Verordening Sociaal Domein Dordrecht

Geldend van 09-04-2026 t/m heden

Intitulé

Verordening Sociaal Domein Dordrecht

De RAAD van de gemeente Dordrecht;

Gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 9 december 2025 inzake Vaststellen Verordening Sociaal Domein Dordrecht;

Gelet op de Gemeentewet, de Wet maatschappelijke ondersteuning, de Participatiewet, de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening en de Jeugdwet

b e s l u i t:

Vast te stellen de navolgende

Verordening Sociaal Domein Dordrecht

Wat staat er in deze verordening? 

H1: Inleiding

H2: Toegang tot hulp en ondersteuning

H3: Maatschappelijke ondersteuning (Wmo)

H4: Werk en participeren (Participatiewet)

H5: Inkomen en schulden (Participatiewet, Wet gemeentelijke schuldhulpverlening)

H6: Gezond en veilig opgroeien (Jeugdwet)

H7: Inwonersparticipatie

H8: Kritiek op de uitvoering, evaluatie en monitoring

H9: Begrippen en afkortingen

H10: Slotbepalingen

Hoofdstuk 1. Inleiding

Ons doel: een sterk en sociaal Dordrecht. Een stad waar iedereen prettig kan wonen en leven en mag zijn wie hij is. Een stad waarin elke Dordtenaar gelijke kansen krijgt om zich te ontwikkelen en mee te doen aan de samenleving, op welke manier dan ook. We streven naar een inclusieve samenleving waarin iedereen meetelt, meedoet en zichzelf mag zijn, ook wanneer er sprake is van beperkingen of kwetsbaarheden.

Om dit te bereiken, zetten we in op het versterken van de integrale samenwerking en dienstverlening binnen het sociaal domein. Door hulp en ondersteuning beschikbaar te houden voor mensen die het écht nodig hebben en door de toegang tot voorzieningen gerichter en meer samenhangend te organiseren, zorgen we ervoor dat onze inzet doelgericht, rechtvaardig en duurzaam is. Zo bouwen we aan een sterk en sociaal Dordrecht.

Artikel 1.1 Waar gaat deze integrale verordening sociaal domein over?

Deze integrale verordening sociaal domein geeft gemeentelijke regels over de volgende onderwerpen:

  • Maatschappelijke ondersteuning;

  • Werken en participeren;

  • Uitkeringen;

  • Schuldhulpverlening;

  • Gezond en veilig opgroeien.

Artikel 1.2 Waarom deze regels?

In Nederland vinden we het belangrijk dat:

  • Mensen een eigen huishouding kunnen voeren en voor zichzelf kunnen zorgen;

  • Mensen actief mee kunnen doen aan het maatschappelijk leven of aan het werk kunnen gaan;

  • Mensen een inkomen hebben waarmee ze rond kunnen komen;

  • Mensen hun financiën op orde hebben;

  • Kinderen gezond en veilig kunnen opgroeien.

Artikel 1.3 Taak van de gemeente

Het is de taak van de gemeente om zijn inwoners daarbij te helpen. De gemeente hoeft niet te ondersteunen als de inwoner geholpen kan worden op grond van een andere wet dan hieronder benoemd. Bijvoorbeeld als zorg valt onder de Zorgverzekeringswet (Zvw) of de Wet langdurige zorg (Wlz). Of als een inwoner voldoende zelf kan, eventueel met hulp van het sociaal en/of informeel netwerk.

De wetgever heeft wetten gemaakt om dit te bereiken. Het gaat in deze verordening om de:

  • Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015);

  • Participatiewet (PW);

  • Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW);

  • Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ);

  • Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs);

  • Jeugdwet.

De regels in deze verordening vullen de wettelijke regels aan. Het zijn regels die de gemeenteraad heeft vastgesteld. Soms zijn nog extra regels nodig, waarin bepaalde zaken worden uitgewerkt. Het college is bevoegd daarvoor nadere regels of beleidsregels vast te stellen. In deze verordening wordt aangegeven voor welke onderwerpen er nadere regels zijn opgesteld. Met het beschrijven van deze regels zorgen we ervoor dat inwoners weten waar ze recht op hebben. Dit draagt bij aan het vertrouwen in de overheid.

Artikel 1.4 Uitgangspunten

De integrale visie sociaal domein laat zien wat er nu en in de komende jaren nodig is voor een sterk en sociaal Dordrecht. De integrale verordening sociaal domein houdt rekening met de uitgangspunten uit de visie sociaal domein 2030:

  • Bestaanszekerheid is de basis

Het hebben van een stabiele basis is belangrijk, zodat Dordtenaren geen zorgen hoeven te maken over de dagelijkse overleving. Dit gaat bijvoorbeeld om het hebben van voldoende inkomen, een veilige plek om te wonen en het krijgen van hulp en zorg als dat nodig is.

  • Dordtenaren helpen elkaar zo veel als mogelijk

We vinden het belangrijk dat mensen (in bijvoorbeeld een buurt) goed met elkaar omgaan en zich met elkaar verbonden voelen. Dat ze elkaar kennen en elkaar helpen als dat nodig is. Als er problemen ontstaan, worden deze zo veel als mogelijk zelf of in het eigen sociale netwerk opgelost.

  • Er zijn voldoende en kwalitatief goede algemene voorzieningen

Niet alle hulpvragen kunnen zelf of onderling worden opgelost. Daarom willen we dat Dordtenaren in dat geval gebruik kunnen maken van voorzieningen die voor iedereen toegankelijk zijn. Dat zijn bijvoorbeeld plekken waar je naar binnen kunt lopen met een hulpvraag, maar ook plekken waar je anderen kan ontmoeten.

  • We regelen specialistische hulp: passender, tijdiger en meer in samenhang

Voor hulpvragen die niet opgelost kunnen worden met algemene voorzieningen is meer specialistische hulp nodig. De gemeente heeft als taak inwoners toegang te geven tot hulp en inwoners passend en tijdig te helpen. Bij complexe problemen is vaak hulp nodig uit verschillende wetten. We regelen de zorg in samenhang met elkaar, want we willen namelijk dat inwoners hier zo min mogelijk last van hebt.

Artikel 1.5 Verband tussen verordening en wet

Deze verordening is gebaseerd op de wetten genoemd bij artikel 1.3. Die wetten vormen de wettelijke basis voor de artikelen in deze verordening. Voor sommige artikelen is echter geen directe verwijzing in de wet terug te vinden. Dat komt doordat gemeenten beschikken over beleidsvrijheid, waarmee zij binnen wettelijke kaders eigen keuzes kunnen maken in de uitvoering.

Hoofdstuk 2: Toegang tot hulp en ondersteuning

Soms hebben inwoners ondersteuning nodig om mee te blijven doen in de samenleving. Wanneer dit niet zelf lukt of met behulp van het sociaal netwerk kunnen inwoners terecht bij integrale toegangspunten voor informatie, advies en hulp. Veel vormen van hulp zijn gratis. We noemen dit ook wel niet-geïndiceerde ondersteuning, want er is geen besluit van de gemeente voor nodig. Lukt het vervolgens toch niet om de problemen op te lossen? Dan kunnen inwoners extra ondersteuning vragen aan de gemeente. Dat heet geïndiceerde hulp of -ondersteuning. En daar is wel een besluit van de gemeente voor nodig.

In dit hoofdstuk leggen we in grote lijnen uit hoe inwoners toegang krijgen tot hulp en ondersteuning als het gaat om één of meer van de onderwerpen uit deze verordening. We beschrijven het algemene proces dat meestal gevolgd wordt. Omdat de regels en werkwijzen per wet kunnen verschillen gaan we in de volgende hoofdstukken dieper in op wat er precies nodig is per wet. Zo krijgt u eerst een overzicht van het geheel, en daarna meer uitleg per onderdeel.

Artikel 2.1 Toegang tot ondersteuning via de gemeente

  • 1.

    Iedere inwoner van de gemeente die een hulpvraag heeft op het gebied van zelfredzaamheid, participatie, schulden en/of opgroeien en opvoeden, kan zich melden bij het college voor een integrale beoordeling van zijn ondersteuningsbehoefte.

  • 2.

    Het college zorgt er in ieder geval voor dat inwoners:

    • a.

      gratis en op laagdrempelige wijze worden ondersteund bij het verhelderen van een mogelijke ondersteuningsbehoefte;

    • b.

      gratis worden voorzien van relevante informatie in begrijpelijke vorm ten aanzien van:

      • i.

        het gemeentelijk beleid en de wijze waarop uitvoering wordt geven aan de wettelijke taken in het sociaal domein, en

      • ii.

        hoe de toegang tot de diverse voorzieningen is georganiseerd;

    • c.

      indien nodig worden doorverwezen en -geleid naar de passende instanties voor verdere ondersteuning, en

    • d.

      worden gewezen op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning als bedoeld in artikel 2.2.4 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 of een vertrouwenspersoon als bedoeld in artikel 2.5 van de Jeugdwet.

  • 3.

    Indien sprake is van samenloop van ondersteuningsbehoeften onder de Wet Maatschappelijke ondersteuning 2015, de Jeugdwet, de Participatiewet en de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening zorgt het college voor een afgestemde inzet van voorzieningen.

  • 4.

    Voor zover persoonsgegevens noodzakelijk zijn voor de uitvoering van wettelijke taken van het college op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, de Jeugdwet, de Participatiewet en de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening, worden deze persoonsgegevens verwerkt op basis van artikel 6, eerste lid, onderdeel c en e van de Algemene verordening gegevensbescherming, en – indien van toepassing – artikel 9, tweede lid, onderdeel g en/of h AVG. De beperkingen, omtrent het delen van gegevens met betrokken partijen, van de in dit artikel genoemde materiewetten worden hierbij in acht genomen. Gegevens mogen slechts worden gedeeld met betrokken partijen indien dit noodzakelijk is voor een goede uitvoering van deze wettelijke taken en passend binnen de op deze wetten gebaseerde verwerkingsverantwoordelijkheden.

Hoofstuk 3. Maatschappelijke ondersteuning (Wmo)

Het is belangrijk dat inwoners zo lang mogelijk zelfstandig kunnen wonen en zelf een huishouden kunnen voeren. Dat is in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van de inwoner zelf. Lukt het niet op eigen kracht, met hulp van iemand uit het netwerk of met ondersteuning vanuit voorliggende voorzieningen of organisaties? Dan kan de gemeente samen met de inwoner kijken of er ondersteuning is om de situatie te verbeteren. De ondersteuning kan verschillende vormen hebben. De gemeente zorgt voor algemene voorzieningen. Deze zijn gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid of participatie van inwoners. Inwoners kunnen zonder indicatie gebruik maken van deze algemene voorzieningen. Soms moet er wel een eigen bijdrage worden betaald. De gemeente biedt ook voorzieningen waarvoor een indicatie nodig is. Daarover leest u in dit hoofdstuk meer.

Paragraaf 3.0 Begripsomschrijvingen

Artikel 3.0 Begripsomschrijvingen

In hoofdstuk 3 wordt verstaand onder:

  • a.

    Hoofdverblijf: de woonruimte, bestemd en geschikt voor permanente bewoning, waar de cliënt zijn of haar vaste woon- en verblijfplaats heeft en op welk adres de cliënt in de basisregistratie personen staat ingeschreven of zal staan ingeschreven, dan wel het feitelijk woonadres;

  • b.

    Huisgenoot: alle medebewoners die op hetzelfde adres verblijven als cliënt;

  • c.

    Hulpverlener: de persoon of organisatie die ondersteuning levert en die wordt betaald uit een persoonsgebonden budget;

  • d.

    Maatwerkvoorziening: de maatwerkvoorziening als omschreven in artikel 1.1.1 van de wet Maatschappelijke ondersteuning, te verstrekken als voorziening in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget;

  • e.

    Mantelzorg: langdurige zorg die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende door personen uit diens directe omgeving, waarbij zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie en de gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar overstijgt;

  • f.

    Mantelzorger: een persoon die mantelzorg in de zin van artikel 1.1.1 van de wet Maatschappelijke ondersteuning biedt;

  • g.

    Melding: melding als bedoeld in artikel 2.3.2 eerste lid van de wet Maatschappelijke ondersteuning;

  • h.

    Ondersteuningsplan: een door de cliënt en de gecontracteerde aanbieder overeengekomen plan dat een concrete invulling bevat van de door deze aanbieder te verlenen ondersteuning aan de cliënt, gebaseerd op de in het onderzoeksverslag noodzakelijk bevonden ondersteuning;

  • i.

    Onderzoeksverslag: de schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2 van de wet Maatschappelijke ondersteuning;

  • j.

    Persoonlijk plan: persoonlijk plan als bedoeld in artikel 2.3.2 tweede lid van de wet Maatschappelijke ondersteuning;

  • k.

    Werkingsgebied Wijkhopper: bestemmingen die binnen het bereik liggen van een enkele rit met de Wijkhopper;

  • l.

    Zorgplan: een door de cliënt en de aanbieder of pgb-leverancier gemaakt plan dat een concrete invulling bevat van de door deze aanbieder of pgb-leverancier te verlenen Wmo-ondersteuning aan de cliënt, gebaseerd op de in het onderzoeksverslag noodzakelijk bevonden ondersteuning, en dat dient als werkdocument dat wordt aangevuld met de geleverde ondersteuning en bereikte effecten.

Paragraaf 3.1 Algemene bepalingen

Artikel 3.1.1 Reikwijdte

  • 1.

    Dit hoofdstuk van de verordening heeft betrekking op de algemene voorzieningen en maatwerkvoorzieningen met betrekking tot de zelfredzaamheid en participatie, met uitzondering van de voorzieningen voor opvang en beschermd wonen.

  • 2.

    Dit hoofdstuk van de verordening is van toepassing op personen:

    • a.

      die inwoner zijn; en

    • b.

      die ondersteuning nodig hebben bij hun zelfredzaamheid en/of participatie; of

    • c.

      die, al dan niet woonachtig in de gemeente, als mantelzorger ondersteuning aan een inwoner van de gemeente bieden.

  • 3.

    Het college kan, onverminderd het bepaalde in deze verordening, en in aanvulling op artikel 3.9.1 en artikel 3.9.2, nadere regels stellen over de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, waaronder begrepen de eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten.

Paragraaf 3.2 Toegang Algemene voorzieningen

Artikel 3.2.1 Toegang algemene voorzieningen

  • 1.

    De algemene voorziening is rechtstreeks toegankelijk zonder of op basis van een beperkte toegangsbeoordeling.

  • 2.

    Inwoners die een beroep wensen te doen op een algemene voorziening wenden zich rechtstreeks tot een aanbieder van deze voorziening.

Paragraaf 3.3 Toegang Maatwerkvoorzieningen

Artikel 3.3.1 Melding

  • 1.

    De melding wordt gedaan door of namens de cliënt bij de Sociale Dienst Drechtsteden.

  • 2.

    De melding vindt elektronisch (via de website), telefonisch of mondeling plaats.

  • 3.

    Het college bevestigt de ontvangst van een melding schriftelijk, en, indien de cliënt een e-mailadres heeft opgegeven en kenbaar heeft gemaakt dat hij langs deze weg voldoende bereikbaar is, per e-mail.

  • 4.

    Het college wijst de cliënt op de mogelijkheid om gedurende zeven dagen na dagtekening van de ontvangstbevestiging een persoonlijk plan in te dienen.

Artikel 3.3.2 Cliëntondersteuning

Het college wijst cliënten die een melding doen en hun mantelzorgers op de mogelijkheid zich gedurende de procedure desgewenst te laten bijstaan door een onafhankelijke cliëntondersteuner.

Artikel 3.3.3 Onderzoek en gesprek

  • 1.

    Het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 bestaat in ieder geval uit een gesprek met de cliënt, en/of degene die namens de cliënt de melding heeft gedaan, en/of de vertegenwoordiger van de cliënt, waar mogelijk de mantelzorger(s), en/of desgewenst personen uit het sociale netwerk.

  • 2.

    Het college vraagt voor het gesprek aan de cliënt alle overige gegevens en bescheiden die voor het onderzoek nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen, te verschaffen. Hiertoe behoort in ieder geval een identificatiedocument als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht, tenzij het college daarover al beschikt.

  • 3.

    Indien de cliënt en de ondersteuningsvraag genoegzaam bekend zijn kan het college, in afwijking van het bepaalde in artikel 2.3.2 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, in overleg met de cliënt afzien van een onderzoek.

Artikel 3.3.4 Het onderzoeksverslag

  • 1.

    Het college verstrekt de cliënt of diens vertegenwoordiger een onderzoeksverslag.

  • 2.

    Het college voegt opmerkingen of latere aanvullingen van de cliënt toe aan het onderzoeksverslag én verstrekt het aangepaste onderzoeksverslag aan de cliënt of diens vertegenwoordiger.

Artikel 3.3.5 De aanvraag

  • 1.

    Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening kan via een daartoe door het college ter beschikking gesteld aanvraagformulier worden ingediend.

  • 2.

    Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening kan ook worden ingediend door middel van ondertekening van het onderzoeksverslag dan wel de op het onderzoeksverslag aangetekende mondelinge bevestiging van de aanvraag.

  • 3.

    In afwijking van het eerste en tweede lid, kan het college in het dringende belang van de cliënt besluiten om een maatwerkvoorziening ambtshalve te verstrekken indien en zolang het niet mogelijk is dat hiervoor door of namens de cliënt een aanvraag wordt ingediend.

  • 4.

    Bij de aanvraag voor persoonsgebonden budget voor ondersteuning in de vorm van dienstverlening overlegt de cliënt een budgetplan, een zorgplan en een verklaring omtrent gedrag van maximaal zes maanden oud van de hulpverlener.

  • 5.

    Bij de aanvraag voor persoonsgebonden budget voor ondersteuning in de vorm van een hulpmiddel of woningaanpassing overlegt de cliënt een budgetplan en een offerte.

Artikel 3.3.6 Medewerking cliënt en huisgenoten

  • 1.

    Het college is, onverminderd artikel 2.3.8 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, in ieder geval bevoegd om, voor zover dit van belang kan zijn voor de beoordeling van de aanspraak op een maatwerkvoorziening:

    • a.

      de cliënt, en bij gebruikelijke hulp diens relevante huisgenoten, op te roepen in persoon te verschijnen op een door het college te bepalen plaats en tijdstip en hem te bevragen;

    • b.

      de cliënt, en bij gebruikelijke hulp diens relevante huisgenoten, op een door het college te bepalen plaats en tijdstip door een of meer daartoe aangewezen deskundigen te laten bevragen en/of onderzoeken.

  • 2.

    De cliënt en diens huisgenoten zijn verplicht medewerking te verlenen aan de oproep als bedoeld in het eerste lid onder a en de bevraging en/of onderzoek als bedoeld in het eerste lid onder b.

  • 3.

    Indien de cliënt of diens relevante huisgenoten geen gehoor kunnen geven aan de oproep op een door het college te bepalen plaats en tijdstip te verschijnen, dan kan een huisbezoek plaatsvinden, waaraan de cliënt en huisgenoten verplicht hun medewerking moeten verlenen.

Artikel 3.3.7 Advisering

Het college is bevoegd om, indien dit van belang kan zijn voor de beoordeling van de aanspraak op een maatwerkvoorziening, zich te laten adviseren door een daartoe aangewezen instantie.

Artikel 3.3.8 Ondersteuningsplan

  • 1.

    Het college kan, indien dit van belang is voor de beoordeling van de aanspraak op een maatwerkvoorziening en/of het bepalen van de benodigde maatwerkvoorziening, door de aanbieder een ondersteuningsplan laten opstellen.

  • 2.

    Artikel 3.3.6 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3.3.9 Heronderzoek en evaluatie

  • 1.

    Na toekenning van een maatwerkvoorziening voor dienstverlenende ondersteuning wordt periodiek een evaluatie gepland om de ondersteuningsdoelen te monitoren.

  • 2.

    Na toekenning van een maatwerkvoorziening in de vorm van een hulpmiddel of aanpassing kan periodiek een evaluatie worden gepland om de doeltreffendheid van de voorziening te monitoren.

  • 3.

    Indien de beschikkingsperiode afloopt en de ondersteuning nog niet is beëindigd, kan het college besluiten cliënt te informeren via een brief dat door of namens de cliënt een melding kan worden gedaan als de ondersteuning nog nodig is. De doelgroepen die actief geïnformeerd worden, worden uitgewerkt in de beleidsregels.

  • 4.

    Voor het heronderzoek worden dezelfde stappen doorlopen als bij het reguliere onderzoeksproces zoals beschreven in artikel 3.3.1 tot en met 3.3.5.

  • 5.

    Artikel 3.3.6 is van overeenkomstige toepassing.

Paragraaf 3.4 Algemene voorzieningen

Artikel 3.4.1 Algemene voorziening

  • 1.

    Een algemene voorziening kan ingericht zijn voor alle inwoners van gemeente Dordrecht of voor een specifieke doelgroep.

  • 2.

    Het college bevordert en treft de algemene voorzieningen die naar zijn oordeel bijdragen aan:

    • a.

      de bevordering van de zelfredzaamheid en de participatie van inwoners;

    • b.

      het in staat stellen van mantelzorgers en vrijwilligers om hun taken als mantelzorger en vrijwilliger uit te voeren.

  • 3.

    Algemene voorzieningen sluiten zoveel mogelijk aan op eigen initiatieven van burgers of bestaande maatschappelijke initiatieven.

Artikel 3.4.2 Ambulante ondersteuning

Het college draagt zorg voor niet-geïndiceerde ambulante ondersteuning. Deze ondersteuning omvat waar nodig:

  • 1.

    informatie, advies;

  • 2.

    vraagverheldering;

  • 3.

    kortdurende ondersteuning;

  • 4.

    langdurende ondersteuning.

Artikel 3.4.3 Dagactiviteiten met lichte ondersteuning

Het college draagt zorg voor niet-geïndiceerde dagactiviteiten met lichte ondersteuning met het oog op het aangaan van sociale contacten, het bieden van enige structuur alsmede het ontlasten van eventuele mantelzorgers.

Artikel 3.4.4 Vervoersvoorzieningen

De algemene vervoersvoorzieningen bestaan uit een collectief aanbod van vervoersdiensten.

Artikel 3.4.5 Mantelzorgondersteuning

Het college draagt zorg voor ondersteuning ten behoeve van de mantelzorger met als doel het blijvend kunnen bieden van de mantelzorg en het voorkomen van overbelasting van de mantelzorger, door waar nodig (deels of tijdelijk) taken over te dragen aan een vrijwilliger of professional.

Artikel 3.4.6 Zorgoppas

De algemene voorziening Zorgoppas bestaat uit het inzetten van gespecialiseerde oppas voor zorgintensieve kinderen.

Paragraaf 3.5 Maatwerkvoorzieningen

Artikel 3.5.1 Uitgangspunt bij beoordeling maatwerkvoorziening

Het college neemt het onderzoeksverslag, en indien aanwezig het ondersteuningsplan, als uitgangspunt bij de beoordeling van de aanvraag voor een maatwerkvoorziening.

Artikel 3.5.2 Algemene toegangscriteria en weigeringsgronden

  • 1.

    Er bestaat aanspraak op een maatwerkvoorziening:

    • a.

      voor zover deze langdurig noodzakelijk is om de cliënt in staat te stellen tot zelfredzaamheid en/of participatie, en

    • b.

      voor zover deze als de goedkoopst passende voorziening aan te merken is, en

    • c.

      indien deze een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid en/of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven, en

    • d.

      voor zover de cliënt de beperkingen in de zelfredzaamheid en/of participatie niet kan verminderen of wegnemen:

      • i.

        op eigen kracht;

      • ii.

        met gebruikelijke hulp;

      • iii.

        met mantelzorg;

      • iv.

        met hulp van andere personen uit het sociale netwerk;

      • v.

        door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten;

      • vi.

        met gebruikmaking van algemeen gebruikelijke voorzieningen;

      • vii.

        met gebruikmaking van algemene voorzieningen.

  • 2.

    Een aanvraag op een maatwerkvoorziening wordt geweigerd:

    • a.

      indien de cliënt geen inwoner is;

    • b.

      voor zover de cliënt een beroep kan doen op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de cliënt toereikend en passend te zijn, of indien de voorliggende voorziening de kosten van de maatvoorziening als niet noodzakelijk heeft aangemerkt;

    • c.

      indien de maatwerkvoorziening of de noodzaak daarvan voor de cliënt redelijkerwijs vermijdbaar was;

    • d.

      indien de maatwerkvoorziening voorzienbaar was, tenzij van de cliënt redelijkerwijs niet verwacht kon worden maatregelen te hebben getroffen die de maatwerkvoorziening overbodig hadden gemaakt.

    • e.

      indien de cliënt niet of onvoldoende meewerkt aan het opstellen, evalueren of nakomen van het ondersteuningsplan.

    • f.

      indien sprake is van een verzoek voor een voorziening, die al eerder in het kader van enige wettelijke bepaling of regeling is verstrekt en de normale afschrijvingstermijn van de voorziening nog niet verstreken is, tenzij:

      • i.

        de eerder verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen, of

      • ii.

        de cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoetkomt in de veroorzaakte kosten, of

      • iii.

        de eerder verstrekte voorziening in onvoldoende mate ondersteuning biedt;

    • g.

      indien de aanspraak niet is vast te stellen doordat:

      • i.

        de cliënt niet of onvoldoende voldoet aan de verplichtingen als bedoeld in artikel 2.3.8 lid 1 en lid 3 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 of artikel 3.3.6 van deze verordening, of

      • ii.

        een huisgenoot niet of onvoldoende voldoet aan de verplichtingen als bedoeld in artikel 3.3.6 van deze verordening.

Artikel 3.5.3 Individuele begeleiding

  • 1.

    Een aanvraag op individuele begeleiding wordt geweigerd:

    • a.

      indien verblijf een noodzakelijk onderdeel is van het totale ondersteuningspakket;

    • b.

      voor zover de compensatie kan worden bereikt met dagbesteding.

  • 2.

    Een voorziening voor lichte vormen van individuele begeleiding kan niet worden toegekend voordat is vastgesteld dat de ondersteuning vanuit de algemene voorzieningen, maatschappelijke initiatieven of het eigen netwerk niet toereikend is.

Artikel 3.5.4 Dagbesteding

  • 1.

    Een cliënt kan in aanmerking komen voor dagbesteding als

    • a.

      de cliënt als gevolg van een beperking of specifieke omstandigheid onvoldoende in staat is om zelf of met behulp van zijn netwerk zinvolle tijdsinvulling met sociale contacten of deelname aan het maatschappelijk verkeer te organiseren, of

    • b.

      er sprake is van een beperking of specifieke omstandigheid, waardoor gedurende de dagbesteding deskundigheid vereist is, of

    • c.

      overbelasting van mantelzorgers daardoor wordt voorkomen.

  • 2.

    Een voorziening voor dagbesteding kan niet worden toegekend voordat is vastgesteld dat de ondersteuning vanuit de algemene voorzieningen, maatschappelijke initiatieven of het eigen netwerk niet toereikend is.

  • 3.

    Indien meerdere opties voor passende dagbesteding beschikbaar zijn, wordt gekozen voor de dichtstbijzijnde passende locatie.

Artikel 3.5.5 Huishoudelijke ondersteuning

  • 1.

    Onverminderd artikel 2.3.5 lid 3 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 kan een cliënt alleen in aanmerking komen voor huishoudelijke ondersteuning indien de cliënt wegens een beperking niet zelfstandig in staat is om huishoudelijke taken te verrichten of deze opnieuw aan te leren.

  • 2.

    Het schoonhouden en/of schoonmaken van de buitenkant van de woning, zoals het ramen lappen aan de buitenkant en het onderhouden van de tuin, maken geen deel uit van de huishoudelijke ondersteuning.

Artikel 3.5.6 Logeeropvang of kortdurend verblijf

  • 1.

    Een cliënt kan in aanmerking komen voor logeeropvang of kortdurend verblijf, terugkerend met een maximum van gemiddeld 3 etmalen per week of aaneengesloten, als er zonder de inzet hiervan overbelasting van de mantelzorger dreigt of in onverwachte situaties en

    • a.

      de cliënt langdurig is aangewezen op meer dan gebruikelijke hulp, en

    • b.

      ondersteuning vanuit de algemene voorziening voor respijtzorg, dagbesteding en ambulante ondersteuning niet voldoende oplossing bieden, en

    • c.

      de cliënt geen aanspraak kan maken op de Zorgverzekeringswet of de Wet langdurige zorg om de overbelasting te voorkomen.

  • 2.

    Een voorziening voor logeeropvang of kortdurend verblijf kan niet worden toegekend voordat is vastgesteld dat de ondersteuning vanuit de algemene voorzieningen, maatschappelijke initiatieven of het eigen netwerk niet toereikend is.

Artikel 3.5.7 Woonvoorzieningen en woningaanpassingen

  • 1.

    Een aanvraag op een maatwerkvoorziening ter compensatie van door een cliënt ondervonden beperkingen in het normale gebruik van de woning en/of het zich verplaatsen in en om de woning wordt geweigerd, indien:

    • a.

      de aanvraag betrekking heeft op verhuiskosten die de cliënt voorafgaand aan het moment van beschikken heeft gemaakt en niet meer is na te gaan of de maatwerkvoorziening noodzakelijk is en als goedkoopst passend aan te merken valt;

    • b.

      sprake is van een maatwerkvoorziening in een woongebouw dat specifiek is gericht op mensen met beperkingen en waarvan verwacht mag worden dat:

      • i.

        reeds voorzieningen zijn getroffen in de gemeenschappelijke ruimten, of

      • ii.

        voorzieningen bij nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten kunnen worden meegenomen;

    • c.

      de maatwerkvoorziening betrekking heeft op voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten anders dan automatische deuropeners, hellingbanen en extra trapleuningen, verbrede toegangsdeuren, vlonders en een opstelplaats voor mobiliteitshulpmiddelen;

    • d.

      de cliënt niet zijn hoofdverblijf heeft in de woning ten behoeve waarvan de maatwerkvoorziening wordt aangevraagd;

    • e.

      de ondervonden problemen bij het normale gebruik van de woning voortvloeien uit de aard van in de woning gebruikte materialen of de slechte staat van onderhoud;

    • f.

      de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen op dat moment beschikbare, meest geschikte woning, tenzij er voorafgaand aan de verhuizing schriftelijk toestemming is verleend door het college;

    • g.

      de voorziening slechts strekt ter renovatie of ter aanpassing aan de eisen van de tijd.

  • 2.

    Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen bij het normale gebruik van de woning en het zich verplaatsen in de woning kan het college het primaat van verhuizen toepassen.

Artikel 3.5.8 Vervoer

  • 1.

    Een vervoersvoorziening wordt geweigerd als de cliënt redelijkerwijs in staat is zelfstandig het openbaar vervoer te bereiken en te gebruiken of dit (opnieuw) aan kan leren.

  • 2.

    Een te verstrekken maatwerkvoorziening voor lokaal vervoer ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid en/of participatie wordt toegekend met een omvang van maximaal 1500 kilometer per jaar.

  • 3.

    Bij het verstrekken van een vervoersvoorziening kan het college het primaat van het collectief vraagafhankelijk vervoer van deur tot deur hanteren.

  • 4.

    Bij het verstrekken van collectief vraagafhankelijk vervoer komt, binnen zijn werkingsgebied, de Wijkhopper als goedkoopst adequate voorziening als eerste vervoersoptie in aanmerking, tenzij in de cliënt gelegen beperkingen zich daartegen verzetten.

Artikel 3.5.9 Soorten persoonsgebonden budget

Er zijn twee soorten persoonsgebonden budget te onderscheiden, te weten:

  • a.

    persoonsgebonden budget ten behoeve van de inkoop van diensten, zoals begeleiding, dagbesteding of huishoudelijke ondersteuning.

  • b.

    persoonsgebonden budget voor de aanschaf van een hulpmiddel, aanpassing van een hulpmiddel, vervoersvoorziening, dan wel een woningaanpassing.

Artikel 3.5.10 Criteria persoonsgebonden budget

  • 1.

    Een cliënt komt alleen in aanmerking voor een persoonsgebonden budget voor de inkoop van diensten, indien het persoonsgebonden budget wordt besteed bij een hulpverlener die minimaal voldoet aan de in artikel 3.9.3 eerste lid opgenomen kwaliteitseisen.

  • 2.

    Als een cliënt in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening en de ondersteuning zelf wenst in te kopen door middel van een persoonsgebonden budget, toetst het college of voldaan wordt aan de in artikel 2.3.6 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 opgenomen voorwaarden.

  • 3.

    In het budgetplan, zoals genoemd in artikel 3.3.5, is ten minste opgenomen:

    • a.

      wat de motivering is om de maatwerkvoorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget te ontvangen;

    • b.

      welke maatwerkvoorziening de cliënt met het persoonsgebonden budget zou willen inkopen en bij welke uitvoerder;

    • c.

      hoe de onderbouwde begroting eruit ziet, de kosten van de voorziening, uitgedrukt in aantal eenheden en tarief;

    • d.

      op welke wijze de cliënt een juiste administratie gaat bijhouden;

    • e.

      op welke wijze de cliënt een overeenkomst aangaat met de persoonsgebonden budget-aanbieder;

    • f.

      of de maatwerkvoorziening voldoet aan alle kwaliteitseisen die het college stelt aan de voorziening in natura en als dit niet het geval is waarom de voorziening volgens cliënt toch van voldoende kwaliteit is;

    • g.

      op welke wijze is gewaarborgd en duidelijk is dat de maatwerkvoorziening geschikt is voor de te behalen doelen en resultaten waarvoor het persoonsgebonden budget wordt verstrekt;

    • h.

      op welke wijze de (kwaliteit) van de ondersteuning wordt gecontroleerd;

    • i.

      hoe cliënt omgaat met geconstateerde onjuistheden;

    • j.

      hoe de cliënt zelf of met ondersteuning van iemand uit het sociale netwerk of diens vertegenwoordiger de aan een persoonsgebonden budget verbonden taken op verantwoorde wijze gaat uitvoeren;

    • k.

      indien van toepassing: wie cliënt heeft gemachtigd om zijn belangen ten aanzien van het persoonsgebonden budget te behartigen en de aan het persoonsgebonden budget verbonden taken uit te voeren. Aan deze budgetbeheerder zijn dezelfde voorwaarden gebonden als aan de budgethouder.

  • 4.

    In aanvulling op lid 3 geldt voor diensten dat in het budgetplan ten minste omschreven staat:

    • a.

      wie de directe hulpverlener(s) is;

    • b.

      wat de deskundigheid is van de directe hulpverlener(s);

    • c.

      wie de directe hulpverlener(s) kan vervangen bij afwezigheid en de deskundigheid van deze vervanger;

    • d.

      op welke wijze de cliënt de hulpverlener(s) aanstuurt in de praktijk.

  • 5.

    Een gesprek met cliënt, zijn vertegenwoordiger en/of de persoon uit het sociale netwerk die de aan een persoonsgebonden budget verbonden taken gaat uitvoeren maakt onderdeel uit van de toetsing als bedoeld in lid 2. Het budgetplan vormt de basis voor dit gesprek.

  • 6.

    Onverminderd artikel 2.3.6 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 wordt een aanvraag op een persoonsgebonden budget geweigerd:

    • a.

      indien de cliënt het door het college vastgestelde budgetplan niet of onvolledig ingevuld heeft overgelegd;

    • b.

      indien de cliënt weigert het budgetplan desgevraagd met het college te bespreken of, na voor zulk een gesprek te zijn opgeroepen, zonder geldige reden niet verschijnt;

    • c.

      indien de cliënt, of, indien de cliënt jonger is dan 18 jaar, één van diens ouders of voogden, surseance van betaling heeft aangevraagd of failliet is verklaard;

    • d.

      indien ten aanzien van de cliënt of, indien de cliënt jonger is dan 18 jaar, één van diens ouders of voogden, de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, dan wel een verzoek daartoe bij de rechtbank is ingediend;

    • e.

      indien de cliënt zich niet heeft gehouden aan bij de verstrekking van een eerder persoonsgebonden budget opgelegde verplichtingen;

    • f.

      indien de cliënt naar het oordeel van het college redelijkerwijs niet in staat kan worden geacht het persoonsgebonden budget te beheren, tenzij de cliënt het beheren laat uitvoeren door een derde die wel in staat kan worden geacht het persoonsgebonden budget te beheren;

    • g.

      indien op voorhand vaststaat dat binnen korte tijd vervanging van de maatwerkvoorziening nodig is;

    • h.

      indien sprake is van vervanging van een maatwerkvoorziening in natura waarvan de afschrijftermijn nog niet is verstreken;

    • i.

      indien sprake is van ondersteuning in een spoedeisende situatie als bedoeld in artikel 2.3.3 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

    • j.

      voor zover het persoonsgebonden budget is bestemd voor besteding buiten Nederland.

  • 7.

    Het beheer van het persoonsgebonden budget, zoals bedoeld in het zesde lid onder f kan niet worden uitgevoerd door een hulpverlener die de ondersteuning levert.

  • 8.

    Indien bij heronderzoek of tussentijdse evaluatie blijkt dat te weinig vooruitgang is geboekt met de ingezette ondersteuning, de gestelde doelen onvoldoende bereikt worden en de ondersteuning onvoldoende bijdraagt aan participatie en zelfredzaamheid van de cliënt kan het college besluiten (een deel van) de ondersteuning te vervangen door specialistische ondersteuning.

Artikel 3.5.11 Hoogte persoonsgebonden budget

  • 1.

    De hoogte van een persoonsgebonden budget wordt voor de afzonderlijke voorzieningen berekend volgens de in deze verordening opgenomen wijze. De berekening van de hoogte van het persoonsgebonden budget betreft een maximum. Het definitieve persoonsgebonden budget is nooit hoger dan de werkelijke kosten.

  • 2.

    Bij dienstverlening is sprake van een gedifferentieerde tariefstelling voor inkoop via een persoonsgebonden budget bij een professionele hulpverlener en inkoop bij een niet-professionele hulpverlener of persoon uit het sociaal netwerk.

  • 3.

    Het persoonsgebonden budget voor huishoudelijke ondersteuning is gelijk aan het loon uit de cao Verpleeg-, Verzorgingshuizen en Thuiszorg behorende bij de hoogste trede van functiegroep ‘Hulp bij het huishouden’, vermeerderd met 20,7% in verband met vakantietoeslag en de tegenwaarde van verlofuren. Daarbij is het niet van belang of het om een formele of informele hulpverlener gaat. Indien de budgethouder werkgeverslasten moet afdragen, kan het budget met die lasten worden verhoogd. De werkgeverslasten zijn vermeld op de website van de Sociale Verzekeringsbank.

  • 4.

    Het persoonsgebonden budget voor individuele begeleiding en/of dagbesteding:

    • a.

      is gelijk aan de onderliggende prijs waarvoor het college deze diensten heeft gecontracteerd, indien sprake is van dienstverlening door een professionele hulpverlener;

    • b.

      in afwijking van sub a is een persoonsgebonden budget bij betrekking van respectievelijk individuele begeleiding of dagbesteding van een persoon die behoort tot het sociale netwerk, waaronder een echtgenoot of bloed- of aanverwante in de eerste of tweede graad, of een persoon of hulpverlener die niet voldoet aan de in artikel 3.9.3 genoemde kwaliteitseisen, gelijk aan het uurloon van de hoogste periodiek behorende bij de Functiewaardering Gezondheidszorg (FWG) 30 van de voor de betreffende periode geldende cao Verpleeg- en Verzorgingshuizen en Thuiszorg (VVT), vermeerderd met 20,7% in verband met vakantietoeslag en de tegenwaarde van verlofuren. Indien de budgethouder werkgeverslasten moet afdragen, kan het budget met die lasten worden verhoogd. De werkgeverslasten zijn vermeld op de website van de Sociale Verzekeringsbank.

  • 5.

    Het persoonsgebonden budget voor kortdurend verblijf en/of logeeropvang:

    • a.

      is gelijk aan de onderliggende prijs waarvoor het college de verblijfscomponent van kortdurend verblijf en/of logeeropvang heeft gecontracteerd, indien sprake is van dienstverlening door een professionele hulpverlener;

    • b.

      in afwijking van sub a is een persoonsgebonden budget bij betrekking van kortdurend verblijf en/of logeeropvang van een persoon die behoort tot het sociale netwerk, waaronder een echtgenoot of een bloed- of aanverwante in de eerste of tweede graad, of een persoon of hulpverlener die niet voldoet aan de in artikel 3.9.3 genoemde kwaliteitseisen, gelijk aan anderhalf maal het in artikel 5.22, eerste lid, Regeling langdurige zorg genoemde bedrag.

  • 6.

    Van een professionele hulpverlener, zoals bedoeld in het tweede tot en met het vierde lid, is sprake indien de hulpverlener voldoet aan alle in artikel 3.9.3 opgenomen kwaliteitseisen.

  • 7.

    Het persoonsgebonden budget voor een vervoersvoorziening

    • a.

      is gelijk aan het gemiddelde kilometertarief voor het totale regionale gebruik van het collectief vraagafhankelijk vervoer van het voorgaande kalenderjaar, indien cliënt gebruik kan maken van het collectief vervoer maar kiest voor een voorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget;

    • b.

      is gebaseerd op de tarieven voor taxivervoer zoals vermeld in de Regeling maximumtarief en bekendmaking tarieven taxivervoer, indien cliënt op grond van zijn beperkingen geen gebruik kan maken van het collectief vervoer. Het totale budget voor een kalenderjaar wordt, indien het een gedeelte van het jaar betreft, naar rato berekend voor de resterende maanden van een kalenderjaar. Het totale jaar wordt berekend door de som van:

      • i.

        het kilometertarief en minutentarief vermenigvuldigd met het maximaal aantal kilometers zoals opgenomen in artikel 4.8, en

      • ii.

        het opstaptarief vermenigvuldigd met het quotiënt van het maximum aantal kilometers en de gemiddelde kilometerafstand collectief vervoer van het voorgaande kalenderjaar;

    • c.

      is gebaseerd op de tarieven voor rolstoeltaxivervoer zoals vermeld in de Regeling maximumtarief en bekendmaking tarieven taxivervoer, indien cliënt op grond van zijn beperkingen geen gebruik kan maken van het collectief vervoer en is aangewezen op een rolstoeltaxi. Het totale budget voor een kalenderjaar wordt, indien het een gedeelte van het jaar betreft, naar rato berekend voor de resterende maanden van een kalenderjaar. Het totale jaar wordt berekend door de som van:

      • i.

        het kilometertarief en minutentarief vermenigvuldigd met het maximaal aantal kilometers zoals opgenomen in artikel 3.5.8, en

      • ii.

        het opstaptarief vermenigvuldigd met het quotiënt van het maximum aantal kilometers en de gemiddelde kilometerafstand collectief vervoer van het voorgaande kalenderjaar;

    • d.

      is voor vervoer naar dagbesteding gebaseerd op de tarieven voor (rolstoel)taxivervoer zoals vermeld in de Regeling maximumtarief en bekendmaking tarieven taxivervoer, en wordt vergoed tot maximaal het aantal kilometers vanaf het woonadres naar de dichtstbijzijnde passende dagbestedingslocatie.

  • 8.

    Het persoonsgebonden budget voor een hulpmiddel

    • a.

      is gelijk aan het maandtarief vermenigvuldigd met de afschrijvingstermijn vermenigvuldigd met factor 0,6.

    • b.

      de afschrijftermijn bedraagt vijf jaar voor vervoershulpmiddelen en rolstoelen. De afschrijftermijn bedraagt 10 jaar voor woonhulpmiddelen.

    • c.

      het persoonsgebonden budget voor onderhoud en de verzekering van het hulpmiddel bedraagt in totaal maximaal €500 per jaar, met dien verstande dat het persoonsgebonden budget nooit hoger is dan de werkelijke kosten. Dit bedrag kan jaarlijks op 1 januari geïndexeerd worden conform de prijsindex die gehanteerd wordt voor het contract met de hulpmiddelenleveranciers.

  • 9.

    Het persoonsgebonden budget voor een woningaanpassing opgenomen in het Prijsafsprakenboek

    • a.

      is voor de aanschaf van de woningaanpassing gelijk aan de prijs van de goedkoopst passende woningaanpassing in natura conform de lijst van prijzen zoals opgenomen in het contractueel overeengekomen Prijsafsprakenboek;

    • b.

      is voor het onderhoud gelijk aan het bedrag, zoals dat door het college aan de gecontracteerde aanbieder zou zijn verschuldigd.

  • 10.

    Het persoonsgebonden budget voor een woningaanpassing die niet is opgenomen in het Prijsafsprakenboek

    • a.

      is voor de aanschaf van de woningaanpassing gelijk aan het bedrag van de kosten van de woningaanpassing in natura middels een kostenbepaling door een door het college gecontracteerd bouwbedrijf of leverancier.

    • b.

      is voor het onderhoud gelijk aan het bedrag, zoals die door het college aan de gecontracteerde aanbieder zou zijn verschuldigd.

  • 11.

    Het persoonsgebonden budget voor de kosten van verhuizing en inrichting:

    • a.

      is voor de verhuizing gelijk aan de kosten voor een gecontracteerd verhuisbedrijf in natura.

    • b.

      is voor stofferingskosten gelijk aan de door het Nibud gehanteerde bedragen voor stoffering met inachtneming van de bijbehorende afschrijvingstermijn. De totale hoogte van de stofferingskosten is gelijk aan:

      • i.

        100% van de maximale vergoeding als huidige stoffering niet ouder dan één jaar;

      • ii.

        75% van de maximale vergoeding als huidige stoffering tussen één en drie jaar oud is;

      • iii.

        50% van de maximale vergoeding als huidige stoffering tussen drie en vijf jaar oud is;

      • iv.

        25% van de maximale vergoeding als huidige stoffering tussen vijf en zeven jaar oud is;

      • v.

        0% van de maximale vergoeding als huidige stoffering ouder is dan zeven jaar.

  • 12.

    In aanvulling op de in lid 11 genoemde kosten kan bij overbrugging de eerste huur van de nieuwe woning worden vergoed voor de duur van maximaal een maand.

Artikel 3.5.12 Besteding persoonsgebonden budget

  • 1.

    Het persoonsgebonden budget moet volledig worden besteed aan de ondersteuning en het doel waarvoor het persoonsgebonden budget is verstrekt.

  • 2.

    Het persoonsgebonden budget mag niet worden besteed aan:

    • a.

      kosten voor bemiddeling, tussenpersonen of belangenbehartigers;

    • b.

      kosten voor het voeren van een persoonsgebonden budget -administratie;

    • c.

      kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een persoonsgebonden budget;

    • d.

      kosten voor een feestdagenuitkering en een eenmalige (eindejaars)uitkering;

    • e.

      kosten voortgezette diagnostiek;

    • f.

      kosten voor het volgen van cursussen en informatiemateriaal over het persoonsgebonden budget;

    • g.

      de bijdrage;

    • h.

      reiskosten van de hulpverlener. Deze zijn in het uurtarief inbegrepen;

    • i.

      indirect cliëntgebonden uren en niet cliëntgebonden uren. Deze zijn in het uurtarief inbegrepen.

  • 3.

    De cliënt hoeft, indien het persoonsgebonden budget is verstrekt voor ondersteuning die bestaat uit dienstverlening, van het persoonsgebonden budget 5% per jaar niet te verantwoorden, met een minimum van €20,- per jaar en een maximum van €250,- per jaar. Wanneer de budgetperiode minder is dan een jaar, wordt het verantwoordingsvrije bedrag berekend naar rato.

Paragraaf 3.6 Bijdrage

Artikel 3.6.1 Bijdrageplicht algemene voorzieningen

  • 1.

    Het college kan een bijdrage vragen voor het gebruik van een algemene voorziening.

  • 2.

    De bijdrage is inkomensonafhankelijk.

Artikel 3.6.2 Algemeen: Compensatie gebruikskosten

  • 1.

    De aanbieder van een algemene voorziening kan aan de cliënt een bijdrage vragen voor de kosten die de aanbieder maakt voor diensten die aanvullend op de voorziening worden aangeboden en waarvan de cliënt gebruik maakt. Het gaat hierbij in elk geval om kosten:

    • a.

      voor het gebruik van consumpties en maaltijden bij dagopvang en;

    • b.

      het gebruik van maaltijden bij dagbesteding;

    • c.

      uitstapjes die vanuit de algemene voorziening voor dagbesteding of dagopvang worden georganiseerd.

  • 2.

    De cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor de volgende algemene voorzieningen:

    • a.

      zorgoppas.

  • 3.

    De hoogte van de bijdrage is maximaal de kostprijs van de voorziening.

  • 4.

    De aanbieder maakt de verschuldigdheid van de bijdrage en hoogte van de kosten zichtbaar voor de cliënten die de voorziening van hem betrekken.

Artikel 3.6.3 Bijdrage zorgoppas

Voor de inzet van zorgoppas door ouder(s) of verzorgers ten behoeve van zorgintensieve kinderen is een bijdrage verschuldigd van € 9,- per maand en een ouderbijdrage van € 8,- per opgepast uur.

Artikel 3.6.4 Bijdrage maatwerkvoorziening

  • 1.

    De cliënt is een bijdrage verschuldigd voor een maatwerkvoorziening, met uitzondering van:

    • a.

      woningaanpassingen voor minderjarige kinderen;

    • b.

      woningaanpassingen in gemeenschappelijke ruimten;

    • c.

      vergoeding voor kosten ter overbrugging eerste huur.

  • 2.

    De cliënt betaalt een bijdrage voor het gebruik van het collectief vervoer, die per rit bestaat uit:

    • a.

      een opstaptarief van € 1,12 per rit en een tarief van € 0,19 per gereden kilometer als de besproken aanvangstijd van de rit binnen de daluren ligt;

    • b.

      een opstaptarief van € 1,57 per rit en een tarief van € 0,27 per gereden kilometer als de besproken aanvangstijd van de rit buiten de daluren ligt.

  • 3.

    De daluren voor het collectief vervoer, zoals bedoeld in lid 2, zijn op werkdagen tussen 10:00 uur en 16:00 uur en na 18:00 uur, en op alle beschikbare rittijden in de weekenden.

  • 4.

    De startdatum van de bijdrage als bedoeld in lid 1 is de datum waarop de ondersteuning aanvangt.

Artikel 3.6.5 Kostprijs

  • 1.

    De kostprijs van een maatwerkvoorziening in natura is gelijk aan de prijs waarvoor het college de maatwerkvoorziening in natura betrekt van een gecontracteerde leverancier of aanbieder, inclusief eventuele reparatie- en onderhoudskosten.

  • 2.

    De kostprijs van maatwerkvoorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget is gelijk aan de hoogte van het persoonsgebonden budget.

Paragraaf 3.7 Toezicht en handhaving

Artikel 3.7.1 Kwaliteits- en calamiteitentoezicht algemene voorzieningen

Het college zorgt voor kwaliteitstoezicht en een meldpunt voor calamiteiten voor de algemene voorzieningen waarbij dagopvang, begeleiding, respijtzorg en/of logeeropvang onderdeel uitmaakt van de ondersteuning.

Artikel 3.7.2 Fraudepreventie maatwerkvoorzieningen

Het college voert een actief fraudepreventiebeleid. Onderdeel daarvan is de wijze waarop het college cliënten informeert over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een maatwerkvoorziening zijn verbonden en over de consequenties van misbruik en oneigenlijk gebruik. Ter controle van het beroep op maatwerkvoorzieningen wordt onder meer gebruik gemaakt van bestandsvergelijkingen met actuele gegevens en van de samenloopsignalen die daaruit voortkomen.

Artikel 3.7.3 Toezicht op kwaliteit, doelmatigheid en rechtmatigheid maatwerkvoorzieningen

  • 1.

    Het college doet stelselmatig onderzoek naar de kwaliteit, doelmatigheid en rechtmatigheid van de maatwerkvoorziening en kan daarbij onder meer gebruikmaken van huisbezoeken en bestandsvergelijkingen en de samenloopsignalen die daaruit voortkomen. Het college onderzoekt daarnaast overige signalen en tips die relevant zijn voor de aanspraak op een maatwerkvoorziening.

  • 2.

    Het college doet onderzoek naar de reden van de beëindiging van de aanspraak op een maatwerkvoorziening en neemt op basis daarvan besluiten met betrekking tot de rechtmatigheid van de maatwerkvoorziening en de wederzijds tussen het college en de cliënt resterende verplichtingen en de afhandeling daarvan.

Artikel 3.7.4 Tegengaan oneigenlijk gebruik

  • 1.

    Het college treft de nodige maatregelen om het oneigenlijk gebruik van maatwerkvoorzieningen te voorkomen en fraude te bestrijden. Tot deze maatregelen behoren in ieder geval:

    • a.

      het college zoekt waar mogelijk samenwerking met organisaties die zich ook bezighouden met het tegengaan van oneigenlijk gebruik en fraude op het terrein van de zorg of aanverwante terreinen;

    • b.

      het college verricht zo nodig onderzoek bij aanbieders van maatwerkvoorzieningen die een subsidie- of contractrelatie met de gemeente onderhouden of persoonsgebonden budget-leveranciers die ondersteuning verlenen op grond van een persoonsgebonden budget aan inwoners van de gemeente;

    • c.

      het college maakt afspraken met aanbieders van voorzieningen over de facturatie, resultaatsturingen, accountantscontroles, zodat declaraties en uitbetalingen in overeenstemming zijn met de contractuele afspraken, de leveringsopdracht, de prestatieafspraken en de feitelijk geleverde prestaties;

    • d.

      het college controleert, al dan niet steekproefsgewijs, of de gemaakte afspraken zoals genoemd in het voorgaande lid worden nagekomen;

    • e.

      het college voert periodiek controles en evaluaties uit bij langlopende indicaties;

    • f.

      het college voert een grondige toets aan de voorkant uit bij de verstrekking van een persoonsgebonden budget op:

      • i.

        de regiemogelijkheden van de cliënt of degene die de cliënt als vertegenwoordiger wenst in te schakelen;

      • ii.

        de kwaliteit van de invulling van het door de cliënt en de persoonsgebonden budget-leverancier te overleggen budgetplan en zorgplan.

    • g.

      het college monitort het gebruik van het persoonsgebonden budget en de behaalde resultaten in relatie tot de gestelde doelen.

  • 2.

    Als bij onderzoek blijkt dat er sprake is van gebreken in de kwaliteit, doelmatigheid of rechtmatigheid van de ondersteuning, kan het college in een schriftelijke aanwijzing een hersteltraject opleggen.

  • 3.

    Het college kan gedurende het hersteltraject een cliëntenstop en/of verscherpt toezicht instellen. Deze zal in de schriftelijke aanwijzing worden opgenomen.

Artikel 3.7.5 Toezichthouder

  • 1.

    De op grond van artikel 6.1 van de wet aangewezen toezichthouders stellen jaarlijks een onafhankelijk werkprogramma op.

  • 2.

    De op grond van artikel 6.1 van de wet aangewezen toezichthouder kan naast deze functie geen andere functies namens of in dienst van de betreffende gemeente of inkooporganisatie bekleden die niet verenigbaar zijn met het toezichthouderschap.

  • 3.

    De op grond van artikel 6.1 van de wet aangewezen toezichthouder, vervult geen nevenfuncties waarvan de uitoefening ongewenst is met het oog op een goede vervulling van zijn taak als toezichthouder.

Paragraaf 3.8 Beëindiging, herziening, intrekking en terugvordering

Artikel 3.8.1 Beëindiging

  • 1.

    Het college kan, onverminderd artikel 2.3.10 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, een toegekende aanspraak op een maatwerkvoorziening geheel of gedeeltelijk beëindigen of opschorten, indien:

    • a.

      niet wordt voldaan aan hetgeen is gesteld bij of krachtens de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 of de verordening, waaronder de in paragraaf 3.2, 3.3 en 3.5 genoemde toegangscriteria;

    • b.

      de cliënt wordt opgenomen in een instelling in de zin van de Wet toelating zorginstellingen of in een ziekenhuis;

    • c.

      de cliënt zich niet houdt aan de verplichtingen van het gebruik, verantwoording en administratie van de maatwerkvoorziening;

    • d.

      de cliënt is overleden;

    • e.

      de cliënt niet meer beschikt over de met een persoonsgebonden budget aangeschafte maatwerkvoorziening of de in eigendom verleende maatwerkvoorziening in natura, terwijl de periode waarover de maatwerkvoorziening is toegekend nog niet is verstreken.

  • 2.

    Het college heeft het recht om de bestaande aanspraak op een maatwerkvoorziening tussentijds opnieuw te beoordelen, met een eventueel ongunstiger besluit tot gevolg, onder toepassing van een overgangstermijn.

Artikel 3.8.2 Herziening en intrekking

Het college kan, onverminderd artikel 2.3.10 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, een besluit tot toekenning van een aanspraak op een maatwerkvoorziening geheel of gedeeltelijk herzien of intrekken indien:

  • a.

    niet is voldaan aan hetgeen is gesteld bij of krachtens de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 of deze verordening.

  • b.

    beschikt is op grond van gegevens waarvan gebleken is dat die gegevens zodanig onjuist waren dat, waren de juiste gegevens bekend geweest, een andere beslissing zou zijn genomen;

  • c.

    de cliënt de maatwerkvoorziening binnen zes maanden na toekenning niet heeft aangewend voor het resultaat waarvoor de maatwerkvoorziening is getroffen.

Artikel 3.8.3 Terugvordering

  • 1.

    Indien het besluit tot toekenning van een aanspraak op een maatwerkvoorziening is herzien of ingetrokken, kan het college, onverminderd artikel 2.4.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015:

    • a.

      het ten onrechte betaalde persoonsgebonden budget terugvorderen;

    • b.

      de geldswaarde van de ten onrechte genoten maatwerkvoorziening in natura terugvorderen dan wel het object van de maatwerkvoorziening zelf terugvorderen.

  • 2.

    Onverminderd artikel 2.4.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 kan het college, indien de aanspraak op een maatwerkvoorziening is beëindigd op grond van artikel 6.1 lid 1 onder e:

    • a.

      het deel van het persoonsgebonden budget terugvorderen dat betrekking heeft op de nog niet verstreken periode waarover het persoonsgebonden budget is toegekend;

    • b.

      het deel van de geldswaarde van de maatwerkvoorziening in natura terugvorderen dat betrekking heeft op de nog niet verstreken periode waarover de maatwerkvoorziening is in natura is toegekend.

Paragraaf 3.9 Kwaliteit

Artikel 3.9.1 Kwaliteitseisen

De aanbieder van een algemene voorziening of maatwerkvoorziening zorgt voor een goede kwaliteit van de voorziening, wat in ieder geval betekent dat:

  • a.

    de voorziening veilig, doeltreffend en cliëntgericht is;

  • b.

    de voorziening is afgestemd op de persoonlijke situatie van de cliënt;

  • c.

    de voorziening is afgestemd op andere vormen van zorg of hulp die de cliënt ontvangt;

  • d.

    de beroepskracht die een voorziening levert, handelt in overeenstemming met de professionele standaard;

  • e.

    de voorziening voldoet aan de door de aanbieder en het college overeengekomen kwaliteitseisen.

Artikel 3.9.2 Prijs-kwaliteitverhouding levering voorzieningen door derden

  • 1.

    Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de dienst stelt het college vast:

    • a.

      een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan van een overeenkomst met derde; of

    • b.

      een reële prijs die geldt als ondergrens voor een inschrijving en het aangaan van een overeenkomst met de derde.

  • 2.

    Het college stelt de prijzen, bedoeld in het eerste lid, vast:

    • a.

      overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, en

    • b.

      rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners.

  • 3.

    Het college baseert de vaste prijs of de reële prijs, als bedoeld in het eerste lid, op ten minste de volgende kostprijselementen:

    • a.

      de kosten van de beroepskracht;

    • b.

      redelijke overheadkosten;

    • c.

      kosten voor niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg;

    • d.

      reis en opleidingskosten;

    • e.

      indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst;

    • f.

      overige kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen voor aanbieders waaronder rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen.

  • 4.

    Het college houdt bij het leveren van hulpmiddelen en woningaanpassingen en het vaststellen van de tarieven daarvan, ten minste rekening met:

    • a.

      de aard en omvang van de te leveren hulpmiddelen of woningaanpassingen;

    • b.

      de kwaliteitseisen van het hulpmiddel of de woningaanpassing;

    • c.

      de reële marktprijs van het hulpmiddel of de woningaanpassing, en

    • d.

      de eventuele extra taken die in verband met het hulpmiddel of de woningaanpassing van de leverancier worden gevraagd, zoals:

      • i.

        aanmeten, levering en plaatsing van het hulpmiddel of de woningaanpassing;

      • ii.

        instructie over het gebruik van het hulpmiddel of de woningaanpassing;

      • iii.

        onderhoud van het hulpmiddel of de woningaanpassing;

      • iv.

        verplichte deelname in bepaalde samenwerkingsverbanden (bijv. lokaal team).

Artikel 3.9.3 Kwaliteitseisen hulpverleners

  • 1.

    Iedere leverancier of hulpverlener, die ondersteuning levert die bestaat uit dienstverlening, zorgt voor een goede kwaliteit van de ondersteuning, wat in ieder geval betekent dat:

    • a.

      de voorziening voldoet aan de in artikel 3.9.1 opgenomen eisen;

    • b.

      de hulpverlener actief en integraal samenwerkt met andere hulpverleners/aanbieders in het belang van de cliënt, en ervoor zorgt dat de ondersteuning aansluit bij de eventuele hulp die wordt geboden vanuit het sociale netwerk van de cliënt;

    • c.

      de hulpverlener aantoonbaar, met een zorgplan, werkt aan de doelen van de beschikking;

    • d.

      de hulpverlener een heldere en eenduidige administratie van de gemaakte ondersteuningsuren heeft. Deze administratie bevat ten minste de volgende onderdelen:

      • i.

        ondersteuningsplan of budgetplan per cliënt waarin gemaakte afspraken en communicatie zijn opgenomen;

      • ii.

        een zorgplan;

      • iii.

        urenregistraties;

      • iv.

        urendeclaraties;

      • v.

        evaluaties.

    • e.

      de hulpverlener onderbouwd kan aangeven wanneer andere ondersteuning is gewenst of wanneer op- of afgeschaald dient te worden;

    • f.

      de hulpverlener, als dat wordt gevraagd, een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) moet overleggen die niet ouder is dan 12 maanden voorafgaand aan de ingangsdatum van de hulpverlening;

    • g.

      de hulpverlener niet handelt in strijd met relevante wetgeving of beleidsregels, niet misleidt, geen fraude pleegt en geen ondeskundige ondersteuning biedt, en dit in het verleden ook niet heeft gedaan.

  • 2.

    De professionele hulpverlener moet voldoen aan de in het eerste lid opgenomen kwaliteitseisen en de volgende kwaliteitseisen:

    • a.

      de hulpverlener staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel;

    • b.

      de hulpverlener beschikt aantoonbaar over een afgeronde opleiding die passend is bij de te verrichten activiteiten en voldoet aan de kwaliteitseisen die voor betreffende ondersteuning worden gesteld;

    • c.

      de hulpverlener voldoet bij het verrichten van de activiteiten aantoonbaar aan de relevante professionele en branchegerichte standaarden;

    • d.

      de hulpverlener zorgt voor vervanging bij diens afwezigheid, zodat de ondersteuning gecontinueerd wordt met inachtneming van dezelfde kwaliteitseisen.

    • e.

      de hulpverlener, en de eigenaar, directeur of bestuurder van de organisatie waar de hulpverlener werkt, behoren niet tot het sociale netwerk van de cliënt;

    • f.

      de hulpverlener heeft een meldplicht bij calamiteiten en geweld, en doet dit bij de Dienst Gezondheid & Jeugd;

    • g.

      de hulpverlener heeft een heldere en eenduidige administratie van de gemaakte ondersteuningsuren. Deze administratie bevat ten minste de volgende onderdelen:

      • i.

        cliëntadministratie

      • ii.

        ondersteuningsplan of budgetplan per cliënt waarin gemaakte afspraken, risico-inventarisatie (veiligheid) en communicatie is opgenomen;

      • iii.

        een zorgplan;

      • iv.

        urenregistraties;

      • v.

        urendeclaraties;

      • vi.

        evaluaties;

      • vii.

        zorgovereenkomst(en) met derdenbeding;

      • viii.

        diploma’s van de medewerkers per functie (indien van toepassing);

      • ix.

        VOG van de medewerkers (indien van toepassing);

      • x.

        meldcode huiselijk geweld.

    • h.

      de hulpverlener conformeert zich aan de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling;

    • i.

      de hulpverlener werkt met een systematische kwaliteitsbewaking, namelijk ISO 9001, EN 15224, HKZ, Kiwa (ZZP en kleine ondernemers), Prezo of vergelijkbaar. En de hulpverlener kan dit aantonen met een in zijn branche geldend kwaliteitsborgings-certificaat, in ieder geval betrekking hebbende op ondersteuning, maatschappelijke en/of aanpalende dienstverlening;

    • j.

      de hulpverlener ontvangt een salaris dat overeenkomstig is met de betreffende ondersteuning die wordt geboden en de voor de branche geldende cao;

    • k.

      de hulpverlener beschikt over een locatie waar meerdere cliënten tegelijk kunnen verblijven, als (tijdelijk) verblijf aan de orde is.

Paragraaf 3.10 Waardering van mantelzorgers

Artikel 3.10.1 Waardering van mantelzorgers

Het college bepaalt in nadere regels waaruit de jaarlijkse blijk van waardering van mantelzorgers van cliënten van de gemeente bestaat.

Paragraaf 3.11 slotbepalingen

Artikel 3.11.1 Indexering

De gemeenteraad kan de in dit hoofdstuk van de verordening opgenomen bedragen jaarlijks per 1 januari indexeren.

Hoofdstuk 4. Werk en participeren (Participatiewet)

De gemeente vindt het belangrijk dat inwoners meedoen in de samenleving. Dat kan via werk, maar ook op andere manieren. In dit hoofdstuk staan de belangrijkste oplossingen die de gemeente kan bieden aan inwoners om mee te doen in de samenleving als zij dit niet zelf kunnen. Die ondersteuning noemen we ook wel: een voorziening. De regels in dit hoofdstuk zijn gebaseerd op de Participatiewet. Sommige van deze regels zijn ook voor werkgevers. De gemeente vindt het belangrijk dat inwoners zoveel mogelijk in hun eigen levensonderhoud kunnen voorzien. De gemeente verwacht daarom van inwoners met een uitkering die kunnen werken, dat zij werk zoeken. De gemeente wil inwoners daarbij ondersteunen. In dit hoofdstuk wordt daar meer over uitgelegd.

Paragraaf 4.0 Begripsomschrijvingen

Artikel 4.0 Begripsomschrijvingen

In hoofdstuk 4 wordt verstaand onder:

  • a.

    Afstemming: verlaging van de bijstandsnorm of bijzondere bijstand (waaronder de individuele inkomenstoeslag) op grond van artikel 18, tweede lid, van de Participatiewet, dan wel de verlaging of (gedeeltelijke) weigering van de uitkering op grond van artikel 20 IOAW en artikel 20 IOAZ;

  • b.

    ANW: de Algemene nabestaandenwet;

  • c.

    Arbeid naar vermogen: algemeen geaccepteerde arbeid op het niveau van het individu;

  • d.

    Bijstandsnorm de op grond van paragraaf 3.2 van de Participatiewet op de belanghebbende van toepassing zijnde norm, vermeerderd of verminderd met de op grond van paragraaf 3.3 van de Participatiewet door het college vastgestelde verhoging of verlaging of de toegekende bijstand op grond van artikel 16 van de Participatiewet of de toegekende bijzondere bijstand;

  • e.

    Gesubsidieerd werkende: degene die vanwege een voorziening gericht op arbeids-inschakeling geen uitkeringsgerechtigde, niet-uitkeringsgerechtigde of ANW-gerechtigde is;

  • f.

    Grondslag: de bruto grondslag ingevolge de IOAW of IOAZ;

  • g.

    IOAW: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers;

  • h.

    IOAZ: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;

  • i.

    Nettominimumloon: basisnorm voor gehuwden als bedoeld in artikel 21, onder b, van de Participatiewet;

  • j.

    Niet-uitkeringsgerechtigde; de persoon bedoeld in artikel 6, eerste lid onder a van de Participatiewet;

  • k.

    Persoon met arbeidsbeperking: een persoon die tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort zoals bedoeld in artikel 6, lid 1, sub e van de Participatiewet en/of een structurele functionele beperking heeft als gevolg van een ziekte of handicap/gebrek;

  • l.

    Proefplaats: een proefperiode bij een werkgever voor een persoon als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a van de Participatiewet met of zonder arbeidsbeperking, waarin een werkgever kan bepalen of een dienstverband mogelijk is;

  • m.

    Startkwalificatie: een diploma van een opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen b tot en met e, van de Wet educatie en beroepsonderwijs of een diploma hoger algemeen voorgezet onderwijs of voorbereidend wetenschappelijk onderwijs als bedoeld in artikel 7 onderscheidenlijk 8 van de Wet op het voortgezet onderwijs;

  • n.

    Uitkering: algemene bijstand op grond van de Participatiewet of de netto uitkering op grond van de IOAW of IOAZ;

  • o.

    Uitkeringsgerechtigde: persoon jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd die recht heeft op bijstand op grond van de Participatiewet ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan, dan wel recht heeft op een uitkering op grond van de IOAW of de IOAZ en die niet tevens recht heeft op een uitkering van het UWV;

  • p.

    UWV: het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

  • q.

    Voorziening: door het college noodzakelijk geachte voorziening, gericht op arbeidsinschakeling waaronder mede wordt begrepen persoonlijke ondersteuning bij het verrichten van opgedragen taken;

  • r.

    Wsw: Wet sociale werkvoorziening.

Paragraaf 4.1 Re-integratie

Artikel 4.1.1 Doelgroep

De doelgroep van dit hoofdstuk zijn de personen wonende in Dordrecht, jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd:

  • a.

    die uitkeringsgerechtigde zijn;

  • b.

    die niet-uitkeringsgerechtigde zijn, dan wel een uitkering ingevolge de ANW ontvangen;

  • c.

    die gesubsidieerd werkende zijn;

  • d.

    aan wie het UWV een uitkering verstrekt, indien en voor zover het college en het UWV dit overeenkomen.

Artikel 4.1.2 Taak van het college

  • 1.

    Het college draagt zorg voor het aanbieden van voorzieningen aan personen behorende tot de doelgroep in het kader van ondersteuning bij arbeidsinschakeling gericht op de kortste weg naar arbeid naar vermogen en het bereiken van uitkeringsonafhankelijkheid. Het college stelt per individueel geval vast welke voorziening het meest geschikt is om het beoogde doel te behalen.

  • 2.

    Het college bevordert de beschikbaarheid van flankerende voorzieningen die belemmeringen voor toetreding tot de arbeidsmarkt kunnen opheffen en zorgt voor voldoende diversiteit in het aanbod aan persoonlijke ondersteuning en voorzieningen.

  • 3.

    Het college houdt bij het aanbieden van de in paragraaf 4.1 opgenomen voorzieningen rekening met de omstandigheden en functionele beperkingen van een persoon. De omstandigheden hebben in ieder geval betrekking op zorgtaken van die persoon en de mogelijkheid dat hij behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie of gebruik maakt van de voorziening beschut werk. Onder zorgtaken wordt in ieder geval verstaan:

    • a.

      de opvang van te zijnen laste komende kinderen tot vijf jaar, en

    • b.

      de noodzakelijkheid van het verrichten van mantelzorg.

  • 4.

    Het college kan ter uitvoering van paragraaf 4.1 van het hoofdstuk in deze verordening nadere regels vaststellen.

Artikel 4.1.3 Rechten en plichten

  • 1.

    De persoon uit de doelgroep is verplicht naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen, deze te aanvaarden en te behouden.

  • 2.

    De persoon uit de doelgroep kan aanspraak maken op ondersteuning bij arbeidsinschakeling ten behoeve van het realiseren van de, naar het oordeel van het college, kortste weg naar arbeid naar vermogen. Het college bepaalt hoe deze aanspraak wordt ingevuld.

  • 3.

    De persoon uit de doelgroep aan wie een voorziening wordt aangeboden, is verplicht gebruik te maken van deze voorziening.

  • 4.

    De persoon uit de doelgroep aan wie een onderzoek door deskundigen wordt aangeboden naar diens mogelijkheden tot arbeidsinschakeling en diens eventuele beperkingen daarbij, is verplicht hiervan gebruik te maken.

  • 5.

    Onverminderd andere verplichtingen, voortvloeiend uit wet- of regelgeving, geldt voor een persoon die deelneemt aan of deelgenomen heeft aan een voorziening de verplichting:

    • a.

      alle inlichtingen te verstrekken aan het college over de passendheid en de voortgang van de voorziening en wijzigingen in zijn persoonlijke situatie die van belang kunnen zijn voor de beoordeling van de aanspraak op ondersteuning en de noodzaak van voortzetting van de voorziening, daaronder in ieder geval begrepen wijzigingen in woonplaats, wijzigingen met betrekking tot gezondheidssituatie of arbeidshandicaps en wijzigingen met betrekking tot nevenwerkzaamheden of neveninkomsten;

    • b.

      zijn medewerking te verlenen aan onderzoeken over de inhoud, passendheid, voortgang en uitvoering van de voorziening;

    • c.

      naar vermogen uitvoering te geven dan wel mee te werken aan de onderdelen van de voorziening;

    • d.

      na te laten alles dat de realisatie van het doel van de voorziening belemmert;

    • e.

      zich in te spannen om kinderopvang te verkrijgen en mee te werken aan kinderopvang.

  • 6.

    Het college kan, in aanvulling op de verplichtingen die voortvloeien uit de Participatiewet, IOAW of IOAZ en deze verordening, aan een voorziening nadere verplichtingen verbinden als bedoeld in paragraaf 6.3 van de Participatiewet.

  • 7.

    Als een persoon zijn verplichtingen krachtens het derde lid, het vierde lid, het vijfde lid of het zesde lid niet nakomt, kan het college, onverminderd het bepaalde in artikel 18, vierde lid van de Participatiewet en in paragraaf 4.4/4.5 van deze verordening, beslissen dat zijn aanspraak op iedere voorziening vervalt.

  • 8.

    Het college informeert de persoon op adequate wijze over de voor hem geldende rechten en plichten jegens het college en derden welke voortvloeien uit deze verordening of anderszins betrekking hebben op diens arbeidsinschakeling en medewerking aan een voorziening.

Artikel 4.1.4 Ontheffing re-integratieverplichtingen

  • 1.

    Het college kan tijdelijk ontheffing verlenen van de re integratieverplichtingen als bedoeld in artikel 9, tweede lid, van de Participatiewet, artikel 37 van de IOAW of artikel 37 van de IOAZ.

  • 2.

    Tenzij de Participatiewet, IOAW of IOAZ anders bepalen, vindt de ontheffing zoals bedoeld in het eerste lid enkel plaats als er sprake is van dringende redenen.

  • 3.

    Alvorens tot het verlenen van ontheffing op grond van het eerste lid over te gaan, beoordeelt het college of de belemmeringen voor de arbeidsinschakeling geheel of gedeeltelijk door het aanbieden van een voorziening kunnen worden weggenomen. Gehele of gedeeltelijke ontheffing wordt slechts verleend in de mate waarin de niet weg te nemen belemmering, de arbeidsinschakeling beperkt.

Artikel 4.1.5 Voorzieningen

  • 1.

    Het college kan een persoon behorende tot de doelgroep begeleiden of laten begeleiden bij het zoeken naar en verwerven van arbeid naar vermogen, alsmede bij het wegnemen van belemmeringen voor de arbeidsinschakeling. Het college kan hiertoe op eigen initiatief, dan wel op verzoek van de persoon uit de doelgroep, een of meer voorzieningen aanbieden. De voorzieningen kunnen onder meer worden onderscheiden in:

    • -

      ondersteuning bij een beroep op maatschappelijke opvang of medische zorg;

    • -

      ondersteuning bij maatschappelijke participatie, waaronder vrijwilligerswerk en onbeloonde additionele werkzaamheden op grond van artikel 10a van de Participatiewet, artikel 38a IOAW of artikel 38a IOAZ;

    • -

      arbeidsinpassing en toeleiding, waaronder begrepen voorbereiding op zelfstandig ondernemerschap;

    • -

      activiteiten met behoud van uitkering;

    • -

      stage waaraan een stagevergoeding kan worden verbonden;

    • -

      gesubsidieerd werk, waaronder begrepen loonkostensubsidie zoals omschreven in artikel 4.1.6 van deze verordening;

    • -

      begeleiding op de werkplek;

    • -

      persoonsgebonden re-integratie budgetten;

    • -

      nazorg bij arbeidsinschakeling;

    • -

      opleiding en scholing als bedoeld in artikel 10a vijfde lid en artikel 8a eerste lid, onderdeel c van de Participatiewet;

    • -

      flankerende instrumenten, waaronder onderzoeken door deskundigen, schuldhulpverlening, kinderopvang, taalscholing en scholing die de toegang tot de arbeidsmarkt bevordert.

  • 2.

    Het college kan voor de uitvoering van voorzieningen als bedoeld in het eerste lid afspraken maken met derden, waaronder werkgevers en re-integratiebedrijven, alsmede subsidies verstrekken.

Artikel 4.1.6 Loonkostensubsidie en Loonwaardebepaling

  • 1.

    Het college stelt vast of een persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie.

  • 2.

    Hierbij neemt het college de volgende criteria in acht:

    • a.

      een persoon moet behoren tot de doelgroep zoals omschreven in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Participatiewet, niet in staat zijn met voltijdse arbeid het wettelijk minimumloon te verdienen dan wel daaraan gerelateerd met deeltijdarbeid het minimum uurloon te verdienen en mogelijkheden hebben tot arbeidsparticipatie, of

    • b.

      een persoon moet behoren tot de doelgroep zoals omschreven in artikel 10d, tweede lid van de Participatiewet.

  • 3.

    Voor personen die behoren tot de doelgroep loonkostensubsidie en waarbij sprake is van een arbeidsovereenkomst of een voornemen tot een arbeidsovereenkomst met een werkgever stelt het college de loonwaarde vast met gebruikmaking van een methodiek voor loonwaardebepaling.

  • 4.

    Deze methodiek voldoet in ieder geval aan de volgende eisen:

    • a.

      het meet de arbeidsprestatie van de werknemer;

    • b.

      de loonwaarde hangt niet af van degene die de methode hanteert;

    • c.

      het is transparant voor iedere betrokkene hoe tot de loonwaarde is gekomen.

  • 5.

    Uiterlijk twaalf maanden na afloop van een kalenderjaar waarin een recht op loonkostensubsidie zou bestaan, vraagt de werkgever loonkostensubsidie aan.

  • 6.

    Wanneer er sprake is van een aanvraag op declaratiebasis, dan dient de werkgever per maand een volledig ingevuld declaratieformulier in, vergezeld door een afschrift van de loonstrook van de desbetreffende maand. Onder bijzondere omstandigheden kan Dagelijks Bestuur ontheffing verlenen van deze indieningstermijn.

Artikel 4.1.7 Aanvraagproces Loonkostensubsidie

  • 1.

    Het college verstrekt overeenkomstig artikel 10d, van de Participatiewet, ambtshalve of op aanvraag, loonkostensubsidie aan de werkgever die voornemens is een dienstbetrekking aan te gaan met een persoon die behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie. In geval van een aanvraag zijn het tweede tot en met het vijfde lid van dit artikel van toepassing.

  • 2.

    Het college bevestigt de ontvangst van de aanvraag schriftelijk aan de werkgever, of als de aanvraag wordt gedaan door de persoon die behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie, aan de werkgever en die persoon.

  • 3.

    Een aanvraag voor loonkostensubsidie wordt, als het een persoon betreft die nog niet behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie, ook beschouwd als een aanvraag om vast te stellen of de persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie, als bedoeld in artikel 10c, eerste lid, onder a, van de Participatiewet.

  • 4.

    Het college stelt binnen 8 weken na ontvangst van de aanvraag de loonwaarde vast, tenzij in overleg met de werkgever toepassing wordt gegeven aan artikel 10d, vijfde lid, van de Participatiewet.

  • 5.

    Het college neemt bij het verstrekken van de loonkostensubsidie het preferente proces loonkostensubsidie in acht.

  • 6.

    Het college onderzoekt, voor zover nodig en gelet op de omstandigheden van de persoon, in daartoe voorkomende gevallen de mogelijkheden om door samenwerking met andere partijen, onder meer op het gebied van (publieke) gezondheid, jeugdhulp, maatschappelijke ondersteuning, onderwijs, schuldhulpverlening, welzijn en wonen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde integrale dienstverlening met het oog op de arbeidsinschakeling, bedoeld in artikel 8a, tweede lid, onder g, onderdeel 1, of de wijze van voortgezette persoonlijke ondersteuning, bedoeld in artikel 8a, tweede lid, onder g, onderdeel 2, van de Participatiewet.

Artikel 4.1.8 Proefplaats

  • 1.

    Voor een persoon als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a van de Participatiewet met of zonder arbeidsbeperking, kan het college een proefplaats inzetten als bij de werkgever nog twijfels zijn over de geschiktheid van de persoon en de werkgever dit kan motiveren.

  • 2.

    Voor een persoon als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a van de Participatiewet met een arbeidsbeperking, kan een proefplaats ingezet worden om via de wettelijke loonwaardemeting inzicht te krijgen in de verdiencapaciteit.

  • 3.

    Het college biedt een proefplaats aan als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

    • a.

      een proefplaats kan alleen worden aangeboden als de werkgever schriftelijk de intentie heeft uitgesproken om de persoon een arbeidsovereenkomst aan te bieden van tenminste 6 maanden zonder proeftijd;

    • b.

      de duur van de proefplaats wordt vastgesteld op basis van afstand tot de arbeidsmarkt, opleidingsniveau, uitkeringsduur, complexiteit van de functie en persoonlijke omstandigheden van de persoon en zolang als nodig is voor de werkgever en het college om zich een beeld te vormen van de geschiktheid van de persoon;

    • c.

      de persoon gaat de werkzaamheden verrichten in de functie waar een vacature dan wel een werkplek voor is;

    • d.

      de persoon heeft niet reeds eerder dezelfde werkzaamheden onder dezelfde omstandigheden onbeloond verricht bij de werkgever, of diens rechtsvoorganger.

  • 4.

    Met de werkgever en de persoon wordt een schriftelijke proefplaatsingsovereenkomst gesloten.

  • 5.

    Gedurende de proefplaats krijgt de persoon toestemming te werken met behoud van uitkering.

  • 6.

    Het college plaatst een persoon alleen indien door plaatsing de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en indien door plaatsing geen verdringing van regulier werk plaatsvindt.

  • 7.

    De proefplaats duurt maximaal 3 maanden. In uitzonderlijke gevallen (zoals bijvoorbeeld bij tijdelijke en niet verwijtbare uitval) kan de proefplaats met maximaal 3 maanden worden verlengd.

Artikel 4.1.9 Participatievoorziening beschut werk

  • 1.

    Het college biedt ambtshalve of op verzoek de participatievoorziening beschut werk aan, aan een persoon van wie is vastgesteld dat deze door een lichamelijke, verstandelijke of psychische beperking een zodanige mate van begeleiding op en aanpassingen van de werkplek nodig heeft dat hij/zij alleen in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft, en deze persoon:

    • a.

      behoort tot de doelgroep zoals omschreven in art. 7 lid 1 sub a van de Participatiewet; of

    • b.

      een uitkering ontvangt van het UWV.

  • 2.

    Het college draagt zorg voor het beheer van de wachtlijst van de door het UWV geïndiceerde personen die geen beschutte dienstbetrekking hebben en beschikbaar zijn om een dergelijke dienstbetrekking te aanvaarden en stelt hiervoor beleidsregels vast.

  • 3.

    Het college kan uit de personen uit de doelgroep een voorselectie maken en wint bij het UWV advies in voor de beoordeling of zij uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. Het college selecteert voor deze beoordeling uitsluitend personen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt;

  • 4.

    Om de in artikel 10b, eerste lid, van de Participatiewet, bedoelde werkzaamheden mogelijk te maken zet het college de volgende ondersteunende voorzieningen in:

    • a.

      fysieke aanpassingen van de werkplek of de werkomgeving,

    • b.

      uitsplitsing van taken of aanpassingen in de wijze van werkbegeleiding, werktempo of arbeidsduur.

  • 5.

    Het college biedt de volgende voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling aan tot het moment dat de dienstbetrekking beschut werk aanvangt:

    • a.

      deelname aan een participatieplaats,

    • b.

      indien van toepassing (arbeidsmatige) dagbesteding of andere voorzieningen.

  • 6.

    Het college vergoedt de kosten voor werkbegeleiding aan werkgevers ten behoeve van een persoon met een beschut werk indicatie. Dit bedrag wordt vergoed tot een hoogte van €700 per maand voor een werknemer met een fulltime dienstverband (1FTE). De vergoeding wordt naar rato berekend. Het college kan dit bedrag jaarlijks indexeren.

  • 7.

    Bij ziekte vindt een verrekening van de vergoeding pas plaats indien de ziekte langer dan 30 dagen aanhoudt. Bij aanvang zwangerschapsverlof zal de vergoeding voor werkbegeleiding worden beëindigd. Wanneer een werknemer na een periode van arbeidsongeschiktheid weer gedeeltelijk start met de eigen werkzaamheden, kan in overleg tussen werkgever en het college, de begeleiding en daarmee ook de vergoeding weer worden opgestart. Voor werkzaamheden op arbeidstherapeutische basis geldt geen begeleidingsvergoeding, tenzij dit voorafgaand schriftelijk tussen werkgever en het college is overeengekomen.

Artikel 4.1.10 Tegenprestatie

  • 1.

    Het college kan onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden die additioneel van aard zijn inzetten als tegenprestatie voor zover die werkzaamheden:

    • a.

      naar hun aard niet zijn gericht op toeleiding tot de arbeidsmarkt;

    • b.

      niet zijn bedoeld als re-integratie-instrument;

    • c.

      worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid in de organisatie waarin ze worden verricht; en

    • d.

      niet leiden tot verdringing.

  • 2.

    Het college kan een persoon uitsluitend een tegenprestatie opdragen indien bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen.

  • 3.

    Bij het opdragen van een tegenprestatie houdt het college rekening met de persoonlijke omstandigheden van de belanghebbende.

  • 4.

    De tegenprestatie kan binnen een periode van 12 maanden slechts eenmaal worden opgedragen en omvat in die periode ten hoogste 15 weken en maximaal 12 uren per week.

  • 5.

    Het college draagt geen tegenprestatie op indien:

    • a.

      een belanghebbende mantelzorg verricht voor zover het verrichten van mantelzorg naar het oordeel van het college redelijkerwijs noodzakelijk is;

    • b.

      geen werkzaamheden voorhanden zijn die kunnen worden ingezet als tegenprestatie.

Artikel 4.1.11 Participatieplaatsen

  • 1.

    Het college kan personen uit de doelgroep als bedoeld in artikel 4.1.1 onbeloonde, additionele werkzaamheden laten verrichten als bedoeld in artikel 10a van de Participatiewet en artikel 38a IOAW of artikel 38a IOAZ.

  • 2.

    Het college biedt personen die werkzaamheden verrichten als bedoeld in het eerste lid en die niet beschikken over een startkwalificatie, na zes maanden een opleiding – of scholingstraject aan.

  • 3.

    Het aanbod als bedoeld in het tweede lid wordt niet gedaan wanneer deze naar het oordeel van het college niet bijdraagt aan vergroting van de kans op inschakeling in het arbeidsproces.

  • 4.

    Het eerste lid is niet van toepassing op personen als bedoeld in artikel 7, derde lid, onderdeel a, van de Participatiewet.

  • 5.

    De premie, bedoeld in artikel 10a, zesde lid, van de Participatiewet bedraagt € 150,- per zes maanden, mits in die zes maanden voldoende is meegewerkt aan het vergroten van de kans op inschakeling in het arbeidsproces.

Artikel 4.1.12 Afweging

  • 1.

    Een besluit tot het aanbieden of voortzetten van een voorziening aan een persoon uit de doelgroep gebeurt met inachtneming van:

    • a.

      de mogelijkheden en belemmeringen van de persoon

    • b.

      de actuele of toekomstige vraag op de arbeidsmarkt.

  • 2.

    Indien nodig gebeurt de afweging als bedoeld in het eerste lid tevens met inachtneming van:

    • a.

      het belang van scholing voor een arbeidsinschakeling naar vermogen;

    • b.

      de kosten van een voorziening in relatie tot de daarmee te dienen financiële belangen van de GR Sociaal en de persoonlijke belangen van de persoon uit de doelgroep.

Artikel 4.1.13 Waarborgsom of geldlening

Het college kan aan het aanbieden of voortzetten van een voorziening de voorwaarde verbinden dat de belanghebbende een waarborgsom voldoet of meewerkt aan een geldlening, welke waarborgsom wordt terugbetaald, dan wel welke geldlening wordt omgezet in een gift indien en voor zover de belanghebbende heeft meegewerkt aan de voorziening en aan zijn arbeidsinschakeling.

Artikel 4.1.14 Beëindiging

  • 1.

    Het college kan de voorziening beëindigen, dan wel intrekken:

    • a.

      als een persoon die deelneemt aan een voorziening, zijn verplichtingen als bedoeld in artikel 4.1.3 van deze verordening, dan wel zijn verplichtingen als bedoeld in artikel 9 en 17 van de Participatiewet, artikel 13 en 37 van de IOAW, artikel 13 en 37 van de IOAZ, niet of niet voldoende nakomt en hem dit te verwijten valt;

    • b.

      als een persoon die deelneemt aan een voorziening, niet meer tot de doelgroep bedoeld in artikel 4.1.1 van deze verordening behoort;

    • c.

      indien het college een andere voorziening aanbiedt;

    • d.

      als een persoon die deelneemt aan een voorziening, neveninkomsten heeft die naar oordeel van het college betekenen dat hij in staat is zonder voorziening een plaats te vinden of te behouden op de arbeidsmarkt.

  • 2.

    Beëindiging van de voorziening kan tevens inhouden: het beëindigen van de subsidie, bedoeld in artikel 4.1.6 van deze verordening.

Artikel 4.1.15 Premies, subsidies, onkostenvergoedingen en geldleningen

  • 1.

    Het college kan aan uitkeringsgerechtigden een activeringspremie of stimuleringssubsidie toekennen wanneer zij algemeen geaccepteerde arbeid, niet zijnde gesubsidieerde arbeid, aanvaarden, dan wel wanneer zij activiteiten verrichten in het kader van sociale activering.

  • 2.

    Het college kan aan uitkeringsgerechtigden onkostenvergoedingen en geldleningen in verband met de deelname aan een voorziening toekennen.

  • 3.

    Onverminderd het eerste en tweede lid komen ook personen als bedoeld in artikel 7, zevende lid van de Participatiewet voor een activeringspremie of stimuleringssubsidie in aanmerking indien zij aan alle voorwaarden voldoen.

  • 4.

    Het college kan ten aanzien van de verstrekking van premies en subsidies als bedoeld in het eerste en vierde lid nadere regels vaststellen.

  • 5.

    Het college kan nadere regels vaststellen ten aanzien van de verstrekking van onkostenvergoedingen en geldleningen in verband met de deelname aan een voorziening als bedoeld in het tweede lid.

Artikel 4.1.16 Budgetplafond

  • 1.

    Het college kan een budgetplafond vaststellen voor elke afzonderlijke voorziening als bedoeld in paragraaf 4.1.

  • 2.

    Het college kan een plafond instellen voor het aantal personen dat in aanmerking komt voor een specifieke voorziening als bedoeld in paragraaf 4.1.

Artikel 4.1.17 Subsidieplafond

  • 1.

    Het college kan een subsidieplafond vaststellen ten aanzien van subsidieverlening op grond van paragraaf 4.1 van deze verordening.

  • 2.

    Op de subsidies bedoeld in dit artikel is de algemene subsidieverordening van toepassing.

Artikel 4.1.18 Participatieplekken

  • 1.

    Het college organiseert een aanbod van participatieplekken in de gemeente waar inwoners onder begeleiding vrijwillige additionele activiteiten uitvoeren, gericht op participatie in de samenleving.

  • 2.

    De participatieplekken zijn (onder meer) toegankelijk voor inwoners van Dordrecht met een bijstandsuitkering of inwoners van wie het college inschat dat zij op een bijstandsuitkering aangewezen zijn.

Artikel 4.1.19 Onvoorziene omstandigheden

In alle gevallen waarin paragraaf 4.1 van deze verordening niet voorziet, beslist het college.

Paragraaf 4.2 Persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen

Artikel 4.2.1 Voorwaarden toekenning persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen

  • 1.

    Het college kan persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen verstrekken ten behoeve van een persoon met een arbeidsbeperking.

  • 2.

    Bij de toekenning van persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen gelden, de volgende voorwaarden:

    • a.

      de persoon behoort tot de doelgroep en is minimaal achttien jaar oud, tenzij hij voortgezet speciaal onderwijs / praktijkonderwijs heeft genoten;

    • b.

      de persoon kan zonder deze vorm van ondersteuning niet aan het arbeidsproces deelnemen;

    • c.

      de werkgever biedt een dienstbetrekking aan van minimaal zes maanden, met een minimale arbeidsduur van 12 uur per week;

    • d.

      het betreft geen Arbo-taak waarvoor de werkgever verantwoordelijk is;

    • e.

      het betreft geen meeneembare voorziening als bedoeld in artikel 4.3.3 die tot de standaarduitrusting van de werkgever behoort of algemeen gebruikelijk is in een organisatie;

    • f.

      er is naar het oordeel van het college geen sprake van een werkplekaanpassing die in zijn algemeenheid van de werkgever kan worden verlangd; en

    • g.

      de kosten van de voorziening(en) zijn naar het oordeel van het college proportioneel, dat wil zeggen dat de investering in de voorziening moet opwegen tegen de (maatschappelijke) opbrengsten van uitstroom naar werk.

Artikel 4.2.2 Aanvraagprocedure persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen

  • 1.

    Een aanvraag om persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen kan bij het college worden ingediend door de persoon of zijn werkgever. Het college kan hiervoor een aanvraagformulier vaststellen.

  • 2.

    Het college bepaalt na overleg met de persoon, en indien van toepassing met de werkgever, welke ondersteuning en/of voorziening(en) het beste kunnen bijdragen aan de arbeidsinschakeling.

  • 3.

    Het college onderzoekt, voor zover nodig en gelet op de omstandigheden van de persoon, in daartoe voorkomende gevallen de mogelijkheden om door samenwerking met andere partijen, onder meer op het gebied van (publieke) gezondheid, jeugdhulp, maatschappelijke ondersteuning, onderwijs, schuldhulpverlening, welzijn en wonen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde integrale dienstverlening met het oog op de arbeidsinschakeling, bedoeld in artikel 8a, tweede lid, onder g, onderdeel 1 van de Participatiewet, of de wijze van voortgezette persoonlijke ondersteuning als bedoeld in artikel 8a, tweede lid, onder g, onderdeel 2, van de Participatiewet.

Artikel 4.2.3 Inhoud beschikking persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen

Het college geeft in een beschikking tot toekenning van persoonlijke ondersteuning bij werk of een overige voorziening in ieder geval aan:

  • a.

    welke persoonlijke ondersteuning of overige voorziening wordt verstrekt;

  • b.

    als subsidie wordt verstrekt, wat de hoogte is van het subsidiebedrag;

  • c.

    de duur en intensiteit van de persoonlijke ondersteuning;

  • d.

    de ingangsdatum van de persoonlijke ondersteuning of overige voorziening;

  • e.

    als de verstrekking afwijkt van wat is aangevraagd, wat de reden is van afwijking; en

  • f.

    voor zover van toepassing, welke andere ondersteuning of voorziening relevant is, of kan zijn, waaronder de wijze waarop de persoon integraal kan worden ondersteund.

Artikel 4.2.4 Persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen

  • 1.

    Het college kan persoonlijke ondersteuning bij werk in de vorm van jobcoaching in natura verstrekken door middel van een jobcoach die werkzaam is in een dienstverband bij of in opdracht van de gemeente of werkzaam is in een dienstverband bij of in opdracht van een derde, waarbij de gemeente de uitvoering van de jobcoaching heeft ingekocht.

  • 2.

    Het college kan subsidie aan de werkgever toekennen voor persoonlijke ondersteuning bij werk in de vorm van:

    • a.

      jobcoaching door een interne of externe jobcoach; of

    • b.

      interne werkbegeleiding door een interne werkbegeleider.

Artikel 4.2.5 Specifieke voorwaarden toekenning persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen

  • 1.

    De aanvraag voor persoonlijke ondersteuning bij werk moet binnen 6 maanden na de ingangsdatum van de dienstbetrekking zijn ontvangen, tenzij voorafgaand aan of op het moment van aanvang van het dienstverband de noodzaak voor die ondersteuning redelijkerwijs nog niet bekend kon zijn.

  • 2.

    Het college past bij het besluit maatwerk toe, waarbij de aard, omvang, duur en intensiteit van de persoonlijke ondersteuning wordt gewogen.

Artikel 4.2.6 Jobcoaching

  • 1.

    Het college kan jobcoaching toekennen als dit van belang is voor een persoon met een arbeidsbeperking om te kunnen werken. Jobcoaching heeft tot doel de persoon vanaf het moment van feitelijke werkaanvaarding te begeleiden naar een situatie waarin hij/zij uiteindelijk zonder of met zo min mogelijk begeleiding bij een reguliere werkgever werkzaam kan zijn.

  • 2.

    Het college biedt jobcoaching aan als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

    • a.

      er is sprake van een persoon met een arbeidsbeperking;

    • b.

      er is sprake van een dienstverband/arbeidsovereenkomst voor de duur van ten minste 6 maanden en voor minimaal 12 uur per week. Jobcoaching kan ook worden toegekend gedurende de proefplaatsing met de intentie te komen tot een arbeidsovereenkomst voor de duur van ten minste 6 maanden en voor minimaal 12 uur per week;

    • c.

      jobcoaching is voor de persoon noodzakelijk omdat hij/zij zonder deze begeleiding zijn functie niet naar behoren kan uitvoeren en/of niet naar een situatie kan toegroeien waarin hij/zij uiteindelijk met zo min mogelijk begeleiding bij een reguliere werkgever werkzaam kan zijn; en

    • d.

      er is geen sprake van een voorliggende voorziening, bijvoorbeeld via de zorgverzekeraar, UWV, Wsw of een andere regeling.

  • 3.

    Het college besluit op basis van een beargumenteerd voorstel van een conform lid 5 van dit artikel gekwalificeerde jobcoach, dan wel op basis van het oordeel van een gespecialiseerd begeleider werkend onder verantwoordelijkheid van het college, wat de noodzakelijke ureninvestering en de noodzakelijke duur in maanden is om het doel te realiseren. Het college besluit tevens, rekening houdend met het belang van de werknemer, of een interne (in dienst van de werkgever zijnde) of externe (niet in dienst van de werkgever zijnde) jobcoach wordt ingezet.

  • 4.

    Het college kan jobcoaching inzetten vanaf het eerste moment van werkaanvaarding (plaatsing) en nog voordat de begeleidingsbehoefte van belanghebbende kan worden ingeschat. In dat geval dient de betreffende jobcoach binnen 6 weken na aanvang van de jobcoaching te komen tot een gemotiveerd voorstel, inbegrepen de reeds geboden jobcoaching, op basis waarvan het college kan besluiten. In deze gevallen heeft het besluit terugwerkende kracht tot het moment van aanvang van de jobcoaching.

  • 5.

    De volgende kwaliteitseisen zijn op jobcoaching van toepassing:

    • a.

      jobcoach in dienst van een jobcoachorganisatie (externe jobcoach): de jobcoachorganisatie waar de jobcoach in dienst is, is als zodanig erkend op grond van de vigerende Beleidsregel Erkennings- en intrekkingskader uitvoering persoonlijke ondersteuning UWV, staat in voor de vakbekwaamheid van haar personeel en kan van het voorgaande desgevraagd bewijstukken overleggen.

    • b.

      jobcoach werkzaam als ZZP'er (externe jobcoach): de jobcoach heeft een hbo-opleiding met succes afgerond of heeft een hbo werk- en denkniveau; en

  • de jobcoach heeft met succes een NOLOC erkende opleiding afgerond (diploma/certificaat behaald) of de jobcoach heeft minimaal 3 jaar aantoonbare werkervaring als jobcoach voor personen met een arbeidsbeperking.

    • c.

      jobcoach in dienst van de werkgever of ingehuurd door de werkgever (interne jobcoach): de jobcoach heeft een hbo-opleiding met succes afgerond of heeft een hbo werk- en denkniveau;

      de jobcoach heeft met succes een NOLOC erkende opleiding afgerond (diploma/certificaat behaald), of de jobcoach heeft minimaal 3 jaar aantoonbare werkervaring als jobcoach voor personen met een arbeidsbeperking;

      en de jobcoach is voor een deel van zijn werkuren vrijgesteld om de jobcoaching op zich te kunnen nemen.

  • 6.

    De vergoeding voor jobcoaching wordt iedere 3 maanden achteraf uitbetaald op basis van opgave van werkelijk gewerkte uren en een verantwoordingsrapportage. Hiervoor gelden de volgende uurtarieven:

    • a.

      externe jobcoaching: de uurvergoeding zoals deze in de overeenkomst met de jobcoach wordt vastgesteld.

    • b.

      interne jobcoaching: de uurvergoeding is overeenkomstig de vigerende Handleiding Overheidstarieven (HOT), uitgaande van de directe loonkosten voor productieve uren schaal 10 BBRA.

  • 7.

    Na maximaal 1 jaar of zoveel vroeger als wenselijk heroverweegt het college of voortzetting van de jobcoaching in de geboden vorm nog langer noodzakelijk is. Het baseert zich daarbij minimaal op een beargumenteerd verlengingsvoorstel van een conform lid 5 van dit artikel gekwalificeerde jobcoach, beschikbare voortgangsrapportages en – mits voorhanden – de uitslag van de loonwaardeberekening op de gewenste ondersteunings-/begeleidingsbehoefte.

  • 8.

    In afwijking van de voorgaande leden van dit artikel kan het college, ten behoeve van de jobcoaching aan personen met een arbeidsbeperking, met de betreffende werkgever en/of begeleidende jobcoachingsorganisatie speciale maatwerkafspraken maken:

    • a.

      indien de werkgever 15 of meer personen met een arbeidsbeperking tegelijkertijd in dienst heeft;

    • b.

      indien de werkgever is gespecialiseerd in het bieden van (aangepast) werk aan personen met een arbeidsbeperking.

Artikel 4.2.7 Jobcoaching in natura

  • 1.

    Het college kan ambtshalve, of op aanvraag, jobcoaching in natura aanbieden.

  • 2.

    Bij aanvragen om jobcoaching in natura en de voorbereiding van een beschikking op de aanvraag is het bepaalde in de artikelen 4.2.1 t/m 4.2.6 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 4.2.8 Werkbegeleiding

  • 1.

    Het college vergoedt de kosten voor werkbegeleiding aan werkgevers ten behoeve van een persoon die door zijn of haar arbeidsbeperking extra begeleiding nodig heeft op de werkvloer. Deze kosten worden vergoed tot een hoogte van €295 per maand voor een werknemer met een fulltime dienstverband (1 FTE). De vergoeding wordt naar rato berekend. Het college kan dit bedrag jaarlijks indexeren.

  • 2.

    Met werkbegeleiding wordt een vorm van praktische werkaansturing bedoeld, die er op gericht is de continuïteit en duurzaamheid van een dienstverband zoveel mogelijk te garanderen. Verwacht wordt dat het risico op uitval van de persoon met een arbeidsbeperking zonder inzet van werkbegeleiding groot is.

  • 3.

    Werkbegeleiding onderscheidt zich van het instrument jobcoaching op basis van onderstaande, niet-limitatieve criteria:

    • a.

      de werkbegeleider is een interne medewerker die dagelijkse begeleiding geeft op de werkplek;

    • b.

      werkbegeleiding moet voor een persoon met een arbeidsbeperking gedurende de werktijd beschikbaar zijn, terwijl de jobcoach enkel op vooraf afgesproken tijdstippen voor de persoon beschikbaar is;

    • c.

      werkbegeleiding is gericht op het zoveel mogelijk garanderen van de continuïteit van een dienstverband, terwijl jobcoaching tot doel heeft een persoon met een arbeidsbeperking te ontwikkelen naar een situatie waarin deze uiteindelijk zonder, of met zo min mogelijk begeleiding bij een werkgever werkzaam kan zijn;

    • d.

      eisen ten aanzien van opleiding, denkniveau en opleiding zoals die aan jobcoaches zijn verbonden, gelden niet voor werkbegeleiders.

  • 4.

    Deze voorziening wordt enkel ingezet indien de mate van benodigde werkbegeleiding naar het oordeel van het college dusdanig is, dat van een werkgever redelijkerwijs niet kan worden verwacht dat deze de werkbegeleiding financieel volledig op zich neemt.

  • 5.

    De omvang van werkbegeleiding wordt per kandidaat bepaald en beschikt. Gedurende de inwerkperiode van maximaal zes maanden na indiensttreding ontvangt de werkgever een tijdelijke vergoeding die op dezelfde wijze wordt berekend als de eventuele uiteindelijke vergoeding, conform het bepaalde in het achtste lid.

  • 6.

    Na ontvangst van het loonwaarderapport wordt bepaald of de tijdelijke vergoeding wordt omgezet in een vaste maandelijkse vergoeding of per datum loonwaarderapport komt te vervallen, omdat er geen werkbegeleiding meer noodzakelijk is.

  • 7.

    Indien een loonwaarderapport bij aanvang van een dienstverband reeds aanwezig is (bijvoorbeeld uit een stage of proefplaatsing), geldt de tijdelijke vergoeding niet, maar wordt, indien er werkplekbegeleiding noodzakelijk is, direct het bedrag berekend aan de hand van het bepaalde in het achtste lid.

  • 8.

    Indien een werkgever meer kandidaten met werkbegeleiding heeft kan het college besluiten om de vergoeding lager vast te stellen in verband met schaalvoordelen door groepsinstructie.

  • 9.

    De werkgever rapporteert jaarlijks over de voortgang van de trajecten via formats die door het college beschikbaar worden gesteld. Bij het niet tijdig inleveren van een rapportage kan de begeleidingsvergoeding worden stopgezet.

  • 10.

    Bij ziekte vindt een verrekening van de vergoeding pas plaats indien de ziekte langer dan 30 dagen aanhoudt. Bij aanvang zwangerschapsverlof zal de vergoeding voor werkbegeleiding worden beëindigd.

  • 11.

    Wanneer een werknemer na een periode van arbeidsongeschiktheid weer gedeeltelijk start met de eigen werkzaamheden, kan in overleg tussen werkgever en het college, de begeleiding en daarmee ook de vergoeding weer worden opgestart. Voor werkzaamheden op arbeidstherapeutische basis geldt geen begeleidingsvergoeding, tenzij dit voorafgaand schriftelijk tussen werkgever en het college is overeengekomen.

  • 12.

    Het college kan op individuele grondslag afwijken van bovenstaande regels in dit artikel indien de toepassing daarvan voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de betreffende regels te dienen doelen.

Artikel 4.2.9 Subsidie voor het organiseren van jobcoaching en werkbegeleiding

  • 1.

    Het college kan op aanvraag subsidie verlenen aan de werkgever voor het organiseren van jobcoaching en werkbegeleiding.

  • 2.

    Voor het verstrekken van deze subsidie kan het college nadere regels vaststellen.

Paragraaf 4.3 Specifieke bepalingen overige voorzieningen

Artikel 4.3.1 Specifieke voorwaarden toekennen vervoersvoorziening

  • 1.

    Het college kan een vervoersvoorziening toekennen aan een persoon die door zijn of haar beperking niet zelfstandig naar zijn werkplek, proefplaats of opleidingslocatie kan reizen. Deze vervoersvoorziening kan zowel in natura als in de vorm van een vergoeding in geld worden verstrekt.

  • 2.

    Het college biedt een vervoersvoorziening aan de persoon als bedoeld in het eerste lid aan als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

    • a.

      Noodzakelijkheid: de werkzoekende kan door zijn/haar beperking niet zelfstandig reizen en/of niet zelfstandig gebruik maken van het openbaar vervoer; en

    • b.

      Alleen voor woon/werk verkeer; en

    • c.

      De persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 6, lid 1, sub e van de Participatiewet en/of heeft een structurele functionele beperking als gevolg van een ziekte of handicap/gebrek; en

    • d.

      Er is sprake van een dienstverband/arbeidsovereenkomst voor de duur van ten minste 6 maanden en voor minimaal 12 uur per week. Een vervoersvoorziening kan ook worden toegekend gedurende de proefplaatsing; en

    • e.

      De persoon kan geen aanspraak maken op de reguliere vervoersvoorziening van het college of een voorliggende voorziening zoals bijvoorbeeld vervoersvoorziening Wmo 2015, UWV, Wsw, Wmo 2015 of via een zorgverzekeraar;

  • 3.

    Het college biedt de meest adequate en goedkoopste oplossing, kwalitatief verantwoord. De kosten van de vervoersvoorziening dienen proportioneel te zijn. Dat wil zeggen dat de investering in de vervoersvoorziening moet opwegen tegen de opbrengsten van uitstroom naar werk. Bij de beoordeling of de kosten proportioneel zijn wordt onder andere betrokken:

    • a.

      de kosten van de vervoersvoorziening;

    • b.

      de duur van de arbeidsovereenkomst in termen van looptijd (aantal maanden/jaren/bepaalde tijd/ onbepaalde tijd);

    • c.

      de omvang van de arbeidsovereenkomst in termen van het aantal uren/dagen per week dat de belanghebbende gaat werken;

    • d.

      de opbrengsten in termen van besparing op de uitkeringslasten en eventuele andere lasten (bijvoorbeeld in het kader van de WMO 2015) in relatie tot de kosten van de vervoersvoorziening.

  • 4.

    Een eventuele vervoersvoorziening van de werkgever wordt in mindering gebracht op de toe te kennen vervoersvoorziening.

Artikel 4.3.2 Specifieke voorwaarden noodzakelijk intermediaire activiteit bij visuele of motorische handicap

  • 1.

    Het college kan een voorziening in de vorm van een intermediaire activiteit toekennen die gericht is op de vervanging of ondersteuning van een door ziekte of gebrek geheel of gedeeltelijk ontbrekende visuele of motorische lichaamsfunctie.

  • 2.

    Het college kan in beleidsregels nader uitwerken hoe zij de omvang van de noodzakelijke intermediaire activiteit bepaalt.

Artikel 4.3.3 Specifieke voorwaarden meeneembare voorzieningen

  • 1.

    Het college kan een meeneembare voorziening toekennen, als dit nodig is voor de belanghebbende met een arbeidsbeperking om te kunnen werken. Meeneembare voorzieningen zijn bijzondere hulpmiddelen die een werkgever normaal gesproken niet in zijn bedrijf beschikbaar heeft. Denk bijvoorbeeld aan orthopedische schoenen, voorleesapparatuur, spraakversterkers of een aangepaste bureaustoel. De belanghebbende met een arbeidsbeperking kan deze meeneembare voorzieningen ook op een andere werkplek of bij een andere werkgever gebruiken.

  • 2.

    Van de meeneembare voorziening moet de noodzaak en meerwaarde in de werksfeer worden aangetoond.

  • 3.

    De volgende zaken worden in ieder geval niet als meeneembare voorziening verstrekt: brillen en contactlenzen, hoortoestellen, hulpmiddelen tegen stotteren en paradigm real-time meting.

  • 4.

    Het college biedt een meeneembare voorziening aan als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

    • a.

      noodzakelijkheid: de meeneembare voorziening is naar verwachting minimaal 6 maanden nodig om de belanghebbende zijn/haar werk te kunnen laten uitvoeren; en

    • b.

      er is sprake van een dienstverband/arbeidsovereenkomst voor de duur van ten minste 6 maanden en voor minimaal 12 uur per week. Een meeneembare voorziening kan ook worden toegekend gedurende de proefplaatsing; en

    • c.

      de persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, sub e van de Participatiewet en/of heeft een structurele functionele beperking als gevolg van een ziekte of handicap/gebrek; en

    • d.

      er is geen sprake van een voorliggende voorziening, bijvoorbeeld via de zorgverzekeraar, UWV, Wsw, Wmo 2015 of een andere regeling.

  • 5.

    Meeneembare voorzieningen die tot de standaarduitrusting van de werkgever behoren c.q. algemeen gebruikelijk zijn in het bedrijfsleven worden niet vergoed;

  • 6.

    Het college biedt de meest adequate en goedkoopste oplossing, kwalitatief verantwoord. De kosten van de meeneembare voorziening dienen proportioneel te zijn. Dat wil zeggen dat de investering in de werkplekaanpassing moet opwegen tegen de opbrengsten van uitstroom naar werk. Bij de beoordeling of de kosten proportioneel zijn wordt onder andere betrokken:

    • a.

      de kosten van de meeneembare voorziening;

    • b.

      de duur van de arbeidsovereenkomst in termen van looptijd (aantal maanden/jaren/bepaalde tijd/ onbepaalde tijd);

    • c.

      de omvang van de arbeidsovereenkomst in termen van het aantal uren per week dat de belanghebbende gaat werken;

    • d.

      de opbrengsten in termen van besparing op de uitkeringslasten en eventuele andere lasten (bijvoorbeeld in het kader van de Wmo 2015) in relatie tot de kosten van de meeneembare voorziening.

  • 7.

    De meeneembare voorziening wordt in principe in bruikleen beschikbaar gesteld aan de belanghebbende. In specifieke gevallen kan besloten worden de meeneembare voorziening in eigendom te verstrekken.

Paragraaf 4.4 Afstemming niet nakomen niet-geüniformeerde verplichtingen met betrekking tot de arbeidsinschakeling en overige verplichtingen

Artikel 4.4.1 Gedragingen Participatiewet

  • 1.

    Het college verlaagt de bijstandsnorm op grond van artikel 18, tweede lid van de Participatiewet indien aan de belanghebbende naar zijn oordeel een van de gedragingen, bedoeld in eerder genoemd artikel en voor zover deze gedraging niet mede valt onder een gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid van de Participatiewet, verweten kan worden.

  • 2.

    De gedragingen uit het vorige lid worden onderscheiden naar de volgende categorieën:

    • a.

      eerste categorie:

      • i.

        het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of het niet tijdig laten verlengen van deze registratie;

      • ii.

        het niet dan wel niet tijdig voldoen aan een oproep om in verband met arbeidsinschakeling op een aangegeven plaats en tijd te verschijnen;

      • iii.

        het zich zeer ernstig misdragen tegenover personen of instanties die zijn belast met de uitvoering van de Participatiewet, tijdens het verrichten van hun werkzaamheden, als bedoeld in artikel 9, zesde lid, van de Participatiewet, voor zover het betreft verbaal geweld zoals schelden;

    • b.

      tweede categorie:

      • i.

        het niet of onvoldoende meewerken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 44a van de Participatiewet;

      • ii.

        het niet dan wel niet tijdig voldoen aan een oproep om in verband met arbeidsinschakeling op een aangegeven plaats en tijd te verschijnen, voor zover het betreft een afspraak bij een werkgever;

      • iii.

        het niet nakomen van de opgelegde verplichtingen op grond van paragraaf 6.3 van de Participatiewet;

      • iv.

        het in onvoldoende mate nakomen van de verplichting gebruik te maken van de aangeboden voorziening gericht op arbeidsre-integratie voor zover deze niet valt onder de geüniformeerde verplichtingen;

      • v.

        het zich zeer ernstig misdragen tegenover personen of instanties die zijn belast met de uitvoering van de Participatiewet, tijdens het verrichten van hun werkzaamheden, als bedoeld in artikel 9, zesde lid, van de Participatiewet, voor zover het betreft (seksuele) intimidatie, het vernielen van eigendommen van het college en het bedreigen met fysiek geweld.

    • c.

      derde categorie:

      • i.

        het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen;

      • ii.

        het zich zeer ernstig misdragen tegenover personen of instanties die zijn belast met de uitvoering van de Participatiewet, tijdens het verrichten van hun werkzaamheden, als bedoeld in artikel 9, zesde lid, van de Participatiewet, waaronder in ieder geval wordt begrepen het uitoefenen van fysiek geweld;

      • iii.

        het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b, van de Participatiewet niet te willen nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder, bedoeld in artikel 9a, vijfde lid aanhef en sub d van de Participatiewet;

      • iv.

        het anderszins niet of onvoldoende verlenen van de medewerking, die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de Participatiewet, waaronder begrepen het op verzoek onverwijld uit eigen beweging doen van mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling en voor zover deze gedraging niet valt onder een gedraging als bedoeld in artikel 18a van de Participatiewet;

      • v.

        het niet nakomen van de opgelegde verplichtingen op grond van paragraaf 6.3 van de Participatiewet, waardoor langer dan wel voor een hoger bedrag een beroep op bijstand moet worden gedaan;

      • vi.

        het doen of nalaten, waaruit blijkt een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan, waardoor langer dan wel voor een hoger bedrag een beroep op bijstand moet worden gedaan.

Artikel 4.4.2 Gedragingen IOAW en IOAZ

  • 1.

    Het college verlaagt de uitkering ingevolge de IOAW respectievelijk de IOAZ eenmalig op grond van artikel 20, tweede lid of artikel 38, twaalfde lid van de IOAW respectievelijk artikel 20, tweede lid of artikel 38, twaalfde lid van de IOAZ, indien aan belanghebbende naar het oordeel van het college een van de gedragingen, bedoeld in eergenoemde artikelen, verweten kan worden.

  • 2.

    De gedragingen uit het vorige lid worden onderscheiden naar de volgende categorieën:

    • a.

      eerste categorie:

      • i.

        het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of het niet tijdig laten verlengen van deze registratie;

      • ii.

        het niet dan wel niet tijdig voldoen aan een oproep om in verband met arbeidsinschakeling op een aangegeven plaats en tijd te verschijnen;

      • iii.

        het zich zeer ernstig misdragen tegenover het college of personen die ten dienste of in opdracht van het college werkzaam zijn, onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de IOAW of de IOAZ, voor zover het betreft verbaal geweld zoals schelden;

    • b.

      tweede categorie:

      • i.

        het niet of onvoldoende meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling;

      • ii.

        het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het college aangeboden voorziening als bedoeld in de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel e, van de IOAW of de artikelen 36, eerste lid, en artikel 37, eerste lid, onderdeel e, van de IOAZ;

      • iii.

        het zich zeer ernstig misdragen tegenover het college of personen die ten dienste of in opdracht van het college werkzaam zijn, onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de IOAW of de IOAZ, voor zover het betreft (seksuele) intimidatie, het vernielen van eigendommen van het college en het bedreigen met fysiek geweld;

    • c.

      derde categorie:

      • i.

        het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen, het niet aanvaarden of het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid;

      • ii.

        het zich zeer ernstig misdragen tegenover het college of personen die ten dienste of in opdracht van het college werkzaam zijn, onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de IOAW of de IOAZ, waaronder in ieder geval wordt begrepen het uitoefenen van fysiek geweld;

      • iii.

        het anderszins niet of onvoldoende verlenen van de medewerking, die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de IOAW of de IOAZ alsmede het nalaten van wat inschakeling in de arbeid belemmert, waaronder begrepen het op verzoek op onverwijld uit eigen beweging doen van mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling en voor zover deze gedraging niet valt onder een gedraging bedoeld in artikel 18a van de Participatiewet;

      • iv.

        het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken de verplichtingen als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel e, van de IOAW of artikel 37, eerste lid, onderdeel e, van de IOAZ niet te willen nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de IOAW of artikel 38, eerste lid, van de IOAZ.

Artikel 4.4.3 Hoogte en duur van de verlaging

De verlaging, bij gedragingen als bedoeld in de artikelen 4.4.1 en 4.4.2, wordt:

  • 1.

    bij gedragingen van de eerste categorie, vastgesteld op:

    • a.

      eenmalig € 150,-;

    • b.

      € 300,-, indien er sprake is van een gedraging binnen 12 maanden nadat voor een eerdere gedraging onderdeel a toepassing heeft gevonden;

    • c.

      telkens € 450,-, indien er sprake is van een gedraging binnen 12 maanden nadat voor een eerdere gedraging onderdeel b of dit onderdeel eerder toepassing heeft gevonden;

  • 2.

    bij gedragingen van de tweede categorie, vastgesteld op:

    • a.

      40 % van de bijstandsnorm of de grondslag gedurende één maand;

    • b.

      40 % van de bijstandsnorm of de grondslag gedurende twee maanden, indien er sprake is van een gedraging binnen 12 maanden nadat voor een eerdere gedraging onderdeel a toepassing heeft gevonden;

    • c.

      telkens 40% van de bijstandsnorm of de grondslag gedurende drie maanden, indien er sprake is van een gedraging binnen 12 maanden nadat voor een eerdere gedraging onderdeel b of dit onderdeel eerder toepassing heeft gevonden;

  • 3.

    bij gedragingen van de derde categorie, vastgesteld op:

    • a.

      100 % van de bijstandsnorm of de grondslag gedurende één maand;

    • b.

      100 % van de bijstandsnorm of de grondslag gedurende twee maanden, indien er sprake is van een gedraging binnen 12 maanden nadat voor een eerdere gedraging onderdeel a toepassing heeft gevonden;

    • c.

      telkens 100% van de bijstandsnorm of de grondslag gedurende drie maanden, indien er sprake is van een gedraging binnen 12 maanden nadat voor een eerdere gedraging onderdeel b of dit onderdeel eerder toepassing heeft gevonden.

Artikel 4.4.4 Weigering van de IOAW en IOAZ

  • 1.

    Het college weigert de uitkering ingevolge de IOAW of de IOAZ blijvend op grond van artikel 20, eerste lid van de IOAW respectievelijk artikel 20, tweede lid van de IOAZ, indien:

    • a.

      aan de beëindiging van de dienstbetrekking van belanghebbende een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en de belanghebbende ter zake een verwijt kan worden gemaakt;

    • b.

      de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de belanghebbende zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd, en;

      • i.

        de belanghebbende nalaat algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden; of

      • ii.

        de belanghebbende door eigen toedoen geen algemeen geaccepteerde arbeid verkrijgt.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid wordt de uitkering tijdelijk geweigerd indien de gedraging de belanghebbende niet in overwegende mate kan worden verweten. De periode van weigering komt in dat geval maximaal overeen met de mate waarin de belanghebbende in verband met arbeid inkomen als bedoeld in of op grond van artikel 8 IOAW of artikel 8 IOAZ zou hebben kunnen verwerven en deze periode is nooit langer dan zes maanden.

  • 3.

    Nadat ten aanzien van de belanghebbende tweemaal toepassing is gegeven aan het tweede lid, weigert het college de gehele uitkering op grond van de IOAW of de IOAZ blijvend indien voor een derde maal een dienstbetrekking van belanghebbende verwijtbaar is geëindigd of hij een dienstbetrekking verwijtbaar niet heeft verkregen.

Artikel 4.4.5 Weging van het gedrag

  • 1.

    Afstemming op grond van deze paragraaf vindt niet plaats indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

  • 2.

    Het college houdt bij zijn oordeel rekening met de omstandigheden en mogelijkheden van de belanghebbende, de ernst van de gedraging en de mate van verwijtbaarheid.

  • 3.

    Bij zijn oordeel als bedoeld in het vorige lid kan het college rekening houden met andere of eerdere gedragingen van de belanghebbende waarin deze tekortschoot in de naleving van op hem rustende verplichtingen op grond van de Participatiewet, de IOAW of de IOAZ, in het betonen van besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan of in diens gedrag jegens het college.

Artikel 4.4.6 Weging van de afstemming

  • 1.

    Gelet op het bepaalde in artikel 4.4.5 van deze verordening, kan het college in afwijking van de artikelen 4.4.3 en 4.4.4 de verlaging of tijdelijke weigering lager of hoger vaststellen en/of de periode van de verlaging of weigering verlengen of verkorten.

  • 2.

    Het college kan de verlaging of tijdelijke weigering lager vaststellen als de belanghebbende door de hoogte en/of de duur van de verlaging onredelijk zwaar wordt getroffen.

  • 3.

    Op grond van zeer dringende redenen kan het college geheel of gedeeltelijk afzien van de uitvoering van het besluit tot afstemming.

  • 4.

    Het college kan afzien van het opleggen van een maatregel en volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing, tenzij binnen 12 maanden voorafgaand aan de gedraging al een schriftelijke waarschuwing is gegeven.

Paragraaf 4.5 Afstemming niet nakomen geüniformeerde verplichtingen in verband met arbeidsinschakeling

Artikel 4.5.1 Duur van de verlaging

Als de belanghebbende een verplichting als bedoeld in artikel 18, vierde lid van de Participatiewet niet of onvoldoende nakomt, verlaagt het college de bijstandsnorm:

  • a.

    met 100 % gedurende 1 maand;

  • b.

    met 100% gedurende 2 maanden, indien er sprake is van een gedraging binnen 12 maanden nadat voor een eerdere gedraging onderdeel a toepassing heeft gevonden en voor zover artikel 18, zevende of achtste lid van de Participatiewet niet van toepassing is.

Artikel 4.5.2 Ontbrekende verwijtbaarheid en zeer dringende redenen

  • 1.

    Afstemming op grond van artikel 4.5.1 vindt niet plaats indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

  • 2.

    Het college kan gelet op de bijzondere omstandigheden van de situatie op grond van zeer dringende redenen geheel of gedeeltelijk afzien van de verlaging op grond van artikel 4.5.1.

Paragraaf 4.6 Uitvoering

Artikel 4.6.1 Uitvoering

  • 1.

    De uitvoering van het besluit tot afstemming vindt zoveel mogelijk plaats op de eerstvolgende betaling van bijstand of uitkering IOAW en de IOAZ volgend op de bekendmaking. Onder betaling van bijstand wordt ingeval de uitkering IOAW en de IOAZ is beëindigd tevens de uitbetaling van het gereserveerde vakantiegeld verstaan.

  • 2.

    De inkeerregeling als bedoeld in artikel 18, elfde lid van de Participatiewet is van overeenkomstige toepassing op de afstemming in verband met gedragingen genoemd in paragraaf 4.4.

  • 3.

    Het college kan grond van de in het tweede lid bedoelde inkeerregeling het besluit tot afstemming op verzoek van de belanghebbende herzien. Deze herziening heeft slechts betrekking op de tweede en volgende maand van de verlaging en kan plaatsvinden indien binnen zes weken na het besluit tot afstemming uit de houding en gedragingen van de belanghebbende ondubbelzinnig is gebleken dat hij de verplichtingen nakomt.

  • 4.

    Nadat het recht op bijstand of uitkering is geëindigd, kan uitvoering van het besluit tot afstemming alsnog plaatsvinden in geval van een hernieuwde toekenning, en wel met betrekking tot te verlenen bijstand, inkomensvoorziening of uitkering over een periode tot uiterlijk drie maanden na het besluit tot afstemming.

  • 5.

    Indien de aanspraak op de bijstandsnorm of uitkering over de maand waarover de afstemming plaatsvindt, minder bedraagt dan de vastgestelde verlaging, blijft de verlaging beperkt tot het bedrag van de aanspraak.

  • 6.

    Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder belanghebbende tevens de in het recht op bijstand of uitkering begrepen partner van belanghebbende verstaan.

Artikel 4.6.2 Samenloop van gedragingen

Indien sprake is van meerdere gedragingen die gelijktijdig plaatsvinden, en die alle een schending van een of meerdere verplichtingen genoemd in artikel 18 vierde lid van de Participatiewet of in dit hoofdstuk van deze verordening opleveren, verlaagt het college de bijstandsnorm of de uitkering slechts éénmaal. Voor het bepalen van de hoogte en duur van de verlaging wordt uitgegaan van de gedraging waarop de hoogste verlaging is gesteld.

Paragraaf 4.7 Handhaving

Artikel 4.7.1 Preventie van oneigenlijk gebruik

Het college voert een actief preventiebeleid ten aanzien van oneigenlijk gebruik. Onderdeel daarvan is de wijze waarop het college belanghebbenden informeert over de rechten en plichten die aan het ontvangen van bijstand, uitkering of een re-integratievoorziening zijn verbonden en over de consequenties van misbruik en oneigenlijk gebruik. Ter controle van het beroep op bijstand of uitkering wordt onder meer gebruik gemaakt van bestandsvergelijking met actuele gegevens en van de samenloopsignalen die daaruit voortkomen.

Artikel 4.7.2 Controle

  • 1.

    Het college doet stelselmatig onderzoek naar de rechtmatigheid van de bijstand of uitkering en kan daarbij onder meer gebruikmaken van huisbezoeken, bestandsvergelijkingen en de samenloopsignalen die daaruit voortkomen. Het college onderzoekt daarnaast overige signalen en tips die relevant zijn voor het recht op bijstand, inkomensvoorziening of uitkering.

  • 2.

    Het college doet onderzoek naar de reden van de beëindiging van de uitkering en neemt op basis daarvan besluiten met betrekking tot de rechtmatigheid van de uitkering en de wederzijds tussen het college en de belanghebbende resterende verplichtingen en de afhandeling daarvan.

  • 3.

    De onderzoeken als bedoeld in het eerste en tweede lid kunnen ook uitgevoerd worden met betrekking tot het gebruik van een re-integratievoorziening.

Artikel 4.7.3 Afhandeling geconstateerd oneigenlijk gebruik

  • 1.

    Het college legt, overeenkomstig de Participatiewet, een boete op aan en vordert de eventueel ten onrechte ontvangen bijstand terug van de belanghebbende die onjuiste, onvolledige of in het geheel geen inlichtingen verstrekt die van belang zijn of kunnen zijn voor de hoogte, de duur of de voortzetting van de bijstand of uitkering.

  • 2.

    Indien een gedraging van belanghebbende als bedoeld in het eerste lid leidt tot een dusdanige benadeling, dat hiervoor, overeenkomstig de Aanwijzing Sociale Zekerheidsfraude, aangifte bij het Openbaar Ministerie aan de orde is, worden de bevindingen van het onderzoek naar het Openbaar Ministerie gezonden.

Artikel 4.7.4 Nadere regels

Ten aanzien van het bepaalde in dit hoofdstuk kan het college nadere regels stellen.

Hoofdstuk 5. Inkomen en schulden (Participatiewet, Wet gemeentelijke schuldhulpverlening)

Voor inwoners die te weinig inkomen hebben om de dagelijkse kosten te kunnen betalen, heeft de gemeente een financieel vangnet: een maandelijkse uitkering. Om inwoners met een laag inkomen extra te ondersteunen, heeft de gemeente een aantal aanvullende regelingen beschikbaar. De gemeente heeft ook de taak om inwoners met schulden te helpen.

Paragraaf 5.0 Begripsomschrijvingen

Artikel 5.0 Begripsomschrijvingen

In hoofdstuk 5 wordt verstaand onder:

  • a.

    De van toepassing zijnde norm:

    • 1.

      de norm die geldt op de peildatum, zoals staat vermeld in artikel 21 onder a van de Participatiewet voor een alleenstaande of alleenstaande ouder; of

    • 2.

      de norm die geldt op de peildatum, zoals staat vermeld in artikel 21 onder b van de Participatiewet voor de gehuwden gezamenlijk; of

    • 3.

      de norm die geldt op de peildatum, zoals staat vermeld in artikel 23, eerste en derde lid van de Participatiewet bij verblijf in een inrichting als bedoeld in artikel 1 onder f, 1 en 2 van de Participatiewet.

  • b.

    Inkomen: totaal van het inkomen als bedoeld in artikel 32 van de Participatiewet. Algemene bijstand wordt, in afwijking van artikel 32 van de Participatiewet voor de beoordeling van het recht op persoonlijk minimabudget als inkomen gezien;

  • c.

    Peildatum: de datum waartegen een persoon om individuele inkomenstoeslag verzoekt;

  • d.

    persoonlijk minimabudget (PMB): de individuele inkomenstoeslag zoals bedoeld in artikel 36 van de wet;

  • e.

    Referteperiode: de periode van twaalf maanden voorafgaand aan de peildatum;

  • f.

    Schuldhulpverlening: het ondersteunen bij het vinden van een adequate oplossing gericht op de aflossing van schulden indien redelijkerwijs is te voorzien dat een natuurlijke persoon niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden of indien hij in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, alsmede de nazorg;

  • g.

    Verzoeker: persoon die zich tot het college heeft gewend voor schuldhulpverlening.

Paragraaf 5.1 Persoonlijk minimabudget

Artikel 5.1.1 Indienen verzoek

Een verzoek als bedoeld in artikel 36, eerste lid van de Participatiewet wordt ingediend middels een door of krachtens het college vastgesteld aanvraagformulier ‘PMB’.

Artikel 5.1.2 Langdurig laag inkomen

Een persoon heeft een langdurig laag inkomen, zoals bedoeld in artikel 36 eerste lid van de Participatiewet, als gedurende de referteperiode het in aanmerking te nemen inkomen niet hoger is dan 120% van de van toepassing zijnde norm.

Artikel 5.1.3 Hoogte van de toeslag

  • 1.

    Het persoonlijk minimabudget bedraagt per kalenderjaar 40% van de van toepassing zijnde norm.

  • 2.

    Als één van de gehuwden is uitgesloten van het recht op persoonlijk minimabudget ingevolge de artikelen 11 of 13, eerste lid, van de Participatiewet, komt de rechthebbende echtgenoot in aanmerking voor een persoonlijk minimabudget naargelang de hoogte die voor hem als alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden.

  • 3.

    Voor de toepassing van het eerste of tweede lid is de situatie op de peildatum bepalend.

  • 4.

    De bedragen van het persoonlijk minimabudget worden naar boven afgerond op het eerstvolgende veelvoud van € 5.

  • 5.

    Gehuwden en alleenstaanden met een of meerdere inwonende kinderen in de leeftijd van 13 tot 18 jaar ontvangen een bedrag van € 100 bovenop het bedrag genoemd in het eerste lid.

Artikel 5.1.4 Geen recht

Geen recht op een persoonlijk minimabudget heeft de persoon die:

  • 1.

    het jaar voorafgaand aan de peildatum gezien zijn/haar krachten en bekwaamheden uitzicht had op inkomensverbetering. Iemand heeft zicht op inkomensverbetering als er zicht is op het verwerven van een baan of inkomsten hoger dan 120% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm;

  • 2.

    het jaar voorafgaand aan de peildatum onvoldoende inspanningen heeft verricht om tot inkomensverbetering te komen. Voor het beoordelen van de inspanningsverplichting wordt uitgegaan van al dan niet opgelegde maatregelen of sancties. Als gedurende de referteperiode geen maatregel of sanctie is opgelegd, heeft belanghebbende aan de inspanningsverplichting voldaan;

  • 3.

    op de peildatum een opleiding volgt als bedoeld in de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (WTOS), dan wel in de periode van een jaar voorafgaand aan de peildatum een studie heeft gevolgd of op de peildatum volgt als bedoeld in de Wet studiefinanciering 2000 (WSF 2000) dan wel in dat jaar ander uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs heeft gevolgd of op de peildatum volgt;

  • 4.

    op de peildatum geen recht heeft op algemene bijstand op grond van artikel 13, tweede lid, onderdeel d van de Participatiewet;

  • 5.

    op de peildatum op grond van artikel 2, derde lid van het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) bijstand ontvangt op grond van de wet maar zich niet beschikbaar stelt voor arbeid in dienstbetrekking omdat hij voornemens is een eigen bedrijf te starten en zich hierop aan het voorbereiden is.

Paragraaf 5.2 Beslistermijn schuldhulpverlening

Artikel 5.2.1 Beslistermijn schuldhulpverlening

De beschikking tot toekenning van schuldhulpverlening of de afwijzing ervan, bedoeld in artikel 4a, eerste lid, van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening, wordt genomen binnen een termijn van 4 weken na de dag waarop het eerste gesprek, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van die wet, heeft plaatsgevonden.

Hoofdstuk 6. Gezond en veilig opgroeien (Jeugdwet)

Jeugdigen verdienen de kans om in een gezonde en veilige omgeving op te groeien. Voor het merendeel van de kinderen verloopt dit goed: zij wonen thuis, gaan naar school en ontwikkelen zich op een positieve manier. In deze verordening verstaan we onder jeugdigen kinderen en jongeren tot 18 jaar, evenals jongvolwassenen van 18 tot 23 jaar die vóór hun 18e al jeugdhulp ontvingen en deze na hun 18e nog steeds nodig hebben.

Soms zijn er belemmeringen die deze ontwikkeling verstoren. De eerste verantwoordelijkheid om hiermee om te gaan, ligt bij de ouders en de jeugdige zelf, ondersteund door hun sociale netwerk. Overigens zijn niet alle belemmeringen direct een hulpvraag die gerelateerd is aan een jeugdige. Problemen kunnen ook spelen bij de ouders, zoals financiële zorgen of psychische klachten. Er wordt dan eerst gekeken wat er nodig is om de situatie van het gezin te versterken, voordat er naar jeugdhulp wordt doorverwezen. Ook wordt gekeken of een vrijetijdsvoorziening helpend kan zijn, zoals sporten bij een sportvereniging of creatief bezig zijn bij een muziek- of toneelvereniging.

Als aanvullende hulp nodig is, biedt de gemeente ondersteuning. Lichte ondersteuning als het kan, zwaardere hulp als nodig. De gemeente biedt hulp die vrij toegankelijk is en hulp waarvoor een indicatie nodig is. In dit hoofdstuk leest u daarover meer.

Paragraaf 6.0 Begripsomschrijvingen

Artikel 6.0 Begripsomschrijvingen

In hoofdstuk 6 wordt verstaan onder:

  • a.

    Familiegroepsplan: hulpverleningsplan of plan van aanpak opgesteld door de ouders, samen met bloedverwanten, aanverwanten of anderen die tot de sociale omgeving van de jeugdige behoren;

  • b.

    iJw: door het Zorginstituut beheerde standaarden als bedoeld in artikel 2.15, derde lid, van de wet bestaande uit bedrijfsregels, berichtenstandaarden en berichtspecificaties, overeenkomstig artikel 1, van de Regeling Jeugdwet;

  • c.

    Individuele voorziening: niet vrij toegankelijke voorziening als bedoeld in artikel 6.1.1, tweede lid, waarvoor het college een beschikking afgeeft;

  • d.

    Hulpvraag: behoefte van een jeugdige of zijn ouder(s) aan jeugdhulp in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een (licht) verstandelijke beperking.

  • e.

    Sociaal netwerk:

    • 1.

      familieleden van de jeugdige of zijn ouders tot en met bloed- of aanverwantschap in de tweede graad;

    • 2.

      andere personen binnen de kring van vrienden, kennissen en bekenden die van betekenis zijn voor- en bijdragen aan het welzijn en welbevinden van de jeugdige of zijn ouder(s).

Paragraaf 6.1 Vormen van jeugdhulp

Artikel 6.1.1 Vormen van jeugdhulp

  • 1.

    De volgende vormen van algemene voorzieningen zijn beschikbaar:

    • a.

      Jeugdhulp uitgevoerd door het lokaal team;

    • b.

      Jeugdhulp uitgevoerd door een praktijkondersteuner GGZ Jeugd;

  • 2.

    De volgeden vormen van individuele voorzieningen zijn beschikbaar:

    • a.

      Persoonlijke verzorging

    • b.

      Dagbehandeling/dagbesteding

    • c.

      Jeugdhulp ambulant

    • d.

      Jeugd GGZ basis

    • e.

      Jeugd GGZ specialistisch

    • f.

      Jeugdzorg Plus

    • g.

      Gezinshuis

    • h.

      Pleegzorg

    • i.

      Logeren

    • j.

      Wonen met begeleiding

    • k.

      Verblijf met behandeling

    • l.

      Crisishulp

    • m.

      Curatieve zorg door kinderarts

    • n.

      Medicatieveiligheid

    • o.

      Jeugdhulpvervoer

    • p.

      Onderzoek en behandeling bij ernstige dyslexie

  • 3.

    De in het vorige lid genoemde individuele voorzieningen zijn opgenomen in bijlage 1 (Dienstomschrijvingen Jeugdhulp ZHZ) bij deze verordening en zijn onderverdeeld in producten, waarbij per product in elk geval is opgenomen:

    • a.

      doelgroepen;

    • b.

      activiteiten (aanpak);

    • c.

      maximale doorlooptijd (duur);

    • d.

      maximale intenstiteit (frequentie);

    • e.

      kwaliteite (productspecifieke eisen);

    • f.

      beoogd resultaat (doel);

    • g.

      vermelding productcode iJW.

  • 4.

    De individuele voorzieningen hebben in beginsel een maximale duur en frequentie. Dit is opgenomen in bijlage 1 bij deze verordening.

Paragraaf 6.2 Toegang tot jeugdhulpvoorzieningen

Artikel 6.2.1 Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts

  • 1.

    Het college zorgt, overeenkomstig artikel 2.6, eerst lid, aanhef en onder e, van de Jeugdwet, voor de inzet van jeugdhulp na een verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts naar een jeugdhulpaanbieder, als en voor zover de jeugdhulpaanbieder van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is.

  • 2.

    Jeugdhulp die na verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts aan een jeugdige of zijn ouder(s) is verleend door een jeugdhulpaanbieder van jeugdhulp die geen contract of subsidierelatie met de gemeente heeft, komt, behalve als er voldaan is aan de voorwaarden voor een pgb verstrekking, niet voor vergoeding door de gemeente in aanmerking als het college soortgelijke jeugdhulp kan laten leveren door een jeugdhulpaanbieder waarmee de gemeente wel een contract- of subsidierelatie heeft.

  • 3.

    De jeugdhulpaanbieder houdt zich bij het beoordelen van de hulpvraag na een verwijzing aan de regels in deze verordening en de nadere regels en de afspraken die hij daarover met de gemeente heeft gemaakt in het kader van de contract- of subsidierelatie.

  • 4.

    Indien naar het oordeel van de huisarts, medisch specialist of jeugdarts aan een jeugdige niet-medische hulp zou moeten worden verstrekt, verwijst hij de jeugdige direct door naar het lokale team dan wel de praktijkondersteuner GGZ Jeugd.

Artikel 6.2.2 Toegang jeugdhulp via de gemeente

  • 1.

    Jeugdigen en ouders kunnen met hun hulpvraag terecht bij het college.

  • 2.

    Het eerste contact over de hulpvraag wordt aangemerkt als een aanvraag in de zin van de Algemene wet bestuursrecht als is voldaan aan de vormvoorschriften bedoeld in de artikelen 4:1 en 4:2, van de Algemene wet bestuursrecht.

  • 3.

    Het college merkt een ondertekend verslag van het gesprek als bedoeld in artikel 6.3.4 aan als een aanvraag als er, gelet op het tweede lid, nog geen aanvraag is ingediend en dit daarop door de belanghebbende is aangegeven.

  • 4.

    Als een jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger jeugdhulp zelf wenst in te kopen met een pgb, dient hij daartoe een budgetplan in als bedoeld in artikel 6.4.1 Een door de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger ondertekend budgetplan wordt aangemerkt als aanvraag voor een pgb.

  • 5.

    Het college neemt het besluit op een aanvraag uiterlijk binnen tien weken na ontvangst van de aanvraag.

  • 6.

    Het college legt het besluit op een aanvraag voor een individuele voorziening vast in een beschikking.

  • 7.

    In spoedeisende gevallen treft het college zo spoedig mogelijk een tijdelijke individuele voorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek als bedoeld in artikel 6.3.1. Het college legt de beslissing omtrent de inzet van hulp in dat geval zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen vier weken na de start van de hulp, vast in een beschikking.

Paragraaf 6.3 Behandeling van een aanvraag om een individuele voorziening; onderzoek en besluitvorming via de gemeente

Artikel 6.3.1 Onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren

  • 1.

    Als bij het college een aanvraag om een individuele voorziening wordt ingediend, voert het college in samenspraak met de jeugdige en/of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger, waarbij de jeugdige ten minste één keer wordt gezien, zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen zes weken, een onderzoek uit overeenkomstig het tweede tot en met zevende lid en maakt zo spoedig mogelijk een afspraak voor een gesprek. In overleg met het college kunnen de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger de aanvraag lopende het onderzoek wijzigen.

  • 2.

    Voordat het onderzoek van start gaat, kunnen de jeugdige of zijn ouder(s) het college een familiegroepsplan verstrekken. Het college brengt hen van deze mogelijkheid op de hoogte en stelt hen gedurende twee weken na de aanvraag in de gelegenheid het plan te overhandigen. Als de jeugdige of zijn ouder(s) daarom verzoeken, zorgt het college voor ondersteuning bij het opstellen van het familiegroepsplan.

  • 3.

    Het college kan in overleg met de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger afzien van een onderzoek als de aanvraag wordt ingetrokken. Dat wordt schriftelijk bevestigd.

  • 4.

    Het college onderzoekt wanneer een jeugdige of een ouder of een wettelijke vertegenwoordiger zich meldt met een vraag over jeugdhulp met de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger:

    • a.

      wat de hulpvraag van de jeugdige of zijn ouder(s) is en wat die hulpvraag heeft doen ontstaan;

    • b.

      de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de jeugdige en zijn ouder(s), de veiligheid en ontwikkeling van de jeugdige en de gezinssituatie;

    • c.

      of sprake is van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouder(s) of adoptiegerelateerde problemen, en zo ja dan onderzoekt het college achtereenvolgens:

      • 1°.

        welke problemen of stoornissen dat zijn;

      • 2°.

        welke hulp naar aard en omvang nodig is voor de jeugdige om, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau, gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren;

      • 3°.

        of en in hoeverre de draagkracht en draaglast van de ouder(s) en van het sociale netwerk in evenwicht zijn om zelf de nodige hulp en ondersteuning te kunnen bieden, overeenkomstig artikel 6.3.6;

      • 4°.

        voor zover de balans tussen de draagkracht en draaglast niet in evenwicht is, de mogelijkheden om met inzet van een andere voorziening te voorzien in de nodige ondersteuning en hulp;

      • 5°.

        voor zover de balans tussen de draagkracht en draaglast niet in evenwicht is en de mogelijkheid tot inzet van een andere voorziening ontoereikend is, de mogelijkheden om met inzet van een algemene voorziening te voorzien in de nodige ondersteuning en hulp; en

      • 6°.

        voor zover de balans tussen de draagkracht en draaglast niet in evenwicht is, de mogelijkheid tot inzet van een andere voorziening en de mogelijkheid tot inzet van een algemene voorziening ontoereikend zijn, de mogelijkheden om met inzet van een individuele voorziening te voorzien in de nodige ondersteuning en hulp;

    • d.

      hoe bij de bepaling van de aangewezen vorm van jeugdhulp zo goed mogelijk rekening kan worden gehouden met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouder(s);

    • e.

      indien van toepassing, hoe de toekenning van een individuele voorziening zo goed mogelijk kan worden afgestemd op andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen.

  • 5.

    Als de jeugdige of zijn ouder(s) een familiegroepsplan aan het college hebben overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek. Bij het onderzoek wordt ook de jeugdige zoveel mogelijk betrokken en gehoord.

  • 6.

    Bij het onderzoek wordt aan de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger medegedeeld dat het gecontracteerde zorgaanbod het uitgangspunt is en welke mogelijkheden er bestaan om te kiezen voor de verstrekking van een pgb. De jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger wordt in begrijpelijke bewoordingen ingelicht over de gevolgen van die keuze.

Artikel 6.3.2 Deskundig oordeel, advies en voorbereiding van de besluitvorming

  • 1.

    Het college wint, met in achtneming van artikel 2.1, van het Besluit Jeugdwet, een specifiek deskundig oordeel en advies in, als het onderzoek of de beoordeling van een aanvraag dit vereist.

  • 2.

    Het in het eerste lid bedoelde advies wordt uitgebracht door of onder verantwoordelijkheid van een adviseur die beschikt over een registratie als professional:

    • a.

      bij de Stichting Kwaliteitsregister Jeugd in het kwaliteitsregister jeugd;

    • b.

      bij het Nederlands Instituut van Psychologen in het register Kinder- en Jeugdpsychologen; of

    • c.

      op grond van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg in het BIG-register.

  • 3.

    Het college treft voorzieningen waarmee is gewaarborgd dat het onderzoek en de voorbereiding van de besluitvorming via de gemeente op zorgvuldige wijze plaatsvindt, in het bijzonder door te voorkomen dat (medewerkers van) de organisatie die de jeugdhulp biedt of mogelijk gaat bieden, ook het advies geeft over het al dan niet toekennen van jeugdhulp of het daarop betrekking hebbende besluit neemt.

Artikel 6.3.3 Identificatie

  • 1.

    Bij het onderzoek stelt het college de identiteit van de jeugdige en zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger vast aan de hand van een door hen ter inzage verstrekt document als bedoeld in artikel 1, van de Wet op de identificatieplicht.

  • 2.

    Ten aanzien van personen zonder de Nederlandse nationaliteit merkt het college voor de wet als geldig identiteitsbewijs aan:

    • a.

      een vreemdelingendocument van het type I, II, III, IV of EU/EER;

    • b.

      een verblijfskaart Ministerie van Buitenlandse Zaken (legale vreemdelingen);

    • c.

      een buitenlands paspoort; of

    • d.

      een vreemdelingendocument van het type W (asielzoekers).

Artikel 6.3.4 Verslag

  • 1.

    Binnen tien werkdagen na het onderzoek verstrekt het college aan de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger een verslag van het uitgevoerde onderzoek en het in verband daarmee gevoerde gesprek. Opmerkingen of latere aanvullingen van de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger worden door hen aan het verslag toegevoegd.

  • 2.

    Het college verzekert zich ervan dat de jeugdige en zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger de uitleg over de uitkomsten van het onderzoek hebben begrepen.

  • 3.

    Als uit het verslag of de opmerkingen of latere aanvullingen van de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger blijkt dat een individuele voorziening is aangewezen of gewenst is, wordt het verslag ondertekend voor akkoord door de jeugdige of de jeugdige en zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger en door deze teruggestuurd.

  • 4.

    Als uit het verslag blijkt dat de gezamenlijke conclusie is dat de hulpvraag kan worden opgelost met de eigen draagkracht, dan wel door gebruik van een andere of algemene voorziening, dan wordt het verslag ondertekend voor akkoord door de jeugdige of de jeugdige en zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger en door deze teruggestuurd. In dat geval geldt het ondertekende verslag voor zover er een aanvraag was ingediend als intrekking van die aanvraag voor een individuele voorziening.

Artikel 6.3.5 Criteria voor toekenning van een individuele voorziening

  • 1.

    Onverminderd dat jeugdhulp toegankelijk is na verwijzing door de huisarts, de medisch specialist en de jeugdarts, komt een jeugdige of ouder slechts in aanmerking voor een door het college verleende individuele voorziening als het college van oordeel is dat de jeugdige of ouder jeugdhulp nodig heeft in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen of stoornissen en voor zover zij geen oplossing kunnen vinden voor de hulpvraag:

    • a.

      binnen hun eigen draagkracht zoals bedoeld in artikel 6.3.6;

    • b.

      door gebruik te maken van een andere voorziening, of;

    • c.

      door gebruik te maken van een algemene voorziening.

  • 2.

    Het college verleent geen individuele voorziening als het hulpverleningstraject waarvoor de jeugdige en/of de ouders die voorziening vragen op het moment van aanvraag al is afgerond, tenzij sprake is van gewijzigde omstandigheden of een hernieuwde hulpvraag.

  • 3.

    Overeenkomstig de definitie van jeugdhulp uit artikel 1.1, van de Jeugdwet wordt geen individuele voorziening verstrekt voor hulp of ondersteuning aan een jeugdige die niet noodzakelijk is op grond van een psychisch probleem of stoornis, psychosociaal probleem, gedragsprobleem of beperking, maar die voortkomt uit een behoefte die past bij de normale ontwikkeling van de jeugdige van een bepaalde leeftijd. Bij de beoordeling hiervan wordt aangesloten bij de uitgave ‘Opgroeien en opvoeden. Normale uitdagingen voor kinderen, jongeren en ouders’ van het Nederlands Jeugdinstituut, zoals opgenomen in bijlage 2 bij deze verordening.

  • 4.

    Een andere of algemene voorziening kan de noodzaak verminderen of wegnemen als deze:

    • a.

      daadwerkelijk beschikbaar is; en

    • b.

      passend en toereikend is voor de hulpvraag.

  • 5.

    Als een individuele voorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst adequate, tijdig beschikbare voorziening.

  • 6.

    Een individuele voorziening jeugdhulp wordt toegekend als de inzet van de voorziening doeltreffend geacht kan worden. De doeltreffendheid beoordeelt het college door vast te stellen of de individuele voorziening wezenlijk bijdraagt aan het oplossen van de hulpvraag en er wordt waar beschikbaar gewerkt met een bewezen effectieve interventie. Indien er geen bewezen effectieve interventie is, moet de jeugdhulpaanbieder aantonen dat hij werkt met een practice based methodiek of een historisch en in de branche gangbare methodiek. In geen geval mag er gewerkt worden met een bewezen niet effectieve interventie.

  • 7.

    Er is sprake van bewezen effectieve interventies als de effectiviteit is vastgesteld in wetenschappelijk onderzoek en de interventie(s) zijn opgenomen als zijnde ‘erkend’ in:

    • a.

      de Databank Effectieve Jeugdinterventies van het Nederlands Jeugdinstituut;

    • b.

      de zorgstandaarden van de GGZ Standaarden;

    • c.

      de databank voor interventies gericht op jeugdigen met een beperking (databank interventies gehandicaptenzorg);

  • 8.

    In situaties waarbij ouders begeleiding, behandeling of ondersteuning ten gevolge van maatschappelijke of eigen psychische of relationele problemen nodig hebben en er naar het oordeel van het college geen sprake is van een hulpvraag als bedoeld in deze verordening, komt een jeugdige of zijn ouder(s) niet in aanmerking voor een individuele voorziening als bedoeld in deze verordening.

  • 9.

    Het voorgaande lid is niet van toepassing als er parallel aan een hulpvraag sprake is van meervoudige problematiek in de context van het gezin.

Artikel 6.3.6 Beoordeling draagkracht en draaglast

  • 1.

    Een individuele voorziening wordt niet verstrekt als naar het oordeel van het college uit het onderzoek, zoals bedoeld in artikel 6.3.1, blijkt dat de balans tussen de draagkracht en draaglast van de jeugdige of zijn ouder(s) in evenwicht is.

  • 2.

    Als de balans tussen de draagkracht en draaglast van de jeugdige of zijn ouder(s) in evenwicht is, is het college van oordeel dat de eigen mogelijkheden toereikend zijn om, zo nodig met inzet van het sociale netwerk of met ondersteuning van andere (hulpverlenende) instellingen, de hulp te bieden die passend is bij de hulpvraag van de jeugdige of zijn ouder(s).

  • 3.

    Tot de eigen mogelijkheden behoort in elk geval het aanspreken van een aanvullende zorgverzekering als die is afgesloten.

  • 4.

    Bij de beoordeling van de balans tussen draagkracht en draaglast, bedoeld in het eerste lid, neemt het college, gelet op het bepaalde in de artikelen 82 en 247, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, tot uitgangspunt dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen, ook als sprake is van psychische problemen of stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of beperkingen, allereerst bij de ouder(s) zelf ligt en dat de hulp die daarvoor nodig is in beginsel ook door hen geleverd kan worden. Uit het onderzoek kan evenwel blijken dat de draagkracht van de ouder(s) tekortschiet, omdat sprake is van:

    • a.

      geobjectiveerde beperkingen om noodzakelijke hulp te bieden;

    • b.

      een gebrek aan kennis of vaardigheden om noodzakelijke hulp te bieden; of

    • c.

      overbelasting of dreigende overbelasting, waardoor geen noodzakelijke hulp kan worden verwacht totdat deze belasting of dreigende overbelasting is opgeheven.

  • 5.

    Bij de beoordeling van het vierde lid, onder c, wordt ook vastgesteld welke mogelijkheden de ouder(s) hebben om de overbelasting of dreigende overbelasting op te heffen, waarbij redelijkerwijs verwacht mag worden dat de ouder(s) maatschappelijke activiteiten beperken en betaalde arbeid verminderen of anders organiseren om overbelasting of dreigende overbelasting op te heffen. Hierbij houdt het college ook rekening met:

    • a.

      de behoefte en mogelijkheden van de jeugdige;

    • b.

      de duur van de inzet van de hulp, waarbij als uitgangspunt geldt dat kortdurende inzet van niet langer dan drie maanden in een jaar niet tot overbelasting leidt;

    • c.

      de planbaarheid van de hulp;

    • d.

      de benodigde ondersteuningsintensiteit;

    • e.

      de samenstelling van het gezin en de woonsituatie; en

    • f.

      de noodzaak van de ouder(s) om in een inkomen te voorzien.

Artikel 6.3.7 Vervoer

  • 1.

    Uitgangspunt is dat ouder(s) zelf verantwoordelijk is/zijn voor vervoer van de jeugdige van en naar de jeugdhulpaanbieder.

  • 2.

    Het college verstrekt alleen een vervoersvoorziening aan de jeugdige ten behoeve van het vervoer van de jeugdige naar en van de locatie waar de jeugdhulp plaatsvindt.

  • 3.

    Het college kent uitsluitend een vervoersvoorziening aan de jeugdige toe:

    • a.

      als naar het oordeel van het college is aangetoond dat er een medische noodzaak bestaat of beperkingen in de zelfredzaamheid bestaan tot inzet van deze voorziening; en

    • b.

      als de enkele reisafstand meer bedraagt dan zes kilometer, tenzij de aard van de medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid het nemen van eigen verantwoordelijkheid voor het vervoer onevenredig maken. Het college stelt de enkele reisafstand vast aan de hand van de kortste route volgens de ANWB-routeplanner tussen het ophaaladres van de jeugdige en de locatie waar de jeugdhulp plaatsvindt.

  • 4.

    Het college beoordeelt, overeenkomstig artikel 6.3.6, in elke individuele situatie of er specifieke omstandigheden zijn waardoor de balans tussen de draagkracht en draaglast van de jeugdige of zijn ouder(s) niet in evenwicht is en zij daardoor de eigen verantwoordelijkheid voor het vervoer niet op zich kan nemen.

  • 5.

    Als naar het oordeel van het college een passende voorziening beschikbaar is waarvoor geen vervoer geïndiceerd hoeft te worden, is deze voorziening voorliggend op een indicatie waarvoor wel vervoer geïndiceerd moet worden.

  • 6.

    De vervoersvoorziening betreft groepsvervoer per taxi bij een gecontracteerde vervoerder, tenzij groepsvervoer niet mogelijk is. In dat laatste geval zet het college individueel vervoer in per taxi bij een gecontracteerde vervoerder.

  • 7.

    In plaats van een vervoersvoorziening kan het college op verzoek van de jeugdige of zijn ouder(s) een vergoeding per kilometer verstrekken. Voor de hoogte van het bedrag van deze vergoeding wordt aangesloten bij het maximale bedrag van de reiskostenvergoeding dat de Rijksoverheid hanteert. Het college stelt de vergoeding per kilometer vast op de reisafstand van de kortste route retour volgens de ANWB-routeplanner tussen het ophaaladres van de jeugdige en de locatie waar de jeugdhulp plaatsvindt.

  • 8.

    De looptijd van een beschikking tot verstrekking van een vervoersvoorziening kan afwijken van de looptijd van de beschikking voor de individuele jeugdhulpvoorziening zelf, als de noodzaak voor vervoer daartoe aanleiding geeft.

  • 9.

    Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van de inhoud van dit artikel.

Artikel 6.3.8 Dyslexie

  • 1.

    De zorg voor kinderen die primair onderwijs volgen met ernstige dyslexie (ED), dyslexiezorg, valt onder de Jeugdwet.

  • 2.

    Het college kent alleen een individuele voorziening Ernstige Dyslexie toe als de ED-specialist van een Samenwerkingsverband Passend Onderwijs op basis van het Protocol Dyslexie Diagnostiek en Behandeling versie 3.0 van oordeel is dat diagnostiek dan wel de behandeling van Ernstige Dyslexie noodzakelijk is.

Artikel 6.3.9 Vaktherapie

  • 1.

    Vaktherapie kan alleen worden ingezet vanuit de Jeugdwet als naar het oordeel van het college sprake is van een noodzakelijke bijdrage aan de jeugdhulp en als er geen alternatief beschikbaar is.

  • 2.

    De behandelaar van een jeugdhulpaanbieder of medewerker van het lokaal team, die zelf beschikt of onder verantwoordelijkheid valt van iemand die beschikt over een registratie zoals bedoeld in artikel 6.3.2 lid 2, moet advies geven over vaktherapie als een noodzakelijk onderdeel van de totale behandeling.

  • 3.

    Het maximum aan uren behandeling dat vergoed wordt door de gemeente is 30 uren op jaarbasis. Als de ouder(s) aanvullend verzekerd zijn, dan moet het aantal uren behandeling dat via de zorgverzekering wordt vergoed worden afgetrokken van de maximale inzet.

Artikel 6.3.10 Kinderopvang en buitenschoolse opvang

  • 1.

    Reguliere kinderopvang en reguliere buitenschoolse opvang zijn geen vorm van jeugdhulp.

  • 2.

    In uitzonderlijke situaties als een kind extra begeleiding of specialistische begeleiding nodig heeft vanwege opgroei-, opvoedings- en psychische problemen en stoornissen, die niet door medewerkers van de opvang kan worden geboden en niet van ouder(s) kan worden verwacht, kan vanuit de Jeugdwet in het kader van de kinderopvang en buitenschoolse opvang begeleiding worden ingezet.

Artikel 6.3.11 Inhoud beschikking individuele jeugdhulpvoorziening

  • 1.

    In de beschikking tot verstrekking van een individuele voorziening wordt in ieder geval aangegeven of de voorziening in natura of in de vorm van een pgb wordt verstrekt en wordt ook aangegeven hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt.

  • 2.

    Bij het verstrekken van een voorziening in natura wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd:

    • a.

      wat de te verstrekken voorziening is en wat de omvang en het beoogde resultaat daarvan zijn;

    • b.

      wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is; en

    • c.

      indien van toepassing, welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn.

  • 3.

    Bij het verstrekken van een voorziening in de vorm van een pgb wordt in de beschikking ook in ieder geval vastgelegd:

    • a.

      voor welk resultaat het pgb moet worden aangewend;

    • b.

      welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb;

    • c.

      wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen;

    • d.

      welke voorwaarden aan het pgb verbonden zijn;

    • e.

      wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld; en

    • f.

      de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb.

Paragraaf 6.4 Aanvullende regels voor een individuele jeugdhulpvoorziening in de vorm van een pgb

Artikel 6.4.1 Aanvullende regels om in aanmerking te komen voor een pgb

  • 1.

    Als een jeugdige of zijn ouder(s) in aanmerking komen voor een individuele voorziening, maar de jeugdhulp zelf wensen in te kopen door middel van een pgb, dienen de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger daartoe een budgetplan in volgens een door het college ter beschikking gesteld format. In het budgetplan is opgenomen:

    • a.

      de motivering waarom het natura-aanbod van de gemeente volgens de jeugdige of zijn ouder(s) niet passend is en een pgb gewenst is;

    • b.

      welke jeugdhulp de jeugdige of zijn ouder(s) willen inkopen met een pgb, wat het beoogde resultaat is en wanneer en hoe wordt geëvalueerd;

    • c.

      de voorgenomen uitvoerder van de individuele voorziening en de wijze waarop de jeugdhulp georganiseerd wordt;

    • d.

      op welke wijze de kwaliteit van de in te kopen jeugdhulp is gewaarborgd;

    • e.

      de kosten van de uitvoering, uitgedrukt in aantal eenheden en tarief;

    • f.

      indien van toepassing, welke jeugdhulp de jeugdige of zijn ouder(s) willen betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk; en

    • g.

      de motivering aan de hand van de tien punten benoemd in artikel 6.4.2 waaruit blijkt dat de budgethouder of budgetbeheerder pgb-vaardig is, dat wil zeggen in staat is de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren;

  • 2.

    Het college verstrekt een pgb als:

    • a.

      de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger zich gemotiveerd op het standpunt stellen dat zij de individuele voorziening die wordt geleverd door een door het college gecontracteerde jeugdhulpaanbieder, niet passend achten;

    • b.

      uit de beoordeling van de pgb-vaardigheid met inachtneming van artikel 6.4.2 blijkt dat de budgethouder of, indien van toepassing, de budgetbeheerder in staat is uitvoering te geven aan de eisen die het beheer van een pgb met zich meebrengt; en

    • c.

      naar het oordeel van het college met inachtneming van artikel 6.4.4 is gewaarborgd dat de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort en die de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger van het budget willen betrekken, van goede kwaliteit is en in voldoende mate zal bijdragen aan het bereiken van het in het budgetplan opgenomen beoogde resultaat.

  • 3.

    Het college verstrekt geen pgb als er twijfels zijn over de integriteit van de voorgenomen uitvoerder van de jeugdhulp, wat zich in ieder geval voordoet indien de voorgenomen uitvoerder van de jeugdhulp in de vier jaar voorafgaande aan de aanvraag:

    • a.

      fraude, in de zin van opzettelijke misleiding om financieel voordeel te verkrijgen, heeft gepleegd;

    • b.

      betrokken is geweest bij strafbare feiten of overtredingen heeft begaan die de veiligheid en de kwaliteit van de hulp in gevaar brengen;

    • c.

      veroordeeld is wegens het plegen van strafbare feiten tot een gevangenisstraf; of

    • d.

      op basis van een Bibob-toets door het college is geweigerd als zorgaanbieder;

  • 4.

    Het college weigert een pgb toe te kennen als een weigeringsgrond als bedoeld in artikel 8.1.1, vierde lid, van de Jeugdwet van toepassing is.

Artikel 6.4.2 Pgb-vaardigheid

  • 1.

    Om aan de voorwaarden voor pgb-vaardigheid te voldoen dient de beoogd budgethouder, al dan niet met hulp vanuit het sociaal netwerk of, indien van toepassing, een budgetbeheerder, in ieder geval:

    • a.

      een duidelijk beeld te hebben van de hulpvraag;

    • b.

      op de hoogte te zijn van de regels en verplichtingen die horen bij het pgb of deze zelf (online) weten te vinden;

    • c.

      in staat te zijn om een overzichtelijke pgb-administratie bij te houden;

    • d.

      voldoende vaardig te zijn om in de Nederlandse taal te communiceren met de gemeente, de SVB en de zorgverleners;

    • e.

      in staat te zijn zelfstandig te handelen en onafhankelijk voor een zorgverlener te kiezen;

    • f.

      in staat te zijn om afspraken te maken en vast te leggen en om dit te verantwoorden aan het college;

    • g.

      in staat te zijn om te beoordelen en te beargumenteren of de geleverde zorg passend en kwalitatief goed is;

    • h.

      in staat te zijn de inzet van zorgverleners te coördineren, waardoor de zorg door kan gaan, ook bij verlof en ziekte;

    • i.

      in staat te zijn om als werk- of opdrachtgever de zorgverleners aan te sturen en aan te spreken op hun functioneren; en

    • j.

      voldoende kennis te hebben over het werk- of opdrachtgeverschap of deze kennis weten te vinden.

  • 2.

    Een budgethouder of een budgetbeheerder wordt in beginsel niet in staat geacht de aan een pgb verbonden taken verantwoord te kunnen uitvoeren als sprake is van één of meer van de volgende omstandigheden:

    • a.

      het beheer wordt verricht door de persoon of organisatie die ook de jeugdhulp levert aan de budgethouder;

    • b.

      er is sprake van één of meer van de volgende omstandigheden:

      • i.

        schuldenproblematiek;

      • ii.

        ernstige verslavingsproblematiek;

      • iii.

        aangetoonde fraude, in de zin van opzettelijke misleiding om financieel voordeel te verkrijgen, begaan in de vier jaar voorafgaand aan de aanvraag;

      • iv.

        een aanmerkelijke verstandelijke beperking;

      • v.

        een ernstig psychiatrisch ziektebeeld;

      • vi.

        een vastgestelde, blijvende cognitieve stoornis;

      • vii.

        het onvoldoende machtig zijn van de Nederlandse taal in woord en geschrift; of

      • viii.

        het niet verkrijgen van een Verklaring Omtrent het Gedrag.

Artikel 6.4.3 Onderscheid pgb formele hulp en pgb sociaal netwerk

  • 1.

    Van pgb formele hulp is sprake als de jeugdhulp verleend wordt door onderstaande personen:

    • a.

      personen die werkzaam zijn bij een instelling die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister, conform artikel 5, van de Handelsregisterwet 2007, en die beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken; of

    • b.

      personen die aangemerkt zijn als zelfstandige zonder personeel die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister conform artikel 5, van de Handelsregisterwet 2007 en beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken.

  • 2.

    Formele hulp wordt geleverd door personen die ingeschreven staan in het register, bedoeld in artikel 3, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg of artikel 5.2.1, van het Besluit Jeugdwet, voor het uitoefenen van een beroep voor het verlenen van jeugdhulp.

  • 3.

    Als de jeugdhulp geboden wordt door een bloed- of aanverwant in de eerste- of tweede graad van de budgethouder, is altijd sprake van pgb sociaal netwerk omdat zij onderdeel uitmaken van het sociale netwerk.

  • 4.

    Als de hulp wordt verleend door een andere persoon dan beschreven in het eerste lid, onder a of b, en er niet voldaan is aan het tweede lid, is er sprake van pgb sociaal netwerk.

Artikel 6.4.4 Kwaliteitseisen individuele voorziening in de vorm van een pgb

  • 1.

    Ter waarborging van de kwaliteit van de met een pgb in te kopen individuele voorziening voldoet de uitvoerder van de jeugdhulp minimaal aan de kwaliteitseisen zoals gesteld in de overeenkomsten met gecontracteerde jeugdhulpaanbieders in de regio Zuid-Holland Zuid. Daarnaast gelden de volgende eisen:

    • a.

      beschikt over een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) die niet ouder is dan drie maanden bij aanvang van de zorgovereenkomst en gedurende de hulpverlening niet ouder dan drie jaar, waaruit blijkt dat er geen bezwaren zijn voor de uitoefening van diens functie.

    • b.

      beschikt over de juiste vaardigheden en deskundigheid om verantwoorde hulp te bieden;

    • c.

      houdt een deugdelijke administratie bij met een registratie van de geleverde hulp;

    • d.

      is voldoende vaardig om in de Nederlandse taal te communiceren;

    • e.

      werkt volgens een plan waarin activiteiten en doelen zijn vastgelegd;

    • f.

      voert de hulp uit in overeenstemming met de beschikking van het college;

    • g.

      stemt de hulp af op de persoonlijke situatie van de jeugdige of zijn ouder(s);

    • h.

      stemt de hulp af op andere voorzieningen, overige voorzieningen en individuele voorzieningen waar de jeugdige of zijn ouder(s) gebruik van maken;

    • i.

      respecteert de privacy van de jeugdige of zijn ouder(s) en gaat vertrouwelijk om met informatie over de persoonlijke situatie;

    • j.

      neemt bij vermoedens van huiselijk geweld of kindermishandeling in het huishouden van de jeugdige of zijn ouder(s) voor advies of het doen van een melding contact op met Veilig Thuis;

    • k.

      meldt calamiteiten en geweldsincidenten bij de verlening van jeugdhulp aan het college;

    • l.

      werkt mee aan toezicht en aangekondigd en onaangekondigd onderzoek door het college of daartoe aangewezen derden op inhoudelijke kwaliteit en op rechtmatigheid; en

    • m.

      is of raakt door verlening van de jeugdhulp naar het oordeel van het college niet overbelast.

  • 2.

    Ter waarborging van de kwaliteit van de met een pgb in te kopen individuele voorziening voldoet de uitvoerder van formele jeugdhulp aan de volgende aanvullende eisen:

    • a.

      hetgeen is bepaald in artikel 6.4.2, eerste en tweede lid;

    • b.

      handelt in overeenstemming met de professionele standaard;

    • c.

      werkt op basis van een hulpverleningsplan;

    • d.

      werkt met een systeem voor kwaliteitsbewaking;

    • e.

      hanteert de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling, de meldplicht calamiteiten en de meldplicht geweld bij de verlening van jeugdhulp; en

    • f.

      stelt een vertrouwenspersoon in staat zijn taak uit te voeren.

  • 3.

    Er wordt geen pgb sociaal netwerk verstrekt als, conform het afwegingskader voor een verantwoorde werktoedeling op basis van het Kwaliteitskader Jeugd, formele jeugdhulp noodzakelijk is.

Artikel 6.4.5 Hoogte pgb

  • 1.

    De hoogte van het pgb voor formele jeugdhulp bedraagt 100% van het laagste adequate gecontracteerde tarief voor dezelfde jeugdhulp in natura.

  • 2.

    De hoogte van het pgb sociaal netwerk bedraagt het wettelijke minimumloon.

  • 3.

    De tarieven voor het pgb worden jaarlijks geïndexeerd, waarbij:

    • a.

      de indexering wordt berekend uit de som van het geprognosticeerde percentage voor het komende jaar (t + 1) en het verschil tussen het in het voorgaande jaar (t – 1) geprognosticeerde percentage voor het lopende jaar (t) en het definitieve percentage voor het lopende jaar (t). De percentages zijn verschillend voor loonkosten en materiële kosten; en

    • b.

      het college het pgb-tarief verhoogt of verlaagt voor 80% op basis van het geprognosticeerde en definitieve indexcijfer Overheidsbijdrage in de Arbeidskostenontwikkeling (OVA) voor personele kosten van het CPB, gepubliceerd door de NZA en voor 20% op basis van het geprognosticeerde en definitieve prijsindexcijfer particuliere consumptie (PPC) voor materiële kosten van het CPB gepubliceerd door de NZA.

  • 4.

    Het tarief is lager als op basis van het door de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger ingediende budgetplan passende en toereikende jeugdhulp voor een lager tarief kan worden ingekocht.

  • 5.

    Met inachtneming van voorgaande bepalingen stelt het college de pgb-tarieven vast in nadere regels.

  • 6.

    Het college maakt minimaal eenmaal per jaar de tarieven bekend.

Artikel 6.4.6 Uitgesloten van pgb

De volgende kosten zijn uitgesloten van vergoeding vanuit een pgb:

  • a.

    kosten voor bemiddeling;

  • b.

    kosten voor tussenpersonen of belangenbehartigers;

  • c.

    kosten voor het voeren van een pgb-administratie;

  • d.

    kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb;

  • e.

    kosten voor feestdagenuitkering en eenmalige uitkering;

  • f.

    kosten die worden gemaakt voor zover het pgb is bestemd voor besteding in het buitenland, tenzij hiervoor expliciet toestemming is gegeven door het college;

  • g.

    kosten voor vervoer als de jeugdige op grond van artikel 6.3.7 naar het oordeel van het college niet in aanmerking komt voor een vervoersvoorziening;

  • h.

    kosten voor hulp die direct ingezet moet worden (crisishulp); en

  • i.

    kosten voor een aanvraag van een Verklaring Omtrent het Gedrag.

Paragraaf 6.5 Herziening, intrekking, terugvordering en bestrijding misbruik

Artikel 6.5.1 Inlichtingen

  • 1.

    Het college informeert de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een individuele voorziening in natura of in de vorm van een pgb zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de Jeugdwet.

  • 2.

    Mede overeenkomstig het bepaalde in artikel 8.1.2, eerste lid, van de Jeugdwet doen de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging aan het college mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hun redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing aangaande een individuele voorziening in natura of in de vorm van een pgb.

Artikel 6.5.2 Niet meewerken ouder(s)

  • 1.

    De jeugdige en zijn ouder(s) is (zijn) verplicht om, binnen de eigen mogelijkheden, mee te werken aan onderzoek gericht op besluitvorming over en de doelmatige inzet van jeugdhulp.

  • 2.

    Als de jeugdige of zijn ouder(s) naar het oordeel van het college niet of onvoldoende meewerkt (meewerken), kan de omvang van de benodigde jeugdhulp niet worden vastgesteld of is de jeugdhulp niet effectief en kan door het college worden besloten geen individuele voorziening te verstrekken, een lagere omvang vast te stellen of een eerder toegekende individuele voorziening in te trekken.

Artikel 6.5.3 Intrekking, herziening, opschorting en terugvordering

  • 1.

    Het college onderzoekt periodiek of er aanleiding is een beslissing aangaande een verstrekking van een individuele voorziening in natura of in de vorm van een pgb te heroverwegen en kan hierover nadere regels stellen.

  • 2.

    Onverminderd artikel 8.1.4, van de Jeugdwet kan het college een beslissing aangaande een individuele voorziening in natura of in de vorm van een pgb herzien of intrekken als het college vaststelt dat:

    • a.

      de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid;

    • b.

      de jeugdige of zijn ouder(s) niet langer op de individuele voorziening of het daarmee samenhangende pgb zijn aangewezen;

    • c.

      de individuele voorziening in natura of in de vorm van een pgb niet meer toereikend is te achten;

    • d.

      de jeugdige of zijn ouder(s) niet voldoen aan de voorwaarden die zijn verbonden aan de individuele voorziening in natura of in de vorm van een pgb;

    • e.

      de jeugdige of zijn ouder(s) het pgb niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het bestemd is;

    • f.

      de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger met het pgb jeugdhulp betrekken van een jeugdhulpaanbieder tegen wie bezwaren zijn ontstaan, als bedoeld in artikel 6.4.1, derde lid; of

    • g.

      de jeugdige met het pgb jeugdhulp langer dan twaalf weken verblijft in een instelling als bedoeld in de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet.

  • 3.

    Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen drie maanden na uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden.

  • 4.

    Een beslissing tot toekenning van een voorziening in natura kan worden ingetrokken als blijkt dat de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger zich niet binnen drie maanden na de besluitdatum hebben gemeld bij een jeugdhulpaanbieder.

  • 5.

    Als het college een beslissing heeft herzien of ingetrokken op grond van het tweede lid onder a, dan kan het college de geldschade vorderen van de te veel of ten onrechte genoten individuele voorziening in natura of het te veel of ten onrechte genoten pgb.

  • 6.

    Als het college een beslissing op grond van het tweede lid, onder a, heeft ingetrokken, kan het college bij dwangbevel geheel of gedeeltelijk het ten onrechte genoten pgb invorderen.

  • 7.

    Het college kan, bij een gegrond vermoeden van een omstandigheid als bedoeld in het tweede lid, onder a, d, e of f, de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een geheel of gedeeltelijke onderbreking van betalingen uit het pgb voor ten hoogste dertien weken.

Artikel 6.5.4 Onderzoek naar recht- en doelmatigheid individuele voorzieningen in natura en in de vorm van pgb’s

  • 1.

    Het college kan een toezichthouder aanwijzen die belast is met het toezicht op de naleving van de rechtmatige uitvoering van de Jeugdwet, waaronder de bestrijding van misbruik, oneigenlijk gebruik en niet-gebruik van deze wet.

  • 2.

    Het college onderzoekt met inachtneming van de paragrafen 6a en 6b, van de Regeling Jeugdwet de rechtmatigheid en doelmatigheid van individuele voorzieningen.

  • 3.

    Het college onderzoekt periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van pgb’s met het oog op de beoordeling van de recht- en doelmatigheid daarvan.

Artikel 6.5.5 Overige maatregelen ter voorkoming oneigenlijk gebruik, misbruik en niet gebruik

  • 1.

    Het college maakt met de door hem gecontracteerde of gesubsidieerde jeugdhulpaanbieders afspraken over de facturatie, resultaatsturing en accountantscontroles, zodat declaraties en uitbetalingen in overeenstemming zijn met de contractuele afspraken, de leveringsopdracht, de prestatieafspraken en de feitelijk geleverde prestaties.

  • 2.

    Het college maakt met de door hem gecontracteerde of gesubsidieerde jeugdhulpaanbieders afspraken over het monitoren van de gemiddelde trajectduur tijdens de looptijd van een contract.

Paragraaf 6.6 Afstemming Jeugdwet met andere voorzieningen

Artikel 6.6.1 Voorliggende voorzieningen

  • 1.

    Het college verstrekt geen voorziening voor jeugdhulp als er:

    • a.

      met betrekking tot de problematiek een recht bestaat op zorg als bedoeld bij of krachtens de Wet langdurige zorg, de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen of de Zorgverzekeringswet;

    • b.

      naar het oordeel van het college met betrekking tot de problematiek een aanspraak bestaat op een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling, met uitzondering van een maatwerkvoorziening inhoudende begeleiding als bedoeld in artikel 1.1.1, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; of

    • c.

      gegronde redenen zijn voor het college om aan te nemen dat de jeugdige in aanmerking kan komen voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg en de jeugdige of zijn wettelijke vertegenwoordiger weigert mee te werken aan het verkrijgen van een besluit daartoe.

  • 2.

    Als er meerdere oorzaken ten grondslag liggen aan de betreffende problematiek en daardoor zowel een vorm van zorg, op grond van een recht op zorg als bedoeld bij of krachtens de Wet langdurige zorg of een zorgverzekering als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, als een soortgelijke voorziening op grond van de Jeugdwet kan worden verkregen, is het college gehouden deze voorziening op grond van de Jeugdwet te treffen.

  • 3.

    De jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger die een aanvraag voor jeugdhulp doen, worden verwezen naar de instantie waar een aanvraag voor een voorziening op basis van de voornoemde wetten kan worden behandeld.

Artikel 6.6.2 Afstemming met voorliggende voorzieningen en andere vormen van hulp en ondersteuning

  • 1.

    Het college stemt de jeugdhulp waaraan een jeugdige of een ouder behoefte heeft, ten minste af op het aanbod van activiteiten, diensten of middelen op grond van:

    • a.

      de Leerplichtwet;

    • b.

      de Participatiewet;

    • c.

      de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening;

    • d.

      de Wet Inburgering 2021;

    • e.

      de Wet kinderopvang;

    • f.

      de Wet langdurige zorg;

    • g.

      de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

    • h.

      de Wet passend onderwijs;

    • i.

      de Wet publieke gezondheid;

    • j.

      de Wet tijdelijk huisverbod;

    • k.

      de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg; en

    • l.

      de Zorgverzekeringswet,

  • zodat deze zoveel mogelijk op elkaar aansluiten en ondersteunt de jeugdige en zijn ouder(s) actief bij het verkrijgen van toegang tot de andere voorziening(en) of bij behoud van de continuïteit van de zorg op grond van de benodigde zorg.

  • 2.

    De afgestemde jeugdhulp wordt zodanig ingezet dat dit leidt tot:

    • a.

      het opheffen van een situatie die voor een jeugdige of een ouder of diens omgeving levensbedreigend is, of met grote waarschijnlijkheid leidt tot ernstige gezondheidsschade;

    • b.

      stabilisatie van een crisissituatie, anders dan bedoeld onder a;

    • c.

      een voldoende mate van duurzame zelfredzaamheid van een jeugdige of een ouder, voor zover dat binnen het vermogen ligt.

  • 3.

    Het college weegt bij de afstemming van de jeugdhulp de volgende aspecten mee:

    • a.

      de behoefte aan hulp en ondersteuning van een jeugdige of een ouder;

    • b.

      de balans tussen de draagkracht en draaglast van een jeugdige of ouder(s) zoals bedoeld in artikel 6.3.6 en de mogelijkheden van het sociaal netwerk;

    • c.

      welke volgorde van inzet van hulp en ondersteuning naar verwachting het meeste effect sorteert en in hoeverre hulp en ondersteuning gelijktijdig kan of moet worden ingezet;

    • d.

      welke hulp en ondersteuning leidt tot de minste maatschappelijke kosten op lange termijn.

  • 4.

    Als een jeugdige of een ouder of wettelijk vertegenwoordiger weigert mee te werken aan ondersteuning als bedoeld in het eerste lid, kan het college het onderzoek beëindigen en een individuele voorziening weigeren.

  • 5.

    Als een jeugdige van 16 jaar of ouder die hulp op grond van de Jeugdwet ontvangt naar alle waarschijnlijkheid na het achttiende levensjaar hulp of ondersteuning nodig heeft vanuit een wettelijke kader als bedoeld in het eerste lid, is het college gehouden om:

    • a.

      voor het achttiende levensjaar zodanige hulp en ondersteuning te bieden dat de benodigde hulp en ondersteuning vanaf het achttiende jaar zo beperkt mogelijk kan zijn; en

    • b.

      de continuïteit van hulp en ondersteuning te waarborgen voor zover dat nodig is;

  • 6.

    Ter uitvoering van het vijfde lid, onderzoekt het college tijdig welke andere voorziening nodig is, vanaf de achttiende verjaardag en op welke wijze en vanuit welke andere voorzieningen (Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet) deze ondersteuning vanaf het achttiende levensjaar wordt ingezet.

  • 7.

    Conform de overeenkomsten met gecontracteerde jeugdhulpaanbieders in de regio stelt een jeugdhulpaanbieder voor jeugdigen die jeugdhulp krijgen een perspectiefplan op bij het bereiken van het 16e levensjaar. Wanneer een jeugdige bij aanmelding de leeftijd van 16 jaar reeds heeft bereikt, wordt dit plan opgesteld bij de start van de zorg. In het perspectiefplan staat:

    • 1.

      welke hulp of ondersteuning nodig is vanaf de 18e verjaardag; en

    • 2.

      hoe en vanuit welke wet (Wmo, Wlz, zorgverzekeringswet of verlengde Jeugdwet) de hulp de 18e verjaardag wordt ingezet.

  • 8.

    De jeugdhulpaanbieder betrekt de jeugdige, de ouder(s) en het college bij het opstellen van het perspectiefplan.

Paragraaf 6.7 Waarborgen verhouding prijs en kwaliteit

Artikel 6.7.1 Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering

  • 1.

    Het college baseert in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, op ten minste de volgende kostprijselementen:

    • a.

      cliëntgebonden en niet-cliëntgebonden kosten van beroepskrachten;

    • b.

      cliëntgebonden kosten anders dan van beroepskrachten;

    • c.

      overheadkosten;

    • d.

      kosten voor indexering; en

    • e.

      de voor de sector toepasselijke CAO-schalen;

  • 2.

    Het college bedingt bij de door hem gecontracteerde of gesubsidieerde aanbieders van preventie, jeugdhulpaanbieders of gecertificeerde instellingen dat zij het verlenen van preventie, jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering alleen aan derden uitbesteden als zij die derden daarvoor een reële prijs betalen, die tot stand is gekomen met gebruikmaking van de kostprijselementen bedoeld in het eerste lid.

  • 3.

    Het eerste en tweede lid gelden voor subsidies slechts voor zover zij worden verstrekt voor de daadwerkelijke verlening van preventie, jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering aan jeugdigen of hun ouders en de omvang van de subsidie direct of indirect wordt gebaseerd op de hoeveelheid verrichte diensten.

Hoofdstuk 7. Inwonersparticipatie

Kunnen vertrouwen op de overheid is een belangrijk waarde. Het betrekken van inwoners bij de vorming, uitvoering en evaluatie van beleid draagt positief bij aan het vertrouwen in de overheid. We bieden daarom ruimte voor ideeën en initiatieven uit de samenleving. Met de ervaringen van inwoners kan de gemeente het beleid als het nodig is aanpassen en verbeteren. In dit hoofdstuk is vastgelegd hoe inwoners en hun vertegenwoordigers invloed kunnen uitoefenen. Ook is geregeld dat er adviesraden zijn en staat de taak van deze raden beschreven.

Artikel 7.1 Betrekken van inwoners bij het beleid

[Wmo, Participatiewet en Jeugdwet]

  • 1.

    Het college betrekt inwoners van de gemeente, waaronder in ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, bij de voorbereiding van het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp, overeenkomstig de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels met betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend.

  • 2.

    Het college stelt cliënten en vertegenwoordigers van cliëntgroepen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen.

  • 3.

    Het college zorgt ervoor dat inwoners kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning.

  • 4.

    Het college kan nadere regels vaststellen ter uitvoering van het tweede en derde lid.

Artikel 7.2 Regeling voor medezeggenschap

[Wmo, Jeugdwet]

  • 1.

    Aanbieders stellen een regeling vast voor de participatie en medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn ten aanzien van alle dienstverlenende voorzieningen.

  • 2.

    Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de medezeggenschapsregeling van aanbieders.

Artikel 7.3 Dordtse Adviesraad Sociaal

  • 1.

    Er is een adviesraad die gevraagd en ongevraagd adviseert aan het college en de gemeenteraad over het beleid betreffende de Wmo, de Jeugdwet en de Participatiewet.

  • 2.

    De Adviesraad bestaat uit maximaal 16 leden, inclusief de voorzitter. De samenstelling bestaat uit een mix van ervarings- en beleidsdeskundigen met een breed netwerk.

  • 3.

    De adviesraad is met tenminste één lid vertegenwoordigd in de Regionale Adviesraad Sociaal.

Artikel 7.4 Taken Dordtse Adviesraad Sociaal

  • 1.

    De Dordtse Adviesraad Sociaal adviseert gevraagd en ongevraagd over alle onderwerpen die het beleid, de uitvoering, de controle, de evaluatie, de dienstverlening en kwaliteit betreffen met betrekking tot het sociaal domein op het gebied van de Wmo, de Jeugdwet en de Participatiewet; onder beleid wordt in dit verband verstaan: verordeningen en beleidsplannen, nadere regels en beleidsregels.

  • 2.

    Tot in het eerste lid genoemde onderwerpen horen niet klachten, bezwaarschriften en andere zaken die op individuele cliënten betrekking hebben.

  • 3.

    De Dordtse Adviesraad Sociaal krijgt tijdig en op verzoek alle informatie die het voor de uitoefening van haar taken nodig heeft.

  • 4.

    De Dordtse Adviesraad Sociaal richt haar advies aan de verantwoordelijk wethouder.

  • 5.

    Op ieder advies ontvangt de Dordtse Adviesraad Sociaal een schriftelijke en gemotiveerde reactie van het college.

Artikel 7.5 Regionale Adviesraad Sociaal Drechtsteden

Er is een adviesraad die adviseert aan het college en de gemeenteraad over het beleid betreffende de Participatiewet, algemene voorzieningen en maatwerkvoorzieningen (Wmo).

Artikel 7.6 Taken Regionale Adviesraad Sociaal Drechtsteden

  • 1.

    De Regionale Adviesraad Sociaal Drechtsteden, zoals ingesteld bij besluit van 14 september 2023, adviseert het Dagelijks Bestuur en het Algemeen Bestuur gevraagd en ongevraagd:

    • a.

      over alle onderwerpen die het beleid, de uitvoering, de controle, de evaluatie, de dienstverlening en kwaliteit betreffen met betrekking tot het sociaal domein op het gebied van werk en inkomen en Wmo-maatwerkvoorzieningen; onder beleid wordt in dit verband verstaan: verordeningen en beleidsplannen, nadere regels en beleidsregels die regionaal door de GRS worden uitgevoerd.

    • b.

      bij het ontwikkelen en aanpassen van de informatievoorziening aan de cliënt, zoals voorlichtingsmateriaal.

  • 2.

    De Regionale Adviesraad Sociaal Drechtsteden krijgt tijdig en op verzoek alle informatie die het voor de uitoefening van haar taken nodig heeft.

  • 3.

    Een advies van de Regionale Adviesraad Sociaal Drechtsteden wordt via de directie voor de eerstvolgende, uiterlijk de daaropvolgende vergadering van het Dagelijks Bestuur of Algemeen Bestuur uitgebracht.

  • 4.

    Wanneer de directie, het Dagelijks Bestuur of het Algemeen Bestuur afwijkt van het advies van de Regionale Adviesraad Sociaal Drechtsteden, wordt dit bij het definitieve voorstel vermeld.

  • 5.

    De Regionale Adviesraad Sociaal Drechtsteden ontvangt op ieder advies een schriftelijke en gemotiveerde reactie van het Dagelijks Bestuur of Algemeen Bestuur.

  • 6.

    De Regionale Adviesraad Sociaal Drechtsteden kan ter uitvoering van haar taken een beroep doen op de deskundigheid bij de Sociale Dienst Drechtsteden, zelfstandig onderzoeken doen of laten doen, interne en externe deskundigen raadplegen, werkgroepen instellen waarin ook niet-leden kunnen deelnemen en activiteiten ontplooien om de betrokkenheid van cliënten te bevorderen.

  • 7.

    Tot in het eerste lid genoemde onderwerpen horen niet klachten, bezwaarschriften en andere zaken die op individuele cliënten betrekking hebben.

  • 8.

    De Regionale Adviesraad Sociaal Drechtsteden adviseert evenmin over de uitvoering van wettelijke voorschriften voor zover bij de uitvoering geen ruimte is gelaten voor gemeentelijk beleid.

Artikel 7.7 Samenstelling Regionale Adviesraad Sociaal Drechtsteden

  • 1.

    De Regionale Adviesraad Sociaal Drechtsteden, zoals ingesteld bij besluit van 14 september 2023, bestaat uit de onafhankelijke voorzitter en minimaal 6 leden en maximaal 12 leden, met ten minste leden uit de lokale cliëntenraden, waarbij iedere lokale cliëntenraad van de Drechtstedengemeenten één lid afvaardigt. Die leden kunnen worden aangevuld met ervaringsdeskundigen.

  • 2.

    Van het lidmaatschap en voorzitterschap van de Regionale Adviesraad Sociaal Drechtsteden zijn uitgesloten raadsleden van de Drechtstedengemeenten, medewerkers van het Openbaar Lichaam Sociaal, medewerkers van de daarbij aangesloten gemeenten, leden van het Dagelijks Bestuur, leden van het Algemeen Bestuur en personen die op andere wijze bij het bestuur van het Openbaar Lichaam Sociaal of de Drechtstedengemeenten zijn betrokken.

  • 3.

    Leden van de Regionale Adviesraad Sociaal Drechtsteden die in een traject in het kader van arbeidsinschakeling ingevolge de wet, de Wsw, de lOAZ, of de IOAW zitten, of daar in geplaatst worden tijdens hun lidmaatschap, krijgen de gelegenheid dit traject te combineren met een volwaardig lidmaatschap van de Regionale Adviesraad Sociaal Drechtsteden. Bij de inrichting van het traject wordt daarmee rekening gehouden.

  • 4.

    Voor de leden kunnen plaatsvervangers worden aangewezen.

  • 5.

    Het Algemeen Bestuur benoemt op basis van een zwaarwegende voordracht van de Regionale Adviesraad Sociaal Drechtsteden de leden van de Regionale Adviesraad Sociaal Drechtsteden.

Artikel 7.8 Reglement

Het Algemeen Bestuur stelt, onverminderd de artikelen 7.6 en 7.7 een nader reglement voor de Regionale Adviesraad Sociaal Drechtsteden vast.

Hoofdstuk 8. Kritiek op de uitvoering, evaluatie en monitoring

De gemeente voert het beleid en de wetten zo goed mogelijk uit. Dit hoofdstuk beschrijft hoe de gemeente het beleid evalueert en monitort, maar ook wat inwoners kunnen doen als ze het niet eens zijn met de aanpak of een besluit van de gemeente. Zij kunnen dan een klacht en/of bezwaarschrift indienen.

Artikel 8.1 Klachtregeling

[Jeugdwet, Participatiewet, Wmo]

Het college heeft een regeling vastgesteld voor de afhandeling van klachten die betrekking hebben op de wijze van afhandeling van meldingen, verzoeken en aanvragen zoals bedoeld in deze verordening.

Artikel 8.2 Klachten over andere personen of organisaties

[WMO, Jeugdwet]

  • 1.

    Iedere aanbieder heeft een regeling voor afhandeling van klachten van cliënten.

  • 2.

    Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de klachtregelingen van aanbieders.

Artikel 8.3 Bezwaar

Als de gemeente een besluit neemt, informeert de gemeente de inwoner over de manier waarop bezwaar kan worden gemaakt tegen dat besluit en eventueel beroep kan worden ingesteld. Die regels staan in de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 8.4 Evaluatie en monitoring

  • 1.

    Evaluatie van het door het college gevoerde beleid vindt plaats via de reguliere bestuursrapportages, of op verzoek van de gemeenteraad.

  • 2.

    Ten behoeve van de evaluatie van de Jeugdhulp verzamelt het college systematisch informatie bij relevante betrokkenen over de uitvoering en het proces, waaronder:

    • a.

      het aantal jeugdigen met jeugdhulp (totaal en per type jeugdhulp);

    • b.

      de kosten van jeugdhulp (totaal, gemiddeld per cliënt, gemiddeld per type jeugdhulp);

    • c.

      het aantal verwijzingen (per type verwijzer);

    • d.

      de verhouding tussen Zorg in natura en pgb;

    • e.

      cliënttevredenheid.

Hoofdstuk 9. Begrippen en afkortingen

In deze verordening worden allerlei begrippen gebruikt. In deze verordening worden begrippen op twee niveaus toegelicht. Per hoofdstuk worden specifieke begrippen toegelicht die relevant zijn voor de toepassing van dat hoofdstuk. Daarnaast is bij dit hoofdstuk 9 een algemene begrippenlijst opgenomen waarin termen worden gedefinieerd die door de gehele verordening heen worden gebruikt.

  • Algemeen bestuur: het Algemeen Bestuur van het Openbaar Lichaam Sociaal

  • Algemene voorziening: voorziening waarvoor het college geen beschikking afgeeft en die voorliggend is op maatwerkvoorzieningen (Wmo) en individuele voorzieningen (Jeugdwet)

  • Andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de Jeugdwet, op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen

  • Bijdrage: een eigen bijdrage die de client is verschuldigd voor de geleverde ondersteuning of dienst

  • Bijstand: het recht op de bijstandsnorm

  • Budgetbeheerder: wettelijk vertegenwoordiger of gemachtigde van de budgethouder

  • Budgethouder: persoon die een pgb ontvangt op grond van de Jeugdwet en/of de Wmo

  • Budgetplan: verplicht door de cliënt in te dienen plan waarin ten minste staat beschreven welke zorg of ondersteuning hij wil inkopen met het pgb, wie daarvoor wordt ingeschakeld, welke resultaten hij met de ondersteuning wil bereiken en wat de kosten zijn per ondersteuner.

  • Collectieve voorziening: een maatwerkvoorziening die individueel wordt verstrekt maar door meerdere personen tegelijk gebruikt kan worden

  • College: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dordrecht

  • Dagelijks bestuur: het Dagelijks Bestuur van het Openbaar Lichaam Sociaal

  • Draagkracht: de fysieke, psychische en sociale (niet de financiële) vermogens waarover een persoon of huishouden beschikt om dagelijkse zorgtaken en problemen zelfstandig of met hulp uit het eigen netwerk aan te kunnen. Dit omvat onder meer de gebruikelijke zorg die ouders of huisgenoten bieden aan minderjarige kinderen, ook in situaties waarin sprake is van ziekte, beperking of aandoening

  • Draaglast: de totale hoeveelheid fysieke, psychische en sociale belasting die op een persoon of huishouden rust, inclusief het vermogen te voorzien in een inkomen, als gevolg van omstandigheden, gebeurtenissen of verantwoordelijkheden die aandacht, energie of aanpassing vragen. De draaglast omvat zowel structurele taken als plotselinge of ingrijpende gebeurtenissen die de beschikbare draagkracht op de proef stellen

  • Drechtsteden: Alblasserdam, Dordrecht, Hardinxveld-Giessendam, Hendrik-Ido-Ambacht, Papendrecht, Sliedrecht en Zwijndrecht

  • Inwoner: degene die als ingezetene in de basisregistratie personen is ingeschreven

  • Kosteloze, onafhankelijke cliëntenondersteuning: onafhankelijke cliëntenondersteuning met informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen

  • Lokaal team: op gebiedsniveau georganiseerd, multidisciplinair team dat zorgdraagt voor de toeleiding naar, advisering over, bepaling van en het inzetten van de aangewezen voorziening

  • Persoonsgebonden budget (pgb): een geldbedrag dat door de gemeente wordt verstrekt aan een inwoner, jeugdige of zijn ouder(s), waarmee zij zelf zorg, ondersteuning of voorzieningen kunnen inkopen die passen bij hun hulpvraag

  • Persoonlijk minimabudget (PMB): de individuele inkomenstoeslag zoals bedoeld in artikel 36 van de Participatiewet

  • Pgb-leverancier: de leverancier, zorgorganisatie en/of hulpverlener die via een persoonsgebonden budget een maatwerkvoorziening of individuele voorziening verstrekt of verleent

  • Sociale Dienst Drechtsteden: de organisatie die voor inwoners in de Drechtstedengemeenten voor wat betreft de wet Maatschappelijke ondersteuning de maatwerkvoorzieningen uitvoert, de Participatiewet en de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening

  • Voorliggende voorziening: een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling

  • Voorziening in natura: een maatwerkvoorziening die in eigendom, in bruikleen of in de vorm van persoonlijke dienstverlening wordt verstrekt

  • Wet: De Algemene wet bestuursrecht of de Gemeentewet, de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hoofdstuk 3) Participatiewet (hoofdstuk 4), de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (hoofdstuk 5), de Jeugdwet (hoofdstuk 6)

Hoofdstuk 10. Slotbepalingen

In dit hoofdstuk zijn de laatste bepalingen opgenomen. In dit hoofdstuk staat dat de gemeente van deze verordening kan afwijken als dit nodig is. Verder wordt geregeld welke verordeningen vervangen worden door deze verordening sociaal domein en wanneer deze verordening ingaat.

Artikel 10.1 Afwijken van de verordening (hardheidsclausule)

Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de inwoner afwijken van de bepalingen in deze verordening, wanneer toepassing van deze verordening of van de hieruit voortvloeiende nadere regels, leidt tot onbillijkheden van overwegende aard.

Artikel 10.2 Intrekken oude verordeningen

De integrale verordening sociaal domein Dordrecht komt in plaats van onderstaande verordeningen. Daarom worden onderstaande verordeningen ingetrokken met ingang van de inwerkingtreding van de integrale verordening sociaal domein Dordrecht per 1 april 2026.

  • De verordening maatschappelijke ondersteuning Dordrecht vastgesteld op 7 november 2023;

  • De verordening werk en inkomen Dordrecht vastgesteld op 26 november 2024;

  • De verordening persoonlijk minimabudget Dordrecht vastgesteld op 29 november 2022;.

  • De verordening beslistermijn schuldhulpverlening Dordrecht vastgesteld op 1 februari 2022;

  • De verordening jeugdhulp Dordrecht vastgesteld op 22 februari 2022.

Artikel 10.3 Overgangsrecht Wmo

  • 1.

    Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening, verstrekt op grond van de verordening maatschappelijke ondersteuning Dordrecht, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen ten aanzien van die voorziening op grond van deze verordening.

  • 2.

    Aanvragen die zijn ingediend vóór inwerkingtreding van deze verordening en waarop nog geen besluit is genomen ten tijde van de inwerkingtreding van deze verordening, worden afgehandeld op grond van deze verordening.

  • 3.

    Bezwaarschriften die zijn ingediend tegen besluiten genomen op grond van de verordening maatschappelijke ondersteuning Dordrecht, worden afgehandeld op grond van de verordening maatschappelijke ondersteuning Dordrecht.

Artikel 10.4 Overgangsrecht Werk & Inkomen

  • 1.

    Aanvragen die zijn ingediend vóór inwerkingtreding van deze verordening en waarop nog geen besluit is genomen ten tijde van de inwerkingtreding van deze verordening, worden afgehandeld op grond van deze verordening.

  • 2.

    Bezwaarschriften die zijn ingediend tegen besluiten genomen op grond van de verordening werk en inkomen Dordrecht, worden afgehandeld op grond van de verordening werk en inkomen Dordrecht.

Artikel 10.5 Overgangsrecht Beslistermijn schuldhulpverlening

  • 1.

    De Verordening beslistermijn schuldhulpverlening Dordrecht blijft van toepassing ten aanzien van een op grond daarvan genomen besluit totdat het college, onder intrekking van dit besluit, een nieuw besluit op grond van deze verordening heeft genomen.

  • 2.

    Aanvragen die zijn ingediend vóór inwerkingtreding van deze verordening en waarop nog geen besluit is genomen ten tijde van de inwerkingtreding van deze verordening, worden afgehandeld op grond van deze verordening.

  • 3.

    Bezwaarschriften die zijn ingediend tegen besluiten genomen op grond van de Verordening beslistermijn schuldhulpverlening Drechtsteden, worden afgehandeld op grond van de Verordening beslistermijn schuldhulpverlening Drechtsteden.

Artikel 10.6 Overgangsrecht Jeugdhulp

  • 1.

    Een jeugdige of zijn ouder(s) houdt recht op een lopende voorziening, verstrekt op grond van de verordening jeugdhulp Dordrecht, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen ten aanzien van die voorziening.

  • 2.

    Aanvragen die zijn ingediend onder de verordening jeugdhulp Dordrecht waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens deze verordening.

  • 3.

    Bezwaarschriften gericht tegen besluiten die zijn genomen voor de inwerkingtreding van deze verordening worden behandeld op grond van verordening jeugdhulp Dordrecht die ten aanzien van de betreffende zaak zijn rechtskracht behoudt. Hier kan ten gunste van de jeugdige of zijn ouder(s) van worden afgeweken als heroverweging op grond van de deze verordening leidt tot een gunstiger uitkomst.

  • 4.

    Het college is bevoegd een besluit, dat is genomen op grond van verordening jeugdhulp Dordrecht, te herzien:

    • a.

      op de gronden, vermeld in verordening jeugdhulp Dordrecht;

    • b.

      indien uit een door het college uitgevoerd heronderzoek blijkt dat er met toepassing van de ten tijde van het onderzoek geldende verordening een afwijkend besluit zou zijn genomen, of;

    • c.

      indien de cliënt wenst te veranderen van jeugdhulpaanbieder of van verstrekkingsvorm.

  • 5.

    Het college heeft de bevoegdheid om een pgb dat is verstrekt onder verordening jeugdhulp Dordrecht terug te vorderen op de in deze verordening genoemde gronden.

Artikel 10.7 Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op 1 april 2026.

Artikel 10.8 Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als “Verordening Sociaal Domein Dordrecht”.

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 10 maart 2026.

De griffier, De voorzitter,

G.J.P. van Soest, N. Mol

Bijlagen

Bijlage 1. Dienstomschrijvingen Jeugdhulp ZHZ, versie 5.1, 1-1-2026

Bijlage 2. Opgroeien en opvoeden. Normale uitdagingen voor kinderen jongeren en ouders, van het Nederlands Jeugdinstituut, onderdeel 6 Samenvattend overzicht van ontwikkelingstaken, opvoedvragen en 'normale' uitdagingen, uitgave 4 december 2020