Permanente link
Naar de actuele versie van de regeling
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR759714
Naar de door u bekeken versie
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR759714/1
Beleidsregels leerlingenvervoer Leidschendam-Voorburg 2026
Geldend van 01-04-2026 t/m heden
Intitulé
Beleidsregels leerlingenvervoer Leidschendam-Voorburg 2026Het college van burgemeester en wethouders van Leidschendam-Voorburg,
gelet op artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 2, tweede lid van de Verordening leerlingenvervoer Leidschendam-Voorburg 2026,
besluit vast te stellen:
Beleidsregels leerlingenvervoer Leidschendam-Voorburg 2026
HOOFDSTUK 1: ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 1.1 Begripsomschrijving
-
1. De begripsomschrijvingen zoals opgenomen in de Verordening leerlingenvervoer Leidschendam-Voorburg 2026 zijn ook op deze beleidsregels van toepassing.
-
2. Aanvullend op het eerste lid betekent in deze beleidsregels:
- -
Crisisplaatsing: een kind wordt plotseling uit huis geplaatst in een pleeggezin of gezinsvervangend tehuis. Dit is tijdelijk, met als doel het kind zo snel mogelijk terug te laten keren naar het ouderlijk huis of een andere vaste woonplek te vinden;
- -
Verblijf: de plek waar de leerling woont of verblijft, zoals het ouderlijk huis, een pleeggezin, of een instelling. In sommige gevallen kan sprake zijn van meerdere verblijfadressen, bijvoorbeeld in het geval van co-ouderschap;
- -
Vervoersoplossing: de vervoersvoorziening of combinatie van vervoersvoorzieningen die nodig zijn om de leerling te ondersteunen bij het bereiken van school;
- -
Verordening: de Verordening leerlingenvervoer Leidschendam-Voorburg 2026;
- -
Werk: arbeid verricht bij een werkgever, op basis van een arbeidsovereenkomst. Vrijwilligerswerk of mantelzorg, ook als er een vergoeding voor is, telt niet als werk.
- -
Artikel 1.2 Vormen van leerlingenvervoer
De gemeente Leidschendam-Voorburg voert haar wettelijke taak voor het bieden van leerlingenvervoer uit in de vorm van de onderstaande vervoersvoorzieningen:
- 1.
Fietsvergoeding en zo nodig van een begeleider;
- 2.
Vergoeding voor het gebruik van openbaar vervoer en zo nodig van een begeleider;
- 3.
Aangepast vervoer en zo nodig van een begeleider;
- 4.
Gehele of gedeeltelijke vergoeding van de vervoerkosten van de leerling en zo nodig van een begeleider.
Conform de verordening staan deze voorzieningen in volgorde. Dat wil zeggen dat eerst de toepasselijkheid van vervoer beginnend bij optie 1 (een fietsvergoeding) wordt besproken met de aanvrager voordat optie 2 (openbaar vervoer) wordt overwogen, enzovoorts.
Artikel 1.3 Meting van de afstand tussen de woning en de school
Voor het meten van de afstand maakt het college gebruik van openrouteservice (ORS), te benaderen via https://openrouteservice.org/. De kortste voor de leerling begaanbare en veilige weg wordt gemeten van huisnummer naar huisnummer. Bij vervoersmiddel wordt gekozen voor de kortste afstand per auto.
Artikel 1.4 Meerdere verblijfadressen
-
1. Wanneer een leerling feitelijk op meerdere adressen verblijft, bijvoorbeeld als er sprake is van co-ouderschap, en één of meerdere van deze verblijfsadressen in een andere gemeente zijn, bekostigt het college alleen het vervoer van en naar verblijfadressen binnen de gemeente Leidschendam-Voorburg.
-
2. Voor vervoer van en naar een adres in een andere gemeente dient door de ouders van de leerling een aanvraag te worden ingediend bij de betreffende gemeente voor de schooldagen waarop de leerling buiten de gemeente Leidschendam-Voorburg verblijft.
Artikel 1.5 Tijdelijk verblijf in de gemeente
-
1. Als een leerling uit een andere gemeente aan wie leerlingenvervoer is toegekend door de betreffende gemeente, (tijdelijk) in de gemeente Leidschendam-Voorburg verblijft als gevolg van een crisissituatie:
- a.
Is de gemeente waarin de leerling eerder verbleef voor maximaal de eerste 6 weken verantwoordelijk voor het leerlingenvervoer;
- b.
Is na deze 6 weken leerlingenvervoer vanuit de gemeente Leidschendam-Voorburg beschikbaar, conform de bepalingen uit de verordening.
- a.
-
2. Als bij aanvang duidelijk is dat het om een verblijf in de gemeente gaat van langer dan 6 weken en blijft het kind dezelfde school bezoeken, dan is de gemeente Leidschendam-Voorburg in afwijking van het eerste lid van dit artikel verantwoordelijk voor de kosten voor vervoer.
-
3. Leerlingenvervoer naar een verder weg gelegen school wordt in het geval van pleegzorg, uithuisplaatsing en crisissituaties tot maximaal het einde van het schooljaar toegekend.
Artikel 1.6 Tijdelijk verblijf buiten de gemeente
-
1. Als een leerling uit Leidschendam-Voorburg aan wie leerlingenvervoer is toegekend (tijdelijk) in een andere gemeente verblijft als gevolg van een crisissituatie, draagt de gemeente Leidschendam-Voorburg maximaal 6 weken na de feitelijke verhuizing zorg voor leerlingenvervoer. Daarbij moet voldaan worden aan de voorwaarden zoals gesteld in artikel 15, eerste lid van de verordening.
-
2. Als de leerling langer dan 6 weken in een andere gemeente verblijft, dient bij de betreffende gemeente een aanvraag voor leerlingenvervoer te worden ingediend.
-
3. Als bij aanvang duidelijk is dat het om een verblijf buiten de gemeente gaat van langer dan 6 weken en blijft het kind dezelfde school bezoeken, dan is de gemeente waar het kind gehuisvest wordt in afwijking van het eerste lid van dit artikel verantwoordelijk voor de kosten voor vervoer.
Artikel 1.7 Uitgesloten ritten
Leerlingenvervoer is enkel beschikbaar voor ritten van de woning naar school en terug voor de leerling. Als de leerling begeleiding nodig heeft, wordt ook het vervoer van de begeleider naar school en terug bekostigd. Alle andere ritten en onkosten zijn uitgesloten. Daarmee is een vervoersvoorziening niet mogelijk voor zaken als:
- a.
Vervoer naar excursies of andere locaties anders dan de school en diens eventuele bijgebouwen. Dit geldt ook als een bezoek aan een externe locatie onderdeel is van het schoolprogramma;
- b.
Vervoer naar jeugdhulpinstellingen. Hiervoor is een aanvraag voor jeugdvervoer vereist;
- c.
Vervoer tijdens schoolvakanties, met uitzondering van een vervoersvoorziening voor weekeinde en vakantie bij verblijf in pleeggezin of internaat op grond van artikel 16 van de verordening;
- d.
Vergoeding van parkeerkosten.
Artikel 1.8 Vervoer naar stage
-
1. Uitgangspunt voor het stageadres is dat deze zich zo dicht mogelijk ligt op de route van de woning dan wel de opstapplaats en de school om het zelfstandig reizen van de leerling te stimuleren. Is dit aantoonbaar niet mogelijk, dan moet het stageadres gelegen zijn binnen een afstand van maximaal 20 kilometer vanaf de woning dan wel de opstapplaats of vanaf de school van de leerling. Het college meet de afstand conform artikel 1.3 van deze beleidsregels.
-
2. Overeenkomstig artikel 1.7 onder d van deze beleidsregels, vindt er geen vervoer naar een stageadres plaats tijdens schoolvakanties.
Artikel 1.9 Vervoer naar een buitenschoolse opvang en een opvangadres
-
1. Het college staat leerlingenvervoer toe naar maximaal één buitenschoolse opvang en/of een opvangadres naast het woonadres.
-
2. Leerlingenvervoer naar één buitenschoolse opvang en/of een opvangadres is alleen mogelijk:
- a.
In geval van aangepast vervoer;
- b.
Als de buitenschoolse opvang en/of het opvangadres binnen de gemeente Leidschendam-Voorburg ligt;
- c.
Als de leerling structureel op de buitenschoolse opvang en/of het opvangadres verblijft (dat wil zeggen op vaste dagen van de week);
- d.
Als er, voor zover van toepassing, een door de ouders goedgekeurde volwassene ter plekke aanwezig is om de leerling op te vangen conform artikel 24 van de verordening;
- e.
Als het vervoer redelijkerwijs kan worden gecombineerd met bestaande routes. Dat wil zeggen dat het vervoer naar de buitenschoolse opvang en/of het opvangadres niet leidt tot ver omrijden en/of een lange reisduur van de rit.
- a.
-
3. Als de leerling op basis van een indicatie (uit hoofde van de Jeugdwet, Wet langdurige zorg of Zorgverzekeringswet) naar een buitenschoolse opvang of opvangadres gaat, zijn het eerste en tweede lid van dit artikel niet van toepassing. In een dergelijke situatie moet vervoer onder de betreffende wetgeving worden aangevraagd.
HOOFDSTUK 2: PROCEDURE
Artikel 2.1 Aanvraag
-
1. Aanvragen voor leerlingenvervoer worden gedaan bij de gemeente door:
- a.
Een ouder van de leerling;
- b.
Een voogd van de leerling;
- c.
Een verzorger van de leerling; of
- d.
De leerling zelf, mits die achttien jaar of ouder is.
- a.
-
2. Bij elke aanvraag voor leerlingenvervoer dient de aanvrager een schoolverklaring aan te leveren. Deze schoolverklaring wordt gegeven door de school of het betrokken Samenwerkingsverband Passend Onderwijs. De schoolverklaring gaat uitsluitend in op:
- a.
De mogelijkheden en beperkingen van de leerling bij het zelfstandig en onder begeleiding reizen met de fiets of openbaar vervoer;
- b.
De groei die daarin mogelijk is;
- c.
De gezinssituatie die school namens de ouders wil toelichten.
- a.
-
3. De schoolverklaring is niet bindend, maar wordt meegenomen bij de beoordeling van de aanvraag.
-
4. In geval van ongewijzigde omstandigheden bij een aanvraag voor een nieuw schooljaar kan het college gebruik maken van eerder ingediende gegevens en/of ambtshalve verlenging van de aanvraag vaststellen.
-
5. Als het naar oordeel van het college niet aannemelijk is dat zich binnen afzienbare tijd, zijnde binnen het lopende en minimaal het navolgende schooljaar, wijzigingen voor zullen doen in de situatie van de leerling, kan het college ervoor kiezen om een meerjarige beschikking af te geven. Daarbij moet in ieder geval sprake zijn van de volgende omstandigheden:
- a.
De leerling neemt deel aan speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs;
- b.
De leerling maakt gebruik van leerlingenvervoer in de vorm van taxivervoer.
- a.
Artikel 2.2 Gesprek
-
1. Conform artikel 5 van de verordening kan een gesprek met de aanvrager volgen op de aanvraag voor een vervoersvoorziening.
-
2. In het gesprek vraagt het college naar de mogelijkheden en eventuele obstakels in relatie tot de verschillende vervoersvoorzieningen. Het college kan hiervoor om bewijzen vragen, waaronder maar niet beperkt tot:
- a.
Een medische verklaring (over zowel de leerling als eventueel de ouders), afgegeven door een deskundige niet zijnde de huisarts;
- b.
Een werkgevers- of studieverklaring;
- c.
Financiële gegevens van ouders.
- a.
-
3. In het gesprek komen zaken aan de orde als:
- a.
De medische toestand van de leerling. Het college heeft informatie over fysieke en psychische beperkingen, problemen en stoornissen nodig om te kunnen bepalen welke vervoersoplossing passend is.
- b.
De mogelijkheid en leerbaarheid van de leerling om zelf, dan wel met begeleiding, naar school te gaan. Het college verkent de mogelijkheden dat de leerling:
- i.
Lopend reist;
- ii.
Eigen vervoer, zoals een fiets of waarbij de leerling door ouders met de auto wordt gebracht;
- iii.
Met anderen in het netwerk van het gezin meereist;
- iv.
Met het openbaar vervoer reist; of
- v.
Leert zelfstandig te lopen, fietsen of met het openbaar vervoer te reizen.
- i.
-
Het laatstgenoemde is alleen van toepassing als de leerling geen structurele beperking heeft waardoor zelfstandig reizen met het openbaar vervoer nu en in de toekomst is uitgesloten.
- c.
De mogelijkheden die de ouders hebben om, al dan niet met behulp van hun sociale netwerk of andere ouders, het vervoer van de leerling zelf uit te (laten) voeren. Dit geldt voor zowel eigen vervoer als begeleiding in het openbaar vervoer. Bij de verkenning van de mogelijkheden kijkt het college onder meer naar de werktijden van de ouders, de mogelijkheid om aanpassingen te doen in de werktijden, de aanwezigheid van andere (zorglocatiegaande) kinderen in het gezin, de samenstelling van het gezin en eventuele medische belemmeringen. Het college kan hiervoor om ondersteunende documenten vragen, zoals een werkgeversverklaring over werktijden.
- d.
De beschikbaarheid en toegankelijkheid van vervoersmiddelen.
- a.
-
4. Bij het gesprek houdt het college rekening met de gezinssamenstelling, de situatie en de vervoersbehoefte van de leerling. De gemeente kijkt bijvoorbeeld naar:
- a.
De aanwezigheid van andere zorgafhankelijke gezinsleden;
- b.
Het aantal ouders in het gezin;
- c.
Of de leerling in een pleeggezin of bij een jeugdzorginstelling woont;
- d.
Structurele medische of psychische belemmeringen van de leerling en/of diens ouders.
- a.
Artikel 2.3 Besluit
Het college maakt haar besluit bekend via een beschikking. De beschikking bevat in ieder geval de wijze en het tijdstip van de verstrekking dan wel de declaratie en uitbetaling. Ook bevat deze de tijdsduur van de toegekende vervoersvoorziening. De tijdsduur kan één of meerdere schooljaren zijn. Hierbij geldt een maximum van de gehele schoolperiode.
HOOFDSTUK 3: VERVOERSVOORZIENINGEN
Artikel 3.1 Vervoerstraining
-
1. Het uitgangspunt van leerlingenvervoer is het gebruik van eigen vervoer of, voor leerlingen die naar het voortgezet onderwijs gaan dan wel leerlingen die de overstap van basis- naar voortgezet onderwijs maken en zich hierop kunnen of willen voorbereiden, openbaar vervoer. In uitzonderingssituaties is aangepast vervoer mogelijk.
-
2. Om een leerling op termijn in staat te stellen om zelfstandig te reizen of om op termijn gebruik te maken van een goedkopere vervoersvoorziening, kan het college een vervoerstraining inzetten. De vervoerstraining wordt in overleg met ouders door het college opgenomen in het persoonlijk vervoersontwikkelingsplan. Als het naar oordeel van het college nodig is, kan ook een deskundige zoals bedoeld in artikel 6 van de verordening worden betrokken om te adviseren over de mogelijkheden met betrekking tot de inzet van een vervoerstraining.
-
3. Als een leerling een vervoerstraining volgt, zijn ouders in beginsel verantwoordelijk voor de bekostiging van het openbaar vervoer voor de leerling.
Artikel 3.2 Overbruggingsperiode kosten openbaar vervoer bij zelfstandig reizen
Als een leerling uit het voortgezet onderwijs die reeds leerlingenvervoer ontvangt, heeft geleerd zelfstandig te reizen en voortaan zelfstandig reist, geldt een overbruggingsperiode van 3 maanden waarin bekostiging van openbaar vervoer mogelijk is. Het maakt daarbij niet uit of het voortaan zelfstandig reizen het gevolg is van een vervoerstraining zoals bedoeld in artikel 3.1, een ander traject of andere training (al dan niet aangeboden door een andere organisatie zoals de school), of eigen initiatief dan wel het initiatief van de ouders. Na de overbruggingsperiode maakt de leerling geen aanspraak meer op bekostiging van openbaar vervoer.
Artikel 3.2 Combinatie van vervoersmiddelen
Als de best passende en goedkoopste manier van vervoer bestaat uit een combinatie van verschillende vervoersvoorzieningen (bijvoorbeeld bus en fiets of eigen vervoer en aangepast vervoer), staat het het college vrij om deze wijze van bekostiging te kiezen.
Artikel 3.3 Vergoeding eigen vervoer per auto
-
1. Ouders die leerlingen zelf per auto vervoeren of dit door hun sociale netwerk laten doen, kunnen een vergoeding ontvangen. De vergoeding bedraagt € 0,23 per kilometer voor schooljaar 2025-2026 en wordt voor ieder opvolgend schooljaar gelijkgesteld aan de maximale onbelaste kilometervergoeding voor eigen vervoer zoals vastgesteld door de Belastingdienst.
-
2. De vergoeding is op basis van de kortste route berekend conform artikel 1.3 van deze beleidsregels.
Artikel 3.4 Vergoeding eigen vervoer per fiets
-
1. Leerlingen die per fiets reizen, maken aanspraak op een fietsvergoeding. Bekostiging van een fietsvergoeding is mogelijk voor:
- a.
Leerlingen in het speciaal basisonderwijs die onder begeleiding of zelfstandig reizen;
- b.
Leerlingen in het voortgezet onderwijs die onder begeleiding reizen.
Ook de eventuele begeleider ontvangt een vergoeding. Deze vergoeding wordt gegeven voor maximaal 4 ritten per dag: 2 naar en van de leerling en 2 waarbij de leerling aanwezig is.
- a.
-
2. De vergoeding voor de leerling en/of de eventuele begeleider bedraagt € 0,11 per kilometer voor schooljaar 2025-2026 en wordt voor ieder opvolgend schooljaar gelijkgesteld aan 50% van de maximaal onbelaste kilometervergoeding voor eigen vervoer (zoals bedoeld in artikel 3.3, eerste lid), naar beneden afgerond.
-
3. Bij de toekenning van een voorziening voor fietsvergoeding worden de volgende fietsafstanden gehanteerd:
- a.
Voor kinderen zonder beperking tot en met 9 jaar is maximaal 6 kilometer passend;
- b.
Voor kinderen zonder beperking vanaf 10 jaar is maximaal 10 kilometer passend;
- c.
Voor kinderen met beperking is de beoordeling van de maximale fietsafstanden, ongeacht leeftijd, maatwerk.
De in dit lid genoemde afstanden hebben geen betrekking op de mate waarin een kind zelfstandig in staat is of moet zijn om deze afstanden af te leggen. Kinderen moeten zich te allen tijde veilig in het verkeer kunnen begeven, waar nodig onder toezicht van een volwassene.
- a.
-
4. Voor kinderen zonder beperking kunnen ouders een fietsvergoeding aanvragen voor een afstand langer dan de in het derde lid genoemde fietsafstanden. Van leerlingen in het voortgezet onderwijs wordt sowieso geacht dat zij een afstand van 15 kilometer kunnen fietsen, tenzij dit vanwege een beperking niet haalbaar is.
Artikel 3.5 Openbaar vervoer
-
1. Bekostiging van openbaar vervoer is mogelijk voor:
- a.
Leerlingen in het speciaal basisonderwijs die onder begeleiding of zelfstandig reizen;
- b.
Leerlingen in het voortgezet onderwijs die onder begeleiding reizen.
- a.
-
2. Bij een aanvraag voor bekostiging van openbaar vervoer toetst het college of de leerling in staat is om zelfstandig of onder begeleiding met het openbaar vervoer te reizen. Bij de beoordeling worden de eventuele beperking van de leerling alsook de veiligheid en de afstand van de route in de overweging meegenomen.
-
3. Als de leerling begeleiding krijgt van ouders of iemand uit hun netwerk en de begeleiding noodzakelijk wordt geacht door het college, bekostigt de gemeente ook de reizen van de begeleider.
-
4. De reistijd wordt vastgesteld op basis van de kortste reistijd van 9292 (te benaderen via http://www.9292.nl).
-
5. Voor de tarieven en de routemogelijkheden hanteert het college de goedkoopste tarieven van 9292 (te benaderen via http://www.9292.nl) (incl. eventuele kortingen) of de website van de vervoerder.
HOOFDSTUK 4: VOORWAARDEN VOOR AANGEPAST VERVOER
Artikel 4.1 Uitgangspunten aangepast vervoer
-
1. Aangepast vervoer is alleen beschikbaar als het college één van de volgende situaties heeft vastgesteld:
- a.
De ouders van de leerling en hun netwerk redelijkerwijs niet op eigen kracht het vervoer kunnen regelen dan wel dat dit tot ernstige benadeling van het gezin zal leiden; of
- b.
De andere vervoersvoorzieningen uit deze beleidsregels (al dan niet in combinatie met begeleiding) niet (voldoende) toepasselijk zijn om het vervoer te regelen.
- a.
-
2. Bij de inzet van aangepast vervoer is het uitgangspunt dat leerlingen gecombineerd met andere leerlingen worden vervoerd in een touringcar, taxibusje of personenauto, ook wel collectief vervoer genoemd.
Artikel 4.2 Kenmerken van aangepast vervoer
-
1. Het vervoer vindt plaats in aansluiting op het begin en het einde van de schooldag.
-
2. De leerling heeft recht op maximaal twee vervoersbewegingen per dag.
-
3. Extra ritten buiten het vaste patroon vinden alleen plaats in opdracht van het college.
Artikel 4.3 Toelatingseisen voor aangepast vervoer
-
1. Leerlingen komen in aanmerking voor aangepast vervoer als aan de voorwaarden zoals opgenomen in de verordening wordt voldaan. Daarbij hanteert het college de volgende nadere uitwerking:
- a.
In aanmerking komen leerlingen die met het openbaar vervoer meer dan 60 minuten enkele reis onderweg zijn en aangepast vervoer de reistijd met minstens 50% kan reduceren; of
- b.
In aanmerking komen leerlingen waarbij met de begeleiding van de leerling door ouders in totaal meer dan vier uur per dag gemoeid is en professionele begeleiding niet mogelijk is; of
- c.
In aanmerking komen leerlingen waarvoor openbaar vervoer tussen de woning en de school ontbreekt en die geen gebruik kan maken van eigen vervoer; of
- d.
In aanmerking komen leerlingen die, gelet op hun beperking, niet in staat zijn om gebruik te maken van openbaar vervoer, de fiets, of eigen vervoer, ook niet met begeleiding of ondersteuning vanuit (het netwerk van) ouders mits dit redelijkerwijs van hen verwacht kan worden.
- a.
-
2. Het college kan van de eisen uit lid 1 afwijken als:
- a.
Het een éénoudergezin betreft en de ouder een ander kind/andere kinderen uit het gezin tegelijkertijd naar een andere school moet brengen. Daarbij moet de ouder het aannemelijk maken dat:
- i.
Hij hierdoor niet in staat is de betreffende leerling naar school te begeleiden, door bijvoorbeeld het vervoer voor de andere kinderen te combineren of gebruik te maken van een buitenschoolse opvang (BSO);
- ii.
Een andere oplossing (bijvoorbeeld het inschakelen van buren of familie) niet mogelijk is.
- i.
- b.
Het een éénoudergezin betreft en de ouder niet langer zijn werk kan uitoefenen als hij zorg moet dragen voor de begeleiding naar school van de betreffende leerling. Hiervoor dient een werkgeversverklaring te worden overlegd waaruit per werkdag blijkt, dat het vanwege de werktijden niet mogelijk is om in de begeleiding te voorzien;
- c.
Het een éénoudergezin betreft en de ouder vanwege structurele medische of psychische belemmeringen de leerling niet kan begeleiden. Dit moet worden vastgesteld door een medisch of psychologisch deskundige niet zijnde de eigen huisarts;
- d.
Het geen éénoudergezin betreft en er bij beide ouders sprake is van structurele medische of psychische belemmeringen, waardoor zij de betreffende leerling niet naar school kunnen brengen. Dit moet worden vastgesteld door een medisch of psychologisch deskundige niet zijnde de eigen huisarts;
- e.
Er aantoonbaar meerdere kinderen in het gezin aanwezig zijn met een beperking, waardoor de ouder(s) niet in staat is/zijn om de betreffende leerling naar school te brengen;
- f.
De leerling in een zorginstelling woont;
- g.
De reisduur van de leerling meer dan twee uur per dag in beslag neemt.
- a.
-
3. Verder wordt de ouders gevraagd middels een verklaring aannemelijk te maken wat zij hebben ondernomen om de begeleiding van de betreffende leerling te organiseren en waarom dit niet lukt. Daarbij wordt ook gekeken naar begeleidingsmogelijkheden van mensen uit het sociale netwerk van de ouders.
Artikel 4.4 Afwijkende schooltijden
-
1. Het komt voor dat kinderen vanwege hun beperkingen (tijdelijk) niet in staat zijn de schooltijden aan te houden. Uitsluitend als de structurele beperking (van ten minste zes maanden) van de leerling noodzaakt tot het volgen van slechts een deel van het schoolprogramma, wijkt het college af van de schooltijden. Hiervoor is toestemming van de leerplichtambtenaar nodig en dient sprake te zijn van een individueel schoolplan en/of een onderwijs-zorgarrangement. Ouders leveren het schoolplan en/of onderwijs-zorgarrangement bij het college aan.
-
2. Het college vervoert zoveel als mogelijk de leerlingen met afwijkende schooltijden van één of meerdere scholen gezamenlijk.
-
3. Er wordt geen aangepast vervoer ingezet op afwijkende schooltijden in het geval van een opbouwrooster.
Artikel 4.5 Wachttijden voor leerlingen in het voortgezet (speciaal) onderwijs
-
1. Leerlingen in het voortgezet (speciaal) onderwijs kunnen te maken hebben met lesroosters die niet altijd aansluiten op het begin en het einde van de schooldag zoals opgenomen in de schoolgids van de school. Op grond van artikel 14 van de verordening kan het college met betrekking tot de inzet van aangepast vervoer besluiten een wachttijd voor leerlingen te hanteren.
-
2. De wachttijd bestaat uit één of meer lesuren, en kan maximaal bestaan uit de periode vanaf het begin van de betreffende schooldag tot het eerste lesuur van de leerling en/of uit de periode vanaf het laatste lesuur van de leerling tot het einde van de betreffende schooldag. Zo kunnen leerlingen op elkaar wachten en collectief vervoerd worden zoals bedoeld in artikel 4.1, tweede lid van deze beleidsregels.
-
3. Het college gaat alleen over tot het hanteren van een wachttijd als de tijd die leerlingen op school doorbrengen, zinvol kan worden doorgebracht. Bijvoorbeeld door huiswerk te maken of door deel te nemen aan door school georganiseerde activiteiten. Het college maakt daartoe afspraken met de betreffende school.
Artikel 4.6 Individueel aangepast vervoer
Door verschillende omstandigheden kan het voorkomen dat een leerling niet met collectief aangepast vervoer kan reizen. In deze situaties gelden de volgende regels:
- 1.
Leerlingen die door de aard van hun (medische) beperking niet met andere leerlingen kunnen worden vervoerd, kunnen in aanmerking komen voor individueel aangepast vervoer als:
- a.
Kleinschalig gecombineerd vervoer geen uitkomst biedt;
- b.
Wanneer begeleiding in het aangepast vervoer ook geen oplossing biedt; en
- c.
Andere constructies, zoals de leerling als laatste ophalen en als eerste thuisbrengen (LIFO), geen uitkomst bieden.
- a.
-
In een aantal situaties bieden bovenstaande opties voor de leerlingen in het gecombineerde vervoer voldoende om te voorkomen dat individueel vervoer wordt ingezet. Dit moet altijd onderzocht worden, voordat individueel vervoer wordt ingezet. Dit moet worden onderbouwd met een medische rapportage. Als er twijfel bestaat over de (medische) noodzaak kan het college een onafhankelijk onderzoek aanvragen, bijvoorbeeld bij een medisch specialist.
- 2.
Individueel aangepast vervoer is niet mogelijk voor incidentele latere aanvangstijden of een vroegtijdige beëindiging van de lessen. Dit valt onder de verantwoordelijkheid van de ouders.
- 3.
Individueel aangepast vervoer is wél mogelijk als de leerling door diens beperking structureel slechts een deel van het schoolprogramma kan volgen. Dit betekent echter niet dat de leerling automatisch aanspraak kan maken op individueel aangepast vervoer; groepsvervoer op afwijkende tijden behoort bijvoorbeeld ook tot de mogelijkheden (conform artikel 4.4, derde lid, van deze beleidsregels). De noodzaak voor individueel aangepast vervoer dient dan ook onderbouwd te zijn door de school en wordt periodiek geëvalueerd.
Artikel 4.7 Klachtenprocedure
-
1. Bij een klacht die het gevolg is van verwijtbaar gedrag, wordt onderstaande klachtenprocedure doorlopen. Onder verwijtbaar gedrag wordt verstaan: gedrag van de leerling of diens ouder(s) dat in strijd is met de geldende regels, afspraken of redelijke verwachtingen en dat leidt tot problemen of onveiligheid in het leerlingenvervoer.
- a.
De klacht wordt gemeld bij de door de gemeente aangewezen vervoerscoördinator;
- b.
De vervoerscoördinator start een onderzoek naar de klacht en betrekt waar nodig de vervoerder, de chauffeur, de ouder(s), de school en de consulent van de gemeente. Als blijkt dat er sprake is van verwijtbaar gedrag van de leerling of diens ouders, stelt de vervoerscoördinator een afsprakenbrief op;
- c.
Bij een volgende klacht start de vervoerscoördinator een tweede onderzoek. Als blijkt dat er sprake is van verwijtbaar gedrag van de leerling of diens ouders, volgt een gesprek tussen de vervoerscoördinator, de consulent van de gemeente, de ouder(s) en indien van nodig de vervoerder en/of de school. Als de ouders hier niet aan meewerken of als er andere gegronde redenen zijn om de leerling tijdelijk van vervoer uit te sluiten, kan een schorsing per direct volgen voor maximaal één volle schoolweek. De vervoerscoördinator stelt tevens een eerste waarschuwingsbrief op;
- d.
Bij een volgende klacht start de vervoerscoördinator een derde onderzoek. Als blijkt dat er sprake is van verwijtbaar gedrag van de leerling of diens ouders, volgt er opnieuw een gesprek tussen de vervoerscoördinator, de consulent van de gemeente, de ouder(s) en indien van nodig de vervoerder en/of de school. Verder volgt er per direct een schorsing voor één volle schoolweek. De vervoerscoördinator stelt tevens een tweede waarschuwingsbrief op;
- e.
Bij een volgende klacht start de vervoerscoördinator een vierde onderzoek. Als blijkt dat er sprake is van verwijtbaar gedrag van de leerling of diens ouders, volgt een laatste brief met totale uitsluiting van het vervoer. Deze periode duurt tot het eind van het schooljaar, met een minimum van 3 maanden exclusief schoolvakanties;
- f.
Als ouders na de schorsing zoals bedoeld in lid 1 onder e, opnieuw gebruik willen maken van het leerlingenvervoer, dan moet een nieuwe aanvraag in worden gediend.
- a.
-
2. Als er een klacht is over de uitvoering van het vervoer, wordt onderstaande klachtenprocedure doorlopen:
- a.
De klacht wordt gemeld bij de door de gemeente aangewezen vervoerscoördinator;
- b.
De vervoerscoördinator start een onderzoek naar de klacht en betrekt waar nodig de vervoerder, de chauffeur, de ouders, de school en de consulent van de gemeente. De vervoerscoördinator doorloopt voor de verdere afhandeling van de klacht de eigen daarvoor opgestelde klachtenprocedure;
- c.
Afhankelijk van de aard van de klacht en de uitkomsten van het onderzoek, kan het college een andere vervoersvoorziening (zoals een eigen vervoersvergoeding) aanbieden mits aan de daarbij geldende voorwaarden wordt voldaan en het aannemelijk is dat de overstap naar een andere vervoersvoorziening voor verbetering van de situatie zal zorgen. Het college geeft hiertoe een herziene beschikking af.
- d.
Bij een volgende klacht wordt deze procedure opnieuw doorlopen, beginnend bij sub a van dit lid.
- a.
-
3. In afwijking van bovenstaande leden van dit artikel, kan het college bij (zeer) ernstige misdragingen van leerling of ouder, zowel in als rondom het vervoer, overgaan tot directe schorsing van het vervoer. Daarbij geldt:
- a.
In aansluiting op artikel 3, vierde lid van de verordening wordt onder (zeer) ernstige misdraging in ieder geval onacceptabel gedrag zoals vernieling, mishandeling, pestgedrag, grensoverschrijdend gedrag en grove belediging of bedreiging verstaan;
- b.
De duur van de schorsing is afhankelijk van de ernst van de misdraging, maar is maximaal 8 weken;
- c.
De schorsing ontslaat ouders niet van de verantwoordelijkheid van het schoolbezoek van de leerling;
- d.
Tijdens de schorsing vindt overleg tussen ouders en de consulent van de gemeente plaats om te komen tot een structurele oplossing;
- e.
Als het gedrag na de schorsing niet verbetert en (zeer) ernstige misdragingen zich blijven voordoen, kan het college overgaan tot schorsing van het vervoer voor de rest van het schooljaar. Leerlingenvervoer is dan alleen nog mogelijk in de vorm van een vergoeding voor eigen of openbaar vervoer.
- a.
HOOFDSTUK 5: ANDERE PASSENDE VOORZIENING
Artikel 5.1 Bekostiging andere passende vervoersvoorziening
-
1. Het college kan, op basis van artikel 11 in de verordening, ouders in het aanvraagproces een aanbieding doen voor een elektrische fiets of een andere voorziening voor zelfstandig reizen.
-
2. Als het college een aanbieding doet voor een elektrische fiets, gelden de volgende uitgangspunten:
- a.
De vergoeding wordt uitsluitend verstrekt voor het leasen van een elektrische fiets, voor een periode van maximaal 36 aaneengesloten kalendermaanden;
- b.
De door de gemeente vergoede kosten bedragen maximaal € 100 per kalendermaand en dus nooit meer dan € 3.600 voor de gehele periode van 36 aaneengesloten kalendermaanden;
- c.
De vergoeding wordt alleen verstrekt nadat ouders een met een leasemaatschappij afgesloten overeenkomst overleggen. De vergoeding wordt jaarlijks uitgekeerd door het college;
- d.
Ouders zijn verantwoordelijk voor het nakomen van de verplichtingen die voortkomen uit de overeenkomst zoals bedoeld in sub c van dit lid, alsook eventuele kosten die voortkomen uit het niet naleven van deze verplichtingen;
- e.
Ouders zijn tevens verantwoordelijk voor de kosten voor verzekering, vervanging en eventueel ouderhoud aan op de fiets geplaatste accessoires, aanpassingen, enzovoorts;
- f.
Bij voortijdige beëindiging van de overeenkomst zoals bedoeld in sub c van dit lid, betalen ouders de teveel ontvangen vergoeding terug aan het college;
- g.
Het college kan ouders een eenmalige compensatie van maximaal € 500 toekennen als ouders na afloop van de looptijd van de overeenkomst zoals bedoeld in sub c de elektrische fiets overnemen van de leasemaatschappij. Ouders moeten daartoe het betalingsbewijs overleggen. Ouders zijn na overname verantwoordelijk voor onderhoud, reparatie, vervanging bij diefstal, verzekering en eventueel andere bijkomende kosten die samenhangen met het gebruik van de elektrische fiets.
- a.
-
3. Als het college een alternatieve vervoersvoorziening toekent, maken de ouders gedurende de looptijd van de alternatieve voorziening geen aanspraak op een andere vervoersvoorziening voor de betreffende leerling, tenzij er wijzigingen zijn in de (medische) situatie die aanleiding geven om de vervoersvraag opnieuw te onderzoeken.
-
4. Als ouders voor één of meer leerlingen een alternatieve vervoersvoorziening toegewezen hebben gekregen, wordt een alternatieve vervoersvoorziening voor elke volgende leerling uit het gezin alleen toegekend als kan worden aangetoond dat de reeds toegekende voorziening(en) niet kunnen worden ingezet voor het vervoer van de betreffende leerling.
HOOFDSTUK 6: DREMPELBEDRAG EN EIGEN BIJDRAGE
Artikel 6.1 Peiljaar eigen bijdrage
-
a. Het peiljaar wordt bepaald conform artikel 1 van de verordening, onder inkomen.
-
b. Het peiljaar kan op grond van artikel 15, derde lid, en artikel 26, vijfde lid, van de verordening worden verlegd als het inkomen van de ouders in de periode tussen het peiljaar en het jaar van de aanvraag structureel daalde met ten minste 15% procent.
-
c. Verlegging van het peiljaar is enkel mogelijk op het moment van aanvraag.
Artikel 6.2 Eigen bijdrage
-
1. Er zijn twee vormen van eigen bijdrage in het leerlingenvervoer:
- a.
Een drempelbedrag per leerling zoals bedoeld in artikel 25 van de verordening. Deze is niet van toepassing op leerlingen met een beperking .Daarnaast is, om het vervoer per fiets te stimuleren, het drempelbedrag niet van toepassing als het college de aanvrager leerlingenvervoering in de vorm van een (elektrische) fietsvergoeding heeft toegekend. Dit heeft betrekking op zowel de kilometervergoeding met de fiets zoals bedoeld in artikel 3.4 van deze beleidsregels (niet in combinatie met eigen of aangepast vervoer), alsook op de vergoeding voor de elektrische fiets zoals bedoeld in artikel 5.1 van deze beleidsregels;
- b.
Een draagkrachtafhankelijke bijdrage, zoals bedoeld in artikel 26 van de verordening. Deze is niet van toepassing op leerlingen met een beperking.
- a.
-
2. Het college bepaalt voor zowel het drempelbedrag als de daadkrachtafhankelijke bijdrage de afstand tussen de wonen en de school conform artikel 1.3 van deze beleidsregels.
-
3. Het drempelbedrag en de draagkrachtafhankelijke bijdrage kunnen naast elkaar worden geheven.
-
4. Het drempelbedrag en de draagkrachtafhankelijke bijdrage kunnen in termijnen worden betaald.
-
5. Als bij de aanvraag de gevraagde inkomensgegevens ontbreken, of om een andere reden niet (volledig) kunnen worden beoordeeld, wordt de aanvrager in de gelegenheid gesteld om binnen deze gegevens binnen 28 kalenderdagen alsnog aan te leveren. Bij uitblijven na deze termijn gaat het college er van uit dat het inkomen van de aanvrager van dien aard is dat het drempelbedrag door het college kan worden geheven. De eigen bijdrage zal dan worden verrekend of worden gefactureerd.
HOOFDSTUK 7: TERUGVORDERING
Artikel 7.1 Uitgangspunt terugvorderingen
-
1. Conform artikel 28 van de verordening kan het college in bepaalde gevallen overgaan tot terugvordering.
-
2. Het college kan afzien van terugvordering als:
- a.
Er sprake is van (dringende) redenen om van terugvordering af te zien bij niet verwijtbaar gedrag;
- b.
Het terug te vorderen bedrag minder dan € 50 per schooljaar bedraagt.
- a.
HOOFDSTUK 8: SLOTBEPALINGEN
Artikel 8.1 Inwerkingtreding, inwerkingtreding en citeertitel
-
1. Deze beleidsregels treden in werking op de dag na bekendmaking.
-
2. De beleidsregels leerlingenvervoer gemeente Leidschendam-Voorburg 2015 worden ingetrokken.
-
3. Deze beleidsregels worden aangehaald als: Beleidsregels leerlingenvervoer Leidschendam-Voorburg 2026.
Ondertekening
Aldus vastgesteld op 17 maart 2026,
Burgemeester en wethouders van Leidschendam-Voorburg,
mr. drs. R.J. den Haan
secretaris
M.W. Vroom
burgemeester
Ziet u een fout in deze regeling?
Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl.
Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl