Beleid teeltondersteunende voorzieningen Rucphen 2026

Geldend van 10-04-2026 t/m heden

Intitulé

Beleid teeltondersteunende voorzieningen Rucphen 2026

1. Inleiding

Voor u ligt het beleid teeltondersteunende voorzieningen Rucphen 2026 (hierna TOV beleid). In dit beleid schetsen we ons toekomstperspectief en ruimtelijke kaders voor agrarische teeltbedrijven in het buitengebied die gebruik willen maken van teeltondersteunende voorzieningen buiten het bouwvlak. Dit is niet beperkt tot één specifiek type bedrijf, maar omvat teeltbedrijven van fruit, bomen, planten, groenten en bloemen. De ligging in het landschap en andere ruimtelijke overwegingen vormen de basis voor dit TOV beleid, ongeacht het soort teelt.

1.1. Aanleiding

Rucphen is een landelijke gemeente met diverse teeltbedrijven in het buitengebied. In de toekomst staan naar verwachting vele uitdagingen en ontwikkelingen te wachten voor deze landbouwsector. Vanaf 2015 (in het Brabant Energieakkoord) is afgesproken, dat de landbouw in Brabant uiterlijk in 2050 klimaat- en energieneutraal moet produceren. Om in te spelen op perioden met droogte en wateroverlast, willen wij de agrarische sector faciliteren om klimaatbestendig te worden. De teeltsector zit middenin de transitie. Deze transitie heeft gevolgen voor de agrarische ondernemers in onze gemeente. Daarnaast is er sprake van een toenemende behoefte aan intensivering en schaalvergroting. Dit leidt onder meer tot een grotere behoefte aan permanente teeltondersteunende voorzieningen. Samen met andere ruimtelijke belangen met betrekking tot wonen, werken, natuur en recreatie, zorgen deze ontwikkelingen voor een toenemende druk op het buitengebied in Rucphen. Om in de toekomst bestand te zijn tegen deze veranderingen, is het cruciaal om telers in Rucphen een helder en toekomstgericht beleidskader aan te reiken.

1.2. Wettelijk en beleidsmatig kader

In het tijdelijk Omgevingsplan Rucphen, deelgebied Buitengebied Rucphen 2020, zijn de mogelijkheden opgenomen voor het realiseren van teeltondersteunende voorzieningen. Binnen het volledige bouwvlak zijn teeltondersteunende voorzieningen toegestaan met een maximale bouwhoogte van 4 meter. Voor teeltondersteunende kassen geldtbinnen het bouwvlak een maximaal oppervlak van 5.000 m², een maximale bouwhoogte van 8 meter en een minimale afstand van 50 meter tot bestemmingsvlakken van woningen van derden. Buiten het bouwvlak is het nog mogelijk om tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen te realiseren en boomteelthekken en boomteeltstokken. Een bouwvlak kan in de gemeente Rucphen maximaal circa 2 hectare groot zijn.

Voor permanente teeltondersteunende voorzieningen buiten het bouwvlak geldt dat deze onder voorwaarden mogelijk zijn tot een oppervlakte van maximaal 8 hectare, waarvoor een omgevingsvergunning is vereist (voorheen: wijzigingsbevoegdheid). De voorwaarden die aan deze vergunning zijn verbonden, bieden onvoldoende aansluiting bij de huidige provinciale kaders.

Op provinciaal niveau hanteert de provincie Noord-Brabant het begrip bouwperceel als ruimtelijk uitgangspunt voor agrarische bedrijven. Binnen een bouwperceel is maximaal 3 hectare aan permanente teeltondersteunende voorzieningen toegestaan; voor een grotere oppervlakte binnen of buiten het bouwperceel kan onder voorwaarden een afwijking worden verleend.

De provinciale voorwaarden voor het toestaan van meer dan 3 hectare permanente teeltondersteunende voorzieningen vragen om een zorgvuldige ruimtelijke afweging. Het huidige gemeentelijke beleid bevat hiervoor nog onvoldoende uitgewerkte beoordelingscriteria, met name voor situaties waarin teeltondersteunende voorzieningen buiten het bouwvlak worden gerealiseerd. Dit TOV beleid bevat de ruimtelijke afweging op basis waarvan de gemeente vergunningen kan verlenen voor het gebruik van TOV buiten het bouwvlak.

1.3. Reikwijdte

Dit beleid richt zich uitsluitend op nieuwe initiatieven voor permanente teeltondersteunende voorzieningen buiten het agrarisch bouwvlak, waarvoor op grond van het huidige omgevingsplan een omgevingsvergunning vereist is (voorheen: wijzigingsbevoegdheid). Het beleid heeft geen betrekking op voorzieningen die planologisch zijn toegestaan of reeds vergund. Bestaande rechten en bestaande voorzieningen worden door dit beleid niet beperkt.

Met dit beleid wordt voorzien in een actueel gemeentelijk afwegingskader, waarin de provinciale afwijkingsvoorwaarden voor uitbreiding van permanente teeltondersteunende voorzieningen buiten het bouwvlak zijn uitgewerkt en toegepast op de lokale situatie in Rucphen. Dit afwegingskader geldt totdat deze uitgangspunten zijn vertaald naar regels in het omgevingsplan.

Omgevingsverordening Noord-Brabant - Artikel 5.68 Teeltbedrijf

1. Een omgevingsplan ter plaatse van landelijk gebied bepaalt voor een teeltbedrijf dat binnen een bouwperceel:

een teeltondersteunende kas is toegestaan tot ten hoogste 5.000 m²;

• permanente teeltondersteunende voorzieningen zijn toegestaan tot ten hoogste 3 hectare.

2. In afwijking van het eerste lid, onder b, kan een omgevingsplan meer dan 3 hectare permanente teeltondersteunende voorzieningen toelaten als:

• dit past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied, bedoeld in Artikel 5.12, waarbij ook een mogelijke functie van het gebied voor klimaatadaptieve maatregelen is betrokken;

• er geen aardkundige waarden aanwezig zijn als bedoeld in Artikel 5.43;

• de effecten van de ontwikkeling op het wateren bodemsysteem en omliggende waarden worden afgewogen;

• maatregelen worden getroffen en geborgd waardoor de ontwikkeling bijdraagt aan een waterrobuuste inrichting van het gebied en een verstoring van de hydrologische situatie ter plaatse wordt gemitigeerd; en

• juridisch en financieel is geborgd dat de voorzieningen na afloop van het gebruik worden verwijderd.

3. In afwijking van Artikel 5.8, eerste lid, onder d, kan een omgevingsplan ter plaatse van landelijk gebied voorzien in permanente teeltondersteunende voorzieningen buiten het bouwperceel van het teeltbedrijf als:

• de voorzieningen geconcentreerd worden en aansluiten op een bouwperceel;

• dit past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied, bedoeld in Artikel 5.12, waarbij ook een mogelijke functie van het gebied voor klimaatadaptieve maatregelen is betrokken;

• is voldaan aan Artikel 5.11 Kwaliteitsverbetering landschap; en

1.4. Doel

De uitbreiding van permanente teeltondersteunende voorzieningen vraagt om een zorgvuldige ruimtelijke afweging. Daarbij is het van belang dat ontwikkelingen aansluiten bij de ontwikkelrichting van het gebied en rekening houden met het bodem- en watersysteem en andere waarden van het landelijk gebied. Het doel van dit TOV-beleid kan daarom worden samengevat als:

“Het creëren van een objectief ruimtelijk kader voor de uitbreiding van permanente teeltondersteunende voorzieningen buiten het bouwvlak, ter versterking van economisch gezonde en toekomstbestendige teeltbedrijven, in balans met het landschap, het bodem- en watersysteem en andere waarden van het landelijk gebied.”

Een MER is doorgaans niet vereist voor de uitbreiding van teeltondersteunende voorzieningen. Dit komt doordat dergelijke activiteiten meestal geen significante milieubelastende effecten veroorzaken en daarmee buiten de verplichtingen van het Omgevingsbesluit vallen.

1.5. Proces van totstandkoming

Dit beleid is tot stand gekomen door middel van een uitgebreid participatieproces. Er hebben meerdere gesprekken plaatsgevonden met ZLTO, Treeport en Fruitport. Ook zijn er overleggen gevoerd met de provincie Noord-Brabant, waterschap Brabantse Delta, de natuurwerkgroep, RWBW en de gemeenten Zundert, Etten-Leur en Breda.

Daarnaast heeft een roadshow plaatsgevonden voor inwoners van de gemeente Rucphen voor de Omgevingsvisie, waarin het TOV beleid ook is meegenomen. Hieronder worden de belangen per belangengroep uiteengezet. Deze kunnen tegenstrijdig zijn met elkaar maar ook op elkaar aansluiten en een invulling geven aan de visie op het buitengebied.

Na de inzageperiode in de zomer van 2025 hebben naast eerder genoemde stakeholders ook gesprekken plaatsgevonden met alle deelnemers van het groene platform vanwege de integraliteit van het LOP en het TOV beleid. Aanvullend waren dit: Natuurmonumenten, Staatsbosbeheer, ANV Agrarische Natuurvereniging tussen Baronie en Markiezaat, Brabant Water, Defensie en landgoed Schijf.

2. Wat zijn teeltondersteunende voorzieningen (TOV)?

2.1. Definities en afbakening

We geven hier uitleg over de begrippen teeltondersteunende voorzieningen, bouwvlak en landschappelijek inpassing.

2.1.1. Teeltondersteunende voorzieningen

Teeltondersteunende voorzieningen (TOV) zijn voorzieningen in, op of boven de grond die door agrarische bedrijven met plantaardige teelten worden gebruikt. Er wordt steeds meer op of boven de grond geteeld. Dit komt door de diverse voordelen van TOV’s, zoals in de navolgende paragraaf toegelicht. TOV’s zijn te onderscheiden in: duur van de oprichting (tijdelijk of permanent), hoogte van de voorzieningen (laag of hoog), bodembedekking, teeltondersteunende kassen, boomteelthekken en boomteeltstokken.

Tijdelijke TOV

Teeltondersteunende voorzieningen die op dezelfde locatie worden gebruikt zolang de teelt dit vereist tot een maximum van 6 maanden.

Permanente TOV

Teeltondersteunende voorzieningen die op een locatie voor onbepaalde tijd worden gebruikt.

Lage TOV

Teeltondersteunende voorzieningen met een hoogte van maximaal 1,5 meter.

Hoge TOV

Teeltondersteunende voorzieningen met een hoogte van minimaal 1,5 meter, hieronder niet begrepen teeltondersteunende kassen. In dit TOVbeleid is opgenomen, dat hoge TOV maximaal 5 meter hoog mogen zijn.

Bodembedekkende TOV

Voorzieningen waarbij de bodem (gedeeltelijk of volledig) wordt afgedekt met materialen zoals folie, worteldoek, beton, asfalt of vergelijkbare constructies, waardoor infiltratie van water en uitwisseling van lucht met de ondergrond wordt beperkt. Voorbeelden zijn containervelden met worteldoek, foliesystemen en voorzieningen met verharding.

Niet-bodembedekkende TOV

Voorzieningen die geen aaneengesloten afdekking van de bodem veroorzaken en waarbij infiltratie en luchtuitwisseling grotendeels behouden blijven. Voorbeelden zijn hagelnetten, regenkappen, stellingen en boomteeltconstructies waarbij de bodem open blijft.

Teeltondersteunende kassen

Een teeltondersteunende kas is een teeltondersteunende voorziening, bestaande uit een agrarisch bedrijfsgebouw, waarvan de wanden en het dak voornamelijk bestaan uit glas of een ander lichtdoorlatend materiaal, dienend voor de productie van gewassen onder geconditioneerde klimaatomstandigheden. Naast de zgn. schuurkassen vallen hieronder ook permanente tunnel- of boogkassen, die hoger zijn dan 1,50 meter. In de provinciale omgevingsverordening is vastgesteld dat een teeltondersteunende kas maximaal 5.000 m2 binnen het bouwvlak mag omvatten. In de Omgevingsverordening Noord-Brabant is een aanvullende regeling glas-voor-glas opgenomen. Hierin is onder voorwaarden uitbreiding van teeltondersteunende kassen mogelijk tot 1,5 ha binnen het bouwperceel. Uitbreiding is alleen mogelijk voor bedrijven waarvoor een toekomstperspectief aanwezig is. In het geval dat een uitbreiding van het bouwperceel nodig is, geldt dat er elders glasareaal via een glas-voor-glas regeling gesaneerd moet worden. Bovendien moet volgens deze regeling het te saneren glasareaal buiten Glastuinbouwconcentratiegebied liggen. Deze lijn is ingezet om concentratie van glas te bevorderen en de leegstand en spreiding van glas te voorkomen. Om de omgevingskwaliteit te waarborgen worden deskundigen betrokken, onder wie een deskundige die bij de provincie Noord-Brabant werkzaam is.

Lage tunnel- en boogkas sen

Deze teeltondersteunende voorzieningen zijn in principe hetzelfde als de tunnel- en boogkassen, die hierboven zijn genoemd. Het verschil is dat deze lage variant maximaal 1,50 meter hoog is. Omdat een lage boog- of tunnelkas een minder groot effect heeft op het landschap, is dit als een aparte categorie neergezet. Binnen dit TOV-beleid vallen deze TOV’s binnen de lage TOV.

Containervelden

Een containerveld is een veld, waarop een afdeklaag is aangebracht, bestaande uit worteldoek of beton. Over het algemeen bestaan containervelden uit één of meerdere rijen aan containerbedden of stellages. De bedden bestaan uit een ondergrond die afgedekt wordt door een laag worteldoek met eventueel een laag folie. Tussen de containerbedden zijn graspaden of verharde paden aangelegd. Als ze verhard zijn, zijn ze vaak van betonplaten gemaakt. De planten worden los van de ondergrond in potjes gekweekt. Hoewel het voorkomt dat er alleen gebruik wordt gemaakt van worteldoek, is de praktijk dat onder het worteldoel verharding in de vorm van b.v. lavastenen wordt aangebracht en een folie, zodat water kan worden opgevangen en hergebruikt. Binnen dit TOV-beleid vallen deze TOV’s binnen de lage TOV.

Boomteelthekken

Teeltondersteunende voorzieningen in de vorm van hekken met afrastering om (vraat)schade aan gewassen door dieren te voorkomen. Het beleid en de regels voor het gebruik van deze teeltondersteunende voorzieningen is opgenomen in het (tijdelijk) Omgevingsplan. Ze zijn geen onderdeel van dit TOV-beleid.

Boomteeltstokken Teeltondersteunende voorzieningen in de vorm van constructies die worden gebruikt voor het geleiden van bomen en gewassen. Het beleid en de regels voor het gebruik van deze teeltondersteunende voorzieningen is opgenomen in het (tijdelijk) Omgevingsplan. Ze zijn geen onderdeel van dit TOV-beleid.

2.1.2. Bouwvlak

Een bouwvlak is een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge van de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde, zijn toegelaten. Deze definitie komt uit het bestemmingsplan buitengebied.

2.1.3. Landschappelijke inpassing

Landschappelijke inpassing is het optimaal op elkaar afstemmen van bebouwing en beplanting, rekening houdend met de ter plaatse voorkomende landschappelijke en cultuurhistorische waarden, om zo te komen tot een landschappelijke inpassing van nieuwe bebouwing en/of gebruik, die recht doet aan de kwaliteit en beleving van het landschap. Deze definitie komt uit het bestemmingsplan buitengebied.

2.2. Belang van TOV voor de teeltsector

In de agrarische sector wordt in toenemende mate gebruikgemaakt van teeltsystemen waarbij niet uitsluitend in de volle grond wordt geteeld, maar ook op of boven de grond. Teeltondersteunende voorzieningen spelen een belangrijke rol in de bedrijfsvoering van moderne teeltbedrijven. Teeltondersteunende voorzieningen worden toegepast om verschillende doelen te bereiken, waaronder het verbeteren van de productkwaliteit, het vergroten van de productiezekerheid, het verbeteren van arbeidsomstandigheden en het realiseren van positieve effecten op milieu en waterbeheer. Hierdoor dragen TOV bij aan de economische continuïteit en toekomstbestendigheid van agrarische bedrijven. In de gemeente Rucphen komen vooral boomteeltbedrijven en bedrijven voor zachtfruit voor. Binnen de boomteelt is er een toename aan gebruik van containervelden, schaduwkappen en tunnelkassen.Binnen de aardbeienteelt zien we een toename aan (hoge) stellingen en tunnelkassen.

Verbetering productkwaliteit en marktpositie

De kwaliteit van agrarische producten is in toenemende mate bepalend voor de marktpositie van teeltbedrijven. Afzetmarkten stellen steeds strengere eisen aan uniformiteit, uitstraling en betrouwbaarheid van producten. Teeltondersteunende voorzieningen bieden bescherming tegen weersinvloeden zoals hagel, extreme neerslag, vorst en zoninstraling. Dit beperkt schade aan gewassen en maakt het mogelijk om de groeiomstandigheden beter te beheersen. Hierdoor kunnen bedrijven een constantere opbrengst en een hogere en beter voorspelbare productkwaliteit realiseren. Daarnaast maken teeltondersteunende voorzieningen het mogelijk om de teelt beter te sturen, wat bijdraagt aan het voldoen aan contractafspraken en leveringszekerheid richting afnemers.

Efficiënt gebruik van water, bodem en ruimte

Teeltondersteunende voorzieningen dragen bij aan een efficiënter gebruik van water en bodem. Door toepassing van gesloten of deels gesloten systemen voor water en voedingsstoffen kan het waterverbruik aanzienlijk worden verminderd. In sommige systemen kan een waterbesparing worden gerealiseerd tot wel 70 procent ten opzichte van traditionele teeltmethoden. Dit is van groot belang in het licht van toenemende droogteperioden en de noodzaak om zorgvuldig met zoetwater om te gaan. Daarnaast kunnen TOV bijdragen aan bodembescherming, bijvoorbeeld door het voorkomen van verslemping, erosie en verdichting. Door hogere en stabielere opbrengsten per hectare wordt het beschikbare agrarische areaal bovendien efficiënter benut, zonder dat uitbreiding van het landbouwareaal noodzakelijk is.

V erbetering arbeidsomstandigheden

Teeltondersteunende voorzieningen kunnen bijdragen aan betere arbeidsomstandigheden binnen de agrarische sector. Door voorzieningen die werkzaamheden verlichten, inspelen op een meer ergonomische inrichting van het teeltproces of beschermen tegen weersinvloeden, worden arbeidsomstandigheden veiliger en gezonder. Dit sluit aan bij geldende arbo eisen en draagt bij aan de inzetbaarheid van personeel en de toekomstbestendigheid van bedrijven.

Seizoensverlenging en teeltzekerheid

Tot slot maken teeltondersteunende voorzieningen het mogelijk om het teeltseizoen te vervroegen of te verlengen. Hierdoor kunnen bedrijven beter inspelen op marktvraag buiten het traditionele seizoen en wordt de kwetsbaarheid voor weersinvloeden verkleind. Dit vergroot de teeltzekerheid en biedt ondernemers meer flexibiliteit in hun bedrijfsvoering.

2.3. Trends en ontwikkelingen in de teeltsector

De teeltsector is in Nederland een groeiende en kansrijke sector. De economische maat voor de omvang van agrarische bedrijven is gebaseerd op de opbrengst die gemiddeld op jaarbasis per gewascategorie wordt behaald. In afbeelding 13 en 14 is te zien dat de gemiddelde standaard opbrengst van zowel boomteeltbedrijven als zachtfruitteeltbedrijven in Nederland de afgelopen decennia flink is gestegen. Na 2018 is de gemiddelde opbrengst van boomteeltbedrijven zelfs met 32 procent gestegen. Terwijl het aantal teeltbedrijven tussen 2000 en 2024 in Nederland is gedaald (figuur 3 en 4). Dit laat zien dat de agrarische sector intensiever maar ook méér wil produceren, waardoor de vraag naar ruimte per bedrijf toeneemt.

3. Effecten van TOV op de leefomgeving

Teeltondersteunende voorzieningen maken het mogelijk om agrarische teelten efficiënter en weerbaarder te organiseren. Tegelijkertijd kunnen deze voorzieningen, afhankelijk van hun aard, omvang en situering, gevolgen hebben voor de kwaliteit van de leefomgeving. Het gaat daarbij onder meer om effecten op milieu en gezondheid, waterhuishouding, bodemkwaliteit, natuurwaarden en het landschap. In dit hoofdstuk worden de relevante effecten van teeltondersteunende voorzieningen op de leefomgeving in beeld gebracht.

3.1. Effecten op milieu en gezondheid

Teeltondersteunende voorzieningen kunnen invloed hebben op het gebruik en de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen. Door de gecontroleerde teeltomstandigheden die TOV mogelijk maken, kan de toediening van middelen gerichter plaatsvinden en ontstaan kansen voor alternatieven zoals biologische bestrijding. Dit kan bijdragen aan het beperken van ongewenste emissies naar de omgeving. Tegelijkertijd blijven bij open teelten en deels overdekte teeltsystemen risico’s bestaan op drift van gewasbeschermingsmiddelen. Bij het bespuiten van gewassen kan spuitnevel neerslaan op omliggende gronden en gevoelige functies, zoals woningen, tuinen, recreatieve voorzieningen en niet agrarische bedrijven. Om gezondheidsrisico’s te beperken en conflicten met de omgeving te voorkomen, is het noodzakelijk om bufferzones (spuitvrije zones) aan te houden conform de meest recente wet- en regelgeving en jurisprudentie. Deze zones maken onderdeel uit van de ruimtelijke afweging bij teeltondersteunende voorzieningen en moeten juridisch worden geborgd, onder meer via het omgevingsplan.

3.2. Effecten op de waterhuishouding

Teeltondersteunende voorzieningen hebben invloed op zowel het watergebruik als de waterhuishouding in een gebied. In veel teeltsystemen is sprake van een efficiënte benutting van water, bijvoorbeeld door gerichte beregening en hergebruik van water in gesloten of deels gesloten systemen. In sommige systemen kan een waterbesparing worden gerealiseerd tot wel 70 procent ten opzichte van traditionele teeltmethoden. TOV kunnen dan ook positieve effecten hebben in het licht van toenemende droogteperioden en de noodzaak om zorgvuldig met zoetwater om te gaan.

Daarnaast biedt het gecontroleerd opvangen en hergebruiken van water kansen om piekafvoer te beperken en water langer vast te houden binnen het teeltsysteem. Dit kan, mits zorgvuldig ingericht, bijdragen aan een robuustere waterhuishouding. Daartegenover staat dat sommige TOV gepaard gaan met afdekking of verharding van de bodem. Hierdoor kan de natuurlijke infiltratie van regenwater afnemen en neemt de afvoer van hemelwater toe. Met name in grondwaterbeschermingsgebieden en droogtegevoelige gebieden is de afname van de infiltratie van regenwater in de bodem een negatief bijeffect. Het toepassen TOV vraagt daarom om aandacht voor waterberging, vertraagde afvoer en waar mogelijk lokale infiltratie, zodat het watersysteem niet onevenredig wordt belast. Daarbij is de relatie tussen waterbeheer en waterkwaliteit een belangrijk aandachtspunt. Met name het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen vraagt om zorgvuldige afwegingen bij de inrichting en afvoer van water, om te voorkomen dat deze middelen of reststoffen in het oppervlaktewater terechtkomen. Het waterschap, de provincie en Brabant Water hebben hierin ook een rol. Zeker in de gebieden attentiezone waterhuishouding, waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden vraagt de waterkwaliteit extra aandacht.De provincie Noord-Brabant heeft in haar Verordening Ruimte attentiezones waterhuishouding aangewezen. Hier gelden extra regels om de waterhuishouding te beschermen, met name om verdroging van natuurgebieden te voorkomen.

Effecten van het afdekken van de bodem op de bodemkwaliteit en het regeneratief vermogen van de grond.

Er zijn geen studies gevonden waarin het effect van verharding of afdekking van de bodem op het bodemleven is onderzocht. Wel zijn er studies bekend waarin het effect van de plaatsing van zonnepanelen op de bodemkwaliteit is onderzocht. Uit deze studies en gesprekken komt naar voren dat de kwaliteit van de bodem wordt bepaald door de hoeveelheid organische stof. De hoeveelheid organische stof wordt bepaald door het vergaan van bladeren of wortels en door schimmels in de bodem. Daarbij is voldoende zuurstof en vocht noodzakelijk. Als de bodem door verharding wordt verdicht kan het (0ok voor de lange termijn) de doorwortelbaarheid van de bodem negatief beïnvloeden. Uit het onderzoek blijkt dat het organische stofgehalte bij geen nieuwe toevoer van organische stof met 2% per jaar kan afnemen. Mogelijk iets langzamer, omdatde bodem onder de afdekking koeler is. Na 30 jaar kan het organische stofgehalte zeker 35% zijn afgenomen. De mogelijkheid dat zuurstof en water (infiltratie) toetreedt in de grond kan de hoeveelheid schimmels wellicht nog in stand houden. Opnieuw opbouwen van organische stof kan enkele jaren tot decennia in beslag nemen afhankelijk van de mate waarin de grond afgesloten is geweest. De voorzichtige conclusie die we trekken is:

• Het afdekken van de bodem heeft een negatief effect op de bodemstructuur en het bodemleven.

• Grootste probleem is de afname van het organische stofgehalte.

• Bij toevoer van zuurstof en water kan een deel van de bodemprocessen blijven doorgaan en dat verkleint de hersteltijd van de bodem als de afdekking wordt opgeheven.

• Hoe kleiner het veld des te eenvoudiger kan het bodemleven zich herstellen.

Er vinden ook onderzoeken plaats in het boomteelt- gebied Zundert. Als er sprake is van voortschrijdend inzicht, dan anticiperen we daar op. bronnen: artikel in ‘bodem’ ‘zonnevelden en bodemafdekking’, Louis Bolk instituut, RIVM en WUR (2017) rapport ‘zonneparken in agrarisch gebied, effecten op bodemkwaliteit’ (CLM, 2018)

3.3. Effecten op de bodem

De aanleg en het langdurig gebruik van teeltondersteunende voorzieningen kunnen gevolgen hebben voor de bodemkwaliteit. Met name bij voorzieningen waarbij de bodem langdurig wordt afgedekt of verhard, kan het bodemleven onder druk komen te staan. Afname van zuurstof en wateruitwisseling kan leiden tot een vermindering van het organische stofgehalte en een achteruitgang van bodemprocessen.

Het herstelvermogen van de bodem na het verwijderen van voorzieningen is afhankelijk van de mate van afdekking, de duur daarvan en de mogelijkheid tot infiltratie en beluchting. Teeltsystemen met minder of geen aaneengesloten afdekking hebben over het algemeen een beperkter effect op de bodemkwaliteit.

Naast mogelijke negatieve effecten kunnen TOV, afhankelijk van de toepassing, ook positief uitpakken voor de bodem. Door een betere beheersing van water en nutriënten kan bodembelasting worden beperkt, bijvoorbeeld doordat betreding en verdichting door zware machines verminderen.

Daarnaast kan gerichte teelt en de afdekking van specifieke delen van het perceel bijdragen aan het beperken van onkruidgroei en erosie. In situaties waarin de bodem gedeeltelijk open blijft of waar voorzieningen omkeerbaar zijn ingericht, kan het bodemleven zich behouden of zich na beëindiging van het gebruik relatief goed herstellen.

De effecten van TOV op de bodem zijn daarmee sterk afhankelijk van de mate van afdekking, de duur van toepassing en de mogelijkheid tot uitwisseling van water en zuurstof met de ondergrond.

3.4. Effecten op de natuur

Teeltondersteunende voorzieningen kunnen effecten hebben op natuurwaarden en ecologische processen in het agrarisch gebied. Afdekking van de bodem kan leiden tot een vermindering van het bodemleven, wat gevolgen kan hebben voor voedselketens en biodiversiteit. Daarnaast kunnen grote aaneengesloten TOV een barrière vormen voor fauna of het landschap ecologisch versnipperen.

Tegelijkertijd bieden sommige inrichtingsvormen kansen voor ecologische versterking, bijvoorbeeld door de toepassing van groene randen, bloemrijke stroken of waterberging met natuurvriendelijke oevers. De uiteindelijke ecologische effecten zijn sterk afhankelijk van de omvang, inrichting en landschappelijke inpassing van TOV.

3.5. Effecten op het landschap

Teeltondersteunende voorzieningen kunnen invloed hebben op het landschap en de beleving van het buitengebied. Door hun schaal, materialisatie en situering kunnen zij afbreuk doen aan de openheid en ruimtelijke samenhang van het landschap, met name in open en kwetsbare gebieden. Factoren die hierbij een rol spelen zijn onder meer:

• de omvang en aaneengeslotenheid van voorzieningen;

• de hoogte van de teeltondersteunende voorziening;

• het gebruik van ondersteunende constructies;

• de ligging ten opzichte van het bouwvlak en openbare wegen.

Het uiterlijk van een teeltondersteunende voorziening. Zo kan een teeltondersteunende voorziening qua uiterlijk ondergeschikt zijn aan de teelt (zoals boomstokken), maar het kan het geheel ook een meer ‘industrieel’ uiterlijk geven.

De landschappelijke impact van TOV verschilt sterk per locatie en type voorziening. Dit vraagt om een gebiedsgerichte beoordeling en, waar nodig, aanvullende eisen aan situering en landschappelijke inpassing.

4. Rucphen in beeld

Dit hoofdstuk beschrijft de ruimtelijke en landschappelijke context van het buitengebied van de gemeente Rucphen. Inzicht in het bodem- en watersysteem, natuurwaarden, cultuurhistorie en landschappelijke structuur is essentieel voor het maken van een zorgvuldige afweging bij de toepassing van teeltondersteunende voorzieningen.

De provincie Noord-Brabant stelt bij de afwijkingsmogelijkheid voor teeltondersteunende voorzieningen boven 3 hectare als voorwaarde dat de ontwikkeling past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied en dat inzichtelijk wordt gemaakt welke effecten optreden op bodem, water en andere waarden van de fysieke leefomgeving. Dit hoofdstuk voorziet in dat inzicht door het buitengebied van Rucphen gebiedsgericht te duiden. De beschrijving is gebaseerd op het la ndschapsontwikkelingsperspectief DaaRbuiten, waarin de ontwikkelingsrichting voor het landschap is vastgelegd.

4.1. Bodem- en watersysteem

Het watersysteem van de gemeente Rucphen wordt sterk bepaald door de hoge zandgronden, de natuurlijke hoogteverschillen en de overgang naar de lagere beekdalen.

Grondwater

De bodem bestaat voornamelijk uit arme zandgronden waar het water snel infiltreert en waar oppervlakkige waterlopen schaars zijn. Grondwater speelt daardoor een belangrijke rol in het functioneren van het watersysteem. Voor het grondwatersysteem geldt dat in het hele gebied sprake is van infiltratie. Alleen ten westen van Zegge vindt enige kwel plaats.

Oppervlaktewater

De beken en turfvaarten stromen van hoog naar laag. Dat is van zuid naar noord. En voor de oostwestrichting van het afstromende water vormt de dekzandrug van de Rucphense Bossen de waterscheiding. Grofweg stroomt het water ten oosten af richting de Aa of Weerijs en ten westen van de Rucphense Bosse richting de Roosendaalse Vliet. Op de kaart zijn wateroverlastgevoelige gebieden aangegeven. In deze relatief gezien lager gelegen gebieden met een ondiepe grondwaterstand kan bij extreme weersomstandigheden water blijven staan.

Droogtegevoeligheid

Van oudsher is het watersysteem gericht op een zo snel mogelijk afvoer van water. Hierdoor zijn een aanzienlijk aantal gebieden in de gemeente Rucphen verdroogd en is ook de natuurlijke dynamiek van natte systemen verminderd. Daarom ligt er rondom het natuurgebied Pannenhoef/Lange Maten en Turfvaart/Bijloop een attentiezone waterhuishouding. Op de kaart zijn de droogtegevoelige en zeer droogtegevoelige gebieden aangegeven. Tegenwoordig ligt de nadruk op langer water vasthouden in het gebied, het infiltreren, het verhogen van de grondwaterstanden waar mogelijk en het herstellen van natuurlijke beekdalen en laagtes.

Drinkwaterwinning

In en nabij de gemeente Rucphen bevinden zich drie waterwingebieden. Het waterwingebied is het gebied waar daadwerkelijk drinkwater uit de bodem wordt gepompt. Hier gelden strenge regels om verontreiniging te voorkomen. Om elk waterwingebied ligt een grondwaterbeschermingszone. Dit is de zone waar het grondwater na verloop van tijd naar de winputten stroomt. Activiteiten die risico’s vormen voor de waterkwaliteit zijn hier ongewenst.

4.2. Natuurwaarden

In het LOP staan de belangrijkste natuurwaarden opgenomen in het bestaande landschappelijke raamwerk. Dit raamwerk bestaat uit de bestaande en nieuwe natuur van het Natuurnetwerk Brabant (NNB), de Groenblauwe waarde en de ecologische verbindingszones.

Natuur Netwerk Brabant (NNB)

Het Natuurnetwerk Brabant (NNB) is onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het doel van het NNB-beleid is het veiligstellen van ecosystemen en het realiseren van leefgebieden met goede condities voor de biodiversiteit. In de Omgevingsverordening Noord-Brabant is vermeld dat gronden in NNB geheel dienen voor natuurontwikkeling. Landbouwgrond en ander niet-natuurgebruik moeten voor zover nodig worden gewijzigd naar natuurgebied. Nieuwe teeltbedrijven (of uitbreidingen daarvan) zijn dus in deze gebieden niet mogelijk. O.a. de Rucphense Bossen zijn onderdeel van het Natuurnetwerk Brabant.

Groenblauwe waarde

De Groenblauwe waarde vormt de overgangszone tussen de grotere natuurgebieden en het agrarische cultuurlandschap. In de gemeente Rucphen bevindt de Groenblauwe waarde zich rondom drie gebieden: de Rucphense Bossen, de Oude Turfvaart en op de grens met de gemeente Zundert rondom natuurgebied Pannenhoef, Lange Maten, Turfvaart en Bijloop. De aanduiding Groenblauwe waarde ligt binnen het landelijk gebied op gebieden met belangrijke nevenfuncties voor natuur en water. Deze gebieden bieden bij uitstek mogelijkheden voor recreatie, extensieve vormen van landbouw en multifunctioneel landgebruik. Multifunctionele landbouw houdt in dat landbouwbedrijven agrarische productie combineren met het leveren van maatschappelijke diensten, zoals agrarisch natuurbeheer, zorglandbouw en agrotoerisme. Intensieve ontwikkelingen worden hier zoveel mogelijk vermeden, tenzij wordt voldaan aan de voorwaarden uit de Omgevingsverordening Noord-Brabant, waaronder een aantoonbare positieve bijdrage aan het versterken van de biodiversiteit (artikel 5.46, Omgevingsverordening Noord-Brabant).

Ecologische verbindingszone (EVZ)

Ecologische verbindingszones zijn verbindingen tussen het Natuurnetwerk Brabant en omliggende natuurgebieden om te zorgen dat dieren en planten niet geïsoleerd raken. EVZ’s fungeren als trekroutes en als (tijdelijk) leef- en voorplantingsgebied voor planten en dieren. Bovendien dragen EVZ’s ook bij aan de versterking van het landschap, waterberging en recreatie. Bij uitbreidingen van TOV’s mogen de ecologische verbindingszones niet worden geschaad. In de gemeente Rucphen zijn de EVZ’S gelegen tussen de Rucphense bossen en omliggende natuurgebieden. Voor nieuwe en nog aan te leggen EVZ’s geldt dat samen met de agrariërs en de Provincie gekeken wordt naar mogelijkheden waarbij de vruchtbare landbouwgrond behouden blijft én de omliggende natuurgebieden optimaal met elkaar verbonden worden.

4.3. Cultuurhistorische waarden

Het landschap van de gemeente Rucphen is het resultaat van een lange wisselwerking tussen mens en natuur. Tot in de vroege middeleeuwen bestond het gebied vooral uit moerassen, heide en bossen. Vanaf circa 600 begonnen ontginningen op de hogere zandgronden voor akkerbouw, later gevolgd door ontginning van beekdalen en moerassen dankzij betere afwatering. Zo ontstonden verschillende landschapstypen, waaronder akkeren kampenlandschappen (behorend tot de oude zandontginningen). In de late middeleeuwen kreeg het gebied een sterke impuls door veenontginning en turfwinning.

In de 19e eeuw volgden grootschalige ontginningen van heidegebieden, mogelijk gemaakt door betere infrastructuur en bemesting. Dit leidde vooral in het zuiden tot een grootschalig landbouw- en boslandschap. Dit zijn de jonge zandontginningen.

Na de Tweede Wereldoorlog zorgden ruilverkavelingen en modernisering van de landbouw voor een ingrijpende schaalvergroting, waarbij veel kleinschalige en cultuurhistorische elementen verdwenen.

Op de cultuurhistorische kaart hiernaast zijn de cultuurhistorische waarden van het Rucphense landschap in beeld gebracht. Hierop staan o.a.: historische groenstructuren, oude lijnen, Landgoed Visdonk, Landgoed Schijf, twee molens, beken en turfvaarten. Ook zijn een drietal bijzondere landschappen opgenomen (zie 4.4.2).

4.4. Landschappelijke waarden

In het LOP onderscheiden we drie landschapstypen: oude zandontginningen, jonge zandontginningen en boslandschap. Op het boslandschap gaan we hier niet verder in, omdat TOV hier niet van toepassing zijn. Veenontginningen zijn historische landschappen. Het veen is volledig verdwenen en daarom niet meegenomen als landschapstype. In de bijzondere landschappen hebben we wel de historische veenontginning rondom Rucphen meegenomen en de droogmakerij De Oude Zoek. Het gebied Weipolder-Heimolen is tevens als bijzonder landschap aangewezen.

4.4.1. Landschapstypen

Oude zandontginningen

Een kamp is een kleine individuele akker, waarbij ieder gezin zijn eigen bouwland bewerkte. Om de kleine akkers te beschermen werden ze omgeven met houtwallen en houtsingels. Het typische kleinschalige Brabantse landschap bestaat hoofzakelijk uit oude zandontginningen met reliëfrijke ondergrond en grillige waterhuishouding, wat heeft geleid tot kleinschalige akkers omgeven door houtwallen en houtsingels. Het type landbouw kenmerkt zich met graanteelt op de hogere delen en vee op de lagere, nattere gronden langs beken. De verkaveling volgt vaak een onregelmatig patroon door de bochtige wegen. Turfvaarten, als overblijfselen van de middeleeuwse turfwinning, zijn ook kenmerkend voor dit landschap. Door de schaalvergroting van de landbouw na de tweede wereldoorlog zijn veel karakteristieke elementen van dit landschap, zoals houtwallen, struweelhagen en kleine bosjes verdwenen. Ook zijn de laatste onontgonnen gronden in cultuur gebracht. Dit heeft het gebied een meer open karakter gegeven en is de herkenbaarheid verloren gegaan.

Het streefbeeld is om de oorspronkelijke historische landschapskenmerken terug te brengen, rekening houdend met toekomstbestendigheid en adaptatievermogen van de gebruikers.

Jonge zandontginningen

Jonge zandontginningen bestonden vroeger uit droge en natte heide, moerassen en enkele kleine plantages. Eind 19e eeuw werden deze gronden ontgonnen en kregen ze een rationele, rechthoekige verkaveling in een vlak landschap, waarbij de kavelgrenzen werden begrensd door watergangen. Door de innovatieve ontwateringsmethoden werd het watersysteem efficiënt gereguleerd. Het huidige landschapsbeeld is een ontginningslandschap met een open karakter en rationeel van aard. Hiermee is de kenmerkende uitgestrektheid van het gebied nog steeds aanwezig in het landschap. Het behoud van het open karakter is hier de leidraad. Op enkele locaties zijn er (robuuste) verbindingen in de vorm van lijnvormige elementen in het landschap die omliggende, meer besloten gebieden, verbinden. Nadruk ligt hierbij op het inpassen van ontwikkelingen in het gebied (groene eilanden).

Het streefbeeld is om het landschap te richten op landschapspakketten die het open karakter behouden en versterken.

4.4.2. Bijzondere landschappen

Historische veenontginning rondom Zegge Het gebied ten noordoosten van de gemeente Rucphen is een jonge veenontginning, waar de historische structuur nog zichtbaar is in het landschap. De dorpskern Zegge is ontstaan op een hoger gelegen dekzandrug, die is omgeven door natte veengebieden. Na de vervening, waarbij turf werd uitgegraven voor brandstof, werd de grond geschikt gemaakt voor agrarisch gebruik. De rationele verkaveling, houtwallen, struweelhagen en bomenrijen werden in dit gebied overgenomen. Echter, is de oorspronkelijke structuur in de vorm van kavelgrenzen en watergangen nog te herkennen in het landschap van nu, maar door de schaalvergroting en landbouwmechanisatie heeft het landschap een open en grootschaliger karakter gekregen. Dit open karakter is typerend voor het kleine gebied dat strak is afgebakend door bedrijventerreinen van Roosendaal en Halderberge (zuidwest en west), de kernen Oudenbosch en Bosschenhoofd (noord en oost), en de snelweg A58 (zuid).

Het streefbeeld is om ‘transparante’ landschapselementen toe te voegen die de openheid behouden, maar daarnaast zorgen voor richtingen in het landschap. Met name aan ten westen en aan de zuidoostzijde van de kern Zegge is het behoud van de openheid minder belangrijk en wordt ingezet op meer opgaande beplanting om het zicht op de bedrijventerreinen te maskeren en Zegge een groene uitstraling te geven en aan de zuid(oost) zijde om aansluiting te vinden bij de aanwezige bosgebieden en landschapselementen van een meer besloten landschap. Aan de noordzijde zorgt een meer open karakter voor een meer open karakter voor aansluiting met het landschap ten zuiden van Oudenbosch.

Weipolder - Heimolen

In een gebied van slechts 4 vierkante kilometer komen vier verschillende landschapstypen voor. Daarnaast bevinden zich hierbinnen ook nog unieke relicten uit de geschiedenis van het landschap. Hierbij valt te denken, naast de Heimolen zelf, aan een oude turfvaart, heide ontginning en de restanten van een Franse stelling uit de 18e eeuw. Er zijn unieke contrasten tussen hoog en laag en open en gesloten. Het gebied is door de jaren heen behouden gebleven en zijn er geen grote aantastingen gedaan die het unieke karakter hebben geschaad. Hierdoor geeft dit gebied een uniek kijkje op het Brabantse landschap.Doordat één van de belangrijkste invalswegen naar onze gemeente vanaf de snelweg het gebied doorkruist worden bezoekers meegenomen in het verhaal van het typische Rucphense Brabantse landschap.

Het streefbeeld is om de unieke kwaliteiten van dit gebied te behouden en geen functies of gebruik toe te laten die het gebied minder mooi en beleefbaar maken.

Oude Zoek

De Oude Zoek is een voormalig veengebied dat later als een droogmakerij ontgonnen is. Het is de enige droogmakerij in Noord-Brabants en tevens de hoogst gelegen van Nederland (11 meter boven NAP). Het heeft een uniek karakter in de vorm van een orthogonaal stelsel dat met bomenlanen aangeduid is. Ondanks het intensieve gebruik van de landbouwgrond is het cultuurhistorisch waardevolle karakter behouden. Plaatselijk zijn relicten van laanbeplanting aanwezig en de meest vochtige gronden zijn onaangeroerd gebleven, of werden ingericht ten behoeve van de teelt van hakhout. Het Moergat is een relict van het oude ven, met aan de randen hakhout. In het westelijk deel zijn de grotendeels bewaard gebleven en zorgen bomenrijen voor een coulisse-effect. Op een aantal plaatsen wordt de rand van het voormalige ven gemarkeerd door een aarden kade, relicten van de ringdijk die ten behoeve van de drooglegging is aangelegd.

Het streefbeeld is om het cultuurhistorisch waardevolle behoud, versterking en uitbreiding van dit lanenstelsel is dan ook de opgave voor de Oude Zoek. Ontwikkelingen in het gebied moeten zich voegen naar de kenmerkende cultuurhistorische uitstraling.

4.4.3. Open landschappen

Met name de jonge ontginningslandschappen zijn open landschappen en kenmerken zich nog steeds door hun uitgestrektheid. De open landschappen liggen verspreid in de gemeente Rucphen, zoals de jonge heideontginningen op de grens met Zundert, de Oude Zoek en de open zandontginningen tussen Landgoed Visdonk en de Rucphense Bossen. Ook in het lager gelegen noorden, in de gebieden Achterhoek en rond Zegge komen open landschappen voor.

Behoud van het open landschap is het uitgangspunt. Rondom Zegge geldt echter een uitzondering: aan de westzijde is het wenselijk het zicht op het bedrijventerrein in Roosendaal te maskeren en aan de zuidzijde aan te sluiten bij omliggende bosgebieden en landschapselementen, zoals het meer besloten landschap rond Heimolen.

4.5. Waarden in relatie tot TOV

Vanuit de waarden van het bodem- en watersysteem, de natuurwaarden, de cultuurhistorische waarden en de landschappelijke waarden gelden extra aandachtspunten voor TOV. Op de kaart hiernaast zijn de relevante waarden gecombineerd.

Bodem- en watersysteem:

• Beken en turfvaarten

• Wateroverlast gebieden (reservering waterberging)

• Attentiezone waterhuishouding

• Waterwingebied

• Grondwaterbeschermingsgebied

Natuurwaarden:

• Natuurnetwerk Brabant

• Groenblauwe waarde

Cultuurhistorische en landschappelijke waarden:

• Bijzonder landschap: Droogmakerij Oude Zoek

• Bijzonder landschap: Weipolder - Heimolen

• Bijzonder landschap: Historische veenontginning rondom Zegge

• Open landschappen

In het volgende hoofdstuk gaan we in op of en onder welke voorwaarden permanente TOV buiten het bouwvlak aanvaardbaar zijn in relatie tot in dit hoofdstuk beschreven waarden.

In wateroverlast gevoelige gebieden kan bij extreme weersomstandigheden water blijven staan. De aan te brengen TOV moet dus tegen tijdelijk onder water staan kunnen. Dit wordt gezien als een ondernemersrisico. We hebben deze zone ter attentie voor de ondernemers op de kaart gezet. Deze aanduiding leidt niet tot beperkingen voor de oprichting van TOV’s.

5. Visie op TOV’s

In dit hoofdstuk beschrijven we onze visie op teeltondersteunende voorzieningen (TOV). Op basis van de beschreven effecten op de fysieke leefomgeving (hoofdstuk 3) en de gebiedskenmerken en ontwikkelingsrichtingen van het buitengebied (hoofdstuk 4 ‘Rucphen in beeld’) worden beleidskeuzes gemaakt over waar en onder welke voorwaarden permanente teeltondersteunende voorzieningen buiten het agrarisch bouwvlak wenselijk en aanvaardbaar zijn.

Met voorliggend beleid sluiten we aan op de Omgevingsvisie Rucphen 2.0, waarin we richting 2040 inzetten op duurzaam en prettig samenleven, met ruimte voor werken en vrijetijdsbesteding. Agrarische bedrijven en het buitengebied vormen daarin een essentieel onderdeel van de ruimtelijke structuur. Vanuit deze ambitie hanteren we het principe dat, daar waar het kan, de ontwikkeling en uitbreiding van agrarische bedrijven en teeltondersteunende voorzieningen wordt gefaciliteerd, mits deze passen binnen de kenmerken en ontwikkelingsrichtingen van het gebied en in balans zijn met de kwaliteit van de leefomgeving.

We zijn ervan overtuigd dat teeltondersteunende voorzieningen (TOV) belangrijk en nodig zijn voor de teeltbedrijven in onze gemeente. Daarom geven we hier ruimte voor. We zien naast bedrijfseconomische ook voldoende maatschappelijke voordelen om deze ruimte te geven. In ons beleid willen we de nadelige gevolgen van TOV echter zoveel mogelijk beperken. Dat doen we als volgt.

We houden de effecten op het landschap en de natuur zo klein mogelijk. Daarom kiezen we voor:

• Een gebiedsgerichte benadering. We sluiten landschappelijk (en recreatief) kwetsbare gebieden uit van het gebruik van TOV’s buiten het bouwvlak uit en we stemmen de mogelijkheden in de overige gebieden af op de kwaliteiten en kenmerken van het gebied.

• We zorgen overal voor een inpassing in het landschap

• We borgen een compacte ontwikkeling van TOV’s, door ze alleen aansluitend op het bouwvlak toe te laten.

• Ook nemen we een regeling op, dat TOV’s moeten worden verwijderd als deze niet meer nodig zijn voor het bedrijf.

We willen het watersysteem goed laten functioneren en droogte in de toekomst tegengaan.

Daarom kiezen we voor:

• Het instellen van (kleine) bufferstroken tussen velden, die zorgen voor een afdekking van de grond.

• Een infiltratieplicht waar dat mogelijk en nodig is, als grotere velden worden afgedekt.

In dit hoofdstuk werken we deze uitgangspunten verder uit. In hoofdstuk 5.1. benoemen we enkele algemene aandachtspunten. In paragraaf 5.2. gaan we in op de landschappelijke inpassing. In paragraaf 5.3. geven we de visie en het beleid voor de verschillende deelgebieden in de gemeente Rucphen.

5.1. Algemene aandachtspunten voor nieuwe initiatieven

In paragraaf 5.3. wordt per deelgebied een visie en het beleid gegeven voor teeltondersteunende voorzieningen (TOV). Daarbij worden ook maximale maatvoeringen benoemd. Dat wil niet zeggen dat deze maximale maatvoeringen altijd mogelijk zijn. In deze paragraaf geven we enkele algemene aandachtspunten voor afwegingen rondom het gebruik van TOV.

Spuitvrije zones

Bij gebruik van gewasbeschermingsmiddelen moeten spuitvrije zones worden aangehouden conform de meest recente wet- en regelgeving en jurisprudentie. Binnen deze zones is het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen niet toegestaan. Dit geldt rond gevoelige functies zoals woningen, tuinen, recreatieve voorzieningen en nietagrarische bedrijven. De spuitvrije zone wordt in het definitieve omgevingsplan juridisch geborgd.

Ligging en concentratie

Teeltondersteunende voorzieningen worden geconcentreerd en grenzen aan een bestaand agrarisch bouwvlak. De voorzieningen moeten een functionele relatie hebben met het bouwvlak. Een scheiding door een weg, watergang of landschapselement is toegestaan, mits de afstand niet groter is dan 25 meter. Indien sprake is van een scheiding, wordt de relatie tussen de vlakken juridisch geborgd in het omgevingsplan.

Landschappelijke draagkracht

Het landschap moet de permanente teeltondersteunende voorzieningen kunnen dragen. Dit blijft maatwerk: ieder initiatief wordt afzonderlijk afgewogen op basis van de draagkracht en ontwikkelingsrichting van het gebied. Het lands chapsontwikkelingsperspectief DaaRbuiten vormt het fundament voor deze afweging. De oprichting van teeltondersteunende voorzieningen mogen de in de omgeving aanwezige landschappelijke, natuurlijke, cultuurhistorische, bodem- en waterhuiskundige, duurzaamheid, klimaatadaptatie, gezondheid en milieu-hygiënische waarden, niet onevenredig worden aangetast. Daarnaast mag het toestaan van de teeltondersteunende voorzieningen er niet toe leiden dat de belangen van eigenaren en gebruikers van omliggende gronden en (agrarische)bedrijven onevenredig worden aangetast.

Combinatie van gebieden

Het buitengebied van Rucphen kent overlappende gebiedskenmerken. Het kan voorkomen dat een initiatief in meerdere gebieden valt, bijvoorbeeld in een landschappelijk open gebied dat tevens verdrogingsgevoelig is. In dergelijke gevallen geldt het strengste regime van de van toepassing zijnde gebiedscategorieën. Dit waarborgt dat de meest kwetsbare waarden van het gebied worden beschermd.

Verwijderingsovereenkomst

Als een bedrijf de TOV niet meer gebruikt, door beëindiging of wijziging van het bedrijf, dan dienen de voorzieningen verwijderd te worden. Bij de vergunningverlening wordt dan ook juridisch en financieel geborgd dat de teeltondersteunende voorzieningen na het beëindigen van het gebruik worden verwijderd, door onder andere het sluiten van een anterieure overeenkomst.

5.2. Landschappelijke inpassing en bufferstroken

De invloed op het landschap kan worden verzacht door een landschappelijke inpassing. Een inpassing moet robuust zijn en moet bestaan uit houtige gewassen, wat mag worden gecombineerd met een zoomvegetatie. Het kan een haag (geen knipen scheerheg), een houtwal of een bloemrijke strook zijn, waaraan ook struiken en heesters zijn toegevoegd. Het hoeft geen gesloten singel te zijn. Ook kan gekozen worden voor een bijzonder element met een ecologische waarde, zoals een paddenpoel of een ‘natuurlijke’ slootrand. Een natuurlijke slootrand heeft bijvoorbeeld een rietkraag of een flauwe oever met een helling van 1:5 of 1:6.

Maatwerk bij landschappelijke inpassing

Voor de landschappelijke inpassing wordt maatwerk toegepast. Gemeente en initiatiefnemer bepalen samen hoe de inpassing het beste vorm kan krijgen. Daarbij wordt gekeken naar het realiseren van landschappelijke, hydrologische en/of ecologische meerwaarde en naar het benutten van overhoeken of andere minder goed inzetbare delen van agrarische percelen. Doel is om gezamenlijk te komen tot een robuuste landschappelijke inpassing, waarbij DaaRbuiten 2.0 als leidraad wordt gebruikt.

De gemeente wil dat ontwikkeling van bedrijven gepaard gaat met een versterking van het landschap. De gerealiseerde landschapselementen zullen het in het Omgevingsplan de status ‘groenelement’ krijgen. Mocht het bedrijf op termijn deze agrarische activiteiten stoppen en de voorzieningen verwijderen, dan dienen de landschapselementen in stand gehouden te worden.

De omvang landschappelijke inpassing

De maatschappelijke investering voor ondernemers bestaat uit drie componenten. Per gebied zijn er (kleine) verschillen in hoe deze worden toegepast. De drie componenten zijn:

1. Een basisinvestering, bestaande uit een landschappelijke inpassing van 10% van de oppervlakte van de percelen met TOV’s.

2. Een tweede investering bij grotere oppervlaktes met TOV, die uit verschillende onderdelen kan bestaan, afhankelijk van de plek of situatie:

•OF het nemen van (extra) infiltratiemaatregelen

• OF een extra landschappelijke inpassing van 5% van de oppervlakte van de percelen met TOV’s (voor het deel boven de 3 hectare).

• OF een bijdrage aan het groenfonds, zodat de gemeente elders kan investeren in landschapselementen.

Een bijdrage aan het Groenfonds is pas een optie als de andere twee opties echt niet mogelijk zijn.

3. Het aanhouden van bufferstroken bij teelten die de grond volledig afdekken of waar over een groter oppervlakte geen infiltratie van regenwater kan plaatsvinden.

Bufferstroken

We vinden het als gemeente belangrijk dat het regeneratief vermogen (voor gevallen, waarin na verloop van tijd het containerveld wordt verwijderd) en de toegang van zuurstof en water in de bodem ten behoeve van de bodemkwaliteit enigszins op peil blijft. Tegelijk willen we geen te grote beperkingen opwerpen voor agrariërs, die voor de ontwikkeling van hun bedrijf afhankelijk zijn van het gebruik van TOV’s. Daarom kiezen we ervoor om bij bodembedekkende teelten, waarbij geen of nauwelijks regenwater in de grond kan infiltreren, uit te gaan van bufferstroken van minimaal 10 meter breed tussen velden van (maximaal) 3 hectare, waar geen afdekking van grond mag plaatsvinden en waar regenwater de grond in kan trekken. We beseffen dat daarmee de toegang van zuurstof en water in het hele veld niet geborgd is, maar het verkleint wel het deel waar helemaal geen bodemleven mogelijk is.

5.3. Visie en beleid voor verschillende gebieden

In deze paragraaf gaan we in op de visie en het beleid voor de verschillende gebieden. De gebieden zijn onderscheiden op basis van de verschillende waarden:

• Waarden bodem- en watersysteem

• Natuurwaarden

• Cultuurhistorisch en landschappelijke waarden.

We onderscheiden de volgende gebieden:

• Verdrogingsgevoelig agrarisch gebied (inclusief grondwaterbeschermingsgebieden);

• Waardevolle groengebieden, bestaande uit Natuurnetwerk Brabant (NNB), ecologische verbindingszones (EVZ’s) en de attentiezone waterhuishouding;

• Landschappelijk open gebieden;

• Primair agrarisch gebied.

Zoals op de combinatiekaart eind hoofdstuk 4 te zien is, overlappen de verschillende waarden elkaar. Voor de TOV geldt dat we uitgaan van de waarden met de strengste randvoorwaarden. Op de kaart hiernaast hebben we de combinatiekaart versimpeld door steeds uit te gaan van de zwaarst wegende waarden en randvoorwaarden. De waterwingebieden met grondwaterbeschermingsgebieden en de bijzondere landschappen zijn met arceringen er overheen aangegeven. De witte gebieden zijn primair agrarisch gebied. Hier spelen geen van de genoemde waarden en bijbehorende randvoorwaarden.

5.3.1. Verdrogingsgevoelig agrarisch gebied (inclusief grondwaterbeschermingsgebieden)

In verdrogingsgevoelige agrarische gebieden speelt het behoud van het bodem- en watersysteem een centrale rol. Deze gebieden zijn kwetsbaar voor verdere verdroging. De grondwaterbeschermingsgebieden zijn daarnaast ook gevoelig voor bodemverontreiniging.

In deze gebieden zijn zowel lage als hoge teeltondersteunende voorzieningen toegestaan. Bij hoge TOV hanteren we, in lijn met het huidige beleid, een maximum hoogte van 5 meter. In totaal mag een initiatiefnemer 16 hectare TOV’s realiseren, waarvan maximaal 8 hectare mag worden ingezet voor hoge TOV’s.

Ook in dit deelgebied geldt dat voor de eerste 3 hectare minimaal 10% van het ontwikkelde oppervlak wordt ingezet voor landschappelijke inpassing. Het nemen van (extra) infiltratiemaatregelen is in principe een verplichte maatregel, tenzij aangetoond is dat het niet mogelijk of nodig blijkt om infiltratiemaatregelen te nemen. In dat geval kan een ondernemer kiezen voor één van de volgende investeringen. Voor het deel boven 3 hectare (tot maximaal 16 hectare) geldt een tweede investering. Die kan bestaan uit één van de investeringen, die toegelicht zijn in paragaaf 5.2:

• OF een extra landschappelijke inpassing van 5% van de oppervlakte van de percelen met TOV’s (voor het deel boven de 3 hectare).

• OF een bijdrage aan het groenfonds, zodat de gemeente elders kan investeren in landschapselementen.

Een bijdrage aan het groenfonds wordt ingezet voor landschappelijke projecten uit het landschapsontwikkelingsperspectief DaaRbuiten.

Voor bodembedekkende teeltondersteunende voorzieningen geldt aanvullend dat nooit meer dan 3 hectare aaneengesloten mag worden ingericht. Per 3 hectare wordt een bufferzone van minimaal 10 meter vrijgehouden van TOV.

5.3.2. Waardevolle groengebieden

De gebieden met de status als Natuurnetwerk Noord-Brabant, groenblauwe waarde, ecologische verbindingszones noemen we in dit beleid de ‘waardevolle groengebieden’. Voor deze gebieden geldt dat ze vanuit provinciaal beleid beschermd zijn vanwege hun ecologische, landschappelijke en hydrologische waarden. Mede vanwege dit beleid en de aanwezige waarden is er geen ruimte voor nieuwe permanente teeltondersteunende voorzieningen buiten het bouwvlak.

De attentiezones waterhuishouding zijn vastgelegd in de provinciale omgevingsverordening. Deze gebieden liggen grotendeels in de zone groenblauwe waarde, maar een deel valt daar net buiten. Omdat deze zone belangrijk is voor de waterhuishouding van natuurgebieden, sluiten we ook hier de realisatie van TOV’s buiten het bouwvlak uit.

5.3.3. Cultuurhistorisch waardevolle gebieden

In ons buitengebied hebben we een aantal landschappelijk waardevolle gebieden. Het gaat om de landgoederen Schijf en Visdonk, maar ook om de Oude Zoek en het gebied rondom de Heimolen. In deze gebieden staat het behouden van het huidige landschappelijke en recreatieve beeld met bijbehorende kenmerkende cultuurhistorische uitstraling voorop. Dat maakt dat er geen ruimte is voor nieuwe permanente teeltondersteunende voorzieningen buiten het bouwvlak.

5.3.4. Landschappelijk open gebieden

De landschappelijk open gebieden in Rucphen kenmerken zich door hun wijdsheid en open horizon. Het behoud van deze openheid is een belangrijk uitgangspunt voor de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied. Lage permanente teeltondersteunende voorzieningen kunnen in dit gebied worden ingepast. We bieden geen mogelijkheid voor hoge teeltondersteunende voorzieningen, omdat zij het zicht en de ruimtelijke beleving aantasten.

In lijn met het huidige beleid geldt een maximale oppervlakte van 8 hectare met lage teeltondersteunende voorzieningen. Voor de eerste 3 hectare geldt dat minimaal 10% van het ontwikkelde oppervlak wordt ingezet voor landschappelijke inpassing. Voor het deel boven 3 hectare (tot maximaal 8 hectare) geldt een tweede investering. Die kan bestaan uit één van investeringen, die toegelicht zijn in paragaaf 5.2:

• OF het nemen van (extra) infiltratiemaatregelen

• OF een extra landschappelijke inpassing van 5% van de oppervlakte van de percelen met TOV’s (voor het deel boven de 3 hectare).

• OF een bijdrage aan het groenfonds, zodat de gemeente elders kan investeren in landschapselementen.

De middelen uit het Groenfonds worden ingezet voor landschappelijke projecten uit het Landschapsontwikkelingsperspectief DaaRbuiten.

Voor bodembedekkende teeltondersteunende voorzieningen geldt aanvullend dat nooit meer dan 3 hectare aaneengesloten mag worden ingericht. Per 3 hectare wordt een bufferzone van minimaal 10 meter vrijgehouden van TOV.

5.3.5. Primair agrarisch gebied

In primair agrarische gebieden staat het versterken van de agrarische functie centraal. In deze gebieden spelen geen bijzondere ecologische, landschappelijke en hydrologische waarden en is geen sprake van bijzondere kwetsbaarheden in het bodem- en watersysteem.

In deze gebieden zijn zowel lage als hoge TOV toegestaan. Voor hoge TOV hanteren we, net als in andere gebieden, een maximale hoogte van 5 meter. Er geldt hier geen limiet op het aantal hectares. De maximum omvang van een initiatief wordt bepaald op basis van de draagkracht van het landschap en het bodem- en watersysteem.

Ook in dit deelgebied geldt dat voor de eerste 3 hectare dat minimaal 10% van het ontwikkelde oppervlak wordt ingezet voor landschappelijke inpassing, met extra aandacht voor infiltratiemaatregelen. Voor het deel boven 3 hectare geldt een tweede investering. Die kan bestaan uit één van de investeringen, die toegelicht zijn in paragaaf 5.2:

• OF het nemen van (extra) infiltratiemaatregelen

• OF een extra landschappelijke inpassing van 5% van de oppervlakte van de percelen met TOV’s (voor het deel boven de 3 hectare).

• OF een bijdrage aan het groenfonds, zodat de gemeente elders kan investeren in landschapselementen.

In dit gebied bestaat er geen voorkeur in de te kiezen investering.

6. Van beleid naar uitvoering

6.1. Juridisch-planologische procedure

Het aansluiten bij dit beleidskader betekent niet dat een initiatief direct kan worden gerealiseerd. Voor permanente teeltondersteunende voorzieningen buiten het agrarisch bouwvlak is altijd een juridisch-planologische procedure vereist. Dit beleid vormt het inhoudelijke afwegingskader voor de beoordeling van initiatieven, maar de formele besluitvorming vindt plaats via een omgevingsvergunningprocedure voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) of een wijziging van het omgevingsplan. Hierbij dient onderbouwd te worden dat voldaan wordt aan de ‘Evenwichtige Toedeling van Functies Aan Locaties (ETFAL).Initiatiefnemers die een plan willen indienen, doorlopen deze procedure conform de geldende wet- en regelgeving. Meer informatie over de stappen en vereisten is te vinden op de gemeentelijke webpagina: https://www.rucphen. nl/Inwoner/bouwen-wonen/ik-heb-een-idee

6.2. Hardheidsclausule

In principe worden de regels van dit beleid gevolgd. Het college van burgemeester en wethouders handelt overeenkomstig dit beleid, tenzij toepassing daarvan voor een of meer belanghebbenden gevolgen heeft die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met dit beleid te dienen doelen. In dergelijke gevallen kan het college gemotiveerd besluiten af te wijken van dit beleid. Afwijking kan tevens aan de orde zijn indien toepassing van innovatieve of nieuwe systemen, die niet binnen de bestaande kaders passen, aantoonbaar bijdraagt aan de doelstellingen van dit beleid en, waar van toepassing, aan de beoogde gebiedsdoelen.

6.3. Evaluatie

We hechten waarde aan een lerende aanpak bij de toepassing van dit beleid. Daarom wordt in het beleid voorzien in een evaluatie, in ieder geval na het eerste en het tweede jaar na vaststelling. We nemen de ontvangen initiatieven door en beoordelen in hoeverre het beleid werkt zoals door ons beoogd. Zijn de beoordelingscriteria duidelijk en toepasbaar? Lukt het om de doelen te bereiken, zoals het faciliteren van toekomstbestendige teeltbedrijven in balans met bodem, water en landschappelijke kwaliteit? Werken de gestelde voorwaarden zoals beoogd? Zijn er knelpunten of onvoorziene effecten? Op basis van deze evaluaties kan het beleid waar nodig worden herijkt.