Beleidsregels bijtincidenten honden gemeente Veldhoven

Geldend van 04-04-2026 t/m heden

Intitulé

Beleidsregels bijtincidenten honden gemeente Veldhoven

Intitulé

Beleidsregels bijtincidenten honden gemeente Veldhoven

De burgemeester van de gemeente Veldhoven;

overwegende:

  • dat er in de gemeente meermaals bijtincidenten met honden hebben plaatsgevonden;

  • dat het gewenst is om beleidsregels vast te stellen over de uitleg van artikel 2:46 van de Algemene plaatselijke verordening (Apv);

gelet op:

  • de Algemene wet bestuursrecht (Awb), artikelen 1:3, vierde lid, 4:81, eerste lid, 4:83 en 5:31;

  • de Gemeentewet (Gemw), artikelen 125, derde lid, en 172, derde lid;

  • de Algemene plaatselijke verordening (Apv), artikel 2:46;

besluit:

Beleidsregels bijtincidenten honden gemeente Veldhoven vast te stellen.

Artikel 1 Begripsbepaling

Licht bijtincident:

van een licht bijtincident is sprake wanneer een hond een persoon, een andere hond of ander dier bijt, maar als daarbij geen sprake is van ernstig letsel of ernstige gevolgen.

Ernstig bijtincident:

van een ernstig bijtincident is sprake:

  • 1.

    wanneer het bijtincident ernstige gevolgen heeft, doordat een persoon, hond of ander dier overlijdt als direct gevolg van het bijtincident;

  • 2.

    wanneer meer dan één keer een licht bijtincident plaatsvindt

  • 3.

    wanneer een hond ernstig letsel toebrengt aan een persoon, hond of ander dier;

  • 4.

    in ieder ander geval dat door de burgemeester als ernstig wordt aangemerkt.

Ernstig letsel:

van ernstig letsel is sprake wanneer er bij een persoon, hond of een ander dier medische behandeling noodzakelijk is als gevolg van het bijtincident. Het gaat dan bijvoorbeeld om open wonden, inwendig letsel, letsel waarbij het slachtoffer niet in staat is om te werken of de normale dagelijkse activiteiten uit te voeren of chirurgisch letsel.

Gevaarlijke hond:

een hond, die een ernstig bijtincident heeft veroorzaakt.

Hinderlijke hond:

een hond, die een licht bijtincident heeft veroorzaakt.

Aanlijnen:

het aanlijnen van een hond met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, die niet langer is dan 1,50 meter.

Muilkorf:

muilkorf ingericht naar een model dat beantwoordt aan de volgende beschrijving: een muilkorf vervaardigd van stevige kunststof, of van stevig leer of van beide stoffen, die door middel van een stevige leren riem rond de hals zodanig is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is en die zodanig is ingericht dat de drager geen mens of dier kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn.

Artikel 2 Hinderlijke hond

  • 1.

    De burgemeester acht een hond hinderlijk, in de zin van artikel 2:46 Apv, als deze een licht bijtincident heeft veroorzaakt.

  • 2.

    De burgemeester geeft de eigenaar/houder van de hond een waarschuwing en kan daarbij een aanlijngebod opleggen.

  • 3.

    Een eventueel aanlijngebod geldt voor onbepaalde tijd totdat het door de burgemeester wordt opgeheven. Het opheffen van een opgelegd gebod kan worden opgeheven door het volgen van een gedragstest zoals bedoeld in artikel 5.

  • 4.

    Voordat een aanlijngebod wordt opgelegd kondigt de burgemeester het voornemen aan om de hond hinderlijk te verklaren en een aanlijngebod op te leggen.

  • 5.

    Om de maatregel op te kunnen volgen wordt in de beschikking een begunstigingstermijn van twee dagen genoemd. In bijzondere gevallen wordt hiervan afgeweken. De duur van deze begunstigingstermijn is bepaald aan de hand van de tijd die redelijkerwijs nodig is om een korte lijn aan te schaffen, althans het middel dat noodzakelijk is om opvolging te kunnen geven aan het opgelegde gebod uit het tweede lid. Indien bekend is dat deze middelen reeds in het bezit zijn van de eigenaar of houder, kan ervoor gekozen worden om geen begunstigingstermijn af te gegeven.

Artikel 3 Gevaarlijke hond

  • 1.

    De burgemeester acht een hond gevaarlijk, in de zin van artikel 2:46 Apv, als deze een ernstig bijtincident heeft veroorzaakt.

  • 2.

    De eigenaar of houder van een gevaarlijke hond wordt door de burgemeester geboden er zorg voor te dragen dat deze hond aangelijnd en gemuilkorfd is voor zover deze zich op de openbare plaats of het terrein van een ander bevindt.

  • 3.

    Het aanlijn- en muilkorfgebod geldt voor onbepaalde tijd totdat dit door de burgemeester wordt opgeheven. Het opheffen van een opgelegd gebod kan worden opgeheven door het volgen van een gedragstest zoals bedoeld in artikel 5.

  • 4.

    Voordat een aanlijn- en muilkorfgebod wordt opgelegd, kondigt de burgemeester het voornemen aan om de hond gevaarlijk te verklaren en een aanlijn- en muilkorfgebod op te leggen. Wanneer de eigenaar of houder van de hond dit voorgenomen besluit heeft ontvangen kan de eigenaar of houder een zienswijze hierover indienen.

  • 5.

    Om de maatregel op te kunnen volgen, wordt in de beschikking een begunstigingstermijn van twee dagen genoemd. In bijzondere gevallen wordt hiervan afgeweken. De duur van de begunstigingstermijn wordt slechts bepaald aan de hand van de tijd die redelijkerwijs nodig is om een korte lijn en/of muilkorf aan te schaffen, althans het middel dat noodzakelijk is om opvolging te kunnen geven aan het opgelegde gebod uit het tweede lid. Indien bekend is dat deze middelen reeds in het bezit zijn van de eigenaar of houder, kan ervoor gekozen worden om geen begunstigingstermijn af te gegeven.

Artikel 4 Overige schade veroorzaakt door een bijtincident

  • 1.

    Indien een hond schade heeft veroorzaakt als gevolg van een bijtincident, niet zijnde letselschade of schade aan een ander dier, dan wordt deze schade gekenmerkt als overige bijtschade.

  • 2.

    Wanneer meer dan één keer door dezelfde hond een bijtincident als bedoeld in het eerste lid is veroorzaakt, dan wordt deze hond door de burgemeester als hinderlijk beoordeeld zoals bedoeld in artikel 2.

Artikel 5 Gedragstest

  • 1.

    In opdracht van de eigenaar of houder kan bij de hond een gedragstest (risico-assessment) worden afgenomen om aan te tonen dat de hond niet hinderlijk en/of gevaarlijk is. Dit risico-assessment dient altijd te worden afgenomen door een door de Raad van Beheer op Kynologisch Gebied benoemde gedragskeurmeester.

  • 2.

    De kosten voor het laten uitvoeren van een risico-assessment door de eigenaar of houder van de hond zijn voor rekening van de eigenaar of houder van de hond.

  • 3.

    De burgemeester kan op schriftelijk verzoek van de eigenaar of houder van de hond de opgelegde maatregel(en) opheffen, wanneer de eigenaar of houder van de hond door middel van de in het eerste lid genoemde gedragstest aannemelijk heeft gemaakt dat de hond niet meer hinderlijk en/of gevaarlijk is.

Artikel 6 Inbeslagname door middel van (spoedeisende) bestuursdwang

  • 1.

    Als de eigenaar of houder van een hond, welke op grond van artikel 3 van deze beleidsregels door de burgemeester is aangemerkt als gevaarlijk, in strijd met het aanlijn- en/of muilkorfgebod handelt en de hond een nieuw bijtincident veroorzaakt, wordt de eigenaar of de houder gevraagd om vrijwillig afstand te doen van de hond.

  • 2.

    Wanneer de eigenaar of houder niet vrijwillig afstand doet van zijn hond, kan de burgemeester besluiten tot onvrijwillige inbeslagname van een hond op grond van artikel 5:31, tweede lid Awb als de in het eerste lid genoemde situatie zich heeft voorgedaan. Er is dan sprake van (spoedeisende) bestuursdwang.

  • 3.

    De burgemeester kan overgaan tot inbeslagname van de hond wanneer herhaaldelijk het aanlijngebod en/of muilkorfgebod niet wordt nageleefd, en er sprake is van zeer ernstige vrees voor het ontstaan van een zeer ernstig bijtincident. Er is dan sprake van (spoedeisende) bestuursdwang.

  • 4.

    Bij het in het tweede en derde lid omschreven onvrijwillig in beslag nemen van de hond geeft de burgemeester opdracht de hond te laten onderwerpen aan een gedragstest uitgevoerd door een door de Raad van Beheer op Kynologisch Gebied benoemde gedragskeurmeester.

  • 5.

    Wanneer uit de gedragstest, als bedoeld in het vierde lid, blijkt dat de hond niet kan worden herplaatst bij de oorspronkelijke eigenaar of houder, een andere eigenaar of houder of anderszins het risico op bijtincidenten kan worden voorkomen, wordt door de burgemeester besloten deze hond te laten inslapen. Dit wordt uitsluitend gedaan door een daartoe bevoegde dierenarts.

  • 6.

    De kosten van vervoer, opvang, verblijf, (medische) verzorging, gedragstest, eventuele overige noodzakelijke kosten na inbeslagname en eventueel de kosten voor het laten inslapen komen volledig voor rekening van de eigenaar of houder van de hond en worden op de eigenaar of houder verhaald.

Artikel 7 Inbeslagname bij verstoring openbare orde

De burgemeester is op grond van artikel 172, derde lid Gemeentewet bevoegd om een hond is beslag te nemen bij verstoring van de openbare orde of bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan. Dit is het geval wanneer er sprake is van (zeer ernstige vrees voor het ontstaan van) een ernstig bijtincident.

Artikel 8 Slotbepalingen

  • 1.

    Deze beleidsregels kunnen worden aangehaald als "Beleidsregels bijtincidenten honden gemeente Veldhoven".

  • 2.

    De burgemeester kan, in gevallen waarbij toepassing van deze beleidsregels gelet op het te beschermen belang leidt tot onevenredige gevolgen voor belanghebbenden, afwijken van hetgeen in deze beleidsregels is bepaald.

  • 3.

    Dit besluit treedt in werking op de eerste dag na bekendmaking.

Datum 30 maart 2026,

Ondertekening

Burgemeester

gemeente Veldhoven

M. Delhez

Procedure bijtincidenten honden

Bijtincidenten kunnen geregistreerd worden bij de politie en/of gemeente Veldhoven

Inwoners van de gemeente Veldhoven kunnen bij de politie een melding of aangifte doen van een bijtincident. De politie registreert de melding of de aangifte en geeft deze door aan de gemeente. Wanneer er een aangifte wordt opgenomen, wordt meteen door de politie beoordeeld of strafvervolging mogelijk is.

Met de politie is afgesproken dat in de registratie, voor zover bekend, de volgende gegevens worden opgenomen:

  • personalia eigenaar of houder;

  • personalia benadeelde partij;

  • personalia getuige(n);

  • gegevens van de bijtende hond inclusief vermelding van ras, chipnummer, roepnaam hond, kopie van paspoort en/of stamboomgegevens;

  • indien van toepassing gegevens van het slachtoffer;

  • indien van toepassing gegevens van de gebeten hond, inclusief vermelding van ras, chipnummer, roepnaam hond, kopie paspoort en/of stamboomgegevens;

  • indien van toepassing gegevens van het gebeten dier of het object;

  • aard en omvang van het letsel en de schade;

  • de omstandigheden en de aanleiding waaronder de hond heeft gebeten;

  • of de hond mee naar huis is of dat de hond in beslag is genomen en op welke grond (straf- of bestuursrecht);

  • of er andere meldingen over desbetreffende hond in het systeem aanwezig zijn.

De melding en of de aangifte wordt vanuit de politie doorgegeven aan een medewerker van het team Vergunningen, Toezicht en Handhaving van de gemeente Veldhoven.

Ook kunnen er meldingen van bijtincidenten bij de gemeente Veldhoven worden gedaan. De medewerkers van gemeente Veldhoven doen zelf de registratie van de bestuurlijke maatregelen die de burgemeester oplegt.

Beoordeling bijtincident

Na het verzamelen van de gegevens wordt het incident door een medewerker van de gemeente Veldhoven beoordeeld en gekwalificeerd. Er wordt dan beoordeeld en gekwalificeerd of er sprake is van een licht bijtincident of een ernstig bijtincident. Afhankelijk van de beoordeling wordt er een passend handhavingstraject gestart.

Uitgangspunt in onze gemeente is dat iedereen zich vrij in de openbare ruimte moet kunnen bewegen zonder gebeten of aangevallen te worden door honden.

Lichte bijtincidenten

Er is sprake van een licht bijtincident wanneer een hond een persoon, een andere hond of een ander dier bijt, maar als daarbij geen sprake is van ernstig letsel of ernstige gevolgen. Er is sprake van een licht bijtincident wanneer er sprake is van geen letsel of gering letsel waarbij geen medische behandeling noodzakelijk is. Het gaat dan bijvoorbeeld om een schaafwond, een tandafdruk, een blauwe plek. Een licht bijtincident wordt pas bij een tweede melding van een licht bijtincident opgeschaald naar een ernstig bijtincident.

Ernstige bijtincidenten

van een ernstig bijtincident is sprake:

  • wanneer het bijtincident ernstige gevolgen heeft, doordat een persoon, hond of ander dier overlijdt als direct gevolg van het bijtincident;

  • wanneer meer dan één keer een licht bijtincident plaatsvindt

  • wanneer een hond ernstig letsel toebrengt aan een persoon, hond of ander dier;

  • in ieder ander geval dat door de burgemeester als ernstig wordt aangemerkt.

Licht bijtincident - waarschuwingsbrief

Indien er sprake is van een licht bijtincident, dan kan er een waarschuwingsbrief worden verzonden aan de eigenaar of houder van de hond. Deze brief is geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht, dus staat hiertegen geen bezwaar en beroep open. In een waarschuwingsbrief wordt aangegeven dat de gemeente het vanuit het oogpunt van openbare orde en veiligheid onacceptabel vindt dat een mens, een ander dier of een voorwerp gebeten wordt. Verder wordt van de eigenaar of de houder verwacht dat hij alle maatregelen zal treffen om herhaling van een dergelijk incident te voorkomen. Dit kan bijvoorbeeld door uit voorzorg de hond aan te lijnen en te muilkorven in openbaar gebied of het plaatsen van een deugdelijke omheining of het volgen van een gedragstraining. In de brief staat duidelijk aangegeven dat bij een nieuw bijtincident handhavend opgetreden kan worden, door bijvoorbeeld het opleggen van een aanlijn- en muilkorfgebod. De burgemeester kan in bepaalde gevallen ook besluiten om al na het eerste bijtincident een aanlijngebod op te leggen. In dit geval kan de eigenaar of houder binnen zes weken, nadat dit besluit aan de eigenaar of houder bekend is gemaakt bezwaar maken.

Ernstig bijtincident (of twee lichte bijtincidenten) - voornemen tot bestuursrechtelijk traject

Indien er sprake is van een ernstig bijtincident, is het uitgangspunt dat de burgemeester besluit tot gevaarlijk verklaring van de hond op grond van artikel 2:46 Apv. Dit heeft tot gevolg dat er een aanlijn- en muilkorfgebod wordt opgelegd. De eigenaar of houder ontvangt een voornemen aanlijn- en muilkorfgebod met een last onder dwangsom inzake gevaarlijke hond. In het voornemen wordt de aanleiding en consequenties beschreven. Bij een ernstig bijtincident kan er ook aanleiding zijn om nader onderzoek te gelasten, bijvoorbeeld een gedragstest.

Zienswijze

De eigenaar of houder kan een zienswijze tegen een voornemen aanlijn- en/of muilkorfgebod met een last onder dwangsom. Wanneer er geen zienswijze wordt ingediend tegen het voornemen, zal de burgemeester het besluit nemen om het aanlijn- en muilkorfgebod op te leggen. Is de eigenaar of houder het niet eens met het voornemen, dan mag de eigenaar of houder een zienswijze indienen tegen het voornemen. Indien er een zienswijze wordt ingediend wordt deze beoordeeld. Als de zienswijze geen reden geeft om af te zien van het opleggen van een aanlijn- en/of muilkorfgebod met een last onder dwangsom zal het besluit volgen.

Besluit tot opleggen van geboden of verboden

Wanneer het besluit is genomen om een aanlijn- en muilkorfgebod op te leggen, moet de hond vanaf dat moment meteen worden aangelijnd en een muilkorf dragen.

Bezwaar tegen besluit

De eigenaar of houder kan binnen zes weken, nadat het besluit aanlijn- en muilkorfgebod met een last onder dwangsom inzake gevaarlijke hond aan de eigenaar of houder bekend is gemaakt, bezwaar maken tegen het besluit.

Handhaving en sancties

Last onder dwangsom en last onder bestuursdwang

Indien een hond als gevaarlijk en/of hinderlijk is aangemerkt op grond van artikel 2:46 Apv, zal toegezien worden op het naleven van het opgelegde aanlijn- en muilkorfgebod. Het overtreden van het aanlijn- of muilkorfgebod is verboden op grond van de Apv. Zowel de politie als opsporingsambtenaren van de gemeente Veldhoven kunnen toezien op de naleving daarvan.

Er zijn situaties denkbaar dat het - herhaaldelijk – verbeuren van een dwangsom niet leidt tot het naleven van artikel 2:46 Apv. De hond blijft dan los of zonder muilkorf rondlopen. In dat geval kan de burgemeester overgaan tot het opleggen van een last onder bestuursdwang, als er sprake is van zeer ernstige vrees voor het ontstaan van een zeer ernstig bijtincident. Het opleggen van een last onder bestuursdwang betreft het herstellen in een normale toestand door het ongedaan maken, beëindigen of voorkomen van de overtreding. Bij het opleggen van een last onder bestuursdwang wordt een termijn gegeven waarbinnen de overtreder de hond alsnog dient aan te lijnen en te muilkorven. De termijn is gesteld op 48 uur. Indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd, zal worden overgegaan tot feitelijk handelen door de hond in beslag te nemen. Daarmee wordt de overtreding effectief beëindigd en nadere overtredingen voorkomen. Tussen het constateren van de overtreding en het daadwerkelijk ingrijpen kan enige tijd zitten nu de eisen van zorgvuldigheid bij het toepassen van bestuursdwang in acht genomen moeten worden.

Inbeslagname door spoedeisende bestuursdwang

Er kan zich echter een situatie voordoen dat de situatie dermate spoedeisend is dat de burgemeester de beslissing tot toepassing van bestuursdwang niet van tevoren op schrift kan stellen en dit dus achteraf plaatsvindt.

De burgemeester is op grond van artikel 5:31, tweede lid, van de Awb bevoegd overtredingen van wettelijke voorschriften met spoed te beletten of te beëindigen. De burgemeester besluit tot inbeslagname van de hond door middel van spoedeisende bestuursdwang als:

  • de eigenaar of houder van een hond die door de burgemeester als gevaarlijke hond is aangewezen, in strijd met artikel 2:46 Apv handelt en vervolgens;

  • de hond een nieuw bijtincident veroorzaakt, waarbij sprake is van ernstig letsel of ernstige gevolgen en direct optreden wordt verwacht; en

  • de eigenaar of houder van de hond niet vrijwillig afstand doet van de hond.

De burgemeester neemt een besluit tot inbeslagname en geeft de locatie van de hond door aan de politie. Een diensthondengeleider gaat samen met de plaatselijke politie ter plaatse over tot inbeslagname van de hond. De hond wordt ondergebracht op een geheime locatie. De diensthondengeleider regelt het vervoer naar de aangegeven locatie. De inbeslagname duurt ongeveer vier weken, uitzonderingen daargelaten.

De hond ondergaat een risico-assessment.

Op basis van de uitkomsten van de gedragstest is het mogelijk dat de hond onder voorwaarden (bijvoorbeeld door het volgen van cursussen) terug kan naar de eigenaar/houder, elders wordt herplaatst, of dat de hond moet worden ingeslapen.

Kostenverhaal

In de situatie dat de burgemeester bestuursdwang toepast, zullen de daarmee gepaard gaande kosten verhaald worden op de eigenaar of houder van de hond. Hierbij kan gedacht worden aan de kosten van transport, opslag, noodzakelijke verzorging (voedsel) en het uitvoeren van de gedragstest.

Inbeslagname bij verstoring van de openbare orde

De burgemeester is op grond van artikel 172, derde lid Gemeentewet bevoegd om bij verstoring van de openbare orde of bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, de bevelen te geven die noodzakelijk zijn voor de handhaving van de openbare orde. De burgemeester is niet bevoegd om de in artikel 172, derde lid Gemeentewet neergelegde bevoegdheid te gebruiken in situaties waarin artikel 2:46 Apv voorziet. Het gaat om situaties waarin geen overtreding van wettelijke voorschriften ter bewaring van de openbare orde plaatsvindt, terwijl sprake is van een zodanige inbreuk op orde en rust dat niet meer van een aanvaardbaar niveau kan worden gesproken. Wanneer de burgemeester besluit tot inbeslagname van de hond op grond van artikel 172, derde lid Gemeentewet, geldt het volgende:

  • er is sprake van een verstoring van de openbare orde of van ernstige vrees daarvoor en de inbeslagname is noodzakelijk voor de handhaving van de openbare orde. Er zijn gevoelens van onrust in de omgeving van de hond. Dit kan blijken uit de ingewonnen informatie, bestuurlijke rapportages of uit processen-verbaal. Ook het gedrag van de eigenaar of houder van de hond kan hiertoe aanleiding geven. Bijvoorbeeld wanneer de eigenaar of houder van de hond het incident bagatelliseert. Hierdoor ontstaat een gerechtvaardigde vrees voor herhaling. Daardoor blijkt ook dat het probleem niet alleen bij de hond ligt;

  • de inbeslagname is strikt noodzakelijk (proportionaliteit) en minder ingrijpende bevoegdheden zouden te kort schieten (subsidiariteit);

  • de toepassing moet voortvarend plaatsvinden.

De gemeente is zelf verantwoordelijk voor het vervoer en opslaan van de hond. Met de opslaghouder kan besproken worden hoe het vervoer geregeld wordt. De gemeente zorgt ervoor dat de hond een risico-assessment ondergaat.

Afhankelijk van de uitslag, wordt de hond aangeboden aan een dierenasiel voor resocialisatie, wordt hij (onder voorwaarden) herplaatst bij een andere eigenaar of moet de hond ingeslapen worden. De hond mag in geen geval opnieuw in het bezit komen van de oorspronkelijke eigenaar.

Kostenverhaal

De kosten die gepaard gaan met de inbeslagname op grond van artikel 172, derde lid Gemeentewet kunnen niet verhaald worden.

Afwijken van beleidsregels

In deze beleidsregels is vastgelegd hoe de gemeente omgaat met bijtincidenten. Deze incidenten zijn afhankelijk van de situatie. In bepaalde gevallen is het voor de burgemeester mogelijk om af te wijken van het bovenstaande beleid, zowel met lichtere maatregelen (bijvoorbeeld alleen een aanlijngebod en geen muilkorf gebod) als met verzwarende maatregelen. Dit betekent dat stappen kunnen worden overgeslagen, dan wel dat een lichtere vorm kan worden gekozen bij het afhandelen van een melding.

Wanneer er wordt afgeweken van dit beleid, wordt dit gemotiveerd. Deze mogelijkheid om van het beleid af te wijken is van groot belang, juist omdat een goede afhandeling van een bijtincident afhankelijk is van de specifieke aard en omvang van het incident.

Ondertekening