Permanente link
Naar de actuele versie van de regeling
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR760065
Naar de door u bekeken versie
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR760065/1
Beleidsregels kostendelende medebewoner en afstemming op woonsituatie 2026
Geldend van 04-04-2026 t/m heden met terugwerkende kracht vanaf 01-01-2026
Intitulé
Beleidsregels kostendelende medebewoner en afstemming op woonsituatie 2026Hoofdstuk I Algemeen
Artikel 1. Begripsbepalingen
-
1. Alle begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijke arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ) en de Algemene wet bestuursrecht.
-
2. In deze beleidsregels wordt verstaan onder:
- a.
college: het college van burgemeester en wethouders;
- b.
uitkering: de door het college verleende bijstand in het kader van de Participatiewet en de uitkering in het kader van de IOAW en IOAZ;
- c.
woning: een woning zoals bedoeld in artikel 1 onderdeel k Wet op de huurtoeslag, alsmede woonwagen of woonschip, zoals bedoeld in artikel 3 lid 6 Participatiewet.
- d.
Participatiewet: de Participatiewet met inbegrip van het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004 (Bbz).
- a.
-
3. De kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a Participatiewet is niet van toepassing bij vooropgezet tijdelijk verblijf.
Hoofdstuk II Commerciële prijs
Artikel 2 Commerciële prijs
Onder commerciële prijs als bedoeld in artikel 19a Participatiewet en artikel 5 IOAW en artikel 5 IOAZ wordt verstaan:
- a.
voor kale huur het bedrag van minimaal de basishuur als bedoeld in de Wet op de huurtoeslag.
- b.
voor all-in huur, waarin water- en energielasten zijn inbegrepen, een bedrag van minimaal €421,- per maand.
- c.
Het bedrag genoemd onder sub b wordt jaarlijks geïndexeerd overeenkomstig de ontwikkelingen van de consumentenprijsindex volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek. Het bedrag wordt naar beneden afgerond op hele euro’s.
Hoofdstuk III Inkomstenkorting bij ontvangst huur
Artikel 3 Inkomsten huur
-
1. De inkomsten uit verhuur, zoals bedoeld in artikel 33 lid 4 Participatiewet, worden op de uitkering in mindering gebracht onder aftrek van € 80,00 per maand.
-
2. Het vrijlatingsbedrag als bedoeld in het vorige lid wordt jaarlijks bijgesteld op basis de Recofa-richtlijn, met een afronding naar boven op hele euro’s.
Hoofdstuk IV Verlaging bijstandsnorm
Artikel 4 Verlaging norm wegens ontbreken woonkosten
-
1. De verlaging in verband met de woonsituatie zoals bedoeld in artikel 27 Participatiewet bedraagt 20 procent van de gehuwdennorm van artikel 21 onderdeel b Participatiewet, indien geen woning wordt bewoond of indien een woning wordt bewoond waaraan voor belanghebbende geen woonkosten zijn verbonden.
-
2. De verlaging geldt niet voor de belanghebbenden die een uitkering ontvangen op grond van de artikelen 20 en art. 22a Participatiewet.
-
3. Onder woonkosten wordt verstaan:
- a.
bij een huurwoning, rekenhuur als bedoeld in de Wet op de huurtoeslag;
- b.
bij een eigen woning, de verschuldigde hypotheekrente, de als eigenaar te betalen zakelijke lasten en een vast bedrag voor onderhoud.
- a.
-
4. Onder woonsituatie als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan de situatie waarbij:
- a.
een woning wordt bewoond waaraan geen woonkosten zijn verbonden;
- b.
een woning wordt bewoond waarvan de woonkosten door derden worden voldaan;
- c.
geen woning wordt bewoond.
- a.
-
5. Indien een dakloze aangeeft wel woonkosten te hebben, zoals kosten voor opvang, is het aan belanghebbende om dit aan te tonen via bewijsstukken. In dat geval kan het college besluiten de verlaging vast te stellen op 10% van de gehuwdennorm als bedoeld in het eerste lid.
-
6. Dit artikel geldt niet voor IOAW en IOAZ.
Hoofdstuk V Aanvulling bijstand
Artikel 5 Bijstand bij noodzakelijke uitwoning jongeren
-
1. Als naar oordeel van het college de aanvullende algemene bijstand als bedoeld in artikel 20 lid 3 Participatiewet onvoldoende blijkt om te voorzien in de algemeen gebruikelijke kosten van het bestaan dan stemt het college de bijstand op grond van artikel 18 lid 1 Participatiewet af tot maximaal het bedrag bedoeld in artikel 20 lid 4 Participatiewet.
-
2. Het college verstrekt uitsluitend aanvullende algemene bijstand als bedoeld in lid 1 wanneer inwoner (jongere) geen woonruimte deelt met zijn ouder(s).
-
3. Bij bepaling van de hoogte van de algemene bijstand als bedoeld in lid 1 wordt rekening gehouden met de woonsituatie overeenkomstig de regels van de kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a Participatiewet.
-
4. Dit artikel geldt niet voor IOAW en IOAZ.
Hoofdstuk VI Slotbepalingen
Artikel 6. Gevallen waarin de beleidsregels niet voorzien
Inzake de onderwerpen die vallen onder de discretionaire bevoegdheid van het college, waarin deze beleidsregels niet voorzien, beslist het college.
Artikel 7. Inwerkingtreding en citeertitel
-
1. Deze beleidsregels treden in werking op de eerste dag na die van bekendmaking en werken terug tot en met 1 januari 2026, behoudens situaties waarbij sprake is van negatieve gevolgen voor de belanghebbende.
-
2. Deze beleidsregels vervangen de eerder door B&W vastgestelde beleidsregels kostendelersnorm 2015.1.
-
3. Deze beleidsregels kunnen worden aangehaald als “Beleidsregels kostendelende medebewoner en afstemming op woonsituatie 2026”.
Ondertekening
Toelichting op de beleidsregels kostendelersnorm 2026
Artikel 1. Begripsbepalingen
Dit artikel bevat de begripsbepalingen die op deze beleidsregels van toepassing zijn.
Gemeenten hebben de bevoegdheid om, in individuele gevallen gelet op de persoonlijke bijzondere omstandigheden, specifieke personen na periodieke toetsing voor onbepaalde tijd uit te sluiten van de kostendelersnorm. De gemeente Oss kiest ervoor om, in lijn met eerdere berichten van het ministerie van SZW en de gangbare praktijk bij gemeenten bij vooropgezet tijdelijk verblijf de kostendelersnorm niet van toepassing te verklaren. Onder vooropgezet tijdelijk verblijf wordt o.a. verstaan inwoners die gebruik maken van het regionaal specialistisch vangnet, zoals een traject Maatschappelijke opvang met 24 uurs ondersteuning, Kleinschalige opvang (inclusief Kleinschalige opvang Gezinnen) of Beschermd wonen.
Afhankelijk van het individuele geval en de persoonlijke omstandigheden hebben gemeenten ruimte om maatwerk toe te passen. Dit geldt ook voor het uitzonderen van de kostendelersnorm. De wetgever geeft geen maximum aan de tijdelijkheid bij uitzonderingen van de kostendelersnorm. Uiteraard kan de kostendelersnorm niet categoriaal worden uitgezonderd en ook niet onbeperkt. Afhankelijk van het individuele geval en de persoonlijke omstandigheden past de gemeente Oss maatwerk toe op grond van artikel 18, eerste lid, Participatiewet. Zo ook bij het tijdelijk uitzonderen van de toepassing van de kostendelersnorm.
Artikel 2 Commerciële prijs
Uitwerking van het begrip commerciële prijs is nodig in relatie tot de uitvoering van de kostendelersnorm. Die speciale rekenregels gelden namelijk niet voor personen die op een commerciële basis in dezelfde woning wonen.
Wanneer is er sprake van een commerciële relatie?
Voor de toepassing van deze beleidsregel wordt aangesloten bij de definitie van de CRvB, namelijk:
- -
De belanghebbende kan de zakelijke relatie aantonen met een zakelijke overeenkomst, waarbij de wederzijdse rechten en plichten geregeld zijn en nauwkeurig zijn afgebakend.
- -
De belanghebbende kan betalingen aantonen (bankafschriften/bewijs kasstortingen afgelopen 3 maanden)
- -
Het college mag een schriftelijk contract verlangen
- -
Uit het contract moeten de periodieke prijsverhogingen blijken.
Het is van belang dat daar waar nodig de verklaringen van belanghebbende aan de hand van bewijsstukken getoetst worden. Dat zijn contracten, betalingsbewijzen, kwitanties of bankafschriften.
Wanneer is er sprake van een commerciële huurprijs?
Het bedrag van de commerciële ‘kale’ huurprijs is het bedrag van de basishuur, zoals omschreven in de wet op de Huurtoeslag. In deze huur zijn begrepen de elementen die voor het bepalen van het recht op huurtoeslag meetellen. De normhuur is het bedrag dat voor de vaststelling van het recht op huurtoeslag bij een inkomen op bijstandsniveau voor eigen rekening blijft. Hieruit blijkt dat de basishuur als ondergrens voor de commerciële (kale) huur kan worden gehanteerd. Voor een commerciële prijs van all-in huur is dit geen passende maatstaf. Die bevat immers energielasten en water. Op basis van eigen lokaal onderzoek onder de particuliere verhuurders is de ondergrens voor all-in huur bepaald op € 421,- per maand. Dit bedrag wordt jaarlijks geïndexeerd. Voor een lagere prijs is onder normale omstandigheden geen woonruimte te verkrijgen.
Individuele omstandigheden die afwijking rechtvaardigen
De commerciële prijs is een richtprijs. Afwijking naar beneden is mogelijk als duidelijk is dat door de individuele omstandigheden een lagere prijs is overeengekomen. Met andere woorden: in de concrete situatie is er sprake van een commerciële prijs. Dit is een maatwerkbeoordeling door de consulent. Dat kan bijvoorbeeld zijn in het geval van een anti-kraakcontract dat is afgesloten met een beheerstichting. De overeengekomen huurprijs is dan in de regel lager dan het normbedrag. Dat komt omdat de voorwaarden minder gunstig zijn. Een lagere prijs is in dat geval een commerciële prijs. Voor de kostendelersnorm telt de belanghebbende dan niet mee. Ander voorbeeld is als de huurprijs net onder het vastgestelde normbedrag ligt. Het kan zijn dat de woonruimte in slechte staat verkeerd of veel minder voorzieningen heeft dan gebruikelijk. Dit vraagt om een individuele beoordeling in het concrete geval.
Indexering
In sub c is een indexeringsbepaling opgenomen. Deze bepaling voorkomt dat de beleidsregel telkens opnieuw moet worden vastgesteld, enkel voor indexatie van de bedragen. Leidraad voor de indexering bedoeld in sub c is het indexeringspercentage van Schulinck Participatiewet. De indexeringspercentages voor de all-in huur worden door Schulinck berekend aan de hand van de consumentenprijsindex voor alle huishoudens van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Afronding op hele euro’s in het voordeel van belanghebbende. Het is van belang de nieuwe bedragen (na indexatie) duidelijk te communiceren.
Artikel 3 Inkomsten huur
Relatie met kostendelersnorm
Volledig zakelijke relaties zoals (onder)huurderschap, blijven voor de kostendelersnorm buiten beschouwing. Bij deze relaties is sprake van deelname aan het economisch verkeer, waarbij de verhuurder een commerciële prijs vraagt voor de huur van de woning en de geleverde diensten en de huurder deze commerciële prijs betaalt. In deze situaties is het uitgangspunt dat de kosten niet op dezelfde wijze worden gedeeld als met woningdelers die geen onderlinge zakelijke relatie met elkaar hebben.
De Recofa richtlijn als ijkpunt
Om tot een uniforme richtlijn te komen ten aanzien van het korten van uitkering op grond van artikel 33, vierde lid, van de Participatiewet, is gekozen voor de bepalingen ten aanzien van woonlasten uit de Recofa-richtlijnen.
Huurders
Onder de richtlijn staat het bedrag dat de belanghebbende, na aftrek van een forfaitair bedrag voor inwoning, daadwerkelijk als bijdrage in de woonlasten van de inwoner(s) ontvangt in verband met meerderjarige inwoners. Het forfaitaire bedrag kan indien er alleen sprake is van inwoning, worden gesteld op € 80,00 per maand voor energie, afschrijving van meubilair en dergelijke. Met andere woorden: al het meerdere van € 80,00 aan inkomsten uit verhuur moet op de bijstand van belanghebbende in mindering worden gebracht.
Kostgangers
Mocht zich in de praktijk een kostgangerrelatie voordoen dan wordt het bestaan van een commerciële prijs individueel beoordeeld. Dit op basis van lokaal onderzoek in samenhang met beschikbare info van bijv. NIBUD.
Artikel 4 Verlaging norm wegens ontbrekenwoonkosten
Reikwijdte verlaging
Naast het toepassen van de kostendelersnorm kan bij het bepalen van de uitkering nog op een andere manier rekening worden gehouden met de specifieke woonsituatie. Het is mogelijk de norm te verlagen. De wettelijke grondslag is artikel 27 Participatiewet. Centraal daarin staat het begrip woonkosten.
De verlaging geldt echter niet voor:
- •
jongeren tot 21 jaar (art. 20 Participatiewet)
- •
belanghebbenden op wie de kostendelersnorm van toepassing is (art. 22a Participatiewet).
Ontbreken woonkosten
Er zijn 3 mogelijke ‘oorzaken’ van ontbreken woonkosten. Namelijk
- 1)
Bewoning van een woning waaraan geen woonkosten zijn verbonden, bijvoorbeeld krakers.
- 2)
Als een derde, bijvoorbeeld de onderhoudsplichtige, de woonlasten van de woning betaalt.
- 3)
Het niet aanhouden van een woning (daklozen)
In de praktijk zal bij de eerste 2 oorzaken een verlaging worden toegepast van 20%.
Daklozen
Indien een dakloze echter expliciet aangeeft wel woonkosten te hebben (bijvoorbeeld betalen voor opvang) is het aan de aanvrager om dit aan het college aan te tonen via bewijsstukken. Op grond hiervan kan het college besluiten de verlaging vast te stellen op 10% van de gehuwdennorm.
Betaling woonkosten door derde: Jurisprudentie
Als een derde, bijvoorbeeld de ex-echtgenoot, de woonlasten van de door belanghebbende bewoonde woning draagt, heeft het college de keuze om het aldus verkregen woongenot aan te merken als inkomen in natura of de norm of toeslag te verlagen op grond van artikel 27 Participatiewet (zie ook TK 2002-2003, 28 870, nr. 3, p. 54-55).
Algemeen principe: individualiseringsbeginsel
Overigens kan het college, indien noch in het kader van artikel 27 Participatiewet noch in het kader van artikel 33 lid 1 Participatiewet rekening wordt gehouden met de situatie waarin een ander dan belanghebbende de woonkosten betaalt, de bijstand in voorkomende gevallen lager vaststellen op grond van het individualiseringsbeginsel van artikel 18 lid 1 Participatiewet.
Artikel 5 Bijstand bij noodzakelijke uitwoning
In 2026 is in de Participatiewet vastgelegd dat het college van B&W middels de algemene bijstand jongeren tot 21 jaar een aanvullend normbedrag kan geven wanneer ouders niet (kunnen) voorzien in het onderhoud van hun kind.
Het bedrag kan bij noodzakelijke hogere kosten of bij duidelijk lagere kosten voor levensonderhoud worden afgestemd op de situatie van de jongere. Dit blijft mogelijk op grond van artikel 18, eerste lid van de Participatiewet. Deze aanvulling vindt plaats vanuit de algemene bijstand. De persoonlijke situatie, i.c. de woonsituatie, van de jongere is hierbij in de praktijk bepalend. Bij (tijdelijke) hoge woonkosten kan de aanvulling hoger en tot een toereikend niveau worden vastgesteld. Het college verstrekt uitsluitend aanvullende algemene bijstand wanneer de jongere niet bij zijn ouders woont, omdat een aanvulling louter bedoeld is voor jongeren die geen beroep kunnen doen op de ouderlijke onderhoudsplicht.
De bewijsmiddelen zoals die onder artikel 2 van deze beleidsregels gebruikt worden om de commerciële prijs vast te stellen kunnen door het college ingezet worden bij de beoordeling van de noodzakelijkheid van aanvullende algemene bijstand.
Artikel 6 Gevallen waarin de beleidsregels niet voorzien
In de slotbepalingen is bepaald dat het college besluit in gevallen waarin deze beleidsregels niet voorzien.
Artikel 7. Inwerkingtreding en citeertitel
Spreekt voor zich.
Ziet u een fout in deze regeling?
Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl.
Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl