Gedragscode voor burgemeester en wethouders Hellendoorn 2026

Geldend van 31-03-2026 t/m heden

Intitulé

Gedragscode voor burgemeester en wethouders Hellendoorn 2026

Nijverdal, 3 maart 2026, kenmerk 2026-001850

De raad van de gemeente Hellendoorn;

gelet op het bepaalde in artikel 41c, tweede lid en artikel 69, tweede lid van de Gemeentewet;

b e s l u i t :

vast te stellen de

Gedragscode voor burgemeester en wethouders Hellendoorn 2026

INLEIDING

Goed bestuur is integer bestuur. Daarmee is integriteit niet alleen een verantwoordelijkheid van de individuele politieke ambtsdragers, maar een gezamenlijk belang dat de hele organisatie en het hele bestuur in al zijn geledingen aangaat. Bijzondere rollen zijn daarbij weggelegd voor de burgemeester als bevorderaar van bestuurlijke integriteit (artikel 170, lid 2 van de Gemeentewet), de griffier en de secretaris als eerste adviseur van de raad respectievelijk het college. Ons democratische systeem en de democratische processen kunnen niet zonder integer functionerende organen en functionarissen.

Niet alleen de vraag wat is toegestaan is relevant, maar ook hoe we vinden dat het hoort. Integriteit van burgemeester en wethouders verwijst immers naar de zorgvuldigheid die zij moeten betrachten bij het invullen van hun rol in de democratische rechtsstaat. Dat betekent de verantwoordelijkheid nemen die samenhangt met de zeer zichtbare functies van burgemeester en wethouders in het dagelijks bestuur en bereid zijn verantwoording af te leggen. Van burgemeester en wethouders wordt het goede voorbeeld verwacht. Zonder dat zal het vertrouwen in de democratische rechtsstaat worden ondermijnd en het draagvlak voor de naleving van de wetten en regels verdwijnen.

Vertrekpunt voor de burgemeester en de wethouders is dan ook de eed of de verklaring en belofte die de politieke ambtsdrager bij de ambtsaanvaarding aflegt. Integriteit is niet alleen een kwestie van regels, maar ziet ook op de onderlinge omgangsvormen. Een respectvolle omgang met inwoners en organisaties, tussen collegeleden onderling en tussen collegeleden, raadsleden en medewerkers, met behoud van eigen politieke inhoud en stijl, is van groot belang.

Integriteit is een thema dat betekenis krijgt in het handelen. Een integriteitsbeleid dat alleen op papier bestaat is slechts een dode letter. Daarom moet het handelen van politieke ambtsdragers regelmatig onderwerp van gesprek zijn, juist ook onderling, en ook daarbij geeft de gedragscode ondersteuning.

Deze gedragscode heeft betrekking op de burgemeester en de wethouders van Hellendoorn. De wettelijke grondslag voor deze gedragscode is te vinden in artikel 41c, lid 2 en in artikel 69, lid 2 van de Gemeentewet. Als nadere invulling en concretisering van wettelijke regels is deze gedragscode opgesteld. Het rechtskarakter van de gedragscode is dat van een interne regeling. De gedragscode bevat kernbegrippen en afspraken die bedoeld zijn als houvast en toetssteen. Zij vormt een beoordelingskader bij twijfel, vragen en discussies.

De gedragscode is evenwel niet vrijblijvend. Burgemeester en wethouders kunnen daarop worden aangesproken en zij dienen zich over de naleving ervan te verantwoorden. Om die reden is in deze gedragscode een protocol opgenomen over hoe te handelen bij twijfel over naleving van deze gedragscode of bij (vermoedens van) integriteitsschending.

Paragraaf 1 Afspraken rondom het voorkomen van belangenverstrengeling

WETTELIJK KADER

Artikel 41b en 67 van de Gemeentewet (nevenfuncties).

Artikel 36b en 68 van de Gemeentewet (onverenigbare functies).

Artikel 41c en 69 van de Gemeentewet (verboden handelingen).

Artikel 58 van de Gemeentewet (onthouden deelname aan beraadslaging en stemming).

ARTIKEL 1.1 KERNBEPALING

Collegeleden mogen hun invloed en stem niet gebruiken om een persoonlijk belang veilig te stellen of het belang van een ander of andere organisatie waarmee zij een persoonlijke betrokkenheid hebben. Collegeleden moeten actief en uit zichzelf belangenverstrengeling tegengaan.

ARTIKEL 1.2 ONTHOUDEN DEELNAME BERAADSLAGING EN STEMMING

  • 1.

    Collegeleden onthouden zich van deelname aan de (voorbereiding op de) beraadslaging en stemming als er sprake is van een beslissing waarbij strijd met artikel 28 Gemeentewet aan de orde is.

  • 2.

    Als een collegelid ingevolge het eerste lid niet deelneemt aan de beraadslaging en de stemming, meldt het collegelid dit voorafgaand aan de behandeling van het agendapunt en vermeldt hij of zij op welke wijze de besluitvorming hem of haar in het bijzonder aangaat. Collegeleden onthouden zich ook van beïnvloeding in andere fases van de besluitvorming.

  • 3.

    Onthouding van deelname aan de beraadslaging en stemming wordt aangetekend in de besluitenlijst van het college.

ARTIKEL 1.3 MELDEN VAN FUNCTIES NAAST HET COLLEGELIDMAATSCHAP

  • 1.

    Collegeleden leveren de secretaris bij aanvang van het collegelidmaatschap de informatie aan over hun nevenfuncties. Als gaande het collegelidmaatschap nieuwe functies aanvaard worden of de omstandigheden met betrekking tot bestaande functies wijzigen, wordt de informatie die hierop betrekking heeft direct aangeleverd bij de secretaris.

  • 2.

    De informatie betreft in ieder geval:

    • a.

      de omschrijving van de functie;

    • b.

      de organisatie voor wie de functie wordt verricht;

    • c.

      of het al dan niet een functie betreft uit hoofde van het collegelidmaatschap en;

    • d.

      of de functie bezoldigd of onbezoldigd is.

  • 3.

    De secretaris legt hiervoor een register aan en beheert dit register. Het register is openbaar en via internet beschikbaar.

  • 4.

    Een voornemen tot aanvaarding van een betaalde of onbetaalde nevenfunctie maakt het collegelid kenbaar aan de raad. Bij aanvaarding van de nevenfunctie maakt het collegelid deze openbaar.

ARTIKEL 1.4 ONGEWENSTE NEVENFUNCTIES

Collegeleden vervullen geen nevenfuncties waarvan de uitoefening ongewenst is met het oog op een goede vervulling van het burgemeester- of wethouderschap.

ARTIKEL 1.5 MELDEN VAN FINANCIËLE BELANGEN

  • 1.

    Collegeleden doen bij de secretaris opgaaf van hun substantiële financiële belangen (zoals aandelen, opties en derivaten) in ondernemingen waarmee de gemeente zakendoet of waarin de gemeente een belang heeft.

  • 2.

    Ook een tussentijds ontstaan financieel belang dient opgegeven te worden.

  • 3.

    De informatie betreft in ieder geval:

    • a.

      een omschrijving van het belang (aard en omvang);

    • b.

      de organisatie waarin het financiële belang bestaat.

  • 4.

    De secretaris legt hiervoor een register aan en beheert dit register. Het register is niet openbaar en uitsluitend voor politieke ambtsdragers in te zien.

ARTIKEL 1.6 AFSPRAKEN BIJ VERBODEN HANDELINGEN EN VERBODEN OVEREENKOMSTEN

  • 1.

    Collegeleden die voornemens zijn een handeling te verrichten of een overeenkomst aan te gaan als bedoeld in artikel 41c/69 juncto 15, lid 1 van de Gemeentewet, bespreken dit voornemen in het college.

  • 2.

    In het geval dat wordt besloten ontheffing te vragen als bedoeld in artikel 41c/69 juncto artikel 15, lid 2 van de Gemeentewet, ondersteunt de secretaris bij het aanvragen van de ontheffing.

ARTIKEL 1.7 TEGENGAAN VAN DRAAIDEURCONSTRUCTIE

  • 1.

    Voormalig collegeleden mogen gedurende een jaar na het eind van het burgemeester- of wethouderschap niet als externe partij betaalde werkzaamheden verrichten voor of ten behoeve van de gemeente. Uitzondering hierop is het raadslidmaatschap.

  • 2.

    Het college draagt voormalige collegeleden niet eerder dan een jaar na aftreden voor als kandidaat voor benoeming tot commissaris dan wel bestuurslid van een verbonden partij.

TOELICHTING

Bij veel besluiten die het college neemt, kan direct of indirect een belang van individuele collegeleden in het geding zijn. Dat is inherent aan wonen, werken en recreëren in Hellendoorn. Bij besluiten persoonlijk belang hebben is dus op zichzelf niet doorslaggevend bij de vraag of sprake is van een belangenverstrengeling. Of een collegelid mag deelnemen aan de beraadslaging en de stemming in het college hangt in de eerste plaats af van de aard van het te nemen besluit. Gaat het om iets algemeens, wat gevolgen heeft voor een grote kring van betrokkenen, dan staat het een collegelid vrij om daarover mee te praten en te stemmen – zolang het collegelid daarbij maar het algemeen belang voor ogen blijft houden.

Alleen in bijzondere gevallen, wanneer de besluitvorming vooral of met name over jouw belang gaat of over de organisatie waarvan je bestuurder bent (en dus ook formeel een verantwoordelijkheid hebt), is het op grond van artikel 28 van de Gemeentewet niet toegestaan om deel te nemen aan de beraadslaging en de stemming. Denk dan bijvoorbeeld aan ruimtelijke plannen waarvan je zelf als inwoner initiatiefnemer bent of het financieel ondersteunen van de culturele instelling waar je zelf in het bestuur zit.

Volgens de wettelijke regels is niet snel sprake van belangenverstrengeling, maar de praktijk leert dat de buitenwereld kritisch meekijkt. En dat is terecht: integer bestuur gaat immers ook over de perceptie van integer handelende collegeleden. Om discussie te voorkomen vinden we het in Hellendoorn belangrijk dat we steeds transparant maken in hoeverre bepaalde besluiten ons ook persoonlijk aangaan, of we via een nevenfunctie (artikel 41b juncto 67 van de Gemeentewet) betrokken zijn en of een financieel belang hebben. Voelt het niet goed? Bespreek het dan met de secretaris en/of de burgemeester en vraag advies.

Verder bevat de gedragscode ook afspraken die betrekking hebben op artikel 41c/69 juncto 15 van de Gemeentewet. Daarin staan handelingen en overeenkomsten die collegeleden niet mogen verrichten of aangaan. Het gaat dan met name om situaties waarbij de zuiverheid van de verhouding tussen collegelid en gemeente in het geding kan zijn. In sommige gevallen biedt de wet een ontheffingsmogelijkheid. In deze gedragscode zijn bepalingen opgenomen om te bewerkstelligen dat voornemens hiertoe worden besproken in het college, zodat intercollegiaal kan worden geadviseerd over de wenselijkheid.

Tot slot zijn er afspraken opgenomen met het oog op het voorkomen van een draaideurconstructie. Burgemeesters en wethouders bouwen gedurende hun bestuursperiode veel kennis op over de gemeentelijke organisatie en ontwikkelingen die de gemeente aangaan. Als zij na hun bestuursperiode gaan ondernemen en contracten willen aangaan met de gemeente Hellendoorn, kan er dankzij hun informatie voorsprong oneerlijke concurrentie optreden ten aanzien van andere ondernemers. Voormalig bestuurders profiteren daardoor van hun politieke functie. Dit is nadrukkelijk niet de bedoeling. Deze regel is ook van toepassing op de benoeming tot commissaris dan wel bestuurslid van een ‘verbonden partij’, als bedoeld in het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten. Een ‘verbonden partij’ is een organisatie waarin de gemeente een bestuurlijk en financieel belang heeft. Een voormalig bestuurder mag pas na 12 maanden na zijn of haar aftreden in dienst treden bij de gemeentelijke organisatie, na het doorlopen van een transparante sollicitatieprocedure.

OEFENINGEN

Oefening 1:

De wethouder Wonen is voorzitter van de vereniging van huiseigenaren van de flat waar hij woont. Mag deze wethouder zijn wethouderschap combineren met dit voorzitterschap?

Antwoord:

Artikel 36b juncto 68 van de Gemeentewet verbiedt de combinatie van deze functies niet. De nevenfunctie moet wel worden gemeld en openbaar worden gemaakt (zie artikel 1.3).

Variant 1:

Samen met zijn staf bereidt de wethouder een bestemmingsplanwijziging voor dat een gebied betreft waar de flat staat waar hij woont.

a. Mag de wethouder bij die besprekingen betrokken zijn?

Antwoord:

Ja. In de voorgestelde bestemmingsplanwijziging worden beslissingen voorgelegd die het gehele gebied betreffen en niet specifiek zijn flat. Er treedt dus op voorhand geen verstrengeling van belangen op als deze wethouder mee doet aan de bespreking in de staf.

b. Mag de wethouder deelnemen aan de beraadslaging en stemming in het college?

Antwoord:

Ja, dat mag hij. Om dezelfde reden als hiervoor genoemd.

c. Mag de wethouder het stuk zelf inbrengen in de raad?

Antwoord:

Ja, dat mag hij. Om dezelfde reden als hiervoor genoemd.

Variant 2:

De raad doet voorstellen om precies in het gedeelte waar zijn flat staat, huizen te slopen. Zijn flat zal in dat geval ook gesloopt worden. Mag de wethouder dit dossier verder behandelen?

Antwoord:

Nee, dat mag hij op grond van artikel 1.2 van de gedragscode niet. De besluitvorming ziet op aanpassingen die zijn huis betreffen, waarmee hij een direct belang heeft bij het behandelen van deze bestemmingsplanwijziging. Als hij het dossier blijft behandelen, handelt hij in strijd met artikel 1.2 van de gedragscode.

Paragraaf 2 Afspraken over geschenken en uitnodigingen

WETTELIJK KADER

Artikel 41a en 65 van de Gemeentewet (eed of verklaring en belofte).

ARTIKEL 2.1 KERNBEPALING

Collegeleden mogen hun invloed en hun stem niet laten kopen of beïnvloeden door geld, goederen of diensten die hen zijn gegeven of in het vooruitzicht zijn gesteld.

ARTIKEL 2.2 OMGANG MET GESCHENKEN, FACILITEITEN EN DIENSTEN

Collegeleden nemen van derden geen geschenken aan en accepteren geen faciliteiten of diensten waarvan redelijkerwijs mag worden aangenomen dat die hen uit hoofde van of vanwege hun functie als collegelid worden aangeboden, tenzij het gaat om een incidentele, kleine attentie (zoals een bloemetje of een fles wijn) met een geschatte waarde van maximaal €50,-.

ARTIKEL 2.3 UITNODIGINGEN

  • 1.

    Collegeleden accepteren geen lunches, diners, recepties en andere uitnodigingen, waarvan redelijkerwijs mag worden aangenomen dat die hen uit hoofde van of vanwege hun functie als collegelid worden aangeboden en die door anderen betaald of georganiseerd worden, tenzij dat behoort tot de uitoefening van het collegewerk en/of de aanwezigheid beschouwd kan worden als functioneel.

  • 2.

    Deelname aan werkbezoeken, excursies en evenementen die verband houden met het raadswerk en voor rekening van anderen dan de gemeente komen, melden de collegeleden bij de secretaris binnen één week nadat de excursie, dan wel het evenement heeft plaatsgevonden. Daarbij wordt ook melding gemaakt wie de kosten voor zijn rekening heeft genomen indien de kosten niet zijn betaald door de gemeente. Melding kan achterwege blijven, indien er sprake is van andere overheidsorganisaties.

ARTIKEL 2.4 (BUITENLANDSE) DIENSTREIZEN

  • 1.

    Collegeleden leggen een uitnodiging tot een (buitenlandse) dienstreis, met uitzondering van een dienstreis naar een Europese instelling, ter goedkeuring voor aan burgemeester en wethouders. Zij geven daarbij informatie over het doel en de duur van de reis, de bijbehorende beleidsoverwegingen, de samenstelling van het gezelschap dat meereist, de kosten voor de gemeente, welke kosten voor rekening van anderen komen en de manier waarop van de reis verslag wordt gedaan.

  • 2.

    Een uitnodiging voor een (buitenlandse) dienstreis wordt alleen geaccepteerd als het bezoek aantoonbaar van belang is voor de gemeente en de schijn van corruptie minimaal is.

  • 3.

    Het college informeert de gemeenteraad over het genomen besluit.

  • 4.

    Collegeleden maken openbaar wat het doel, de bestemming en de duur van de (buitenlandse) dienstreis is geweest. Daarbij maken de collegeleden ook openbaar wat de kosten waren voor de gemeente en welke kosten voor rekening van anderen zijn gekomen. De secretaris legt hiervoor een register aan en beheert dit register. Het register is via internet beschikbaar.

TOELICHTING

Geschenken en uitnodigingen kunnen een sluiproute naar omkoping zijn. Ze kunnen gebruikt worden om de besluitvorming te beïnvloeden. Ze kunnen corrumperen of de aanloop daartoe vormen.

De bepalingen zijn geformuleerd als een ‘Nee, tenzij’ regel; een collegelid neemt dus geen geschenken aan, tenzij er goede redenen zijn om hiervan af te wijken.

Het accepteren van geschenken, faciliteiten of diensten van anderen kan een afhankelijkheid creëren, of een dankbaarheid, die de zuiverheid van het besluitvormingsproces kan aantasten. Ook met het aannemen van uitnodigingen en diensten kan een collegelid gecorrumpeerd raken.

Werkbezoeken en netwerkbijeenkomsten zijn bedoeld om de collegeleden in de gelegenheid te stellen zich inhoudelijk te informeren en noodzakelijke contacten te leggen en onderhouden binnen en buiten de gemeente. Lunchen, dineren of naar recepties gaan op kosten van anderen is toegestaan, als dat behoort tot de uitoefening van het collegewerk en de aanwezigheid beschouwd kan worden als functioneel. Op die manier wordt (de schijn van) omkoping en oneigenlijke beïnvloeding van de besluitvorming vermeden.

Wat voor lunches en diners geldt, geldt in nog sterkere mate voor (buitenlandse) reizen op kosten van derden. Dat wordt in de regel met aandacht gevolgd. Het is beter alle schijn te vermijden en dergelijke dienstreizen niet te maken op kosten van derden.

OEFENINGEN

Oefening 2:

Raadsleden en collegeleden krijgen van het theater een lidmaatschapskaart aangeboden, die gedurende de huidige bestuursperiode kosteloos toegang geeft tot alle vertoonde films. Mag deze kaart geaccepteerd worden?

Antwoord:

Nee, het aannemen van de kaart, is een overtreding van artikel 2.2 van de gedragscode. Een dergelijke kaart is een gericht geschenk voor de politici van Hellendoorn.

Variant 1:

Alleen de wethouder die kunst en cultuur in portefeuille heeft, krijgt de kaart aangeboden. Het is voor het bestuurswerk goed om te weten hoe het reilt en zeilt bij het theater in de gemeente. Mag deze kaart geaccepteerd worden?

Antwoord:

Nee, het aannemen van de kaart, is ook nu een overtreding van artikel 2.2 van de gedragscode. Het is 'om te weten hoe het reilt en zeilt' bij het filmtheater voor deze wethouder niet noodzakelijk een kaart te hebben en het accepteren van een dergelijke gift roept mogelijk wel de schijn van corruptie op. De wethouder kan zich in dit geval op een andere manier op de hoogte stellen, bijvoorbeeld door het afleggen van een werkbezoek met een duidelijk werkprogramma.

Variant 2:

Een ambtenaar van de afdeling Communicatie heeft van het theater twintig vrijkaartjes gekregen om een internationaal festival bij te wonen dat door hen wordt georganiseerd. De gemeente Hellendoorn heeft het festival gesubsidieerd. De mail die aan alle politici wordt gestuurd, eindigt met ‘Wie wil? 1 Kaartje per persoon’.

a. Mag de wethouder dit kaartje accepteren?

Antwoord:

Nee, dat zou in overtreding zijn met artikel 2.3. Het kaartje is een uitnodiging.

b. Is dit dan geen uitnodiging voor relaties?

Antwoord

Nee, dit is geen formele uitnodiging. De redenatie om wel te accepteren zou kunnen zijn dat de gemeente financieel heeft bijgedragen aan dit festival en dat dit kaartje dus gezien kan worden als een uitnodiging van de gemeente aan zijn relaties. Maar kijkend naar artikel 2.3 is onvoldoende duidelijk of het ingaan op deze ‘uitnodiging’ functioneel is: heeft het collegelid een formele rol te vervullen op het festival, opent hij het festival of overhandigt hij een boek, oorkonde of lintje? Het verdient aanbeveling om stil te staan vanuit welke hoedanigheid het collegelid aanwezig wil zijn: is de aanwezigheid functioneel voor het bestuurswerk of is het uit persoonlijke belangstelling of interesse?

Bij twijfel kan het dilemma worden besproken met de secretaris en/of de burgemeester.

Oefening 3:

Een wethouder heeft een lezing gegeven op een bewonersbijeenkomst. Na afloop krijgt hij een bos bloemen. Mag hij die aannemen?

Antwoord:

Ja, de bos bloemen kan gezien worden als een geschenk dat uit hartelijkheid wordt gegeven en waarvan het niet accepteren de gever op dat moment ernstig in verlegenheid zou brengen. Het is bovendien niet het type geschenk dat de schijn van corruptie opwekt.

Let op: dit komt regelmatig voor. Politici staan veel op podia en krijgen vaak als dank bloemen, fotoboeken, boekenbonnen, flessen wijn, pennen, T-shirts en petjes met opdrukken, presse papiers, koffiemokken en andere typen geschenken uit de categorie 'bagatelgiften'. In veel van dergelijke situaties is het weigeren praktisch onmogelijk zonder de gever in verlegenheid te brengen.

Oefening 4:

Het college krijgt van een grote ondernemer in het centrum een uitnodiging om de presentatie bij te wonen van hun nieuwe plannen. Daarbij zal ook een diner plaatsvinden met ondernemers uit Hellendoorn. Mag het college de uitnodiging accepteren?

Antwoord:

Ja, het college mag in principe ingaan op dit verzoek. Het is noodzakelijk voor het bestuurswerk dat de collegeleden geïnformeerd worden. Niet alleen door gesubsidieerde organisaties, ook door commerciële partijen of andere belanghebbenden. Dergelijke uitnodigingen bieden collegeleden de mogelijkheid geïnformeerd te worden. Vaak gaat een dergelijk bezoek gepaard met een luxere aankleding van het werkbezoek, zoals een georganiseerde lunch of diner en door de organisatiegeregeld vervoer. Doorgaans levert het accepteren hiervan geen overtreding van de code op. Aan de mate van luxe die nog geaccepteerd kan worden, zitten uiteraard grenzen. Alvorens op het verzoek in te gaan, is het verstandig dat het college(lid) zich hierover nader informeert en een afweging maakt of deelname gepast is.

Paragraaf 3 Afspraken rondom het gebruik van gemeentelijke faciliteiten en voorzieningen

WETTELIJK KADER

Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers.

Regeling rechtspositie decentrale politieke ambtsdragers.

ARTIKEL 3.1 KERNBEPALING

Collegeleden gaan op prudente wijze om met gemeentelijke faciliteiten en financiële middelen voor zover deze hen ter beschikking staan en gebruiken deze alleen waarvoor ze bedoeld zijn.

ARTIKEL 3.2 GEBRUIK VAN INTERNE VOORZIENINGEN

Collegeleden houden zich aan de regels voor het gebruik van interne voorzieningen van algemene aard, zoals vergaderruimtes, eventuele ict-voorzieningen en dergelijke.

ARTIKEL 3.3 ONKOSTENVERGOEDINGEN EN DECLARATIES

Collegeleden houden zich aan de regels die gelden voor onkostenvergoedingen en declaraties.

TOELICHTING

Collegeleden krijgen voor hun bestuurswerk de beschikking over een aantal faciliteiten en over financiële middelen van de gemeente. Collegeleden beschikken veelal over voorzieningen als een werkkamer, laptop, (mobiele) telefoon en dergelijke die primair voor hun bestuurswerk ter beschikking zijn gesteld. Het gebruik hiervan voor privédoeleinden is binnen vastgestelde kaders beperkt mogelijk. Het is uitdrukkelijk niet de bedoeling dat de financiële middelen worden ingezet voor privédoeleinden, voor werk elders of voor de partij. Gebeurt dat toch, dan is sprake van overtreding van de gedragscode.

OEFENINGEN

Oefening 5:

Een collegelid heeft een nevenfunctie als lid van een Raad van Advies. De vergaderingen van deze adviesraad vinden plaats ver buiten de gemeente. Mag het collegelid een auto van de gemeente gebruiken om naar de vergadering van de Raad van Advies te gaan?

Antwoord:

Nee, een auto van de gemeente staat ter beschikking voor zijn werkzaamheden als bestuurder van de gemeente. Het inzetten van de auto voor niet-ambtsgebonden nevenwerkzaamheden is in strijd met de gedragscode. Ook eventueel gemaakte kosten ten behoeve van persoonlijke nevenactiviteiten mag het collegelid niet declareren.

Paragraaf 4 Afspraken over omgang met informatie

WETTELIJK KADER

Artikel 23, 24, 87, 88, 89 en 292 van de Gemeentewet (beslotenheid en geheimhouding).

Artikel 169 van de Gemeentewet (informatieplicht).

Artikel 2:5 van de Algemene wet bestuursrecht.

ARTIKEL 4.1 KERNBEPALING

Collegeleden gaan zorgvuldig en correct om met de informatie waarover zij uit hoofde van hun lidmaatschap van het college van burgemeester en wethouders beschikken.

ARTIKEL 4.2 TRANSPARANTIE

Collegeleden zijn open en transparant over de eigen beslissingen en de beweegredenen daarvoor. Collegeleden handelen in overeenstemming met de Gemeentewet en met de Wet open overheid.

ARTIKEL 4.3 GEHEIMHOUDINGSPLICHT

  • 1.

    Collegeleden die de beschikking krijgen over gegevens waarvan zij het geheime karakter kennen of redelijkerwijs kunnen vermoeden, zijn verplicht tot geheimhouding van die gegevens, behalve als de wet hen tot mededeling verplicht.

  • 2.

    Geheime informatie wordt door het collegelid veilig beheerd en bewaard.

ARTIKEL 4.4 GEBRUIK INFORMATIE TE EIGEN BATE OF ANDER GEBRUIK

Collegeleden maken niet voor eigen gewin of voor het gewin van een ander gebruik van (nog) niet openbare informatie waarover zij als collegelid beschikken.

ARTIKEL 4.5 GEBRUIK (SOCIALE) MEDIA

In uitlatingen op (sociale) media houden collegeleden de eer en het aanzien van het openbaar bestuur hoog. Collegeleden geven niet opzettelijk een onjuiste voorstelling van zaken over gebeurtenissen in en rond de gemeente.

TOELICHTING

Het handelen van de overheid en het effect van verordeningen en beleidsregels hebben grote invloed op het leven van inwoners. Daaruit volgt dat de burger er recht op heeft over het overheidshandelen goed geïnformeerd te worden. De burger heeft er ook recht op de onderliggende redeneringen en afwegingen te kennen en te weten wie welke positie heeft ingenomen. Dat bij elkaar opgeteld schept de verplichting voor het college, de raad en de ambtelijke organisatie om de burger nauwkeurig en op tijd op de hoogte te brengen van wat er wordt besproken, besloten en uitgevoerd. Dat neemt niet weg dat het ook voorkomt dat informatie rond overheidshandelen niet bekend en verspreid mag worden. Het gaat dan altijd om gevallen waarin het openbaar maken zou leiden tot het schenden van rechten van burgers of de gemeente, tot het onterecht toebrengen van schade aan burgers, of schade aan collectieve belangen. Het college, de burgemeester en de raad dienen daarom zeer zorgvuldig om te gaan met het geheim verklaren van stukken.

Het formele etiket ‘geheim’ heeft op grond van de artikelen 87, 88 en 89 van de Gemeentewet een expliciete betekenis – ook in strafrechtelijke zin – en dient niet te worden vervangen door ‘vertrouwelijk’.

Toch zijn er situaties waarin collegeleden redelijkerwijs moeten begrijpen dat informatie waarover zij beschikken, (nog) niet bestemd is voor de openbaarheid. Het gaat dan bijvoorbeeld om informatie waarover nog tot geheimhouding kan worden besloten. Of informatie die onder embargo is gedeeld en bijvoorbeeld de volgende dag publiek wordt gemaakt.

OEFENINGEN

Oefening 12:

Het college heeft het voornemen om de bestemming van een gebied te wijzigen zodat het mogelijk wordt om in dat gebied huizen te bouwen. Verschillende commerciële partijen en andere belanghebbenden hebben hier een stevige lobby voor gevoerd en zijn verheugd dat het college het serieus in overweging neemt. Er rust geheimhouding op het dossier. Er wordt in de pers echter regelmatig over het dossier geschreven. Vaak zit men er maar weinig naast, wat er op duidt dat er wellicht door een of meerdere betrokkenen gepraat wordt met journalisten. Een collegelid is van mening dat het geheim behandelen van deze kwestie niet langer opportuun is. 'Alles ligt toch al op straat'. Mag hij ingaan op het verzoek van een journalist om met hem over het dossier te spreken?

Antwoord:

Nee, het spreken met anderen over deze kwestie is een schending van de geheimhouding, wat strafbaar is gesteld in artikel 272 van het Wetboek van Strafrecht (lekken van geheime informatie). Als het collegelid van mening is dat de geheimhoudingsverplichting niet meer passend is, zal het collegelid dit eerst in het college aan de orde moeten stellen. Op eigen houtje een afweging maken, kan dus niet.

Oefening 13:

Een collegelid overweegt een bericht op te plaatsen op X: ‘@toneelgroepdeblauwemaandag Ik zit hier in een besloten vergadering over de toekenning subsidies. Het is spannend. #bezuinigenaltijdmoeilijk’.

Antwoord:

Niet doen. In een besloten vergadering worden zaken besproken die niet openbaar zijn. Een X-bericht (of dergelijke berichten op andere sociale media) als dit is een schending van de geheimhouding.

Oefening 14:

Een kritisch rapport over een verlieslijdend project wordt op woensdagmiddag via de website van de gemeente openbaar gemaakt. Omdat collegeleden kort na het verschijnen van het rapport wellicht vragen krijgen van journalisten over de inhoud, wordt besloten om het rapport onder embargo op maandag al aan de raad te verstrekken. Mag een collegelid deze informatie vrijelijk delen, nu er geen geheimhouding op rust en de informatie ook al is gedeeld met de raad?

Antwoord:

Nee. Hoewel geen sprake is van het formele etiket ‘geheimhouding’ is sprake van een werkafspraak.

Dit valt onder artikel 2:5, lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht: het vertrouwelijke karakter is duidelijk gemaakt door de informatie onder embargo te delen. Dit betekent dat ook hier een geheimhoudingsplicht geldt.

Dit soort werkafspraken kunnen nodig zijn om elkaar in vertrouwen te nemen. Als dat vertrouwen wordt geschonden dan zal de neiging kunnen zijn om een volgende keer wel formeel geheimhouding op te leggen. Als er vragen worden gesteld over nut en noodzaak van het opgelegde embargo, verdient het aanbeveling om dit intern aan te kaarten, bijvoorbeeld bij de secretaris en/of de burgemeester danwel in het college.

Paragraaf 5 Afspraken rondom de omgang in het algemeen en de gang van zaken tijdens vergaderingen

WETTELIJK KADER

Artikel 52 van de Gemeentewet.

Reglement van orde voor de vergaderingen en andere werkzaamheden van het college van burgemeester en wethouders van Hellendoorn 2024.

ARTIKEL 5.1 KERNBEPALING

Collegeleden gaan binnen en buiten de vergaderzaal op respectvolle wijze met elkaar, andere politieke ambtsdragers, ambtenaren en inwoners om. Collegeleden onthouden zich, ook in de privésfeer, van gedragingen die schadelijk zijn of kunnen zijn voor de eer en het aanzien van het openbaar bestuur.

ARTIKEL 5.2 BEJEGENING

  • 1.

    Collegeleden bejegenen elkaar, de raads- en burgerleden, de griffier, de gemeentesecretaris en andere ambtenaren op correcte wijze zowel mondeling, schriftelijk als in de (sociale) media.

  • 2.

    Collegeleden onthouden zich van pestgedrag, seksuele intimidatie, discriminatie, agressie en geweld. Ook ‘op de persoon spelen’, grof taalgebruik, ongepaste grappen en ongefundeerde beschuldigingen van strafbaar gedrag aan het adres van raadsleden of andere fracties zijn omgangsvormen die niet worden geaccepteerd.

  • 3.

    Optreden tegen grensoverschrijdende bejegening tijdens vergaderingen is een gezamenlijke verantwoordelijkheid. Zo nodig spreken collegeleden elkaar hierop aan.

ARTIKEL 5.3 HOUDEN AAN REGELS EN AANWIJZINGEN

Collegeleden houden zich tijdens de vergaderingen van het college en van de raad aan het reglement van orde en volgen de aanwijzingen van de voorzitter op.

ARTIKEL 5.4 VERTROUWENSPERSOON

  • 1.

    Collegeleden die zich geconfronteerd zien met ongewenste omgangsvormen kunnen zich wenden tot de vertrouwenspersoon voor een luisterend oor, begeleiding en ondersteuning.

  • 2.

    Biedt ondersteuning door de vertrouwenspersoon geen oplossing of is bemiddeling tussen collegeleden gewenst dan draagt de secretaris een (externe) bemiddelaar aan.

  • 3.

    Biedt bemiddeling geen oplossing en wenst een van de betrokken collegeleden verdere actie, dan wordt het Protocol omgaan met (vermoedens van) schending van de gedragscode door burgemeester en wethouders gevolgd.

  • 4.

    De vertrouwenspersoon brengt jaarlijks een geanonimiseerd verslag van bevindingen uit aan het presidium, de griffier en de burgemeester.

  • 5.

    De vertrouwenspersoon kan uit eigen beweging signaleringen delen met de burgemeester, griffier en/of de secretaris.

TOELICHTING

De onderlinge omgangsvormen in het college en met de raad zijn van betekenis voor de vraag hoe inwoners en bedrijven naar de gemeente kijken. Een respectvolle omgang met elkaar en met de waarheid maakt het daarnaast beter mogelijk met elkaar tot een werkelijk debat te komen op basis van feiten en (eerlijke) overwegingen. Dat is essentieel voor een zorgvuldige besluitvorming.

Bovendien is de manier waarop het college en de raad onderling en met elkaar omgaan van invloed op de geloofwaardigheid van de politiek. Het goede voorbeeld geven, ook in de privésfeer, is daarbij de norm.

Politiek is een arena van strijd en emotie. Daar mogen verschillen worden uitvergroot. Daarbij geldt wel: we houden de ogen op de bal, niet op de persoon.

OEFENINGEN

Oefening 8:

Op de Nieuwjaarsborrel zijn een wethouder en een raadslid met elkaar in gesprek. Het gesprek wordt al snel een discussie. De discussie loopt, naarmate de avond vordert en de wijn vloeit, uit de hand. Op een goed moment horen de andere aanwezigen de wethouder tegen het raadslid schreeuwen, waarbij forse, persoonlijke kritiek wordt geuit. Is dit een overtreding van de gedragscode?

Antwoord:

Ja, dit gedrag is niet aanvaardbaar en is een overtreding van de gedragscode. Een raadslid diskwalificeren op deze manier in het openbaar, is niet correct.

Paragraaf 6 Overige afspraken

ARTIKEL 6.1 EENDUIDIGE INTERPRETATIE

De gemeenteraad en het college bevorderen de eenduidige interpretatie van deze gedragscode. In geval van leemtes en onduidelijkheden in de gedragscode voorzien zij daarin.

ARTIKEL 6.2 TOEZICHT OP NALEVING

  • 1.

    Het college ziet erop toe dat burgemeester en wethouders de gedragscode naleven.

  • 2.

    Er is een door de raad vastgesteld protocol hoe om te gaan met (vermoedens van) integriteitsschendingen. Dit protocol (bijlage 1) maakt onlosmakelijk deel uit van deze gedragscode.

ARTIKEL 6.3 JAARLIJKS AANDACHT

Jaarlijks organiseren de raad en het college een (gezamenlijke) bijeenkomst die in het teken staat van het onderwerp integriteit.

ARTIKEL 6.4 EVALUATIE

Minimaal één keer per bestuursperiode evalueert het college de gedragscode op actualiteit, functioneren en of deze naar behoren wordt nageleefd.

TOELICHTING

Integriteit is een onderwerp dat vraagt om gezamenlijke reflectie. Om misstappen te voorkomen en samen de mores in Hellendoorn te bepalen. Om die reden organiseren de raad en het college jaarlijks een (gezamenlijke) bijeenkomst die in het teken staat van integriteit.

Minimaal één keer per bestuursperiode wordt daarnaast de tekst van de gedragscode voor burgemeester en wethouders tegen het licht gehouden: voldoen de formuleringen nog? Over welke onderwerpen worden de meeste vragen gesteld? Zijn de praktijkvoorbeelden voldoende herkenbaar? Zo blijft de gedragscode een levend document.

Belangrijk is dat erop wordt toegezien dat de gedragscode daadwerkelijk wordt nageleefd. Ze legt immers de voorwaarden vast waaraan het handelen van burgemeester en wethouders minimaal moet voldoen.

Het toezien op de naleving van de gedragscodes is niet alleen een verantwoordelijkheid van het college als geheel, maar een gedeelde verantwoordelijkheid van alle individuele collegeleden. Bijzondere rollen zijn weggelegd voor de burgemeester als voorzitter van het college (mede met het oog op het bevorderen van de bestuurlijke integriteit van de gemeente) en de secretaris als eerste adviseur van het college.

Paragraaf 7 Slotbepalingen

ARTIKEL 7.1 INTREKKING

De Gedragscode politieke ambtsdragers, vastgesteld op 26 juni 2007 en gewijzigd op 1 februari 2022, wordt ingetrokken.

ARTIKEL 7.2 INWERKINGTREDING

Deze gedragscode treedt in werking met ingang van de dag na datum van bekendmaking.

ARTIKEL 7.3 CITEERTITEL

Deze regeling wordt aangehaald als: ‘Gedragscode voor burgemeester en wethouders Hellendoorn 2026’.

Ondertekening

De raad voornoemd,

de griffier, de voorzitter,

Bijlage 1 Protocol omgaan met (vermoedens van) schending van de gedragscode door burgemeester en wethouders

Artikel 1 Algemeen

  • 1.

    Dit protocol beschrijft hoe om te gaan met (vermoedens van) integriteitsschendingen door de burgemeester of door wethouders. Dit protocol is vastgesteld door de raad en maakt onderdeel uit van de Gedragscode voor burgemeester en wethouders gemeente Hellendoorn 2026.

  • 2.

    In gevallen waarin dit protocol niet voorziet of waarbij de toepassing niet eenduidig is, vindt, op initiatief van de burgemeester of plaatsvervangend voorzitter van de raad, bespreking plaats in het presidium van de raad.

  • 3.

    Het protocol is openbaar en via de gemeentelijke website te raadplegen. Burgemeester en wethouders ontvangen bij hun aantreden een exemplaar van het protocol.

  • 4.

    De burgemeester ziet toe op de naleving van de stappen uit dit protocol.

Artikel 2 Het bespreken van integriteitskwesties

  • 1.

    Als een wethouder twijfelt of een handeling, die hij wil verrichten of nalaten, een overtreding van de gedragscode zou kunnen zijn, wint hij advies in bij de burgemeester en/of de gemeentesecretaris.

  • 2.

    Bij twijfel over het handelen van een ander is het uitgangspunt dat de burgemeester respectievelijk een wethouder eerst betrokkene daarop aanspreekt. Daar wordt alleen van afgeweken als het een vermoeden van een ernstige schending betreft en eventueel vervolgonderzoek in gevaar komt als het betreffende collegelid op de hoogte gesteld wordt. Wanneer de ander na het aanspreken zijn handelen niet feitelijk corrigeert of het vermoeden blijft bestaan dat de gedragscode niet wordt nageleefd, is melding van (het vermoeden van) schending van de gedragscode de vervolgstap.

Artikel 3 Melding

  • 1.

    Een ieder die schending van de gedragscode vermoedt, kan hiervan melding doen bij de burgemeester, of als de melding de burgemeester betreft, bij de griffier.

  • 2.

    Indien iemand een melding doet wordt deze, voor zover van toepassing, overeenkomstig de artikelen 4 en 5 van dit protocol afgehandeld.

Artikel 4 Melding en vooronderzoek bij (vermoedens van) schending van de gedragscode door een wethouder

  • 1.

    Als een wethouder vermoedt dat een regel van de gedragscode niet wordt nageleefd door een andere wethouder, dan meldt hij dat bij de burgemeester.

  • 2.

    De burgemeester neemt de melding in behandeling en neemt daarbij kennis van de afweging van de melder over toepassing van artikel 2, lid 2 van dit protocol (het voeren van het gesprek tussen de melder en betrokkene).

  • 3.

    Als de burgemeester vermoedt dat een regel van de gedragscode niet wordt nageleefd door een wethouder, dan meldt hij dit bij de gemeentesecretaris.

  • 4.

    De burgemeester verricht in samenspraak met de gemeentesecretaris vooronderzoek, teneinde te beoordelen of er sprake is van een vermoedelijke schending van de gedragscode.

  • 5.

    De burgemeester meldt het voornemen tot een vooronderzoek bij de melder. Allen betrachten geheimhouding ten aanzien van deze informatie en treden hiermee niet in openbaarheid.

  • 6.

    De betrokken wethouder wordt op de hoogte gesteld van het vooronderzoek naar een vermeende schending, tenzij het een vermoeden van een ernstige schending betreft en eventueel vervolgonderzoek in gevaar komt als de betreffende wethouder op de hoogte gesteld wordt.

  • 7.

    Er vindt in het kader van het vooronderzoek een gesprek met melder en eventuele betrokkenen plaats.

  • 8.

    Van de bevindingen uit het vooronderzoek wordt een rapport gemaakt. Als uit het vooronderzoek blijkt dat er geen sprake is van een schending van de gedragscode, is de melding afgehandeld.

  • 9.

    De melder en de betrokken wethouder worden op hoofdlijnen geïnformeerd over de uitkomsten van het vooronderzoek.

Artikel 5 Melding en vooronderzoek bij vermoedens van schending door de burgemeester

  • 1.

    Als een wethouder vermoedt dat een regel van de gedragscode niet wordt nageleefd door de burgemeester, dan meldt hij dat, door tussenkomst van de griffier, bij het presidium. Het presidium neemt de melding in behandeling en neemt daarbij kennis van de afweging van de melder over toepassing van artikel 2, lid 2 van dit protocol (het voeren van het gesprek tussen de melder en de burgemeester).

  • 2.

    Als het presidium vermoedt dat een regel van de gedragscode niet wordt nageleefd door de burgemeester, dan verricht het presidium hiernaar vooronderzoek. Hij kan hierbij te rade gaan bij de griffier, de andere collegeleden, de gemeentesecretaris en/of een externe adviseur.

  • 3.

    Het presidium meldt het voornemen tot een vooronderzoek bij de melder. Allen betrachten geheimhouding ten aanzien van deze informatie en treden hiermee niet in openbaarheid.

  • 4.

    De burgemeester wordt op de hoogte gesteld van het vooronderzoek naar een vermeende schending, tenzij het om een vermoeden van een ernstige schending gaat en eventueel vervolgonderzoek in gevaar komt als de burgemeester op de hoogte gesteld wordt.

  • 5.

    Er vindt in het kader van het vooronderzoek een gesprek met melder en eventuele betrokkenen plaats.

  • 6.

    Van de bevindingen uit het vooronderzoek wordt een rapport gemaakt. Als uit het vooronderzoek blijkt dat er geen sprake is van een schending van de gedragscode, is de melding afgehandeld.

  • 7.

    De melder en de burgemeester worden op hoofdlijnen geïnformeerd over de uitkomsten van het vooronderzoek.

Artikel 6 Feitenonderzoek bij vermoedens van schending van de gedragscode door een wethouder

  • 1.

    Indien uit het vooronderzoek, als bedoeld in artikel 4, is gebleken dat er sprake is van een concreet en op redelijke gronden gebaseerd vermoeden dat de gedragscode niet is nageleefd door een wethouder, geeft de burgemeester opdracht hiernaar onderzoek te verrichten.

  • 2.

    De burgemeester meldt het voornemen tot een feitenonderzoek bij de melder, de betrokkene en het presidium. Allen betrachten discretie en prudentie ten aanzien van deze informatie en treden hiermee niet in openbaarheid.

  • 3.

    De opdracht wordt gegeven aan een interne of externe onderzoekscommissie of extern onderzoeksbureau.

  • 4.

    Een interne onderzoekscommissie bestaat minimaal uit de burgemeester en de gemeentesecretaris. Ter ondersteuning kunnen zij ambtenaren en/of raadsleden aanwijzen. Aan de commissie kunnen externe deskundigen worden toegevoegd.

  • 5.

    Als de afstand tussen de interne onderzoekers en de betrokken wethouder te klein is om voldoende objectief onderzoek te garanderen, wordt een externe onderzoekscommissie ingesteld of een extern onderzoeksbureau ingeschakeld.

  • 6.

    Een externe onderzoekscommissie bestaat uit personen buiten de organisatie.

Artikel 7 Feitenonderzoek bij vermoedens van schending van de gedragscode door de burgemeester

  • 1.

    Indien uit het vooronderzoek, als bedoeld in artikel 5, is gebleken dat er sprake is van een concreet en op redelijke gronden gebaseerd vermoeden dat de gedragscode niet is nageleefd door de burgemeester, geeft het presidium opdracht hiernaar onderzoek te verrichten.

  • 2.

    Het presidium meldt het voornemen tot een feitenonderzoek bij de melder, de betrokkene en de Commissaris van de Koning. Allen betrachten vertrouwelijkheid ten aanzien van deze informatie en treden hiermee niet in openbaarheid.

  • 3.

    De opdracht wordt gegeven aan een interne of externe onderzoekscommissie.

  • 4.

    Een interne onderzoekscommissie bestaat minimaal uit de plaatsvervangend voorzitter van de raad en de griffier. Ter ondersteuning kunnen zij ambtenaren en/of raadsleden aanwijzen. Aan de commissie kunnen externe deskundigen worden toegevoegd.

  • 5.

    Als de afstand tussen de interne onderzoekers en de burgemeester te klein is om voldoende objectief onderzoek te garanderen, wordt een externe onderzoekscommissie ingesteld of een extern onderzoeksbureau ingeschakeld.

  • 6.

    Een externe onderzoekscommissie bestaat uit personen buiten de organisatie.

Artikel 8 Kennisgeving aan betrokkene

  • 1.

    De betrokken politieke ambtsdrager wordt na het besluit tot het instellen van een feitenonderzoek zo snel mogelijk per brief geïnformeerd.

  • 2.

    In de brief is in ieder geval opgenomen:

    • a.

      een omschrijving van het handelen of nalaten dat aanleiding is tot instellen van het onderzoek;

    • b.

      de melding dat alle betrokkenen en getuigen kunnen worden gehoord;

    • c.

      de melding dat als andere feiten en omstandigheden bekend worden die van belang kunnen zijn voor het bepalen van de omvang, aard en ernst van de integriteitsbreuk, het onderzoek zich kan uitstrekken tot die feiten en omstandigheden.

Artikel 9 Horen van betrokkene en getuigen

  • 1.

    De betrokken politieke ambtsdrager en getuigen kunnen worden gehoord.

  • 2.

    De gesprekken worden gehouden door minimaal twee leden van de onderzoekscommissie.

  • 3.

    Er wordt een gespreksverslag opgemaakt. De gehoorde krijgt de mogelijkheid om binnen vijf werkdagen schriftelijk te reageren op het gespreksverslag.

  • 4.

    Het gespreksverslag wordt ondertekend door de onderzoekscommissie en de gehoorde. Als de gehoorde weigert het gespreksverslag te ondertekenen, wordt daarvan melding gemaakt in het verslag.

  • 5.

    Als de gehoorde dat wenst, wordt er een schriftelijke weergave van de afwijkende mening van de gehoorde bij het verslag gevoegd.

Artikel 10 Rapportage feitenonderzoek

  • 1.

    De rapportage van het ingestelde feitenonderzoek naar (een vermoeden van) een schending van de gedragscode door een wethouder wordt door de burgemeester aangeboden aan het presidium. Allen betrachten discretie en prudentie ten aanzien van deze informatie en treden hiermee niet in openbaarheid.

  • 2.

    De rapportage van het ingestelde feitenonderzoek naar (een vermoeden van) een schending van de gedragscode door de burgemeester wordt aangeboden aan het presidium. Allen betrachten discretie en prudentie ten aanzien van deze informatie en treden hiermee niet in openbaarheid.

  • 3.

    Na bespreking in het presidium wordt een samenvatting van het rapport (binnen de mogelijkheden van de wetgeving ten aanzien van openbaarheid van bestuur en privacybescherming) toegezonden aan de raad. Deze samenvatting bevat alle informatie die voor de andere raadsleden nodig is om een oordeel te kunnen vormen over het vermoeden van integriteitsschending. Deze samenvatting wordt tevens toegezonden aan de politieke ambtsdrager op wie het feitenonderzoek betrekking heeft.

Artikel 11 Aangifte

  • 1.

    Als er vermoeden is van een misdrijf door een wethouder, doet de burgemeester in overleg met het presidium (door tussenkomst van de griffier) aangifte bij de politie. De burgemeester informeert de wethouders hierover.

  • 2.

    Als er vermoeden is van een misdrijf door de burgemeester, doet de plaatsvervangend voorzitter van de raad, na overleg met de Commissaris van de Koning en het presidium, aangifte bij de politie.

  • 3.

    Vanaf dat moment wordt alle informatie voorgelegd aan de politie, eventueel na overleg met de officier van justitie.

Artikel 12 Communicatie en openbaarheid

  • 1.

    Bij (vermoedens van) schending door een wethouder zorgt de burgemeester voor de interne en externe communicatie. Hierbij wordt afhankelijk van de situatie afgestemd met de overige collegeleden, de secretaris, het presidium (door tussenkomst van de griffier) en het Openbaar Ministerie.

  • 2.

    Bij (vermoedens van) schending door de burgemeester zorgt de plaatsvervangend voorzitter van de raad, in afstemming met het presidium en de griffier, voor de interne en externe communicatie. Hierbij wordt afhankelijk van de situatie afgestemd met collegeleden, de secretaris, de griffier, de fractievoorzitters, de Commissaris van de Koning en het Openbaar Ministerie.

  • 3.

    In de communicatie geldt, waar van toepassing, de wetgeving ten aanzien van openbaarheid en privacybescherming als juridisch kader.