Beleidsregel Wmo Verplaatsen en Vervoer Hof van Twente 2026

Geldend van 01-04-2026 t/m heden

Intitulé

Beleidsregel Wmo Verplaatsen en Vervoer Hof van Twente 2026

Burgemeester en wethouders van de gemeente Hof van Twente;

gelet op het bepaalde in de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en de Verordening

maatschappelijke ondersteuning gemeente Hof van Twente 2025;

besluiten:

1. vast te stellen de BELEIDSREGEL WMO VERPLAATSEN EN VERVOER HOF VAN

TWENTE 2026 voor de beoordeling van meldingen en aanvragen om rolstoelen en

vervoervoorzieningen op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015

met inachtneming van het volgende:

a. Het Handboek maatschappelijke ondersteuning gemeente Hof van Twente 2015

wordt ingetrokken per 1 april 2026;

b. deze beleidsregel wordt aangehaald als: “Beleidsregel Wmo Verplaatsen en

vervoer Hof van Twente 2026”;

c. deze beleidsregel treedt in werking op 1 april 2026.

2. dat aanvragen voor een rolstoel en/of een vervoervoorziening die voor 1 april 2026

zijn ingediend, en waarop op 1 april 2026 nog geen besluit is genomen, worden

beoordeeld op grond van de dan vigerende Verordening maatschappelijke

ondersteuning en deze nieuwe beleidsregel.

1. Inleiding

Gemeenten zijn op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015

verantwoorde-lijk voor het compenseren van beperkingen in zelfredzaamheid en

participatie. Dit met de bedoeling dat inwoners zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving

kunnen blijven wonen. Met beperking bedoelen we een lichamelijke, verstandelijke,

zintuiglijke, psychische en/of psychosociale beperking.

In deze beleidsregel gaat het over zelfredzaamheid en participatie, meedoen in de

samen-leving. Zelfredzaamheid houdt (ook) in dat iemand zich in en rondom de woning

moet kunnen verplaatsen. Om te kunnen participeren, moet iemand in staat zijn zich te

kunnen verplaatsen en vervoeren, in en rondom de woning. Ook een persoon met

beperkingen moet in voldoende mate kunnen deelnemen aan activiteiten, winkels

kunnen bereiken en sociale contacten kunnen onderhouden.

Er wordt een onderscheid gemaakt tussen verplaatsen en vervoeren. Verplaatsen gaat

met name over het overbruggen van kleine afstanden in en rondom de woning.

Hulpmiddelen hierbij zijn met name rolstoelen.

Vervoer gaat het overbruggen van afstanden buitenshuis, zowel in de directe

leefomgeving als over grotere afstanden. Het gaat dan om allerlei vormen van

(taxi)vervoer, al dan niet in combinatie met gebruik van een vervoermiddel.

Veelvoorkomende vervoermiddelen zijn scootmobielen en driewielfietsen.

2. Andere oplossingen

Voordat een maatwerkvoorziening wordt ingezet, wordt onderzocht of en in hoeverre

eigen kracht, gebruikelijke hulp, het sociaal netwerk, algemeen gebruikelijke

voorzieningen, algemene voorzieningen en welzijnsvoorzieningen een oplossing kunnen

bieden. Dit staat in artikel 2.3.5 lid 3 van de Wmo2015. De Wmo2015 is een vangnet.

2.1. Eigen kracht

De Wmo2015 gaat ervan uit dat iedereen zich zo veel mogelijk inspant om zelf de

ondervonden problemen op te lossen. Dit is de eigen kracht.

Het kan zijn dat behandeling ertoe leidt dat beperkingen verminderen waardoor geen

hulpmiddel meer nodig is. Behandeling gaat voor op een Wmo-maatwerkvoorziening.

Onder eigen kracht valt ook dat aanspraak gemaakt wordt op andere wettelijke

regelingen. Te denken valt aan de Wet langdurige zorg (Wlz), Zorgverzekeringswet

(Zvw) en de Participatiewet (Pwet). Maar ook gebruik maken van vervoer voor woon

werkverkeer (UWV) of leerlingenvervoer (woon-school) hoort bij eigen kracht.

Als de cliënt recht heeft op zorg op grond van de Wlz, bestaat in principe geen recht op

ondersteuning op grond van de Wmo2015. Eigen kracht betekent dat de Wlz-aanspraak

te gelde moet worden gebracht. Dit geldt ook als, naar oordeel van het college, er

redenen zijn om aan te nemen dat de cliënt aanspraak kan maken op verblijf op grond

van de Wlz, maar weigert mee te werken aan het verkrijgen van een besluit voor verblijf

vanuit de Wlz. Het college kan de cliënt niet dwingen dat hij Wlz-zorg aanvraagt; dat is

uiteindelijk de keuze van de cliënt. Wel geldt dat wanneer de cliënt naar verwachting aan

de criteria voor de Wlz voldoet, maar geen aanvraag wil doen, hij de gevolgen niet op het

college kan afwentelen.

2.2. Uitleen

Op grond van de Zorgverzekeringswet bestaat de mogelijkheid om diverse

voorzieningen, zoals een rolstoel, te lenen bij een uitleenorganisatie (Medipoint, Vegro).

3. Verplaatsen

Zichzelf kunnen verplaatsen is essentieel bij zelfredzaamheid en participatie.

Verplaatsen in en om de woning kan op verschillende wijzen plaatsvinden. Lopend met

krukken of een rollator, met een trippelstoel, of met een rolstoel. Van deze voorzieningen

valt alleen de rolstoel onder de Wmo2015.

Een rolstoelvoorziening is bedoeld om een persoon met beperkingen in staat te stellen

zich zittend in en om rond de woning te verplaatsen zodat het normale gebruik van de

woning zoveel mogelijk gewaarborgd is. Het gaat dus om het dagelijks zittend

verplaatsen. De persoon heeft dan geen of onvoldoende loopcapaciteit en een

loophulpmiddel is ontoereikend.

Inwoners die niet dagelijks maar slechts af en toe een rolstoel nodig hebben, komen niet

in aanmerking voor deze maatwerkvoorziening. Te denken valt aan inwoners die de

rolstoel alleen nodig hebben tijdens een dagje uit, een middagje winkelen of een

wekelijkse wandeling met familie of kennissen. In deze situaties kan op grond van de

Zorgverzekeringswet een rolstoel worden geleend. Ook kan het zijn dat een leenrolstoel

beschikbaar is op de plek van bestemming, zoals een ziekenhuis of openbare instelling.

Het college beperkt zich het verstrekken van rolstoelen voor dagelijks en permanent

gebruik.

We onderscheiden drie soorten rolstoelen, namelijk handbewogen rolstoelen, elektrische

rolstoelen en sportrolstoelen.

3.1. Handbewogen rolstoelen

Handbewogen rolstoelen zijn bedoeld voor gebruikers die voor de verplaatsing vrijwel

volledig afhankelijk zijn van een rolstoel, dus een zeer beperkte loopafstand hebben. De

rolstoel is nodig voor nagenoeg elke verplaatsing in huis en buitenshuis.

Afhankelijk van de individuele situatie wordt de rolstoel aangepast met bijvoorbeeld een

stokhouder, een taxi-fixatieset of zitorthese.

Een rolstoel kan worden uitgerust met electrische duwondersteuning. Daarvoor wordt

ook onderzocht wie de rolstoel gaat duwen, of er een noodzaak is dat deze persoon de

ondersteuning nodig heeft en of die persoon in staat is om de duwondersteuning aan- en

af te koppelen.

3.2. Electrische rolstoel

Een electrische rolstoel is bedoeld voor gebruikers die zich niet of nauwelijks lopend

kunnen voortbewegen en voor wie een handbewogen rolstoel niet passend en

toereikend is. Deze voorziening wordt dan veelal zowel binnenshuis als buitenshuis

gebruikt.

3.3. Sportrolstoel

Een sportrolstoel is primair bedoeld voor sportbeoefening. Sportrolstoelen kenmerken

zich door scheefstand van de grote wielen om de stabiliteit te vergroten en te voorkomen

dat de handen ingeklemd worden wanneer twee sportende rolstoelers langs elkaar heen

rijden.

Een sportrolstoel kan worden verstrekt als sporten zonder sportrolstoel onmogelijk is

door aantoonbare beperkingen.

Het moet wel gaan om frequent en structureel gebruik. Dit om te voorkomen dat er een

sportrolstoel wordt aangeschaft die na enkele keren sporten niet meer wordt gebruikt.

Een criterium hiervoor is lidmaatschap bij een (gehandicaptensport) vereniging.

Een sportrolstoel wordt alleen in de vorm van een financiële tegemoetkoming verstrekt.

In het Besluit maatschappelijke ondersteuning worden voorwaarden en hoogte van deze

tegemoetkoming vastgelegd.

3.4. Verstrekkingsvormen

Rolstoelen kunnen zowel in natura als in de vorm van een persoonsgebonden budget

(PGB) worden verstrekt. Uitgangspunt is verstrekking in natura via één van de door het

college gecontracteerde leveranciers. Indien de cliënt budgetvaardig is en met een PGB

zelf een rolstoel wil aanschaffen, overlegt de cliënt een offerte van de aan te schaffen

voorziening. De hoogte van het PGB wordt gebaseerd op die offerte. Er is wel een

maximum, namelijk de kostprijs van een vergelijkbare voorziening in natura, zoals het

college die met de gecontracteerde leveranciers heeft afgesproken.

3.4.1. Instandhoudingskosten

Is een rolstoel verstrekt in de vorm van een PGB, dan kan ook recht bestaan op een

budget voor kosten van reparatie en onderhoud, en zo nodig verzekering, van de

rolstoel. Ook hier geldt dat de hoogte van het PGB niet meer bedraagt dan de

instandhoudingskosten die zijn afgesproken met gecontracteerde leveranciers. In de

Wmo-verordening en in het Besluit maatschappelijke ondersteuning is dit verder

uitgewerkt.

4. Vervoer

De door het college, ter compensatie van beperkingen bij het zich lokaal verplaatsen te

verstrekken voorziening kan bestaan uit:

a. een algemene vervoervoorziening

b. een collectieve vervoervoorziening (Maatwerkvervoer);

c. een vervoermiddel in natura of als persoonsgebonden budget

d. een financiële tegemoetkoming in kosten van individueel gebruik van een taxi of eigen

auto

Wanneer een inwoner geen gebruik kan maken van het openbaar vervoer, niet beschikt

over voldoende eigen kracht en geen algemene vervoervoorziening aanwezig of geschikt

is, ligt het primaat bij gebruik van het Maatwerkvervoer (Regiotaxi). Het Maatwerkvervoer

is een vorm van collectief (rolstoel)taxivervoer. Biedt het Maatwerkvervoer geen

passende oplossing, dan komen andere (dus individuele) voorzieningen in aanmerking.

Het college onderzoekt de persoonlijke factoren van de persoon met beperkingen en

stelt vast op welke gebieden de cliënt problemen ondervindt in het vervullen van zijn

vervoerbehoefte. Zij doet dat conform het stappenplan van de Centrale Raad van

Beroep. Vervoerproblemen met enkel een financiële achtergrond of het ontbreken van

het openbaar vervoer, vallen niet onder de Wmo. Het moet immers gaan om

beperkingen.

4.1. Andere oplossingen

Eerst wordt onderzocht of de inwoner zelf, met hulp van huisgenoten of het netwerk, met

algemene voorzieningen, algemeen gebruikelijke voorzieningen of op andere wijze zelf

het vervoerprobleem kan oplossen.

Eigen kracht

Ook als het gaat om vervoer, wordt eerst beoordeeld of de cliënt zelf mogelijkheden

heeft om de ondervonden problemen op te lossen. Zie ook paragraaf 2.1.

Algemeen gebruikelijke voorzieningen

Als een algemeen gebruikelijke voorziening een oplossing biedt, is verstrekking van een

maatwerkvoorziening niet nodig. Een voorziening is algemeen gebruikelijk als deze:

  • niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking;

  • daadwerkelijk beschikbaar is;

  • een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt

tot zelfredzaamheid of participatie in staat is en

  • deze financieel gedragen kan worden met een inkomen op minimumniveau. Dat

wil zeggen als deze naar algemeen aanvaarde maatschappelijke opvattingen

onder de gehele bevolking gangbaar is te achten.

Bezit eigen auto

Een auto is algemeen gebruikelijk. Het voldoet aan de vier hiervoor genoemde

voorwaarden. Als de cliënt bij de melding al in het bezit is van een auto, dan is het niet

onredelijk om voortzetting van het gebruik van die auto te veronderstellen. Er is dan

geen reden om een maatwerkvoorziening ter vervanging van die auto of als bekostiging

van het gebruik van die auto te verstrekken. De situatie van de cliënt is dan immers niet

anders dan toen nog geen beperkingen in het vervoer werden ondervonden. Dit geldt

met name voor vervoer over grotere afstanden. Niet uitgesloten is dat voor vervoer over

kortere afstanden in de eigen leefomgeving een hulpmiddel wordt verstrekt.

Wel moet altijd onderzoek worden gedaan of ook in de individuele situatie van de cliënt

het bezit en gebruik van de eigen auto algemeen gebruikelijk is.

Automaatje

Een andere vervoermogelijkheid waarvan gebruik gemaakt kan worden, is bijvoorbeeld

ANWB-Automaatje.

Valys

Voor vervoer over grotere afstanden dan 25 kilometer kan de inwoner gebruik maken

van de mogelijkheden van het bovenregionale vervoer dat Valys in opdracht van het

ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) uitvoert.

4.2. Reikwijdte compensatieplicht

De reikwijdte van gemeente om te compenseren beperkt zich in principe tot de directe

leefomgeving van de persoon met beperkingen en richt zich op deelname aan het leven

van alledag in de directe leefomgeving. Het gaat dan om het kunnen bereiken van

winkels, het onderhouden van sociale contacten en het kunnen deelnemen aan

recreatieve of maat-schappelijke activiteiten. Deze compensatieplicht is beperkt tot

maximaal 30 kilometer vanaf het woon- of vertrekadres binnen de gemeente.

Een andere beperking is het bereik op jaarbasis. Deze is in Hof van Twente beperkt tot

1850 kilometer per kalenderjaar. Uit constante jurisprudentie blijkt dat een vervoers-

voorziening of een combinatie van vervoervoorzieningen die neerkomt op een aflegbare

afstand van ongeveer 1500 tot 2000 kilometer per jaar in beginsel toereikend wordt

geacht om iemand in staat te stellen sociale contacten te onderhouden en deel te nemen

aan het leven van alledag.

4.3. Maatwerkvervoer

Het Maatwerkvervoer per Regiotaxi is een collectief vraagafhankelijk vervoerssysteem

voor vervoer per taxi (personenauto of bus) van deur tot deur.

Collectief betekent dat de reiziger samen met andere reizigers vervoerd kan worden.

Vanaf het woonadres kan over maximaal 25 kilometer worden gereisd tegen een

aangepast, verlaagd tarief per kilometer. Voor de kilometers 26 t/m 30 geldt een

commercieel tarief. Het (gereduceerde) tarief voor het Maatwerkvervoer is afgeleid van

het tarief van het reguliere openbaar vervoer. Het systeem kent geen voorinzitgarantie.

Voor cliënten die volledig rolstoelgebonden zijn, wordt rolstoelvervoer ingezet. Een

rolstoel, rollator en/of een blindengeleidehond kunnen worden meegenomen. Een

scootmobiel kan slechts bij hoge uitzondering mee in het Maatwerkvervoer. De chauffeur

biedt hulp bij het in- en uitstappen; biedt begeleiding naar de taxi en, op de plaats van

bestemming, naar de voordeur. Bij wooncomplexen geldt als voordeur de centrale

toegangsdeur.

Met het Maatwerkvervoer kan per kalenderjaar tegen een gereduceerd tarief 1850

kilometer worden gereisd

Het aantal kilometers wordt naar rato toegekend, afhankelijk van de maand waarin de

aanvraag wordt gehonoreerd. Dit is het basisbudget. In individuele situaties wordt dit

budget bijgesteld.

Dit budget wordt met 50% verminderd als er voor het verplaatsen en vervoer in de

directe leefomgeving (veelal de eigen woonkern) een vervoermiddel wordt verstrekt. Dan

waarborgt de combinatie van het Maatwerkvervoer met het vervoermiddel dat er

voldoende mogelijkheden zijn om te kunnen participeren en deelnemen aan het leven

van alledag.

Er zijn ook situaties dat een inwoner niet voldoende kan participeren met het

basisbudget van 1850 kilometer. Het gaat dan met name om de situatie waarin de

inwoner een zorg-plicht voor kinderen tot 14 jaar heeft of de situatie van een echtpaar

waarbij één van beide partners in een Wlz-instelling verblijft en de thuiswonende partner

vanwege het bezoek aan de partner in de instelling een grotere vervoersbehoefte heeft.

In het Besluit maatschappelijke ondersteuning zijn individuele situaties beschreven

waarin het basisbudget wordt verminderd dan wel verhoogd.

Criteria Maatwerkvervoer

Maatwerkvervoer is aan de orde als de inwoner geen gebruik kan maken van het

reguliere openbaar vervoer. In het algemeen geldt hiervoor als criterium dat de inwoner

niet in staat is zelfstandig lopend een afstand van 800 meter af te leggen.

Verder kan Maatwerkvervoer passend als zijn als iemand vanwege visuele problemen of

verstandelijke handicap belemmerd is om zelfstandig gebruik te maken van het

openbaar vervoer, en waarbij het Maatwerkvervoer de zelfstandigheid van de aanvrager

vergroot, omdat hiervan gebruik kan worden gemaakt zonder begeleider.

Inwoners met een indicatie op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) zijn uitgesloten

van maatwerkvoorzieningen (artikel 2.3.5. Wmo2025). Deze uitsluiting geldt niet voor het

Maatwerkvervoer. Inwoners die de Wlz-indicatie ontvangen in natura (dus woonachtig

zijn in een instelling) zijn voor andere vervoervoorzieningen aangewezen op de Wlz en

dus het zorgkantoor.

Geen maatwerkvervoer mogelijk

Als Maatwerkvervoer niet adequaat is of niet aanwezig is, zal een andere voorziening

gekozen moeten worden. Als eerste wordt dan beoordeeld of individueel gebruik van een

taxi mogelijk is. Als uit een medisch advies blijkt dat ook individueel gebruik van een taxi

niet mogelijk is, worden alternatieven onderzocht. Het kan dan gaan om een voorziening

in natura (een vervoermiddel, een autoaanpassing, een gesloten buitenwagen) of een

persoonsgebonden budget, als alternatief voor die voorziening in natura of een financiële

tegemoetkoming in kosten van de eigen auto. Zie hiervoor paragraaf 4.4. en 4.5.

Uitgangspunt is altijd de goedkoopst compenserende voorziening.

4.4. Vervoermiddelen

Een vervoermiddel is een individuele voorziening, veelal ter aanvulling op het Maatwerk

vervoer of individueel taxivervoer. Het gaat vooral om scootmobielen, driewielfietsen,

aangepaste fietsen en handbikes aan een rolstoel.

Daar waar het Maatwerkvervoer bedoeld is voor het overbruggen van grotere afstanden,

zijn vervoermiddelen vooral bedoeld voor het vervoer in de directe leefomgeving, met

name de eigen woonkern.

Welk vervoermiddel passend is, is afhankelijk van diverse factoren zoals

• het vervoermiddel moet passend zijn bij de vervoersbehoefte. Bijvoorbeeld, in een

winkel boodschappen doen, kan vaak wel met een scootmobiel. Een driewielfiets is

daarvoor niet of minder passend.

• het gebruik van een vervoermiddel moet veilig en verantwoord zijn. Hoewel geen

rijbewijs noodzakelijk is, moet wel worden beoordeeld of de persoon voldoende

rijvaardig is om te kunnen deelnemen aan het verkeer.

Indien twijfel bestaat over de rijvaardigheid of de geschiktheid van een vervoermiddel,

kan advies worden gevraagd bij de gecontracteerde medisch adviseur. Als de contract-

en werkafspraken met de leverancier daarin voorzien, kan ook een rijles worden

gegeven of wordt een proefplaatsing georganiseerd. Een proefplaatsing is bedoeld zodat

de inwoner, voordat besluitvorming plaatsvindt, kan oefenen. Een proefplaatsing maakt

dus onderdeel uit van het onderzoek.

Er wordt geen vervoermiddel verstrekt als op een andere manier in de vervoerbehoefte

is of kan worden voorzien. Er wordt dus niet meer dan één middel verstrekt om de

inwoner in staat te stellen te participeren.

Vervoermiddelen kunnen zowel in natura als in de vorm van een persoonsgebonden

budget (PGB) worden verstrekt. De wijze waarop het PGB wordt berekend, is vastgelegd

in de Wmo-verordening en in beleidsregels.

Stallen en opladen

Elk vervoermiddel moet wind- en waterdicht gestald kunnen worden. Dit om de

levensduur van het hulpmiddel zo goed mogelijk te waarborgen. Allereerst is het de

verantwoordelijk-heid van de cliënt om te zorgen voor een stallingsmogelijkheid.

Bijvoorbeeld door de schuur/berging zodanig in te richten dat het hulpmiddel hierin

gestald kan worden. Ook wordt onderzocht of het stallen en opladen in de woning

mogelijk is, bijvoorbeeld in de gang of bijkeuken.

Als de cliënt geen eigen oplossingsmogelijkheden heeft, maakt het toegankelijk maken

van een bestaande berging (schuur of garage) deel uit van de vervoervoorziening.

In de situatie dat geen (adequaat te maken) stallingsmogelijkheid aanwezig is, zal

gezocht worden naar de meest goedkope oplossing. Dit kan zijn:

• stallen en opladen in de woning.

• een afdakje op een beschutte en af te sluiten (binnen)plaats.

• een eenvoudig houten schuurtje (bouwpakket).

• een andere vorm van een water- en winddichte stallingsmogelijkheid.

• een mobiele scootersafe

• een eenvoudige (compacte) elektrische rolstoel die in de woning kan worden gestald

en opgeladen, als alternatief voor het gevraagde vervoermiddel

4.5. Individueel taxivervoer

Individueel taxivervoer is aan de orde als het Maatwerkvervoer niet (voldoende) passend

is. Het komt dan in plaats van het Maatwerkvervoer. Vervoermiddelen kunnen ook

aanvullend op deze vervoervoorziening worden verstrekt.

Individueel taxivervoer houdt in dat de inwoner zelf het vervoer met een taxibedrijf regelt.

De kosten worden dan als financiële tegemoetkoming op declaratiebasis op grond van

de Wmo2015 vergoed. Wel gelden hiervoor met het Maatwerkvervoer vergelijkbare voor

waarden, zoals de eigen bijdrage (ritbijdrage), de maximale reisafstand (30 kilometer) en

het reisbudget (1850 kilometer per kalenderjaar). Dit wordt verder uitgewerkt in de

beleids-regel Besluit maatschappelijke ondersteuning Hof van Twente.

4.6. Andere vervoervoorzieningen

In de situatie dat geen enkele vorm van taxivervoer mogelijk is, is vervoer per (eigen)

auto wellicht mogelijk. Mits gebruik en bezit van de eigen auto in de individuele situatie

niet algemeen gebruikelijk wordt geacht, kan een financiële tegemoetkoming worden

toegekend om dat vervoer per (eigen) auto mogelijk te maken. Wel gelden hiervoor met

het Maatwerk-vervoer vergelijkbare voorwaarden, zoals de eigen bijdrage (ritbijdrage),

de maximale reisafstand en het reisbudget (maximale reisafstand per kalenderjaar). Dit

wordt verder uitgewerkt in de beleidsregel Besluit maatschappelijke ondersteuning Hof

van Twente.

Overigens, in individuele situaties kan het zijn dat gebruik van de (eigen, niet algemeen

gebruikelijke) auto prevaleert boven individueel taxivervoer. Als vervoer met de (eigen)

auto de voorkeur van de inwoner heeft en het is goedkoper voor de gemeente, dan kan

deze tegemoetkoming worden toegekend. Het betekent echter niet dat individueel

taxivervoer niet passend zou zijn.

Als voor dit vervoer ook een aanpassing aan de auto nodig is, kunnen ook die

aanpassingen, mits individueel taxivervoer niet mogelijk is en voor zover deze niet

algemeen gebruikelijk zijn, voor een persoonsgebonden budget in aanmerking komen.

Voorwaarde is wel dat de waarde en technische staat van de auto een aanpassing

rechtvaardigen, zodat het aannemelijk is dat nog langere tijd gebruik van de

aanpassingen gemaakt kan worden.

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de vergadering van het college van burgemeester en wethouders

van de gemeente Hof van Twente d.d. 24 maart 2026.

Burgemeester en wethouders van Hof van Twente,

de secretaris,

de burgemeester,

ir. H.L. Dijksterhuis

drs. H.A.M. Nauta-van Moorsel MPM