Verordening rechtspositie raads- en commissieleden gemeente Moerdijk

Geldend van 01-04-2026 t/m heden

Intitulé

Verordening rechtspositie raads- en commissieleden gemeente Moerdijk

De raad van de gemeente Moerdijk, in zijn vergadering van 12 maart 2026,

overwegende dat,

de verordening rechtspositie raads- en commissieleden dient te worden herzien;

gelezen het voorstel van het presidium van 19 januari 2026;

gelet op de artikelen 95, eerste en tweede lid, 96, eerste en tweede lid, 98 en 99 van de Gemeentewet en de artikelen 3.1.1, vijfde lid, 3.1.3, eerste lid, 3.1.4, eerste lid, artikel 3.1.4a, eerste lid, 3.1.8, eerste lid, 3.1.9, eerste lid, 3.3.2, 3.3.3, tweede lid, 3.4.1, eerste lid, en 3.4.2 en 3.3.8 van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers;

BESLUIT

vast te stellen de:

VERORDENING RECHTSPOSITIE RAADS- EN COMMISSIELEDEN GEMEENTE MOERDIJK

Artikel 1 Definitiebepalingen

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • a.

    Commissielid: lid van een commissie als bedoeld in de artikelen 82, 83 en 84 van de Gemeentewet, dat niet tevens raadslid is of ambtenaar die als zodanig tot lid van een commissie is benoemd;

  • b.

    Griffier: de griffier, bedoeld in artikel 107 van de Gemeentewet;

  • c.

    Raadslid: lid van de gemeenteraad;

Artikel 2 Vergoeding voor de werkzaamheden van raadsleden

De vergoeding voor de werkzaamheden bedoeld in artikel 3.1.1, eerste lid, van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers, wordt niet op basis van presentie uitgekeerd.

Artikel 3 Toelage raadslid onderzoekscommissie en bijzondere commissie

  • 1. Een raadslid dat lid is van de Onderzoekscommissie als bedoeld in artikel 155a, derde lid, van de Gemeentewet ontvangt een maandelijkse toelage van het maximale bedrag zoals opgenomen in lid 1 van artikel 3.1.4 van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers zolang de commissie actief is. De toelage is per jaar maximaal driemaal de maandelijkse vergoeding voor de werkzaamheden, bedoeld in artikel 3.1.1, eerste lid, Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers.

  • 2. Een raadslid dat lid is van de Auditcommissie en/of van de Werkgeverscommissie is lid van een bijzondere commissie als bedoeld in artikel 3.1.4, eerste lid, van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers.

  • 3. Een raadslid dat lid is van een bijzondere commissie als bedoeld in lid 2 ontvangt een maandelijkse toelage van 30 procent van het bedrag genoemd in artikel 3.1.4, eerste lid zolang de commissie actief is.

Artikel 4 Niet-partijpolitiek georiënteerde scholing raads- en commissieleden

  • 1. Een raads- of commissielid dat een vergoeding wil ontvangen in verband met het deelnemen aan niet-partijpolitiek georiënteerde scholing voor de uitvoering van zijn functie, zoals bedoeld in artikel 3.3.3 Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers, dient daartoe vooraf een gemotiveerd verzoek in bij het college via de griffier.

  • 2. Bij dit verzoek worden documenten (papier of digitaal) met de benodigde inhoudelijke informatie meegestuurd. Ook wordt een kostenspecificatie meegestuurd waaruit blijkt dat de prijs-kwaliteitverhouding van de desbetreffende scholing redelijk is, en dat de kosten ervan niet al op een andere basis kunnen worden betaald.

  • 3. Het college beslist over de aanvraag op basis van de overlegde stukken.

Artikel 5 Informatie- en communicatievoorzieningen raads- en commissieleden

  • 1. Een raads- of commissielid tekent een bruikleenovereenkomst wanneer hem ten laste van de gemeente voor de duur van de uitoefening van zijn functie informatie- en communicatievoorzieningen ter beschikking worden gesteld zoals bedoeld in artikel 3.3.2 Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers. Het college stelt het model van de bruikleenovereenkomst vast.

  • 2. Een raads- of commissielid levert uiterlijk twee weken na beëindiging van zijn functie de ter beschikking gestelde informatie- en communicatievoorzieningen in bij de gemeente.

  • 3. Overname van de informatie- en communicatievoorzieningen is mogelijk na schoning en tegen vergoeding van de resterende waarde van de voorzieningen in het economisch verkeer indien het college besluit dat hergebruik niet aan de orde is.

Artikel 6 Aanwijzing als eindheffingsbestanddeel

  • 1. Als eindheffingsbestanddeel als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 worden aangewezen de vergoedingen, tegemoetkomingen en verstrekkingen, genoemd in artikel 3.3.8 van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers.

  • 2. Als eindheffingsbestanddeel als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 worden verder aangewezen de vergoedingen, tegemoetkomingen en verstrekkingen, genoemd in deze verordening, voor zover deze worden gerekend tot een vergoeding, tegemoetkoming of verstrekking als bedoeld in artikel 31a, tweede lid, onderdelen a tot en met h, van de Wet op de Loonbelasting 1964.

Artikel 7 Betaling vaste vergoedingen

De betaling van de vergoeding van commissieleden, bedoeld in artikel 3.4.1 van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers vindt per kwartaal plaats met inachtneming van een vergoeding per bijgewoonde vergadering, tenzij het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers of de Regeling rechtspositie decentrale politieke ambtsdragers anders bepalen. Als het betalen van de vergoedingen per kwartaal in een bijzonder geval onwenselijke gevolgen heeft, mag het college hiervan afwijken. Het besluit wordt gemotiveerd en schriftelijk vastgelegd.

Artikel 8 Betaling en declaratie van onkosten

  • 1. Tenzij het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers of de Regeling rechtspositie decentrale politieke ambtsdragers anders bepalen, vindt de betaling van kosten die op grond van deze verordening voor vergoeding of tegemoetkoming in aanmerking komen plaats door:

    • a.

      Betaling uit gemeentelijke middelen, op basis van een rechtstreeks aan de gemeente toegezonden factuur,

    • b.

      Betaling vooruit uit eigen middelen.

  • 2. Een aanvraag om een vergoeding van de onkosten als bedoeld in dit artikel gaat vergezeld van bewijsstukken. Het vereiste om bewijsstukken te overleggen geldt niet wanneer de vergoeding een forfaitair bedrag betreft.

  • 3. Declaraties voorzien van bewijsstukken worden binnen drie maanden na factuurdatum of betaling door raadsleden opgevoerd in het gemeentelijk personeels- en salarissysteem en door commissieleden met gebruikmaking van een declaratieformulier ingediend bij de griffier.

  • 4. Voor zover van toepassing draagt de gemeente er zorg voor dat de betaling aan raads- of commissieleden binnen twee maanden na het indienen van de aanvraag wordt overgemaakt.

Artikel 9 Slotbepalingen

  • 1. Deze verordening treedt in werking op 1 april 2026.

  • 2. De Verordening rechtspositie raads- en commissieleden gemeente Moerdijk 2019, vastgesteld op 6 juni 2019, wordt ingetrokken met ingang van de inwerkingtreding van deze verordening.

  • 3. De verordening wordt aangehaald als: Verordening rechtspositie raads- en commissieleden gemeente Moerdijk.

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de vergadering van de raad van de gemeente Moerdijk van 12 maart 2026

De griffier

H.M. Vonk-Schenkel

De voorzitter

A.J. Moerkerke

Toelichting Verordening rechtspositie raads- en commissieleden gemeente Moerdijk

ALGEMEEN DEEL

Wettelijke regelingen

In de wet en nadere regelgeving zijn alle belangrijke onderwerpen over de rechtspositie van gemeentelijke politieke ambtsdragers opgeschreven. In de Gemeentewet staat dat de precieze afspraken over de rechten en plichten en de financiële afspraken van raads- en commissieleden moet worden geregeld bij of krachtens de wet (AMvB en ministeriële regeling). Die precieze uitwerking staat in het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers. In de Rechtspositieregeling decentrale politieke ambtsdragers zijn de regels over (onkosten)vergoedingen verder uitgewerkt.

Hoofdlijnen gemeentelijke verordening

Het ontwerp van de verordening is gebaseerd op de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) gepubliceerde Model Verordening rechtspositie raads- en commissieleden.

In deze verordening staan alleen regels over de rechtspositie van raadsleden en leden van gemeentelijke commissies in het geval zij niet al hiertoe worden verplicht door hogere wet- en regelgeving. De volgt uit de Gemeentewet, het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers en de Rechtspositieregeling decentrale politieke ambtsdragers. Bij de laatste moderniserings- en harmoniseringsoperatie (Staatsblad 15 oktober 2018), over de rechtspositiebesluiten voor decentrale politieke ambtsdragers zijn er opnieuw een aantal bepalingen imperatief in hogere wet- en regelgeving vastgelegd. De reden hiervan is het voorkomen van politieke discussies over voorzieningen zoals vergoedingen, tegemoetkomingen en andere rechtspositionele aanspraken voor decentrale politieke ambtsdragers. Dit betekent dat er voor gemeenten minder ruimte is om door middel van een verordening af te wijken. Het ministerie van BZK publiceert jaarlijks circulaires waarin artikelen uit het Rechtspositiebesluit en de onderliggende Regeling wijzigen. Deze wijzigingen kunnen van invloed zijn op de gemeentelijke verordening.

Indien een gemeente besluit om bij verordening voorzieningen voor politieke ambtsdragers te regelen, zijn een aantal regels van belang.

In artikel 99 Gemeentewet is bepaald dat ’buiten hetgeen hun bij of krachtens de wet is toegekend’, de leden van de raad en/of door de raad ingestelde commissie (in de zin van artikel 82, 83 of 84 Gemeentewet) als zodanig geen andere vergoedingen en tegemoetkomingen ten laste van de gemeente ontvangen. Deze verordening vormt een (verdere) uitwerking van de bij of krachtens de wet toegekende vergoedingen en tegemoetkomingen.

De arbeidsverhoudingen en fiscale positie

Raadsleden en commissieleden zijn niet in dienst van de gemeente. De gemeente is dus niet de werkgever. Dat betekent bijvoorbeeld dat zij voor zover het betreft het raadslidmaatschap niet vallen onder de werknemersverzekeringen zoals de Werkloosheidswet (WW), Ziektewet (ZW) en de Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (WIA). Omdat er geen sprake is van een dienstbetrekking vallen raads- en commissieleden niet onder de Wet op de loonbelasting 1964, maar worden hun inkomsten belast in de Wet inkomstenbelasting 2001. Wel kunnen raads- en commissieleden kiezen voor de loonbelasting als voorheffing door samen met de gemeente te kiezen voor het fictief werknemerschap, het zogenaamde opting-in. Het fictief werknemerschap kan worden aangevraagd met behulp van een opting-in verklaring bij de Belastingdienst.

Als de raads- en commissieleden en gemeente niet kiezen voor het fictief werknemerschap, dan moeten de onkostenvergoedingen en raadsvergoeding als inkomsten worden gezien en mogen de (beroeps)kosten die worden gemaakt worden afgetrokken. Het resultaat zal het raads- of commissielid moeten opgeven in de aangifte inkomstenbelasting, onder de post inkomsten uit overige werkzaamheden. De gemeente dient jaarlijks alle betalingen en verstrekkingen voor de raads- en commissieleden die niet als fictief werknemerschap te kwalificeren zijn op grond van deze verordening aan de Belastingdienst door te geven middels een formulier IB-47. Omdat raads- en commissieleden op persoonlijke titel worden gekozen, worden zij niet gezien als (fiscaal) ondernemer. Er hoeft dan ook geen VAR-verklaring of Modelovereenkomst ZZP overlegd te worden aan de gemeente.

De Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (Appa) is niet van toepassing op raads- en commissieleden.

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Artikel 2 Vergoeding voor de werkzaamheden van raadsleden

Raadsleden krijgen een vaste vergoeding. Hoeveel dat is, hangt af van het aantal inwoners van de gemeente (de inwonersklasse). Vanaf de dag van beëdiging hebben de raadsleden recht op de vergoedingen die bij hun functie horen. Wat betreft de vergoeding voor de werkzaamheden is dit geregeld in artikel 3.1.1, eerste lid van het Rechtspositiebesluit. De gemeenteraad kan op basis van het zesde lid van artikel 3.1.1 bij verordening bepalen dat een deel van de vergoeding wordt uitbetaald als presentiegeld. Dit kan maximaal 20% van de vergoeding zijn. In deze verordening is ervoor gekozen van deze optie geen gebruik te maken. Indien hier wel gebruik van wordt gemaakt, mag er geen onderscheid worden gemaakt tussen de raadsleden: de presentievergoeding geldt voor alle raadsleden.

Het raadslid kan de vergoeding niet weigeren en de gemeente is verplicht de raadsvergoeding aan het raadslid over te maken op het bankrekeningnummer van het raadslid. Het raadslid mag zelf ervoor kiezen om (een deel) van de raadsvergoeding aan de eigen politieke partij af te dragen, maar dit is niet verplicht. Het is ook niet toegestaan om af te spreken dat de vergoeding direct naar de partij gaat (bijvoorbeeld met een akte van cessie). De reden hiervoor is dat het raadslid een onafhankelijke positie heeft en niet financieel afhankelijk mag zijn van de politieke groepering.

Artikel 3 Toelage raadslid onderzoekscommissie en bijzondere commissie

Dit artikel gaat over de toelagen (extra vergoedingen) voor de raadsleden die lid zijn van zogenaamde ‘zware commissies’. Dit geldt voor de vertrouwenscommissie en de onderzoekscommissie, zoals deze in de Gemeentewet zijn genoemd. Let op: de rekenkamerfunctie kan op basis van de Gemeentewet niet meer worden gecombineerd met het raadslidmaatschap. Zo'n bijzondere commissie, met deze financiële gevolgen, moet bij verordening worden vastgesteld. Daarbij moet worden aangegeven dat het lidmaatschap van deze commissies duidelijk extra werk (meerwerk) is naast het gewone lidmaatschap van de gemeenteraad. De hoogte van de toelage voor het werk in de eerdergenoemde zware commissies is anders voor de vertrouwenscommissie dan voor de onderzoekscommissie.

Voor de toelage van een lid van de vertrouwenscommissie geldt een vast bedrag per maand. Dit bedrag is belast en staat in artikel 3.1.2. van het Rechtspositiebesluit. Voor de toelage van een lid van een bijzondere commissie geldt het bedrag genoemd in artikel 3.1.4, eerste lid, per maand voor de periode dat de commissie actief is. Het bedrag wordt berekend in verhouding tot die periode. Zolang een commissie «slapend» is, althans niet actief, ontvangen de leden geen toelage. Het gaat dus niet om hoe lang iemand lid is, maar om hoe lang de commissie echt aan het werk is.

Het lidmaatschap van de auditcommissie en de werkgeverscommissie is duidelijk meerwerk naast het reguliere lidmaatschap van de gemeenteraad en daarom zijn ook deze in lid 2 aangewezen als bijzondere commissies. Voor de hoogte van deze vergoeding is aansluiting gezocht bij de vergoeding voor burgerleden van de auditcommissie op basis van vijf vergaderingen per jaar in relatie tot de maximumvergoeding zoals opgenomen in artikel 3.1.4 van het Rechtspositiebesluit.

Artikel 4 Niet-partijpolitiek georiënteerde scholing raads- en commissieleden

Voor raads- en commissieleden is duidelijk bepaald dat de kosten voor scholing die niet partijpolitiek is, zoals deelname aan congressen en opleidingen, door de gemeente kunnen worden betaald. Scholing die wel partijpolitiek is, wordt niet door de gemeente vergoed. Of scholing partijpolitiek is, hangt af van de inhoud van die scholing. Dat betekent dat wanneer scholing verzorgd wordt door een politieke partij dit dus niet automatisch partijpolitieke scholing is.

Om scholingskosten vergoed te krijgen, moet duidelijk worden uitgelegd dat het gaat om scholing die nodig is voor het werk. Scholing is nodig voor het werk als het bedoeld is om vakkennis en vaardigheden te leren of bij te houden die je voor je functie nodig hebt. Scholing is partijpolitiek georiënteerd als het helemaal of voor een deel tot doel heeft diegene op te leiden in het gedachtegoed van de die partij. Overigens kan de gemeente ook zelf dit soort scholing (laten) verzorgen. De kosten daarvan worden ook door de gemeente betaald.

Uit paragraaf 3.1 van de circulaire Wijzigingen in het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers voor gemeenten blijkt dat het college verantwoordelijk is voor de uitvoering aan de hand van de centrale kaders uit het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers en de Rechtspositieregeling decentrale politieke ambtsdragers. Er kan ook mandaat worden verleend aan een commissie van de gemeenteraad om te toetsen of scholingsverzoeken binnen het kader vallen. Die commissie moet dan wel een artikel 83 commissie zijn in de zin van de Gemeentewet, hetgeen niet geldt voor het presidium. Het College en de Raad zijn niet bevoegd om uitzonderingen of beperkingen op te leggen aan individuele verzoeken op de centraal gestelde kaders. Als de aanvraag binnen de kaders valt, wordt het uitgevoerd.

Het Rechtspositiebesluit is op twee onderdelen aangevuld. Ten eerste moeten de prijs en kwaliteit van de scholing in verhouding tot elkaar staan. Zo blijven de kosten redelijk. Daarnaast mogen de kosten niet al op een andere manier worden vergoed. Verder is in artikel 3.3.3 Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers, derde lid een koppeling gemaakt met artikel 3.1.7 en 3.2.9. De gemeente betaalt, als daar een goede reden voor is, de reis- en verblijfskosten die nodig zijn voor de scholing.

Artikel 5 Informatie- en communicatievoorzieningen

Het college van burgemeester en wethouders stelt ten laste van de gemeente aan een raadslid, wethouder of de burgemeester voor de duur van de uitoefening van zijn functie de noodzakelijke informatie- en communicatievoorzieningen ter beschikking.

Ook commissieleden kunnen aanspraak maken op ICT-middelen op grond van art. 3.4.4 Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers. Er mag slechts één computer verstrekt worden. Een computer is een desktop, laptop, tablet- of minicomputer. Een smartphone is niet te kwalificeren als computer. De kosten van een internetabonnement vallen niet onder de ter beschikkingstelling.

De gemeente verstrekt informatie- en communicatievoorzieningen in bruikleen aan de politieke ambtsdrager, omdat dit noodzakelijk gereedschap is voor het vervullen van de politieke functie. Het fiscale noodzakelijkheidscriterium vereist dat dit digitale gereedschap bij aftreden of ontslag weer door de ambtsdrager wordt ingeleverd bij de gemeente. Hiervoor wordt een termijn van twee weken afgesproken in de verordening. De gemeente draagt zorg voor het schonen van dit ICT-middel en het al dan niet beschikbaar stellen voor hergebruik. Als hergebruik niet aan de orde is, kan de gemeente ambtsdragers de mogelijkheid bieden het ICT-middel over te nemen. Dit overnemen is dus geen recht van de ambtsdrager, maar het gevolg van een keuze van de gemeente. In dit geval is er bereidheid het ICT-middel af te stoten. Een circulaire vereist in dat geval dat de gemeente ervoor zorgt dat het ICT-middel door of namens de gemeente is geschoond met speciale software (conform Baseline Informatiebeveiliging Overheid (BIO)).1 Verder dient de politieke ambtsdrager voor het overnemen van het ICT-middel op grond van de circulaire een vergoeding te betalen. Deze vergoeding dient gelijk te zijn aan de resterende waarde van het ICT-middel in het economisch verkeer.

Artikel 6 Aanwijzing als eindheffingsbestanddeel

In het kader van de werkkostenregeling op grond van artikel 31 Wet op de Loonbelasting 1964 zijn een aantal vergoedingen in het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers en de verordening aangewezen als eindheffingsbestanddeel. De gemeente draagt in dat geval de loonbelasting, waardoor de vergoeding belastingvrij (netto) aan de politieke ambtsdrager kan worden overgemaakt. Anders worden deze door de Belastingdienst als loon gezien en moet hierover bij de politieke ambtsdragers loonbelasting worden ingehouden. In het kader van de werkkostenregeling kan in de financiële administratie worden aangegeven of een verstrekking of vergoeding onder de gerichte vrijstellingen, intermediaire kosten of onder de nihil-waarderingen valt.

Gemeenten mogen daarnaast een verstrekking of vergoeding in de vrije ruimte - tot 1,2% fiscale loonsom - onderbrengen zonder fiscale consequenties. Indien de grens van 1,2% wordt overschreden, zal de gemeente 80% eindheffing moeten betalen.

Artikel 7 Betaling vaste vergoedingen & artikel 8 Betaling en declaratie van onkosten

Het Rechtspositiebesluit en de Rechtspositieregeling decentrale politieke ambtsdragers regelen wanneer de vergoedingen en onkosten betaald worden aan raads- en commissieleden. Daar waar geen expliciete termijn is genoemd, kunnen deze artikelen uitkomst bieden. De betaling van onkosten kan worden voorgeschoten uit eigen middelen, later gedeclareerd worden of de factuur wordt rechtstreeks naar de gemeente verstuurd. Hierbij gaat de voorkeur uit naar rechtstreekse facturering bij de gemeente. Het college heeft een declaratieformulier vastgesteld waarmee commissieleden gemaakte onkosten kunnen declareren bij de griffier. Raadsleden declareren in beginsel hun onkosten rechtstreeks in het gemeentelijk personeels- en salarissysteem (nu Youforce). Het vereiste om bewijsstukken te overleggen, geldt niet wanneer de vergoeding een forfaitair bedrag betreft.