Nadere regels met betrekking tot jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning Wageningen 2026

Geldend van 03-04-2026 t/m heden met terugwerkende kracht vanaf 01-01-2026

Intitulé

Nadere regels met betrekking tot jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning Wageningen 2026

Het college van burgemeester en wethouders van Wageningen,

overwegende dat het wenselijk is nadere regels vast te stellen ten aanzien van de uitvoering van de Jeugdwet en de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015);

gelet op

artikel 156 Gemeentewet; de artikelen 2.1, 2.2, 2.4, 2.5, 2.6, 2.12 en 3.1 van de Verordening jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning Wageningen 2026;

besluit vast te stellen de volgende nadere regels met betrekking tot jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning Wageningen 2026.

Hoofdstuk 1 Begripsbepalingen

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

  • -

    Aanbieder: natuurlijke persoon of rechtspersoon die bedrijfsmatig hulp en ondersteuning verleent onder verantwoordelijkheid van het college.

  • -

    Aanvraag: een verzoek aan het college om een besluit te nemen over de verlening van een voorziening op basis van de Wmo 2015 en/of Jeugdwet.

  • -

    Adviesrapport: rapportage waarin de specifieke individuele voorziening of maatwerkvoorziening voor de cliënt staat omschreven die door het college wordt geadviseerd, rekening houdend met de mogelijkheden en beperkingen van de cliënt en afgestemd op andere hulpbronnen die beschikbaar zijn.

  • -

    Algemene voorziening: aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp.

  • -

    Beschikking: besluit van het college op de aanvraag van een voorziening op basis van de Wmo 2015 en de Jeugdwet.

  • -

    Cliënt: de persoon conform de omschrijving artikel 1.1.1, lid 1 van de Wmo 2015 en de jeugdige en zijn ouders conform artikel 1.1 van de Jeugdwet.

  • -

    Cliëntondersteuning: onafhankelijke, kosteloze en deskundige ondersteuning, conform artikel 1.1.1, lid 1, van de Wmo 2015, met informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen.

  • -

    College: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Wageningen.

  • -

    Consulent: medewerker van de gemeente die namens het college bevoegd is tot het doen van onderzoek en nemen van besluiten op grond van de Jeugdwet of de Wmo 2015.

  • -

    Familiegroepsplan: hulpverleningsplan opgesteld door de ouders, samen met bloedverwanten, aanverwanten of anderen die tot de sociale omgeving van de jeugdige behoren (artikel 1.1 van de Jeugdwet).

  • -

    Financieel Besluit: het geldende Financieel besluit jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning.

  • -

    Gesprek: gesprek in het kader van het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid van de Wmo 2015 en in het kader van de gemeentelijke toegang tot jeugdhulp.

  • -

    Gespreksverslag: verslag van de brede vraagverheldering met aandacht voor de eigen kracht, het informele netwerk en voorliggende voorzieningen gericht op het oplossen van (delen van) de hulpvraag.

  • -

    Hulpvraag: behoefte van een jeugdige of zijn ouders aan jeugdhulp in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen, als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van de Jeugdwet en/of behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wmo 2015.

  • -

    Individuele voorziening: op de jeugdige of zijn ouders toegesneden voorziening als bedoeld in artikel 6.2 van deze nadere regels.

  • -

    Maatwerkvoorziening: een op de inwoner toegesneden voorziening als voorziening als bedoeld in artikel 1.1.1, lid 1, van de Wmo 2015.

  • -

    Mantelzorg: hulp conform artikel 1.1.1, lid 1, van de Wmo 2015 ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en die niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep.

  • -

    Medewerker Startpunt: medewerker van de gemeente die namens het college bevoegd is voor het onderzoeken van de hulpvraag en toepassen van de vraagverheldering.

  • -

    Melding: kenbaar maken van de hulpvraag aan het college als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wmo 2015 om onderzoek te doen naar de behoefte van maatschappelijke ondersteuning.

  • -

    Multidisciplinair cliëntoverleg: team dat het college adviseert over de aanpak van complexe, meervoudige hulpvragen.

  • -

    Onderzoek: werkzaamheden om de hulpvraag te onderzoeken en te analyseren om te komen tot een adviesrapport.

  • -

    Opvoedhulp: ondersteuning en hulp, niet zijnde preventie, aan jeugdigen en hun ouders bij het verminderen, stabiliseren, behandelen en opheffen van of omgaan met de opvoedingsproblemen.

  • -

    Persoonlijk plan: plan als bedoeld in artikel 2.3.2, tweede lid, van de Wmo 2015.

  • -

    Pgb: persoonsgebonden budget op basis van de Jeugdwet (art. 8.1.1) of de Wmo 2015 (art. 2.3.6).

  • -

    Plan: het plan van aanpak vanuit de gedachte één huishouden, één plan, één regisseur met aandacht voor de eigen kracht en het informele netwerk gericht op de oplossing van de hulpvraag. In het plan van aanpak worden prioriteiten gesteld die gericht zijn op het oplossen van (delen van) de hulpvraag.

  • -

    Privacygevoelige informatie: informatie waarbij er een verhoogd risico op schending van de persoonlijke levenssfeer bij openbaarmaking bestaat.

  • -

    Tussenpersonen of belangenbehartigers pgb: personen die namens de cliënt een pgb aanvragen.

  • -

    Vertrouwenspersoon jeugdhulp: persoon conform artikel 1.1 van de Jeugdwet die jeugdigen, ouders of pleegouders op hun verzoek ondersteunt in aangelegenheden die samenhangen met de wettelijke taken en verantwoordelijkheden van het college, de jeugdhulpaanbieder, de gecertificeerde instelling en het advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling.

  • -

    Voorliggende voorziening: een voorziening, op basis van een andere, voorliggende wet dan de Wmo 2015 of Jeugdwet, waarmee aan de hulpvraag wordt tegemoetgekomen.

  • -

    Vraagverheldering: het concretiseren van de hulpvraag en verkennen van de problematiek door ‘door te vragen’ tijdens gesprek(ken) met de cliënt.

Alle begrippen die in deze nadere regels worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wmo 2015, het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015, de Jeugdwet, het Besluit Jeugdwet en de Algemene wet bestuursrecht.

Toelichting

In dit artikel zijn de begrippen opgenomen die van belang zijn voor deze nadere regels.

Hoofdstuk 2 Gemeentelijke toegang tot jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning

Artikel 2.1 Melding hulpvraag en een verzoek om de behoefte aan jeugdhulp te onderzoeken

  • 1. Een hulpvraag kan door of namens een cliënt worden gemeld bij het college.

  • 2. Het college bevestigt de ontvangst van een melding of het verzoek om de behoefte aan jeugdhulp te onderzoeken schriftelijk binnen 5 werkdagen.

  • 3. In spoedeisende gevallen treft het college een passende tijdelijke voorziening, in afwachting van de uitkomst van het gesprek en de aanvraag van de cliënt.

Toelichting

Voor alle vragen op het gebied van het sociale domein kunnen mensen terecht bij het Startpunt van de gemeente Wageningen. Bij het Startpunt wordt onderscheid gemaakt tussen vragen om informatie en hulpvragen. Hulpvragen kunnen op verschillende manieren worden gedaan:

mondeling, schriftelijk of elektronisch. De hulpvraag wordt geregistreerd en de cliënt krijgt hiervan een ontvangstbevestiging. Bij de ontvangstbevestiging ontvangt de cliënt informatie over onder andere de werkwijze, cliëntondersteuning, vertrouwenspersonen en privacy. Bij spoedeisende zaken, bijvoorbeeld als de situatie voor de cliënt onhoudbaar is of als de veiligheid in het geding is, kan besloten worden om direct een voorziening te treffen. Dit kunnen ook maatregelen zijn op basis van andere wetgeving, zoals de bevoegdheid van de burgemeester om psychiatrische patiënten met dwang op te nemen als er gevaar dreigt (op basis van van de Wet verplichte ggz) en de mogelijkheid van het college om woonurgentie te verlenen op basis van de Huisvestingsverordening.

Artikel 2.2 Cliëntondersteuning

  • 1. Het college zorgt ervoor dat cliënt een beroep kan doen op kosteloze, deskundige en onafhankelijke cliëntondersteuning, waarbij het belang van de cliënt uitgangspunt is.

  • 2. Het college wijst de cliënt en zijn mantelzorger op de mogelijkheid gebruik te maken van deze cliëntondersteuning.

Toelichting

De cliënt wordt gewezen op de mogelijkheid om gebruik te maken van cliëntondersteuning.

De cliëntondersteuner kan helpen met:

  • onderzoeken van uw situatie en hulpvraag

  • afwegen wat voor zorg of ondersteuning er eventueel moet komen

  • de hulp regelen die bij u past

  • verschillende soorten hulp op elkaar afstemmen

  • evalueren of de hulp goed heeft gewerkt

Naast cliëntondersteuning, kunnen cliënten ook gebruik maken van vertrouwenspersonen voor Jeugd en Wmo. Deze vertrouwenspersonen staan de cliënten bij als zij zich niet goed bejegend voelen.

Artikel 2.3 Persoonlijk plan of familiegroepsplan

  • 1. Het college brengt de cliënt op de hoogte van de mogelijkheid om een persoonlijk plan of een familiegroepsplan op te stellen.

  • 2. Het college stelt hen gedurende twee weken na de melding of het verzoek - om de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp te onderzoeken - in de gelegenheid het persoonlijk plan of familiegroepsplan te overhandigen.

  • 3. Als de cliënt hierom verzoekt, draagt het college zorg voor ondersteuning bij het opstellen van een familiegroepsplan of het persoonlijk plan.

Toelichting

In de Wmo 2015 is de verplichting opgenomen dat het college informatie verschaft over de mogelijkheid van de cliënt om een persoonlijk plan op te stellen en deze aan het college te overhandigen.

Het familiegroepsplan is in artikel 1.1 van de Jeugdwet gedefinieerd als: hulpverleningsplan of ondersteuningsplan opgesteld door de ouders, samen met bloedverwanten, aanverwanten of anderen die tot de sociale omgeving van de jeugdige behoren.

In artikel 4.1.2 van de Jeugdwet is bepaald dat de jeugdhulpaanbieder of de gecertificeerde instelling bij het verlenen van hulp en indien sprake is van vroegsignalering van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen, als eerste de mogelijkheid biedt om, binnen redelijke termijn, een familiegroepsplan op te stellen. Ook bij de gemeentelijke toegang vindt de gemeente het van belang dat de mogelijkheid wordt geboden om zelf een plan op te stellen.

Op grond van artikel 2.1, onder g, van de Jeugdwet maakt het familiegroepsplan deel uit van het gemeentelijk beleid. Als de cliënt een persoonlijk plan of familiegroepsplan indient, geldt dit als leidend vetrekpunt voor de vraagverheldering en het verdere onderzoek door het college. Het kan zijn dat het college tot een ander advies komt dan waar de cliënt bij het opstellen van het persoonlijk- of familiegroepsplan zelf aan dacht.

In het adviesrapport worden altijd de afwegingen van het college gemotiveerd.

Artikel 2.4 Onderzoek en advies

  • 1. Het college maakt, indien noodzakelijk, met de cliënt een afspraak voor een gesprek voor het toepassen van de vraagverheldering, waarbij de cliënt geïnformeerd wordt over de gang van zaken bij het gesprek, diens rechten en plichten en de eventuele vervolgprocedure.

  • 2. Het college onderzoekt bij de vraagverheldering middels een gesprek tussen een medewerker Startpunt, en degene door of namens wie de melding is gedaan, dan wel met diens vertegenwoordiger en indien van toepassing de mantelzorger en voor zover nodig andere personen, zo spoedig mogelijk en voor zover nodig:

    • a.

      De behoeften, persoonskenmerken, gezinssituatie, de zelfredzaamheid op de verschillende levensgebieden, voorkeuren, veiligheid, de beperkingen en mogelijkheden passend bij de levensfase van de cliënt.

    • b.

      Wat de hulpvraag van de cliënt is en hoe die hulpvraag is ontstaan.

    • c.

      Het gewenste resultaat van hulp en ondersteuning waar de cliënt om verzoekt.

    • d.

      Het vermogen van de cliënt om met eigen kracht, gebruikelijke hulp, mantelzorg en/of hulp van andere personen uit het sociale netwerk een bijdrage of oplossing voor de hulpvraag te vinden.

    • e.

      De mogelijkheden om gebruik te maken van algemeen gebruikelijke, algemene of andere voorzieningen of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering.

    • f.

      de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt.

  • 3. Het college zet bij de toegang tot maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp in op vroegtijdige signalering van belemmeringen op het gebied van werk en inkomen van de cliënt en helpt de cliënt waar nodig om de juiste ondersteuning vanuit de gemeentelijke voorzieningen – zoals schuldhulpverlening, inkomensvoorzieningen en re-integratievoorzieningen- te verkrijgen.

  • 4. Het college kan externe adviseurs inschakelen bij het onderzoek zoals bedoeld in lid 2.

  • 5. Het college verwerkt de uitkomsten van de vraagverheldering in een gespreksverslag, tenzij de cliënt heeft aangegeven dit niet te wensen. Als de cliënt geen verslag wenst, vraagt het college toestemming om de betreffende gegevens van de cliënt te mogen registreren.

  • 6. Wanneer de cliënt het niet eens is met de conclusies van de vraagverheldering, kan de cliënt éénmalig, gemotiveerd verzoeken om een gesprek met een andere medewerker van de gemeente.

  • 7. Als uit de vraagverheldering blijkt dat mogelijk een individuele of een maatwerkvoorziening nodig is, dan onderzoekt een consulent samen met de cliënt en indien nodig met hulp van een externe adviseur:

    • a.

      Of er sprake is van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de cliënt, opvoedingsproblemen van de ouder(s) of adoptiegerelateerde problemen, en zo ja dan onderzoekt het college achtereenvolgens:

      • i.

        welke problemen of stoornissen dat zijn; ii. welke hulp naar aard en omvang nodig is voor de cliënt om voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren en voor de jeugdige om, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau, gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren;

    • b.

      De mogelijkheden om gebruik te maken van een voorziening die door het college moet worden toegekend.

    • c.

      De behoefte aan (maatwerk-)voorzieningen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt.

    • d.

      De mogelijkheden om door samenwerking met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de hulpvraag van de cliënt.

    • e.

      De wensen met betrekking tot de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de cliënt, waarmee de professionele hulp redelijkerwijs rekening kan houden.

    • f.

      De financiële consequenties van de benodigde hulp en ondersteuning.

  • 8. Het college wijst de cliënt op de mogelijkheden om voor de uitvoering van een maatwerk- of individuele voorziening te kiezen voor de verstrekking van een pgb in plaats van hulp of ondersteuning in natura of een combinatie daarvan.

  • 9. Voor of tijdens het gesprek met de consulent verschaft de cliënt het college alle overige gegevens en bescheiden die naar het oordeel van het college hiervoor nodig zijn en waarover de cliënt op dat moment redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. De cliënt verstrekt in ieder geval een identificatiedocument als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage.

  • 10. Het college verwerkt de uitkomsten van het onderzoek in een adviesrapport, tenzij de cliënt heeft aangegeven dit niet te wensen. Als de cliënt geen adviesrapport wenst, vraagt het college toestemming om de betreffende gegevens van de cliënt te mogen registreren.

  • 11. Wanneer de consulent concludeert dat de inzet van een maatwerkvoorziening of individuele voorziening nodig is om de hulpvraag te beantwoorden, wordt in het adviesrapport in ieder geval vastgelegd:

    • a.

      Bij het verstrekken van een voorziening in natura:

      • i.

        welke de te verstrekken voorziening is, zo concreet als mogelijk omschreven, en wat het beoogde resultaat daarvan is; i

      • ii.

        welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn; iii. wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is;

      • iii.

        indien van toepassing; monitoring en evaluatiemomenten;

      • iv.

        indien van toepassing; de termijn van 3 maanden waarbinnen de cliënt zich bij de aanbieder moet hebben gemeld;

    • b.

      Bij het verstrekken van een voorziening in de vorm van een pgb:

      • i.

        voor welk resultaat het pgb kan worden aangewend;

      • ii.

        welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb;

      • iii.

        wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen;

      • iv.

        wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld;

      • v.

        welke voorwaarden aan het pgb verbonden zijn;

      • vi.

        indien van toepassing; monitoring en evaluatiemomenten;

      • vii.

        indien van toepassing; de termijn van 6 maanden waarbinnen de cliënt het pgb moet besteden;

      • viii.

        indien van toepassing; de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb.

  • 12. Wanneer de cliënt het niet eens is met het adviesrapport, kan de cliënt éénmalig, gemotiveerd verzoeken om een second opinion op kosten van de gemeente.

  • 13. Is er sprake van complexe meervoudige problematiek die niet (direct) binnen één van de wettelijke kaders past, dan volgt doorverwijzing naar het multidisciplinair cliëntoverleg.

  • 14. Wanneer het multidisciplinair cliëntoverleg betrokken wordt bij de hulpvraag, stellen de cliënt en het multidisciplinair cliëntoverleg samen een plan op.

Toelichting

De cliënt krijgt een gesprek met een medewerker Startpunt in de vorm van een brede vraagverheldering.

De brede vraagverhelderingsmethode heeft betrekking op verschillende levensgebieden. De medewerker is hierbij altijd bedacht op dieperliggende vragen, ook wel aangeduid als “de vraag achter de vraag”. Als de hulpvragen van de cliënt al voldoende in beeld zijn bij de gemeente, kan er voor gekozen worden om de vraagverheldering over te slaan. Het onderzoek wordt dan vervolgd met een gesprek met een consulent als bedoeld in lid 7 en/of een adviesrapport ten aanzien van de inzet van een voorziening zoals bedoeld in lid 10. Om te voorkomen dat de gemeente uitgaat van verouderde gegevens, zal nadrukkelijk en expliciet aan de cliënt gevraagd worden welke veranderingen/ontwikkelingen er zijn die van belang kunnen zijn voor de vraagverheldering.

De jeugdigen worden zo veel mogelijk bij de vraagverheldering betrokken. Daarnaast gelden de wettelijke bepalingen hierover: tot 12 jaar hebben de ouders de volledige zeggenschap over de kinderen over de hulp die het kind nodig heeft, tussen 12 en 16 jaar mogen de kinderen meebeslissen en vanaf 16 jaar mogen jongeren zelfstandig beslissen over de benodigde hulp.

Bij de vraagverheldering wordt de hulpvraag geconcretiseerd en beoordeeld of inzet van eigen netwerk, voorliggende of algemeen gebruikelijke voorzieningen hulp kan bieden. Als uit de vraagverheldering blijkt dat dit niet (volledig) de hulpvraag beantwoordt, dan onderzoekt de gemeente of er een maatwerkvoorziening (maatschappelijke ondersteuning) of een individuele voorziening (jeugdhulp) nodig is (lid 6).

Op basis van de gesprekken wordt een gespreksverslag gemaakt. Opmerkingen of latere aanvullingen van de cliënt worden aan het gespreksverslag toegevoegd. Het ondertekende gespreksverslag kan als aanvraag dienen voor een individuele voorziening (jeugdhulp). Als de cliënt geen verslag wenst, vraagt de gemeente toestemming aan de cliënt om de betreffende gegevens van de cliënt te mogen registreren.

Welke hulp volgens het college precies nodig is, wordt beschreven in het adviesrapport (lid 9). Het uitgangspunt is hierbij “lichtere vormen van hulp als het kan, zwaardere vormen van hulp als het moet”. Als er hulp nodig is, waarvoor een beschikking van de gemeente nodig is, kan het adviesrapport als aanvraag voor deze hulp dienen. De uitkomst van het onderzoek kan ook zijn dat er oplossingen zijn voor de hulpvraag waar de cliënt geen individuele voorziening of maatwerkvoorziening van de gemeente voor nodig heeft. Als de cliënt zich daarin kan vinden, stopt op dat moment de procedure.

Er kunnen meerdere gesprekken nodig zijn om te bepalen welke hulp nodig is.

Om zorgvuldig te bepalen welke hulp nodig is, kan er daarnaast advies worden ingewonnen bij hulpaanbieders of andere deskundigen. In het geval van een behoefte aan jeugdhulp wordt - met in achtneming van artikel 2.1 van het Besluit Jeugdwet – dit advies uitgebracht door of onder verantwoordelijkheid van een adviseur die beschikt over een registratie als professional:

  • a.

    bij de Stichting Kwaliteitsregister Jeugd in het kwaliteitsregister jeugd;

  • b.

    bij het Nederlands Instituut van Psychologen in het register Kinder- en Jeugdpsychologen; of

  • c.

    op grond van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg in het BIG-register .

De cliënt wordt geïnformeerd over de mogelijkheid van pgb. Wettelijk is geregeld dat dit in begrijpelijke taal gebeurt. De andere regels die van belang zijn voor een aanvraag zijn opgenomen in Artikel 2.6 Aanvraag en besluit.

Het multidisciplinair cliëntoverleg

Als de hulpvraag complex en/of veelomvattend is, of dat het niet direct binnen de wettelijke kaders past, dan kan de cliënt aangemeld worden bij het multidisciplinair cliënt overleg. Dit gaat altijd in overleg met cliënt. Ook hulpverleners kunnen cliënten bij het multidisciplinair cliëntoverleg aanmelden als zij op basis van de situatie concluderen dat het om een complexe hulpvraag gaat. Hiervoor is toestemming van de cliënt nodig, tenzij het om situaties gaat waar de veiligheid in het geding is. Hier gaat het om de veiligheid van de cliënt zelf en/of van zijn omgeving.

Het multidisciplinair cliëntoverleg bestaat uit een vast team van deskundigen op verschillende gebieden. Per situatie kunnen aan het multidisciplinair cliëntoverleg één of meerdere deskundigen worden toegevoegd. De voorzitter van het multidisciplinair cliëntoverleg maakt een eerste beoordeling van de aanmelding. Zo nodig vraagt deze aanvullende informatie. De voorzitter bepaalt de samenstelling van het multidisciplinair cliëntoverleg voor de bespreking van de hulpvraag. De bespreking van de hulpvraag gebeurt samen met de cliënt of diens vertegenwoordiger. In uitzonderlijke situaties, bijv. bij veiligheidsrisico’s, overlegt het multidisciplinair cliëntoverleg zonder cliënt. Binnen het multidisciplinair cliëntoverleg wordt een plan opgesteld samen met de cliënt. De cliënt conformeert zich aan het plan door ondertekening van het plan.

Als de cliënt meer bedenktijd nodig heeft voor de ondertekening, kan dit in overleg met het multidisciplinair cliëntoverleg/planregisseur. Voor de uitvoering van het plan stelt de planregisseur en de cliënt een ambulant team samen met de benodigde hulpverleners, familie, vrijwilligers. Daarnaast vindt afstemming plaats met andere zorg en onderwijs. Het ondertekende plan is tevens de aanvraag voor individuele en maatwerkvoorzieningen als deze nodig zijn. Ook hierbij geldt dat de cliënt gewezen wordt op de mogelijkheid van een pgb. De gemeente besluit over maatwerk- en individuele voorzieningen. Het advies van het multidisciplinair cliëntoverleg over de benodigde voorzieningen neemt het college over. In heel uitzonderlijke situaties kan het college afwijken van het advies, zij motiveert dit dan in de beschikking aan de cliënt.

In lid 12 is geregeld dat de cliënt gebruik kan maken van een second opinion. Als de cliënt het niet eens is met de voorgestelde oplossing en mediation geen oplossing biedt, kan een second opinion worden gevraagd (bijv. door een bezoek van andere medewerker van de gemeente of een externe organisatie). De gemeente draagt de kosten van de second opinion. Dit geldt ook voor de kosten van een extra medisch advies, indien de cliënt het niet eens is met het medisch advies waarop het plan berust.

In het contact met de cliënt werkt de medewerker van de gemeente volgens het Wagenings Dienstverleningsconcept (zie:

https://wageningen .raadsinformatie.nl/document/9865956/2#search=%22dienstverleningsconcept%22).

Dit betekent onder andere dat:

  • -

    we via verschillende kanalen bereikbaar zijn (fysiek, telefoon, e-mail);

  • -

    we begrijpelijke taal gebruiken in het contact; en

  • -

    dat de cliënt zich gehoord voelt in het contact met de deskundige.

Bij cliënten die de Nederlandse taal niet voldoende machtig zijn, kan de deskundige in het gesprek een vertaalkastje gebruiken of een tolk inzetten.

Artikel 2.5 is vervallen per 1-1-2026

Artikel 2.6 Aanvraag en besluit

  • 1. De cliënt vraagt een maatwerkvoorziening of individuele voorziening schriftelijk bij de gemeente aan; het ondertekende adviesrapport, gespreksverslag of opgestelde plan kan dienen als aanvraag.

  • 2. Indien noodzakelijk, kan de medewerker van de gemeente een aanvraag ambtshalve indienen.

  • 3. Als de cliënt de maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp zelf wenst in te kopen met een pgb, dient hij daartoe een pgb-plan in zoals bedoeld in artikel 3.2 van deze nadere regels.

  • 4. Het college kan externe adviseurs inschakelen bij de beoordeling van de aanvraag.

  • 5. De cliënt meldt zich, indien van toepassing, binnen 3 maanden na het ontvangen van het besluit bij de aanbieder van de maatwerkvoorziening of individuele voorziening of, in het geval van vertrekking in pgb, zet het pgb binnen 6 maanden in voor het resultaat waarvoor het is verstrekt.

Toelichting

Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening hoeft niet altijd schriftelijk te worden ingediend. In de Verordening jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning Wageningen 2026 is bepaald in welke gevallen een aanvraag voor een maatwerkvoorziening mondeling kan worden ingediend. Als de cliënt mondeling instemt met het advies, wordt die mondelinge instemming beschouwd als een (ondertekende) aanvraag. De instemming wordt vastgelegd in het adviesrapport waarbij de datum en tijdstip van de mondelinge aanvraag zorgvuldig wordt geregistreerd. Uiteraard moet dan ook het onderzoek volledig zijn afgerond. Een mondelinge aanvraag ontslaat het college niet van de verplichting de uitkomsten van het onderzoek vast te leggen in een adviesrapport.

In het artikel is de mogelijkheid opgenomen om een aanvraag ambtshalve in te dienen. Dit is aan de orde als uit het gesprek blijkt dat de voorziening spoedeisend is en dat de cliënt door bijzondere omstandigheden niet in staat is dit zelf aan te vragen.

De cliënt kan altijd een aanvraag indienen, ook als de cliënt het niet eens is met het advies van de consulent. Een aanvraag indienen is namelijk nodig om een beschikking te ontvangen, waarop bezwaar- en beroepsmogelijkheden van toepassing zijn.

Artikel 2.7 is vervallen per 1-1-2026

Artikel 2.8 Beschikking

  • 1. Het college legt het besluit om wel of geen maatwerkvoorziening of individuele voorziening te verstrekken vast in een beschikking.

  • 2. In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening of individuele voorziening staat of deze voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt.

  • 3. Bij het verstrekken van een voorziening in natura wordt in ieder geval vastgelegd:

    • a.

      welke de te verstrekken voorziening is, zo concreet als mogelijk omschreven, en wat het beoogde resultaat daarvan is;

    • b.

      wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is;

    • c.

      hoe de monitoring en evaluatiemomenten zijn afgesproken; en

    • d.

      indien van toepassing de termijn van 3 maanden waarbinnen de cliënt zich bij de aanbieder moet hebben gemeld.

  • 4. Bij het verstrekken van een voorziening in de vorm van een pgb wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd:

    • a.

      voor welk resultaat het pgb kan worden aangewend;

    • b.

      welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb;

    • c.

      wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen;

    • d.

      wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld;

    • e.

      hoe de monitoring en evaluatiemomenten zijn afgesproken;

    • f.

      de termijn van 3 maanden waarbinnen de cliënt het pgb moet besteden;

    • g.

      de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb;

    • h.

      welke voorwaarden aan het pgb verbonden zijn.

  • 5. Het college wijst de cliënt in de beschikking op de bezwaar- en beroepsmogelijkheden.

  • 6. Als sprake is van een eigen bijdrage of ouderbijdrage worden de cliënten daarover in de beschikking geïnformeerd.

  • 7. In spoedeisende gevallen treft het college zo spoedig mogelijk een passende maatwerkvoorziening of individuele voorziening. Het college legt de beslissing omtrent de inzet van hulp in dat geval zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen vier weken na de start van de hulp, vast in een beschikking.

Artikel 2.9 Omgang met privacygevoelige informatie

  • 1. Het college verwerkt in principe geen persoonsgegevens, tenzij dit noodzakelijk wordt geacht.

  • 2. Wanneer het verwerken van persoonsgegevens noodzakelijk is, beperkt het college zich tot die informatie die in hoeveelheid en gevoeligheid van persoonsgegevens, om het vooraf uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigde doel te behalen.

  • 3. Het college en derde partijen gaan zorgvuldig om met informatie over cliënten. Alle betrokken partijen nemen strikte vertrouwelijkheid in acht ten aanzien van de verkregen informatie.

  • 4. De betrokken medewerker van de gemeente op wie een geheimhoudingsplicht rust, handelt conform die geheimhoudingsplicht. Indien vereist vraagt de medewerker bij cliënt toestemming voor het doorbreken van de geheimhoudingsplicht.

  • 5. Cliënt heeft de in artikel 13 tot en met 22 van de AVG genoemde rechten:

    • a.

      het recht op informatie;

    • b.

      het recht op inzage;

    • c.

      het recht op rectificatie;

    • d.

      het recht op gegevenswissing;

    • e.

      het recht op beperking van de verwerking;

    • f.

      het recht op overdraagbaarheid van gegevens;

    • g.

      het recht van bezwaar;

    • h.

      het recht niet te worden onderworpen aan een uitsluitend op geautomatiseerde verwerking gebaseerd besluit waaraan voor de betrokkene rechtsgevolgen zijn verbonden of dat hem anderszins in aanmerkelijke mate treft.

  • 6. Cliënt wordt geïnformeerd over de verwerking van diens persoonsgegevens. De informatie omvat onder meer:

    • a.

      welke persoonsgegevens worden verwerkt;

    • b.

      het doel waarvoor de persoonsgegevens zijn bestemd en de rechtsgrond voor de verwerking;

    • c.

      de eventuele ontvangers van de persoonsgegevens;

    • d.

      de periode gedurende welke de persoonsgegevens worden opgeslagen;

    • e.

      de rechten die cliënt heeft ten aanzien van zijn persoonsgegevens.

Hoofdstuk 3 Het pgb

Artikel 3.1 Pgb voor hulp uit het sociale netwerk

  • 1. Wanneer uit het onderzoek is gebleken dat de ondersteuning van het sociale netwerk buiten datgene valt van wat redelijkerwijs van hen verwacht mag worden, kan pgb ingezet worden voor hulp en ondersteuning vanuit het sociale netwerk.

  • 2. Hulp die redelijkerwijs van het sociale netwerk mag worden verwacht, omvat gebruikelijke hulp en in ieder geval:

    • a.

      persoonlijke verzorging en begeleiding door de ouder bij een kortdurende zorgsituatie van maximaal drie maanden;

    • b.

      het aanleren van handelingen op het gebied van persoonlijke verzorging of begeleiding aan derden (familie, vrienden).

    • c.

      het overleg voor het organiseren van de hulp, zoals gesprekken met medewerkers van gemeente, onderwijs, hulpverleners ed.

  • 3. Tot het sociale netwerk worden personen gerekend binnen de kring van familie, vrienden, kennissen en bekenden met wie de cliënt een sociale relatie onderhoudt, en die van betekenis zijn voor - en bijdragen aan - het welzijn en welbevinden van de cliënt.

  • 4. Het pgb voor het sociale netwerk kan ingezet worden voor individuele begeleiding, persoonlijke verzorging, hulp bij huishouden maatwerkvoorziening en respijtzorg.

  • 5. Het sociaal netwerk wordt op eenduidige wijze in beeld gebracht. Indien noodzakelijk wordt een vorm van familienetwerkberaad georganiseerd.

  • 6. Voorwaarden voor de inzet van pgb voor het sociale netwerk zijn:

    • a.

      er is een langdurige, omvangrijke en frequente ondersteuningsvraag.

    • b.

      pgb leidt tot een betere en effectievere ondersteuning die aantoonbaar doelmatig is en de motivatie wordt onderbouwd in het pgb-plan.

    • c.

      de persoon uit het netwerk heeft aangegeven dat de zorg voor hem niet tot overbelasting leidt.

  • 7. Het college kan verzoeken om een actuele diagnose om de aanvraag te onderbouwen.

Toelichting

De beloning van het sociale netwerk met pgb moet beperkt moet blijven tot die gevallen waarin het de gebruikelijke hulp (zie artikel 2.2b van de verordening) overstijgt en dit aantoonbaar tot betere en effectievere ondersteuning leidt en aantoonbaar doelmatiger is. Hierbij wordt in ieder geval gedacht aan de inzet van het netwerk voor diensten, zoals persoonlijke verzorging of de maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden. Informele hulp bij hulpmiddelen, woningaanpassingen en specialistische hulp is minder denkbaar.

In gesprekken met de cliënt wordt bekeken wat van het sociale netwerk als gebruikelijke hulp gevraagd en verwacht kan worden. Het sociale netwerk wordt op een zorgvuldige, eenduidige wijze in beeld gebracht.

Artikel 3.2 Pgb-plan

Als een cliënt in aanmerking komt voor een individuele voorziening of een maatwerkvoorziening en de ondersteuning zelf wenst in te kopen door middel van een pgb, dient de cliënt een pgb-plan in. In het pgb-plan is in elk geval opgenomen:

  • a.

    wat de motivatie is om de maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb te ontvangen (Wmo 2015);

  • b.

    de motivatie waarom het natura-aanbod van de gemeente niet passend is en een pgb gewenst is (Jeugdwet); welke voorziening de cliënt met het pgb zou willen inkopen, wat het beoogde

  • c.

    resultaat is en wanneer en hoe wordt geëvalueerd;

  • d.

    de voorgenomen uitvoerder van de voorziening en/of de wijze waarop de hulp georganiseerd wordt;

  • e.

    op welke wijze de kwaliteit van de voorziening is gewaarborgd en duidelijk is dat de voorziening geschikt is voor het doel waarvoor het pgb wordt verstrekt;

  • f.

    de kosten van de voorziening, uitgedrukt in aantal eenheden en tarief.

  • g.

    indien van toepassing, welke hulp de cliënt, jeugdige of zijn ouder(s) willen betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk;

  • h.

    de motivatie aan de hand van de punten benoemd in artikel 2.5b van de Verordening waaruit blijkt dat de budgethouder of pgb-vertegenwoordiger in staat is de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren.

Artikel 3.3 Eenmalige betaling na beëindiging van het pgb bij overlijden of opname in een zorginstelling

  • 1. Op het moment dat de pgb-gerechtigde overlijdt of opgenomen wordt in een (zorg)instelling, eindigt het pgb van rechtswege.

  • 2. De zorgverlener heeft recht op een eenmalige betaling voor zover er nog budget is.

  • 3. De hoogte is maximaal een maandloon of het gemiddelde maandloon over de laatste drie volle maanden.

  • 4. De eenmalige betaling is alleen bestemd voor hulpverleners die werknemer of opdrachtnemer zijn van de budgethouder en er een geldige zorgovereenkomst is afgesloten.

  • 5. Werknemers die pgb-diensten verrichten in dienst van een zorginstelling komen niet in aanmerking voor de in lid 2 genoemde eenmalige uitkering.

Toelichting

Bij overlijden van de budgethouder of als de budgethouder wordt opgenomen in een zorginstelling, eindigt het pgb van rechtswege. De zorgverlener heeft recht op een eenmalige uitkering voor zover er nog budget is. De eenmalige uitkering is bedoeld voor hulpverleners die werknemer of opdrachtnemer zijn van de budgethouder en die plotseling zonder werk komen door de beëindiging van een zorgovereenkomst. De uitkering is nadrukkelijk niet bedoeld voor zorginstellingen.

De hoogte van de eenmalige uitkering hangt af van de zorgovereenkomst die is afgesloten. Gaat het om een overeenkomst van opdracht met een vast maandloon, dan ontvangt de zorgverlener het loon van de laatste volledige maand. In alle andere gevallen ontvangt de zorgverlener het gemiddelde maandloon over de laatste drie volle maanden. Er moet een geldige zorgovereenkomst zijn afgesloten en er moet voldoende budget zijn.

Een eenmalige uitkering kan schriftelijk worden aangevraagd bij de Sociale Verzekeringsbank (SVB) (of de mogelijke opvolger van het SVB) mits voldoende budget beschikbaar is.

Hoofdstuk 4 Financiële tegemoetkoming aan personen met een beperking of chronische ziekte

Artikel 4.1 Voorwaarden voor tegemoetkoming

De cliënt die voor vergoeding in aanmerking wil komen, moet voldoen aan de volgende voorwaarden:

  • a.

    de cliënt kan door bewijsstukken aantonen dat er sprake is van kosten die samenhangen met een chronische ziekte of beperking;

  • b.

    de cliënt is aantoonbaar financieel niet redzaam of heeft een inkomen tot en met 130% van de voor hem toepasselijke bijstandsnorm.

Toelichting

De gemeenteraad van Wageningen heeft besloten dat alle inwoners die financieel niet zelfredzaam zijn en aanmerkelijke meerkosten hebben, in aanmerking kunnen komen voor een financiële tegemoetkoming. Onder financieel niet zelfredzaam verstaan we in ieder geval de inwoners met een inkomen tot en met 130% van de toepasselijke bijstandsnorm.

Artikel 4.2 Aanvraag en beschikking

  • 1. De cliënt vraagt de financiële tegemoetkoming schriftelijk aan bij het college.

  • 2. Als uit het plan zoals bedoeld in artikel 3.2 van deze nadere regels blijkt dat de cliënt voldoet aan de voorwaarden voor een financiële tegemoetkoming, kan het ondertekende plan ook dienen als aanvraag voor deze financiële tegemoetkoming.

  • 3. Aan de hand van de aanvraag besluit het college of de cliënt in aanmerking komt voor financiële tegemoetkoming.

  • 4. De cliënt ontvangt van het college een beschikking.

  • 5. Als er wijzigingen zijn in de omstandigheden van de cliënt waardoor deze niet meer voldoet aan de voorwaarden om in aanmerking te komen van de financiële tegemoetkoming, meldt de cliënt dit zo spoedig mogelijk bij het college.

Toelichting

De inwoners die voor deze tegemoetkoming in aanmerking komen, zijn niet allemaal bekend bij de gemeente. Hiervoor is een aanvraagformulier beschikbaar. Inwoners van de gemeente Wageningen worden actief gewezen op de mogelijkheid van tegemoetkoming. Een ondertekend ondersteuningsplan kan dan ook dienen als aanvraag voor tegemoetkoming. Uit dit ondersteuningsplan moet dan wel blijken dat de cliënt aan de voorwaarden voor tegemoetkoming voldoet.

Hoofdstuk 5 Vormen van Jeugdhulp

Artikel 5.1 Overige Algemene voorzieningen

De volgende voorzieningen behoren tot de algemene overige voorzieningen die vrij toegankelijk zijn:

  • 1.

    Jeugdigen en hun ouders kunnen advies en informatie krijgen over:

    • a.

      opgroei- en opvoedingsproblemen,

    • b.

      psychische problemen en stoornissen;

    • c.

      opvoedingssituaties waardoor jeugdigen mogelijk in hun ontwikkeling worden bedreigd;

    • d.

      taal- en leerproblemen

    • e.

      kindermishandeling en huiselijk geweld

    • f.

      somatische aandoeningen;

    • g.

      lichamelijke of verstandelijke beperkingen.

  • 2.

    Cliëntondersteuning en vertrouwenspersoon jeugdhulp

  • 3.

    Behandeling en begeleiding van lichte psychische klachten van jeugdigen bij de SOJ-jeugd GGZ via de huisarts;

  • 4.

    Preventieve hulp en ondersteuning door Welsaam en/of het Startpunt.

Toelichting

Er wordt onderscheid gemaakt tussen de vrij toegankelijke voorzieningen (de “overige voorzieningen“ op basis van de Jeugdwet, ook wel “algemene voorzieningen” genoemd in de Wmo 2015) en de voorzieningen die de gemeente toekent, dit zijn de individuele voorzieningen. Dit artikel bevat de vrij toegankelijke voorzieningen.

Op 10 november 2025 is het beleidskader Samen Wageningen 2026 vastgesteld.

Samen Wageningen is het brede sociale beleid. Dus alle hulp en ondersteuning bij zorg en welzijn op het gebied van Jeugd, Wmo, Participatie, armoede, vluchtelingen, etc.. Dat gaat over preventieve ondersteuning, zoals welzijnswerk, maar ook over curatieve ondersteuning, zoals specifieke zorgtrajecten. Het beleidskader is te vinden op https://www.wageningen.nl/direct-regelen/zorg-jeugd-inkomen/zorg/beleidsplan-voor-gezondheid-en-zorg-samen-wageningen/

Externe link:https://www.wageningen.nl/direct-regelen/zorg-jeugd-inkomen/zorg/beleidsplan-voorgezondheid-en-zorg-samen-wageningen/ . Preventieve hulp en ondersteuning wordt uitgevoerd vanuit het samenwerkingsverband ‘Welsaam’.

Artikel 5.2 Individuele voorzieningen

De volgende voorzieningen zijn individuele voorzieningen:

  • a.

    Specialistische diagnose op het gebied van:

    • i.

      psychiatrische stoornissen

    • ii.

      (licht)verstandelijke beperkingen

    • iii.

      opvoedproblemen en gedragsstoornissen iv. ernstige dyslexie

  • b.

    Specialistische en/of intensieve behandelingen:

    • i.

      geestelijke gezondheidszorg voor jeugdigen: basis GGZ en specialistische GGZ

    • ii.

      hulp aan jeugdigen met een (licht) verstandelijke beperking

    • iii.

      opvoedhulp

    • iv.

      hulp bij enkelvoudige, ernstige dyslexie

  • c.

    Wonen met begeleiding voor jeugdigen met een met licht verstandelijke beperking en/of psychiatrische aandoening.

  • d.

    Dagopvang en dagbesteding/werk in een beschermde omgeving voor jeugdigen met licht verstandelijke beperking, psychiatrische aandoening, een zintuiglijke beperking, een lichamelijke beperking, een somatische aandoening.

  • e.

    Persoonlijke verzorging voor jeugdigen met een beperking

  • f.

    Kort- en langdurend verblijf, mogelijk met behandeling, in de vorm van:

    • i.

      pleegzorg (vol- en deeltijd)

    • ii.

      gezinshuizen en kamertrainingresidentiële jeugdhulp (vol- en deeltijd)

    • iii.

      gedwongen jeugdhulp (jeugdhulpplus)

    • iv.

      respijtzorg

  • g.

    Kortdurend verblijf (respijtzorg), zonder behandeling, voor hulp aan jeugdigen met een zintuiglijke beperking, een lichamelijke beperking, een somatische aandoening.

Toelichting

Zorg in natura kan alleen maar worden afgenomen van de organisaties waar de gemeente een contract mee heeft gesloten.

Om inzicht te geven welke aanbieders de gemeente heeft gecontracteerd, publiceert de Modulaire gemeenschappelijke regeling Sociaal Domein Centraal Gelderland de lijst van aanbieders op de website:

Externe link:https://www.inkoopsdcg.nl/home+inkoop/inkoop/zoektool+gecontracteerd+aanbod+sdcg/default.a spx

Hoofdstuk 6 Vervoer jeugdhulp

Artikel 6.1 Eigen verantwoordelijkheid

Voor het organiseren van het vervoer om te komen bij de locatie waar de jeugdhulp wordt verleend, is het uitgangspunt dat de jeugdige en zijn ouders dit zelf of met behulp van het netwerk organiseren.

Toelichting

In de Jeugdwet staat de verplichting (Artikel 2.3, tweede lid) dat vervoer onder jeugdhulp valt als het college oordeelt dat er een noodzakelijkheid bestaat in verband met een medische oorzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid. Het gaat dan om vervoer naar de locatie waar de jeugdhulp geboden wordt. Het staat de gemeente vrij om dit naar eigen inzicht te organiseren.

Voor de gemeente is het uitgangspunt dat ouders en/of de jeugdige zelf verantwoordelijk zijn voor het vervoer naar de locatie waar de jeugdhulp geboden wordt, mogelijk met behulp van het eigen netwerk.

Artikel 6.2 Criteria vervoersvoorziening

  • 1. Een vervoersvoorziening wordt alleen aan de jeugdige toegekend als naar het oordeel van het college is aangetoond dat er een noodzaak bestaat tot inzet van deze voorziening.

  • 2. Als naar het oordeel van het college een passende voorziening beschikbaar is waarvoor geen vervoer geïndiceerd hoeft te worden, is deze voorziening voorliggend op een indicatie waarvoor wel vervoer geïndiceerd moet worden.

  • 3. Het college beoordeelt, overeenkomstig artikel 2.2 t/m 2.2c van de Verordening Jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning 2026, in elke individuele situatie of er specifieke omstandigheden zijn waardoor de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige of zijn ouder(s) onvoldoende zijn om de eigen verantwoordelijkheid voor het vervoer op zich te nemen.

  • 4. Als ouders en/of jeugdigen wel in staat zijn het vervoer te organiseren maar de afstand en frequentie van vervoer naar jeugdhulp zo groot is, dat dit de gebruikelijke zorgplicht van ouders overschrijdt kan een vervoersvoorziening toegekend worden. Om dit te beoordelen maakt het college gebruik van de volgende berekeningsformule: aantal maanden x aantal weken per maand x aantal keren per week x afstand enkele reis. Als dit aantal hoger is dan 1000, dan kan een vervoersvoorziening worden toegekend.

Toelichting

Als ouders en /of de jeugdige niet in staat zijn dit zelf of met behulp van het netwerk te kunnen organiseren, dan kan het college een vervoersvoorziening toekennen. Dit kan vanwege lichamelijke, verstandelijke, psychische of zintuiglijke beperking, maar ook door beperkte financiële middelen.

Daarnaast kan de afstand en frequentie zo hoog zijn, dat dit redelijkerwijs niet meer van ouders en/of de jeugdige gevraagd kan worden. Om dit te bepalen, maakt het college gebruik van de volgende berekeningsformule: (aantal maanden) x (aantal weken per maand) x (aantal keren per week) x (afstand enkele reis). Als dit hoger is dan 1000, dan kan een vervoersvoorziening worden toegekend. Deze berekening is gebaseerd op de formule die de zorgverzekeraar gebruikt voor het aanspraak maken op ziekenvervoer.

Artikel 6.3 Soort vervoersvoorziening

  • 1. Als op basis van de criteria uit artikel 6.2 een vervoersvoorziening voor de jeugdige noodzakelijk is, dan kent het college de goedkoopst passende vervoersvoorziening toe.

  • 2. De vervoersvoorziening, bedoeld in het eerste lid, betreft uitsluitend vervoer van en naar de locatie waar de jeugdhulp wordt verleend (vervoer enkel tussen huis of school en zorgaanbieder).

  • 3. Voor de vervoersvoorziening, bedoeld in het eerste lid wordt geen eigen bijdrage gevraagd.

  • 4. De volgende vervoersvoorzieningen kunnen worden geboden:

    • a.

      Vervoer door een door het college gecontracteerde vervoerder.

    • b.

      Een kilometervergoeding zoals vastgelegd in het financieel besluit.

    • c.

      Een vergoeding van de kosten van het openbaar vervoer, tweede klas;

    • d.

      Het college gaat bij een kilometervergoeding en een vergoeding van de kosten van het openbaar vervoer uit van een gemiddelde per maand berekend op basis van afstand, aantal keer per week, aantal weken voor maximaal twee enkele ritten per dag.

Toelichting

Als de gemeente een vervoersvoorziening toekent, dan kent het college de goedkoopst passende vervoersvoorziening toe. Er zijn verschillende mogelijkheden, zoals vergoeding van openbaar vervoer, vergoeding van kilometers of het door de gemeente gecontracteerde vervoer voor specifieke doelgroepen.

Hoofdstuk 7 Inzet kinderopvang op basis van Sociaal Medische Indicatie (SMI)

Artikel 7.1 Doelgroep en doel

Kinderopvang via een SMI is bedoeld als tijdelijke oplossing om de ouder(s) te ontlasten en de ontwikkeling van het kind/de kinderen te stimuleren.

Artikel 7.2 Doelgroep

  • 1. Voor kinderopvang op basis van een SMI komen in aanmerking gezinnen of alleenstaande ouders, wonend in de gemeente Wageningen, die geen recht hebben op reguliere kinderopvangtoeslag en die op basis van sociaal medische gronden niet in staat zijn om voor de kinderen tot 13 jaar (dan wel de laatste groep basisschool) te zorgen.

  • 2. Het gaat hierbij om:

    • a.

      Kinderen van een werkende ouder (in dienstverband of zelfstandig) met een chronisch zieke of gehandicapte partner;

    • b.

      Kinderen van een ouder waarbij sprake is van een somatische aandoening, een psychiatrische ziekte of problemen in het psychosociaal functioneren, waardoor deze niet in staat is de praktische verzorging van een kind/de kinderen op zich te nemen;

    • c.

      Kinderen die als gevolg van de thuissituatie een ontwikkelingsachterstand oplopen of dreigen op te lopen en voor wie kinderopvang een tijdelijke oplossing kan zijn.

Artikel 7.3 Aanvraag, beoordeling, uitgangspunten en bekostiging

  • 1. De gemeente stelt een gezinsplan op en beoordeelt of een SMI kan worden verleend.

  • 2. Voorliggend op SMI is: inzet netwerk, informele hulp, Voor- en vroegschoolse educatie (VVE), spelenderwijs en thuisbegeleiding.

  • 3. Een SMI kan worden verleend voor maximaal 6 maanden, en kan (na evaluatie) worden verlengd met 6 maanden.

  • 4. SMI kan ingezet worden voor maximaal 4 dagdelen dagopvang of maximaal 2 dagdelen buitenschoolse opvang (BSO) per week.

  • 5. Bij een kind met VVE zijn deze dagdelen inclusief de VVE dagdelen.

  • 6. SMI kan niet met terugwerkende kracht worden ingezet.

  • 7. Onderdeel van het gezinsplan is de inzet van hulpverlening waardoor de gezinssituatie verbetert en de SMI kan worden opgeheven.

  • 8. Ouders schrijven zelf hun kind in bij een kinderopvangorganisatie die in het Landelijk Register Kinderopvang is geregistreerd.

  • 9. De gemeente legt contact met de kinderopvangorganisatie en stemt af over begin- en einddatum van de opvang.

  • 10. De kinderopvang factureert de kosten bij de gemeente.

Toelichting

Kinderopvang op basis van SMI wordt bij hoge uitzondering verleend via maatwerk. Maatwerk biedt de gemeente de mogelijkheid om hulp in te zetten die wel bijdraagt aan het gezond en veilig opvoeden van jeugdigen maar formeel geen jeugdhulp is. De inzet van maatwerk verloopt altijd via de gemeente. De inzet van kinderopvang op basis van SMI dient altijd deel uit te maken van een gezinsplan, waarbij er sprake is van complexe problematiek en waarbij er op één of meerdere terreinen hulpverlening wordt ingezet. De inzet van de kinderopvang is altijd tijdelijk. Als er sprake is van een chronische situatie, zoekt de gemeente samen met het gezin naar een oplossing waarin in het gezin ondersteund kan worden zonder langdurige inzet van kinderopvang op basis van SMI.

Hoofdstuk 8 Inzet van Buitenschoolse opvang plus (BSO+)

Artikel 8.1 Doelgroep

Jeugdigen van 4-12 jaar die vanwege ontwikkelingsproblemen, sociaal emotionele problemen, een verstandelijke beperking of opvoedingsproblemen geen gebruik kunnen maken van reguliere buitenschoolse opvang (BSO) en die naast naschoolse opvang een extra hulpvraag voor ondersteuning nodig hebben bij het behouden van regie, of bij het versterken van regie of om regieverlies tegen te gaan, kunnen in aanmerking komen voor BSO+.

Artikel 8.2 Vergoeding

  • 1. De vergoeding van BSO+ bestaat uit:

    • a.

      de meerkosten voor de extra begeleiding die op de BSO wordt aangeboden, (BSO+gescheiden) of;

    • b.

      de reguliere kosten voor BSO en de meerkosten voor de extra begeleiding die op de BSO wordt aangeboden. (BSO+)

  • 2. Wanneer de ouder in aanmerking komt voor kinderopvangtoeslag bij de belastingdienst:

    • a.

      Worden alleen de meerkosten voor de extra begeleiding die op de BSO wordt aangeboden vergoed.

    • b.

      De BSO waar de jeugdige naartoe gaat brengt de reguliere kosten voor BSO direct in rekening aan de ouder.

    • c.

      De ouder is zelf verantwoordelijk voor het aanvragen van kinderopvangtoeslag bij de belastingdienst.

  • 3. Wanneer de ouder niet in aanmerking komt voor kinderopvangtoeslag, wordt het volledige bedrag voor zowel de reguliere kosten voor BSO als de meerkosten voor de extra begeleiding die op de BSO wordt aangeboden, vergoed.

  • 4. De gemeente onderzoekt, in overleg met de ouder, voor welke vorm van vergoeding zoals omschreven in lid 2 de ouder in aanmerking komt. De ouder geeft hierbij inzage door het invullen van de volgende documenten:

    • a.

      Een “verklaring recht/geen recht op kinderopvangtoeslag”;

    • b.

      Een “inkomensverklaring”;

  • 5. De bekostiging van vervoer naar de BSO is onderdeel van de tarieven binnen de kinderopvang, dit geldt ook voor de BSO+. Het is dus niet mogelijk om Jeugdwet vervoer in te zetten voor BSO+. De aanbieder is verantwoordelijk voor het vervoer van de jeugdige indien dat noodzakelijk is.

Toelichting

Bij de regionale contractering is de mogelijkheid om BSO+ in te zetten op twee verschillende vormen: als totaal product en de vorm waarbij werkende ouders de naschoolse opvang betalen

(vanuit de wet kinderopvang) en de gemeente bekostigt de ‘plus’: de extra ondersteuningsbehoefte (vanuit de Jeugdwet): Deze ‘plus’ wordt afgegeven aan de hand van het aantal uren per dag dat de cliënt gebruikmaakt van de naschoolse opvang. Om te bepalen welke bekostiging aan de orde is, kan de gemeente extra informatie vragen aan ouders, zoals de verklaring recht/geen recht op kinderopvang toeslag en een inkomensverklaring.

Hoofdstuk 9 Toeleiding naar dyslexiehulp

Artikel 9.1 Toeleiding naar dyslexiehulp

  • 1. Bij vermoeden van ernstige dyslexie bij een leerling in de leeftijd van 7 tot 13 jaar die basisonderwijs volgt, verwijst de basisschool de ouders naar een gecontracteerde aanbieder voor dyslexiediagnose.

  • 2. Op basis van het dossier van de basisschool, beoordeelt de aanbieder of de leerling in aanmerking komt voor een diagnose.

  • 3. Als de leerling in aanmerking komt voor een diagnose, dan vraagt de aanbieder een beschikking voor een diagnose aan via het berichtenverkeer.

  • 4. Als uit de diagnose blijkt dat er sprake is van ernstige dyslexie, dan vraagt de aanbieder een beschikking voor een behandeling via het berichtenverkeer.

  • 5. In alle andere gevallen nemen de ouders contact op met de gemeente.

Toelichting

De hulp aan kinderen in de leeftijd vanaf 7 jaar tot 13 jaar die basisonderwijs volgen met ernstige dyslexie (verder genoemd ED), valt onder de Jeugdwet. De gemeente Wageningen hanteert sinds 2015 de werkwijze die eerder werd gehanteerd door de zorgverzekeraars.

De basisschool heeft hierin een belangrijke rol. Indien de school vermoedt dat er sprake is van ED stelt de school een dossier samen conform het Protocol Dyslexie Diagnose & Behandeling 3.0. Ouders nemen contact met dyslexie aanbieder. De aanbieder beoordeelt de inzet van de school en vraagt na screening van de aanvraag, beschikking diagnostiek aan bij gemeente via het berichtenverkeer. Als verwijzer geeft de aanbieder de naam van de school van het kind. Als uit de diagnose blijkt dat sprake is van ED, dan komt het kind ook in aanmerking voor dyslexiebehandeling. De aanbieder kan dan een aanvraag voor dyslexiebehandeling bij de gemeente indienen. Bij vragen of afwijkende aanvragen nemen de ouders contact op met het Startpunt Wageningen.

Hoofdstuk 10 Slotbepalingen

Artikel 10.1 Hardheidsclausule

Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende afwijken van de bepalingen van deze nadere regels indien toepassing van deze regels onbillijkheden van overwegende aard leidt.

Toelichting

Ondanks dat het bij de Wmo 2015 en de Jeugdwet om maatwerk gaat, zal het college er niet aan ontkomen om, ook al is er een zorgvuldige afweging gemaakt, uiteindelijk toch te beoordelen of deze afweging niet leidt tot onbillijkheden van overwegende aard.

Deze afweging zal minder vaak voorkomen dan in normale omstandigheden te verwachten is. Immers, bij de afwegingen gaat het al om een zeer persoonlijke beoordeling. Als desondanks die zeer persoonlijke afweging toch nog sprake is van een niet billijke situatie is de hardheidsclausule een vangnet. Daarbij kan de aanvrager ook een beroep doen op deze clausule.

Artikel 10.2 Inwerkingtreding en intrekken regelgeving

  • 1. De nadere regels treden in werking op 1 januari 2026.

  • 2. De “Nadere regels jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning Wageningen 2024” worden per 1 januari 2026 ingetrokken.

Artikel 10.3 Citeertitel

Deze nadere regels worden aangehaald als “Nadere regels jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning Wageningen 2026.

Ondertekening

Algemene toelichting

In de Verordening jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning Wageningen 2026 wordt in een aantal artikelen het college opgedragen nadere regels te stellen.

De verordening regelt de onderwerpen op hoofdlijnen, de vaststelling van nadere regels is gedelegeerd aan het college.

Het gaat hierbij om de volgende uitwerkingen:

  • -

    De gemeentelijke toegang;

  • -

    De inhoud van de beschikking;

  • -

    Kwaliteitseisen;

  • -

    Tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronische ziekte;

  • -

    Klachtregeling;

  • -

    Vormen van Jeugdhulp;

  • -

    Meldingsregeling calamiteiten en geweld maatschappelijke ondersteuning;

Niet alle uitwerkingen zijn opgenomen in deze nadere regels. Als klachtenregeling voor klachten over de gemeentelijke medewerkers fungeert de huidige gemeentelijke klachtenregeling. Voor de meldingsregeling voor calamiteiten en geweld is een apart protocol opgesteld.