Regeling vervalt per 01-01-2031

Subsidieregeling jeugdpreventie Den Haag 2026

Geldend van 09-04-2026 t/m 31-12-2030

Intitulé

Subsidieregeling jeugdpreventie Den Haag 2026

Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag,

gelet op artikel 5 van de Algemene subsidieverordening Den Haag 2020,

besluit vast te stellen de Subsidieregeling jeugdpreventie Den Haag 2026:

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1:1 Begripsomschrijvingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • -

    ASV: Algemene subsidieverordening Den Haag 2020;

  • -

    Awb: Algemene wet bestuursrecht;

  • -

    behoefteonderzoek: een onderzoek waaruit blijkt dat de activiteiten waarvoor subsidie is aangevraagd, aanvullend zijn op bestaand aanbod in Den Haag en aantoonbaar van meerwaarde zijn voor de jeugdigen, hun gezin en, de betrokken partijen en organisaties rondom deze jeugdigen;

  • -

    college: het college van burgemeester en wethouders van Den Haag;

  • -

    jeugdigen: mensen tot 27 jaar die woonachtig zijn in Den Haag;

  • -

    kosten voor overhead: kosten die een organisatie structureel maakt voor gebouwen en buitenterreinen, personeel, administratie, ICT en andere vaste lasten, die niet rechtstreeks verbonden zijn met het uitvoeren van de subsidiabele activiteiten;

  • -

    kwetsbare positie: de positie van de jeugdigen of hun ouders die wordt beïnvloed door problemen op een of meerdere leefgebieden waardoor de zelfredzaamheid wordt beperkt;

  • -

    mentale weerbaarheid: de mentale vermogens, emotionele en sociale vaardigheden die iemand in staat stellen een zinvol, lerend en productief leven te leiden;

  • -

    nazorg: alle actieve ondersteuning of begeleiding die geleverd wordt door een professional aan de jeugdige of het gezin na afronding van een activiteit, training of traject;

  • -

    ouders: gezaghebbende ouder, adoptiefouder, stiefouder of een ander die een jeugdige als behorend tot zijn gezin verzorgt en opvoedt wonend in Den Haag;

  • -

    opvoedklimaat: de omgeving waarin jeugdigen opgroeien en die bescherming en veiligheid kan bieden ten behoeve van het welzijn van jeugdigen;

  • -

    positieve identiteit: positief beoordelen van het zelfbeeld in diverse contexten en rollen, waaronder in ieder geval: thuis, op school, bij vrienden, online en in (seksuele) relaties;

  • -

    professional: medewerkers die bevoegd zijn de activiteit uit te voeren, blijkend uit een relevante opleiding, professionele ervaring, certificering of inschrijving in een relevant beroepsregister;

  • -

    psycho-educatie: voorlichting en advies met betrekking tot psychische klachten, leer- of gedragsproblematiek;

  • -

    psychosociale problemen: problemen die te maken hebben met gevoelens, gedachten en andere mensen of instanties;

  • -

    samenwerking: het verrichten van de inspanningen van twee of meer partijen op het bereiken van hetzelfde doel, waarbij de partijen interactief handelen, betrokkenheid ervaren en verantwoordelijkheid voor de jeugdige of zijn gezin dragen;

  • -

    samenwerkingsverbanden Jeugd en Gezinshulp Den Haag: samenwerking van diverse jeugdhulpaanbieders die in opdracht van de gemeente het aanbod van jeugdhulp op grond van de Jeugdwet levert in Den Haag vanaf 1 januari 2024;

  • -

    sociale vaardigheden: het vermogen om in sociale situaties het gedrag aan te passen. Onder sociale vaardigheden vallen bijvoorbeeld assertiviteit, samenwerken, communiceren, emotionele gevoeligheid, emotieregulatie en probleemoplossend vermogen in de context van relaties;

  • -

    stakeholder: belanghebbende individu, groep of organisatie;

  • -

    vrijwilliger: iemand die niet tegen betaling en zonder daartoe verplicht te zijn werkzaamheden verricht en begeleid wordt door een professional. Iemand die een beroep uitoefent in stageverband wordt niet aangemerkt als een vrijwilliger;

  • -

    vrijwilligersvergoeding: financiële tegemoetkoming voor het uitvoeren van vrijwilligerswerk;

  • -

    waarderingsvergoeding: kleine vergoeding in natura aan betrokken vrijwilligers bij de activiteit als blijk van waardering;

  • -

    zelfredzaamheid: het vermogen om zelfstandig je leven te leiden en met tegenslagen om te kunnen gaan;

  • -

    zelfregie: de ervaring dat iemand invloed en controle heeft over alle domeinen van het eigen leven en alles wat naar eigen inzicht nodig is om een goed leven te leiden. Anders dan bij zelfredzaamheid (het zelf doen) gaat het bij zelfregie over het zelf kiezen en het zelf bepalen;

  • -

    zelfregulatie: het vermogen om gedragingen, aandacht, emoties en cognitieve processen te controleren wanneer innerlijke stimuli of stimuli vanuit de omgeving worden ervaren.

Artikel 1:2 Toepassingsbereik

Deze subsidieregeling is van toepassing op de verstrekking van subsidies door het college voor de in de artikel 3:2, 4:2, 5:2 en 6:2 van deze regeling beschreven activiteiten.

Artikel 1:3 Achterliggend maatschappelijk doel van de subsidie

Het achterliggende maatschappelijke doel van de subsidieregeling is het versterken van jeugdigen of hun gezin ter voorkoming van problematiek of verdere verergering hiervan, zodat alle jeugdigen in een stimulerende en kansrijke omgeving kunnen opgroeien tot zelfredzame volwassenen die naar hun eigen vermogen kunnen meedoen aan de samenleving.

Artikel 1:4 Doelgroep

Subsidie wordt uitsluitend verstrekt aan rechtspersonen.

Artikel 1:5 Kosten die voor subsidie in aanmerking komen

  • 1. De subsidie heeft uitsluitend betrekking op de redelijkerwijs gemaakte kosten die resteren na aftrek van bijdragen van derden en die naar het oordeel van het college direct zijn verbonden met en noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een activiteit.

  • 2. Voor subsidie in aanmerking komt de BTW over de gesubsidieerde kosten voor zover die BTW niet teruggevorderd, verrekend of anderszins in mindering kan worden gebracht.

  • 3. Niet voor subsidie in aanmerking komen:

    • a.

      vrijwilligersvergoedingen;

    • b.

      kosten voor de waarderingsvergoeding die hoger zijn dan € 25,- per vrijwilliger per jaar tot een maximum van € 8.400,- per aanvraag;

    • c.

      onvoorziene kosten;

    • d.

      kosten voor overhead die meer bedragen dan 15 % van de kosten van de subsidiabele activiteiten;

    • e.

      de eventuele restwaarde van specifiek voor de subsidiabele activiteiten aangeschafte apparatuur;

    • f.

      kosten voor activiteiten die in aanmerking komen voor financiering vanuit andere gemeentelijke of niet-gemeentelijke regelingen;

    • g.

      kosten voor activiteiten die eerder door het college op basis van deze subsidieregeling of anderszins zijn gesubsidieerd.

Hoofdstuk 2 Aanvraag subsidie en termijnen

Artikel 2:1 Subsidietijdvak

Een aanvraag voor subsidie op grond van deze subsidieregeling wordt ingediend voor de periode van 1 januari 2027 tot en met 31 december 2028.

Artikel 2:2 Aanvraag subsidie

  • 1. De aanvrager dient per activiteit een aparte aanvraag in, waarbij een aanvraag niet kan zien op meerdere hoofdstukken.

  • 2. Onverminderd artikel 8, tweede tot en met vierde lid, van de ASV legt de aanvrager de volgende gegevens over:

    • a.

      een verklaring waaruit blijkt in hoeverre de subsidieontvanger als BTW belaste ondernemer is aan te merken;

    • b.

      een communicatieaanpak met in ieder geval daarin opgenomen:

      • de mate waarin de aanpak aansluit op de behoefte van de jeugdigen of hun gezin;

      • de wijze waarop jeugdigen worden bereikt;

      • de wijze waarop de activiteiten zichtbaar en vindbaar zijn;

    • c.

      een toelichting op de acties die worden ingezet ten behoeve van deskundigheidsbevordering van professionals; en

  • 3. Aanvullend op het tweede lid overlegt de aanvrager voor subsidie op grond van hoofdstuk 3, 4 en 5 van deze subsidieregeling een toelichting op de acties die worden ingezet ten behoeve van de opleiding van vrijwilligers.

  • 4. De aanvrager maakt voor de aanvraag gebruik van het door het college vastgestelde digitale aanvraagformulier en het begrotingsformat.

Artikel 2:3 Aanvraagtermijn

  • 1. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de ASV wordt een aanvraag om subsidie op grond van dit hoofdstuk ingediend van 15 april 2026 tot en met 27 mei 2026.

  • 2. Het college stelt aanvragers die uiterlijk op 13 mei 2026 hun aanvraag hebben ingediend in de gelegenheid hun aanvraag uiterlijk op 27 mei 2026 aan te vullen en geeft daarbij aan welke stukken ontbreken.

Artikel 2:4 Beslistermijn

In afwijking van artikel 10, eerste lid, van de ASV beslist het college op aanvragen om subsidie uiterlijk op 30 augustus 2026.

Hoofdstuk 3 Informatie en advies

Artikel 3:1 Doel van de subsidie

Het doel van de subsidie op grond van dit hoofdstuk is dat jeugdigen of het gezin van de jeugdigen worden voorzien van informatie en advies over het omgaan met, of tijdig hulp te vragen bij, vraagstukken die spelen bij opgroeien, volwassen worden, ouderschap en rondom de rechten van jeugdigen.

Artikel 3:2 Activiteiten

  • 1. Subsidie wordt uitsluitend verleend voor het aanbieden van informatie en advies aan jeugdigen of het gezin van de jeugdigen op één van de volgende thema’s:

    • a.

      opgroeien en volwassen worden;

    • b.

      het versterken van ouderschap; of

    • c.

      juridische kwesties van jeugdigen.

  • 2. De activiteiten bedoeld in het eerste lid worden uitgevoerd door professionals al dan niet met behulp van vrijwilligers.

  • 3. De aanvrager werkt bij het uitvoeren van de activiteiten bedoeld in het eerste lid structureel aan de deskundigheidsbevordering van de professionals die worden ingezet.

  • 4. De aanvrager werkt bij het uitvoeren van de activiteiten bedoeld in het eerste lid structureel aan de opleiding en de begeleiding van vrijwilligers, indien deze worden ingezet.

Artikel 3:3 Hoogte van de subsidie

De subsidie voor activiteiten op grond van dit hoofdstuk bedraagt per aanvraag maximaal:

  • a.

    € 400.000,- voor het kalenderjaar 2027; en

  • b.

    € 400.000,- voor het kalenderjaar 2028.

Artikel 3:4 Subsidieplafond

  • 1. Het subsidieplafond voor activiteiten op grond van dit hoofdstuk bedraagt € 3.000.000,- voor het subsidietijdvak en wordt verdeeld in de volgende deelplafonds:

    • a.

      voor het thema opgroeien en volwassen worden € 1.200.000,-;

    • b.

      voor het thema versterken van ouderschap € 1.200.000,-;

    • c.

      voor het thema juridische kwesties van jeugdigen € 600.000,-.

  • 2. Het college kan het subsidieplafond verlagen conform artikel 7, tweede lid, van de ASV.

  • 3. Een verlaging geldt ook voor reeds ingediende aanvragen.

  • 4. Het college kan in het geval van onderbesteding het resterend budget overhevelen naar het subsidieplafond van hoofdstuk 4, 5 en 6 van deze regeling.

Artikel 3:5 Wijze van verdeling

  • 1. Het college brengt een rangschikking aan in de aanvragen die op grond van dit hoofdstuk in aanmerking komen voor subsidie.

  • 2. Bij de rangschikking van de aanvragen voor activiteiten op grond van dit hoofdstuk kent het college punten toe aan de hand van de volgende criteria en tot het daarbij vermelde maximumaantal:

    • a.

      uit de aanvraag blijkt dat de activiteit aanvullend is op het bestaande aanbod in Den Haag en aantoonbaar van meerwaarde is voor de jeugdigen of het gezin van de jeugdigen. Dit blijkt uit behoefteonderzoek onder jeugdigen of gezinnen van jeugdigen en ketenpartners:

      • er heeft een behoefteonderzoek plaatsgevonden waarmee is onderbouwd dat de activiteit aanvullend is en meerwaarde heeft: 6 punten;

      • er heeft een behoefteonderzoek plaatsgevonden waarmee is onderbouwd dat de activiteit aanvullend is of meerwaarde heeft: 3 punten;

      • er heeft geen behoefteonderzoek plaatsgevonden of er heeft een behoefteonderzoek plaatsgevonden waarmee onvoldoende is onderbouwd dat de activiteit aanvullend is of meerwaarde heeft: 0 punten;

    • b.

      de aanvrager heeft aantoonbaar ervaring met het aanbieden van laagdrempelige informatie en advies als bedoeld in artikel 3:2, eerste lid. Dit blijkt uit de ervaring van de aanvrager:

      • ervaring van 3 jaar of meer: 4 punten;

      • ervaring van 1 tot 3 jaar: 2 punten;

      • ervaring van minder dan 1 jaar: 0 punten;

    • c.

      het netwerk van de aanvrager is voldoende relevant en betrokken bij de activiteit om jeugdigen of hun gezin naar de uit te voeren activiteit toe te leiden. Dit blijkt uit de kans dat jeugdigen of hun gezin vanuit het netwerk van de aanvrager naar de activiteit worden doorgeleid:

      • de kans is groot dat de doelgroep naar de activiteit wordt doorgeleid door het netwerk van de aanvrager: 6 punten;

      • de kans is redelijk dat de doelgroep naar de activiteit wordt doorgeleid door het netwerk van de aanvrager: 3 punten;

      • de kans is klein dat de doelgroep naar de activiteit wordt doorgeleid door het netwerk van de aanvrager: 0 punten;

    • d.

      de aanvrager benadert de jeugdigen of hun gezin op een wijze die aansluit op hun behoefte. Dit blijkt uit de aanpak voor communicatie die de aanvrager gebruikt om de doelgroep op diverse en proactieve manieren te bereiken en de mate waarin de activiteiten voor de doelgroep zichtbaar en vindbaar zijn:

      • de kans is groot dat met de beschreven aanpak voor communicatie de doelgroep wordt bereikt: 6 punten;

      • de kans is redelijk dat met de beschreven aanpak voor communicatie de doelgroep wordt bereikt: 3 punten;

      • de kans is klein dat met de beschreven aanpak voor communicatie de doelgroep wordt bereikt: 0 punten;

    • e.

      de aanvrager maakt bij de uitvoering van de activiteit gebruik van één of meerdere bewezen effectieve interventies. Dit blijkt uit de wetenschappelijke onderbouwing van die interventies:

      • alle interventies die bij de uitvoering van de activiteit worden ingezet zijn opgenomen in de Databank Effectieve jeugdinterventies van het Nederlands Jeugdinstituut: 4 punten;

      • een deel van de interventies die bij de uitvoering van de activiteit worden ingezet is opgenomen in de Databank Effectieve jeugdinterventies van het Nederlands Jeugdinstituut of zijn op een andere wijze wetenschappelijk onderbouwd of bewezen effectief: 2 punten;

      • geen van de te gebruiken interventies zijn wetenschappelijk onderbouwd of bewezen effectief: 0 punten.

  • 3. Een aanvraag komt alleen voor subsidie in aanmerking als daaraan minimaal 16 punten zijn toegekend.

  • 4. Wanneer het totaalbedrag van de te honoreren aanvragen hoger is dan het vastgestelde deelplafond op grond van dit hoofdstuk, honoreert het college de aanvragen in volgorde van de door het college aangebrachte rangschikking totdat het vastgestelde subsidieplafond bereikt is.

  • 5. Als aanvragen na toepassing van het vierde lid gelijk zijn gerangschikt, stelt het college de onderlinge rangschikking van die aanvragen vast aan de hand van de hoogte van het aangevraagde subsidiebedrag waarbij het laagste bedrag voorgaat.

  • 6. Als aanvragen na toepassing van het vijfde lid gelijk zijn gerangschikt, stelt het college de onderlinge rangschikking van die aanvragen vast door middel van loting.

Hoofdstuk 4 Ondersteuning van jeugdigen in kwetsbare posities met behulp van vrijwilligers

Artikel 4:1 Doel van de subsidie

Het doel van de subsidie op grond van dit hoofdstuk is het versterken van het opvoedklimaat rondom jeugdigen in een kwetsbare positie en het bieden van voldoende ondersteuning aan deze jeugdigen of hun gezin ter voorkoming van opgroeiproblematiek en verergering van deze problematiek.

Artikel 4:2 Activiteiten

  • 1. Subsidie wordt uitsluitend verleend voor activiteiten die jeugdigen in kwetsbare posities of het gezin van de jeugdigen ondersteunen, ter voorkoming van opgroeiproblematiek en verergering hiervan, dan wel ter versterking van het opvoedklimaat.

  • 2. De activiteiten uit het eerste lid worden uitgevoerd door professionals met behulp van minimaal 50% vrijwilligers.

  • 3. De aanvrager werkt bij het uitvoeren van de activiteiten bedoeld in het eerste lid structureel aan de deskundigheidsbevordering van de professionals die worden ingezet.

  • 4. De aanvrager werkt bij het uitvoeren van de activiteiten bedoeld in het eerste lid structureel aan de opleiding en de begeleiding van de vrijwilligers.

Artikel 4:3 Hoogte van de subsidie

De subsidie voor activiteiten op grond van dit hoofdstuk bedraagt per aanvraag:

  • d.

    maximaal € 400.000,- voor het kalenderjaar 2027; en

  • e.

    maximaal € 400.000,- voor het kalenderjaar 2028.

Artikel 4:4 Subsidieplafond

  • 1. het subsidieplafond voor activiteiten op grond van dit hoofdstuk bedraagt maximaal € 2.000.000,- waarbij:

    • a.

      maximaal € 1.000.000,- voor het kalenderjaar 2027; en

    • b.

      maximaal € 1.000.000,- voor het kalenderjaar 2028.

  • 2. Het college kan het subsidieplafond verlagen conform artikel 7, tweede lid, van de ASV.

  • 3. Een verlaging geldt ook voor reeds ingediende aanvragen.

  • 4. Het college kan in het geval van onderbesteding het resterend budget overhevelen naar het subsidieplafond van hoofdstuk 3, 5 en 6.

Artikel 4:5 Wijze van verdeling

  • 1. Het college brengt een rangschikking aan in de aanvragen die op grond van dit hoofdstuk in aanmerking komen voor subsidie.

  • 2. Bij de rangschikking van de aanvragen voor activiteiten op grond van dit hoofdstuk kent het college punten toe aan de hand van de volgende criteria en tot het daarbij vermelde maximumaantal:

    • a.

      uit de aanvraag blijkt dat de activiteit aanvullend is op het bestaande aanbod in Den Haag en aantoonbaar van meerwaarde is voor de jeugdigen of het gezin van de jeugdigen. Dit blijkt uit behoefteonderzoek onder jeugdigen of gezinnen van jeugdigen en ketenpartners:

      • er heeft een behoefteonderzoek plaatsgevonden waarmee is onderbouwd dat de activiteit aanvullend is en meerwaarde heeft: 6 punten;

      • er heeft een behoefteonderzoek plaatsgevonden waarmee is onderbouwd dat de activiteit aanvullend is of meerwaarde heeft: 3 punten;

      • er heeft geen behoefteonderzoek plaatsgevonden of er heeft een behoefteonderzoek plaatsgevonden waarmee onvoldoende is onderbouwd dat de activiteit aanvullend is of meerwaarde heeft: 0 punten;

    • b.

      de activiteit wordt uitgevoerd met inzet van vrijwilligers:

      • de activiteit wordt uitgevoerd door 75% vrijwilligers of meer: 4 punten;

      • de activiteit wordt uitgevoerd door 50% tot 75% vrijwilligers: 2 punten;

    • c.

      uit de aanvraag blijkt dat met een duidelijke werkwijze wordt gewerkt waarbij het traject in etappes is verdeeld om samen met de jeugdigen of het gezin van de jeugdigen te werken aan concrete doelen:

      • de kans is groot dat met de beschreven werkwijze concrete doelen worden behaald: 3 punten;

      • de kans is klein dat met de beschreven werkwijze concrete doelen worden behaald: 0 punten;

    • d.

      uit de aanvraag blijkt dat met uitvoering van de activiteit de zelfredzaamheid en het sociaal netwerk van de jeugdigen of het gezin van de jeugdigen worden versterkt:

      • de activiteit versterkt de zelfredzaamheid en het sociaal netwerk van de jeugdigen of het gezin: 4 punten;

      • de activiteit versterkt de zelfredzaamheid of het sociaal netwerk van de jeugdigen of het gezin: 2 punten;

      • de activiteit versterkt de zelfredzaamheid en het sociaal netwerk van de jeugdigen of het gezin niet: 0 punten;

    • e.

      het netwerk van de aanvrager is voldoende relevant en betrokken bij de activiteit om in staat te zijn jeugdigen of hun gezin naar de uit te voeren activiteit toe te leiden. Dit blijkt uit de kans dat de jeugdigen of hun gezin vanuit het netwerk van de aanvrager naar de activiteit worden doorgeleid:

      • de kans is groot dat de doelgroep naar de activiteit wordt doorgeleid door het netwerk van de aanvrager: 6 punten;

      • de kans is redelijk dat de doelgroep naar de activiteit wordt doorgeleid door het netwerk van de aanvrager: 3 punten;

      • de kans is klein dat de doelgroep naar de activiteit wordt doorgeleid door het netwerk van de aanvrager: 0 punten;

    • f.

      de aanvrager benadert de jeugdigen of hun gezin op een wijze die aansluit op hun behoefte. Dit blijkt uit de aanpak voor communicatie die de aanvrager gebruikt om de doelgroep op diverse en proactieve manieren te bereiken en de mate waarin de activiteiten voor de doelgroep zichtbaar en vindbaar zijn:

      • de kans is groot dat met de beschreven aanpak voor communicatie de doelgroep wordt bereikt: 6 punten;

      • de kans is redelijk dat met de beschreven aanpak voor communicatie de doelgroep wordt bereikt: 3 punten;

      • de kans is klein dat met de beschreven aanpak voor communicatie de doelgroep wordt bereikt: 0 punten;

    • g.

      de aanvrager maakt bij de uitvoering van de activiteit gebruik van één of meerdere bewezen effectieve interventies. Dit blijkt uit de wetenschappelijke onderbouwing van die interventies:

      • alle interventies die bij de uitvoering van de activiteit worden ingezet zijn opgenomen in de Databank Effectieve jeugdinterventies van het Nederlands Jeugdinstituut: 4 punten;

      • een deel van de interventies die bij de uitvoering van de activiteit worden ingezet is opgenomen in de Databank Effectieve jeugdinterventies van het Nederlands Jeugdinstituut of zijn op een andere wijze wetenschappelijk onderbouwd of bewezen effectief: 2 punten;

      • geen van de te gebruiken interventies zijn wetenschappelijk onderbouwd of bewezen effectief: 0 punten.

  • 3. Een aanvraag komt alleen voor subsidie in aanmerking als daaraan minimaal 20 punten zijn toegekend.

  • 4. Wanneer het totaalbedrag van de te honoreren aanvragen hoger is dan het vastgestelde subsidieplafond op grond van dit hoofdstuk, honoreert het college de aanvragen in volgorde van de door het college aangebrachte rangschikking, totdat het vastgestelde subsidieplafond bereikt is.

  • 5. Als aanvragen na toepassing van het vierde lid gelijk zijn gerangschikt, stelt het college de onderlinge rangschikking van die aanvragen vast aan de hand van de hoogte van het aangevraagde subsidiebedrag waarbij het laagste bedrag voorgaat.

  • 6. Als aanvragen na toepassing van het vijfde lid gelijk zijn gerangschikt, stelt het college de onderlinge rangschikking van die aanvragen vast door middel van loting.

Hoofdstuk 5 Ondersteuning aan (aanstaande) ouders in kwetsbare positie

Artikel 5:1 Doel van de subsidie

Het doel van de subsidie op grond van dit hoofdstuk is het versterken van de positie van ouders of aanstaande ouders in een kwetsbare positie tijdens de zwangerschap en binnen de eerste vier levensjaren van de jeugdigen, zodat deze jeugdigen in een stimulerende en kansrijke omgeving kunnen opgroeien.

Artikel 5:2 Activiteiten

  • 1. Subsidie wordt uitsluitend verleend voor activiteiten die zorg of ondersteuning bieden aan ouders of aanstaande ouders in een kwetsbare positie en welke zijn gericht op één of meer van de volgende thema’s:

    • a.

      gezondheid, armoede en de wisselwerking hiertussen;

    • b.

      de voorbereiding op het aanstaande ouderschap;

    • c.

      het bijdragen aan signalering van risicofactoren binnen het gezin en samenwerking met of doorverwijzing naar prenatale ondersteuning wanneer noodzakelijk; of

    • d.

      het bijdragen aan stressreductie tijdens de zwangerschap.

  • 2. De activiteiten uit het eerste lid worden uitgevoerd door professionals al dan niet met behulp van vrijwilligers, waarbij de professionals beschikken over een relevant netwerk voor het bereiken van ouders en aanstaande ouders.

  • 3. De aanvrager werkt bij het uitvoeren van de activiteiten bedoeld in eerste lid structureel aan de deskundigheidsbevordering van de professionals die worden ingezet.

  • 4. De aanvrager werkt bij het uitvoeren van de activiteiten bedoeld in eerste lid structureel aan de opleiding en de begeleiding van de vrijwilligers, indien deze worden ingezet.

Artikel 5:3 Hoogte van de subsidie

De subsidie voor activiteiten op grond van dit hoofdstuk bedraagt per aanvraag:

  • a.

    maximaal € 300.000,- voor het kalenderjaar 2027; en

  • b.

    maximaal € 300.000,- voor het kalenderjaar 2028.

Artikel 5:4 Subsidieplafond

  • 1. Het subsidieplafond voor activiteiten op grond van dit hoofdstuk bedraagt € 2.200.000,- voor het subsidietijdvak.

  • 2. Het college kan het subsidieplafond verlagen conform artikel 7, tweede lid, van de ASV.

  • 3. Een verlaging geldt ook voor reeds ingediende aanvragen.

  • 4. Het college kan in het geval van onderbesteding het resterend budget overhevelen naar het subsidieplafond van hoofdstuk 3, 4 en 6.

Artikel 5:5 Wijze van verdeling

  • 1. Het college brengt een rangschikking aan in de aanvragen die op grond van dit hoofdstuk in aanmerking komen voor subsidie.

  • 2. Bij de rangschikking van de aanvragen voor activiteiten op grond van dit hoofdstuk kent het college punten toe aan de hand van de volgende criteria en tot het daarbij vermelde maximumaantal:

    • a.

      uit de aanvraag blijkt dat er bij de uitvoering van de activiteit samenwerking en waar noodzakelijk doorverwijzing plaatsvindt tussen het medisch en sociaal domein: 2 punten;

    • b.

      uit de aanvraag blijkt dat de activiteit aanvullend is op het bestaande aanbod in Den Haag en aantoonbaar van meerwaarde is voor ouders of aanstaande ouders. Dit blijkt uit behoefteonderzoek onder ouders, aanstaande ouders en ketenpartners:

      • er heeft een behoefteonderzoek plaatsgevonden waarmee is onderbouwd dat de activiteit aanvullend is en meerwaarde heeft: 6 punten;

      • er heeft een behoefteonderzoek plaatsgevonden waarmee is onderbouwd dat de activiteit aanvullend is of meerwaarde heeft: 3 punten;

      • er heeft geen behoefteonderzoek plaatsgevonden of er heeft een behoefteonderzoek plaatsgevonden waarmee onvoldoende is onderbouwd dat de activiteit aanvullend is of meerwaarde heeft: 0 punten;

    • c.

      het netwerk van de aanvrager is voldoende relevant en betrokken bij de activiteit om in staat te zijn ouders of aanstaande ouders naar de uit te voeren activiteit toe te leiden. Dit blijkt uit de kans dat ouders of aanstaande ouders in een kwetsbare positie vanuit het netwerk van de aanvrager naar de activiteit worden doorgeleid:

      • de kans is groot dat de doelgroep naar de activiteit wordt doorgeleid door het netwerk van de aanvrager: 6 punten;

      • de kans is redelijk dat de doelgroep naar de activiteit wordt doorgeleid door het netwerk van de aanvrager: 3 punten;

      • de kans is klein dat de doelgroep naar de activiteit wordt doorgeleid door het netwerk van de aanvrager: 0 punten;

    • d.

      de aanvrager benadert ouders of aanstaande ouders op een wijze die aansluit op hun behoefte. Dit blijkt uit de aanpak voor communicatie die de aanvrager gebruikt om de doelgroep op diverse en proactieve manieren te bereiken en de mate waarin de activiteiten voor de doelgroep zichtbaar en vindbaar zijn:

      • de kans is groot dat met de beschreven aanpak voor communicatie de doelgroep wordt bereikt: 6 punten;

      • de kans is redelijk dat met de beschreven aanpak voor communicatie de doelgroep wordt bereikt: 3 punten;

      • de kans is klein dat met de beschreven aanpak voor communicatie de doelgroep wordt bereikt: 0 punten;

    • e.

      de aanvrager zet bij de uitvoering van de activiteit in op het versterken van het sociaal netwerk van ouders of aanstaande ouders:

      • de activiteit versterkt het sociaal netwerk uitstekend: 3 punten;

      • de activiteit versterkt het sociaal netwerk goed: 2 punten;

      • de activiteit versterkt het sociaal netwerk redelijk: 1 punt;

      • de activiteit versterkt het sociaal netwerk beperkt: 0 punten.

  • 3. Een aanvraag komt alleen voor subsidie in aanmerking als daaraan minimaal 14 punten zijn toegekend.

  • 4. Wanneer het totaalbedrag van de te honoreren aanvragen hoger is dan het vastgestelde subsidieplafond op grond van dit hoofdstuk, honoreert het college de aanvragen in volgorde van de door het college aangebrachte rangschikking totdat het vastgestelde subsidieplafond bereikt is.

  • 5. Als aanvragen na toepassing van het vierde lid gelijk zijn gerangschikt, stelt het college de onderlinge rangschikking van die aanvragen vast aan de hand van de hoogte van het aangevraagde subsidiebedrag waarbij het laagste bedrag voorgaat.

  • 6. Als aanvragen na toepassing van het vijfde lid gelijk zijn gerangschikt, stelt het college de onderlinge rangschikking van die aanvragen vast door middel van loting.

Hoofdstuk 6 Terugdringen psychosociale problematiek en versterken mentale weerbaarheid van jeugdigen

Artikel 6:1 Doel van de subsidie

Het doel van de subsidie is het versterken van de mentale weerbaarheid van jeugdigen en het voorkomen of terugdringen van psychosociale problematiek bij jeugdigen.

Artikel 6:2 Activiteiten

  • 1. Subsidie wordt uitsluitend verleend voor activiteiten gericht op:

    • a.

      het voorkomen en terugdringen van psychosociale problemen dan wel het versterken van mentale weerbaarheid van jeugdigen of het gezin van jeugdigen; en

    • b.

      deze activiteitenzijn gericht op het versterken van de positieve identiteit, sociale vaardigheden, zelfregie of zelfregulatie van de jeugdigen of het gezin;

  • 2. De activiteiten uit het eerste lid worden enkel uitgevoerd door professionals.

  • 3. Bij het uitvoeren van de activiteiten in het eerste lid werkt de aanvrager structureel aan deskundigheidsbevordering van de professionals die worden ingezet.

Artikel 6:3 Hoogte van de subsidie

De subsidie voor activiteiten op grond van dit hoofdstuk bedraagt per aanvraag:

  • a.

    maximaal € 200.000,- voor het kalenderjaar 2027; en

  • b.

    maximaal € 200.000,- voor het kalenderjaar 2028.

Artikel 6:4 Subsidieplafond

  • 1. Het subsidieplafond voor activiteiten op grond van dit hoofdstuk bedraagt maximaal € 1.900.000,- waarbij:

    • a.

      maximaal € 950.000,- voor het kalenderjaar 2027; en

    • b.

      maximaal € 950.000,- voor het kalenderjaar 2028.

  • 2. Het college kan het subsidieplafond verlagen conform artikel 7, tweede lid, van de ASV.

  • 3. Een verlaging geldt ook voor reeds ingediende aanvragen.

  • 4. Het college kan in het geval van onderbesteding het resterend budget overhevelen naar het subsidieplafond van hoofdstuk 3, 4 en 5.

Artikel 6:5 Wijze van verdeling

  • 1. Het college brengt een rangschikking aan in de aanvragen die op grond van dit hoofdstuk in aanmerking komen voor subsidie.

  • 2. Bij de rangschikking van de aanvragen voor activiteiten op grond van dit hoofdstuk kent het college punten toe aan de hand van de volgende criteria en tot het daarbij vermelde maximumaantal:

    • a.

      wanneer uit de aanvraag blijkt dat de activiteit zich richt op één of meer van de volgende thema’s scoort de aanvrager maximaal vier punten:

      • het voorkomen en terugdringen van psychosociale problemen dan wel versterking van mentale weerbaarheid en mentaal welbevinden van jeugdigen of ondersteuning van het gezin van de jeugdige, dit blijkt uit de inzet van activiteiten gericht op sport, bewegen of cultuur: 2 punten;

      • het voorkomen dan wel het terugdringen van psychosociale problemen. Dit blijkt uit de inzet van activiteiten gericht op de vermindering van eenzaamheid van jeugdigen en het gezin: 2 punten;

      • 3°.

        het versterken van de mentale weerbaarheid van de jeugdige. Dit blijkt uit activiteiten gericht op relationele- en seksuele weerbaarheid van jeugdigen: 2 punten;

      • het versterken van de mentale weerbaarheid van de jeugdige. Dit blijkt uit activiteiten gericht op de digitale weerbaarheid en bewustwording van de gevaren van de online leefwereld van jeugdigen: 2 punten;

    • b.

      uit de aanvraag blijkt dat de activiteit aanvullend is op het bestaande aanbod in Den Haag en aantoonbaar van meerwaarde is voor de jeugdigen of het gezin van de jeugdigen. Dit blijkt uit behoefteonderzoek onder jeugdigen of gezinnen van jeugdigen en ketenpartners:

      • er heeft een behoefteonderzoek plaatsgevonden waarmee is onderbouwd dat de activiteit aanvullend is en meerwaarde heeft: 6 punten;

      • er heeft een behoefteonderzoek plaatsgevonden waarmee is onderbouwd dat de activiteit aanvullend is of meerwaarde heeft: 3 punten;

      • er heeft geen behoefteonderzoek plaatsgevonden of er heeft een behoefteonderzoek plaatsgevonden waarmee onvoldoende is onderbouwd dat de activiteit aanvullend is of meerwaarde heeft: 0 punten;

    • c.

      bij de uitvoering van de in artikel 6:2 opgenomen activiteiten zet de aanvrager in op lotgenotencontact en psycho-educatie voor de jeugdigen:

      • de activiteit zorgt voor lotgenotencontact voor de jeugdigen: 2 punten;

      • er is aandacht voor psycho-educatie voor de jeugdigen: 2 punten;

    • d.

      de aanvrager heeft aantoonbaar ervaring met het voorkomen en terugdringen van psychosociale problemen dan wel het versterken van mentale weerbaarheid van jeugdigen of het gezin van jeugdigen. Dit blijkt uit de ervaring van de aanvrager:

      • ervaring van 3 jaar of meer: 4 punten;

      • ervaring van 1 tot 3 jaar: 2 punten;

      • ervaring van minder dan 1 jaar: 0 punten;

    • e.

      de activiteit versterkt de weerbaarheid van de jeugdigen:

      • de activiteit versterkt de positieve identiteit van de jeugdigen: 2 punten;

      • de activiteit versterkt de sociale vaardigheden van de jeugdigen: 2 punten;

      • de activiteit versterkt de zelfregie van de jeugdigen: 2 punten;

      • de activiteit versterkt de zelfregulatie van de jeugdigen: 2 punten;

    • f.

      de aanvrager zet bij de uitvoering van de activiteit in op het versterken van het sociaal netwerk van de jeugdigen:

      • de activiteit versterkt het sociaal netwerk uitstekend: 4 punten;

      • de activiteit versterkt het sociaal netwerk beperkt: 2 punten;

      • de activiteit versterkt het sociaal netwerk niet: 0 punten;

    • g.

      nadat de begeleiding aan de jeugdigen is afgerond levert de aanvrager, waar nodig, passende nazorg en verwijst door wanneer andere hulp nodig is: 2 punten;

    • h.

      het netwerk van de aanvrager is voldoende relevant en betrokken bij de activiteit om in staat te zijn de jeugdigen of hun gezin naar de uit te voeren activiteit toe te leiden. Dit blijkt uit de kans dat jeugdigen of hun gezin vanuit het netwerk van de aanvrager naar de activiteit worden doorgeleid:

      • de kans is groot dat de doelgroep naar de activiteit wordt geleid door het netwerk van de aanvrager: 6 punten;

      • de kans is redelijk dat de doelgroep naar de activiteit wordt geleid door het netwerk van de aanvrager: 3 punten;

      • de kans is klein dat de doelgroep naar de activiteit wordt geleid door het netwerk van de aanvrager: 0 punten;

    • i.

      de aanvrager benadert de jeugdigen op een wijze die aansluit op de behoefte van de jeugdigen of hun gezin. Dit blijkt uit de aanpak voor communicatie die de aanvrager gebruikt om de doelgroep op diverse en proactieve manieren te bereiken en de mate waarin de activiteiten voor de doelgroep zichtbaar en vindbaar zijn:

      • de kans is groot dat met de beschreven aanpak voor communicatie de doelgroep wordt bereikt: 6 punten;

      • de kans is redelijk dat met de beschreven aanpak voor communicatie de doelgroep wordt bereikt: 3 punten;

      • de kans is klein dat met de beschreven aanpak voor communicatie de doelgroep wordt bereikt: 0 punten;

    • j.

      de aanvrager maakt bij de uitvoering van de activiteit gebruik van één of meerdere bewezen effectieve interventies. Dit blijkt uit de wetenschappelijke onderbouwing van die interventies:

      • alle interventies die bij de uitvoering van de activiteit worden ingezet zijn opgenomen in de Databank Effectieve jeugdinterventies van het Nederlands Jeugdinstituut: 4 punten;

      • een deel van de interventies die bij de uitvoering van de activiteit worden ingezet is opgenomen in de Databank Effectieve jeugdinterventies van het Nederlands Jeugdinstituut of zijn op een andere wijze wetenschappelijk onderbouwd of bewezen effectief : 2 punten;

      • geen van de te gebruiken interventies zijn wetenschappelijk onderbouwd of bewezen effectief: 0 punten.

  • 3. Alleen aanvragen met een toegekend puntenaantal van 29 punten of meer komen in aanmerking voor subsidie.

  • 4. Wanneer het totaalbedrag van de te honoreren aanvragen hoger is dan het vastgestelde subsidieplafond op grond van dit hoofdstuk, honoreert het college de aanvragen in volgorde van de door het college aangebrachte rangschikking, totdat het vastgestelde subsidieplafond bereikt is.

  • 5. Als aanvragen na toepassing van het vierde lid gelijk zijn gerangschikt, stelt het college de onderlinge rangschikking van die aanvragen vast aan de hand van de hoogte van het aangevraagde subsidiebedrag waarbij het laagste bedrag voorgaat.

  • 6. Als aanvragen na toepassing van het vijfde lid gelijk zijn gerangschikt, stelt het college de onderlinge rangschikking van die aanvragen vast door middel van loting.

Hoofdstuk 7 Weigeringsgronden

Artikel 7:1 Weigeringsgronden

Onverminderd de artikelen 4:25, tweede lid, en 4:35 van de Awb en artikel 11, eerste tot en met het vierde lid, van de ASV weigert het college een subsidie als het van oordeel is dat:

  • a.

    de aanvraag wordt gedaan voor activiteiten die reeds in voldoende mate door het college of anderszins gefinancierd worden;

  • b.

    de aanvraag wordt gedaan voor activiteiten die reeds in voldoende mate worden uitgevoerd door anderen;

  • c.

    de hoogte van de kosten waarvoor subsidie wordt aangevraagd niet evenredig is tot het doel van deze subsidieregeling; of

  • d.

    uit de aanvraag blijkt dat de organisatie van de aanvrager naar gangbare bedrijfseconomische principes financieel ongezond is of de financiële continuïteit dan wel de continuïteit van de bedrijfsvoering van de aanvrager onzeker is.

Hoofdstuk 8 Verplichtingen en betaling

Artikel 8:1 Verplichtingen

Onverminderd de artikelen 12 en 13 van de ASV, gelden voor de subsidieontvanger de volgende verplichtingen:

  • a.

    de subsidieontvanger is verplicht mee te werken aan de steekproefcontrole door het college om te beoordelen of de subsidie terecht is verstrekt;

  • b.

    de vrijwilligers die ingezet worden voor de activiteiten als bedoeld in de artikelen 3:2, 4:2 en 5:2 beschikken over een verklaring omtrent gedrag;

  • c.

    wanneer deelnemers van de activiteit hulp of ondersteuning nodig hebben waarin de activiteit niet voorziet, verwijst de aanvrager de deelnemers door naar passend alternatief aanbod; en

  • d.

    de aanvrager zoekt gedurende de looptijd van de subsidie de samenwerking op met de samenwerkingsverbanden Jeugd‑ en Gezinshulp Den Haag om bij te dragen aan het versterken van het preventieve jeugdhulp aanbod in de stad.

Artikel 8:2 Kostensoorten

Subsidie die bij de beschikking tot verlening verdeeld is over verschillende kostensoorten, mag alleen door de aanvrager van de ene kostensoort naar de andere kostensoort worden overgeheveld na voorafgaande uitdrukkelijke toestemming van het college.

Artikel 8:3 Bevoorschotting

Bevoorschotting bedraagt 100% van de verleende subsidie en wordt in twee gelijke delen verstrekt in januari 2027 en januari 2028.

Hoofdstuk 9 Tussentijdse verantwoording

Artikel 9:1 Tussentijdse verantwoording

  • 1. De subsidieontvanger maakt voor de tussentijdse verantwoording als bedoeld in artikel 16a van de ASV gebruik van het door het college vastgestelde digitale verantwoordingsformulier.

  • 2. Onverminderd artikel 16a van de ASV vindt op initiatief van de subsidieontvanger in september of oktober van 2027 en van 2028 een voortgangsgesprek met het college plaats waarin de voortgang op de activiteiten wordt besproken.

  • 3. De subsidieontvanger stuurt minimaal 7 dagen voorafgaand aan het gesprek als bedoeld in het tweede lid een ingevuld en door het college vastgesteld format voortgangsgesprek toe.

Hoofdstuk 10 Overige bepalingen

Artikel 10:1 Evaluatie

Het college evalueert deze subsidieregeling uiterlijk 30 juni 2029.

Artikel 10:2 Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van publicatie in het Gemeenteblad en vervalt 31 december 2030.

Artikel 10:3 Citeertitel

Deze subsidieregeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling jeugdpreventie Den Haag 2026.

Ondertekening

Den Haag, 31 maart 2026

Het college van burgemeester en wethouders,

de secretaris,

Ilma Merx

de locoburgemeester,

Mariëlle Vavier