Verordening jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning Wageningen 2026

Geldend van 03-04-2026 t/m heden met terugwerkende kracht vanaf 01-01-2026

Intitulé

Verordening jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning Wageningen 2026

De raad van de gemeente Wageningen,

Gelezen:

het raadsvoorstel van vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders op 24 februari 2026;

gelet op:

  • -

    Artikel 147 en 149 van de Gemeentewet;

  • -

    de artikelen 2.9, 2.10, 2.12 en 8.1.1, derde lid, van de Jeugdwet;

  • -

    de artikelen 2.1.3, 2.1.4, 2.1.4a, eerste, tweede, vijfde en zesde lid, 2.1.4b, tweede lid, 2.1.5,eerste lid, 2.1.6, 2.1.7, 2.3.6, vierde lid, en 2.6.6, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

  • -

    de artikelen 3.8, tweede lid, en 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015; en

  • -

    het gemeentelijk Beleidskader Samen Wageningen 2026 (vastgesteld 24 november 2025);

BESLUIT

  • 1.

    De ‘Verordening jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning Wageningen 2026’ vast testellen.

  • 2.

    De vaststelling van de Verordening jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning 2026 aan te merken als een referendabel besluit in de zin van de Referendumverordening Wageningen 2006.

HOOFDSTUK 1 Begripsbepalingen

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

  • 1. In deze verordening verstaan we onder:

    • -

      Adviesrapport: rapportage waarin de specifieke individuele voorziening of maatwerkvoorziening voor de cliënt staat omschreven die door het college wordt geadviseerd, rekening houdend met de mogelijkheden en beperkingen van de cliënt en afgestemd op andere hulpbronnen die beschikbaar zijn.

    • -

      Algemeen gebruikelijke voorziening is een voorziening die:

      • niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking;

      • daadwerkelijk beschikbaar is;

      • een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat is tot zelfredzaamheid of participatie; en

      • financieel gedragen kan worden met een inkomen op minimumniveau;

    • -

      Algemene voorziening: aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp; - Andere voorziening: elke voorziening anders dan in het kader van de Wmo 2015 of Jeugdwet op het gebied van zorg, onderwijs, ondersteuning of werk en inkomen.

    • -

      Bijdrage: bijdrage als bedoeld in de artikelen 2.1.4, eerste lid, en 2.1.4a van de Wmo 2015;

    • -

      Cliënt: de persoon conform omschrijving artikel 1.1.1 Wmo 2015 en de jeugdige en zijn ouders conform artikel 1.1 in de Jeugdwet;

    • -

      Financieel besluit: Financieel besluit jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning, Wageningen. Het financieel besluit wordt jaarlijks aangepast;

    • -

      Gebruikelijke hulp: hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de inwonende partner, inwonende ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten.

    • -

      Gespreksverslag: verslag van de brede vraagverheldering met aandacht voor de eigen kracht, het informele netwerk en voorliggende voorzieningen gericht op het oplossen van (delen van) de hulpvraag.

    • -

      Hulpvraag: behoefte van een jeugdige of zijn ouders aan jeugdhulp in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen, als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van de Jeugdwet en/of behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wmo 2015;

    • -

      Individuele voorziening: op de jeugdige of zijn ouders toegesneden voorziening als bedoeld in artikel 2.9, onder a, van de Jeugdwet;

    • -

      Maatwerkvoorziening: een op de inwoner toegesneden voorziening als voorziening als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid van de Wmo 2015;

    • -

      Pgb: persoonsgebonden budget op basis van de Jeugdwet (artikel 8.1.1) of de Wmo 2015 (artikel 2.3.6);

    • -

      Pgb-plan: een plan waarin de cliënt de besteding van het pgb aangeeft inclusief de wijze waarop hiermee de gestelde doelen worden bereikt.

    • -

      Pgb-vertegenwoordiger: een natuurlijke persoon of rechtspersoon die door de pgbgerechtigde gemachtigd is om de aan het pgb verbonden taken op zich te nemen;

    • -

      Toekomstplan: een plan dat helpt om toekomstgericht en integraal te werken aan de begeleiding van jongeren naar zelfstandigheid;

    • -

      Voorliggende voorziening: een algemene voorziening of een voorziening, op basis van een andere, voorliggende wet, waaronder de Zorgverzekeringswet en de Wet langdurige zorg, dan de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 of Jeugdwet, waarmee aan de hulpvraag wordt tegemoetgekomen;

    • -

      Vraagverheldering: het concretiseren van de hulpvraag en verkennen van de problematiek door ‘door te vragen’ tijdens gesprek(ken) met de cliënt.

    • -

      AVG: Algemene Verordening Gegevensbescherming;

    • -

      Wmo 2015: de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.

  • 2. Voor de overige begrippen in deze verordeningen verwijzen wij naar bijlage I bij deze verordening.

  • 3. Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die hierboven niet nader zijn omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de Wmo 2015, de Jeugdwet, het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 en de Algemene wet bestuursrecht.

Toelichting

In dit artikel zijn alleen de begrippen opgenomen die van belang zijn voor deze verordening. In bijlage I zijn alle definities uit de Jeugdwet en de Wmo 2015 opgenomen.

In de Jeugdwet en de Wmo 2015 worden verschillende begrippen gebruikt voor voorzieningen.

Wmo 2015

  • -

    algemeen gebruikelijke voorziening : voorziening die niet speciaal is bedoeld voor mensen met een beperking en die algemeen verkrijgbaar is en niet of niet veel duurder is dan vergelijkbare producten;

  • -

    maatwerkvoorziening: de voorziening als bedoeld in artikel 1.1.1. van de Wmo 2015.

Jeugdwet:

  • -

    andere voorziening : voorziening op basis van een andere wet dan de Jeugdwet op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen;

  • -

    individuele voorziening : op de jeugdige of zijn ouders toegesneden voorziening als bedoeld in artikel 2.9, onder a van de Jeugdwet.

In de verordening gebruiken we het begrip cliënt. We verstaan hieronder ook de jeugdige en zijn ouders overeenkomstig de definitie uit de Jeugdwet. Met de aanduiding ‘de jeugdige of zijn ouders’ wordt bedoeld:

de jeugdige (van 16 jaar of ouder) zelfstandig, de jeugdige (tussen de 12 en de 16 jaar) met een of beide ouders (in de definitie van artikel 1 van de Jeugdwet: de gezaghebbende ouder, adoptiefouder, stiefouder of een ander die een jeugdige als behorend tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, niet zijnde een pleegouder), of de ouders namens de jeugdige (bij een jeugdige jonger dan 12 jaar).

HOOFDSTUK 2 Algemeen

Artikel 2.1 Gemeentelijke toegang tot jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning

Het college bepaalt met inachtneming van artikel 2.3 van de Jeugdwet en artikelen 2.3.1 tot en met 2.3.5 van de Wmo 2015 bij nadere regels op welke wijze in samenspraak met de cliënt wordt vastgesteld of de cliënt voor een maatwerkvoorziening en/of een individuele voorziening in aanmerking komt. Het college geeft daarbij aan op welke wijze hij cliënten informeert over de mogelijkheid en het belang om in bepaalde gevallen een beroep op jeugdhulp en/of maatschappelijke ondersteuning te doen.

Toelichting

Een cliënt kan met een hulpvraag terecht bij de gemeente. In een gesprek tussen een door de gemeente ingezette deskundige en de cliënt zal gekeken worden wat de cliënt eventueel zelf of met behulp van zijn netwerk kan doen aan het probleem. Als aanvullend daarop een voorziening op het gebied van jeugdhulp of maatschappelijke ondersteuning nodig is, dan zal eerst gekeken worden of dit een vrij toegankelijke voorziening is of een maatwerkvoorziening of een individuele voorziening.

Bij maatwerk- en individuele voorzieningen is een beschikking van het college nodig. In dit artikel is ervoor gekozen om deze procedures in door het college vast te stellen nadere regels op te nemen. Hiermee wordt voor de cliënt alles in één document overzichtelijk weergegeven. Ook de mogelijkheid van een 2nd opinion zal daarin meegenomen worden.

Toegang en hulp en ondersteuning via Veilig Thuis

Veilig Thuis geeft advies over vermoedens en gevallen van huiselijk geweld en kindermishandeling, onderzoekt indien nodig op basis van een melding of er sprake is van (kinder)mishandeling, motiveert zo nodig cliënten tot accepteren van hulp en legt daartoe contacten met de hulpverlening. Deze toegang wordt al in de Jeugdwet en de Wmo 2015 zelf geregeld en komt daarom niet terug in deze verordening.

Artikel 2.2 Algemene criteria voor een maatwerkvoorziening en individuele voorziening

  • 1. Een cliënt komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in zijn zelfredzaamheid of participatie, als de cliënt die beperkingen niet kan verminderen of wegnemen door gebruik te maken van:

    • a.

      eigen kracht en/of;

    • b.

      gebruikelijke hulp en/of;

    • c.

      mantelzorg en/of;

    • d.

      hulp van andere personen uit het sociale netwerk en/of;

    • e.

      algemeen gebruikelijke voorzieningen en/of;

    • f.

      algemene voorzieningen en/of;

    • g.

      andere voorzieningen.

  • 2. Een cliënt met psychische of psychosociale problemen en een cliënt die vanwege huiselijk geweld of om een andere reden de thuissituatie heeft verlaten, komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving, als de cliënt de problemen niet kan verminderen of wegnemen door gebruik te maken van:

    • a.

      eigen kracht en/of;

    • b.

      gebruikelijke hulp en/of;

    • c.

      mantelzorg en/of;

    • d.

      hulp van andere personen uit het sociale netwerk en/of;

    • e.

      algemeen gebruikelijke voorzieningen en/of;

    • f.

      algemene voorzieningen en/of;

    • g.

      andere voorzieningen.

  • 3. Een cliënt komt in aanmerking voor een individuele voorziening voor jeugdhulp als de cliënt opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen, niet kan verminderen of wegnemen door gebruik van:

    • a.

      het vermogen om zelf, met gebruikelijke hulp of met andere ondersteuning van de naaste omgeving een oplossing voor de hulpvraag te vinden;

    • b.

      de mogelijkheden van een andere voorziening;

    • c.

      de mogelijkheden van een algemene voorziening;

  • 4. Een cliënt komt niet in aanmerking voor een individuele voorziening voor jeugdhulp als de hulp of ondersteuning aan een jeugdige voortkomt uit een behoefte die past bij de normale ontwikkeling van de jeugdige van een bepaalde leeftijd. Bij de beoordeling hiervan wordt gebruik gemaakt van de bijlage met algemene richtlijnen voor gebruikelijke hulp (van ouders) aan kinderen met een normaal ontwikkelingsprofiel per leeftijdscategorie (bijlage II).

    Een cliënt komt wel in aanmerking voor een individuele voorziening voor jeugdhulp als de hulp of ondersteuning noodzakelijk is op grond van een psychisch probleem of stoornis, psychosociaal probleem, gedragsprobleem of beperking.

Toelichting

Rekening houdend met de bepalingen in artikel 2.3 van de Jeugdwet en artikel 2.3.5 van de Wmo 2015 staat hier beschreven in welke situaties de gemeente een jeugdhulp- en compensatieplicht heeft. We willen inwoners helpen om (opnieuw) de regie over hun leven te voeren. Daarbij kijken we niet (alleen) naar wat iemand mist, maar naar wat er al wél is (of was) – aan eigen vaardigheden, netwerk en motivatie. We bieden ondersteuning om te groeien naar zelfstandigheid en toe te werken naar een aanvaardbaar niveau van zelfredzaamheid en participeren, waar dit niet op eigen kracht of met hulp van anderen uit de omgeving mogelijk is (lid 1 en lid 3). Voor een ‘aanvaardbaar niveau’ geldt wat in het gewone leven gangbaar is en daar hoort ook bij dat we accepteren dat het leven met hobbels verloopt (ook wel normaliseren genoemd) (lid 4).

Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening of individuele voorziening komt het op maatwerk aan. Gemeentelijke vrijheid is nodig omdat de behoeften van inwoners per gemeente kunnen verschillen en de sociale en fysieke infrastructuur per gemeente anders is. Ook het aanbod van algemene voorzieningen is niet in iedere gemeente gelijk. Het is daarom niet mogelijk of wenselijk dat in de verordening limitatief wordt geregeld welke maatwerkvoorzieningen en individuele voorzieningen zullen worden verstrekt.

Om te bepalen welke voorziening nodig is, wordt er een zorgvuldige toegangsprocedure doorlopen om:

  • de hulpvraag van de cliënt, zijn behoeften en de gewenste resultaten helder te krijgen,

  • te achterhalen wat de cliënt op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, mantelzorg of met informele hulp dan wel door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten kan doen om zijn zelfredzaamheid en participatie te handhaven of verbeteren,

  • te bepalen of zo nodig met gebruikmaking van een algemene voorziening kan worden volstaan, of

  • dat een maatwerkvoorziening of individuele voorziening nodig is, en of

  • sprake is van een voorliggende of andere voorziening die niet onder de reikwijdte van de Wmo 2015 of Jeugdwet valt.

Daarnaast kan het voor het in beeld brengen en het activeren van netwerk van belang zijn om een familienetwerkberaad te organiseren.

Artikel 2.2a Beoordeling Eigen kracht, eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen

  • 1. Een maatwerkvoorziening of individuele voorziening wordt niet verstrekt als naar het oordeel van het college uit het onderzoek blijkt dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen (ook wel eigen kracht genoemd) van de cliënt toereikend zijn om zelf, zo nodig met inzet van het sociale netwerk of met ondersteuning van andere (hulpverlenende) instellingen, de ondersteuning te bieden die passend is bij de hulpvraag van de cliënt.

  • 2. Tot het sociale netwerk behoren personen binnen de kring van familie, vrienden, kennissen en bekenden die van betekenis zijn voor - en bijdragen aan - het welzijn en welbevinden van de cliënt.

  • 3. Tot de eigen mogelijkheden behoort in elk geval het aanspreken van een aanvullende zorgverzekering als die is afgesloten.

  • 4. Bij een behoefte aan jeugdhulp, neemt het college tot uitgangspunt dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen, allereerst bij de ouder(s) zelf ligt. En daarom dat de hulp die daarvoor nodig is in beginsel ook door hen geleverd kan worden. Ook als sprake is van psychische problemen of stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of beperkingen bij de jeugdige.

    Uit het onderzoek kan evenwel blijken dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) tekortschiet, omdat sprake is van:

    • a.

      geobjectiveerde beperkingen om noodzakelijke hulp te bieden;

    • b.

      een gebrek aan kennis of vaardigheden om noodzakelijke hulp te bieden; of

    • c.

      overbelasting of dreigende overbelasting, waardoor geen noodzakelijke hulp kan worden verwacht totdat deze belasting of dreigende overbelasting is opgeheven.

  • 5. Bij (dreigende) overbelasting van ouder(s) - vierde lid, onder c - wordt ook vastgesteld welke mogelijkheden de ouder(s) hebben om de overbelasting of dreigende overbelasting op te heffen. Hierbij mag redelijkerwijs verwacht worden dat de ouder(s) maatschappelijke activiteiten beperken en betaalde arbeid verminderen of anders organiseren om overbelasting of dreigende overbelasting op te heffen. Hierbij houdt het college ook rekening met:

    • a.

      de behoefte en mogelijkheden van de jeugdige;

    • b.

      de duur van de inzet, waarbij als uitgangspunt geldt dat kortdurende inzet van niet langer dan 3 maanden in een jaar niet tot overbelasting leidt; c.

    • c.

      de planbaarheid van de hulp;

    • d.

      de benodigde ondersteuningsintensiteit;

    • e.

      de samenstelling van het gezin en de woonsituatie;

    • f.

      de noodzaak van de ouder(s) om in een inkomen te voorzien.

Toelichting

Zowel de Wmo 2015 als de Jeugdwet gaan er in eerste instantie vanuit dat de cliënt zelf verantwoordelijk is voor het oplossen van de hulpvraag. De Wmo en Jeugdwet hanteren hiervoor ietwat andere begrippen, namelijk de ‘eigen kracht’ (Wmo) en de ‘eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen’ (Jeugdwet). Dit artikel gaat bij de beoordeling van de eigen kracht uit van de mogelijkheden die cliënt zelf heeft. Met betrekking tot de beoordeling van de eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen gaat het dan om de mogelijkheden van de jeugdige én zijn ouders. Bij de beoordeling van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ligt de verantwoordelijkheid voor het oplossen van de hulpvraag voor het overgrote deel bij ouders. Van ouders wordt verwacht dat zij voor hun kinderen doen wat redelijkerwijs in hun vermogen ligt. Dit betekent onder andere dat ze de tot hun gezin behorende minderjarige kinderen verzorgen, opvoeden en toezicht aan hen bieden. De mate waarin, kan per kind verschillen.

Artikel 2.2b Beoordeling gebruikelijke hulp

  • 1. Het college verstrekt geen individuele voorziening of maatwerkvoorziening voor zover er sprake is van gebruikelijke hulp. Dit is de normale, dagelijkse hulp die huisgenoten elkaar onderling moeten bieden, omdat ze samen een duurzaam huishouden voeren en op die grond een gezamenlijke verantwoordelijkheid hebben voor het functioneren van dat huishouden en voor elkaar. Onder huisgenoten wordt verstaan de inwonende partner, inwonende ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten (verder: huisgenoten).

  • 2. Gebruikelijke hulp heeft een verplichtend karakter waarbij geen onderscheid wordt gemaakt op basis van sekse, religie, cultuur, gezinssamenstelling, drukke werkzaamheden of persoonlijke opvattingen over het bieden van gebruikelijke hulp.

  • 3. Het college maakt bij de beoordeling of de hulp van de huisgenoot verwacht mag worden onderscheid tussen kortdurende en langdurende situaties:

    • a.

      Kortdurend: er is uitzicht op herstel van het (gezondheids)probleem en de daarmee samenhangende beperkingen in de zelfredzaamheid en/of participatie van cliënt of de samenhangende opgroei- en opvoedingsproblemen van de cliënt.

      Het gaat hierbij over een periode van maximaal zes maanden in één jaar.

    • b.

      Langdurend: het gaat om chronische situaties waarbij naar verwachting de hulp bij zelfredzaamheid en/of participatie danwel de opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen langer dan zes maanden nodig is.

  • 4. Het college verwacht van huisgenoten dat zij in kortdurende situaties de benodigde hulp bieden. Het gaat hierbij ook om hulp die meer omvat dan alleen de gangbare gebruikelijke hulp.

  • 5. Het college verwacht van huisgenoten dat zij in langdurende situaties de gebruikelijke hulp bieden. Wat gebruikelijke hulp is, wordt bepaald aan de hand van de leden 6, 7 en 8.

  • 6. Bij de beoordeling of sprake is van gebruikelijke hulp in langdurende situaties houdt het college in ieder geval rekening met de volgende factoren betreffende de cliënt:

    • a.

      De aard van de relatie van cliënt met de huisgenoot

    • b.

      De mate van hulp die cliënt nodig heeft

    • c.

      De aard en de duur van de hulp en de benodigde ondersteuningsintensiteit

    • d.

      De mate van planbaarheid van de hulp

    • e.

      De behoeften en mogelijkheden van de cliënt

  • 7. Bij de beoordeling of sprake is van gebruikelijke hulp in langdurende situaties houdt het college in ieder geval rekening met de volgende factoren betreffende de huisgenoten:

    • a.

      De leeftijd van de huisgenoot

    • b.

      De woonsituatie

    • c.

      De beschikbaarheid om de hulp te bieden;

    • d.

      De kennis, kunde en leerbaarheid van de huisgenoot om de noodzakelijke hulp te bieden

    • e.

      De lichamelijke en mentale belastbaarheid van de huisgenoot

    • f.

      Of er sprake is van problematiek bij de huisgenoot (zoals relationele problemen of schulden)

    • g.

      Welke verplichtingen de huisgenoot heeft, bijvoorbeeld voor werk en sociale verplichtingen

    • h.

      Het belang van de huisgenoot om een inkomen uit arbeid te krijgen

    • i.

      De vraag of financiële problemen (kunnen) ontstaan door het bieden van de hulp 8. Bij de belastbaarheid en bij (dreigende) overbelasting geldt bovendien het volgende:

      • a.

        Er moet een verband zijn tussen de (dreigende) (over)belasting en de hulp aan de cliënt.

      • b.

        Als de (over)belasting ontstaat door spanningen door het werk (bijvoorbeeld door te veel uren werken of stress) of door andere factoren buiten de hulpverlening aan de cliënt om, moet de huisgenoot eerst een oplossing zoeken in de oorzaak van die spanningen.

      • c.

        Bij een melding voor een maatwerkvoorziening of onderzoek naar de behoefte van een individuele voorziening bekijkt het college wat wordt gedaan om die spanningen te verminderen.

      • d.

        Als de (dreigende) (over)belasting kan worden verminderd door het herinrichten van het werk of andere sociale/maatschappelijke activiteiten wordt dit eerst van de huisgenoot verwacht.

Toelichting

De Jeugdwet ziet gebruikelijke hulp door ouders als onderdeel van eigen mogelijkheden. Gebruikelijke hulp (binnen de Wmo) kan daarentegen naast van ouders ook verwacht worden van huisgenoten en andere naaste betrokkenen. Dit artikel beschrijft de factoren die meegenomen worden om te beoordelen of ondersteuning als gebruikelijke hulp kan worden aangemerkt.

Het college onderzoekt of de persoon waarvan gebruikelijke hulp verwacht wordt, dit ook daadwerkelijk kan bieden. Daarbij kan meespelen of er sprake is van (dreigende) overbelasting (lid 7 e). Soms is een onafhankelijk medisch advies nodig om dit goed te kunnen beoordelen.

Ook de aard van de relatie (lid 6 a) speelt een rol in welke hulp in redelijkheid mag worden verwacht. Van een echtgenoot/partner mag bijvoorbeeld meer verwacht worden dan van een andere huisgenoot.

Met betrekking tot de aard, duur en intensiteit van de hulp (lid 6 b,c,d) speelt ook de levensverwachting een rol. Een zeer korte bekende levensverwachting kan een reden zijn om geen gebruikelijke zorg te verwachten.

Ten aanzien van de leeftijd van de huisgenoot (lid 7 a) is bij gebruikelijke hulp door kinderen nadrukkelijk ook de ontwikkelingsfase en het feitelijke vermogen van het kind van belang. Het bieden van gebruikelijke hulp mag het welbevinden en ontwikkeling, waaronder de schoolprestaties, van kinderen niet schaden.

Een richtlijn voor de benodigde zorg die in verschillende levensfasen van het kind redelijkerwijs van het sociaal netwerk of: ouders gevraagd kan worden, staat in de bijlage. Ook hierbij speelt maatwerk een rol, dit is ook afhankelijk van de belastbaarheid van het sociale netwerk.

Fysieke aanwezigheid (lid 7 c) is een voorwaarde voor het kunnen verlenen van gebruikelijke hulp. Is de huisgenoot langdurig en in een aaneengesloten periode afwezig met een verplichtend karakter (bijvoorbeeld vanwege werk als internationaal vrachtwagenchauffeur), dan moet uit het onderzoek blijken in hoeverre de huisgenoot een deel van de (uitstelbare) taken kan overnemen.

In bijlage II staan algemene richtlijnen voor gebruikelijke hulp (van ouders) aan kinderen met een normaal ontwikkelingsprofiel per leeftijdscategorie. Deze kunnen in combinatie met de factoren in Artikel 2.2a en 2.2b worden gebruikt voor het beoordelen of er sprake is van bovengebruikelijke hulp.

Artikel 2.2c Aanvullende voorwaarden en weigeringsgronden

  • 1. Het college kan een aanvraag voor een maatwerkvoorziening of individuele voorziening weigeren als er gedurende het onderzoek gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de cliënt in aanmerking kan komen voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg en weigert mee te werken aan het verkrijgen van een besluit daartoe.

  • 2. Geen maatwerkvoorziening of individuele voorziening wordt verstrekt als er naar het oordeel van het college met betrekking tot de problematiek een aanspraak bestaat op een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling.

  • 3. Als een maatwerkvoorziening of een individuele voorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst adequate voorziening. De cliënt heeft de mogelijkheid om door middel van bijbetaling een voorziening te verkrijgen van betere kwaliteit of comfort.

  • 4. De maatwerkvoorziening wordt alleen verstrekt als deze gezien de beperkingen van de cliënt, veilig voor hemzelf en zijn omgeving is, geen gezondheidsrisico’s met zich meebrengt en niet anti-revaliderend werkt.

  • 5. Een individuele voorziening jeugdhulp wordt alleen toegekend als de inzet van de voorziening doeltreffend geacht kan worden. De doeltreffendheid beoordeelt het college door vast te stellen of de individuele voorziening wezenlijk bijdraagt aan het oplossen van de hulpvraag. Indien beschikbaar wordt er gewerkt met een bewezen effectieve interventie. Er wordt nooit gewerkt met een bewezen niet effectieve interventie.

  • 6. Geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt:

    • a.

      als de cliënt de gevraagde voorziening vóór de melding heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij er sprake is van een acute noodsituatie waardoor het voor de cliënt dringend noodzakelijk was de voorziening te treffen;

    • b.

      als de cliënt de gevraagde voorziening na de melding maar vóór datum van besluit heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij het college daarvoor schriftelijk toestemming heeft gegeven of de noodzaak en passendheid van de voorziening en de gemaakte kosten achteraf nog kan beoordelen;

    • c.

      als de gevraagde voorziening al eerder aan de cliënt is verstrekt op grond van enige wettelijke bepaling en de normale afschrijvingstermijn van die voorziening nog niet verstreken is. Tenzij de voorziening verloren is gegaan door omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen of de cliënt de restwaarde van de voorziening die verloren is gegaan geheel of gedeeltelijk vergoedt;

    • d.

      als de gevraagde voorziening niet hoofdzakelijk op het individu is gericht;

    • e.

      als de voorziening niet noodzakelijk was geweest wanneer de cliënt rekening had gehouden met bestaande en bekende beperkingen en de te verwachten ontwikkelingen daarvan.

    • f.

      als de voorziening niet langdurig noodzakelijk is, tenzij het gaat om hulp bij het huishouden of begeleiding;

    • g.

      de cliënt geen ingezetene is van de gemeente Wageningen, tenzij het gaat om beschermd wonen in een instelling of maatschappelijke opvang.

  • 7. Een aanvraag voor een (elektrisch aangedreven) individuele vervoersvoorziening kan worden geweigerd als er geen geschikte stalling in of rond de woning mogelijk is.

  • 8. Geen (elektrisch aangedreven) individuele vervoersvoorziening wordt verstrekt:

    • a.

      er geen brandveilige stallingsplek beschikbaar is; en/of

    • b.

      er niet meegewerkt wordt aan het realiseren van een geschikte individuele of gezamenlijke stalling.

  • 9. Bij een te verstrekken vervoersvoorziening wordt alleen rekening gehouden met de verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving met een maximum van 2.500 kilometer op jaarbasis.

  • 10. Geen woonvoorziening wordt verstrekt:

    • a.

      als de beperkingen voortkomen uit de aard van de in de woning gebruikte materialen, de slechte staat van het onderhoud of de omstandigheid dat de woning niet voldoet aan de geldende wettelijke eisen;

    • b.

      als de cliënt zijn hoofdverblijf niet heeft of niet zal hebben in de woning waaraan de voorziening wordt getroffen;

    • c.

      ten behoeve van woonruimten die niet geschikt zijn voor permanente bewoning. Er kan dan wel een voorziening voor verhuizing en inrichting worden verstrekt;

    • d.

      als het om voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten gaat, anders dan automatische deuropeners, hellingbanen, het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren, het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders of het aanbrengen van een opstelplaats bij de toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimte. Er kan dan wel een voorziening voor verhuizing en inrichting worden verstrekt;

    • e.

      als de noodzaak het gevolg is van een verhuizing waarvoor geen aanleiding was op grond van beperkingen bij de zelfredzaamheid of participatie en er geen belangrijke reden voor de verhuizing is;

    • f.

      als de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn beperkingen meest geschikte beschikbare woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is gegeven door het college;

    • g.

      als de voorziening in het geval van nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen kan worden.

Toelichting

Volgens artikel 2.3.5, lid 6, van de Wmo 2015 en artikel 2.1, lid 1, van de Jeugdwet hoeft het college geen maatwerkvoorziening of individuele voorziening te verstrekken als de cliënt een indicatie heeft voor zorg met verblijf op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) of er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de cliënt daarvoor in aanmerking komt en weigert mee te werken aan het verkrijgen van een indicatie. Tenzij artikel 8.6a van de Wmo 2015 of artikel 2.4 lid 2 onder b. van de Jeugdwet van toepassing is. Wel moet het college zelf onderzoeken of de cliënt voldoet aan de voorwaarden voor de Wlz. In de meeste gevallen zal het nodig zijn om daarvoor een medisch advies op te vragen en anoniem met het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) af te stemmen over de casus. Het college moet kunnen aantonen dat de cliënt, ondanks voorlichting over de mogelijke gevolgen, weigerachtig blijft en het college, binnen zijn bevoegdheden, alles heeft gedaan om de behoefte aan zorg en ondersteuning in kaart te brengen.

In lid 2 staat vermeld dat er geen voorziening wordt verstrekt als er aanspraak gemaakt kan worden op voorzieningen via andere wettelijke bepalingen.

Geen voorziening voor jeugdhulp wordt verstrekt als er met betrekking tot de problematiek een recht bestaat op zorg als bedoeld bij of op basis van de Zorgverzekeringswet, de Wlz of de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen.

Relatie met onderwijs

Hulp die nodig is om onderwijsdoelen te behalen valt niet onder de Jeugdwet. Scholen hebben een zorgplicht en moeten extra individuele ondersteuning geven aan leerlingen die dit nodig hebben. Dit valt onder de wet Passend onderwijs. Volgens de wet moet de school zorgen voor begeleiding van leerlingen tijdens het leren en het aanleren van sociale en maatschappelijke competenties. Pas als de problematiek de ontwikkeling van de leerling op meerdere levensgebieden hindert, kan er mogelijk jeugdhulp binnen school worden ingezet.

De afbakening tussen de zorgplicht van de school en de jeugdhulpplicht van gemeenten is niet altijd even duidelijk. In dat geval worden de uitgangspunten en samenwerkingsafspraken gevolgd van het Model Passende Samenwerking van FoodValley Jeugdhulp en Onderwijs:

https://www.foodvalley.jeugdhulponderwijs.nl/model-passende-samenwerking/ 

Begeleiding alleen voor studie komt ook niet voor vergoeding op grond van de Wmo in aanmerking. Voor zelfredzaamheid en participatie in de zin van de Wmo 2015 is het namelijk niet noodzakelijk dat cliënt een (vervolg)studie afmaakt. Wanneer een cliënt hier begeleiding bij nodig heeft, dan zal hij de mogelijkheden binnen de onderwijsinstelling moeten onderzoeken. Binnen het beroepsonderwijs is het aan onderwijsinstellingen zelf of en hoeveel ondersteuning zij aanbieden. Is er onvoldoende ondersteuning, dan is het de taak van de student om zelf extra ondersteuning te regelen. Bij stages valt begeleiding onder de zorgplicht van de school.

Pas als de problematiek de cliënt op meerdere levensgebieden beperkt, kan mogelijk ondersteuning via de wmo worden ingezet. Een uitzondering hierop is als de jongere behoort tot de doelgroep van de Wet van school naar duurzaam werk.

In lid 3 staat dat het college de meest goedkope en adequate maatwerkvoorziening of individuele voorziening verstrekt. Onder adequaat verstaan we passend bij de doelen, behoeften en (on)mogelijkheden van de cliënt. Als meerdere voorzieningen even doeltreffend en even duur zijn, weegt de voorkeur van de cliënt zwaar. Waar nodig en mogelijk wordt reeds ingezette (adequate) ondersteuning zoveel mogelijk gecontinueerd. De cliënt kan kiezen voor een andere, duurdere voorziening, bijvoorbeeld omdat deze meer comfort biedt of betere kwaliteit. De meerkosten van deze voorziening komen voor rekening van de cliënt.

Er is sprake van bewezen effectieve voorzieningen (lid 5) als de effectiviteit is vastgesteld in wetenschappelijk onderzoek en de interventie(s) zijn opgenomen als zijnde ‘erkend’ in:

  • a.

    de Databank Effectieve Jeugdinterventies van het Nederlands Jeugdinstituut;

  • b.

    de zorgstandaarden van de GGZ Standaarden;

  • c.

    de databank voor interventies gericht op jeugdigen met een beperking (databank interventies gehandicaptenzorg).

Vanaf 1 juli 2024 is het expliciet verboden om (onder meer) fietsen en scootmobielen in gangen, galerijen en trappenhuizen te plaatsen in verband met de brandveiligheidseisen. Een aanvraag voor een (elektrisch aangedreven) individuele vervoersvoorziening (bijv. scootmobiel) kan daarom worden geweigerd als er geen geschikte stalling in of rond de woning mogelijk is (lid 7).

Artikel 2.3 Duur van de voorziening

  • 1. De voorziening kan voor een korte of lange duur verstrekt worden.

  • 2. Wanneer er sprake is van een blijvende beperking of aandoening waarbij niet aannemelijk is dat de hulpvraag wijzigt, kan het passend zijn om een toekenning voor lange (onbepaalde) duur af te geven.

  • 3. Voor jeugdhulp geldt dat een toekenning maximaal kan duren tot de leeftijd van 18 jaar tenzij wettelijk anders is bepaald.

  • 4. Het college beoordeelt voor welke termijn de voorziening verstrekt wordt. Dit is maatwerk en afhankelijk van de volgende factoren:

    • a.

      de beperkingen en leerbaarheid van de cliënt en de veranderingen die zich daarin kunnen voordoen;

    • b.

      de woonomstandigheden en bij dienstverlening de samenstelling van het huishouden van de cliënt en de veranderingen die zich daarin kunnen voordoen;

    • c.

      het soort, de omvang en de verstrekkingsvorm van de voorziening.

Toelichting

Voor jeugdigen geldt dat een toekenning op grond van de jeugdwet maximaal kan duren tot de leeftijd van 18 jaar tenzij wettelijk anders is bepaald. Op dat moment wordt bepaald of de hulp afloopt, de hulp voortgezet kan worden via andere wetgeving of dat verlengde jeugdhulp van toepassing is.

De duur van de voorziening hangt af van de volgende factoren:

Beperkingen en leerbaarheid (lid 4, sub a)

Voorwaarde voor een toekenning voor lange (onbepaalde) tijd is dat uit het onderzoek moet blijken dat geen betering in de leerbaarheid of ontwikkeling mogelijk is, waardoor de cliënt blijvend is aangewezen op de noodzakelijke ondersteuning vanuit de Wmo of Jeugdwet, ook qua intensiteit. Is er sprake van een situatie waarbij de verwachting bestaat dat er verbetering mogelijk is in de eigen kracht of leerbaarheid, al dan niet door inzet van gebruikelijke hulp, (niet afdwingbare) mantelzorg of algemene voorzieningen, zal de duur van de toekenning worden beperkt tot de termijn waarbinnen deze verbeteringen verwacht worden. Voor jeugdigen geldt dat er bij de meeste cliënten een vooruitgang of ontwikkeling wordt verwacht, of dat dit nog niet vast te stellen is. Een toekenning voor lange tijd voor een jeugdige zal bij uitzondering passend zijn.

De duur van de toekenning kan worden beperkt wanneer het van belang is te monitoren of de ondersteuning passend is en/of de gestelde doelen uit het ondersteuningsplan behaald worden. In het geval van een verslechtering van de situatie van de cliënt, kan de toekenning worden aangepast en kan eventueel een overstap naar de Wet langdurige zorg aan de orde zijn.

Woonomstandigheden en samenstelling van het huishouden (lid 4, sub b)

Ook de woonomstandigheden (bijvoorbeeld een bewerkelijke woning) en samenstelling van het huishouden kunnen invloed hebben op de duur van de toekenning. Als er bijvoorbeeld sprake is van kinderen in het gezin, zullen deze mogelijkerwijs naarmate zij ouder worden meer gebruikelijke hulp kunnen verlenen.

Soort, omvang en verstrekkingsvorm van de voorziening (lid 4, sub c)

Bepaalde soorten voorzieningen zijn per definitie tijdelijk (zoals maatschappelijke opvang, beschermd wonen, tijdelijk verblijf, behandeling en groepsbegeleiding ontwikkeling), terwijl bij andere soorten voorzieningen een onbepaalde duur vaak passend kan zijn (zoals vervoersvoorzieningen, hulpmiddelen, woonvoorzieningen, perspectiefbiedend verblijf). Het college is terughoudend met het verstrekken van voorzieningen voor onbepaalde duur bij omvangrijke toekenningen (in uren) voor dienstverlening en verstrekkingen in pgb. Dit omdat het bij omvangrijke toekenningen van belang is te monitoren of de intensiteit van de ondersteuning nog passend is en met oog op een eventuele overstap naar de Wet langdurige zorg. Bij verstrekkingen in pgb is het van belang te monitoren of de maatwerkvoorziening of individuele voorziening blijvend veilig, doeltreffend en cliëntgericht is en of de cliënt blijvend aan de voorwaarden voor pgb kan voldoen (bijvoorbeeld de ‘pgb-vaardigheid’).

Ook bij een toekenning voor een lange (onbepaalde tijd) vinden tussentijdse evaluaties plaats. Op grond van artikel 2.3.9 van de Wmo 2015 onderzoekt het college periodiek of er aanleiding is de toekenning te heroverwegen. Ook is de cliënt op grond van artikel 2.3.8 van de Wmo 2015 verplicht om het college te informeren over relevante wijzigingen.

Artikel 2.4 Inhoud beschikking

Het college stelt bij nadere regels de inhoud van de beschikking vast.

Toelichting

Indien de cliënt een formele aanvraag bij het college indient, dient het college een schriftelijke beschikking op te stellen. Cliënten kunnen hiertegen bezwaar en beroep op grond van de Awb indienen. Het college stelt bij nadere regels de inhoud van de beschikking vast.

Artikel 2.5 Regels voor pgb

  • 1. Als een cliënt in aanmerking komt voor een maatwerk- of individuele voorziening en de ondersteuning zelf wenst in te kopen door middel van een pgb, toetst het college of voldaan wordt aan de in artikel 2.3.6, lid 2, van de Wmo 2015 of artikel 8.1.1 van de Jeugdwet opgenomen voorwaarden. De cliënt dient daarvoor een pgb-plan in.

  • 2. Het college werkt in de nadere regels uit wat in het pgb-plan moet worden opgenomen.

  • 3. Het college kan de Sociale Verzekeringsbank (SVB) gemotiveerd verzoeken om betalingen uit het pgb voor ten hoogste dertien weken geheel of gedeeltelijk op te schorten als duidelijk is dat de cliënt het pgb in die periode anders ten onrechte kan inzetten.

  • 4. De cliënt kan een pgb-vertegenwoordiger machtigen om zijn belangen ten aanzien van het pgb te behartigen en de aan het pgb verbonden taken uit te voeren. De pgb-vertegenwoordiger moet voldoen aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      De pgb-vertegenwoordiger is een natuurlijk persoon uit het sociale netwerk van de cliënt of is zijn wettelijk vertegenwoordiger. Voor een pgb op basis van de Jeugdwet mag de pgb-vertegenwoordiger ook de ouders/verzorgers, gecertificeerde instelling of aanbieder van gesloten jeugdhulp zijn.

    • b.

      De pgb-vertegenwoordiger heeft zicht op de zorgvraag van de pgb-gerechtigde, op de uitvoering van de ondersteuning en op het welzijn en de ontwikkeling van de pgbgerechtigde. De pgb-vertegenwoordiger heeft daarom regelmatig contact met de pgbgerechtigde en spreekt dezelfde taal, zodat zij goed met elkaar kunnen communiceren.

    • c.

      De pgb-vertegenwoordiger is in staat de aan het pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren (zie ook Artikel 2.5b Pgb-vaardigheid).

    • d.

      Voor een pgb op basis van de Jeugdwet geldt dat de pgb-vertegenwoordiger niet dezelfde persoon als de hulpverlener mag zijn.

    • e.

      Voor een pgb op basis van de Wmo 2015 geldt dat de pgb-vertegenwoordiger niet de (beoogd) zorgaanbieder of medewerker van de (beoogd) zorgaanbieder mag zijn. Ook mag de pgb-vertegenwoordiger geen familie zijn van de zorgverlener, of van de leidinggevende(n) of meerdere(n) van de zorgverlener tot in de derde graad.

  • 5. Het college verleent geen pgb voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de belanghebbende voorafgaand aan de indiening van de aanvraag heeft gemaakt en niet meer is na te gaan of de ingekochte voorziening noodzakelijk was.

Toelichting

Als aan alle wettelijke voorwaarden is voldaan, verstrekt het college een pgb voor individuele en maatwerkvoorzieningen in overeenstemming met artikel 2.3.6 van de Wmo en artikel 8.1.1 van de Jeugdwet.

Uit de Wmo 2015 (artikel 2.3.6 lid 5) en Jeugdwet (Artikel 8.1.1 lid 2) volgt dat de volgende voorwaarden aan het verstrekken van een pgb zijn verbonden:

  • 1.

    De cliënt naar het oordeel van het college op eigen kracht voldoende in staat is te achten tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake dan wel met hulp uit zijn sociale netwerk of van zijn vertegenwoordiger, in staat is te achten de aan een persoonsgebonden budget verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren (pgb vaardig), zie Artikel 2.5b.

  • 2.

    De cliënt zich gemotiveerd op het standpunt stelt dat de individuele voorziening die wordt geleverd door een aanbieder door hem niet passend wordt geacht (Jeugdwet) of dat de cliënt zich gemotiveerd op het standpunt stelt dat hij de maatwerkvoorziening als persoonsgebonden budget wenst geleverd te krijgen (Wmo 2015).

  • 3.

    Naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat individuele voorzieningen of maatwerkvoorzieningen die de cliënt van het budget wil betrekken, veilig, doeltreffend en cliëntgericht zijn.

Volgens artikel 2.3.6, lid 5, sub b, van de Wmo 2015 en artikel 8.1.1, lid 4, sub b, van de Jeugdwet kan het college een verzoek om een pgb weigeren als het college eerder een beslissing heeft herzien of ingetrokken vanwege:

  • -

    het verstrekken van onjuiste of onvolledige gegevens en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid;

  • -

    de cliënt niet voldoet aan de aan de maatwerkvoorziening of het persoonsgebonden budget verbonden voorwaarden

  • -

    het niet of voor een ander doel gebruiken van de maatwerkvoorziening of het pgb.

Een pgb is niet mogelijk voor jeugdhulp die is opgelegd in het kader van dwang en drang.

Wanneer de cliënt niet pgb vaardig is, kan de cliënt een pgb-vertegenwoordiger aanwijzen. In Artikel 2.5 lid 4 zijn de voorwaarden opgenomen waaronder de cliënt een pgbvertegenwoordiger mag machtigen voor het beheren van het pgb. Deze voorwaarden zijn opgenomen om de client te beschermen en zoveel mogelijk te waarborgen dat de pgbvertegenwoordiger handelt in het belang van de cliënt, in staat is om de taken goed uit te voeren en om belangenverstrengeling met de zorgverlener te voorkomen.

Het college beoordeelt of de voorziening veilig, doeltreffend en cliëntgericht is. Een hulpmiddel waarvoor pgb wordt aangevraagd kan bijvoorbeeld als niet doeltreffend beschouwd worden wanneer deze op de korte termijn niet meer voldoet vanwege een progressief ziektebeeld waarbij het tempo van de verslechtering van de conditie van de cliënt niet te voorspellen is. In een dergelijk geval gaat de gemeente in overleg met de cliënt actief op zoek naar een gepaste oplossing waarmee de cliënt akkoord kan gaan. De gekozen oplossing dient de eigen regie en zelfredzaamheid van de cliënt te stimuleren en te faciliteren.

Artikel 2.5b Pgb-vaardigheid

  • 1. Om aan de voorwaarden voor pgb-vaardigheid te voldoen dient de pgb-gerechtigde, al dan niet met hulp vanuit het sociaal netwerk of, indien van toepassing, een pgb-vertegenwoordiger, in ieder geval:

    • a.

      een duidelijk beeld te hebben van de hulpvraag;

    • b.

      op de hoogte te zijn van de regels en verplichtingen die horen bij het pgb of deze zelf (online) weten te vinden;

    • c.

      in staat te zijn om een overzichtelijke pgb-administratie bij te houden;

    • d.

      voldoende vaardig te zijn om in de Nederlandse taal te communiceren met de gemeente, de SVB en de zorgverleners;

    • e.

      in staat te zijn zelfstandig te handelen en onafhankelijk voor een zorgverlener te kiezen;

    • f.

      in staat te zijn om afspraken te maken en vast te leggen en om dit te verantwoorden aan het college;

    • g.

      in staat te zijn om te beoordelen en te beargumenteren of de geleverde zorg passend en kwalitatief goed is;

    • h.

      in staat te zijn de inzet van zorgverleners te coördineren, waardoor de zorg door kan gaan, ook bij verlof en ziekte;

    • i.

      in staat te zijn om als werk- of opdrachtgever de zorgverleners aan te sturen en aan te spreken op hun functioneren; en

    • j.

      voldoende kennis te hebben over het werk- of opdrachtgeverschap of deze kennis weten te vinden.

  • 2. Een pgb-gerechtigde of een pgb-vertegenwoordiger wordt in beginsel niet in staat geacht de aan een pgb verbonden taken verantwoord te kunnen uitvoeren als sprake is van één of meer van de volgende omstandigheden:

    • a.

      het beheer wordt verricht door de persoon of organisatie die ook de hulp levert aan de pgb-gerechtigde;

    • b.

      er is sprake van één of meer van de volgende omstandigheden:

      • 1°.

        schuldenproblematiek;

      • 2°.

        ernstige verslavingsproblematiek;

      • 3°.

        aangetoonde fraude, in de zin van opzettelijke misleiding om financieel voordeel te verkrijgen, begaan in de vier jaar voorafgaand aan de aanvraag;

      • 4°.

        een aanmerkelijke verstandelijke beperking;

      • 5°.

        een ernstig psychiatrisch ziektebeeld;

      • 6°.

        een vastgestelde, blijvende cognitieve stoornis;

      • 7°.

        het onvoldoende machtig zijn van de Nederlandse taal in woord en geschrift;

      • 8°.

        het niet verkrijgen van een Verklaring Omtrent het Gedrag.

Artikel 2.6 Onderscheid formele hulp en informele hulp

  • 1. Bij het vaststellen van de hoogte van het pgb, wordt onderscheid gemaakt tussen formele hulp en informele hulp.

  • 2. Van formele hulp is sprake als de hulp verleend wordt door onderstaande personen, met uitzondering van personen uit het sociaal netwerk van de cliënt:

    • a.

      personen die werkzaam zijn bij een instelling die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister (conform artikel 5 van de Handelsregisterwet 2007) en die beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken, of;

    • b.

      personen die aangemerkt zijn als Zelfstandige zonder personeel. Daarnaast moeten ze ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken.

  • 3. Onder informele hulp wordt verstaan:

    • a.

      Hulp die geboden wordt door personen die niet voldoen aan de criteria als genoemd in lid 2;

    • b.

      Hulp die wordt geboden door personen die voldoen aan de criteria als genoemd in lid 2, maar tot het sociaal netwerk van cliënt horen.

  • 4. Het pgb voor informele hulp kan alleen ingezet worden voor individuele begeleiding, persoonlijke verzorging, hulp bij het huishouden en respijtzorg.

  • 5. Pgb voor de inzet van het sociale netwerk is niet bedoeld voor hulp die redelijkerwijs van het sociale netwerk gevraagd kan worden (gebruikelijke hulp).

  • 6. Als de hulp geboden wordt door een bloed- of aanverwant in de eerste- of tweede graad van de budgethouder, is altijd sprake van informele hulp omdat zij onderdeel uitmaken van het sociale netwerk.

  • 7. Als sprake is van (dreigende) overbelasting bij huisgenoten, wordt geen pgb voor het verlenen van hulp aan cliënt door die huisgenoot verstrekt. Een al eerder hiervoor verleend pgb wordt ingetrokken. Een andere zorgverlener wordt ingezet voor de benodigde hulp.

  • 8. Er wordt geen pgb voor informele jeugdhulp verstrekt als formele jeugdhulp noodzakelijk is. Voor deze afweging wordt het afwegingskader voor een verantwoorde werktoedeling uit het Kwaliteitskader Jeugd gehanteerd.

Toelichting

Uit artikel 8.1.1, derde lid van de Jeugdwet en artikel 2.3.6, vierde lid, van de Wmo, volgt dat bij verordening kan worden bepaald onder welke voorwaarden betreffende het tarief, de persoon aan wie een pgb wordt verstrekt, de mogelijkheid heeft om jeugdhulp en ondersteuning te betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk. De te stellen voorwaarden kunnen niet echter zover gaan dat het inschakelen van informele hulp geheel wordt uitgesloten. In het vierde lid staat dat pgb voor het sociale netwerk alleen wordt ingezet voor het sociale netwerk, als deze inzet niet redelijkerwijs van het sociaal netwerk verwacht kan worden. Bij de toegang wordt dit samen met de cliënt besproken.

In het afwegingskader verantwoorde werktoedeling uit het Kwaliteitskader Jeugd (lid 8) staat beschreven wanneer een geregistreerde professional ingezet moet worden en wanneer dit niet hoeft. Bij deze afweging wordt gekeken naar hoe complex de situatie van het kind of de jongere is en naar hoe complex de hulpverlening is.

Artikel 2.7 Hoogte pgb

  • 1. De hoogte van het pgb voor dienstverlening:

    • a.

      wordt vastgesteld aan de hand van een door de cliënt opgesteld plan over hoe de cliënt het pgb gaat besteden;

    • b.

      bedraagt bij formele hulp niet meer dan maximaal 75% van de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate - en in de gemeente beschikbare - maatwerkvoorziening of individuele voorziening in natura. Het tarief is lager als op basis van het ingediende pgb-plan passende en toereikende ondersteuning voor een lager tarief kan worden ingekocht.

  • 2. De hoogte van een pgb voor een hulpmiddel of vervoersvoorziening wordt gebaseerd op ten hoogste de goedkoopst-adequate offerteprijs die op dat moment voor het hulpmiddel of vervoersvoorziening beschikbaar is en in het budget rekening houdend met een bedrag voor onderhoud en verzekering. De technische afschrijvingstermijn voor de nieuwe voorziening die via een pgb door de cliënt wordt aangeschaft, is gelijk aan de gebruikelijke afschrijvingstermijn voor de nieuwe voorziening in natura.

    Als de goedkoopst-adequate offerteprijs een tweedehands voorziening betreft, wordt het pgb daarop gebaseerd, met een looptijd gelijk aan de verkorte termijn waarop de voorziening technisch is afgeschreven, en in het budget rekening houdend met een bedrag voor het onderhoud en verzekering.

  • 3. Als vervoer onderdeel is van het pgb-plan, dan kent het college de goedkoopst adequate vervoersvoorziening toe.

  • 4. Het college is bevoegd om af te wijken van het gestelde in lid 1 als belangrijke maatschappelijke initiatieven en cliënten die via pgb zorg inkopen hierdoor in de problemen komen.

  • 5. De hoogte van het pgb voor informele hulp is:

    • a.

      bij een zorgovereenkomst met een familielid in 1e of 2e graad: gelijk aan het minimumloon vermeerderd met de vakantiebijslag; of

    • b.

      bij het bestaan van een dienstbetrekking gelijk aan de hoogste periodiek voor de benodigde hulp in de desbetreffende CAO. Het uurloon zal, na aftrek van werkgeverslasten, minimaal gelijk moeten zijn aan de laagste periodiek (0 of 1) voor de benodigde hulp in de desbetreffende CAO, vermeerderd met de vakantiebijslag. Indien het budget (bij b) daarvoor ontoereikend is, wordt het budget tot die grens verhoogd.

  • 6. Het pgb moet altijd toereikend zijn voor een veilige, doeltreffende en kwalitatief goede dienst. Indien het bedrag in een individueel geval onvoldoende is om de aangewezen voorziening te kunnen inkopen, wordt het tarief zodanig aangepast dat de hulp hiermee bij tenminste één aanbieder kan worden ingekocht.

  • 7. Het pgb mag niet worden besteed aan:

    • a.

      kosten voor bemiddeling, tussenpersonen of belangenbehartigers waaronder een pgbvertegenwoordiger;

    • b.

      kosten voor het voeren van een pgb-administratie;

    • c.

      kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb;

    • d.

      reiskosten van de zorgverlener;

    • e.

      kosten voor een feestdagenuitkering en een eenmalige uitkering;

    • f.

      bijkomende zorgkosten.

    • g.

      kosten voor vervoer als de jeugdige op grond van Hoofdstuk 7 van de Nadere regels jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning naar het oordeel van het college niet in aanmerking komt voor een vervoersvoorziening;

    • h.

      kosten voor hulp die direct ingezet moet worden (crisishulp);

    • i.

      kosten voor een aanvraag van een Verklaring Omtrent het Gedrag;

  • 8. Het pgb bevat een verantwoordingsvrij bedrag.

Toelichting

De hoogte van het pgb moet in de Verordening zijn vastgelegd. In lid één is geregeld dat de hoogte van het pgb voor dienstverlening maximaal 75% is van de kostprijs van de vergelijkbare zorg in natura. Het gaat dan om de kostprijs van de goedkoopst, adequate individuele voorziening of maatwerkvoorziening. Mocht dit niet voldoende zijn en belangrijke maatschappelijke initiatieven of inwoners die via de pgb zorg inkopen komen hierdoor in de problemen, kan maatwerk worden toegepast (vierde lid).

Pgb voor hulpmiddelen en vervoersvoorzieningen (tweede lid) wordt gebaseerd op ten hoogste de goedkoopst-adequate offerteprijs die op dat moment voor het hulpmiddel of vervoersvoorziening beschikbaar is.

Als vervoer onderdeel is van de aanvraag, dan kent het college ook de goedkoopst adequate vervoersvoorziening toe (derde lid). Welke dit is, is afhankelijk van de mate waarin de pgbgerechtigde, zijn ouders en/of het sociaal netwerk zelf het vervoer kunnen organiseren en wat redelijkerwijs van hen verwacht mag worden.

Binnen het pgb zijn de volgende mogelijkheden:

  • -

    een kilometervergoeding voor het vervoer van huis naar de locatie waar de hulp/ondersteuning geboden wordt;

  • -

    een vergoeding van de kosten van het openbaar vervoer, tweede klas.

Bij hulpverlening door naaste familie (lid 5a) gaat het om familie in de 1e en 2e graad. In de

1e graad zijn dit partner, ouders en kinderen, en in de 2e graad familieleden zoals grootouders, kleinkinderen, broers en zussen.

Op 30 september 2025 heeft de Centrale Raad voor Beroep (CRvB) gezegd dat het minimumloon voldoende is als basis voor het pgb voor sociale netwerk. De uitspraken van de CRvB hebben geen betrekking op de informele zorgverleners die niet tot het sociale netwerk behoren.

Vanaf 2026 vallen Pgb-zorgverleners, die (minder dan 4 dagen per week) op basis van een zorgovereenkomst-arbeidsovereenkomst werken, niet meer onder de Regeling dienstverlening aan huis (Rdah). Deze zorgovereenkomst wordt vaak ingezet voor informele zorgverleners (lid 5b).

De Rdah sloot deze groep werkenden uit van werknemersverzekeringen. De zorgverleners vallen voortaan volledig onder het gewone arbeidsrecht. Dat betekent bijvoorbeeld dat ze verzekerd zijn voor werkloosheid en arbeidsongeschiktheid. Hiervoor moet de SVB uit het pgb werkgeverslasten afdragen aan de Belastingdienst. Een pgb gebaseerd op het minimumloon is dan niet voldoende om ook de werkgeverslasten uit te betalen.

Daarom wordt de hoogte van het pgb in die gevallen gebaseerd op de betreffende CAO. Hiermee verwacht de gemeente voldoende ruimte te bieden voor een passend uurtarief én het kunnen afdragen van werkgeverslasten. Bovendien geldt dat alle pgb's toereikend moeten zijn voor een veilige, doeltreffende en kwalitatief goede dienst. Indien het bedrag in een individueel geval onvoldoende is om de aangewezen voorziening te kunnen inkopen, wordt het tarief zodanig aangepast dat de hulp hiermee bij tenminste één aanbieder kan worden ingekocht (lid 6).

Hulp door partner en familie in 1e en 2e graad blijft uitgesloten van werkgeverslasten. Dit komt omdat bij een zorgovereenkomst met een naast familielid geen sprake is van een gezagsverhouding.

Artikel 2.8 Kwaliteitseisen

  • 1. Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen, door:

    • a.

      het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van de cliënt;

    • b.

      het afstemmen van de voorzieningen aan de wensen, behoeften en specificaties van de cliënt;

    • c.

      het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van hulp en ondersteuning;

    • d.

      erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden in het kader van het leveren van voorzieningen handelen in overeenstemming met de professionele standaard;

    • e.

      het zoveel en waar mogelijk betrekken van het netwerk van de cliënt bij de ondersteuning. De aanbieder sluit aan bij het uitgangspunt 1 gezin – 1 plan – 1 regisseur.

    • f.

      voor zover van toepassing, erop toe te zien dat de kwaliteit van de voorzieningen en de deskundigheid van beroepskrachten tenminste voldoen aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de in de toepasselijke sector erkende keurmerken

    • g.

      het zich houden aan de verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling, de meldplicht calamiteiten en de meldplicht geweld bij het verlenen van hulp en ondersteuning en het meldpunt discriminatie en pesten in voorkomende gevallen gebruiken.

    • h.

      het voeren van een vastgelegd privacybeleid en het conformeren aan de eisen omtrent gegevensverwerking (privacy en toestemming) zoals opgenomen in de Wmo 2015 hoofdstuk 5 en de Jeugdwet hoofdstuk 7 en de AVG.

    • i.

      het vervullen van een actieve signalerende functie ten aanzien van de gezondheidssituatie, de leefomstandigheden en de sociale omgeving van de cliënt.

    • j.

      het beschikken over professionele vaardigheden en kennis met betrekking tot de aanpak van kindermishandeling bij de hulp en ondersteuning aan jeugdigen. Hierbij geldt de door het NJi opgestelde “Competenties in relatie tot de aanpak van kindermishandeling”, als leidraad.

    • k.

      het gebruik maken van de verwijsindex risicojongeren (VIR), indien van toepassing.

    • l.

      het zorgdragen voor een goede doorgaande zorglijn van 18- naar 18+. Zij starten, samen met de jeugdige, op 16-jarige leeftijd met het maken van een toekomstplan. Netwerkondersteuning en een overdracht naar eventuele andere hulpverlening maakt nadrukkelijk onderdeel uit van het toekomstplan.

  • 2. Bij verstrekking in de vorm van pgb voldoet de pgb uitvoerder, naast de kwaliteitseisen in lid 1, ook aan de volgende eisen:

    • a.

      beschikt over een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) die niet ouder is dan drie maanden bij aanvang van de zorgovereenkomst en gedurende de hulpverlening niet ouder dan drie jaar, waaruit blijkt dat er geen bezwaren zijn voor de uitoefening van diens functie;

    • b.

      is voldoende vaardig om in de Nederlandse taal te communiceren;

    • c.

      werkt volgens een plan waarin activiteiten en doelen zijn vastgelegd;

    • d.

      houdt een deugdelijke administratie bij met een registratie van de geleverde hulp;

    • e.

      voert de hulp uit in overeenstemming met de beschikking van het college.

  • 3. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek en het zo nodig in overleg met de cliënt ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen.

Toelichting

Dit artikel betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.3, tweede lid, onder c, van de Wmo 2015, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald welke eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen. De regering legt de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van voorzieningen bij de gemeente en de aanbieder. Voor de jeugdhulp zijn kwaliteitseisen opgenomen in de Jeugdwet waarbij de gemeente aanvullende kwaliteitseisen stellen. Dit artikel is daarom ook van toepassing voor de jeugdhulp.

De aanvullende kwaliteitseisen zijn gebaseerd op de eisen bij de inkoop van de maatwerk- en individuele voorzieningen. Gemeente Wageningen is voor deze inkoop aangesloten bij de Modulaire gemeenschappelijke regeling Sociaal Domein Centraal Gelderland (MGR SDCG). Deze raamcontracten zijn echter geen (algemeen verbindende) wettelijk voorschrift en de naleving hiervan kan niet via bestuursdwang of oplegging van een dwangsom worden afgedwongen.

De kwaliteitscriteria moeten dus (ook) worden opgenomen in een verordening (algemeen verbindend voorschrift) van de gemeenteraad of het college om naleving hiervan te kunnen afdwingen. Omdat het voldoen aan een professionele standaard bijvoorbeeld een onderdeel is van de kwaliteitscriteria in de inkoopovereenkomst, wordt het gebruik hiervan ook verplicht gesteld in de verordening.

De kwaliteitseisen zijn ook van toepassing op aanbieders die via pgb hulp en ondersteuning bieden. Daarnaast zijn voor pgb uitvoerders, ook als die uit informele hulp bestaat, de aanvullende eisen in lid 2 van toepassing.

Het college moet nagaan of de hulp die wordt ingekocht met het pgb van goede kwaliteit is. Dat houdt in dat het college moet vaststellen of de ondersteuning die de professional/ aanbieder verleent een passende oplossing biedt voor de hulpvraag van de cliënt. Het gaat hier vooral om een toets op de doelmatigheid: gaat de in te kopen hulp een oplossing bieden voor de hulpvraag van de cliënt.

Het college hoeft de kwaliteit van de hulpverlening zelf niet te toetsen. De landelijke inspectie gezondheidszorg en jeugd (IGJ) zorgen voor toetsing van de kwaliteit van jeugdhulp. De inkooporganisatie en de Veiligheidsregio - en Gezondheidsregio GelderlandMidden (VGGM) toetst de kwaliteit van wmo ondersteuning. Gemeenten moeten wél nagaan of de hulp van niet-professionele hulpverleners (vaak sociaal netwerk) van voldoende kwaliteit is. Dit gebeurt vaak op moment dat het pgb wordt aangevraagd op basis van het pgb-plan. Maar dit kan ook later in het traject (steekproefsgewijs) worden getoetst middels het ter plaatse controleren van de geleverde ondersteuning (lid 3). Zie ook: Artikel 2.10 Voorkoming en bestrijding ten onrechte ontvangen van individuele of maatwerkvoorzieningen en pgb’s en misbruik of oneigenlijk gebruik van de Wmo 2015 en de Jeugdwet.

De professionele standaard (lid 1, sub d.) waar hulpverleners aan moeten voldoen bestaat uit de Beroepscode voor professionals in sociaal werk. Ook richtlijnen bijv. voor jeugdhulp en jeugdbescherming en veldnormen horen bij de professionele standaard. De richtlijnen geven onderbouwde aanbevelingen op basis van wetenschap, praktijkkennis van professionals en ervaringskennis van cliënten en ondersteunen de (jeugd)professionals in het dagelijks werk. Jeugdhulpverleners zijn over het algemeen verplicht om geregistreerd te zijn bij Stichting Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ). In het Kwaliteitskader Jeugd staat beschreven wanneer het mogelijk is om een niet geregistreerde professional in te zetten. Bijvoorbeeld als het om praktische ondersteuning gaat bij het dagelijks leven en/of als het hulpverleningsplan onder verantwoordelijkheid van een geregistreerde professional valt.

Ten aanzien van de deskundigheid (lid 1, sub f) staat in de specifieke inkoopeisen (van de MGR SDCG) dat individuele Basis begeleiding (jeugd en wmo) wordt uitgevoerd door een professional met een afgeronde opleiding op mbo-3 niveau en dat hij/zij werkt onder aansturing van een professional met een afgeronde opleiding op mbo-4 niveau. Voor Specialistische individuele begeleiding geldt dat deze wordt uitgevoerd door een professional met een afgeronde hbo-opleiding. Waarbij de inhoud en opzet van de opleiding aansluiten bij de hulpverlening die de professional levert.

Voor groepsbegeleiding jeugd geldt dat minimaal 50% van de begeleiding wordt uitgevoerd door een SKJ geregistreerde professional met een afgeronde hbo-opleiding. Voor wmo groepsbegeleiding gericht op ontwikkeling is dit minimaal 60% en voor groepsbegeleiding ‘stabiel’ wordt verwacht dat minimaal 20% door een professional met een afgeronde hboopleiding wordt uitgevoerd. De overige begeleiding mag worden uitgevoerd door een professional met een afgeronde mbo-4 opleiding.

Artikel 2.9 Privacy en omgang met privacygevoelige informatie

  • 1. Het college verwerkt uitsluitend persoonsgegevens op basis van een van de in artikel 6 AVG genoemde rechtmatigheidsgrondslagen.

  • 2. Het college informeert cliënt over de verwerking van zijn persoonsgegevens conform artikel 13-14 AVG m.b.t. welke gegevens worden verwerkt, waarom deze worden verwerkt en welke gegevens eventueel (en met wie) worden gedeeld.

Toelichting

De decentralisaties in het Sociaal Domein raken mensen in kwetsbare posities. De gegevens die inwoners aan professionals verstrekken zijn vaak zeer gevoelige persoonsgegevens. De gemeente en professionals moeten daarom zeer zorgvuldig met deze gegevens omgaan.

Op de verwerking van persoonsgegevens zijn de AVG, de Uitvoeringswet AVG en de materiewetten uit het Sociaal Domein van toepassing . Persoonsgegevens mogen pas gedeeld of verzameld (verwerkt) worden indien daarvoor een rechtmatige grondslag bestaat. Binnen het sociaal domein gelden voornamelijk de wettelijke plicht (Externe link:artikel 6 lid 1 sub c AVG ) en de taak van algemeen belang (publieke taak; artikel 6 lid 1 sub e AVG) als rechtmatigheidsgrondslagen. Tevens kan een overeenkomst tussen cliënt en gemeente als grondslag dienen voor het rechtmatig verwerken van persoonsgegevens (Externe link:artikel 6 lid 1 sub b AVG ). In het geval een individuele geheimhoudingsplicht van een medewerker dit voorschrijft, is ondubbelzinnige toestemming van cliënt vereist voor het uitwisselen van persoonsgegevens.

In uitzonderlijke situaties mag de gemeente persoonsgegevens verwerken indien er sprake is van een vitaal belang. Vitaal belang wil zeggen dat de gegevenswerking dringend noodzakelijk is ter bestrijding van een ernstig gevaar voor de gezondheid van de cliënt (Externe link:artikel 6 lid 1 sub d AVG ). Een voorbeeld is een dringende medische noodzaak. Als iemand bijvoorbeeld buiten bewustzijn is, kan diegene geen toestemming geven. De persoonsgegevens mogen dan zonder zijn of haar toestemming aan een arts doorgegeven worden. Van vitaal belang kan sprake zijn bij meervoudige problematiek. Bijvoorbeeld als de veiligheid van een gezin met meervoudige problematiek of de omgeving in het geding is.

Binnen de gemeentelijke organisatie zijn passende technische en organisatorische maatregelen genomen voor een veilige en zorgvuldige verwerking van persoonsgegevens. Met externe organisaties die persoonsgegevens voor de gemeente verwerken, wordt schriftelijk afgesproken dat zij eveneens passende maatregelen nemen om persoonsgegevens veilig en zorgvuldig te kunnen verwerken.

Ten slotte hebben mensen recht op Externe link:duidelijke informatie over wat de gemeente met hun persoonsgegevens doet. Wij moeten onze systemen, processen en interne organisatie op deze rechten inrichten. Zodat wij Externe link:op de juiste manier gehoor kunt geven aan verzoeken van mensen

die hun rechten uitoefenen. Indien een inwoner vragen heeft over dit onderwerp kan hij of zij gebruik maken van het mailadres:

privacy@wageningen.nl . Voor verdere informatie over dit onderwerp wordt verwezen naar het privacyverklaring van de gemeente en het Register van verwerkingsactiviteiten: Externe link:https://www.wageningen.nl/privacy-policy/  .

Artikel 2.10 Voorkoming en bestrijding ten onrechte ontvangen van individuele of maatwerkvoorzieningen en pgb’s en misbruik of oneigenlijk gebruik van de Wmo 2015 en de Jeugdwet

  • 1. Het college informeert cliënten of hun vertegenwoordiger in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een maatwerkvoorziening of pgb zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet.

  • 2. Onverminderd artikel 8.1.2 van de Jeugdwet en artikel 2.3.8 van de Wmo 2015 doet een cliënt op verzoek of zo snel mogelijk uit eigen beweging aan het college mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan hun redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing aangaande een individuele voorziening, maatwerkvoorziening of pgb.

  • 3. Onverminderd artikel 8.1.4 van de Jeugdwet of artikel 2.3.10 van de Wmo 2015 kan het college een beslissing aangaande een individuele voorziening, maatwerkvoorziening of pgb herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat:

    • a.

      de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid;

    • b.

      de cliënt niet langer op de individuele voorziening, maatwerkvoorziening of op het pgb is aangewezen;

    • c.

      de individuele voorziening, maatwerkvoorziening of het pgb niet meer toereikend is te achten;

    • d.

      de cliënt niet voldoet aan de voorwaarden van de individuele voorziening, maatwerkvoorziening of het pgb, of

    • e.

      de cliënt de individuele voorziening, maatwerkvoorziening of het pgb niet of voor een ander doel gebruikt dan waarvoor het is bestemd.

    • f.

      de cliënt langer dan 6 weken verblijft in een instelling als bedoeld in de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet.

  • 4. Als het college een beslissing op grond van het derde lid, onder a, heeft ingetrokken en de verstrekking van de onjuiste of onvolledige gegevens opzettelijk heeft plaatsgevonden, kan het college van degene die opzettelijk onjuiste of onvolledige gegevens heeft verschaft geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de ten onrechte genoten individuele voorziening, maatwerkvoorziening of het ten onrechte genoten pgb.

  • 5. Een beslissing tot verlening van een individuele of maatwerkvoorziening pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen zes maanden na verlening niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden, tenzij de cliënt aannemelijk kan maken dat buiten zijn schuld de voorziening (nog) niet kon worden gerealiseerd.

  • 6. Het college onderzoekt uit het oogpunt van kwaliteit van de geleverde zorg, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van maatwerkvoorzieningen, de rechtmatigheid en doelmatigheid van individuele voorzieningen, maatwerkvoorzieningen en bestedingen van pgb’s.

  • 7. Als het recht op een in eigendom of in bruikleen verstrekte voorziening is ingetrokken, kan deze voorziening worden teruggevorderd.

  • 8. Indien het recht op pgb is ingetrokken kan op basis daarvan een reeds uitbetaald pgb worden teruggevorderd.

Toelichting

Dit artikel is een uitwerking van de bij nota van wijziging (Kamerstukken II 2013/14 33 684, nr. 11, artikel D) ingevoegde verplichte delegatiebepaling van artikel 2.8, onder a, van de Jeugdwet, en de uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.3, vierde lid, van de Wmo 2015, waarbij is bepaald dat de gemeente bij verordening regels stelt voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of maatwerkvoorziening, evenals van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Ook deze bepaling beoogt het standaardiseren met de regelgeving met betrekking tot de aan elkaar verwante beleidsterreinen van jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning.

In de toelichting op de nota van wijziging is voorts vermeld dat het tot de gemeentelijke verantwoordelijkheid behoort misbruik van de geboden voorzieningen te voorkomen en, waar nodig, op te treden tegen onterecht gebruik van individuele voorzieningen of persoonsgebonden budgetten. Een zorgvuldig gebruik van collectieve middelen is wezenlijk voor het draagvlak daarvan.

Jeugdwet

Het tweede lid berust mede op artikel 8.1.2, eerste lid, van de Jeugdwet. Ook de overige onderdelen van artikel 8.1.2 en artikel 8.1.3 en 8.1.4 geven handen en voeten aan de bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik en zijn opgenomen in deze verordening. De wettekst van de artikelen 8.1.2 tot en met 8.1.4 is veelal beperkt tot de pgb. Waar mogelijk en zinvol, is dit ter uitwerking van de delegatiebepaling in artikel 2.9, onder d, van de Jeugdwet, in de verordening uitgebreid tot de individuele voorziening in natura. Hiervoor kan ook steun gevonden worden in de tekst van de toelichting op artikel 8.1.2, waarbij is vermeld dat de in het eerste lid geregelde inlichtingenverplichting als uitgangspunt heeft dat van de jeugdige en zijn ouders aan wie een individuele voorziening of een daaraan gekoppeld pgb is verstrekt, verlangd kan worden dat ze voldoende gegevens en inlichtingen verstrekken om het college in staat te stellen te beoordelen of het beroep op die individuele voorziening of het daaraan gekoppelde pgb terecht is gedaan. Indien het de jeugdige of zijn ouders redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat er feiten en omstandigheden, of daarin opgetreden wijzigingen, zijn die van invloed kunnen zijn op de toekenning van de individuele voorziening of het daaraan gekoppelde pgb, dienen zij dit onverwijld aan het college te melden. Verstrekken zij niet onverwijld uit eigen beweging of op verzoek van het college alle gevraagde inlichtingen en bewijsstukken, dan heeft dat gevolgen voor de toekenning van de voorziening of het daaraan gekoppelde pgb. Het college kan niet alleen bij een aanvraag, maar ook in andere stadia concrete informatie en bewijsstukken van de belanghebbende vragen.

Het derde lid is geënt op artikel 8.1.4 van de Jeugdwetwet. Ook hier is de tot de pgb beperkte reikwijdte van artikel 8.1.4 van de Jeugdwet op grond van het bepaalde in artikel 2.9, onder d, van de Jeugdwet uitgebreid tot de individuele voorziening in natura.

Wmo 2015

Het tweede, derde en vierde lid bevatten een herhaling van hetgeen al in de tekst van de wet is opgenomen (artikel 2.3.8, 2.3.10 en 2.4.1). Met opname van deze wettekst in de verordening wordt beoogd een compleet beeld te geven van de regels voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een pgb, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet.

Het derde lid is een ‘kan’-bepaling. Een pgb wordt verstrekt met de bedoeling dat men daarmee een voorziening treft. Als binnen zes maanden na de beslissing tot het verstrekken van het pgb nog geen voorziening is getroffen, heeft het college de bevoegdheid om de beslissing geheel of gedeeltelijk in te trekken. Deze bepaling is te zien als een verbijzondering van de bepaling in het tweede lid, onder e (dat tevens op maatwerkvoorzieningen (in natura) ziet).

In artikel 2.4.1 tot en met 2.4.4 van de Wmo 2015 zijn regels voor het verhaal van kosten opgenomen en is de bevoegdheid aan het college gegeven tot het (in geldswaarde) terugvorderen van een ten onrechte verstrekte maatwerkvoorziening of pgb. Hierbij is tevens bepaald dat het college het terug te vorderen bedrag bij dwangbevel kan invorderen. Hierbij wordt rekening gehouden met de financiële situatie van de cliënt. Indien nodig zal er een koppeling met schuldhulpverlening gemaakt worden. Uit de memorie van toelichting op artikel 2.4.1 wordt duidelijk dat daarnaast de mogelijkheid blijft bestaan om maatwerkvoorzieningen terug te vorderen; ‘omdat het niet in alle gevallen mogelijk is een al genoten maatwerkvoorziening terug te vorderen, kan het college de waarde van de genoten maatwerkvoorziening uitdrukken in een bedrag dat voor terugvordering in aanmerking komt.’

In het zevende lid is dan ook de bepaling opgenomen die het college de bevoegdheid geven tot terugvordering van in eigendom en in bruikleen verstrekte voorzieningen.

Artikel 2.10b. Overige maatregelen ter voorkoming oneigenlijk gebruik, misbruik en niet gebruik

  • 1. Het college maakt met de door hem gecontracteerde of gesubsidieerde jeugdhulpaanbieders afspraken over de facturatie, resultaatsturing en accountantscontroles, zodat declaraties en uitbetalingen in overeenstemming zijn met de contractuele afspraken, de leveringsopdracht, de prestatieafspraken en de feitelijk geleverde prestaties.

  • 2. Het college maakt met de door hem gecontracteerde of gesubsidieerde jeugdhulpaanbieders o.a. afspraken over het monitoren van de gemiddelde trajectduur tijdens de looptijd van een contract.

  • 3. Het college draagt zorg voor een meldpunt waar signalen over oneigenlijk gebruik en fraude kunnen worden gemeld in het kader van uitvoering van de wet.

Toelichting

De afspraken (lid 1) worden namens gemeente Wageningen gemaakt in de MGR SDCG. Om inzicht te geven welke aanbieders de gemeente heeft gecontracteerd, publiceert de MGR SDCG de lijst van aanbieders op de website:Externe link:https://www.inkoopsdcg.nl/home+inkoop/inkoop/zoektool+gecontracteerd+aanbod+sdcg /default.aspx

Op deze website is ook het meldpunt (lid 3) te vinden: https://inkoopsdcg.nl/home+inkoop/inwoner/meldpunt

Artikel 2.11 Jaarlijkse waardering mantelzorgers

  • 1. De jaarlijkse blijk van waardering voor volwassen mantelzorgers van cliënten in de gemeente bestaat uit een individuele financiële bijdrage van € 100,00.

  • 2. De jaarlijkse blijk van waardering voor mantelzorgers jonger dan 18 jaar van cliënten in de gemeente is een cadeaubon van €50,00.

  • 3. Mantelzorgers komen in aanmerking voor een mantelzorgwaardering indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      Mantelzorger verleent mantelzorg aan een inwoner van de gemeente Wageningen;

    • b.

      Hierbij moet het gaan om een minimale duur en inzet van:

      • i.

        minstens twee uur per week voor een periode langer dan 3 maanden; of

      • ii.

        minstens acht uur per week gedurende minimaal een maand

Toelichting

Artikel 2.1.6 van de Wmo 2015 stelt dat het moet gaan om mantelzorgers van cliënten in de gemeente. Hierbij is de woonplaats van de cliënt bepalend, het betreft dus ook mantelzorgers die in andere gemeenten wonen.

Artikel 2.12 Tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronische problemen

  • 1. Personen met een beperking of chronische ziekte die daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten hebben en financieel niet-redzaam zijn – waaronder in ieder geval inwoners met een inkomen lager dan 130% van de toepasselijke bijstandsnorm - kunnen bij het college een tegemoetkoming aanvragen ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie. Het college stelt hierover nadere regels vast.

  • 2. De hoogte van de tegemoetkoming is maximaal het wettelijke verplichte eigen risico dat opgelegd wordt door de zorgverzekeraars.

  • 3. Het college legt de hoogte van de vergoeding vast in het Financieel besluit.

Toelichting

Een tweetal financiële regelingen voor chronisch zieken en gehandicapten is per 2015 afgeschaft, te weten de ‘Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten’ en de ‘Compensatie Eigen Risico’. Om de financiële gevolgen van deze afschaffing gedeeltelijk te kunnen compenseren is de Wmo op dit punt aangepast en is een bepaling toegevoegd. Deze bepaling betreft een uitwerking van artikel 2.1.7 van de Wmo 2015. Daarin is opgenomen dat bij verordening kan worden bepaald dat door het college aan personen met een beperking of chronische ziekte die daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten hebben, een tegemoetkoming wordt verstrekt ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie.

Dit is een mogelijkheid voor lokaal maatwerk aansluitend op landelijke fiscale regelingen. In de ‘kaders van de verordeningen 3d’ heeft de gemeenteraad op 7 juli 2014 besloten dat het hier een bredere doelgroep betreft en het gaat om personen met een beperking of chronische ziekten in plaats van alleen chronische psychische of psychosociale problemen. Inwoners die financieel niet-zelfredzaam zijn komen voor een tegemoetkoming in aanmerking. Bij financieel niet-zelfredzaam, speelt niet alleen het inkomen een rol maar ook bijvoorbeeld schulden. Om mogelijke onzekerheid te voorkomen krijgen cliënten met een inkomen lager dan 130% van

de toepasselijke bijstandsnorm in ieder geval een tegemoetkoming. De hoogte van de tegemoetkoming is maximaal het eigen risico zoals gehanteerd door de zorgverzekeraars. In de nadere regels is de tegemoetkoming verder uitgewerkt.

Artikel 2.13 Verhouding prijs en kwaliteit levering dienst door derden

  • 1. Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4 van de Wmo 2015 en artikel 2.11 van de Jeugdwet en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de dienst, stelt het college vast:

    • a.

      een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan van een overeenkomst met derde; of

    • b.

      een reële prijs die geldt als ondergrens voor:

      • 1°.

        een inschrijving en het aangaan overeenkomst met de derde, en 2°. de vaste prijs, bedoeld in onderdeel a.

  • 2. Het college stelt de prijzen, bedoeld in het eerste lid, vast:

    • a.

      overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, van de Wmo 2015, en hoofdstuk 4 van de Jeugdwet.

    • b.

      rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de Wmo 2015, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners.

  • 3. Het college baseert de vaste prijs of de reële prijs in ieder geval op de volgende kostprijselementen:

    • a.

      de kosten van de beroepskracht;

    • b.

      redelijke overheadkosten;

    • c.

      kosten voor niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg;

    • d.

      reis- en opleidingskosten;

    • e.

      indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst;

    • f.

      overige kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen voor aanbieders waaronder rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen.

  • 4. Het college bepaalt met welke derde als bedoeld in het eerste lid, hij een overeenkomst aangaat.

Toelichting

Het college kan de uitvoering van de Jeugdwet en Wmo 2015, met uitzondering van de vaststelling van de rechten en plichten van de jeugdige of zijn ouders, door aanbieders laten verrichten (artikel 2.11, eerste lid, van de Jeugdwet en artikel 2.6.4, eerste lid, van de Wmo 2015 ).

Bij verordening moeten regels worden gesteld ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een voorziening en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan ( artikel 2.12 van de Jeugdwet en artikel 2.6.6, eerste lid van de Wmo 2015 ) . Daarbij dient in ieder rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de arbeidsvoorwaarden.

Uitgangspunt is dat de aanbieder kundig personeel inzet tegen de arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden. Hiervoor

is tenminste een beeld nodig van de vereiste activiteiten en de arbeidsvoorwaarden die daarbij horen. Dit biedt een waarborg voor werknemers dat hun werkzaamheden aansluiten bij de daarvoor geldende arbeidsvoorwaarden.

Met ingang van 1 juni 2017 is via een Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) een nieuw artikel 5.4 toegevoegd aan het landelijke Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. Het artikel heeft tot doel dat de gemeente een reële prijs betaalt voor Wmo-diensten, waarmee de aanbieder kan voldoen aan de gemeentelijke eisen van kwaliteit en continuïteit van deze dienst en de arbeidsrechtelijke verplichtingen aan de beroepskracht die de dienst verleent. De AMvB is van toepassing op alle vormen van Wmo-dienstverlening, uitgezonderd de verstrekking van hulpmiddelen, individuele vervoersvoorzieningen en woningaanpassingen. Wij passen de kostprijselementen ook toe voor de jeugdhulp .

De gemeenteraad stelt in artikel 2.13 de basis vast van de kostprijselementen zoals kosten van de beroepkracht, redelijk overheadkosten. Het college werkt deze elementen verder uit. Bijvoorbeeld: de kosten van de beroepskracht kan bestaan uit bruto uurtarief, vakantiebijslag, eindejaarsuitkering en werkgeverslasten . Het college neemt deze prijs op in de documenten van een aanbestedingsprocedure en is tevens de ondergrens voor een inschrijving in een aanbestedingsprocedure.

Eerste lid

In dit artikel wordt geregeld dat het college voor het leveren van een dienst door een derde, of een vaste prijs vaststelt of een reële prijs vaststelt die geldt als ondergrens voor een inschrijving en het aangaan van een overeenkomst met de derde of die geldt als ondergrens voor de vaste prijs. In het geval het college een reële prijs vaststelt, is het mogelijk dat inschrijvers een hoger tarief dan de reële prijs neerleggen. Het is niet mogelijk een lagere prijs neer te leggen. Indien het college een vaste prijs vaststelt, dan zal het tarief voor de inschrijvers gelijk zijn aan de vaste prijs.

Tweede lid

Bij het vaststellen van de prijs dient het college rekening te houden met de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, van de Wmo 2015 en met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de Wmo 2015, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners. De invulling van de continuïteit van de hulpverleningsrelatie in financiële zin is nieuw voor de gemeenten. De aanbieder die de opdracht gegund krijgt moet overleggen met de aanbieder die de opdracht tot dan toe had uitgevoerd over de overname van personeel. De gedachte is dat overname van personeel gemakkelijker verloopt indien de gemeente een reële prijs betaalt voor de opdracht.

Derde lid

Het college moet de vaste prijs of de reële prijs minimaal baseren op de in dit artikel genoemde kostprijselementen. De opsomming in dit lid is niet uitputtend. De gemeente kan er elementen aan toevoegen.

Vierde lid

Dit lid is opgenomen ter wille van de leesbaarheid en de samenhang van het hele artikel. Het college bepaalt met welke derde hij een overeenkomst aangaat. Hieronder wordt verstaan een aanbieder, te weten een natuurlijke persoon of een rechtspersoon die jegens het college gehouden is een voorziening te leveren. Het overeenkomen van contracten is het primaat van het college. Het college legt hierover verantwoording af aan de gemeenteraad.

Artikel 2.14 Klachtregeling

  • 1. Het college stelt een laagdrempelige, niet-formalistische regeling vast voor afhandeling van klachten van cliënten die betrekking hebben op de wijze van afhandeling van meldingen en aanvragen als bedoeld in deze verordening.

  • 2. Aanbieders stellen een laagdrempelige, niet-formalistische regeling vast voor de afhandeling van klachten van cliënten ten aanzien van alle voorzieningen in het kader van de Wmo 2015 en Jeugdwet.

  • 3. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de klachtregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders, en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.

Toelichting

De gemeente is op grond van de Awb in het algemeen verplicht tot een behoorlijke behandeling van mondelinge en schriftelijke klachten over gedragingen van personen en bestuursorganen die onder haar verantwoordelijkheid werkzaam zijn. Als klachtenregeling voor klachten over de gemeentelijke medewerkers fungeert de huidige gemeentelijke klachtenprocedure.

In de Jeugdwet is het klachtrecht wettelijk geregeld (artikel 4.2.1). In de Wmo 2015 (artikel 2.1.3) is bepaald dat de gemeente dit in de verordening regelt. Voor de volledigheid wordt in het artikel ook de Jeugdwet genoemd.

In het tweede lid is een bepaling over klachten ten aanzien van aanbieders opgenomen. Een dergelijke bepaling is verplicht op grond van artikel 2.1.3, tweede lid, onder e, van de Wmo 2015, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor de afhandeling van klachten van cliënten is vereist. De aanbieder is ten aanzien van de in de verordening genoemde voorzieningen verplicht een klachtregeling op te stellen (artikel 3.2, eerste lid, onder a, van de Wmo 2015).

In de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 57-58) staat dat cliënten in beginsel moeten kunnen klagen over alles wat hen niet aanstaat in de manier waarop zij zich bejegend voelen. De cliënt kan ontevreden zijn over het gedrag van een gemeenteambtenaar, bijvoorbeeld over de wijze waarop een gesprek is gevoerd of over diens (vermeende) gebrek aan deskundigheid. Is de cliënt niet tevreden over een gedraging van de aanbieder, dan kan het ook gaan om bijvoorbeeld de kwaliteit van de geleverde maatschappelijke ondersteuning (in verband met de deskundigheid van de medewerker of een bepaalde houding of uitlating, gebrekkige communicatie of (on)bereikbaarheid van de aanbieder). Cliënten die zich benadeeld voelen, deponeren deze klacht bij de betreffende aanbieder. Zij moeten erop kunnen vertrouwen dat de aanbieder de klacht snel in behandeling neemt en de klacht ook snel afhandelt.

Door onder andere periodieke overleggen ziet de gemeente toe op de naleving van de klachtregelingen van aanbieders (derde lid).

De mogelijkheid van bezwaar en beroep is geregeld in de Awb. We nemen dit daarom niet op in de verordening. We zullen onze cliënten wijzen op de mogelijkheden. In onze beschikkingen noemen we de mogelijkheden van bezwaar en beroep in ieder geval.

Artikel 2.15 Inspraak en betrekken van inwoners bij het beleid

  • 1. Het college betrekt de inwoners van de gemeente bij de voorbereiding van het beleid betreffende jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning overeenkomstig de Inspraakverordening.

  • 2. Het college stelt inwoners, de Cliëntenraad en Sociaal beraad vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning te doen, gevraagd en ongevraagd advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen.

  • 3. Het college zorgt ervoor dat inwoners kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning.

  • 4. Het college stelt nadere regels vast ter uitvoering van het tweede en derde lid.

Toelichting

In het eerste lid is verwezen naar de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet vastgestelde Inspraakverordening. Op deze manier wordt gewaarborgd dat eenzelfde inspraakprocedure geldt voor het beleid voor jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning, als ook op de andere terreinen. De inspraak geldt voor alle inwoners. Dit is uitdrukkelijk de bedoeling van de wetgever, omdat iedereen op enig moment in zijn leven in aanraking kan komen met de behoefte aan ondersteuning. Met het vierde lid wordt het aan het college overgelaten om de exacte invulling van de medezeggenschap vorm te geven.

HOOFDSTUK 3 Bepalingen specifiek voor jeugdhulp

Artikel 3.1 Toegang jeugdhulp via de gemeente

  • 1. Jeugdigen en ouders kunnen met hun hulpvraag terecht bij het college.

  • 2. De hulpvraag wordt geregistreerd en de cliënt krijgt hiervan een ontvangstbevestiging. Bij de ontvangstbevestiging ontvangt de cliënt informatie over onder andere de werkwijze, cliëntondersteuning, vertrouwenspersonen en privacy.

  • 3. Als het eerste contact over de hulpvraag schriftelijk is en cliënt daarbij expliciet aangeeft een aanvraag te willen indienen, kan in overleg met cliënt worden afgezien van een onderzoek en meteen worden overgegaan tot een aanvraag.

  • 4. De aanvraag dient ondertekend te zijn en voldoende concreet door aard en omvang jeugdhulp aan te geven. Op de datum van ontvangst van de schriftelijke aanvraag jeugdhulp start de beslistermijn zoals bedoeld in artikel 4:13 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het college neemt daarna binnen 8 weken een besluit op de aanvraag.

  • 5. Als het eerste contact over de hulpvraag niet schriftelijk en/of niet voldoende concreet is, ondersteunt het college de cliënt bij het concretiseren van de hulpvraag middels een (brede) vraagverheldering.

    Het college zorgt voor schriftelijke verslaglegging van de geconcretiseerde hulpvraag in de vorm van een gespreksverslag.

  • 6. Voor het onderzoek naar de behoefte aan jeugdhulp hanteert het college maximaal 8 weken. Het college zorgt voor schriftelijke verslaglegging van het onderzoek in de vorm van een adviesrapport.

  • 7. Het college merkt een ondertekend adviesrapport aan als een aanvraag voor een individuele voorziening. Het college geeft dan binnen 2 weken een beschikking af.

Toelichting

Jeugdigen en ouders kunnen bij het college terecht met hun hulpvraag (lid 1).

Jeugdigen en/of ouders kunnen ook direct een aanvraag jeugdhulp bij het college indienen in de zin van de Awb (lid 3). Hiervoor moet de aanvraag schriftelijk, ondertekend en voldoende concreet zijn door aard en omvang jeugdhulp aan te geven. De aanvraag moet ook aan de andere vormvoorschriften bedoeld in de artikelen 4:1 en 4:2 van de Awb voldoen. Op de datum ontvangst schriftelijke aanvraag jeugdhulp start de beslistermijn zoals bedoeld in artikel 4:13 van de Awb. Het college neemt daarna binnen 8 weken een besluit op de aanvraag. Als de hulpvraag nog niet voldoende concreet is of als de jeugdige en/of ouders niet direct een aanvraag willen indienen zoals bedoeld in lid 3, ondersteunt het college de cliënt bij het concretiseren van de hulpvraag (lid 5). Vervolgens start op basis van de geconcretiseerde hulpvraag, het onderzoek naar de behoefte aan jeugdhulp. Uit het onderzoek blijkt of geïndiceerde jeugdhulp nodig is. Dit wordt beschreven in het adviesrapport. Het ondertekende adviesrapport vormt vervolgens de aanvraag voor een individuele voorziening. Hierop geeft het college dan binnen 2 weken een beschikking af.

Artikel 3.2 Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts

  • 1. Het college zorgt voor de inzet van jeugdhulp na een verwijzing door de huisarts, medisch specialist en jeugdarts naar jeugdhulpaanbieder, als en voor zover genoemde jeugdhulpaanbieder van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is.

  • 2. Jeugdhulp die na verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts aan een jeugdige of zijn ouder(s) is verleend door een aanbieder van jeugdhulp die geen contract of subsidierelatie met de gemeente heeft, komt, behalve als er voldaan is aan de voorwaarden voor een pgb verstrekking, niet voor vergoeding door de gemeente in aanmerking als het college soortgelijke jeugdhulp kan laten leveren door een jeugdhulpaanbieder waarmee de gemeente wel een contract- of subsidierelatie heeft.

  • 3. Van het tweede lid kan uitsluitend worden afgeweken als het college daarmee schriftelijk heeft ingestemd voorafgaand aan de start van de zorgverlening op grond van bijzondere feiten of omstandigheden.

  • 4. De jeugdhulpaanbieder houdt zich bij het beoordelen van de hulpvraag na een verwijzing aan de regels in deze verordening en de afspraken die hij daarover met de gemeente heeft gemaakt in het kader van de contract- of subsidierelatie.

Toelichting

In artikel 2.5, eerste lid, onderdeel g, van de Jeugdwet is geregeld dat, naast de gemeentelijk georganiseerde toegang tot jeugdhulp, ook de directe verwijzingsmogelijkheid door de huisarts, medisch specialist en jeugdarts naar de jeugdhulp blijft bestaan. Dit laatste geldt zowel voor de vrij toegankelijke (algemene) voorzieningen als de individuele voorzieningen.

Na een dergelijke verwijzing staat echter nog niet vast welke specifieke behandelvorm van jeugdhulp (dus bijvoorbeeld welke therapie) een jeugdige of zijn ouder precies nodig heeft.

De jeugdige kan hiervoor terecht bij de jeugdhulpaanbieders die de gemeente heeft ingekocht. Bij deze beoordeling moet de jeugdhulpaanbieder zich houden aan de afspraken die hij daarover met de gemeente heeft gemaakt in het kader van de contract- of subsidierelatie. Deze afspraken gaan over hoe de gemeente haar regierol kan waarmaken en op de omvang van het pakket.

Met de artsen maakt de gemeente afspraken hoe de artsen en de gemeentelijke toegang goed van elkaar op de hoogte zijn van de doorverwijzing of behandeling van een kind, zodat de integrale benadering rond het kind en het principe van 1 gezin – 1 regisseur – 1 plan, vooral bij multiproblematiek, kan worden geborgd en er geen nieuwe ‘verkokering’ zal plaatsvinden, waarbij professionals niet goed van elkaar weten dat zij bij het gezin betrokken zijn.

De insteek is dat de gemeente zich niet mengt in het professionele oordeel van de huisarts. De jeugdige en zijn ouders kunnen bij de gemeente wel terecht met vragen over het gemeentelijk aanbod of de mogelijkheid van pgb.

Een andere ingang tot de jeugdhulp is via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter (via een kinderbeschermingsmaatregel of een maatregel tot jeugdreclassering), het openbaar ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting. De gecertificeerde instelling is verplicht om bij de bepaling van de in te zetten jeugdhulp in het kader van een door de rechter opgelegde kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering te overleggen met de gemeente. Uiteraard kan bij dit overleg een kostenafweging plaatsvinden. De gemeente is op haar beurt vervolgens gehouden de jeugdhulp in te zetten die deze partijen nodig achten ter uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregel of de jeugdreclassering. Deze leveringsplicht van de gemeente vloeit voort uit het feit dat uitspraken van rechters te allen tijde moeten worden uitgevoerd om rechtsgelijkheid en rechtszekerheid te kunnen garanderen. Ook hier geldt dat de gecertificeerde instelling in beginsel gebonden is aan de jeugdhulp die de gemeente heeft ingekocht. Als de kinderrechter

een ondertoezichtstelling of gezagsbeëindiging uitspreekt, wijst hij gelijktijdig in de beschikking de gecertificeerde instelling aan die de maatregel gaat uitvoeren. Dit kan de rechter juist omdat de raad voor de kinderbescherming in zijn verzoekschrift een concreet advies geeft over welke gecertificeerde instelling de maatregel zou moeten uitvoeren. De raad voor de kinderbescherming neemt een gecertificeerde instelling in zijn verzoekschrift op die na overleg met de gemeente en gezien de concrete omstandigheden van het geval hiervoor het meest geschikt lijkt. De raad voor de kinderbescherming is verplicht om hierover met de gemeente te overleggen. Deze toegang wordt al in de Jeugdwet zelf geregeld en komt verder dus niet terug in deze verordening.

Artikel 3.3 Vormen van jeugdhulp

  • 1. De volgende vormen van algemene voorzieningen zijn in ieder geval beschikbaar:

    • a.

      informatie en (opvoed)advies gerelateerd aan jeugdhulp

    • b.

      kortdurende individuele, niet specialistische behandeling

    • c.

      kortdurende individuele, niet specialistische begeleiding

    • d.

      begeleiding groep(dagbesteding) in een algemene voorziening

  • 2. De volgende vormen van individuele voorzieningen zijn in ieder geval beschikbaar:

    • a.

      intensieve en/of specialistische behandeling

    • b.

      intensieve en/of specialistische begeleiding individueel.

    • c.

      begeleiding groep (dagopvang/dagbesteding) in een “beschermde omgeving”. d. (tijdelijk) verblijf.

    • e.

      persoonlijke verzorging.

Toelichting

In artikel 3.3 is uitvoering gegeven aan artikel 2.9, onder a, van de Jeugdwet, op grond waarvan de gemeente verplicht is bij verordening regels te stellen over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en andere jeugdhulpvoorzieningen. Los van deze verplichting vindt de gemeente het belangrijk dat voor iedereen duidelijk is wat het gemeentelijke aanbod aan jeugdhulpvoorzieningen is. Ook vindt de gemeente het belangrijk dat op voorhand duidelijk is – uitgaande van toegang tot de jeugdhulp via de gemeente – welke vormen van voorzieningen alleen toegankelijk zijn na een besluit van de gemeente (de ‘individuele voorzieningen’) en welke in beginsel vrij toegankelijk zijn voor iedereen waarvoor ze bedoeld zijn (de ‘algemene voorzieningen’). Daarom zijn in dit artikel de vormen van jeugdhulp die in ieder geval door de gemeente worden geboden opgesomd. Van verschillende van de hier genoemde vormen van jeugdhulp bestaan diverse varianten. De inzet van een specifieke variant zal steeds afhankelijk zijn van de uitkomst van het onderzoek en de betreffende situatie en de specifieke behoeften van de jeugdige en zijn ouders.

Artikel 3.4 Vertrouwenspersoon jeugdhulp

  • 1. Het college zorgt ervoor dat jeugdigen, ouders en pleegouders een beroep kunnen doen op een onafhankelijke vertrouwenspersoon.

  • 2. Het college wijst jeugdigen en ouders erop dat zij zich desgewenst kunnen laten bijstaan door een onafhankelijke vertrouwenspersoon of onafhankelijke cliëntondersteuner.

Toelichting

Dit artikel heeft alleen betrekking op de jeugdhulp. In artikel 2.6, eerste lid, onder f, van de Jeugdwet is bepaald dat het college ervoor verantwoordelijk is dat jeugdigen, hun ouders of pleegouders een beroep kunnen doen op een vertrouwenspersoon. Onafhankelijkheid, beschikbaarheid en toegankelijkheid zijn belangrijke factoren (wettelijke vereisten) voor een goede invulling van deze functie.

De wet adresseert het college rechtstreeks en vraagt niet om hierover bij verordening een regeling op te stellen. De bepaling uit de wet is toch in de verordening opgenomen vanwege het in het belang om in de verordening een compleet overzicht van rechten en plichten van jeugdigen en ouders te geven. Bij algemene maatregel van bestuur (het Uitvoeringsbesluit Jeugdwet) zal een nadere uitwerking worden gegeven van de taken en bevoegdheden van de vertrouwenspersoon.

Naast de vertrouwenspersoon jeugdhulp kunnen ouders ook een beroep doen op de onafhankelijke cliëntondersteuning.

De cliëntondersteuner kan helpen met:

  • het onderzoeken van uw situatie en hulpvraag

  • afwegen wat voor zorg of ondersteuning er eventueel moet komen

  • de hulp regelen die bij u past

  • verschillende soorten hulp op elkaar afstemmen •evalueren of de hulp goed heeft gewerkt.

Artikel 3.5 Informatieplicht calamiteiten en geweld

Jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen informeren de gemeente gelijktijdig met de melding zoals uitgevoerd wordt conform artikel 4.1.8 van de Jeugdwet.

Toelichting

Op basis van artikel 4.1.8 van de Jeugdwet moet de jeugdhulp aanbieder en gecertificeerde instelling een calamiteit of geweldsincidenten melden bij de met de toezicht belaste ambtenaar van de Rijksinspectie (de Inspectie Jeugdzorg, Inspectie voor de Gezondheidszorg, Inspectie Veiligheid en Justitie).

Gezien de bestuurlijke verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de jeugdhulp en de maatschappelijke onrust als gevolg van calamiteiten en geweld, is het van belang dat de gemeente ook direct wordt geïnformeerd. Het college legt afspraken vast over het melden van calamiteiten rond kinderen en jongeren tot 18 jaar, het delen van informatie en de afstemming over de externe communicatie richting gemeenteraad, media en inspectie. Zowel de gemeente als jeugdhulpinstellingen zijn dan goed voorbereid op de (bestuurlijke) gevolgen van calamiteiten.

Voor geweldsincidenten bij gemeentelijke medewerkers geldt het gemeentelijke agressieprotocol.

HOOFDSTUK 4 Bepalingen specifiek voor maatschappelijke ondersteuning

Artikel 4.1 Aanvraag voor een maatwerkvoorziening

  • 1. De cliënt of zijn vertegenwoordiger dient een aanvraag voor een maatwerkvoorziening schriftelijk of mondeling in bij het college. Het college beoordeelt of het mondeling indienen van de aanvraag mogelijk is.

  • 2. Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening kan pas worden ingediend nadat het onderzoek is uitgevoerd, tenzij het onderzoek niet is uitgevoerd binnen zes weken na de ontvangst van de melding.

  • 3. De cliënt die een aanvraag doet voor een maatwerkvoorziening, verstrekt het college op verzoek direct een geldig identiteitsbewijs.

Toelichting

De aanvraag voor de maatwerkvoorziening kan ook mondeling worden ingediend. Dit maakt het makkelijker voor de inwoner en verkort de doorlooptijd van het aanvraagproces. Uiteraard moet ook dan wel eerst de onderzoeksfase volledig zijn doorlopen. Een mondelinge aanvraag ontslaat het college niet van de verplichting de uitkomsten van het onderzoek vast te leggen in een adviesrapport. Als de cliënt mondeling instemt met het advies, wordt die mondelinge instemming beschouwd als een (ondertekende) aanvraag. De instemming wordt vastgelegd in het adviesrapport waarbij de datum en tijdstip van de mondelinge aanvraag zorgvuldig wordt geregistreerd.

Een mondelinge aanvraag is alleen mogelijk als er overeenstemming is over de vorm en inhoud van de maatwerkvoorziening. Als deze overeenstemming er niet of niet volledig is, is een schriftelijke aanvraag voorzien van een handtekening noodzakelijk. Er zijn situaties denkbaar dat een mondelinge aanvraag geen meerwaarde (tijdwinst) geeft. Te denken valt aan aanvragen voor een pgb. Dan moet alsnog een pgb-plan met bewijsstukken worden overgelegd. Ook als na de aanvraag nog kostenbegrotingen moeten worden ingediend voor een woningaanpassing, heeft een mondelinge aanvraag geen meerwaarde.

Artikel 4.2 Maatwerkvoorziening

  • 1. Begeleiding groep is voorliggend op begeleiding individueel als hetzelfde doel wordt beoogd.

  • 2. Bij begeleiding individueel wordt een onderscheid gemaakt tussen begeleiding basis en begeleiding specialistisch. Begeleiding specialistisch wordt alleen ingezet wanneer er sprake is van meerdere van de volgende elementen:

    • a.

      Het betreft een cliënt met geestelijke gezondheidsproblematiek of niet-aangeboren-hersenletsel al dan niet in combinatie met een verstandelijke beperking.

    • b.

      Er is sprake van een zelfredzaamheidsvraagstuk, de cliënt is op korte termijn niet of nauwelijks leerbaar of ontwikkelbaar en het merendeel van onderstaande criteria is van toepassing:

      • i.

        Cliënt vertoont zeer regelmatig onvoorspelbaar gedrag.

      • ii.

        De situatie is onvoorspelbaar, de cliënt is zeer snel (psychisch) uit balans. I

      • iii.

        Bij ernstig regieverlies en grote gevolgen voor het dagelijks leven.

      • iv.

        Cliënt is veelal passief/ zeer beperkt actief.

      • v.

        Cliënt heeft geen of beperkt ziekte-inzicht.

      • vi.

        Cliënt moet nog leren omgaan met veranderingen in bijvoorbeeld medicatiegebruik.

  • 3. De ondersteuning die wordt geboden bij de maatwerkvoorziening hulp bij huishouden, is gebaseerd op het “Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning, 2025”, van Bureau HHM.

  • 4. Activerend werk kan worden toegekend aan een cliënt:

    • a.

      in de leeftijdscategorie van 16 jaar tot de pensioengerechtigde leeftijd;

    • b.

      die een bijdrage wil leveren aan de samenleving en hierbij ondersteuning nodig heeft;

    • c.

      voor wie een arbeidsintegratietraject, regulier werk of vrijwilligerswerk niet voldoende passend is voor het bereiken van het beoogde resultaat.

  • 5. Vervoersvoorzieningen en hulpmiddelen worden verstrekt op basis van de goedkoopst adequate voorziening.

  • 6. Respijtzorg in de vorm van logeeropvang waarbij de cliënt logeert in een instelling met als doel het ontlasten van de mantelzorger wordt voor maximaal 21 etmalen per jaar verstrekt.

  • 7. Het college verstrekt de voorziening beschermd wonen conform de Beleidsregel landelijke toegankelijkheid Beschermd wonen Valleiregio 2025.

    • a.

      Met in achtneming van artikel 2.2 verleent het college de maatwerkvoorziening Beschermd Wonen als:

      • i.

        de cliënt is aangewezen op een beschermende woonomgeving, gelet op complexe psychische of psychosociale problematiek; en

      • ii.

        de cliënt - indien aan de orde - een intramurale behandeling voor zijn psychiatrische aandoening heeft afgerond; en

      • iii.

        de cliënt (op termijn) een herstel/ontwikkeltraject accepteert dat met inachtneming van zijn mogelijkheden gericht is op het realiseren van een situatie waarin hij in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving.

  • Een beschermende woonomgeving gaat gepaard met noodzakelijk verblijf in een accommodatie van een instelling waar toezicht en aangewezen ondersteuning wordt geboden. Hiertoe is personeel 24 uur per dag in nabijheid van de instelling beschikbaar.

    • a.

      Met in achtneming van artikel 2.2 verleent het college de maatwerkvoorziening Beschermd Thuis als:

      • i.

        de cliënt is aangewezen op bescherming en toezicht in de nabijheid gelet op complexe psychische of psychosociale problematiek; en

      • ii.

        de cliënt zelfstandig of in een geclusterde woonvorm kan wonen; en

      • iii.

        de cliënt zelfstandig een hulpvraag kan stellen en zo mogelijk kan uitstellen, maar wel de zekerheid nodig heeft dat begeleiding oproepbaar en indien nodig beschikbaar is; en

      • iv.

        de cliënt (op termijn) een herstel/ontwikkeltraject accepteert dat met inachtneming van zijn mogelijkheden gericht is op het realiseren van een situatie waarin hij in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving.

    • Een beschermende woonomgeving gaat gepaard met noodzakelijk verblijf in een accommodatie van een instelling waar toezicht en aangewezen ondersteuning wordt geboden. Hiertoe is personeel 24 uur per dag in nabijheid van de instelling beschikbaar.

    • b.

      Met in achtneming van artikel 2.2 verleent het college de maatwerkvoorzieningen Safehouse en Tijdelijk Verblijf als

      • i.

        de cliënt is aangewezen op bescherming en toezicht in de nabijheid gelet op complexe psychische of psychosociale problematiek; en

      • ii.

        de cliënt zelfstandig of in een geclusterde woonvorm kan wonen; en

      • iii.

        de cliënt zelfstandig een hulpvraag kan stellen en zo mogelijk kan uitstellen, maar wel de zekerheid nodig heeft dat begeleiding oproepbaar en indien nodig beschikbaar is; en

      • iv.

        de cliënt (op termijn) een herstel/ontwikkeltraject accepteert dat met inachtneming van zijn mogelijkheden gericht is op het realiseren van een situatie waarin hij in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving.

    • c.

      Met in achtneming van artikel 2.2 verleent het college de maatwerkvoorzieningen Safehouse en Tijdelijk Verblijf als de cliënt door een (dreigende) terugval in het ziekteproces, waar verslavingsproblematiek en/of psychiatrische en/of gedragsproblematiek onderdeel van uitmaakt, (tijdelijk) is aangewezen op ondersteuning in een beschermde setting.

  • 8 Maatschappelijke opvang wordt geboden conform de Beleidsregels landelijke toegankelijkheid maatschappelijke opvang Ede 2021.

  • 9. Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is ter vervanging van een eerder door het college verstrekte voorziening, wordt deze slechts verstrekt als de eerder verstrekte voorziening technisch is afgeschreven, tenzij:

    • a.

      de eerder verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen;

    • b.

      de cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoet komt in de veroorzaakte kosten.

  • 10. Het college verstrekt maatwerkvoorzieningen in de vorm van een woonvoorziening met in achtneming van de bepalingen in artikel 4.3 van deze verordening.

Toelichting

De beschrijving van de voorzieningen, inclusief de beschrijving van de doelgroep, voor begeleiding (individueel en groep), hulp bij huishouden, activerend werk is te vinden in de productbeschrijvingen op de website van Inkoop sociaal domein Centraal Gelderland (www.inkoopsdcg.nl, onder ‘inkoopdocumenten’).

Begeleiding (lid 1 en 2)

Begeleiding groep is voorliggend op begeleiding individueel, als hetzelfde doel wordt beoogd. Wanneer de begeleiding gericht is op het daadwerkelijk bieden van dagstructuur is begeleiding groep de aangewezen vorm van begeleiding. Echter, wanneer de ondersteuningsbehoefte gelegen is in het bijvoorbeeld één of meerdere keren per week bieden van hulp bij het doornemen van de dag-of weekstructuur en de ondersteuningsbehoefte niet gelegen is in het daadwerkelijk bieden van die dagstructuur, dan is begeleiding individueel de aangewezen vorm om de ondersteuningsbehoefte van de cliënt in te vullen.

Bij het onderscheid tussen begeleiding basis en begeleiding specialistisch is de ondersteuningsvraag van cliënt leidend.

Hulp bij huishouden (lid 3)

In lid 3 is opgenomen dat de ondersteuning die wordt geboden bij de maatwerkvoorziening hulp bij huishouden, is gebaseerd op het “Normenkader huishoudelijke ondersteuning 2025” van bureau HHM. In meerdere gevallen heeft de rechtbank en uiteindelijk ook de CRvB (10 december 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3835) het onderzoek dat door bureau HHM en KPMG

Plexus is uitgevoerd, beoordeeld als ‘objectief, onafhankelijk en deugdelijk’. Daarmee voldoet het aan de criteria die eerder door de Raad zijn gesteld en kan het worden benut voor onderbouwing van de in te zetten omvang van de Huishoudelijke hulp door een gemeente. De eerste versie is in 2019 uitgebracht. In januari 2025 is het Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning 2025 uitgebracht. In deze versie staan aanvullende instructies en zijn enkele normtijden aangepast naar aanleiding van een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (ECLI:NL:CRVB:2025:46).

Als ondersteuning door het college bij het schoonhouden van het huis noodzakelijk blijkt, wordt een maatwerkvoorziening Hulp bij Huishouden toegekend. Om de totale omvang van de ondersteuning te bepalen wordt de benodigde ondersteuningstijd van verschillende resultaten vastgesteld. Deze resultaten zijn:

  • -

    Het huis is schoon en leefbaar: een huis is schoon en leefbaar als het normaal bewoond en gebruikt kan worden en voldoet aan basale hygiëne-eisen. Met ‘schoon’ bedoelen we: een basishygiëne borgen, waarbij vervuiling van het huis en gezondheidsrisico’s van bewoners worden voorkomen. ‘Leefbaar’ staat voor: opgeruimd en functioneel, bijvoorbeeld om vallen te voorkomen.

  • -

    De cliënt moet gebruik kunnen maken van een schone woonkamer, slaapvertrekken, de keuken, sanitaire ruimtes en gang/trap. Het schoonmaken van de buitenruimte bij het huis (ramen, tuin, balkon, etc.) maakt hier geen onderdeel van uit.

  • -

    De cliënt beschikt over schoon linnen- en beddengoed en schone kleding.

  • -

    De cliënt beschikt over primaire levensbehoeften en maaltijden.

  • -

    Er wordt gezorgd voor minderjarige kinderen.

  • -

    Er is sprake van regie over het doen van het huishouden.

Het normenkader gaat uit van 125 minuten per week in de ‘gemiddelde situatie’ bij volledige overname. Bij aanwezigheid van eigen kracht, gebruikelijke hulp en hulp uit het netwerk, kan minder dan 125 minuten ondersteuning worden ingezet. Wanneer cliënten als gevolg van hun (medische) beperkingen onvoldoende ondersteund worden door de basisvoorziening schoon huis, kunnen aanvullende maatwerkmodules ingezet worden. Dit zijn bijvoorbeeld een hoger niveau van hygiëne of schoonhouden realiseren, het klaarzetten van maaltijden en beschikken over schone kleding.

Activerend werk (lid 4)

Een cliënt kan vanaf 16 jaar (en tot maximaal de pensioengerechtigde leeftijd) in aanmerking komen voor activerend werk (lid 4). Dit is mogelijk als de jongere een grote afstand tot de arbeidsmarkt heeft en als vrijwilligerswerk, het volgen van een opleiding of een arbeidsintegratietraject niet voldoende passend is voor het bereiken van het beoogde resultaat. Activerend werk bestaat uit een aanbod van passende werkzaamheden buitenshuis inclusief de bijbehorende begeleiding. Afhankelijk van de cliënt en de situatie is activerend werk gericht op: het opdoen van werknemers- en vakvaardigheden, maatschappelijke (her)integratie en/of het naar vermogen leveren van een bijdrage aan de maatschappij.

Respijtzorg (lid 6)

Respijtzorg in de vorm van logeeropvang brengt het risico mee dat mensen lang (willen) blijven en er sprake is van hospitaliseren. Om dit te voorkomen en logeerzorg echt als een tijdelijke (maar mogelijk wel structurele) oplossing voor het ontlasten van de mantelzorger te organiseren, wordt het verblijf beperkt tot een maximum van 21 etmalen per jaar.

De bepalingen ten aanzien van maatwerkvoorziening in de vorm van een woonvoorziening zijn opgenomen in artikel 4.3.

Artikel 4.3 Woonvoorzieningen en financiële tegemoetkoming verhuis- en herinrichtingskosten

  • 1. Als de cliënt zijn hoofdverblijf heeft in een instelling voor langdurige zorg, kan een woonvoorziening getroffen worden voor het bezoekbaar maken van één woonruimte elders in de gemeente Wageningen. De woonvoorziening betreft slechts het bezoekbaar maken van deze woonruimte met een door het college vast te leggen maximumbedrag. Onder bezoekbaar maken wordt uitsluitend verstaan dat de aanvrager de woonruimte en een toilet kan bereiken en gebruiken.

  • 2. Een aanvraag om een maatwerkvoorziening in de vorm van een woonvoorziening wordt geweigerd indien de aanvrager niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen op dat moment beschikbare meest geschikte woning, tenzij daarover van tevoren schriftelijk toestemming is verleend door het college.

  • 3. Een aanvraag om een maatwerkvoorziening in de vorm van een woonvoorziening kan worden geweigerd als verhuizen de goedkoopst adequate oplossing is (verhuisprimaat).

  • 4. Het bepaalde in lid 3 wordt niet toegepast als de kosten van de woonvoorziening lager zijn dan het grensbedrag voor de afweging van het verhuisprimaat. Het grensbedrag is vastgelegd in het financieel besluit.

  • 5. Het college maakt een belangenafweging tussen het aanpassen van de huidige woning of het verhuizen naar een andere woning. Hierbij betrekt het college de volgende factoren:

    • a.

      Beschikbaarheid: er moet op redelijk termijn een geschikte woning beschikbaar zijn.

    • b.

      De kostenvergelijking tussen de woningaanpassing en de kosten van verhuizen: de financiële consequenties van een verhuizing moeten binnen aanvaardbare grenzen vallen.

    • c.

      De gezondheid van de cliënt of partner. Van het verhuisprimaat kan worden afgeweken als er sprake is van een medische contra-indicatie.

    • d.

      Sociale omstandigheden, waaronder de aanwezigheid van mantelzorg. Van het verhuisprimaat kan worden afgeweken als de sociale omstandigheden verbonden aan de huidige woning een essentiële bijdrage leveren aan het langer zelfstandig kunnen blijven wonen.

    • e.

      Wooncomfort: een zwaarwegende achteruitgang in het wooncomfort kan een reden zijn om het verhuisprimaat niet toe te passen.

    • f.

      De wil van de inwoner om te verhuizen: als er psychische redenen zijn waardoor van cliënt niet kan worden verlangd om te verhuizen, moet de gemeente hier onderzoek naar doen.

    • g.

      Volkshuisvestelijke overwegingen.

  • 6. Bij toepassing van het verhuisprimaat kan het college een financiële tegemoetkoming voor verhuis- en herinrichtingskosten toekennen. De maximale hoogte van de tegemoetkoming is vastgelegd in het financieel besluit.

  • 7. Het college kan een verhuiskostenvergoeding verstrekken aan een inwoner die geen woonvoorziening nodig heeft. Voorwaarde hiervoor is dat:

    • a.

      de verhuizing van deze inwoner gevraagd is door de gemeente; en

    • b.

      hiermee een aangepaste woning beschikbaar komt voor een inwoner met beperkingen waarop het verhuisprimaat van toepassing is; en

    • c.

      de gevraagde inwoner welwillend is om te verhuizen.

  • Voor de maximale hoogte van de vergoeding wordt aangesloten bij het bepaalde in lid 6.

Toelichting

Artikel 2.2.3b van de Wmo 2015 stelt dat een woonvoorziening wordt geweigerd indien de aanvrager niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen op dat moment beschikbare meest geschikte woning, tenzij daarover tevoren schriftelijk toestemming is verleend door het college. Conform de uitspraak van de CRvB van 22 augustus 2018

(ECLI:NL:CRVB:2018:2603) moet het gaan om reeds aanwezige beperkingen in plaats van anticiperen op onzekere gebeurtenissen. De afwegingen moeten gaan over de aanwezige beperkingen in relatie tot de aanvraag. Als iemand een beperkte mobiliteit heeft en verhuist van een gelijkvloerse woning naar een woning met trap, was voorzienbaar dat de nieuwe woning niet geschikt is. Het college kan bijvoorbeeld een aanvraag voor een traplift op basis van dit artikel afwijzen.

In de praktijk is er altijd overleg tussen alle betrokkenen of er van een eventuele verhuizing sprake kan zijn. Het is belangrijk dat cliënt, het sociale netwerk, hulpverleners en gemeente met elkaar de voors en tegens afwegen. Hierbij is het beleid om langer thuis te blijven wonen en het maatwerkprincipe het uitgangspunt.

Het verhuisprimaat (lid 3) houdt in dat verhuizen naar een geschikte woonruimte voorrang heeft boven een woonvoorziening, wanneer de kosten van de woonvoorziening hoger zijn dan de kosten van verhuizen. Om te bepalen of verhuizen de goedkoopst-adequate oplossing is, moet het college onderzoeken welke gevolgen een verhuizing voor de cliënt heeft.

In lid 4 is opgenomen dat het verhuisprimaat niet wordt toegepast als de kosten van de woonvoorzieningen lager zijn dan he t grensbedrag zoals opgenomen in het financieel besluit. Overigens kan verhuizen ook om andere redenen de meest wenselijke oplossing zijn. Dit wordt met de cliënt besproken.

Met een geschikte woning (lid 5, sub a) wordt bedoeld een woning die niet of beperkt moet worden aangepast, dan wel met aanmerkelijk lagere investeringen kan worden aangepast. De woning moet op medisch aanvaardbare termijn beschikbaar zijn.

De financiële consequenties van de verhuizing moeten binnen aanvaardbare grenzen vallen (lid 5, sub b). Hierbij kan gedacht worden aan de verandering in woonlasten. Ook heeft verhuizen vanuit een koopwoning heeft vaak meer consequenties dan verhuizen vanuit een huurwoning.

Van het primaat verhuizen kan worden afgeweken als de sociale omstandigheden verbonden aan de huidige woning een essentiële bijdrage leveren aan het langer zelfstandig kunnen blijven wonen (lid 5, sub d). Hierbij wordt betrokken:

  • -

    de aanwezigheid van mantelzorg in de directe woonomgeving. In het onderzoek betrekt het college onder meer de frequentie van mantelzorg en gevolg van de verhuizing op de reisafstand voor de mantelzorger.

  • -

    de aanwezigheid van familie en/of vrienden.

  • -

    de afstand tot werk en de werksituatie.

  • -

    de aanwezigheid van verschillende voorzieningen- zonder de binding met de buurt.

Ook belangen op het gebied van huisvesting kunnen een rol spelen (lid 5, sub g). Als een aangepaste woning beschikbaar is, kan het ondoelmatig zijn om ook een andere woning aan te passen. Niet alle aangepaste woningen zijn namelijk even goed verhuurbaar. In lid 7 zijn de voorwaarden opgenomen om aan een inwoner die geen aangepaste woonbehoefte heeft maar wel in een aangepaste woning verblijft, een verhuiskostenvergoeding toe te kennen.

Artikel 4.4 Financiële tegemoetkoming kosten sporthulpmiddelen

  • 1. Een tegemoetkoming in aanschaf, onderhoud en reparatie van een sporthulpmiddel wordt alleen verstrekt als het beoefenen van de sport uitsluitend mogelijk is met een aan de beperking aangepast hulpmiddel. Beoefening is niet op een andere wijze mogelijk.

  • 2. Het college vertrekt enkel voorzieningen voor sporten in verenigd verband.

  • 3. Het college verstrekt geen voorziening voor sporten die slechts incidenteel worden beoefend.

  • 4. Bij de afweging of een tegemoetkoming wordt verstrekt, worden de volgende elementen betrokken:

    • a.

      op welke andere wijze de cliënt participeert en welke meerwaarde de sportactiviteit levert.

    • b.

      of er een historie is met de betreffende sportactiviteit dan wel sport in zijn algemeenheid.

Toelichting

Een sportvoorziening, waaronder een sportrolstoel, kan bijdragen aan de participatie van betrokkene. Het uitgangspunt hierbij is dat men in principe zelf verantwoordelijk is voor de aanschaf van zaken die nodig zijn bij sportbeoefening. Wanneer vanwege de beperking extra kosten worden gemaakt, kan een pgb worden verstrekt. De financiële tegemoetkoming voor sportvoorzieningen is gemaximeerd en wordt maximaal eens in de drie jaar verstrekt voor de aanschaf, het onderhoud, reparatie en stalling.

Heeft de cliënt de sport van zijn keuze nog niet eerder beoefend of wil hij een andere sport beoefenen dan hij deed, dan kan Uniek Sporten adviseren bij het zoeken van een passende sport en de mogelijkheid bieden om sporthulpmiddelen voor maximaal 6 maanden kosteloos te lenen om te proberen of de betreffende sport ook daadwerkelijk passend is. Dit onderzoek dient vooraf te gaan aan het toekennen van een financiële tegemoetkoming voor een sporthulpmiddel.

Omdat de voorziening verstrekt wordt met oog op de participatie van de cliënt, is de voorziening bedoeld voor sporten in verenigd verband (lid 2). Dit kan zijn sporten in verenigingsverband, maar ook om sporten in georganiseerd en structureel verband lijkend op een vereniging, zoals een trainingsgroep onder leiding van een professional.

Sportvoorzieningen voor gezamenlijk of collectief gebruik komen niet voor individuele compensatie in aanmerking.

Het college verstrekt geen voorziening voor sporten die slechts incidenteel worden beoefend, zoals skiën en snowboarden tijdens vakanties (lid 3).

Het kunnen sporten op hoog niveau valt niet onder de reikwijdte van de Wmo 2015.

Artikel 4.5a Regels voor bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen of pgb’s en bij verordening aangewezen algemene voorzieningen

  • 1. Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening of pgb, zolang de cliënt van de maatwerkvoorziening gebruik maakt of gedurende de periode waarvoor het pgb wordt verstrekt.

  • 2. Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een bij verordening aangewezen algemene voorziening zolang de cliënt van deze voorziening gebruik maakt.

  • 3. De bij verordening aangewezen algemene voorzieningen zijn:

    • a.

      begeleiding; -

    • b.

      dagbesteding; pilot DACT, dagbesteding zonder indicatie.

  • 4. De bijdragen voor maatwerkvoorzieningen of pgb en voor bij verordening aangewezen algemene voorzieningen, zijn gelijk aan de kostprijs, tot aan ten hoogste het bedrag genoemd in artikel 2.1.4 lid 3 en artikel 2.1.4a lid 4 van de Wmo 2015 voor de ongehuwde cliënt of de gehuwde cliënten tezamen, tenzij overeenkomstig artikel 2.1.4a, vijfde lid, van de Wmo 2015 of hoofdstuk 3 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 geen of een lagere bijdrage is verschuldigd.

  • 5. In afwijking van het eerste lid wordt geen eigen bijdrage opgelegd indien een maatwerkvoorziening of een pgb wordt verstrekt ten behoeve van een minderjarige cliënt.

  • 6. In afwijking van het eerste lid is geen bijdrage verschuldigd voor de maatwerkvoorziening tijdelijk verblijf GGZ.

  • 7. In afwijking van het tweede lid is geen bijdrage verschuldigd voor de volgende bij verordening aangewezen algemene voorzieningen:

    • a.

      pilot DACT, dagbesteding zonder indicatie.

  • 8. In afwijking van het eerste en tweede lid is geen of een deel van de bijdrage verschuldigd per bijdrageperiode als:

    • a.

      een cliënt financieel niet-zelfredzaam is; of

    • b.

      het inkomen van de cliënt minder dan 130% van de toepasselijke bijstandsnorm is. De geldende bruto inkomensgrenzen zijn opgenomen in het financieel besluit.

  • 9. In afwijking van artikel 2.1.4a, vierde lid, van de Wmo 2015 is het vraagafhankelijk vervoer uitgezonderd van het abonnementstarief. Hierbij geldt het volgende:

    • a.

      De cliënt, die een indicatie heeft van het college voor het gebruik van vraagafhankelijk vervoer, is een bijdrage in de kosten verschuldigd.

    • b.

      Deze bijdrage is niet meer dan het Openbaar Vervoer tarief. Dit geldt ook voor de paskosten.

    • c.

      Het college legt de hoogte van deze bijdrage vast in het Financieel besluit.

    • d.

      De cliënt betaalt de bijdrage rechtstreeks aan de uitvoerder van het vraagafhankelijk vervoer.

  • 10. De kostprijs van een:

    • a.

      maatwerkvoorziening of bij verordening aangewezen algemene voorziening wordt bepaald door een aanbesteding, na consultatie in de markt of na overleg met de aanbieder;

    • b.

      maatwerkvoorziening in de vorm van een hulpmiddel of woningaanpassing wordt tevens bepaald door de wijze van beschikbaarstelling van de voorziening, te weten bruikleen, huur of eigendom;

    • c.

      pgb is gelijk aan de hoogte van het pgb.

Artikel 4.5b. Bijdrage in de kosten van algemene voorzieningen

  • 1. Een cliënt is een bijdrage verschuldigd in de kosten voor het gebruik van een algemene voorziening tot maximaal de kostprijs.

  • 2. De kostprijs van een algemene voorziening wordt bepaald door een aanbesteding, na consultatie in de markt of na overleg met de aanbieder.

  • 3. Een cliënt is een bijdrage verschuldigd in de kosten voor het gebruik van de volgende algemene voorziening:

    • a.

      De vervoerspas 65+, ter hoogte van de door het college vast te stellen bijdrage in het Financieel Besluit.

Toelichting

Dit artikel geldt alleen voor de Wmo 2015, omdat er in het kader van de Jeugdwet geen bijdrage in de kosten gevraagd mag worden. Op grond van de Jeugdwet kan wel sprake zijn van een ouderbijdrage, waarvan de uitwerkingsregels worden opgenomen in het landelijke uitvoeringsbesluit Jeugdwet.

Bijdrage in de kosten

De wet maakt een onderscheid tussen de bijdragen in de kosten van:

  • -

    maatwerkvoorzieningen, pgb’s en bij verordening aangewezen algemene voorzieningen waarbij sprake is van een duurzame hulpverleningsrelatie tussen degenen aan wie een voorziening wordt verstrekt en de hulpverlener. In deze verordening opgenomen in artikel 4.5a; en

  • -

    algemene voorzieningen waarbij géén sprake is van een dergelijke duurzame hulpverleningsrelatie. In deze verordening opgenomen in artikel 4.5b.

Artikel 4.5a

Als de gemeente ervoor kiest om een eigen bijdrage te heffen dan geldt het bedrag genoemd in artikel 2.1.4 lid 3 en artikel 2.1.4a lid 4 van de Wmo 2015 voor:

  • -

    maatwerkvoorzieningen,

  • -

    pgb’s, en

  • -

    bij verordening aangewezen algemene voorzieningen waarbij sprake is van een duurzame hulpverleningsrelatie.

Het CAK stelt de eigen bijdrage vast en int deze.

Duurzame hulpverleningsrelatie

Om te bepalen of er sprake is van een algemene voorziening waarbij een duurzame hulpverleningsrelatie wordt aangegaan, is met name de aard van de band tussen de cliënt en hulpverlener van belang. Deze afweging wordt per voorziening gemaakt, niet per cliënt. Bij een duurzame hulpverleningsrelatie gaat het om algemene voorzieningen waar(bij): - er in belangrijke mate sprake is van persoonlijke hulpverlening (en waarbij arbeid verreweg de grootste kostencomponent is);

  • -

    de continuïteit van de band tussen cliënt en hulpverlener belangrijk is voor de ondersteuning van de cliënt;

  • -

    langdurig gebruik van wordt gemaakt. Voorzieningen waar cliënten incidenteel gebruik van maken hoeven niet onder het abonnementstarief gebracht te worden.

Gemeenten brengen een algemene voorziening als geheel onder het abonnementstarief als aan alle drie de voorwaarden wordt voldaan. Gemeenten maken hierbij de afweging of de algemene voorziening voor het merendeel van de cliënten een duurzame hulpverleningsrelatie betreft. Indien dit het geval is dienen deze voorzieningen onder het abonnementstarief gebracht te worden.

In artikel 4.5a, lid 3 staat welke algemene voorzieningen de gemeente Wageningen heeft aangewezen waarbij sprake is van een duurzame hulpverleningsrelatie.

Wettelijke uitzondering abonnementstarief

Een wettelijke uitzondering op het abonnementstarief is voor degenen die gebruik maken van beschermd wonen zorg in natura of maatschappelijke opvang. Deze cliënten blijven de inkomensafhankelijke eigen bijdrage betalen. Daarnaast hoeven alle niet-AOW gerechtigde meerpersoonshuishoudens geen eigen bijdrage betalen.

De gemeente heeft de mogelijkheid het landelijk vastgestelde bedrag voor alle cliënten naar beneden bij te stellen of de eigen bijdrage voor bepaalde inkomenscategorieën op nihil te zetten. Dit is opgenomen in lid 6 en 7 van artikel 4.5a. Voor cliënten die financieel nietzelfredzaam zijn, wordt een maatwerk oplossing geboden. Bij financieel niet-zelfredzaam, speelt niet alleen het inkomen een rol maar ook bijvoorbeeld schulden. Om mogelijke onzekerheid te voorkomen krijgen cliënten met een inkomen minder dan 130% van de toepasselijke bijstandsnormkwijtschelding van de eigen bijdrage. De geldende bruto inkomensgrenzen om voor kwijtschelding in aanmerking te komen zijn opgenomen in het financieel besluit. Het CAK stelt de kwijtschelding vast en kijkt bij toepassing van het minimabeleid tevens naar eventueel spaargeld en beleggingen.

https://www.hetcak.nl/wetmaatschappelijke-ondersteuning/minimabeleid/.

De Wmo 2015 maakt een uitzondering voor de kosten van (collectief) vervoer, zowel in de vorm van een maatwerkvoorziening als in de vorm van algemene voorziening. In Wageningen is het vervoer uitgezonderd van het abonnementstarief ter hoogte van het landelijk vastgestelde bedrag en kan een bijdrage worden gevraagd. Deze zijn opgenomen in het Financieel Besluit. Onderstaand de soorten vervoer:

  • -

    vraagafhankelijk vervoer, ook wel sociaal recreatief vervoer genoemd; dit is een maatwerkvoorziening. De bijdrage is niet hoger dan het OV-tarief (artikel 4.5a, lid 8, sub c).

  • -

    vervoerspas 65+; dit is een algemene voorziening (artikel 4.5b).

  • -

    Dagvervoer Wmo; dit is een maatwerkvoorziening, maar een beschikking voor dagvervoer Wmo wordt niet afgegeven. Het is altijd gekoppeld aan een indicatie voor dagbesteding. Dagbesteding als maatwerkvoorziening valt al onder abonnementstarief. Dan is het niet nodig om aan vervoer dagbesteding een abonnementstarief te koppelen.

  • -

    Dagvervoer jeugd valt onder de Jeugdwet en daarom niet onder het abonnementstarief De gemeente moet in de verordening opnemen hoe de kostprijs van een voorziening wordt bepaald. De kostprijs wordt tevens bepaald door de wijze van beschikbaarstelling (bruikleen/lease, huur of koop (artikel 4.5a, lid 9).

Artikel 4.5b

Voor een algemene voorziening waarbij geen sprake is van een duurzame hulpverleningsrelatie mag de gemeente de hoogte van de eigen bijdrage zelf bepalen tot maximaal de kostprijs. De gemeente moet van iedere algemene voorziening waarvoor een eigen bijdrage wordt gevraagd de hoogte van deze eigen bijdrage in de verordening opnemen. Voor Wageningen betreft dit de vervoerspas 65+ (zie artikel 4.5b, lid 1).

Wij hebben hier alleen de algemene voorzieningen opgenomen waarvoor de gemeente de prijs bepaalt. Tafeltje dekje is bijvoorbeeld ook een algemene voorziening, maar de aanbieder vraagt hiervoor een bijdrage in de kosten en niet de gemeente.

Vaststellen kostprijs

De Wmo 2015 verplicht tot het vaststellen van de kostprijs van een maatwerkvoorziening (artikel 2.1.4a, zesde lid, van de Wmo 2015), een bij verordening aangewezen algemene voorziening (artikel 2.1.4a, zesde lid, van de Wmo 2015) en een algemene voorziening (artikel 2.1.4, zesde lid, van de Wmo 2015). Dat kan op drie manieren: voor een aanbesteding, na consultatie in de markt of na overleg met de aanbieder.

De kostprijs van een voorziening in de vorm van een hulpmiddel of woningaanpassing wordt ook bepaald door de wijze van verstrekken van de voorziening te weten bruikleen, huur of eigendom.

Het is van belang dat het bedrag genoemd in artikel 2.1.4 lid 3 en artikel 2.1.4a lid 4 van de Wmo 2015 de kostprijs van de voorziening niet te boven mag gaan. Dit zal zeker bij de voorzieningen waar een dienst wordt geleverd nooit het geval zijn. Het zou wel kunnen voorkomen bij een hulpmiddel of woningaanpassing. Wanneer deze in eigendom wordt verstrekt, kan er een moment komen dat de kostprijs is betaald. Het CAK ziet toe op het niet overschrijden van de kostprijs.

De gemeente mag voor die voorziening dan geen eigen bijdrage meer heffen.

Wanneer de voorziening in bruikleen of huur is verstrekt, kan de eigen bijdrage worden geheven zolang de cliënt van de voorziening gebruik maakt.

Artikel 4.6 Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning

  • 1. Aanbieders stellen een regeling vast voor de medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn ten aanzien van alle voorzieningen.

  • 2. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de medezeggenschapsregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.

Toelichting

De mogelijkheid tot inspraak en medezeggenschap tegenover de jeugdhulpaanbieder is wettelijk geregeld in artikel 4.2.4 e.v. van de Jeugdwet. Daarom is dit artikel opgenomen bij de bepalingen voor de maatschappelijke ondersteuning.

In de Wmo 2015 (artikel 2.1.3, tweede lid, onder f), is bepaald om dit in de gemeentelijke verordening op te nomen. Dit artikel geeft aan dat de gemeente bepaalt voor welke voorzieningen een regeling voor medezeggenschap vereist is.

In dit artikel gaat het dus om medezeggenschap van cliënten tegenover de aanbieder. Voorheen moest de aanbieder voldoen aan de in de Wet klachtrecht cliënten en de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen (Wmcz) gestelde regels. Onder de Wmcz werd inspraak tegenover de aanbieder reeds verwezenlijkt via de cliëntenraad. Onder de Wmo 2015 is het stellen van regels geheel aan gemeenten overgelaten.

In het eerste lid is dit uitgewerkt door te bepalen dat aanbieders een regeling voor medezeggenschap dienen vast te stellen. De aanbieder is ten aanzien van de in de verordening genoemde voorzieningen verplicht een medezeggenschapsregeling op te stellen (artikel 3.2, eerste lid, onder b, van de Wmo 2015).

In het tweede lid zijn een aantal instrumenten voor het college aangegeven om te zorgen dat de verplichting tot medezeggenschap door aanbieders goed wordt uitgevoerd.

Artikel 4.7 Meldingsregeling calamiteiten en geweld

  • 1. Het college regelt het melden van calamiteiten en geweldsincidenten bij de verstrekking van maatschappelijke ondersteuning door een aanbieder en wijst een toezichthoudend ambtenaar aan.

  • 2. Aanbieders melden iedere calamiteit en ieder geweld dat zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening onverwijld aan de toezichthoudend ambtenaar.

  • 3. De toezichthoudend ambtenaar zoals bedoeld artikel 6.1 van de Wmo 2015, doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten en adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld.

Toelichting

In artikel 3.4, eerste lid, van de Wmo 2015 is bepaald dat de aanbieder bij de

toezichthoudend ambtenaar onverwijld melding doet bij de gemeente van iedere calamiteit die bij de verstrekking van een voorziening heeft plaatsgevonden en van geweld bij de verstrekking van een voorziening. In de wetten is bepaald dat het college personen aanwijst die zijn belast met het houden van toezicht op de naleving van de wet.

Gezien de bestuurlijke verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de Wmo 2015 en de maatschappelijke onrust als gevolg van calamiteiten en geweld, is het van belang dat de gemeente afspraken vastlegt over het melden van calamiteiten, het delen van informatie en de afstemming over de externe communicatie richting gemeenteraad, media en andere betrokkenen.

Voor geweldsincidenten bij gemeentelijke medewerkers geldt het gemeentelijke agressieprotocol.

HOOFDSTUK 5 Slotbepalingen

Artikel 5.1 Evaluatie

Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid sociaal domein wordt in ieder geval eenmaal per 4 jaar geëvalueerd. De doeltreffendheid en de effecten van de verordening in de praktijk worden bij de evaluatie meegenomen.

Toelichting

Het betreft hier de gemeentelijke evaluatie van het sociaal domein. Het college evalueert in ieder geval één maal per vier jaar, of eerder als hiervoor aanleiding is. Bijvoorbeeld door nieuwe ontwikkelingen. Bij de evaluatie neemt het college nadrukkelijk het perspectief van de cliënt mee. Daarnaast betrekt het college in ieder geval ook de ervaringen van mantelzorgers, cliëntondersteuners, de vertrouwenspersoon en cliëntervaringsonderzoeken bij deze evaluatie. Verder krijgen lokale belangenbehartigers, de Cliëntenraad en het Sociaal beraad een rol bij de evaluatie.

Waar nodig betrekken we hierbij ook de verzamelde gegevens van de landelijke evaluatie.

Artikel 5.2 Hardheidsclausule

Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende afwijken van de bepalingen in deze verordening, indien toepassing van deze regels tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

Toelichting

Ondanks dat het bij de Wmo 2015 en de Jeugdwet om maatwerk gaat, zal het college er niet aan ontkomen dat, ook al is er een zorgvuldige afweging gemaakt, uiteindelijk toch wordt beoordeeld dat deze afweging leidt tot onbillijkheden van overwegende aard.

Deze afweging zal minder vaak voorkomen dan in normale omstandigheden te verwachten is. Immers, bij de afwegingen gaat het al om een zeer persoonlijke beoordeling. Als desondanks

die zeer persoonlijke afweging toch nog sprake is van een niet billijke situatie is de hardheidsclausule een vangnet. Daarbij kan de aanvrager ook een beroep doen op deze clausule.

Artikel 5.3 Intrekking oude verordening en overgangsrecht

  • 1. De Verordening jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning Wageningen 2024 wordt ingetrokken, tenzij er een inleidend verzoek tot het houden van een referendum is ingediend.

  • 2. Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de in lid 1 genoemde verordening, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze voorziening is verstrekt, wordt ingetrokken of wanneer de periode van de verstrekking is verstreken.

Artikel 5.4 Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1. Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2026, tenzij er een inleidend verzoek tot het houden van een referendum is ingediend.

  • 2. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning Wageningen 2026.

Ondertekening

Aldus besloten in de openbare vergadering op 9 maart 2026.

de voorzitter,

de griffier,

BIJLAGE I Begrippen uit de Jeugdwet en de Wmo

Begrippen uit de Jeugdwet

  • -

    accommodatie: bouwkundige voorziening of deel van een bouwkundige voorziening met het daarbij behorende terrein, waar jeugdhulp wordt verleend door of namens een jeugdhulpaanbieder;

  • -

    advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling: advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling als bedoeld in artikel 12a van de Wet maatschappelijke ondersteuning;

  • -

    begeleiding: activiteiten waarmee een jeugdige wordt ondersteund bij het uitvoeren van dagelijkse levensverrichtingen en het aanbrengen en behouden van structuur in en regie over het persoonlijk leven;

  • -

    burgerservicenummer: burgerservicenummer als bedoeld in artikel 1 van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer;

  • -

    calamiteit: niet-beoogde of onverwachte gebeurtenis, die betrekking heeft op de kwaliteit van de jeugdhulp en die tot een ernstig schadelijk gevolg voor of de dood van een jeugdige of een ouder heeft geleid;

  • -

    college: college van burgemeester en wethouders;

  • -

    dossier: geheel van schriftelijk of elektronisch vastgelegde gegevens met betrekking tot de verlening van jeugdhulp aan een jeugdige of ouder of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering;

  • -

    familiegroepsplan: hulpverleningsplan of plan van aanpak opgesteld door de ouders, samen met bloedverwanten, aanverwanten of anderen die tot de sociale omgeving van de jeugdige behoren;

  • -

    gecertificeerde instelling: rechtspersoon die in het bezit is van een certificaat of voorlopig certificaat als bedoeld in artikel 3.4 en die een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering uitvoert;

  • -

    gekwalificeerde gedragswetenschapper: gedragswetenschapper behorende tot een bij regeling van Onze Ministers aangewezen categorie;

  • -

    gesloten accommodatie: bouwkundige voorziening of deel van een bouwkundige voorziening met het daarbij behorende terrein, waar gesloten jeugdhulp wordt verleend;

  • -

    gesloten jeugdhulp: opname, verblijf en jeugdhulp in een gesloten accommodatie op basis van een machtiging als bedoeld in artikel 6.1.2;

  • -

    geweld bij de verlening van jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering: lichamelijk, geestelijk of seksueel geweld jegens een jeugdige of een ouder, of bedreiging daarmee, door iemand die werkzaam is voor de jeugdhulpaanbieder of een gecertificeerde instelling, of door iemand die werkzaam is voor een rechtspersoon die in opdracht van de aanbieder of gecertificeerde instelling jeugdhulp verleent of door een andere jeugdige of ouder met wie de jeugdige of ouder gedurende het etmaal of een dagdeel bij de aanbieder verblijft;

  • -

    hulpverleningsplan: plan betreffende de verlening van jeugdhulp als bedoeld in artikel 4.1.3 en hoofdstuk 6;

  • -

    inspectie: inspectie jeugdzorg, bedoeld in artikel 9.1;

  • -

    jeugdarts: arts die als jeugdarts KNMG is ingeschreven in het door het College Geneeskundig Specialismen van de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij ter bevordering van de Geneeskunst ingestelde profielregister jeugdgezondheidszorg;

  • -

    jeugdgezondheidszorg: jeugdgezondheidszorg als bedoeld in artikel 1 van de Wet publieke gezondheid;

  • -

    jeugdhulp:

    • 1°.

      ondersteuning van en hulp en zorg, niet zijnde preventie, aan jeugdigen en hun ouders bij het verminderen, stabiliseren, behandelen en opheffen van of omgaan met de gevolgen van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouders of adoptiegerelateerde problemen;

    • 2°.

      het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijk verkeer en van het zelfstandig functioneren van jeugdigen met een somatische, verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking, een chronisch psychisch probleem of een psychosociaal probleem en die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt, en

    • 3°.

      het ondersteunen bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van de persoonlijke verzorging gericht op het opheffen van een tekort aan zelfredzaamheid bij jeugdigen met een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking of een somatische of psychiatrische aandoening of beperking, die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt, met dien verstande dat de leeftijdgrens van achttien jaar niet geldt voor jeugdhulp in het kader van jeugdstrafrecht;

  • -

    jeugdhulpaanbieder:

    • 1°.

      natuurlijke persoon die, het verband van natuurlijke personen dat of de rechtspersoon die bedrijfsmatig jeugdhulp doet verlenen onder verantwoordelijkheid van het college;

    • 2°.

      solistisch werkende jeugdhulpverlener onder verantwoordelijkheid van het college;

  • -

    jeugdhulpverlener: natuurlijke persoon die beroepsmatig jeugdhulp verleent;

  • -

    jeugdige: persoon die:

    • 1°.

      de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt,

    • 2°.

      de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt en ten aanzien van wie op grond van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht recht is gedaan overeenkomstig de artikelen 77g tot en met 77gg van het Wetboek van Strafrecht, of

    • 3°.

      de leeftijd van achttien jaar doch niet de leeftijd van drieëntwintig jaar heeft bereikt, en voor wie de voortzetting van jeugdhulp als bedoeld in onderdeel 1°, die was aangevangen, of voor wie het college vóór het bereiken van de leeftijd van achttien jaar heeft bepaald dat een voorziening op het gebied van jeugdhulp noodzakelijk is of voor wie, na beëindiging van jeugdhulp die was aangevangen vóór het bereiken van de leeftijd van achttien jaar, binnen een termijn van een half jaar hervatting van de jeugdhulp noodzakelijk is;

  • -

    jeugdreclassering: reclasseringswerkzaamheden, genoemd in artikel 77hh, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, begeleiding, genoemd in artikel 77hh, tweede lid, van dat wetboek en het begeleiding van en toezicht houden op jeugdigen die deel nemen aan een scholings- en trainingsprogramma als bedoeld in artikel 3 van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen, het geven van de aanwijzingen, bedoeld in artikel 12, vijfde lid, van die wet, of de overige taken die bij of krachtens de wet aan de gecertificeerde instellingen zijn opgedragen;

  • -

    kinderbeschermingsmaatregel: voogdij en de voorlopige voogdij op grond van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, de ondertoezichtstelling, bedoeld in artikel 254, eerste lid, Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en de voorlopige ondertoezichtstelling, bedoeld in artikel 255 Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek;

  • -

    kindermishandeling: elke vorm van voor een minderjarige bedreigende of gewelddadige interactie van fysieke, psychische of seksuele aard, die de ouders of andere personen ten opzichte van wie de minderjarige in een relatie van afhankelijkheid of van onvrijheid staat, actief of passief opdringen, waardoor ernstige schade wordt berokkend of dreigt te worden berokkend aan de minderjarige in de vorm van fysiek of psychisch letsel; – machtiging gesloten jeugdhulp: de machtiging, bedoeld in artikel 6.1.2.

  • -

    medisch specialist: geneeskundig specialist die als specialist is ingeschreven in een door het College Geneeskundig Specialismen van de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij ter bevordering van de Geneeskunst ingestelde register als bedoeld in artikel 14 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg;

  • -

    Onze Ministers: Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en Onze Minister van Veiligheid en Justitie tezamen;

  • -

    opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen:

    • 1°.

      psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouders of adoptiegerelateerde problemen;

    • 2°.

      beperkingen in de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie in verband met een somatische, verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking, een chronisch psychisch probleem of een psychosociaal probleem bij een jeugdige die de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, en

    • 3°.

      een tekort aan zelfredzaamheid in verband met een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking of een somatische of psychiatrische aandoening of beperking bij een jeugdige die de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt;

  • -

    ouder: gezaghebbende ouder, adoptiefouder, stiefouder of een ander die een jeugdige als behorend tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, niet zijnde een pleegouder;

  • -

    persoonsgegevens, verwerking, bestand, onderscheidenlijk verantwoordelijke: hetgeen daaronder wordt verstaan in de Wet bescherming persoonsgegevens;

  • -

    plan van aanpak: plan betreffende de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering als bedoeld in artikel 4.1.3;

  • -

    pleegouder: persoon die een jeugdige die niet zijn kind of stiefkind is, als behorende tot zijn gezin verzorgt en daartoe een pleegcontract als bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, heeft gesloten met een pleegzorgaanbieder;

  • -

    pleegoudervoogd: pleegouder die tevens belast is met voogdij als bedoeld in boek 1 Burgerlijk Wetboek;

  • -

    pleegzorgaanbieder: jeugdhulpaanbieder die pleegzorg biedt;

  • -

    preventie: op preventie gerichte ondersteuning van jeugdigen met of jeugdigen met een risico op psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking of van de ouders met of met een risico op opvoedingsproblemen;

  • -

    strafrechtelijke beslissing: beslissing van de officier van justitie of de strafrechter met toepassing van titel VIII A van het Eerste Boek van het Wetboek van Strafrecht of een beslissing als bedoeld in artikel 493 van het Wetboek van Strafvordering;

  • -

    vertrouwenspersoon: persoon die jeugdigen, ouders of pleegouders op hun verzoek ondersteunt in aangelegenheden die samenhangen met de wettelijke taken en verantwoordelijkheden van het college, de jeugdhulpaanbieder, de gecertificeerde instelling en het advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling;

  • -

    verwijsindex: verwijsindex risicojongeren als bedoeld in artikel 7.1.2.1;

  • -

    woonplaats:

    • 1°.

      woonplaats als bedoeld in artikel 12 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek;

    • 2°.

      als de voogdij over de jeugdige berust bij een instelling als bedoeld in artikel 302 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek: de plaats van het werkelijke verblijf van de jeugdige;

    • 3°.

      als de woonplaats, bedoeld onder 1° en 2°, onbekend is dan wel buiten Nederland is: de plaats van het werkelijke verblijf van de jeugdige op het moment van de hulpvraag. 

Begrippen uit de Wmo 2015

  • -

    aanbieder: natuurlijke persoon of rechtspersoon die jegens het college gehouden is een algemene voorziening of een maatwerkvoorziening te leveren;

  • -

    AMHK: advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling als bedoeld in artikel 4.1.1;

  • -

    begeleiding: activiteiten gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie van de cliënt opdat hij zo lang mogelijk in zijn eigen leefomgeving kan blijven.

  • -

    beschermd wonen: wonen in een accommodatie van een instelling met daarbij behorende toezicht en begeleiding, gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie, het psychisch en psychosociaal functioneren, stabilisatie van een psychiatrisch ziektebeeld, het voorkomen van verwaarlozing of maatschappelijke overlast of het afwenden van gevaar voor de cliënt of anderen, bestemd voor personen met psychische of psychosociale problemen, die niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving;

  • -

    beroepskracht: natuurlijke persoon die in persoon beroepsmatig werkzaam is voor een aanbieder;

  • -

    burgerservicenummer: burgerservicenummer als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer;

  • -

    CAK: het CAK, genoemd in artikel 48, eerste lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten;

  • -

    calamiteit: niet-beoogde of onverwachte gebeurtenis, die betrekking heeft op de kwaliteit van een voorziening en die tot een ernstig schadelijk gevolg voor of de dood van een cliënt heeft geleid;

  • -

    cliëntondersteuning: onafhankelijke ondersteuning met informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen;

  • -

    dossier: geheel van schriftelijk of elektronisch vastgelegde gegevens met betrekking tot een melding van huiselijk geweld of kindermishandeling of een vermoeden daarvan;

  • -

    geweld bij de verstrekking van een voorziening: seksueel binnendringen van het lichaam van of ontucht met een cliënt, alsmede lichamelijk en geestelijk geweld jegens een cliënt, door een beroepskracht dan wel door een andere cliënt met wie de cliënt gedurende het etmaal of een dagdeel in een accommodatie van een aanbieder verblijft;

  • -

    huiselijk geweld: lichamelijk, geestelijk of seksueel geweld of bedreiging daarmee door iemand uit de huiselijke kring;

  • -

    huiselijke kring: een familielid, een huisgenoot of een mantelzorger;

  • -

    hulpmiddel: roerende zaak die bedoeld is om beperkingen in de zelfredzaamheid of de participatie te verminderen of weg te nemen;

  • -

    kindermishandeling: elke vorm van voor een minderjarige bedreigende of gewelddadige interactie van fysieke, psychische of seksuele aard, die de ouders of andere personen ten opzichte van wie de minderjarige in een relatie van afhankelijkheid of van onvrijheid staat, actief of passief opdringen, waardoor ernstige schade wordt berokkend of dreigt te worden berokkend aan de minderjarige in de vorm van fysiek of psychisch letsel;

  • -

    maatschappelijke ondersteuning:

    • 1°.

      bevorderen van de sociale samenhang, de mantelzorg en vrijwilligerswerk, de toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een beperking, de veiligheid en leefbaarheid in de gemeente, alsmede voorkomen en bestrijden van huiselijk geweld,

    • 2°.

      ondersteunen van de zelfredzaamheid en de participatie van personen met een beperking of met chronische psychische of psychosociale problemen zoveel mogelijk in de eigen leefomgeving,

    • 3°.

      bieden van beschermd wonen en opvang;

  • -

    maatwerkvoorziening: op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen:

    • 1°.

      ten behoeve van zelfredzaamheid, daaronder begrepen kortdurend verblijf in een instelling ter ontlasting van de mantelzorger, het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen,

    • 2°.

      ten behoeve van participatie, daaronder begrepen het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen en andere maatregelen,

    • 3°.

      ten behoeve van beschermd wonen en opvang;

  • -

    mantelzorg: hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en die niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep;

  • -

    Onze Minister: Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;

  • -

    opvang: onderdak en begeleiding voor personen die de thuissituatie hebben verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor hun veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, en niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving;

  • -

    participatie: deelnemen aan het maatschappelijke verkeer;

  • -

    persoonsgebonden budget: bedrag waaruit namens het college betalingen worden gedaan voor diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot een maatwerkvoorziening behoren, en die een cliënt van derden heeft betrokken;

  • -

    persoonsgegevens, bijzondere persoonsgegevens, verwerking van persoonsgegevens, bestand, verantwoordelijke en bewerker: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet bescherming persoonsgegevens;

  • -

    Richtlijn 2004/38/EG: Richtlijn nr. 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG) 1612/68 en tot intrekking van Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (PbEU L 158);

  • -

    sociaal netwerk: personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de cliënt een sociale relatie onderhoudt;

  • -

    toezichthoudende ambtenaar: persoon als bedoeld in de artikelen 4.3.1, 6.1 en 6.2;

  • -

    vertegenwoordiger: persoon of rechtspersoon die een cliënt vertegenwoordigt die niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake;

  • -

    voorziening: algemene voorziening of maatwerkvoorziening;

  • -

    woningaanpassing: bouwkundige of woontechnische ingreep in of aan een woonruimte;

  • -

    zelfredzaamheid: in staat zijn tot het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen en het voeren van een gestructureerd huishouden.

BIJLAGE II Verschillende levensfasen van het kind en benodigde zorg

Kinderen van 0 tot 3 jaar

• hebben bij alle activiteiten verzorging van een ouder nodig;

• ouderlijk toezicht is zeer nabij nodig;

• zijn in toenemende mate zelfstandig in bewegen en verplaatsen;

• hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling;

• hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid;

• hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.

Kinderen van 3 tot 5 jaar

• kunnen niet zonder toezicht van volwassenen. Dit toezicht kan binnenshuis korte tijd op gehoorafstand (bijv. ouder kan was ophangen in andere kamer);

• hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling;

• hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid;

• kunnen zelf zitten, en op gelijkvloerse plaatsen zelf staan en lopen;

• hebben hulp, toezicht, stimulans, zindelijkheidstraining en controle nodig bij de toiletgang;

• hebben hulp, toezicht, stimulans en controle nodig bij aan- en uitkleden, eten en wassen, in- en uit bed komen, dag- en nachtritme en dagindeling bepalen;

• hebben begeleiding nodig bij hun spel en vrijetijdsbesteding;

• zijn niet in staat zich zonder begeleiding in het verkeer te begeven;

• hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.

Kinderen van 5 tot 12 jaar

• kinderen vanaf 5 jaar hebben een reguliere dagbesteding op school, oplopend van 22 tot 25 uur/week;

• kunnen niet zonder toezicht van volwassenen. Dit toezicht kan op enige afstand (bijv. kind kan buitenspelen in directe omgeving van de woning als ouder thuis is);

• hebben toezicht, stimulans en controle nodig en vanaf 6 jaar tot 12 jaar geleidelijk aan steeds minder hulp nodig bij hun persoonlijke verzorging zoals het zich wassen en tanden poetsen;

• hebben hulp nodig bij het gebruik van medicatie;

• zijn overdag zindelijk, en ‘s nachts merendeels ook; ontvangen zonodig zindelijkheidstraining van de ouders/verzorgers;

• hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling;

• hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid;

• hebben begeleiding van een volwassene nodig in het verkeer wanneer zij van en naar school, activiteiten ter vervanging van school of vrije tijdsbesteding gaan;

• hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.

Kinderen van 12 tot 18 jaar

• hebben geen voortdurend toezicht nodig van volwassenen;

• kunnen vanaf 12 jaar enkele uren alleen gelaten worden;

• kunnen vanaf 16 jaar een dag en/of een nacht alleen gelaten worden;

• kunnen vanaf 18 jaar zelfstandig wonen;

• hebben bij hun persoonlijke verzorging geen hulp en maar weinig toezicht nodig;

• hebben bij gebruik van medicatie tot hun 18e jaar toezicht, stimulans en controle nodig;

• hebben tot 18 jaar een reguliere dagbesteding op school/opleiding;

• hebben begeleiding en stimulans nodig bij ontplooiing en ontwikkeling (bv. huiswerk of het zelfstandig gaan wonen);

• hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid;

• hebben tot 17 jaar een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.

Aldus besloten in de openbare vergadering van 9 maart 2026.

de griffier,

de voorzitter,

Algemene toelichting

Deze verordening geeft uitvoering aan de Jeugdwet en de Wmo 2015. De verordening regelt onderwerpen op hoofdlijnen. In de nadere regels werkt het college een aantal onderwerpen verder uit. De gemeenteraad heeft besloten om één Verordening te maken voor de Jeugdwet en de Wmo 2015. Hoofdstuk 1 gaat over de begripsbepalingen. Hoofdstuk 2 zijn de regels die gelden voor de jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning. Hoofdstuk 3 geldt alleen voor de jeugdhulp en hoofdstuk 4 alleen voor de maatschappelijke ondersteuning. Het laatste hoofdstuk bevat de slotbepalingen.

Deze verordening kan niet los worden gezien van de beleidsplannen, die de raad op grond van artikel 2.2 van de Jeugdwet en artikel 2.1.2 van de Wmo 2015 eveneens vaststelt. In deze plannen wordt het door het gemeentebestuur te voeren beleid vastgelegd met betrekking tot preventie en jeugdhulp, de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering en maatschappelijke ondersteuning. Een van deze plannen is het beleidskader ‘Samen Wageningen 2026’, zoals 10 november 2025 (nr. D25.1389046) door de raad vastgesteld.

Het college legt daarnaast financiële bepalingen vast in een Financieel Besluit. Het gaat hierbij onder andere om:

  • a.

    Het maximumbedrag voor het bezoekbaar maken van een woonvoorziening in Wageningen wanneer de cliënt in een instelling voor langdurig zorg verblijft.

  • b.

    De hoogte van de kostprijs.