Permanente link
Naar de actuele versie van de regeling
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR760191
Naar de door u bekeken versie
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR760191/1
Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Noord- en Midden-Limburg
Geldend van 09-04-2026 t/m heden
Intitulé
Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Noord- en Midden-LimburgDe colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Beesel, Bergen (L), Echt-Susteren, Gennep, Horst aan de Maas, Leudal, Maasgouw, Mook en Middelaar, Nederweert, Peel en Maas, Roerdalen, Roermond, Venlo, Venray en Weert en het college van gedeputeerde staten van de provincie Limburg;
overwegende dat:
de Regionale Uitvoeringsdienst Limburg-Noord met ingang van 1 december 2017 is opgericht als een openbaar lichaam zoals bedoeld in artikel 52 lid 1 jo. artikel 8, lid 1 van de Wet gemeenschappelijke regelingen;
de gemeenschappelijke regeling van de Regionale Uitvoeringsdienst Limburg-Noord met ingang van 10 juli 2024 is gewijzigd vanwege ontwikkelingen in de bestuurspraktijk, de wetgeving en jurisprudentie;
de Regionale Uitvoeringsdienst Limburg-Noord wenst te transformeren naar een robuuste Omgevingsdienst, waardoor er een volgende wijziging van de gemeenschappelijke regeling nodig is;
gelet op:
artikel 51 van de Wet gemeenschappelijke regelingen en de Omgevingswet, en; de van de gemeenteraden en provinciale staten verkregen toestemming;
besluiten vast te stellen de tweede wijziging van de gemeenschappelijke regeling Regionale Uitvoeringsdienst Limburg-Noord, waardoor deze met ingang van 1 april 2026 als volgt komt te luiden:
Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Noord- en Midden-Limburg
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Artikel 1 Begripsbepalingen
-
1. In deze gemeenschappelijke regeling wordt verstaan onder:
- a.
college: de college(s) van burgemeester en wethouders van de deelnemende gemeenten;
- b.
deelnemers: de aan deze regeling deelnemende gemeenten en de provincie Limburg;
- c.
derde: openbaar lichaam niet zijnde een van de deelnemers;
- d.
gedeputeerde staten: het college van gedeputeerde staten van de provincie Limburg;
- e.
Landelijk Basistakenpakket: het Landelijk Basistakenpakket zoals bedoeld in artikel 13.12 van het Omgevingsbesluit;
- f.
locatiegebonden activiteit: activiteit die continu op een bekende locatie plaatsvindt met de daaraan gekoppelde VTH-taken van de Omgevingsdienst; ;
- g.
minister: de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties;
- h.
niet-locatiegebonden activiteit: activiteit op wisselende locaties met de daaraan gekoppelde VTH-taken van de Omgevingsdienst;
- i.
Omgevingsdienst : de Omgevingsdienst Noord- en Midden-Limburg;
- j.
provinciale staten: provinciale staten van de provincie Limburg;
- k.
raden: de raden van de deelnemende gemeenten;
- l.
regeling: deze gemeenschappelijke regeling;
- m.
UTP: het uniforme regionale milieutakenpakket bestaande uit het wettelijke Basistakenpakket en, voor de deelnemende colleges, de overige milieutaken;
- n.
productencatalogus: de productencatalogus, met inbegrip van de actualisaties daarvan, met daarin vermeld het uniforme uitvoeringsniveau van het UTP;
- o.
werkgebied: het werkgebied van de Omgevingsdienst, zijnde het grondgebied van de aan deze gemeenschappelijke regeling deelnemende gemeenten;
- p.
wet: de Wet gemeenschappelijke regelingen.
- a.
-
2. Waar in deze regeling artikelen van de Provinciewet of de Gemeentewet, dan wel andere wettelijke regelingen van overeenkomstige toepassing worden verklaard, wordt – tenzij anders vermeld – in die artikelen voor de provincie, provinciale staten, gedeputeerde staten en de commissaris van de koning, respectievelijk de gemeente, de raad, burgemeester en wethouders, de burgemeester, gelezen: de Omgevingsdienst, het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter.
Artikel 2 Instelling en belang
-
1. Er is een openbaar lichaam dat rechtspersoonlijkheid bezit als bedoeld in artikel 52, eerste lid, juncto artikel 8, eerste lid van de wet, genaamd Omgevingsdienst Noord- en Midden-Limburg.
-
2. Het openbaar lichaam is statutair gevestigd te Venlo.
-
3. De Omgevingsdienst is door de deelnemers ingesteld in het belang van:
- -
een doelmatige en doeltreffende uitoefening van de uitvoeringstaak en de handhavingstaak op het gebied van het omgevingsrecht, en;
- -
het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en goede omgevingskwaliteit in het werkgebied.
- -
Hoofdstuk 2 Taken
Artikel 3 Uniform regionaal milieutakenpakket
-
1. De Omgevingsdienst voert ten behoeve van de deelnemers het UTP uit, hetgeen bestaat uit:
- a.
het Landelijk Basistakenpakket, en;
- b.
voor de deelnemende colleges de overige milieutaken.
- a.
-
2. Het UTP wordt concreet uitgewerkt in het uitvoeringsprogramma, zoals bedoeld in artikel 10 lid 1 sub b van deze regeling en bestaat in de kern uit:
- -
de milieutaken op het gebied van vergunningverlening, meldingen, toezicht, handhaving, juridische ondersteuning en gegevensbeheer en een aanvullende set van taken zoals vooroverleg, het beoordelen van omgevingsplannen / omgevingsplanactiviteiten op specifieke onderdelen, specialistische adviezen, overgangsregelingen en projecten ten behoeve van de regionale prioriteiten en doelstellingen.
- -
onder het UTP behoort ook het vervullen van coördinerende, afstemmende en adviserende taken die voor de deelnemers tezamen worden verricht.
- -
-
3. Door middel van een separaat te nemen besluit verlenen de deelnemers mandaat, machtiging en volmacht voor de uitvoering van de opgedragen taken, met inbegrip van de mogelijkheid tot het verlenen van ondermandaat , -machtiging en -volmacht.
Artikel 4 Werkzaamheden voor derden
-
1. De Omgevingsdienst is bevoegd om adviserende, ondersteunende en uitvoerende werkzaamheden voor derden te verrichten, mits de Omgevingsdienst minimaal 80% van de activiteiten blijft verrichten voor haar deelnemers. Het percentage van 80% wordt berekend op basis van de totale omzet van de Omgevingsdienst in een kalenderjaar, zoals dat volgt uit de vastgestelde jaarrekening.
-
2. Het dagelijks bestuur besluit daartoe op verzoek van een derde, nadat het voorstel ter kennis van het algemeen bestuur is gebracht.
Hoofdstuk 3 Het bestuur
§1 Het Algemeen Bestuur
Artikel 5 Samenstelling Algemeen Bestuur
-
1. De Omgevingsdienst heeft een algemeen bestuur. De colleges en gedeputeerde staten wijzen ieder uit hun midden één lid van het algemeen bestuur aan.
-
2. De colleges en gedeputeerde staten wijzen gelijktijdig in ieder geval één vervangend lid van het algemeen bestuur aan die de door hen benoemde leden bij ontstentenis of verhindering vervangen.
-
3. De directeur neemt als secretaris en adviseur deel aan de vergaderingen van het algemeen bestuur.
Artikel 6 Zittingsduur
-
1. De leden en plaatsvervangende leden van het algemeen bestuur worden aangewezen en treden af op de dag waarop de zittingsperiode van de colleges respectievelijk gedeputeerde staten afloopt. Aftredende leden kunnen opnieuw als lid of plaatsvervangend lid worden aangewezen.
-
2. Wanneer een lid of plaatsvervangend lid van het algemeen bestuur geen lid meer is van een college respectievelijk gedeputeerde staten, houdt dit lid tevens op lid of plaatsvervangend lid van het algemeen bestuur te zijn.
-
3. Een lid of plaatsvervangend lid van het algemeen bestuur kan te allen tijde ontslag nemen. Dit gebeurt door schriftelijke mededeling aan het algemeen bestuur.
-
4. Indien tussentijds de plaats van een lid of plaatsvervangend lid vacant komt, wijst het betrokken college respectievelijk gedeputeerde staten zo spoedig mogelijk een nieuw lid of plaatsvervangend lid aan.
-
5. Een lid of plaatsvervangend lid van het algemeen bestuur dat zijn lidmaatschap ter beschikking heeft gesteld, blijft in functie totdat een nieuw lid of plaatsvervangend lid is aangewezen.
-
6. Bij het bestaan van één of meer vacatures blijven de resterende bestuursleden bevoegd besluiten te nemen.
-
7. Wanneer iemand wordt aangewezen om een vacante plaats in het algemeen bestuur te vervullen, treedt hij af op het moment waarop degene in wiens plaats hij is benoemd, zou hebben moeten aftreden.
Artikel 7 Werkwijze
-
1. Het algemeen bestuur stelt voor zijn vergaderingen een reglement van orde vast.
-
2. Het algemeen bestuur vergadert in ieder geval tweemaal per jaar. Meerdere vergaderingen kunnen ingelast worden wanneer de voorzitter of het dagelijks bestuur dit nodig acht, of wanneer twee of meer leden van het algemeen bestuur, onder opgave van redenen, dit schriftelijk verzoeken.
-
3. De vergaderingen van het algemeen bestuur zijn openbaar. De deuren worden gesloten wanneer minimaal 1/5e van het aantal leden hierom verzoekt of de voorzitter dit nodig acht en het algemeen bestuur vervolgens als zodanig besluit.
Artikel 8 Vergaderquorum
-
1. De vergadering van het algemeen bestuur wordt niet geopend voordat blijkens de presentielijst meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden tegenwoordig is.
-
2. Indien ingevolge het eerste lid de vergadering niet kan worden geopend, belegt de voorzitter, onder verwijzing naar dit artikel, opnieuw een vergadering tegen een tijdstip dat ten minste vierentwintig uur na het bezorgen van de oproeping is gelegen.
-
3. Op de vergadering, bedoeld in het tweede lid, is het eerste lid niet van toepassing. Het algemeen bestuur kan echter over andere aangelegenheden dan die waarvoor de ingevolge het eerste lid niet geopende vergadering was belegd alleen beraadslagen of besluiten, indien blijkens de presentielijst meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden tegenwoordig is.
Artikel 9 Besluitvorming
-
1. Ieder lid van het algemeen bestuur heeft één stem.
-
2. Besluitvorming vindt plaats met een meerderheid van stemmen tenzij in de regeling anders is bepaald.
-
3. Indien de stemmen met betrekking tot een bepaald voorstel staken, wordt het betrokken onderwerp aangehouden tot de eerstvolgende vergadering van het algemeen bestuur. Indien de stemmen wederom staken, is het voorstel niet aangenomen. Ingeval de stemmen over besluiten met betrekking tot benoeming, voordracht of aanbeveling van personen staken, beslist terstond het lot.
-
4. Bij het doen van benoemingen, keuzen, voordrachten en aanbevelingen betreffende personen wordt schriftelijk gestemd, in de overige gevallen mondeling.
-
5. Besluiten van het algemeen bestuur worden alleen aan zienswijzen onderworpen indien de wet of deze regeling dat expliciet voorschrijft.
Artikel 10 Taken en bevoegdheden algemeen bestuur
-
1. Onverminderd het bepaalde in de wet, heeft het algemeen bestuur de volgende taken en bevoegdheden:
- a.
het bepalen van de strategische koers van de Omgevingsdienst;
- b.
het doen van voorstellen aan de colleges en gedeputeerde staten voor de vaststelling van:
- 1.
een uniforme uitvoerings- en handhavingsstrategie als bedoeld in artikel 13.5 lid 2 Omgevingsbesluit;
- 2.
een uitvoeringsprogramma als bedoeld in artikel 13.8 Omgevingsbesluit, en;
- 3.
een evaluatierapportage als bedoeld in artikel 13.11 Omgevingsbesluit;
- 1.
- c.
het vaststellen van een uniform uitvoeringsniveau en een uniforme uitvoeringsmethode voor probleemanalyse, risicoanalyse, prioriteitstelling en programmering van het UTP;
- d.
het vaststellen en ten minste eenmaal per twee jaar actualiseren van de productencatalogus;
- e.
het, met inachtneming van artikel 55a van de wet, oprichten van en de deelneming in stichtingen, maatschappen, vennootschappen, verenigingen, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen indien dat in het bijzonder aangewezen is voor de behartiging van het daarmee te dienen openbaar belang;
- f.
het met inachtneming van de hoofstukken VIII en IX van de wet deelnemen aan of treffen van een gemeenschappelijke regeling ter behartiging van ondersteunende processen;
- g.
het bevorderen van de afstemming en stroomlijning van de beleidsuitgangspunten van de deelnemers;
- h.
het bewaken van afspraken over de bestuurlijke vertegenwoordiging vanuit het werkgebied in overleggen en bijeenkomsten (provinciaal, landelijk);
- i.
het uitvoeren van de geschillenregeling.
- a.
-
2. Voor de totstandkoming van de besluiten, genoemd in lid 1 sub b, c, d, e en f is een meerderheid van twee derde van de stemmen vereist.
Artikel 11 Zienswijze
-
1. Het algemeen bestuur besluit niet tot het vaststellen van meerjarige strategische plannen of het deelnemen aan of treffen van een gemeenschappelijke regeling dan nadat de raden onderscheidenlijk provinciale staten gedurende twaalf weken in de gelegenheid zijn gesteld om schriftelijk op het concept hun zienswijzen ter kennis van het dagelijks bestuur te brengen.
-
2. Het algemeen bestuur beslist niet over een voorstel alvorens de raden onderscheidenlijk provinciale staten om zienswijzen zijn gevraagd, wanneer ten minste een vijfde van de gemeenteraden, provinciale staten inbegrepen, het dagelijks bestuur hierom verzoekt. In spoedeisende gevallen kan het dagelijks bestuur afzien van het vragen van zienswijzen. Het dagelijks bestuur stelt de raden en provinciale staten hiervan schriftelijk en gemotiveerd op de hoogte.
-
3. Indien het tweede lid wordt toegepast, dan hebben de raden en provinciale staten twaalf weken de tijd hun zienswijzen bij het dagelijks bestuur naar voren te brengen. Voorafgaande aan het nemen van het besluit waarover de zienswijzen gegeven zijn, stelt het dagelijks bestuur de raden, provinciale staten en het algemeen bestuur schriftelijk en gemotiveerd in kennis van het oordeel over de zienswijzen, alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt.
§2 Het Dagelijks Bestuur
Artikel 12 Samenstelling Dagelijks Bestuur
-
1. Het dagelijks bestuur bestaat uit de voorzitter en vier andere leden, door en uit het algemeen bestuur aan te wijzen.
-
2. De directeur neemt als secretaris en adviseur deel aan de vergaderingen van het dagelijks bestuur.
Artikel 13 Zittingsduur
-
1. Het (plaatsvervangend) lidmaatschap van het dagelijks bestuur eindigt zodra het lidmaatschap van het algemeen bestuur eindigt of wanneer het lid van het dagelijks bestuur als zodanig ontslag neemt.
-
2. De aanwijzing van leden van het dagelijks bestuur ter vervulling van plaatsen die door overlijden, ontslag of om een andere reden tussentijds zijn opengevallen vindt plaats binnen twee maanden na het tijdstip waarop de vacature is ontstaan. Een tussentijds tot lid van het dagelijks bestuur benoemd lid treedt af op het moment waarop degene in wiens plaats hij is benoemd zou aftreden.
-
3. Een lid van het dagelijks bestuur kan te allen tijde ontslag nemen. Hij doet daarvan schriftelijk mededeling aan het algemeen bestuur.
-
4. Het algemeen bestuur kan één of meer leden van het dagelijks bestuur ontslag verlenen, indien deze het vertrouwen van het algemeen bestuur niet meer bezitten.
Artikel 14 Werkwijze
-
1. Het dagelijks bestuur vergadert zo dikwijls de voorzitter of ten minste twee leden dit nodig oordelen.
-
2. Het dagelijks bestuur stelt een reglement van orde vast voor zijn vergaderingen. Dit reglement wordt medegedeeld aan het algemeen bestuur.
-
3. De voorzitter en elk lid hebben één stem. In het geval dat de stemmen staken, heeft de voorzitter een doorslaggevende stem.
-
4. De vergaderingen van het dagelijks bestuur worden met gesloten deuren gehouden, tenzij het dagelijks bestuur anders bepaalt.
-
5. In de vergaderingen van het dagelijks bestuur kan slechts worden beraadslaagd en besloten, indien meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden aanwezig is.
-
6. Indien het vereiste aantal leden niet aanwezig is, belegt de voorzitter, onder verwijzing naar dit artikel, opnieuw een vergadering welke binnen één week dient plaats te vinden.
-
7. Bij het doen van benoemingen, keuzen, voordrachten en aanbevelingen betreffende personen wordt schriftelijk gestemd, in de overige gevallen mondeling.
Artikel 15 Bevoegdheden Dagelijks Bestuur
-
1. Onverminderd het bepaalde in artikel 57b van de wet, heeft het dagelijks bestuur de volgende bevoegdheden:
- a.
het behartigen van de belangen van de Omgevingsdienst bij andere overheden, instellingen of personen, waarmee contact voor de Omgevingsdienst van belang is;
- b.
de zorg voor het beheer van inkomsten en uitgaven van de Omgevingsdienst;
- c.
de zorg, voor zover dat niet aan anderen toekomt, voor de controle op het geldelijk beheer en de boekhouding, en;
- d.
de ambtelijke organisatie van de Omgevingsdienst in te richten en de werkwijze van de ambtelijke organisatie te bepalen en in dat kader instructies uit te vaardigen.
- a.
§3 De voorzitter
Artikel 16 De voorzitter
-
1. De voorzitter wordt door en uit het algemeen bestuur aangewezen.
-
2. De voorzitter is tevens voorzitter van het algemeen bestuur en voorzitter van het dagelijks bestuur.
-
3. Bij afwezigheid of ontstentenis van de voorzitter wordt hij vervangen door de plaatsvervangende voorzitter. Deze wordt aangewezen tijdens de eerste vergadering van het algemeen bestuur.
-
4. De stukken die van het algemeen bestuur of het dagelijks bestuur uitgaan, worden door de voorzitter ondertekend.
-
5. De voorzitter vertegenwoordigt het openbaar lichaam in en buiten rechte. Hij kan deze vertegenwoordiging aan een door hem aan te wijzen gemachtigde opdragen.
§4 De commissies
Artikel 17 Commissies van advies
-
1. Het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter kunnen commissies van advies instellen, zulks met inachtneming van artikel 52 juncto artikel 24 van de wet.
-
2. Het algemeen bestuur regelt de samenstelling, zittingsduur, werkwijze en taken.
Artikel 18 Bestuurscommissies
-
1. Het algemeen bestuur kan commissies instellen met het oog op de behartiging van bepaalde belangen, voor zover deze niet zijn voorbehouden aan het algemeen bestuur.
-
2. Het algemeen bestuur gaat niet over tot het instellen van een commissie als bedoeld in het eerste lid dan nadat de raden en provinciale staten van dit voornemen op de hoogte zijn gesteld en gedurende twaalf weken in de gelegenheid zijn gesteld hun wensen en bedenkingen ter kennis van het algemeen bestuur te brengen.
-
3. Het algemeen bestuur regelt, met inachtneming van artikel 52 juncto artikel 25 van de wet, hun bevoegdheden en samenstelling.
§5 Inlichtingen- en verantwoordingsplicht en participatie
Artikel 19 Inlichtingenplichten
-
1. Het bestuur geeft de raden en provinciale staten schriftelijk alle inlichtingen die de raden onderscheidenlijk provinciale staten nodig hebben voor de uitoefening van hun taken.
-
2. Het dagelijks bestuur geeft, ieder tezamen en afzonderlijk, uit eigen beweging dan wel op verzoek van het algemeen bestuur of een of meer leden daarvan, aan het algemeen bestuur alle inlichtingen die nodig zijn voor een juiste beoordeling van het door het dagelijks bestuur gevoerde beleid.
-
3. Het bestuur geeft de raden, respectievelijk provinciale staten op verzoek van de raden, respectievelijk provinciale staten of één of meer leden daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk de door hen gevraagde inlichtingen.
-
4. Een lid van het algemeen bestuur verschaft het college respectievelijk gedeputeerde staten dat hem heeft aangewezen alle inlichtingen die door het college, respectievelijk gedeputeerde staten of een of meer leden daarvan worden verlangd, op de wijze die door dit bestuursorgaan is bepaald.
-
5. Ieder college, respectievelijk gedeputeerde staten is bevoegd een door hem aangewezen lid in het algemeen bestuur ontslag te verlenen, indien dit lid het vertrouwen van de raad, respectievelijk provinciale staten niet meer bezit. In dat geval zijn de artikelen 49 en 50 van de Gemeentewet, respectievelijk de Provinciewet van overeenkomstige toepassing.
Artikel 20 Verantwoordingsplichten
-
1. De colleges, raden, gedeputeerde staten en provinciale staten kunnen een lid van het algemeen bestuur dat zij hebben aangewezen ter verantwoording roepen voor het door hem in het algemeen bestuur gevoerde beleid, op de wijze die door dat bestuursorgaan is bepaald.
-
2. De leden van het dagelijks bestuur zijn, tezamen en afzonderlijk, aan het algemeen bestuur verantwoording schuldig voor het door het dagelijks bestuur gevoerde beleid. Het reglement van orde van het algemeen bestuur regelt de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan deze bepaling.
-
3. De aflegging van verantwoording als bedoeld in het tweede lid geschiedt op de wijze zoals is aangegeven in het reglement van orde voor de vergaderingen van het algemeen bestuur.
Artikel 21 Inspraak
-
1. Ingezetenen van de provincie en de gemeenten en belanghebbenden kunnen via de reguliere procedures bij gedeputeerde staten en provinciale staten respectievelijk de raden en de colleges betrokken worden bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid.
-
2. In afwijking van het eerste lid kan het dagelijks bestuur besluiten dat bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid met ingrijpende gevolgen een apart participatietraject wordt doorlopen.
-
3. Het tweede lid vindt ook toepassing wanneer ten minste een vijfde van de gemeenteraden, provinciale staten inbegrepen, het dagelijks bestuur hierom verzoeken.
-
4. Het dagelijks bestuur informeert de deelnemers zo spoedig mogelijk omtrent zijn voornemen tot het mogelijk maken van inspraak als bedoeld in het tweede of het derde lid en de wijze waarop deze inspraak voor ingezetenen van de provincie en de gemeenten en belanghebbenden zal worden vormgegeven.
Hoofdstuk 4 Organisatiebepalingen
Artikel 22 De directeur
-
1. De Omgevingsdienst heeft een directeur die onder verantwoordelijkheid van het dagelijks bestuur belast is met de leiding van de Omgevingsdienst en met de zorg voor een juiste taakvervulling door de Omgevingsdienst.
-
2. De directeur van de Omgevingsdienst fungeert als secretaris van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur en is leidinggevende van de medewerkers van de ambtelijke organisatie. Het dagelijks bestuur kan de instructie van de directeur vastleggen in een directiestatuut.
-
3. Het dagelijks bestuur benoemt, schorst en ontslaat de directeur.
Hoofdstuk 5 Financiën
Artikel 23 Organisatie financieel beheer
-
1. Het algemeen bestuur stelt de nodige voorschriften vast met betrekking tot de organisatie van de financiële administratie en het geldelijk beheer van de Omgevingsdienst.
-
2. Bij de in het eerste lid bedoelde voorschriften wordt bepaald wie met het doen van ontvangsten en betalingen voor de Omgevingsdienst en met de zorg voor de boekhouding zijn belast.
-
3. Ten aanzien van de controle op het geldelijk beheer en de boekhouding zijn de artikelen 190 tot en met 219 van de Provinciewet van overeenkomstige toepassing.
Artikel 24 Bijdrage van deelnemers
De benodigde middelen voor de uitvoering van de taken van de Omgevingsdienst worden verschaft door de deelnemers door het verstrekken van jaarlijkse bijdragen, op basis van de begroting.
Daarvoor gelden de volgende uitgangspunten:
- a.
de deelnemers dragen alle kosten voor de uitvoering van de taken van de Omgevingsdienst;
- b.
de deelnemers dragen ervoor zorg dat de Omgevingsdienst te allen tijde over voldoende middelen beschikt om aan al zijn verplichtingen te kunnen voldoen;
- c.
de jaarlijkse bijdrage bestaat uit de volgende drie componenten:
- 1.
De bedrijfsvoeringskosten.
Deze kosten worden opgenomen in de begroting.
Voor de verdeling van de bedrijfsvoeringskosten wordt de volgende staffel gehanteerd: 5% van het totaal van de bedrijfsvoeringskosten komt voor rekening van gedeputeerde staten en 95% van het totaal van de bedrijfsvoeringskosten komt voor rekening van de colleges. Voor de berekening van het percentage van de bedrijfsvoeringskosten dat per college dient te worden voldaan, wordt dezelfde staffel gebruikt als hierna onder 3. voor de niet- locatiegebonden activiteiten omschreven.
- 2.
De innovatiekosten:
Deze kosten worden opgenomen in de begroting en voor de verdeling van de innovatiekosten geldt dezelfde staffel als de staffel die hiervoor is opgenomen voor de bedrijfsvoeringskosten.
- 3.
De kosten van de uitvoering van het UTP.
Deze kosten worden eveneens opgenomen in de begroting. Voor de berekening van het percentage van de kosten van de uitvoering van het UTP, wordt een gewogen staffel per deelnemer gehanteerd. Daarbij wordt een onderscheid gemaakt tussen:
- (i)
de locatiegebonden activiteiten in een gemeente, en;
- (ii)
de niet-locatiegebonden activiteiten in een gemeente.
- (i)
- 1.
-
De jaarlijkse bijdrage voor de locatiegebonden activiteiten wordt berekend op basis van een locatieprijs en de niet-locatiegebonden activiteiten worden per deelnemer berekend op basis van de volgende staffel:
- •
45% op basis van het inwoneraantal van de betreffende gemeente;
- •
45% op basis van het aantal in de betreffende gemeente gelegen bedrijven, en;
- •
10% op basis van het oppervlak van de betreffende gemeente.
- •
- d.
de deelnemers betalen, na ontvangst van een factuur van de Omgevingsdienst, bij wijze van voorschot jaarlijks voor 15 januari en voor 15 juli telkens de helft van de voor dat jaar geraamde bijdrage, en;
- e.
bij het niet overeenkomstig het bepaalde onder d tijdig voldoen van de voorschotten wordt aan de desbetreffende deelnemer rente in rekening gebracht. De rente wordt berekend conform de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119, eerste en tweede lid, van het BW en artikel 6:120, eerste lid, van het BW.
Artikel 25 Begroting
-
1. Het dagelijks bestuur zendt de ontwerpbegroting en bijbehorende stukken ten minste twaalf weken voordat deze aan het algemeen bestuur worden aangeboden, doch uiterlijk 30 april van het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de ontwerpbegroting geldt, toe aan de colleges en raden onderscheidenlijk aan gedeputeerde staten en provinciale staten.
-
2. De ontwerpbegroting wordt door de colleges en gedeputeerde staten voor eenieder ter inzage gelegd en, tegen betaling van de kosten, ook algemeen verkrijgbaar gesteld.
-
3. De raden en provinciale staten kunnen bij het dagelijks bestuur hun zienswijze over de ontwerpbegroting naar voren brengen. Het dagelijks bestuur voegt de commentaren waarin deze zienswijze is vervat bij de ontwerpbegroting, zoals deze aan het algemeen bestuur ter vaststelling wordt aangeboden.
-
4. Het dagelijks bestuur stelt de raden en provinciale staten voorafgaande aan het vaststellen van de begroting schriftelijk en gemotiveerd in kennis van zijn oordeel over de zienswijze, bedoeld in het derde lid, alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt.
-
5. Het algemeen bestuur stelt jaarlijks de begroting vast in het jaar voorafgaande aan dat waarvoor zij dient.
-
6. Binnen twee weken na vaststelling, doch in ieder geval vóór de in artikel 58, tweede lid, van de wet genoemde datum zendt het dagelijks bestuur de begroting aan de minister.
-
7. Nadat de begroting is vastgesteld zendt het algemeen bestuur de begroting aan de raden en aan provinciale staten, die ter zake bij de minister hun zienswijze naar voren kunnen brengen.
-
8. Het bepaalde in het eerste, derde, vierde, zesde en zevende lid van dit artikel is, met uitzondering van de in het eerste en het zesde lid genoemde termijnen, van overeenkomstige toepassing op besluiten tot wijziging van de begroting.
-
9. Het achtste lid is niet van toepassing op wijzigingen van de begroting, die niet leiden tot een overschrijding van de jaarlijkse bijdragen van de deelnemers.
Artikel 26 Jaarrekening en jaarverslag
-
1. Van de baten en lasten van de Omgevingsdienst wordt door het dagelijks bestuur over elk begrotingsjaar verantwoording afgelegd aan het algemeen bestuur, onder overlegging van de conceptjaarrekening en het jaarverslag met daarbij behorende bescheiden, zoals vermeld in artikel 217 van de Provinciewet. Na de eigen oordeelsvorming zendt het dagelijks bestuur de voorlopige jaarrekening jaarlijks vóór de in artikel 58b van de wet genoemde datum toe aan de raden en provinciale staten.
-
2. Het dagelijks bestuur zendt de jaarrekening binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder geval vóór de in artikel 58, vierde lid, van de wet genoemde datum het jaar volgende op het jaar waarop de jaarrekening betrekking heeft aan de minister en voorts aan de raden en provinciale staten.
-
3. Behoudens later in rechte gebleken onregelmatigheden, ontlast de vaststelling van de jaarrekening de leden van het dagelijks bestuur ten aanzien van het daarin verantwoorde financieel beheer.
Artikel 27 Verrekening exploitatiesaldo
Het algemeen bestuur kan besluiten:
- a.
de blijkens de jaarrekening behaalde negatieve resultaten geheel of ten dele:
- 1.
af te boeken van de algemene reserve, voor zover deze voldoende middelen bevat;
- 2.
ten laste te brengen van de deelnemers, naar rato van ieders jaarlijkse bijdrage in het jaar waarop de jaarrekening betrekking heeft, of;
- 1.
- b.
de blijkens de jaarrekening behaalde positieve resultaten geheel of ten dele:
- 1.
te bestemmen in de algemene reserve;
- 2.
uit te keren aan de deelnemers naar rato van ieders jaarlijkse bijdrage in het jaar waarop de jaarrekening betrekking heeft.
- 1.
- c.
De reserve in enig jaar bedraagt niet meer dan tien procent van de gezamenlijke bijdragen van de deelnemers van dat jaar.
Hoofdstuk 6 Overige bepalingen
Artikel 28 Archief
-
1. Het dagelijks bestuur is verplicht de onder hem berustende archiefbescheiden in goede, geordende en toegankelijke staat te brengen en te bewaren, alsmede zorg te dragen voor de vernietiging van daarvoor in aanmerking komende archiefbescheiden.
-
2. Overeenkomstig een door het algemeen bestuur vast te stellen verordening, welke aan gedeputeerde staten wordt medegedeeld, draagt het dagelijks bestuur zorg voor de archiefbescheiden van het bestuur van de Omgevingsdienst.
-
3. De kosten, verbonden aan de uitoefening van de in het tweede lid bedoelde zorg, komen ten laste van de Omgevingsdienst.
-
4. Voor de bewaring van de op grond van artikel 12, eerste lid en artikel 13, eerste lid van de Archiefwet 1995, over te brengen archiefbescheiden van het bestuur van de Omgevingsdienst wijst het dagelijks bestuur een archiefbewaarplaats van een van de deelnemers aan.
-
5. Ten aanzien van het beheer van de archiefbescheiden van het bestuur van de Omgevingsdienst, voor zover deze archiefbescheiden niet zijn overgebracht naar een archiefbewaarplaats, is, onder de bevelen van het dagelijks bestuur, met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Archiefwet 1995 belast de archivaris. Met betrekking tot dit toezicht stelt het algemeen bestuur een verordening vast, welke aan gedeputeerde staten wordt medegedeeld.
-
6. De archivaris wordt door het dagelijks bestuur benoemd, geschorst en ontslagen.
-
7. In afwijking van het vorige lid kan het dagelijks bestuur ook de archivaris van de deelnemer als bedoeld in het vierde lid aanwijzen als archivaris van de Omgevingsdienst.
Artikel 29 Toetreding
-
1. Het betreffende bestuursorgaan dat wil toetreden, dient hiertoe een verzoek in bij het dagelijks bestuur. Het betreffende bestuursorgaan voegt hierbij het besluit tot toestemming van zijn vertegenwoordigend orgaan.
-
2. Het dagelijks bestuur brengt het verzoek ter kennis van het algemeen bestuur en geeft daarbij een advies over de toetreding.
-
3. Toetreding kan geschieden nadat het algemeen bestuur hiertoe bij unanimiteit heeft besloten.
-
4. Een lid van het algemeen bestuur kan slechts voor toetreding stemmen, nadat hij hiervoor de instemming van het bestuursorgaan van de deelnemer die hem heeft aangewezen heeft verkregen. Dit bestuursorgaan kan deze instemming pas verlenen na verkregen toestemming van zijn vertegenwoordigend orgaan.
Artikel 30 Uittreding
-
1. Een college of gedeputeerde staten kan besluiten tot uittreding uit de regeling, onverminderd het bepaalde in artikel 51 van de wet en bij of krachtens artikel 18.21 van de Omgevingswet.
-
2. De uittredende deelnemer zendt het besluit tot uittreding aangetekend aan het algemeen bestuur. Daarbij wordt een opzegtermijn van twee jaar, ingaande op 1 januari van het eerstvolgende kalenderjaar, in acht genomen, tenzij de deelnemers unaniem een andere opzegtermijn overeenkomen of de wet tot een andere datum dwingt.
-
3. Het dagelijks bestuur inventariseert de gevolgen van de uittreding, de wijze waarop met deze gevolgen kan of moet worden omgegaan en de voorwaarden voor uittreding, welke nadien worden vastgesteld in een door het algemeen bestuur vast te stellen uittredingsplan.
-
4. Uiterlijk zes maanden na het moment van uittreding stelt het algemeen bestuur het uittredingsplan vast. De daarin voor de uittredende deelnemer omschreven financiële verplichtingen zijn bindend.
-
5. Nadat het uittredingsplan is vastgesteld, is de uittredende deelnemer gehouden om binnen zes maanden de daarin voor de uittredende deelnemer omschreven financiële verplichtingen aan de regeling te voldoen.
Artikel 31 Procedure voor opstellen en vaststellen uittredingsplan
-
1. Het in artikel 30, lid 3 vermelde uittredingsplan bevat de financiële, juridische, personele en organisatorische gevolgen die gedurende een termijn van vijf jaar het directe gevolg zijn van de uittreding. Tevens bevat het uittredingsplan de uittreedsom die betaald moet worden door de uittredende deelnemer.
-
2. Voor het opstellen van het uittredingsplan wijst het algemeen bestuur een onafhankelijke adviseur aan die in opdracht van het algemeen bestuur het concept-uittredingsplan voorbereidt. De kosten voor het uittredingsplan komen voor rekening van de uittredende deelnemer.
-
3. Het algemeen bestuur wijst de onafhankelijke adviseur aan op basis van een gezamenlijke voordracht van de uittredende deelnemer en de directeur. Indien geen overeenstemming kan worden bereikt over een gezamenlijke voordracht, wijst het algemeen bestuur de onafhankelijke adviseur aan op basis van een bindende voordracht van een selectiecommissie bestaande uit drie leden van het algemeen bestuur, waaronder in ieder geval een vertegenwoordiger in het algemeen bestuur van de uittredende deelnemer.
-
4. De onafhankelijke adviseur neemt bij het bepalen van de uittreedsom het bepaalde in dit artikel en in artikel 30 in acht en baseert zich daarbij op de jaarrekening van het begrotingsjaar direct voorafgaand aan het moment van uittreding. Tevens past de onafhankelijke adviseur bij de berekening van de uittreedsom een risico-opslag van 10% op de uittreedsom toe om eventueel onvoorziene toekomstige kosten gerelateerd aan de uittreding te ondervangen. Deze opslag vrijwaart de uittredende deelnemer van alle toekomstige onvoorzienbare kosten.
-
5. Het algemeen bestuur is gehouden redelijkerwijs al het mogelijke te doen om de uittreedsom zo laag mogelijk te houden. Het algemeen bestuur onderzoekt in dat kader met de uittredende deelnemer de mogelijkheid tot overname van personeel, activa en contracten. Het voorgaande behoeft echter niet te leiden tot wijziging van overeenkomsten met en verplichtingen jegens anderen die zijn aangegaan respectievelijk bepaald voorafgaand aan het tijdstip van ontvangst door het algemeen bestuur van het besluit tot uittreding van de deelnemer.
Artikel 32 Opheffing en liquidatie
-
1. Deze regeling kan worden opgeheven met instemming van alle deelnemers minus één, onverminderd het bepaalde bij of krachtens artikel 18.21 van de Omgevingswet. Het besluit tot opheffing wordt niet genomen voordat de raden onderscheidenlijk provinciale staten gedurende twaalf weken in de gelegenheid zijn gesteld om schriftelijk op de voorgestelde opheffing hun zienswijze bij het college, respectievelijk gedeputeerde staten naar voren te brengen.
-
2. Door het algemeen bestuur wordt een liquidatieplan opgesteld. Het bepaalde in de artikelen 30 en 31 is zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing.
-
3. Het liquidatieplan voorziet in de verplichting van de deelnemers tot deelneming in de financiële gevolgen van de opheffing. Het liquidatieplan voorziet ook in de gevolgen die de opheffing heeft voor het personeel.
-
4. Het liquidatieplan regelt tevens de overdracht van archiefbescheiden aan een door het algemeen bestuur aangewezen archiefbewaarplaats, conform de Archiefwet 1995.
-
5. Toewijzing van personeel aan de deelnemers vindt plaats bij besluit van het algemeen bestuur.
-
6. Bij de ontbinding van het openbaar lichaam in verband met opheffing van de regeling of anderszins, blijft het openbaar lichaam voortbestaan voor zover dat voor de vereffening van het vermogen noodzakelijk is.
Artikel 33 Wijziging
-
1. Wijziging van de regeling kan plaatsvinden bij daartoe strekkende instemmende besluiten van alle deelnemers minus één.
-
2. Zowel het dagelijks bestuur, als de bestuursorganen van de deelnemers kunnen voorstellen doen tot wijziging van de regeling.
-
3. Een besluit tot wijziging dat conform het gestelde in het eerste lid tot stand is gekomen, treedt in werking nadat het wijzigingsbesluit is bekendgemaakt.
Artikel 34 Geschillen
-
1. Indien een deelnemer de afspraken en contracten die vallen onder de reikwijdte van deze regeling niet nakomt, dan wel er anderszins een conflict ontstaat tussen een of meerdere deelnemers met de Omgevingsdienst of directeur, wordt de kwestie voorgelegd aan het algemeen bestuur.
-
2. Het algemeen bestuur doet in beginsel binnen drie maanden een voorstel voor een oplossing van het gerezen geschil.
-
3. lndien (een) deelnemer(s) zich niet kan/kunnen vinden in het voorstel van het algemeen bestuur of indien het algemeen bestuur niet zelf binnen drie maanden een voorstel doet, kan het geschil worden voorgelegd aan de bevoegde rechter.
Hoofdstuk 7 Slotbepalingen
Artikel 35 Slotbepalingen
-
1. Het algemeen bestuur beslist in alle gevallen waarin deze regeling niet voorziet.
-
2. Deze regeling wordt getroffen voor onbepaalde tijd.
-
3. De wettelijk voorgeschreven bekendmaking van deze regeling als bedoeld in artikel 52 juncto artikel 26 van de wet, geschiedt door gedeputeerde staten.
-
4. Het dagelijks bestuur is belast met de registratie van de regeling overeenkomstig artikel 52 juncto artikel 26, tweede lid, en artikel 136 van de wet.
-
5. De werking van de regeling zal om de vijf jaar geëvalueerd worden, voor het eerst in 2030. Het dagelijks bestuur zal daartoe een onderzoeksvoorstel en de daarmee gepaard gaande financiële consequenties aan de deelnemers voorleggen.
Artikel 36 Citeertitel
Deze regeling wordt aangehaald als: Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Noord- en Midden-Limburg.
Ondertekening
Aldus vastgesteld door de Colleges van Burgemeester en Wethouders van de gemeenten Beesel, Bergen (L), Echt-Susteren, Gennep, Horst aan de Maas, Leudal, Maasgouw, Mook en Middelaar, Nederweert, Peel en Maas, Roerdalen, Roermond, Venlo, Venray en Weert en het College van Gedeputeerde Staten van de provincie Limburg.
Toelichting
Algemeen deel
De RUD Limburg-Noord transformeert per 1 april 2026 van een netwerkorganisatie naar een robuuste Omgevingsdienst. Om te komen tot een robuuste Omgevingsdienst is een wijziging van de gemeenschappelijke regeling vereist.
Aan de wijziging van de gemeenschappelijke regeling liggen de volgende leidende principes ten grondslag:
- -
UTP (Uniform takenpakket)
Uitgangspunt voor de wijziging van de GR is dat de Omgevingsdienst wordt belast met de uitvoering van het Uniform takenpakket (UTP), hetgeen bestaat uit:
- a.
het Landelijk Basistakenpakket, en;
- b.
voor de deelnemende gemeenten, de overige milieutaken.
Het uitvoeren van het UTP is nodig, om aan de robuustheidscriteria te kunnen voldoen. Wil een Omgevingsdienst robuust zijn, dan dient zij aan de volgende criteria te voldoen:
- -
zij dient een bepaalde minimale omvang te hebben;
- -
zij dient te werken volgens de kwaliteitscriteria voor VTH;
- -
zij dient in te zetten op innovatie met daarbij een innovatieagenda en bijpassend budget;
- -
zij dient een financiële buffer te hebben;
- -
zij dient informatiegestuurd te werken, en;
- -
zij dient aan te sluiten bij de identiteit van het werkgebied.
Met de uitvoering van het UTP wordt geborgd dat de Omgevingsdienst NML aan de robuustheidscriteria kan voldoen. Van belang is dat de deelnemers ten aanzien van de omvang van het UTP de autonomie niet uit handen geven. Bij de invulling van het UTP is de lokale inbreng namelijk voortdurend geborgd via het vaststellen van de uitvoerings- en handhavingsstrategie, het uitvoeringsprogramma en de evaluatierapportage. Al deze documenten dienen namelijk door de colleges en gedeputeerde staten zelf te worden vastgesteld.
De voormelde documenten vormen vervolgens de basis van het vast te stellen uitvoeringsprogramma. Hetgeen de uitwerking van het UTP vormt. Vanwege de belangrijke rol van het uitvoeringsprogramma, is in de GR opgenomen dat het doen van voostellen voor het vaststellen van het uitvoeringsprogramma door het AB met 2/3e meerderheid dient te geschieden (zie artikel 10).
- Modelmandaat
Het volgende belangrijke uitgangspunt is, dat het mandaatbesluit van de robuuste Omgevingsdienst op hoofdlijnen zal aansluiten bij het modelmandaat dat is voorgeschreven door het IBP VTH. Uitgangspunt van dit modelmandaat is dat de volledige proceslijn (dus van het voorbereiden en nemen van besluiten tot aan een eventueel beroep bij de Raad van State) in mandaat bij de Omgevingsdienst wordt belegd.
- Financiële bijdrage
Tot slot wordt een herijking van de jaarlijkse financiële bijdrage voorgesteld. de vaste jaarlijkse bijdrage gaat enerzijds uit van de vaste componenten 'bedrijfsvoeringskosten' en 'innovatiekosten' en gaat anderzijds uit van een jaarlijkse bijdrage voor de jaarlijkse kosten van de uitvoering van het UTP. Voor de berekening van de kosten voor het UTP wordt een onderscheid gemaakt tussen locatiegebonden en niet-locatiegebonden activitetien in een gemeente. Voor de niet-locatiegebonden activteiten is de kostenverdeelsleutel opgebouwd uit meerdere objectieve criteria:
- •
Het aantal en de zwaarte van de bedrijven binnen de gemeentegrenzen;
- •
Het inwoneraantal, en;
- •
de oppervlakte van de gemeente.
Daarmee is er gekozen voor een transparante, voorspelbare verdeelsleutel die aansluit op de wensen en kenmerken van het werkgebied van de Omgevingsdienst NML.
1.Artikelsgewijze toelichting
Artikel 1 Definities
De definities zijn aangepast als gevolg van de wijziging van het takenpakket dat de Omgevingsdienst voor de deelnemers gaat uitvoeren. Van belang zijn ook de termen "locatiegebonden activiteit" en "niet-locatiegebonden activiteit".
Locatiegebonden activiteiten zijn activiteiten die continu op een bekende locatie plaatsvinden met de daaraan gekoppelde VTH-taken van de Omgevingsdienst. Naast bedrijfslocaties betreft dit bijvoorbeeld ook activiteiten als het saneren van bodem.
Niet-locatiegebonden activiteiten zijn activiteiten op wisselende locaties, zoals mobiel puinbreken en het slopen van werken waarbij asbest vrijkomt, met de daaraan gekoppelde VTH-taken van de Omgevingsdienst.
Deze autonoom gedefinieerde termen zijn van belang voor de berekening van de jaarlijkse financiële bijdrage.
Artikel 2 Belang
In artikel 2 wordt het belang waarvoor de Omgevingsdienst is ingesteld, beschreven. Voor de omschrijving van het belang is aangesloten bij de doelstellingen van de Omgevingswet, meer in het bijzonder het in artikel 18.21 omschreven doel.
Artikel 3 UTP
in artikel 3 zijn de taken omschreven waarmee de Omgevingsdienst is belast. Dit betreft, kort gezegd, het UTP, zoals in de algemene toelichting omschreven. In het derde lis is tevens vermeld dat er aparte mandaten zullen worden verleend. Daarbij zal worden aangesloten bij het modelmandaat, zoals in de algemene toelichting is vermeld.
Artikel 4 Werkzaamheden voor derden
In artikel 4 is opgenomen dat de Omgevingsdienst werkzaamheden voor derden kan verrichten. Daarbij wordt enkel gedacht aan werkzaamheden voor andere openbare lichamen (zoals het waterschap of een naburige Omgevingsdienst). Vandaar dat de term "derde" in de begripsbepalingen van artikel 1 is gedefinieerd als een openbaar lichaam.
Artikel 6 en 7 Zittingsduur en werkwijze
In artikel 6 en 7 lid 4 was een regeling opgenomen omtrent onverenigbare functies. Artikel 52 jo. artikel 20 van de Wet gemeenschappelijke regelingen kent hiervoor een uitputtende regeling, waardoor deze artikelleden zijn geschrapt.
Artikel 8 Vergaderquorum
Met dit artikel wordt nu aangesloten bij artikel 52 jo. artikel 22 jo. artikel 20 van de Provinciewet. De regeling omtrent het quorum is nu gelijk aan de regels in gemeentelijke en provinciale verhoudingen.
Artikel 9 Besluitvorming
In het derde lid is verwijderd dat de voorzitter een doorslaggevende stem heeft bij het staken van de stemmen. Nu wordt aangesloten bij artikel 31 en 32 van de Gemeentewet respectievelijk Provinciewet.
Artikel 10 Taken en bevoegdheden algemeen bestuur
De taken en bevoegdheden van het algemeen bestuur zijn herzien. Aan de hand van de verplichtingen uit de Omgevingswet en het Omgevingsbesluit zijn de taken van het algemeen bestuur vormgegeven.
Uit artikel 13.5, 13.8 en 13.11 volgt dat de deelnemers aan een omgevingsdienst gezamenlijk een uitvoerings- en handhavingsstrategie, een uitvoeringsprogramma en evaluatierapportage moeten vaststellen. Om die reden is in artikel 10 lid 1 sub b opgenomen dat het AB voorstellen doet om te komen tot de voormelde besluiten.
Zodoende wordt de eenheid en uniformiteit van het UTP onder de deelnemers geborgd.
Tot slot is in artikel 10 lid 1 sub f de bevoegdheid opgenomen voor het AB om te besluiten over het deelnemen aan of treffen van een gemeenschappelijke regeling. Daarbij wordt vooral gedacht aan regelingen voor ondersteunende processen (archief, ICT). Wel is in dat geval een aanvullende zienswijze van de raden nodig (zie artikel 11).
In het tweede lid van artikel 10 is opgenomen in welke gevallen besluitvorming plaatsvindt bij gekwalificeerde meerderheid.
Paragraaf 4, commissies
Alle artikelen met betrekking tot de adviesraad zijn vervangen door een algemene regeling voor het instellen van commissies. Indien ervoor wordt gekozen om een commissie (zoals een adviesraad) in te stellen, dan dient dat te geschieden via een apart instellingsbesluit en niet in de GR zelf, omdat het AB (of soms het DB) over de instelling gaat.
Artikel 21 Inspraak
Artikel 21 biedt een kader voor inspraak bij uitzonderlijke situaties waarin de Omgevingsdienst zelf beleidskeuzes maakt met ingrijpende gevolgen, zoals bij de vaststelling van een nieuwe productencatalogus met grote impact op de uitvoering.
Hoofdstuk 5 Financiën
Aan hoofdstuk 5 zijn 3 nieuwe artikelen toegevoegd, te weten artikel 23, 24 en 27. Dit in verband met de nieuwe financieringssystematiek voor de Omgevingsdienst.
Artikel 23 is een standaardbepaling en ziet op de organisatie van het financieel beheer en de bevoegdheid van het AB om de nodige voorschriften vast te stellen.
Artikel 24 regelt de jaarlijkse bijdrage van de deelnemers, zoals ook in het algemeen deel van de toelichting uiteen is gezet.
Artikel 27 ziet op de mogelijkheid van verrekening van positieve en negatieve resultaten. Van belang is dat expliciet is bepaald dat de reserve in enig jaar niet meer mag bedragen dan tien procent van de gezamenlijke bijdragen van de deelnemers van dat jaar.
(voorheen) artikel 38 Beëindiging deeltaken
Artikel 38 (oud) is vervallen. Vanwege het uitgangspunt om te transformeren naar een robuuste Omgevingsdienst en inbreng van eenieder van het UTP, is artikel 38 verwijderd. De beëindiging van deeltaken is daarom niet meer mogelijk.
Artikel 33 Geschillen
Tot slot is de geschillenregeling herijkt. Deze gaat eerst uit van een bemiddelende rol van het AB, alvorens het geschil kan worden voorgelegd aan een bevoegde rechter.
Ziet u een fout in deze regeling?
Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl.
Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl