing op IOAW
De artikelen 3.1 en 3.2 zijn van overeenkomstige toepassing op de aanvraagprocedure voor een uitkering als bedoeld in artikel 15a, eerste lid, van de IOAW.
Hoofdstuk 4. Zoekperiode jongeren
De zoekperiode van vier weken geldt over het algemeen voor jongeren tot 27 jaar die algemene bijstand aanvragen. Met deze beleidsregels maakt de gemeente gebruik van de bevoegdheid om af te zien van de zoekperiode wanneer individuele omstandigheden dit rechtvaardigen (artikel 41, elfde lid van de Wet).
Artikel 4.1 Wanneer geen zoekperiode
De gemeente legt in ieder geval geen zoekperiode op als zich één of meer van de volgende omstandigheden voordoen:
- a.
De jongere verblijft in een maatschappelijke opvang, instelling of heeft recht op opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo).
- b.
De jongere is niet ingeschreven in de Basisregistratie Personen of staat daar ingeschreven met een briefadres.
- c.
De jongere verbleef het afgelopen jaar in een inrichting, opvang, AZC, pleeggezin of gezinshuis.
- d.
De jongere had in het afgelopen jaar een kinderbeschermingsmaatregel uitgevoerd door een gecertificeerde instelling.
- e.
De jongere behoort tot de doelgroep praktijkonderwijs (PrO)/voortgezet speciaal onderwijs (VSO)/mbo-entreeopleiding.
- f.
De jongere heeft een medische urenbeperking of problematiek waardoor werk op korte termijn niet haalbaar is.
- g.
De jongere heeft probleemschulden of schulden die naar oordeel van de gemeente probleemschulden kunnen worden als de zoekperiode wordt toegepast.
- h.
De jongere woont zelfstandig en heeft vaste lasten die niet kunnen worden voldaan zonder bijstand.
- i.
De jongere heeft dagbesteding op grond van de Wet Maatschappelijke ondersteuning (Wmo).
- j.
De jongere is ontslagen uit detentie en heeft nog geen inkomen of voorziening waarmee in het eigen levensonderhoud kan worden voorzien.
- k.
De jongere verhuist naar de gemeente vanuit een andere gemeente waar hij al bijstand ontving;
- l.
De jongere doet aansluitend op het einde van een uitkering op grond van de WW een beroep op bijstand.
Toelichting
De gemeente beoordeelt of een jongere een zoekperiode opgelegd krijgt aan de hand van dit artikel. Het uitgangspunt is dat de gemeente maatwerk toepast als de gemeente dit nodig acht.
Artikel 4.1, onderdeel g: Bij schulden beoordeelt de gemeente of sprake is van probleemschulden. Dit kan bijvoorbeeld aan de orde zijn wanneer:
- •
De schulden leiden tot acute financiële nood (bijv. risico op huisuitzetting, afsluiting energie), of
- •
De schulden naar verwachting niet binnen korte termijn kunnen worden opgelost.
Deze voorbeelden helpen de klantmanager om te bepalen of een jongere niet in staat is de zoekperiode te overbruggen. Bij beperkte schulden zonder directe financiële gevolgen kan de zoekperiode wél worden opgelegd.
Artikel 4.1, onderdeel l: De WW kent een sollicitatieplicht. Als een jongere uitsluitend na het einde van de WW een beroep doet op bijstand, wordt aangenomen dat de jongere zich voldoende heeft ingespannen om arbeid te vinden.
Hoofdstuk 5. Harmonisatie aanvullende jongerennorm
Sinds 1 januari 2026 is de aanvulling op de jongerennorm (18-21 jaar) over het algemeen gelijk voor alle gemeenten. Het gaat om een verhoging van de algemene bijstand.
Wanneer blijkt dat dit bedrag niet voldoende is, kan de gemeente het bedrag verhogen, en andersom – als het bedrag gezien de leefsituatie van de jongere te hoog blijkt – ook naar beneden bijstellen. De totale norm (norm plus verhoging) kan nooit hoger zijn dan de bijstandsnorm voor een 21-jarige in een gelijke situatie.
Artikel 5.1 Hoogte aanvullende jongerennorm
De hoogte van de geharmoniseerde aanvullende jongerennorm is vastgelegd in artikel 20, derde lid van de Wet. Dit is een vast bedrag. Volgens de Wet hebben gemeenten de ruimte om op individueel niveau van dat bedrag af te wijken.
De gemeente wijkt hier in de volgende gevallen van af:
- a.
Bij het ontbreken van woonkosten, verlaagt de gemeente in principe op grond van artikel 27 van de Wet de jongerennorm met 18% van de jongerennorm;
- b.
Bij het ontbreken van woonlasten, verlaagt de gemeente in principe op grond van artikel 27 van de Wet de jongerennorm met 16% van de jongerennorm;
- c.
Als zowel woonkosten als woonlasten ontbreken, verlaagt de gemeente in principe op grond van artikel 27 van de Wet de jongerennorm met 34% van de jongerennorm;
- d.
Bij structureel lagere noodzakelijke kosten, kan de gemeente de jongerennorm verlagen op grond van artikel 18 van de Wet;
- e.
Bij structureel hogere noodzakelijke kosten, kan de gemeente de jongerennorm verhogen op basis van artikel 18 van de Wet. Deze verhoging is tot maximaal de bijstandsnorm voor een 21-jarige.
Toelichting
De kortingspercentages van onderdeel a tot en met c zijn gebaseerd op de basishuur uit artikel 16 van de Wet op de huurtoeslag (bij geen woonkosten) en de gemiddelde Nibud-bedragen voor gas, elektriciteit en water (bij geen woonlasten).
Hoofdstuk 6. Slotbepalingen
Artikel 6.1 Inwerkingtreding en overgangsrecht
- a.
Deze beleidsregels treden in werking op de dag na bekendmaking.
- b.
Deze beleidsregels werken terug tot en met 1 januari 2026, voor zover toepassing daarvan voor de inwoner gunstiger is dan toepassing van de vóór dat tijdstip geldende beleidsregels.
- c.
De terugwerkende kracht, bedoeld in het tweede lid, blijft achterwege voor zover toepassing daarvan zou leiden tot een voor de inwoner nadeliger uitkomst.
Artikel 6.2 Titel
Deze beleidsregels worden aangehaald als: Beleidsregels aanvraag en toekenning inkomensvoorzieningen Gemeente Leiden 2026.
Ondertekening
Ziet u een fout in deze regeling?
Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl.
Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl