Beleidsregels leerlingenvervoer gemeente Leusden 2026

Geldend van 01-04-2026 t/m heden

Intitulé

Beleidsregels leerlingenvervoer gemeente Leusden 2026

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leusden

gelet op artikel 156, derde lid Gemeentewet;

gelet op artikel 2 van de Verordening leerlingenvervoer gemeente Leusden 2025;

overwegende dat het de bevoegdheid heeft om beleidsregels te stellen over de onderwerpen in de Verordening leerlingenvervoer gemeente 2025

overwegende dat:

  • het college ervoor zorgdraagt dat het leerlingenvervoer op zorgvuldige wijze wordt uitgevoerd waarbij de leerling met haar/zijn specifieke onderwijskundige behoefte en de context waarin het kind zich bevindt, centraal staat;

  • het college regionale afstemming en samenwerking binnen de regio Amersfoort wenselijk acht wat betreft het leerlingenvervoer zodat er richting ouders, leerlingen, vervoerders en scholen een eenduidige en uniforme werkwijze en communicatie gehanteerd kan worden;

  • het college zelfstandig reizen wil stimuleren en zo de zelfredzaamheid van leerlingen wil vergroten;

  • het college ter uitvoering van het leerlingenvervoer nadere regels van belang acht.

B E S L U I T: vast te stellen de volgende Beleidsregels leerlingenvervoer gemeente Leusden 2026

Artikel 1 Hoogbegaafdenonderwijs

Iedere basisschool heeft een aanbod voor hoogbegaafde leerlingen; in het schoolprofiel of schoolplan geven de scholen aan welke ondersteuning en begeleiding zij bieden. Hoogbegaafde leerlingen kunnen met de juiste begeleiding en het juiste lesmateriaal op een reguliere, dichterbij gelegen school het voor hen passend onderwijs ontvangen.

Een uitzondering wordt gemaakt als door ouders een overgelegde schriftelijke verklaring van een onafhankelijke deskundige overlegd kan worden. Dit kan bijvoorbeeld door middel van een onderbouwing door het samenwerkingsverband of wanneer er uit intelligente-onderzoek blijkt dat er specifiek onderwijs nodig is als gevolg van de hoogbegaafdheid van een leerling;

Hieruit moet blijken dat de leerling op de dichterbij gelegen scholen geen passend onderwijs kan volgen en dit tot onoplosbare en onoverkomelijke problemen leidt voor de leerling.

Artikel 2 Onaanvaardbaar gedrag van de leerling binnen het vervoer

  • 1. Uitgangspunt is dat het vervoer altijd veilig wordt uitgevoerd. De veiligheid van medeleerlingen, chauffeur en verkeersveiligheid mogen niet in het geding zijn.

  • 2. De leerling voor wie een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer is verstrekt, kan tijdelijk of voor de rest van het schooljaar de toegang tot dit vervoer worden ontzegd, als bij herhaling blijkt dat de leerling door agressief gedrag of anderszins de orde in het voertuig verstoort of de veiligheid van het voertuig en inzittenden in gevaar brengt. Schorsing van de leerling in het vervoer ontslaat ouders en/of de leerling niet van de verplichting tot het bezoeken van de school. Ouders zijn verantwoordelijk voor correct gedrag van hun kind.

  • 3. Hierbij worden de volgende stappen gevolgd:

    • Klachten worden in beginsel door de vervoerder opgelost volgens de klachtenprocedure van de vervoerder;

    • De vervoerder brengt de ouders op de hoogte van het gedrag van de leerling: mondeling en bevestigd via mail of brief;

    • Als een klacht niet met de vervoerder wordt opgelost, informeert de vervoerder het college over het agressieve en/of ongewenste gedrag van de leerling. Het college bespreekt dit met de ouders en/of meerderjarige leerlingen;

    • Als de conclusie van het college is dat het voorval is terug te voeren op de lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke of psychische beperking van de leerling dan wordt met vervoerder, ouders en eventueel school een passende oplossing gezocht, zoals begeleiding in het aangepast vervoer of eigen vervoer.

    • Als de conclusie van het college is dat het voorval niet is terug te voeren op de beperking van de leerling, wordt het agressieve en/of ongewenste gedrag aan de leerling toegerekend. Het college neemt de beslissing over al dan niet sanctioneren en over de aard van de sanctie.

    • Als bij het incident leerlingen van verschillende gemeenten zijn betrokken, overlegt het college met de andere gemeenten over het opleggen van een sanctie.

    • Voordat een beschikking of waarschuwing wordt verstuurd vindt een gesprek plaats met de ouders. Afhankelijk van de ernst en herhaling van het incident ontvangen de ouders:

      • een schriftelijke waarschuwing of

      • een beschikking met een tijdelijke uitsluiting of

      • een beschikking met een (tijdelijke) uitsluiting zonder voorafgaande waarschuwing.

  • 4. In een schriftelijke waarschuwing wordt in elk geval medegedeeld dat:

    • de leerling gedurende het onderzoek niet wordt vervoerd met aangepast vervoer;

    • bij herhaling van ongewenst gedrag de leerling voor een termijn van maximaal vier weken wordt uitgesloten van aangepast vervoer.

  • 5. Bij een beschikking met een tijdelijke uitsluiting moet sprake zijn van herhaald agressief en/of ongewenst gedrag dat plaatsvindt binnen een periode van twaalf maanden na de datum van de eerste waarschuwingsbrief.

    Er vindt opnieuw onderzoek plaats als onder artikel 2, tweede lid is beschreven.

    Als de conclusie van het onderzoek van het college is dat het agressieve en/of ongewenste gedrag is toe te rekenen aan de leerling, dan vindt een gesprek plaats tussen de ouders van de leerling en de gemeente. Daarna ontvangen de ouders onder verwijzing naar de waarschuwingsbrief een beschikking waarin in elk geval wordt meegedeeld, dat:

    • vanwege de herhaling van het agressieve en/of ongewenste gedrag de leerling voor een termijn van één dag tot vier weken wordt uitgesloten van enige vorm van leerlingenvervoer;

    • als de leerling zich na de schorsing opnieuw schuldig maakt aan ongewenst gedrag, de leerling wordt uitgesloten van het aangepaste vervoer met een maximum van twee maanden exclusief vakanties.

    • als de leerling zich vervolgens na de schorsing opnieuw schuldig maakt aan ongewenst gedrag, de leerling wordt uitgesloten voor de rest van het schooljaar.

  • 6. Afhankelijk van de gedraging kan na de eerste waarschuwingsbrief nog een tweede schriftelijke waarschuwing worden afgegeven alvorens de beschikking met tijdelijke uitsluiting aan de orde is.

Artikel 3 Individueel vervoer

  • 1. Het uitgangspunt voor het aangepast vervoer is dat leerlingen gezamenlijk in een taxibusje worden vervoerd. Verzoeken om individueel vervoer worden met de grootst mogelijke terughoudendheid toegekend.

  • 2. Individueel vervoer vindt plaats indien is aangetoond door een onafhankelijke deskundige met BIG registratie dat een leerling met een lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke of psychische beperking niet samen met andere leerlingen kan worden vervoerd.

  • 3. Individueel vervoer wordt in beginsel toegekend voor de duur van maximaal drie maanden tenzij is aangetoond dat individueel vervoer voor een langere periode ingezet moet worden. Bij een eventuele verlenging wordt opnieuw een belangenafweging gemaakt.

Artikel 4 Woning van de leerling bij co-ouderschap

Wanneer er sprake is van co-ouderschap dan kan een leerling twee woningen hebben in de zin van de verordening. Om aanspraak te maken op leerlingenvervoer moet iedere ouder afzonderlijk, een aanvraag indienen bij de gemeente waar hij of zij woonachtig is. De betreffende gemeente toetst de aanvraag aan de eigen verordening leerlingenvervoer, waarbij onder meer wordt bekeken of er sprake is van een woning in de zin van de verordening, of de school de dichtstbijzijnde toegankelijke is en of voldaan is aan de afstandsgrens. Als bij co-ouderschap slechts vanuit één van beide adressen aanspraak op leerlingenvervoer bestaat, wordt overleg gepleegd met de andere gemeente teneinde tot een voor de leerling mogelijk passende oplossing te komen.

Artikel 5 Dichtstbijzijnde toegankelijke school

  • 1. Als de dichtstbijzijnde school vol zit en geen leerlingen kan toelaten betekent dit dat de leerling naar een verder weg gelegen school moet worden vervoerd.

  • 2. Indien de dichterbij gelegen school weer ruimte heeft om leerlingen te plaatsen vervalt het recht om naar de verder weg gelegen school te worden vervoerd bij het einde van het schooljaar. Hiervan kan worden afgeweken indien:

    • a.

      de leerling in het nieuwe schooljaar in het laatste jaar van school zit; of

    • b.

      het wisselen van school aantoonbaar ernstige negatieve gevolgen voor de leerling heeft.

Artikel 6 Eenmalige vergoeding voor de aanschaf van een elektrische fiets (SO en SBO, groep 8)

  • 1. Het college kan een eenmalige financiële vergoeding verstrekken voor de aanschaf van een elektrische fiets aan ouders van leerlingen die onderwijs volgen in groep 8 van het Speciaal Onderwijs (SO) of het Speciaal Basisonderwijs (SBO), indien:

    • a.

      de afstand tussen woning en school ten minste 6 kilometer en ten hoogste 15 kilometer enkele reis bedraagt;

    • b.

      de leerling naar het oordeel van ouders en de school voldoende verkeersvaardig is om zelfstandig te reizen;

    • c.

      geen noodzaak bestaat tot toekenning van aangepast vervoer; en

    • d.

      de voorziening bijdraagt aan het vergroten van de zelfredzaamheid van de leerling in aanloop naar het voortgezet onderwijs.

  • 2. De vergoeding bedoeld in het eerste lid bedraagt maximaal € 750,- per leerling, tenzij het college jaarlijks een ander bedrag vaststelt.

  • 3. Voor toekenning van de vergoeding overleggen ouders:

    • a.

      een offerte of aankoopbewijs van de elektrische fiets; en

    • b.

      een schriftelijke verklaring van de school waaruit blijkt dat de leerling voldoende verkeersvaardig is om gebruik te maken van de fiets voor de school-thuisroute.

  • 4. De vergoeding wordt uitsluitend eenmalig verstrekt en niet opnieuw toegekend in geval van vervanging, schade, verlies of diefstal van de fiets.

  • 5. Na toekenning van de vergoeding vindt bij gelijkblijvende omstandigheden geen terugkeer naar aangepast vervoer plaats.

    Slechts indien sprake is van aantoonbare en substantiële wijziging van omstandigheden, waardoor de leerling redelijkerwijs niet langer zelfstandig kan reizen, kan het college opnieuw beoordelen of een andere vorm van leerlingenvervoer noodzakelijk is.

  • 6. Het college kan de vergoeding weigeren of intrekken indien:

    • a.

      blijkt dat de leerling structureel geen gebruik kan maken van de fiets voor de school-thuisroute; of

    • b.

      gewijzigde omstandigheden leiden tot de noodzaak van een andere vorm van leerlingenvervoer.

  • 7. De voorziening heeft tot doel het bevorderen van zelfstandig en duurzaam reizen, het versterken van verkeersvaardigheden en het ondersteunen van een geleidelijke overgang naar het voortgezet onderwijs.

Artikel 7 Begeleiding van de geïndiceerde leerling in het vervoer en ernstige benadeling van het gezin

  • 1. Begeleiding is primair een taak van de ouders. Dit geldt ook als beide ouders werken.

  • 2. Een uitzondering wordt gemaakt als sprake is van een ernstige benadeling van het gezin waardoor begeleiding van de leerling niet meer van ouders kan worden gevergd. Van een ernstige benadeling van het gezin is in ieder geval sprake in de volgende situaties:

    • a.

      een éénouder gezin en er meer kinderen in de basisschoolleeftijd aanwezig zijn. Deze leerlingen hebben aantoonbaar begeleiding nodig naar school, wat aantoonbaar niet verenigbaar is met de begeleiding in het openbaar vervoer of bij het fietsen van de leerling die in aanmerking komt voor een vervoersvoorziening;

    • b.

      een éénouder gezin heeft een aantoonbare structurele lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke of psychische beperking waardoor begeleiding tijdens het vervoersmoment onmogelijk is;

    • c.

      een éénouder gezin kan aantoonbaar onmogelijk de begeleiding in het openbaar vervoer of bij het fietsen vormgeven gedurende het vervoersmoment vanwege een scholings- of arbeidsverplichting vanuit de Participatiewet;

    • d.

      beide ouders kunnen aantoonbaar onmogelijk de begeleiding in het openbaar vervoer of bij het fietsen vormgeven gedurende het vervoersmoment omdat bij hen beiden sprake is van:

      • een aantoonbare structurele lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke of psychische beperking, vastgelegd door een daartoe bevoegde, BIG-geregistreerde, deskundige; of

      • een aantoonbare scholings- of arbeidsverplichting vanuit de Participatiewet.

    • e.

      het reizen kost de begeleider meer dan vier uur reistijd per dag.

Artikel 8 Inwerkingtreding

Deze beleidsregel treedt in werking de dag na bekendmaking.

Ondertekening