Handleiding lokaal zeggenschap en eigendom bij grootschalige windenergieprojecten Berkelland en Oost Gelre 2026

Geldend van 02-04-2026 t/m heden

Intitulé

Handleiding lokaal zeggenschap en eigendom bij grootschalige windenergieprojecten Berkelland en Oost Gelre 2026

Burgemeester en wethouders van Berkelland,

gelet op de artikelen 4, tweede lid, en 7, eerste lid van de Verordening lokaal zeggenschap en eigendom bij grootschalige windenergieprojecten Berkelland 2026;

B E S L U I T E N :

vast te stellen de:

Handleiding lokaal zeggenschap en eigendom bij grootschalige windenergieprojecten Berkelland en Oost Gelre 2026

1. Inleiding

1.1 Doel en functie van deze handleiding

Deze ‘handleiding lokaal zeggenschap en eigendom bij grootschalige windenergieprojecten Berkelland en Oost Gelre’ (hierna: handleiding) is een nadere uitwerking op de ‘verordening lokaal zeggenschap en eigendom bij grootschalige windenergieprojecten Berkelland/Oost Gelre 2026’ (hierna: verordening). Het doel van deze handleiding is om initiatiefnemers duidelijk te maken wat er van hen wordt verwacht van lokaal eigendom en zeggenschap bij realisatie van windprojecten.

Voor windinitiatieven in zoekgebied K geldt dat initiatiefnemers 6 maanden de tijd hebben om te komen tot één plan en één consortium bij dit plan. Deze 6 maanden gaan in na publicatie van deze handleiding op 2 april 2026 en komt daarmee op 2 oktober 2026.

Het antwoord op de vraag: “welke processen moet een initiatiefnemer doorlopen?” leest u in deze handleiding.

De handleiding bevat zogeheten gedelegeerde algemeen verbindende voorschriften (AVV’s). Dit zijn regels die algemeen bindend zijn, maar niet rechtstreeks door de wetgever zelf worden gemaakt. In dit geval geldt dat de handleiding is opgesteld in samenwerking tussen gemeenten en initiatiefnemers. Een eerdere ontwerpversie van de handleiding is getoetst tijdens een marktverkenning in november 2025. Naar aanleiding van schriftelijke feedback na de marktverkenning is de handleiding aangepast tot deze definitieve versie. De colleges van de gemeenten Berkelland en Oost Gelre stellen de handleiding vast.

De handleiding gaat eerst in op de samenhang met het bestaande beleid, het nut van een gebiedsproces en de opbouw van het gebiedsproces. Vervolgens bespreekt de handleiding de verschillende relevante onderdelen van het gebiedsproces (planvorming en ontwerp) in detail en gaat de handleiding in op het proces om te komen tot besluitvorming over de vergunningverlening. Hierdoor weet een initiatiefnemer wat er wordt verwacht en kan de gemeente een windinitiatief hier ook goed op beoordelen bij de vergunningverlening. De handleiding fungeert hierin als toetsingskader: de mate waarin de beschreven processen en uitgangspunten zijn gevolgd, wordt door de gemeente betrokken bij de beoordeling van een vergunningaanvraag.

1.2 Het windkader: Samenhang windbeleid, verordening en handleiding

Deze handleiding is onderdeel van het lokale windkader. Het windkader bestaat daarnaast uit de verordening en het Beleidsdocument Grote Windmolens van de gemeenten Berkelland en Oost Gelre (hierna: windbeleidsdocument).

De samenhang is als volgt: het windbeleidsdocument formuleert uitgangspunten, beleidsdoelen en een kader voor de ontwikkeling van grote moderne windmolens. De gemeenten voeren daarmee regie op windmolenprojecten. De inzet is daarbij dat er in een zoekgebied één goed afgestemd plan naar voren komt dat past bij de uitgangspunten van de gemeenten en waarbij inwoners actief kunnen deelnemen. Het windbeleidsdocument stelt verder uitgangspunten en randvoorwaarden voor het ontplooien van een windinitiatief en het aanvragen van een omgevingsvergunning voor grootschalige windenergie door initiatiefnemers.

De verordening en handleiding sluiten aan op de uitgangspunten en randvoorwaarden in het windbeleidsdocument. Ze vormen hier een aanvulling op. De verordening en handleiding verschaffen daarbij in het bijzonder respectievelijk een juridische en een inhoudelijke uitwerking van het thema lokaal zeggenschap en eigendom.

Deze handleiding verwijst naast de in het windbeleid opgenomen onderdelen direct en indirect ook naar aanverwant beleid waaronder:

  • Europese richtlijnen (RED III, Electricity Market Directive).

  • Op landelijk niveau het klimaatakkoord, het Nationaal Programma RES, de Omgevingswet, de Energiewet en de ten tijde van opstellen van deze handleiding nog vast te stellen landelijke milieunormen voor windturbines.

  • Op provinciaal niveau het provinciaal windbeleid, de provinciale omgevingsverordening en de windladder.

  • Op regionaal niveau de RES 1.0 Achterhoek en specifiek hoofdstuk 9 en RES 2.0 Achterhoek.

  • Lokaal voor de Gemeente Berkelland aanvullend op windkader:

    • o

      Ruimtelijke Ordening en Duurzame Energie (raadsbesluit 18 februari 2018),

      • Paragraaf 3.5

      • Algemene randvoorwaarden windturbines.

      • Bijlage A: Aanvullende toetsingskader RODE beleid.

      • Net-Zero (voorheen NWEA) Gedragscode Wind op land

    • o

      Participatievisie Gemeente Berkelland.

  • Lokaal voor de Gemeente Oost Gelre aanvullend op windkader:

    • o

      Participatiebeleid Gemeente Oost Gelre. Dit beleid benadrukt het belang van vroegtijdige en passende betrokkenheid van inwoners bij ruimtelijke plannen, o.a. vanuit goed naoberschap.

    • o

      Het participatiebeleid kent ook de handreiking ‘betrek uw buurt bij uw (bouw)plan’, dit geeft richtlijnen over hoe participatie en verslaglegging vorm te geven.

Als er conflicten ontstaan tussen het lokale achterliggende beleid en de verordening en handleiding, geldt dat de verordening leidend is, vervolgens de handleiding en dan pas het achterliggende beleidskader. Voor de zaken die niet in de verordening of handleiding behandeld worden, blijft het windbeleidsdocument leidend.

1.3 Juridische status

Concreet biedt de verordening een juridische bestendiging van het belang dat de gemeenten hechten aan lokaal eigendom en zeggenschap. Ze richt zich daarbij op proces, voorwaarden en inspanningen. Ook voorziet de verordening in dit kader in (aanvullende) uitgangspunten zoals dat ‘de financiële en elektriciteitsopbrengsten zo lokaal mogelijk blijven’. Hiervoor formuleert de verordening het aanvullende doel om projecten en installaties zoveel mogelijk van, voor en door de lokale gemeenschap te realiseren. Dit betekent concreet dat:

  • het percentage lokaal eigendom zo hoog mogelijk is;

  • eigendom en zeggenschap zoveel mogelijk bij lokale partijen liggen;

  • de organisatie bij voorkeur de vorm heeft van een hernieuwbare energiegemeenschap zoals geformuleerd in de Energiewet;

  • opbrengsten van installaties—zoals elektriciteit, financiële voordelen en maatschappelijke meerwaarde—zoveel mogelijk ten goede komen aan de lokale gemeenschap.

De verordening en deze handleiding beogen geen afdwingbare resultaatsverplichting ten aanzien van het behalen van een bepaald percentage lokaal eigendom of zeggenschap in enge zin. De gemeenten kunnen en willen niet afdwingen dát lokaal eigendom tot stand komt, aangezien dit mede afhankelijk is van de bereidheid en mogelijkheden van lokale partijen.

De juridische borging die de verordening beoogt, ziet daarom niet op het resultaat, maar op:

  • het proces dat een initiatiefnemer moet doorlopen;

  • de inspanningen die van een initiatiefnemer worden verwacht;

  • en de transparante, toetsbare motivering daarvan bij vergunningverlening.

De verordening geeft hieraan vorm door het stellen van een inspanningsverplichting en motiveringsplicht, zoals toegestaan op grond van artikel 149 van de Gemeentewet en artikel 6.12, derde lid, van de Energiewet. Deze verplichtingen zijn juridisch bindend en kunnen door de gemeente worden betrokken bij de beoordeling van een vergunningaanvraag.

Deze handleiding vormt een nadere uitwerking van die verplichtingen. Zij beschrijft het door het college voorgestelde gebiedsproces en geeft aan hoe initiatiefnemers concreet invulling kunnen geven aan de inspanningsverplichting en motiveringsplicht. Het volgen van de in deze handleiding beschreven processtappen is noodzakelijk om aannemelijk te maken dat aan de verplichtingen uit de verordening is voldaan. Initiatiefnemers dienen het beschreven gebiedsproces te volgen om aannemelijk te maken dat zij voldoen aan de inspanningsverplichting en motiveringsplicht uit de verordening.

De juridische werking van de verordening en handleiding is daarmee als volgt te duiden:

  • zij leggen geen verplichting op tot het realiseren van lokaal eigendom;

  • zij leggen wél verplichtingen op ten aanzien van gedrag, proces en verantwoording;

  • en zij bieden de gemeente een toetsingskader bij vergunningverlening om te beoordelen of een initiatiefnemer zich aantoonbaar, tijdig en serieus heeft ingespannen om lokaal zeggenschap en eigendom mogelijk te maken.

In die zin borgen de verordening en handleiding het belang dat de gemeenten hechten aan lokaal zeggenschap en eigendom procedureel en normatief, maar niet als afdwingbaar eindresultaat. Zoals ook door de wetgever met de Energiewet is beoogd, ligt de nadruk op het proces en de inspanningen die initiatiefnemers leveren om lokaal eigendom en zeggenschap te bevorderen.

1.4 Nut en noodzaak van een gebiedsproces bij windprojecten

De ontwikkeling en exploitatie van een windmolen heeft effect op de omgeving. Daarom krijgt participatie in de fasen van planvorming en ontwerp vorm aan de hand van een gebiedsproces. Met een gebiedsproces bedoelen we het proces waarbij participatie voor belanghebbenden is georganiseerd, rondom de beoogde windmolen(s). Bij belanghebbenden gaat het om omwonenden, grondeigenaren, natuur- en milieuorganisaties, energiecoöperaties, de gemeenten, afnemers, en dergelijke. Doel van het gebiedsproces is om, zoveel als mogelijk, rekening te houden met alle belangen die spelen rondom het windpark.

De ontwikkeling van een windpark is een complex proces. Veel verschillende onderwerpen moeten onderzocht worden en het vraagt van betrokkenen ook inhoudelijke kennis om deze onderzoeken te kunnen duiden. Denk aan het geluidsonderzoek bij windturbines, ruimtelijke procedures of de relatie tussen alle keuzes en de invloed ervan op de businesscase van het windproject. Via een gebiedsproces worden belanghebbenden gaandeweg ook inhoudelijk meegenomen in de (kennis)ontwikkeling van energieopwekking uit wind. Hierdoor kunnen belanghebbenden participeren bij de ontwikkeling op die momenten dat zij de meeste invloed kunnen uitoefenen of vroegtijdig geïnformeerd kunnen worden, namelijk wanneer de keuzes gemaakt worden. Zo kunnen belanghebbenden hun zorgen over bijvoorbeeld hinder door geluid en slagschaduw inbrengen en gezamenlijk besluiten wat er mogelijk is om deze hinder weg te nemen of zo klein mogelijk te maken. De initiatiefnemer maakt uiteindelijke (ontwerp)keuzes op basis van dit gebiedsproces.

Tot slot biedt het gebiedsproces een stevige basis om de inspanningsverplichting voor lokaal zeggenschap en eigendom goed te kunnen organiseren. Stimuleren van lokaal zeggenschap en eigendom gaat het beste wanneer belanghebbenden (zoals een energiecoöperatie) van begin af aan mee kunnen ontwikkelen - en niet pas na realisatie een windpark kunnen overnemen van de ontwikkelaar. In de ontwikkelfase is er immers nog de meeste keuzevrijheid om het windpark vorm te geven.

1.5 Opbouw van het gebiedsproces en samenhang ruimtelijke onderzoeken

Lokaal zeggenschap en eigendom krijgt vorm via het gebiedsproces: het proces waarin de omgeving bij planvorming en ontwerp wordt betrokken. De resultaten van het gebiedsproces worden meegenomen in de fase van vergunningverlening. Parallel aan het gebiedsproces vinden ook ruimtelijke onderzoeken ter voorbereiding op de vergunningverlening plaats. Onderstaand duiden we daarom hoe het gebiedsproces en de ruimtelijke onderzoeken zich tot elkaar verhouden. Dit is samengevat in figuur 1. In het vervolg van deze handleiding worden de processen nader toegelicht.

NB. Figuur 1 laat de volgordelijkheid van processtappen zien, zoals de gemeenten dit beogen.

afbeelding binnen de regeling

Figuur 1: Samenhang gebiedsproces en ruimtelijke onderzoeken (zie ook bijlage 1).

afbeelding binnen de regeling

  • Planvorming: vanaf de start dagen de gemeenten initiatiefnemers uit om de plannen samen met de omgeving te vormen. Onderdeel hiervan is deelname aan de door de gemeenten in november 2025 georganiseerde marktverkenning en het vroegtijdig informeren en betrekken van belanghebbenden. We vragen initiatiefnemers een plan voor borging van lokaal zeggenschap en eigendom op te stellen inclusief vastgelegde (samenwerkings-)afspraken binnen het consortium en afspraken m.b.t. sociale grondvergoeding. Dit komt samen in het windprojectplan. Parallel aan planvorming in het gebiedsproces stelt het consortium een Concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau. In het windkader wordt verwezen naar ecologische onderzoeken die van belang zijn in zoekgebied K, zoals een quickscan naar weidevogels1. In haar windbeleidsdocument geeft de gemeente uitgangspunten hiervoor mee. Zie verder in hoofdstuk 2.

  • Ontwerp: Het uitgangspunt voor de fase na planvorming is dat het consortium van initiatiefnemers samen één windprojectplan voor het zoekgebied heeft opgesteld. Met dit Windprojectplan meldt het consortium zich bij de gemeente. De colleges nemen vervolgens een principebesluit op basis van het windprojectplan en de Concept NRD. Parallel wordt de Omgevingsadviesraad geïnstalleerd. Bij een positief principebesluit gaan betrokkenen gezamenlijk het gesprek aan via de Omgevingsadviesraad en worden aanvullende ruimtelijke onderzoeken uitgevoerd die nodig zijn voor de vergunningprocedure. Zie verder in hoofdstuk 3.

  • Vergunningprocedure: De resultaten van het gebiedsproces (planvorming en ontwerp) komen samen in een omgevingsovereenkomst. Hierin motiveert de initiatiefnemer op welke wijze hij voldoet aan de inspanningsverplichting voor lokaal zeggenschap en eigendom. Aan de hand van deze omgevingsovereenkomst kan de gemeente het gebiedsproces toetsen bij de vergunningprocedure van een nieuw windproject. Voor de vergunningprocedure wordt de uitgebreide procedure gevolgd. Zie verder in hoofdstuk 4.

In het gebiedsproces worden lokaal zeggenschap en eigendom dusdanig geborgd, dat dit vanzelfsprekend ook in de realisatie- en exploitatiefase standhoudt. Dit wordt getoetst in de vergunningprocedure.

2. Planvorming

De planvormingsfase betreft de fase van 6 maanden na vaststelling van voorliggende handleiding, waarin initiatiefnemers het windprojectplan met onderlinge afspraken en de concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau opstellen. Na planvorming melden initiatiefnemers zich met één windprojectplan voor het gebied bij de gemeente waar de meeste opwek zal plaatsvinden. Ook is er een consortium gevormd middels een samenwerkingsovereenkomst.

2.1 Proces marktverkenning en start planvorming

De gemeenten Berkelland en Oost Gelre organiseerden in november 2025 een marktverkenning, als eerste stap in het gebiedsproces. Van initiatiefnemers wordt verwacht dat zij hebben deelgenomen aan de marktverkenning, om te voldoen aan de inspanningsverplichting. De functie van de marktverkenning was enerzijds gericht op aanscherping van de methodiek en handleiding en anderzijds om het komen tot één plan voor realisatie van een windproject.

Het borgen van lokaal zeggenschap en eigendom via gemeentelijk beleid is nieuw in Nederland. De gemeenten hebben voor ogen dat de initiatiefnemers via de verordening en handleiding worden uitgedaagd om tot een zo hoog mogelijk percentage lokaal zeggenschap en eigendom te komen, passend bij de beleidsdoelen. Daar is het proces op gericht. Gemeenten vinden het daarom van belang om samen te toetsen of dit in de praktijk werkbaar is én leidt tot de gewenste resultaten. Op basis van de feedback tijdens en in vervolg op de marktverkenning is voorliggende definitieve handleiding nader uitgewerkt. De doorgevoerde wijzigingen zijn terug te lezen in de Reactienota Marktverkenning lokaal zeggenschap en eigendom. Naar aanleiding van de marktverkenning zijn gegevens uitgewisseld tussen initiatiefnemers, om samen tot één plan te komen. De gemeenten bieden aan om op verzoek het proces om tot één plan te komen, nader te faciliteren.

Voorliggende handleiding wordt in het eerste kwartaal van 2026 vastgesteld door de colleges van de gemeenten Berkelland en Oost Gelre. Vanaf het moment van bekendmaking van de handleiding is de periode van marktverkenning formeel afgerond. Vanaf dit moment start de looptijd van 6 maanden voor initiatiefnemers om gezamenlijk tot één plan te komen.

2.2 Windprojectplan

Van initiatiefnemers verwachten wij dat zij aan de voorkant van het gebiedsproces een plan opstellen voor de ontwikkeling, realisatie en exploitatie van de windmolens in één zoekgebied. Dit plan wordt besproken met belanghebbenden in de omgevingsadviesraad (OAR). Het windprojectplan is bedoeld om vooraf ambities voor realisatie van lokaal zeggenschap en eigendom en onderlinge afspraken binnen het consortium vast te leggen. Uitwerking van dit plan is onderdeel van de motiveringsplicht. In dit plan moet in ieder geval – niet limitatief - worden ingegaan op:

  • Afspraken die onderling binnen het consortium zijn vastgelegd, om tot één plan te komen, inclusief samenwerkingsovereenkomst.

  • Afspraken over sociale grondvergoeding.

  • Mate waarin lokaal eigendom gerealiseerd wordt in de ontwerp- en realisatiefase en beoogd wordt in de exploitatiefase.

  • Mate waarin lokaal zeggenschap en participatie wordt ingericht in de fasen van ontwerp, realisatie en exploitatie. Betrokkenheid van de lokale gemeenschap wordt gestimuleerd en lokale belangen worden meegenomen in alle fasen.

  • Wijze waarop lokaal zeggenschap en eigendom binnen de hernieuwbare energiegemeenschap wordt georganiseerd.

  • Mate waarin baten lokaal terugvloeien in de vorm van bijvoorbeeld afname van lokale stroom of financiële baten.

  • Mate waarin wordt geborgd dat partijen gelijk worden behandeld, zonder discriminatie en ‘iedereen kan meedoen’.

  • Mate waarin de lange termijn waarde voor de lokale gemeenschap van een installatie wordt geborgd. Dit kan o.a. ruimtelijke, landschappelijke of ecologische waarde betreffen, met in ieder geval waarborgen voor ontmanteling na de levensduur van assets en calamiteiten.

  • Mate waarin informatie duidelijk, proactief en toegankelijk is voor alle stakeholders en de mate waarin afspraken helder worden vastgelegd en nagestreefd.

  • Mate waarin risico's op negatieve effecten worden geïdentificeerd en beheerst.

2.3 Ruimtelijke onderzoeken planvorming

In de fase van planvorming wordt van initiatiefnemers verwacht dat zij een concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) opstellen, inclusief het uitvoeren van een quickscan naar weidevogels.

Van een initiatiefnemer wordt verwacht dat in de fase van planvorming een concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) wordt opgesteld waarin helder wordt beschreven welke aspecten van het project onderzocht zullen worden in de Milieueffectrapportage en op welke wijze dit gebeurt. De gemeente verwacht dat de initiatiefnemer hierbij transparant en zorgvuldig te werk gaat, relevante stakeholders tijdig betrekt en de lokale situatie en belangen duidelijk meeneemt in de afbakening van het onderzoek. Het is van belang dat de NRD voldoende concreet is om als onderlegger te dienen voor verdere ruimtelijke onderzoeken en besluitvorming in het vervolgproces. Ook voor duidelijkheid naar de omgeving bij het vervolgproces, is de inhoud van dit NRD bruikbaar. Denk bijvoorbeeld aan de te onderzoeken opstellingsvarianten van de windturbines. Ook wel ‘alternatieven’ genoemd in het NRD.

Bij het opstellen van het windkader, lichten de gemeenten, naar aanleiding van het participatieproces de quickscan naar weidevogels als onderdeel van de NRD graag uit. In deze regio zijn met name in zoekgebied K weidevogels van groot ecologisch en cultureel belang, mede omdat hun populaties onder druk staan door veranderend landgebruik en ruimtelijke ontwikkelingen. Een doelmatige quickscan van de aanwezigheid van weidevogels helpt mogelijke negatieve effecten op deze soorten zo vroegtijdig als mogelijk te signaleren en passende maatregelen te treffen. Juist door de gevoeligheid van dit onderwerp in het lokale maatschappelijke debat, hecht de gemeente er waarde aan dat de quickscan weidevogels gedegen en transparant wordt uitgevoerd, zodat belangen van natuur, omgeving en initiatiefnemers goed kunnen worden afgewogen. De resultaten van de quickscan naar weidevogels kunnen in het NRD verwerkt worden.

2.4 Volgorde financiering lokaal eigendom

Om lokaal eigendom en daarmee lokaal zeggenschap voor elkaar te krijgen, is het nodig dat de omgeving (vaak de energiecoöperatie) mee investeert in de ontwikkeling van het windpark en in een latere fase in de aankoop en bouw van de windturbines. Om deze financiering voor elkaar te krijgen, wordt de volgende volgorde in drie tranches toegepast, gebaseerd op de partijen en organisaties beschreven als ‘lokale partijen’ in paragraaf 1 lid 3 van de Verordening lokaal zeggenschap en eigendom bij grootschalige windenergieprojecten Berkelland/Oost Gelre 2026.

Eerste tranche

Personen of organisaties die woonachtig of gevestigd zijn binnen een straal van 2.500 meter of de afstand van tien keer de tiphoogte van de windturbine, gerekend vanaf de voet van de windturbine.

De gemeenten Berkelland en Oost Gelre zelf en aan hen gelieerde organisaties en samenwerkingen.

Wanneer deze personen of organisaties onvoldoende financiering weten te bemachtigen, kan de tweede tranche ingezet worden.

Tweede tranche

Personen of organisaties die wonen of gevestigd zijn in de gemeenten Berkelland of Oost Gelre en een aantoonbare binding hebben met de gemeente. Onder een aantoonbare binding met de gemeente verstaan we:

Voor natuurlijke personen: het wonen in de gemeenten Berkelland of Oost Gelre.

Voor ondernemingen en maatschappelijke instellingen: het duurzaam gevestigd zijn in de gemeente of een buurgemeente én het bieden van aantoonbare toegevoegde waarde aan de sociaaleconomische structuur of voorzieningen van de gemeente of het gedurende minimaal twee jaar leveren van producten of diensten aan, of uitvoeren van activiteiten ten behoeve van, de gemeenschap in de gemeente;

Wanneer de eerste en tweede tranche onvoldoende financiering bij elkaar gebracht heeft, kan de derde tranche ingezet worden.

Derde tranche

Personen en organisaties buiten de gemeenten Berkelland en Oost Gelre.

3. Ontwerpfase

De ontwerpfase betreft de fase waarin initiatiefnemers, gemeenten en belanghebbenden met elkaar in gesprek gaan over het plan. Dit start met ambtelijke afstemming over het Windprojectplan en de Concept NRD. Daarna volgt een principebesluit door beide colleges en installatie van de OAR. Bij een positief principebesluit vindt het gesprek via de OAR plaats. Parallel worden verschillende ruimtelijke onderzoeken uitgevoerd. Deze fase eindigt in een omgevingsovereenkomst die als bijlage bij de vergunningaanvraag wordt toegevoegd.

3.1 Principebesluit en opbouw OAR

Uiterlijk zes maanden na vaststelling van voorliggende handleiding melden2 de initiatiefnemers zich met één windprojectplan (per zoekgebied) bij de gemeente waar de meeste stroom zal worden opgewekt. Na ambtelijke afstemming volgt in lijn met de regulieren procedures het formeel indienen van een principeverzoek via het Digitaal Stelsel Omgevingswet, bij beide gemeenten. De colleges nemen vervolgens een principebesluit over het windinitiatief, op basis van het windprojectplan en de Concept NRD. Dit besluit is een voorlopige, niet-juridisch bindende uitspraak van het college, waarin de gemeente aangeeft of zij in principe positief of negatief tegenover het windproject staat. Bij een positief principebesluit wordt het hieronder beschreven proces verder in gang gezet. Bij een negatief besluit zal aan de hand van de context het vervolg besproken worden.

Parallel aan het principebesluit wordt de Omgevingsadviesraad opgezet. De gemeente faciliteert hierin: zij draagt een onafhankelijk voorzitter en secretaris voor. Samen met de gemeente organiseren de beoogde voorzitter en beoogde secretaris de eerste bijeenkomst van de OAR. Het is aan de OAR (tijdens de eerste vergadering) om te besluiten of zij gebruik willen maken van deze voorzitter en secretaris.

Bij positief besluit na het principeverzoek, tekenen het consortium en de gemeenten een overeenkomst waarin wordt vastgelegd dat kosten die gemaakt worden tijdens het gebiedsproces voorgeschoten kunnen worden door de gemeente, maar uiteindelijk verhaald worden op de initiatiefnemer. De kosten worden gedurende het ontwikkeltraject en wanneer nog nodig in de anterieure overeenkomst verrekend met de initiatiefnemers.

3.2 Omgevingsadviesraad

De gemeenten Berkelland en Oost Gelre faciliteren een gezamenlijke Omgevingsadviesraad (OAR) waar de initiatiefnemers en belanghebbenden elkaar spreken over alle relevante onderwerpen, wensen en zorgen. Zo kunnen de initiatiefnemers hier gedurende de fase waarbinnen in het project nog de meeste flexibiliteit is voor aanpassingen, zo goed mogelijk rekening mee houden. Het Windprojectplan en Concept NRD uit de planvormingsfase wordt in deze OAR besproken. De initiatiefnemer presenteert daarbij een tijdlijn waarin het moment van kapitaalwerving voor financiële participatie is opgenomen, inclusief de wijze van communicatie hierover richting de omgeving.

Behoud recht op bezwaar en beroep

Deelname aan de OAR betekent niet dat deelnemers geen gebruik meer kunnen maken van hun wettelijke recht op bezwaar en beroep gedurende de fase van vergunningverlening. Het staat deelnemers altijd vrij om zienswijzen in te dienen en desgewenst beroep aan te tekenen bij de Raad van State op de eventuele vergunningverlening. Deelname aan de OAR gebeurt met het uitgangspunt: het windinitiatief komt er, hoe kan ik ervoor zorgen dat mijn opmerkingen of zorgen zo goed mogelijk worden meegenomen. Bij herhaaldelijke frustratie van dit proces kan de voorzitter besluiten om een belanghebbende uit de OAR te zetten.

De voorgestelde deelnemers van een Omgevingsadviesraad zijn:

  • Onafhankelijk voorzitter, voorgedragen door de gemeente(n)

  • Onafhankelijke secretaris, voorgedragen door de gemeente(n)

  • Ambtelijke afvaardiging van de gemeenten Berkelland en/of Oost Gelre

  • Wanneer relevant, de buurgemeente(n) (ambtelijk)

  • De initiatiefnemers van het windpark

  • Energiecoöperatie(s)

  • Een afvaardiging van bewoners (vanuit bewonersplatform)

  • Optioneel: Een afvaardiging van grondeigenaren (vanuit grondeigenarenplatform)

  • Andere stakeholders uit aangrenzende buurtschappen en vertegenwoordigers uit relevante organisaties. Bijvoorbeeld: LTO, Gelders Natuur & Milieu Federatie (GNMF), Landschapsbeheer Gelderland, Gelder Genootschap, lokale bedrijvenverenigingen etcetera.

afbeelding binnen de regeling

Figuur 2: Inrichting OAR

3.3 Uitgangspunten voor een Omgevingsadviesraad

  • Vanuit iedere belanghebbende partij neemt één persoon deel. Deze kan afstemmen met de achterban wanneer er besluiten voorliggen. Een uitzondering op dit aantal wordt vaak wel gemaakt voor omwonenden. Zij nemen vaak deel met z’n tweeën plus hun begeleider.

  • Een OAR wordt voorgezeten door een onafhankelijke voorzitter en een secretaris. Onafhankelijkheid betekent dat deze personen geen belangen hebben in het project of in het gebied waar het windpark wordt gerealiseerd. Het is belangrijk dat de voorzitter neutraal en onpartijdig is. De secretaris zorgt voor een transparante verslaglegging en bewaakt dat afspraken en termijnen worden nageleefd. Ook de secretaris moet onafhankelijk zijn en geen belangen hebben in het projectgebied. De gemeente doet een voordracht voor geschikte kandidaten die aan deze eisen voldoen en ervaring hebben met het begeleiden van complexe participatieprocessen en gebiedsontwikkelingen.

  • De (goedgekeurde) notulen van een OAR zijn openbaar en voor iedereen te raadplegen, zodat overleggen transparant zijn. Zo is het proces ook goed te volgen voor diegenen die niet in de OAR zitten, zoals gemeenteraadsleden en overige omwonenden. Wanneer één of meerdere deelnemers aan het gebiedsproces zich niet in de notulen kan vinden, kunnen zij een toevoeging schrijven, waarna de aangepaste notulen openbaar gemaakt worden. Bij eventuele complicaties, is het aan de voorzitter van de OAR om definitief te besluiten.

  • Met alle deelnemers wordt in de eerste bijeenkomst een lijst opgesteld met onderwerpen die behandeld worden. Ook wordt aan de deelnemers gevraagd over welke onderwerpen men graag meer informatie wil hebben, om in het OAR-proces ook goed te begrijpen waar het over gaat. Op basis hiervan worden de OAR-bijeenkomsten gepland en eventuele kennissessies en/of excursies, bijvoorbeeld over de laatste wetenschappelijke stand van zaken rondom geluid- en slagschaduw bij windturbines.

  • Niet alle deelnemers hoeven aan alle OAR-bijeenkomsten deel te nemen. Wanneer het betreffende onderwerp van een belanghebbende is besproken en behandeld, staat het de belanghebbende vrij niet verder deel te nemen. Zij blijven wel agendalid van de OAR en worden desgewenst door de voorzitter op de hoogte gehouden van de voortgang. Het is wel gewenst om als belanghebbende aan het einde van het OAR-proces nog eenmaal deel te nemen om de Omgevingsovereenkomst van input te voorzien en te ondertekenen. Een voorbeeld kan het Gelders Genootschap zijn. Zij hebben zeker een rol als het om landschappelijke inpassing gaat, maar staan verder af van bijvoorbeeld hinderreductie rondom geluid van windturbines.

  • Wanneer een belanghebbende aangeeft geen tijd of capaciteit te hebben om deel te nemen aan de OAR, dan is het wellicht wel mogelijk om eenmalig een presentatie (of kennissessie) te houden voor alle betrokkenen. Hierin kan de belanghebbende haar/zijn visie en standpunt uitleggen en kunnen vragen gesteld worden. Deze presentatie wordt daarna openbaar gemaakt, zodat het voor iedereen terug te kijken/lezen is.

  • Uiteindelijk wordt met de deelnemers van de OAR toegewerkt naar een Omgevingsovereenkomst (zie hoofdstuk 4).

3.4 Vertegenwoordiging bewoners- en grondeigenaren

Omwonenden zijn de enige niet-professionele deelnemers aan het gebiedsproces. Alle andere deelnemers hebben een zakelijk belang. Daarnaast hebben omwonenden over het algemeen geen of weinig kennis van gebiedsprocessen, ruimtelijke ordeningsprocedures en windontwikkeling. Omwonenden zijn wel zeer belangrijke stakeholders. Daarom wordt ter ondersteuning van omwonenden altijd een onafhankelijk, door hen vertrouwde, ondersteuner ingeschakeld. Deze ondersteuner wordt ingehuurd door de gemeente om onafhankelijkheid te waarborgen. Deze ondersteuner moet bekend zijn met windontwikkeling, milieutechnische vraagstukken en gebiedsprocessen. Is de gemeente zelf (mede)initiatiefnemer van een project, dan wordt in overleg met de omwonenden gekeken hoe de onafhankelijkheid van de ondersteuner gewaarborgd kan worden. Eventuele kostenverevening vindt plaats via tijdens de ontwikkelfase en/of in de anterieure overeenkomst.

Bestuursleden van een eventuele energiecoöperatie die deelneemt in het windproject kunnen ook omwonenden zijn. In verband met belangenverstrengeling is het niet wenselijk dat zij ook in het bewonersplatform zitting nemen, omdat de energiecoöperatie het windpark mede ontwikkelt. Deelnemers aan het bewonersplatform kunnen wel lid zijn van de betreffende energiecoöperatie. Of het wenselijk is dat directe familie van bestuursleden van de energiecoöperatie deelnemen aan het bewonersplatform, is maatwerk per project. Het is aan de begeleider van het bewonersplatform, in afstemming met de voorzitter van de OAR, hoe hiermee om te gaan.

Mogelijk is er een groep grondeigenaren betrokken. Het kan daarom wenselijk zijn om hen, net als de omwonenden, te verenigen in een grondeigenarenplatform. Dit platform is optioneel en wordt alleen ingericht als grondeigenaren zelf aangeven dat zij behoefte hebben om aan tafel te zitten. Bij het opstellen van het windprojectplan in de planvormingsfase zullen er al gesprekken met grondeigenaren hebben plaatsgevonden, om tot één plan te zijn gekomen. Indien een grondeigenarenplatform wordt opgericht, neemt een afvaardiging deel aan de OAR, zodat niet alle grondeigenaren hoeven deel te nemen. Grondeigenaren hebben een zakelijk belang en moeten daarom (desgewenst) eigen expertise organiseren.

3.5 Ruimtelijke onderzoeken

Parallel aan het ontwerpproces voor lokaal zeggenschap en eigendom, voert de initiatiefnemer verschillende ruimtelijke onderzoeken uit, zoals genoemd in het windbeleidsdocument. Het belangrijkste onderzoek hierbij voor de belanghebbenden in de omgeving, is de Milieueffectrapportage. Hierin worden onder andere de volgende zaken onderzocht:

  • Landschaps- en ruimtelijke inpassingsonderzoek.

    • o

      analyse van zichtlijnen en beleving van het landschap

    • o

      ontwerpvoorstel voor inpassing van wegen, hekwerken en installaties

    • o

      behoud van bestaande landschapselementen

    • o

      3D‑visualisaties van het windpark en omgeving

    • o

      Mogelijke financiële bijdrage aan landschapsfonds

  • Ecologisch onderzoek (flora & fauna)

    • o

      Een uitgebreide ecologische beoordeling is verplicht, inclusief:

    • o

      effecten op beschermde soorten en gebieden

    • o

      verstoring van weidevogels

    • o

      stikstofdepositie op Natura 2000‑gebieden

    • o

      effecten op GNN/GO (Gelders NatuurNetwerk / Groene Ontwikkelingszones)

    • o

      beoordeling noodzaak stilstandvoorzieningen voor vogels/vleermuizen

  • Geluidsonderzoek

    • o

      geluidbelasting op woningen

    • o

      naleving van milieunormen

    • o

      verschillende turbine-opstellingen en bijbehorende geluidsniveau

  • Slagschaduwonderzoek

    • o

      hinder door slagschaduw op omliggende bebouwing

    • o

      toepassing van stilstandvoorzieningen indien nodig

  • Veiligheidsonderzoeken

    • o

      externe veiligheidsafstanden

    • o

      risico’s m.b.t. ijsworp, bladbreuk, omvallen

    • o

      afstand tot kabels, leidingen, wegen, woningen

    • o

      (veiligheidsaspecten worden integraal beoordeeld binnen MER/NRD)

  • Onderzoeken voor ruimtelijke onderbouwing

    • o

      toetsing aan RES‑zoekgebieden

    • o

      beoordeling energieopbrengst en ruimtelijke potentie

    • o

      integratie van provinciaal en rijksbeleid (Omgevingsvisie, normen

Naast deze meer technische (milieu)onderzoeken moeten voor het windinitiatief ook andere zaken onderzocht en in beeld worden gebracht. Zie paragraaf 5.2 van het windbeleidsdocument.

3.6 Resultaat gebiedsproces: de Omgevingsovereenkomst

Uit ervaring met gebieds- of omgevingsprocessen rondom wind in andere gemeenten, blijkt dat belanghebbenden vaak bereid zijn om deel te nemen aan een gebiedsproces, als aan de voorkant wordt geborgd dat het bevoegd gezag de uitkomsten van het gebiedsproces ook echt meeweegt bij de besluitvorming rondom de vergunning. Om te kunnen toetsen, is het noodzakelijk dat de resultaten van het gebiedsproces vastgelegd worden in een document: de Omgevingsovereenkomst3. De Omgevingsovereenkomst markeert de afronding van het gebiedsproces. Op deze wijze organiseert de gemeente dat belanghebbenden ook echt medezeggenschap krijgen bij de ontwikkeling van het windpark en zij niet alleen achteraf, als het plan al volledig is uitgewerkt, nog kunnen reageren via zienswijzen en beroep. De voorzitter van de OAR draagt zorg voor het opstellen van de omgevingsovereenkomst, samen met de leden van de OAR. Het gebiedsproces resulteert in één Omgevingsovereenkomst voor een windproject.

In de omgevingsovereenkomst wordt in meer detail ingegaan op de onderwerpen rondom lokaal zeggenschap en eigendom, die in het windprojectplan al zijn benoemd:

  • Afspraken die onderling binnen het consortium zijn vastgelegd.

  • Afspraken over sociale grondvergoeding.

  • Mate waarin lokaal eigendom gerealiseerd wordt in de realisatie- en exploitatiefase.

  • Mate waarin lokaal zeggenschap en participatie wordt ingericht in de realisatie- en exploitatiefase.

  • Wijze waarop lokaal eigendom en zeggenschap binnen de hernieuwbare energiegemeenschap is georganiseerd.

  • Mate waarin niet-financiële baten lokaal terugvloeien in de vorm van bijvoorbeeld afname van lokale stroom.

  • Mate waarin financiële baten lokaal terugvloeien in vorm van bijvoorbeeld financiële deelneming, mogelijke uitkoopregeling, obligaties en/of een omgevingsfonds.

  • Mate waarin wordt geborgd dat partijen gelijk worden behandeld, zonder discriminatie en ‘iedereen kan meedoen’.

  • Mate waarin de langetermijnwaarde voor de lokale gemeenschap van een installatie wordt geborgd. Dit kan o.a. ruimtelijke, landschappelijke of ecologische waarde betreffen, met in ieder geval waarborgen voor ontmanteling na de levensduur van assets en calamiteiten.

  • Mate waarin informatie duidelijk, proactief en toegankelijk is voor alle stakeholders en de mate waarin afspraken helder worden vastgelegd en nagestreefd.

  • Mate waarin risico's op negatieve effecten worden geïdentificeerd en beheerst.

Juridisch

De Omgevingsovereenkomst is uiteindelijk een overeenkomst tussen de deelnemers aan het gebiedsproces en de initiatiefnemers van het windproject. De gemeente is ambtelijk betrokken bij het gebiedsproces. De betreffende ambtenaar ondertekent de overeenkomst alleen om aan te geven dat de tekst en inhoud in de Omgevingsovereenkomst volgens hem/haar correct is. De ambtenaar heeft geen tekenbevoegdheid om deze overeenkomst vanuit de gemeente juridisch bindend te laten zijn. Bij de definitieve aanvraag omgevingsvergunning toetst de gemeente of op de juiste wijze invulling is gegeven aan de gemaakte afspraken zoals opgenomen in de Omgevingsovereenkomst. De gemeente kan daar ook op handhaven, voor zover deze als ruimtelijke voorwaarde worden verbonden aan de te verlenen vergunning. Op basis van de Omgevingsovereenkomst kunnen bijvoorbeeld omwonenden die hebben deelgenomen aan het gebiedsproces wel een civielrechtelijke procedure starten tegen de initiatiefnemers, wanneer deze zich tijdens de exploitatieperiode niet aan de afspraken uit het gebiedsproces houden. Daarnaast gebruikt de gemeente de omgevingsovereenkomst om te toetsen of aan de inspannings- en motiveringsplicht voor lokaal eigendom is voldaan. In juridische zin is de Omgevingsovereenkomst een ‘echte’ overeenkomst tussen de betrokkenen.

4. Vergunningprocedure

Deze fase betreft de formele vergunningprocedure. Initiatiefnemer dient één of meerdere aanvragen in via het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). Hierna start de uitgebreide RO procedure incl. MER procedure. De fase eindigt met een besluit door het college over vergunningverlening.

4.1 Omgevingsvergunning en anterieure overeenkomst

Op basis van de Omgevingsovereenkomst worden er zaken vastgelegd in de Omgevingsvergunning of in de anterieure overeenkomst:

  • Afspraken uit de Omgevingsovereenkomst die een ruimtelijk- of milieukundig aspect in zich hebben, worden opgenomen in de Omgevingsvergunning. Dit gaat bijvoorbeeld over landschappelijke inpassing of afspraken rondom slagschaduw op omliggende woningen. Hiermee zijn deze afspraken ook planologisch geborgd.

  • Afspraken die een niet-ruimtelijk- of -milieukundig karakter hebben, worden opgenomen in de anterieure overeenkomst tussen de ontwikkelende partijen en de gemeente. Dit zijn veelal afspraken die een financieel karakter hebben en het vastleggen van het uiteindelijke percentage lokaal eigendom. Of hoe de kosten voor de ontmanteling na exploitatiefase worden gedekt.

  • De omgevingsovereenkomst bevat ook een bepaling dat financiële participatie uiterlijk bij aanvang van de realisatiefase wordt opengesteld voor lokale partijen, met een minimale inschrijftermijn van zes weken.

  • Er worden tijdens het gebiedsproces vaak ook enkele afspraken gemaakt die niet in het juridische instrumentarium geborgd kunnen worden dat een gemeente beschikbaar heeft. Deze afspraken zijn ‘lichter’ van aard. Daarom is de Omgevingsovereenkomst ook een juridisch bindend instrument. Denk aan afspraken over hoe vaak (een afvaardiging van) de omgeving periodiek met de exploitanten van het windpark overleg voert.

  • Ook worden in de anterieure overeenkomst afspraken vastgelegd tussen de ontwikkelende partijen en de gemeente over kostenverevening. Zoals bijvoorbeeld de kosten voor de ambtelijke inzet rondom vergunningverlening, verevening van kosten die de gemeente heeft gemaakt voor het omgevingsproces, en dergelijke.

  • De kosten die gemoeid zijn met de vertegenwoordiging van bewoners en grondeigenaren, evenals de kosten voor ambtelijke inzet rondom vergunningverlening, komen voor rekening van de initiatiefnemer. Dit wordt uiteindelijk vastgelegd in een anterieure overeenkomst tussen de gemeente en de initiatiefnemer. De gemeente schiet deze kosten in eerste instantie voor, waarna zij worden vereffend. Op deze manier is vooraf duidelijk dat de kosten niet bij de gemeente of de omgeving terechtkomen, maar onderdeel zijn van de projectkosten. Deze afspraken worden bij goedkeuring van het principebesluit contractueel vastgelegd.

De Omgevingsovereenkomst, de Omgevingsvergunning en anterieure overeenkomst blijven altijd bij het windpark horen. Ook als het eigendom van het windpark over zou gaan naar een nieuwe (mede-)eigenaar. De afspraken gelden zodoende ook voor een nieuwe (mede-)eigenaar. Hiervoor wordt een kettingbeding in de overeenkomsten opgenomen. Alle verplichtingen en afspraken die zijn vastgelegd in de omgevingsovereenkomst gaan bij faillissement automatisch over op de curator of een opvolgende partij die het windproject overneemt. De gemeente behoudt het recht om te handhaven op de naleving van de afspraken uit de Omgevingsovereenkomst, voor zover deze als ruimtelijke voorwaarde worden verbonden aan de te verlenen vergunning, ook in geval van faillissement en overdracht van het windproject aan een opvolgende partij.

4.2 Beoordeling en besluit

Na indiening van de vergunningaanvraag gaan de formele termijnen voor vergunningverlening lopen. De gemeenten hebben de voorkeur om voor de vergunningverlening de uitgebreide procedure te hanteren. Het is echter aan de initiatiefnemer om de uiteindelijke keuze te maken in de te nemen procedure. In de gemeente Oost-Gelre heeft de gemeenteraad bindend adviesrecht bij windmolens. In de gemeente Berkelland wordt de raad geïnformeerd over het initiatief.

In de nieuwe Energiewet is opgenomen dat de provincie bevoegd gezag heeft over vergunningverlening bij windprojecten vanaf 15 MW. De gemeenten hebben bevoegd gezag bij windprojecten tot 15 MW. De provincie Gelderland heeft de voorkeur dat gemeenten zelf de regie nemen en kan daarvoor het bevoegd gezag overdragen (windladder Gelderland). Dit is ook het uitgangspunt van de beide gemeenten. Bij aanvraag van de vergunning zal de gemeente waarin de meeste opwek van het windpark is gepland, daarom aan de provincie Gelderland vragen het bevoegd gezag over te dragen.

Het oordeel aan de hand van de verordening en handleiding maakt integraal onderdeel uit van de beoordeling van de vergunning. Bij besluitvorming over de vergunning voor het windpark, leggen de gemeenten de Omgevingsovereenkomst naast de (aangevraagde) Omgevingsvergunning en de bijbehorende anterieure overeenkomst. Zij beoordelen hierbij de volgende aspecten:

  • Is het gebiedsproces gestructureerd en gemotiveerd zoals beschreven in deze handleiding en de verordening?

  • Komen de afspraken uit de Omgevingsovereenkomst terug in de (aangevraagde) Omgevingsvergunning en anterieure overeenkomst? Met daarbij speciale aandacht voor het realiseren van lokaal eigendom, denk aan:

    • o

      Welke inspanningen zijn verricht om mede-eigendom ten aanzien van de voorgenomen installatie en de exploitatie daarvan te bevorderen?

    • o

      Welk percentage mede-eigendom is overeengekomen, wat de redenen zijn als dit percentage lager ligt dan vooraf in het windprojectplan is opgenomen en of er andere vormen van financiële participatie zijn overeengekomen?

    • o

      De genoemde aspecten onder paragraaf 3.6 van de handleiding.

  • Zijn de zaken waarover deelnemers aan het participatieproces het niet eens zijn geworden, redelijkerwijs opgenomen in de aangevraagde vergunning door de ontwikkelende partijen?

  • De reguliere aspecten waar een Omgevingsvergunning op beoordeeld wordt, zoals veiligheids- en milieuaspecten.

In de verordening lokaal eigendom en zeggenschap bij windprojecten Artikel 4 lid 4 is opgenomen: Aan de inspanningsverplichting is in ieder geval is niet voldaan als:

  • a)

    er geen aantoonbaar contact is geweest met lokale partijen;

  • b)

    er geen serieuze poging is gedaan tot oprichting van een hernieuwbare energiegemeenschap;

  • c)

    er slechts één bijeenkomst heeft plaatsgevonden over lokaal eigendom;

  • d)

    er geen reële termijnen zijn geboden aan de omgeving;

  • e)

    er geen economisch realistisch aanbod is gedaan;

  • f)

    het gebiedsproces zoals beschreven in het relevante beleidskader en de handleiding lokaal zeggenschap en eigendom niet gevolgd is;

  • g)

    informatie voor moeilijk bereikbare groepen niet toegankelijk is gemaakt;

  • h)

    er gemeentelijke regels niet zijn nageleefd.

De handleiding beschrijft hoe de gemeenten zich maximaal willen inspannen voor de ambities voor Lokaal Eigendom, zoals gesteld in de verordening en de RES Achterhoek. Wanneer is voldaan aan de inspannings- en motiveringsplicht voor lokaal zeggenschap en eigendom, zal de gemeente zich inspannen het initiatief te ondersteunen bij de procedure van vergunningverlening. De gemeenten behouden het recht om een initiatief dat niet bijdraagt aan de gestelde doelen in de verordening en het proces in de handleiding, uit te sluiten van vergunningverlening.

4.3 Inrichting van een lokaal obligatiefonds

Naast lokaal eigendom kan financiële participatie via bijvoorbeeld een lokaal obligatiefonds de betrokkenheid bij een windproject vergroten. Zo'n fonds maakt het mogelijk dat inwoners op laagdrempelige wijze financieel meedoen, ook als zij niet in eigendom willen of kunnen deelnemen. Een obligatiefonds vervangt lokaal eigendom en zeggenschap niet, maar is een aanvullend instrument. Het oprichten van een lokaal obligatiefonds is niet verplicht. Het kan een onderdeel zijn van de Omgevingsovereenkomst. Indien een initiatiefnemer kiest voor deze vorm van financiële participatie, gelden de onderstaande aandachtspunten als richtinggevend kader, met betrekking tot lokaal zeggenschap en eigendom:

  • Relatie tot lokaal eigendom. Financiële participatie via obligaties wordt, indien toegepast, zodanig ingericht dat deze ondersteunend is aan en niet concurrerend met deelname in lokaal eigendom. De mogelijkheid tot deelname in lokaal eigendom wordt in beginsel ten minste gelijktijdig of eerder opengesteld dan deelname via obligaties.

  • Timing in het gebiedsproces. De keuze voor het al dan niet inrichten van een obligatiefonds en de hoofdlijnen daarvan worden tijdig besproken in het gebiedsproces, zodat inwoners een geïnformeerde keuze kunnen maken tussen eigendom, financiële participatie of niet-deelname.

  • Juridische structuur. Een obligatiefonds kan worden ondergebracht in een coöperatie, stichting of andere passende juridische entiteit, al dan niet in samenwerking met een hernieuwbare energiegemeenschap. De initiatiefnemer blijft verantwoordelijk voor een juridisch en financieel robuuste inrichting.

  • Overdraagbaarheid en uitstap. In de voorwaarden van het obligatiefonds wordt aandacht besteed aan de mogelijkheden en beperkingen voor tussentijdse overdracht, vervroegde aflossing of uitstap, zodat deelnemers weten waar zij aan toe zijn.

  • Toegankelijkheid en spreiding. Het is wenselijk dat deelname laagdrempelig is, met een beperkte minimale inleg en een maximum per deelnemer om brede deelname mogelijk te maken. Initiatiefnemers bepalen zelf de concrete voorwaarden, passend bij de omvang en financiering van het project.

  • Risicobeheersing. Deelnemers worden vooraf geïnformeerd over risico’s, zoals vertraging, lagere opbrengsten of faillissement. Zekerheden kunnen worden geboden via achtergestelde leningen, garantiefondsen of borgstellingen.

5. Slotbepalingen

Deze handleiding wordt aangehaald als de ‘Handleiding lokaal zeggenschap en eigendom bij grootschalige windenergieprojecten Berkelland en Oost Gelre 2026’.

Dit besluit treedt in werking gelijktijdig met de Verordening lokaal zeggenschap en eigendom bij grootschalige windenergieprojecten Berkelland 2026.

Ondertekening

17 maart besluit

Burgemeester en wethouders van Berkelland

de secretaris,

drs. J. Jonker

de burgemeester,

drs. J.H.A. van Oostrum


Noot
1

Meer informatie over de ecologische onderzoeken zijn te vinden in het Beleidsdocument grote windmolens, paragraaf 4.1.7 Ecologische aspecten (zie:https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2025-528965.html).

Noot
2

E-mailadres gemeente Berkelland: energie@gemeenteberkelland.nl

E-mailadres gemeente Oost Gelre: energieneutraal@oostgelre.nl

Noot
3

Meer over de Omgevingsovereenkomst is te lezen in: https://www.nlvow.nl/system/files/article-files/2019-10/nlvow_handboek_toolkit_omgevingsparticipatie.pdf

Een goed voorbeeld van een Omgevingsovereenkomst, met input vanuit een Omgevingsadviesraad (zie hoofdstuk 4), is te vinden op: https://www.nijhiddumhouw.nl/omgevingsadviesraad/