Verordening rechtspositie decentrale ambtsdragers Overijssel 2026

Geldend van 09-04-2026 t/m heden met terugwerkende kracht vanaf 01-01-2026

Intitulé

Verordening rechtspositie decentrale ambtsdragers Overijssel 2026

Provinciale Staten van Overijssel,

gelezen het voorstel van het presidium d.d. 04 maart 2026, Kenmerk PS25-000970

Gelet op

  • -

    artikelen 94 en 143 Provinciewet,

  • -

    artikelen 2.1.1 lid 4, 2.1.3 lid 1, 2.1.4 lid 1, 2.2.10 leden 1 en 5, 2.3.3 lid 2, 2.3.5, 2.4.2 en 2.4.4 van

    1. het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers

besluiten:

vast te stellen de navolgende

Verordening rechtspositie decentrale ambtsdragers Overijssel 2026

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • a.

    Ambtsdrager: een Statenlid, de Commissaris of een Gedeputeerde;

  • b.

    Besluit: het Besluit rechtspositie decentrale politieke ambtsdragers;

  • c.

    Burgerlid: een door de fractie aangewezen natuurlijk persoon als bedoeld in artikel 4 van het Reglement van Orde voor Provinciale Staten van Overijssel 2023;

  • d.

    Commissaris: Commissaris van de Koning;

  • e.

    Commissielid: lid van een commissie als bedoeld in de artikelen 80, 81 en 82 van de Provinciewet, dat niet tevens Statenlid is of ambtenaar die als zodanig tot lid van een commissie is benoemd;

  • f.

    Fractie: het lid/de leden zoals bedoeld in artikel 7 Reglement van Orde (RvO) voor de Provinciale Staten van Overijssel;

  • g.

    Gedeputeerde: lid van Gedeputeerde Staten;

  • h.

    Informatiedag: de dag waarop één of meerdere informatiebijeenkomsten en/of werkbezoeken georganiseerd worden. De Informatiedag is de basis voor de vergoeding aan een Burgerlid, die deelneemt aan één of meerdere bijeenkomsten op een Informatiedag.;

  • i.

    Openbaar vervoer: voor eenieder openstaand personenvervoer volgens een dienstregeling met een auto, bus, trein, tram of via een geleide systeem voortbewogen voertuig dan wel met een veerpont of een veerboot;

  • j.

    Regeling: de Regeling rechtspositie decentrale politieke ambtsdragers;

  • k.

    Statenlid: lid van Provinciale Staten;

  • l.

    Vergadering: een commissievergadering of bijeenkomst op een Informatiedag waar besluitvorming door Provinciale Staten wordt voorbereidt.

Hoofdstuk 2 Voorzieningen Statenleden

Artikel 2. Vergoeding werkzaamheden

Van de vergoeding, genoemd in artikel 2.1.1, eerste lid, van het Besluit, kan 20% worden uitgekeerd op basis van het aantal bijgewoonde Statenvergaderingen afgezet tegen het aantal gehouden vergaderingen in een bepaald kalenderjaar.

Artikel 3. Toelage lid onderzoekscommissie

Het Statenlid dat lid is van een onderzoekscommissie als bedoeld in artikel 151a, derde lid, van de Provinciewet, ontvangt per jaar voor de duur van de activiteiten een toelage van maximaal 300% van de maandelijkse vergoeding voor de werkzaamheden, genoemd in artikel 2.1.1, eerste lid, van het Besluit.

Artikel 4. Toelage lid bijzondere commissie

Het Statenlid dat lid is van een bijzondere commissie, bedoeld in artikel 2.1.4, lid 1 van het Besluit, ontvangt per maand voor de duur van de activiteiten van de commissie een toelage die gelijk is aan maximaal 100% van de maximum toelage, genoemd in artikel 2.1.4, lid 1 van het Besluit.

Hoofdstuk 3 Voorzieningen Commissaris van de Koning

Artikel 5. Ter beschikking gestelde auto

Gedeputeerde Staten stellen ten laste van de provincie een auto voor gemeenschappelijk gebruik of een auto op afroep van een daartoe door de provincie gecontracteerde vervoerder ter beschikking aan de Commissaris.

Hoofdstuk 4 Voorzieningen Gedeputeerden

Artikel 6. Ter beschikking gestelde auto

Gedeputeerde Staten stellen ten laste van de provincie een auto voor gemeenschappelijk gebruik of een auto op afroep van een daartoe door de provincie gecontracteerde vervoerder ter beschikking aan de Gedeputeerden.

Hoofdstuk 5 Gemeenschappelijke voorzieningen

Artikel 7. Vergoeding kosten scholing

  • 1. Van scholing als bedoeld in dit artikel is sprake als de scholing niet-partijpolitiek georiënteerd is en gericht is op de vervulling van de functie van de ambtsdrager, het Commissielid of het Burgerlid.

  • 2. De kosten van scholing die door of namens de provincie wordt verzorgd of aangeboden aan de ambtsdrager, het Commissielid of het Burgerlid, komen voor rekening van de provincie.

  • 3.

    • a.

      De Commissaris of Gedeputeerde die scholing wenst die niet door of namens de provincie wordt verzorgd of aangeboden, dient daartoe vooraf een gemotiveerde aanvraag in bij Gedeputeerde Staten.

    • b.

      Het Statenlid, Commissielid of Burgerlid dat scholing wenst die niet door of namens de provincie wordt verzorgd of aangeboden, dient daartoe vooraf, via de statengriffier, een gemotiveerde aanvraag in bij de voorzitter van Provinciale Staten.

  • 4. De aanvraag bedoeld in het derde lid gaat vergezeld van inhoudelijke informatie en een kostenspecificatie.

  • 5. De kosten voor het in het eerste lid bedoelde scholing die niet door of namens de provincie wordt verzorgd of aangeboden, komen voor rekening van de provincie als deelname van belang is voor de vervulling van de functie van de ambtsdrager of het Burgerlid en op voorwaarde dat de prijs/kwaliteitverhouding van de desbetreffende scholing redelijk is en de kosten ervan niet reeds uit anderen hoofde voor vergoeding in aanmerking komen,

    • a.

      naar het oordeel van Gedeputeerde Staten: indien het een aanvraag als bedoeld in het derde lid onder a betreft;

    • b.

      naar het oordeel van de voorzitter van Provinciale Staten in overleg met de griffier: indien het een aanvraag als bedoeld in het derde lid onder b betreft.

  • 6. Voor een Statenlid, Commissielid en Burgerlid is per jaar maximaal 5% van de vaste vergoeding voor werkzaamheden van een Statenlid beschikbaar voor niet partijpolitiek georiënteerde scholing in verband met de vervulling van het ambt.

  • 7. Voor de Commissaris of Gedeputeerde is per jaar 2% van de bezoldiging als budget beschikbaar. Het budget geldt voor vier jaar en wordt bij de start van de Statenperiode vrijgemaakt. De besteding vindt plaats in drie fasen: bij de aanvang van het ambt als Gedeputeerde respectievelijk Commissaris; in de loop van de vierjaar periode; en in het traject ‘Van werk naar werk’ als begeleiding tijdens de uitvoering van de sollicitatieplicht.

  • 8. Indien de Gedeputeerde meer dan één Statenperiode het ambt heeft vervuld, en hij in de eerdere ambtsperiode minder dan 10% van het beschikbare budget heeft besteed voor scholing, kan hem een tweede budget worden toegekend dat gelijk is aan het eerste budget met als uitdrukkelijk doel het voorkomen van een wachtgeldsituatie.

Artikel 8. Informatie- en communicatievoorzieningen

Gedeputeerde Staten stellen ten laste van de provincie aan de ambtsdrager, het Commissielid of het Burgerlid voor de duur van zijn functie informatie- en communicatievoorzieningen ter beschikking. Hiertoe ondertekent de ambtsdrager, het Commissielid of het Burgerlid een door Gedeputeerde Staten opgestelde bruikleenovereenkomst. Na beëindiging van het ambt of de functie, is overname van de genoemde voorzieningen niet toegestaan.

Artikel 9. Geschikte vervoersvoorziening

  • 1. De ambtsdrager, het Commissielid of het Burgerlid die tijdelijk een functionele beperking heeft en niet in staat is met het openbaar vervoer of met eigen vervoer te reizen voor woon- werkverkeer of voor de uitoefening van de functie, kan op kosten van de provincie gebruik maken van een voor de beperking geschikte vervoersvoorziening.

  • 2. Indien het een Statenlid, Commissielid of Burgerlid betreft, is het aan het presidium, namens Provinciale Staten, om te beoordelen of de gewenste vervoersvoorziening, bijvoorbeeld een taxi of een dienstauto, geschikt geacht kan worden en door de provincie kan worden vergoed of ter beschikking gesteld.

  • 3. Indien het de Commissaris of een Gedeputeerde betreft, maken Gedeputeerde Staten de in het tweede lid genoemde beoordeling.

Artikel 10. Bedrijfsgeneeskundige zorg

Statenleden, de Commissaris en de Gedeputeerden kunnen voor bedrijfsgeneeskundige zorg gebruik maken van de voorzieningen die voor de ambtenaren zijn getroffen.

Hoofdstuk 6 Voorzieningen Commissieleden en Burgerleden

Artikel 11. Vergoeding voor het bijwonen van vergaderingen

  • 1. Een Commissielid of Burgerlid ontvangt voor het deelnemen aan een vergadering een vergoeding die gelijk is aan het bedrag, vermeld in artikel 2.4.1 eerste lid van het Besluit.

  • 2. De onder lid 1 genoemde vergoeding per vergadering wordt alleen verstrekt indien binnen twee maanden na de betreffende vergadering besluitvorming plaatsvindt in Provinciale Staten over het onderwerp van de vergadering.

  • 3. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op degene die als lid van een commissie een vaste vergoeding voor de werkzaamheden als bedoeld in artikel 94 van de Provinciewet ontvangt.

  • 4. Geen vergoeding ontvangt degene die zitting heeft in een commissie:

    • a.

      als Statenlid of Gedeputeerde;

    • b.

      uit hoofde van dan wel als rechtstreeks uitvloeisel van een ambtelijke of bestuurlijke hoedanigheid dan wel van een functie bij een instelling die grotendeels van overheidswege wordt gesubsidieerd;

    • c.

      als vertegenwoordiger van een belanghebbende instelling, organisatie of groepering, tenzij zijn een lidmaatschap van de commissie tevens in belangrijke mate het provinciaal belang dient.

Artikel 12. Hogere vergoeding

Voor leden van commissies als bedoeld in artikel 2.4.2 van het Besluit worden in het afzonderlijke instellingsbesluit door Provinciale Staten respectievelijk door Gedeputeerde Staten, de hoogte van de vergoedingen vastgesteld.

Artikel 13. Bestuurscommissie

Voor bestuurscommissies als bedoeld in artikel 81 Provinciewet en andere commissies als bedoeld in artikel 82 Provinciewet die worden ingesteld door Gedeputeerde Staten, dragen Provinciale Staten hun bevoegdheid uit artikel 94 Provinciewet over aan Gedeputeerde Staten.

Hoofdstuk 7 Betaling, declaratie, gebruik creditcard

Artikel 14. Betaling van kosten

Betaling van kosten op grond van deze verordening vindt plaats door:

  • a.

    rechtstreekse toezending van de factuur aan de provincie;

  • b.

    betaling uit eigen middelen, met dien verstande dat voor de Commissaris en de Gedeputeerden geldt, dat betalen van kosten uit eigen middelen alleen plaatsvindt als rechtstreekse facturering aan de provincie, en het gebruik van de Provinciale creditcard niet mogelijk zijn.

Artikel 15. Gebruik en verantwoording creditcard uitgaven

  • 1. Gebruik creditcard

    • a.

      Gedeputeerde Staten stellen een provinciale creditcard ter beschikking aan de commissaris en de Gedeputeerden voor het doen van uitgaven die voor vergoeding of tegemoetkoming ten laste van de provincie in aanmerking komen.

    • b.

      De provinciesecretaris draagt zorg voor de aanvraag, verstrekking en intrekking van Provinciale creditcards. Met de creditcard kan geen contant geld worden opgenomen.

    • c.

      Voor het doen van de in het eerste lid bedoelde uitgaven, kunnen de commissaris en de Gedeputeerden gebruik maken van de provinciale creditcard als rechtstreekse facturering als genoemd in artikel 14 niet mogelijk is.

    • d.

      Reis- en verblijfkosten in het buitenland kunnen worden betaald door gebruikmaking van de creditcard.

  • 2. Verantwoording creditcarduitgaven

    • a.

      Verantwoording van de creditcarduitgaven vindt plaats via het digitaal systeem van de provincie.

    • b.

      De verantwoording vindt plaats binnen één maand na afloop van de kalendermaand van de inhouding door de creditcardmaatschappij.

    • c.

      Een niet tijdig ingediende verantwoording van gedane creditcarduitgaven, heeft tenzij er sprake is van overmacht, tot gevolg dat de gemaakte kosten voor rekening van de creditcardgebruiker komen.

    • d.

      Bij beëindiging van het ambt van commissaris of Gedeputeerde wordt de creditcard onverwijld ingeleverd dan wel ingenomen.

    • e.

      Bij verlies van de creditcard meldt de commissaris of Gedeputeerde dit direct bij de creditcardmaatschappij en bij de provinciesecretaris. Het eigen risico bij verlies of diefstel van de creditcard komt voor rekening van de creditcardgebruiker.

Artikel 16. Declaratie van vooruit betaalde kosten

  • 1. Declaratie van kosten die uit eigen middelen zijn vooruit betaald; en

  • 2. Declaratie van de met eigen auto gemaakte reiskosten geschiedt door gebruikmaking van het digitale systeem van de provincie, waarbij de originele nota’s als bijlagen worden toegevoegd

  • 3. Declaraties worden binnen drie maanden na de maand waarop de declaratie betrekking heeft ingediend, tenzij er sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor betrokkene niet hiertoe in staat was.

Hoofdstuk 8 Slotbepalingen

Artikel 17. Intrekking eerdere verordening

De Verordening Rechtspositie decentrale ambtsdragers Overijssel 2019 wordt ingetrokken.

Artikel 18. Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking met terugwerkende kracht op 1 januari 2026.

Artikel 19. Citeertitel en inwerkingtreding

Deze verordening wordt aangehaald als:

Verordening rechtspositie decentrale ambtsdragers Overijssel 2026.

Ondertekening

Zwolle, 01 april 2026

Provinciale Staten voornoemd,

voorzitter,

ir. A.P. Heidema

griffier,

drs. R. Wiggers MMC

Toelichting Verordening rechtspositie decentrale ambtsdragers Overijssel2026

Algemeen

Rechtspositionele zaken voor Staten- en Commissieleden, Commissaris van de Koning en Gedeputeerden zijn opgenomen in het Besluit rechtspositie decentrale politieke ambtsdrager (hierna: het Besluit). Ook de ministeriële regelingen (waarin een aantal rechtspositionele zaken verder wordt uitgewerkt), zijn gebundeld in één regeling: de Regeling rechtspositie decentrale politieke ambtsdragers (hierna: de Regeling). In het Besluit en de Regeling zijn veel elementen van de rechtspositie al uitputtend geregeld. Op enkele onderdelen geven het Besluit en de Regeling nog ruimte om op provinciaal niveau keuzes te maken of nadere regels te stellen. Dat gebeurt via de voorliggende Verordening rechtspositie decentrale ambtsdragers Overijssel (hierna: de Verordening).

In de Verordening zijn de onderwerpen die al uitputtend zijn geregeld in het Besluit en/of de Regeling, niet opgenomen. Voor een compleet beeld van de rechtspositie van de decentrale politieke ambtsdragers zullen dus zowel het Besluit, de Regeling alsook de Verordening geraadpleegd moeten worden.

Op een aantal plekken in de Verordening wordt de hoogte van een toelage of vergoeding vastgesteld. In die gevallen is verwezen naar en aansluiting gezocht bij vergoedingen die zijn opgenomen in het Besluit of in de Regeling.

Met betrekking tot de vergoeding aan Burgerleden is geconstateerd dat Overijssel afweek van de bepalingen in de circulaire 'Toelichting wettelijke bepalingen over commissies in de Provinciewet en Gemeentewet'. In die circulaire is opgenomen dat een Commissielid (Burgerlid) recht heeft op een vergoeding per vergadering terwijl de Burgerleden in Overijssel een vergoeding per dag ontvangen, ongeacht het aantal vergaderingen dat zij bijwonen. Dit is niet toegestaan. Met de actualisatie van voorliggende verordening wordt dit aangepast.

De arbeidsverhoudingen en fiscale positie

Staten-, commissie- en burgerleden zijn niet in dienst van de provincie. De provincie is dus niet de werkgever. Dat betekent bijvoorbeeld dat zij voor zover het betreft het Statenlidmaatschap niet vallen onder de werknemersverzekeringen zoals de Werkloosheidswet (WW), Ziektewet (ZW) en de Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (WIA). Omdat er geen sprake is van een dienstbetrekking vallen zij niet onder de Wet op de loonbelasting 1964 maar worden hun inkomsten belast in de Wet inkomstenbelasting 2001.

De opting in regeling

Statenleden kunnen wel opteren voor de loonbelasting als voorheffing door te kiezen voor het fictief werknemerschap. Het Statenlid kan met de provincie overeenkomen dat deze loonheffing inhoudt. Het fictief werknemerschap kan worden aangevraagd bij de Belastingdienst. Dat wordt de “opting-in regeling” genoemd. Als gezamenlijk wordt gekozen voor het loonbelastingsysteem dan draagt de provincie de ingehouden loonheffing af aan de Belastingdienst. Omdat een Statenlid geen werknemer in de formele zin van het woord is, valt hij niet onder de socialezekerheidswetgeving. Om die reden worden over de statenvergoeding ook geen premies sociale zekerheid ingehouden. De inkomsten worden als loon belast in box 1. Het Statenlid hoeft in dat geval geen administratie bij te houden. Kosten die worden gemaakt kunnen niet worden afgetrokken. Wel kan de provincie onder voorwaarden bepaalde vergoedingen onbelast verstrekken en bepaalde faciliteiten onbelast in bruikleen beschikbaar stellen.

Fiscale standaardpositie

Als niet voor fictief werknemerschap wordt gekozen dan geldt voor het Statenlid dat de vergoeding voor werkzaamheden en de onkostenvergoeding als inkomsten worden gezien en mogen de (beroeps)kosten die worden gemaakt worden afgetrokken. Het resultaat zal het Statenlid moeten opgeven in de aangifte inkomstenbelasting, onder de post inkomsten uit overige werkzaamheden.

De provincie dient jaarlijks alle betalingen en verstrekkingen op grond van deze verordening aan de Belastingdienst te melden middels een opgave IB47. Eventuele verstrekkingen moeten naar de waarde in het economische verkeer worden opgegeven. Het daadwerkelijk zakelijk gebruik leidt dan tot aftrek.

Eenmalige keuze per zittingsperiode

Zoals hierboven naar voren is gekomen kan de keuze om al of niet te opteren voor de loonbelasting voor het Statenlid ingrijpende gevolgen hebben. De beslissing om voor de loonbelasting te opteren kan eenmaal per zittingsperiode worden gemaakt en geldt in beginsel voor de (resterende) zittingsperiode. Wel kan betrokkene als spijtoptant terugkomen op deze beslissing voor de resterende periode. Opteren voor de loonbelasting hoeft niet bij aanvang van de zittingsperiode te gebeuren maar kan ook gedurende de zittingsperiode voor de resterende periode.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 1. Begripsomschrijving

Een groot deel van de definities in dit artikel is overgenomen uit het Besluit, de Regeling en het Reglement van Orde Provinciale Staten Overijssel 2023. Vanwege de leesbaarheid is niet verwezen naar de definities in het Besluit, de Regeling en het Reglement maar zijn de definities in de verordening herhaald.

De Commissievergaderingen en bijeenkomsten op Informatiedagen vormen de grondslag voor de vergoeding aan Burgerleden.

Dat neemt niet weg dat het begrip “Commissie” in de betekenis van hoofdstuk V van de Provinciewet kan blijven staan, omdat hieronder ook andere commissies vallen, zoals de onderzoekscommissies.

Artikel 2 Vergoeding werkzaamheden

Dit is een facultatief artikel. Het bevat een uitwerking van artikel 2.1.1, vierde lid, van het Besluit. Dat artikel biedt de mogelijkheid om te bepalen dat maximaal 20% van de vergoeding voor de werkzaamheden als Statenlid wordt uitgekeerd, afhankelijk wordt gemaakt van het aantal Statenvergaderingen waaraan is deelgenomen. Dit artikel kan alleen in zijn geheel worden opgenomen in onze verordening en geldt dan voor alle Statenleden. Aan de hand van de presentielijsten wordt de juiste hoogte van de vergoeding voor de werkzaamheden vastgesteld.

Artikel 3 en 4. Toelagen lid onderzoekscommissie en lid bijzondere commissie

De onderzoekscommissie heeft een basis in de Provinciewet (artikel 151a). Het werk van die Commissie vindt in de praktijk vaak intenser en in een korter tijdsbestek plaats dan dat van reguliere Commissies. Het benodigde werk kan inhoudelijk en qua belasting zodanig variëren dat de vaststelling van de hoogte van de vergoeding voor dat werk is overgelaten aan Provinciale Staten. De vergoeding mag per jaar echter niet hoger zijn dan driemaal de maandelijkse vergoeding voor de werkzaamheden als Statenlid (artikel 2.1.3 van het Besluit). Provinciale Staten stellen de toelage vast op het maximum of op een lager bedrag.

Er is ook een grondslag voor vergoedingen voor het werk in een bijzondere Commissie. Het moet dan gaan om een Commissie die bij verordening is ingesteld ter uitvoering van de taken en verantwoordelijkheden van Provinciale Staten. Ook geldt als vereiste dat het commissiewerk een zodanig belang, belasting en tijdsbeslag kent, dat die niet tot het reguliere werk van de volksvertegenwoordiger geacht kan worden te behoren.

Provinciale Staten stellen de hoogte van de maandelijkse toelage voor lidmaatschap van een bijzondere Commissie vast. De toelage is maximaal gelijk aan het bedrag dat is genoemd in artikel 2.1.4. van het Besluit. Provinciale Staten bepalen hoe hoog de toelage voor lidmaatschap van een bijzondere Commissie is. De vergoeding wordt bij zowel de onderzoekscommissie als de bijzondere Commissie vastgesteld voor de duur van de activiteiten.

Artikel 5. en 6. Ter beschikking gestelde auto

De artikelen 2.2.10 van het Besluit en 2.8 van de Regeling bevatten de bepalingen over de aan de Commissaris of de Gedeputeerden ter beschikking gestelde auto. Onder een ter beschikking gestelde auto wordt niet alleen verstaan een auto die alleen ter beschikking staat van de Commissaris of één bepaalde Gedeputeerde, maar ook een deelauto en een auto op afroep.

Het gebruik en de financiële en fiscale behandeling van de ter beschikking gestelde auto zijn nagenoeg volledig geregeld in het Besluit en de Regeling. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de situatie waarin een ter beschikking gestelde auto alleen ter beschikking staat van de Commissaris of een Gedeputeerde en de situatie waarin de ter beschikking gestelde auto door meerdere collegeleden wordt gebruikt (deelauto of auto op afroep), zoals het geval is bij de provincie Overijssel.

Als onderdeel van de bedrijfsvoering kan de provincie een auto met chauffeur voor zakelijk gebruik beschikbaar stellen aan Gedeputeerden. Het beleid ten aanzien van het gebruik daarvan is vastgesteld in de GS-nota’s van 23 januari 2007 (2007/0015725) en van 13 maart 2012 (2012/0045773). Voor de toepassing van dit artikel mede verstaan een door de provincie ingehuurde auto.

De ter beschikking gestelde auto met chauffeur kan door de Commissaris en Gedeputeerde nu ook worden gebruikt voor het reizen tussen de woning en de plaats van tewerkstelling zonder nadere bepaling. En voor reizen ten behoeve van nevenfuncties die de Commissaris en Gedeputeerde vervult uit hoofde van zijn ambt (zuivere qq-functies). Indien de Commissaris en Gedeputeerde voor reizen ten behoeve van een nevenfunctie gebruik maakt van de ter beschikking gestelde auto met chauffeur en daarvoor van een derde een vergoeding van reiskosten ontvangt, wordt die vergoeding in de Provinciale kas gestort.

Het gebruik van de ter beschikking gestelde auto – met chauffeur – voor dienstreizen en zuivere q.q.-functies wordt door de Belastingdienst als zakelijk beschouwd.

Gebruik voor andere nevenfuncties wordt gezien als privégebruik. Ook het gebruik voor bestuurlijke doeleinden geldt fiscaal als privégebruik.

Bij een gebruik van meer dan 500 km op jaarbasis heeft dat tot gevolg dat 22% van de cataloguswaarde bij de bezoldiging wordt geteld. De ter beschikking gestelde auto’s zijn uitgerust met een “zwarte doos” om het privégebruik te kunnen aantonen.

Artikel 7. Tegemoetkoming kosten scholing

De artikelen 2.3.3 en 2.4.4 van het Besluit geven aan Provinciale Staten en Gedeputeerde Staten de mogelijkheid om nadere regels te stellen over de scholing van ambtsdragers en Commissieleden. Het Besluit regelt dat de kosten voor niet-partijpolitiek georiënteerde scholing voor rekening van de provincie komen. Naast Statenleden en Commissieleden geldt de regeling ook voor Burgerleden. Dit is nader uitgewerkt in artikel 7 van de verordening.

Er dient onderscheid te worden gemaakt in partijpolitieke en niet-partijpolitiek georiënteerde scholing. Voor Staten-, Commissie- en Burgerleden is expliciet bepaald dat de kosten voor niet-partijpolitiek georiënteerde functionele scholing, zoals deelname aan congressen en opleidingen, ten laste kunnen worden gebracht van de provincie. Partijpolitieke scholing komt niet voor vergoeding door de provincie in aanmerking. De inhoud van de scholing is bepalend of deze al dan niet partijpolitiek georiënteerd is. Wanneer scholing verzorgd wordt door een politieke partij betekent dat niet automatisch dat die scholing partijpolitiek georiënteerd is. Scholing is partijpolitiek georiënteerd als zij geheel of gedeeltelijk tot doel heeft betrokkene op te leiden in het gedachtegoed van de desbetreffende partij.

Om in aanmerking te komen voor vergoeding van de scholingskosten, moet gemotiveerd worden dat het gaat om functiegerichte scholing. Scholing is functiegericht als zij beoogt de voor de functie benodigde vakkennis en vaardigheden te verwerven dan wel actueel te houden. Onder deze scholingskosten worden verstaan de cursus- en lesgelden, de kosten van het studiemateriaal, examen- en diplomakosten en de aanschafkosten van verplicht gesteld studiemateriaal. De reis- en verblijfkosten ontbreken in deze opsomming die al voor vergoeding in aanmerking komen op grond van 2.1.7 en 2.2.9 en 2.4.3 van het Besluit. Overigens kan de provincie ook zelf dit soort scholing (laten) verzorgen. Ook die lasten komen ten laste van de provincie.

Een onderscheid is ook gemaakt tussen scholing die door of vanwege de provincie in het provinciaal belang is georganiseerd en scholing waaraan een individuele decentrale politieke ambtsdrager of een Commissielid of Burgerlid in verband met de vervulling van de functie op eigen initiatief wil deelnemen. In het laatste geval zijn er aanvullende voorwaarden gesteld (inhoudelijke informatie over de cursus, congres etc. en een kostenspecificatie).

Om te voorkomen dat er onredelijke kosten in rekening worden gebracht bij de provincie geldt de voorwaarde dat de prijs/kwaliteitverhouding redelijk moet zijn. Het gaat om de vraag of de kosten in redelijke verhouding staan tot de door de leverancier van de scholing te leveren prestaties. Hierbij kan ook meegewogen worden of er niet een goedkopere, kwalitatief betere of meer op de betrokkene toegesneden variant mogelijk is. En wellicht wordt een vergelijkbare cursus ook aangeboden op een locatie die dichter bij de woonplaats van de belanghebbende is gelegen. Tevens is als voorwaarde opgenomen dat de kosten niet al uit anderen hoofde worden vergoed. Voor Staten-, Commissie- en Burgerleden is dit ter beoordeling aan de voorzitter van Provinciale Staten in overleg met de griffier; voor Gedeputeerden en de Commissaris is dit ter beoordeling aan Gedeputeerde Staten.

Gezien de aard en duur van het ambt liggen voor Staten- en Commissieleden opleidingen voor de hand die gericht zijn op het persoonlijk functioneren in het ambt en niet opleidingen die gericht zijn op loopbaanontwikkeling. Voor de Commissaris en de Gedeputeerden geldt dat artikel 2.2.11 van het Besluit een aparte voorziening biedt voor loopbaanoriëntatie. Kosten die in voor loopbaanoriëntatie worden gemaakt, vallen dus niet onder de scholingskosten.

Voor Gedeputeerden geldt dat het scholingsbudget ineens vrijkomt bij aanvang van de periode. Bij GS-besluit van 14 juni 2016 (kenmerk 2016/0180095) zijn aanvullende regels gesteld ter voorkoming van een uitkeringssituatie van een Gedeputeerde:

Het benadrukken van het doel van de scholing – het voorkomen van de wachtgeldsituatie – geeft een gevoelsmatige verruiming van de 2% norm. Het budget per persoon bedraagt € 8.000,- per Statenperiode. Bij herbenoeming van een Gedeputeerde ontstaat een nieuwe aanspraak van het normbedrag van € 8.000,- zodat er bij 2 ambtstermijnen 2x € 8.000,- beschikbaar is. Voorwaarde is dat in de eerste ambtsperiode het budget nauwelijks is benut.

Artikelen 8. Ict-middelen

Het Besluit bepaalt (art. 2.3.2. en 2.4.4.) dat Gedeputeerde Staten ten laste van de provincie ict-middelen ter beschikking stelt aan Staten- en Commissieleden, Gedeputeerden en de Commissaris inclusief de daarbij behorende abonnementen. In artikel 8 is opgenomen dat deze voorziening ook geldt voor Burgerleden. Voor de administratie is het nog wel nodig om vast te leggen welke faciliteiten ter beschikking zijn gesteld. Voor die vastlegging is de bruikleenovereenkomst zeer geschikt.

Artikel 9. Geschikte vervoersvoorziening

De artikelen 2.1 en 2.6 van de Regeling maken het mogelijk om een geschikte vervoersvoorziening te vergoeden of ter beschikking te stellen aan een Staten- of Commissielid, de Commissaris of een Gedeputeerde met een (tijdelijke) functionele beperking. In artikel 9 van de verordening is geregeld dat deze voorziening ook geldt voor Burgerleden met een (tijdelijke) functionele beperking. Gedeputeerde Staten onderscheidenlijk het presidium beoordelen of de gewenste vervoersvoorziening geschikt is en dus verstrekt of vergoed kan worden.

Artikel 10. Bedrijfsgeneeskundige zorg.

Dit artikel bevat de uitwerking van artikel 2.3.5. van het Besluit. De geneeskundige zorg is al geregeld voor ambtenaren en Gedeputeerden. Aansluiten bij wat er al is geregeld is de meest eenvoudige vorm om de bedrijfsgeneeskundige zorg voor de Statenleden en de Commissaris in te richten.

Artikel 11. Vergoeding voor het bijwonen van vergaderingen

In dit artikel is het presentiegeld voor Commissieleden en Burgerleden geregeld. Deze bepaling geldt voor de Commissieleden en Burgerleden, niet voor Statenleden en Gedeputeerden die in de Commissie zitten. Hun vergoeding is immers al geregeld in het Besluit. In het Besluit (art. 2.4.1.) staat: dat een Commissielid per vergadering een vergoeding ontvangt voor het bijwonen van de vergaderingen van de Commissie. Voor de definitie van de term ‘vergadering’ is aansluiting gezocht bij artikel 80 Provinciewet waar in het eerste lid staat dat Provinciale Staten Statencommissies kunnen instellen die besluitvorming van Provinciale Staten kunnen voorbereiden. Het gaat dus om het voorbereidende karakter en het is niet van belang welke naam aan een vergaderstructuur wordt gegeven. Het wettelijk kader van artikel 80 Provinciewet geldt niet alleen voor vergaderstructuren waaraan de naam ‘Statencommissie’ is gegeven, maar voor alle gremia waarin de besluitvorming van Provinciale Staten wordt voorbereid. Over reguliere commissievergaderingen bestaat geen twijfel dat die vallen onder de term vergadering. De onduidelijkheid zit in de werkbezoeken/infosessies. Volgens bovenstaande alinea komen die bijeenkomsten alleen voor vergoeding in aanmerking als sprake is van voorbereiding van besluitvorming. Dit is niet bij alle infosessies/werkbezoeken het geval.

Om een eenduidige lijn te trekken is in het presidium afgesproken om infosessies/werkbezoeken alleen aan te merken als ‘vergadering’ (en dus in aanmerking te laten komen voor vergoeding) indien er binnen twee maanden besluitvorming plaatsvindt over het onderwerp van de infosessie/het werkbezoek.

Artikel 12. Hogere vergoeding

In bepaalde gevallen, zoals bij bijzondere deskundigheid en/of zwaarte van de taak in de Commissie, is het mogelijk om een hoger bedrag aan vergoeding per vergadering toe te kennen dan bepaald in het Besluit. Het kan bijvoorbeeld gaan om een Commissie met een bijzondere opdracht die een hogere belasting kent voor één of meerdere Commissieleden. Door het verordening vereiste kan op provinciaal niveau een algemene en politieke afweging worden gemaakt. Deze hogere vergoeding wordt geregeld in de verordening waarmee de Commissie wordt ingesteld waarin het Commissielid, waarvoor de hogere vergoeding op zijn plaats is, zitting zal hebben.

Artikelen 14 t/m 16. Betalingen van kosten

In artikel 14/15 zijn de wijze en de volgorde van de betalingen aangegeven: op factuur rechtstreeks, gebruik van de creditcard en vooruitbetaling. In artikel 16 is de wijze van declaratie aangegeven en de termijn waarbinnen de declaratie moet geschieden.

Er is een duidelijke volgorde aangebracht in de manieren van betalen. De voorkeursvariant is rechtstreekse facturering aan de provincie. Als dat niet mogelijk is, kan de uitgave worden gedaan met een Provinciale creditcard. Alleen als de betaling niet op die manieren kan gebeuren, kan de ambtsdrager of het commissielid de betaling uit eigen middelen doen en vervolgens declareren bij de provincie. Met deze aanpak wordt zo veel mogelijk vermeden dat privémiddelen door de Commissaris of de Gedeputeerde (moeten) worden gebruikt voor zakelijke uitgaven.

De accountant toetst de toepassing van de declaratieregels voor Provinciale Staten steekproefsgewijs. Verder wordt op basis van deze toetsing jaarlijks een geaggregeerd overzicht van gedeclareerde kosten, voorzien van het oordeel van de accountant van Provinciale Staten en een algemene toelichting, gepubliceerd op de Provinciale website.