Beleidsregels voor giften, schadevergoedingen, zoektermijn jongeren, vereenvoudiging aanvraagprocedure en bijstand met terugwerkende kracht 2026.

Geldend van 28-03-2026 t/m heden met terugwerkende kracht vanaf 01-01-2026

Intitulé

Beleidsregels voor giften, schadevergoedingen, zoektermijn jongeren, vereenvoudiging aanvraagprocedure en bijstand met terugwerkende kracht 2026.

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Enschede;

  • gelet op artikel 4:81 eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht;

  • de artikelen 31 tweede lid, onderdeel m en s, 41 elfde lid, 43a eerste lid en 44 vijfde lid van de Participatiewet;

  • de artikelen 15a eerste lid en 16a vierde lid van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers;

  • de artikelen 15a eerste lid en 16a derde lid van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen.

  • besluit vast te stellen de volgende beleidsregels:

Beleidsregels voor giften en schadevergoedingen, zoektermijn jongeren, vereenvoudiging aanvraagprocedure en bijstand met terugwerkende kracht 2026.

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1. Definities

In deze beleidsregels wordt verstaan onder:

  • a.

    college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Enschede;

  • b.

    Ioaw: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers;

  • c.

    Ioaz: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;

  • d.

    jongere: de belanghebbende of het gezin, bedoeld in artikel 41 vierde lid van de Wet;

  • e.

    belanghebbende: degene wiens belang rechtstreeks betrokken is bij een besluit;

  • f.

    problematische schulden: schulden die naar het oordeel van het college in redelijkheid niet meer afgelost kunnen worden. Denk hierbij aan een huisuitzetting, afsluiting van nutsvoorzieningen of een royement van de zorgverzekering;

  • g.

    schuldregeling: een schuldregeling op grond van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening of de Wet schuldsanering natuurlijke personen;

  • h.

    gift: een betaling uit vrijgevigheid door een natuurlijke persoon of door een instelling waarvoor niets wordt terug verlangd. Een gift kan eenmalig of periodiek worden verstrekt en in verschillende vormen gegeven zoals:

    • -

      in de vorm van geld waarover belanghebbende zelf kan beschikken

    • -

      in natura (goederen of andere vorm, maar geen geld)

    • -

      kostenbesparende bijdrage: een gift in natura die bestemd is voor kosten waarin de bijstand voorziet

      de herkomst van de gift moet herleidbaar zijn;

  • i.

    de wet: de Participatiewet;

  • j.

    Wmo 2015: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

  • k.

    zoektermijn: de termijn van vier weken nadat een jongere tot 27 jaar zich heeft gemeld om algemene bijstand aan te vragen. Pas na die termijn kan en aanvraag worden ingediend en door het college in behandeling worden genomen. (enkele uitzonderingen daargelaten zie artikel 41 lid 4 van de wet;

  • l.

    middelen: alle vermogens- en inkomensbestandsdelen als bedoeld in artikel 31 van de wet;

  • m.

    materiële schadevergoeding: vergoeding voor schade die direct in geld is uit te drukken. Voorbeelden hiervan zijn medische kosten, kosten van huishoudelijke hulp, kledingschade, verlies van verdienvermogen, schade aan uw auto of fiets, reiskosten, etc.;

  • n.

    immateriële schadevergoeding: een vergoeding voor schade die veroorzaakt is door verdriet, smart of geestelijk gemis. De vergoeding die wordt uitgekeerd om immateriële schade te vergoeden heet ook wel smartengeld;

  • o.

    zoektermijn: de termijn van vier werken nadat een jongere tot 27 jaar zich heeft gemeld om algemene bijstand aan te vragen.

Hoofdstuk 2. Giften

Artikel 2. Giften algemeen

  • 1. Alle giften en kostenbesparende bijdragen tezamen worden vrijgelaten tot een bedrag zoals genoemd in artikel 31 lid 2 onder m van de wet.

  • 2. Wanneer een gift in de vorm van geld het vrijlatingsbedrag zoals genoemd in artikel 31 lid 2 onder m van de wet overstijgt, wordt het meerdere als inkomen gekort op de uitkering, tenzij het meerdere op grond van artikel 31 lid 2 onder s vanuit het oogpunt van bijstandsverlening verantwoord is. Dit bedrag wordt dan vrijgelaten. Als het meerdere niet kan worden vrijgelaten op grond van artikel 31 lid 2 onder s van de wet dan wordt het meerdere verrekend als inkomen in de maand van ontvangst. Voor zover het niet geheel kan worden verrekend in de maand van ontvangst wordt het overige deel aan het vermogen toegerekend.

  • 3. Als bij een gift in natura het bedrag uit artikel 31 lid 2 onder m van de wet wordt overschreden, dan wordt het meerdere als vermogen beschouwd, tenzij de waarde van de gift in natura op grond van artikel 31 lid 2 onder s van de wet vanuit het oogpunt van bijstandsverlening verantwoord is.

  • 4. Ingeval giften voor kostenbesparende bijdragen als bedoeld in artikel 18 lid 8* van de wet het vrijlatingsbedrag genoemd in artikel 31 lid 2 onder m van de wet overstijgen, wordt de bijstand afgestemd op grond van artikel 18 lid 1 van de wet.

Artikel 3. Ontvangen bedragen voor bijzondere kosten

  • 1. Ontvangen bedragen worden niet in aanmerking genomen als deze bestemd zijn en gebruikt worden voor:

    • a.

      kosten waarvoor anders bijzondere bijstand verstrekt had kunnen worden;

    • b.

      medisch noodzakelijke kosten;

    • c.

      primaire schulden die zijn ontstaan voorafgaand aan de ingangsdatum van algemene bijstand.

  • 2. Deze giften moeten wel gemeld worden bij het college, zodat het college kan beoordelen of deze giften onder de uitzonderingen van lid 1 vallen.

  • 3. Als het bedrag hoger is dan de richtbedragen die het college hiervoor hanteert, dan wordt dit meerdere wel als gift aangemerkt en telt dit deel mee voor het maximale bedrag aan vrijlating van giften zoals genoemd in artikel 31 lid 2 onder m van de wet.

Artikel 4. Verstrekkingen van charitatieve instellingen

  • 1. Verstrekkingen van de Voedselbank, Kledingbank, Speelgoedbank, Fonds bijzondere noden Enschede, stichting Leergeld Enschede en soortgelijke charitatieve instellingen worden in zijn geheel niet in aanmerking genomen.

  • 2. Deze giften hoeven niet gemeld te worden bij het college.

Artikel 5. Meldingsplicht giften

  • 1. Zolang het totaalbedrag aan giften onder het bedrag blijft zoals genoemd in artikel 31 lid 2 onder m van de wet, hoeft de belanghebbende de giften niet bij het college te melden. Zodra het totaalbedrag meer is dan het bedrag zoals genoemd in artikel 31 lid 2 onder m van de wet, geldt de inlichtingenplicht van artikel 17 van de wet.

Hoofdstuk 3. Schadevergoedingen

Artikel 6. Materiele schadevergoedingen

  • 1. Voor zover de materiële schadevergoeding verlies van verdienvermogen betreft, moet de vergoeding worden aangemerkt als inkomen en in mindering worden gebracht op de uitkering over de periode waarop de schadevergoeding betrekking heeft.

  • 2. Voor zover de materiële schadevergoeding bestaat uit vergoeding van andere materiële schade, niet zijnde verlies van verdienvermogen, kan de vergoeding worden vrijgelaten ter hoogte van de waarde ter vervanging van de materiële schade. Voor het overige deel, of wanneer de schadevergoeding niet wordt gebruikt voor het vervangen van materiële schade, wordt de vergoeding tot het vermogen gerekend.

Artikel 7. Immateriële schadevergoeding/smartengeld

  • 1. In geval van immateriële schadevergoeding/smartengeld wordt de vergoeding toegerekend aan de periode van het ontstaan van de schade tot het moment van het einde van de geschatte levensduur. Hierbij wordt uitgegaan van de statistische levensverwachting voor mannen en vrouwen.

  • 2. In geval van lid 1, wordt een bedrag van € 1.800,00 per kalenderjaar vrijgelaten. Het meerdere wordt aangemerkt als vermogen vanaf het moment waarop de aanspraak op de vergoeding is ontstaan.

Artikel 8. Meldingsplicht schadevergoedingen

  • 1. Ontvangen schadevergoedingen dienen door belanghebbende altijd te worden gemeld bij het college. De belanghebbende moet aantonen hoe deze schadevergoeding is opgebouwd. Wordt dit niet aangetoond, dan wordt het volledige bedrag aangemerkt als middel.

Hoofdstuk 4. Zoektermijn jongeren

Artikel 9. Behandeling bijstandsaanvragen van jongeren voor afloop van de zoektermijn

  • 1. Het college maakt gebruik van de bevoegdheid een aanvraag voor algemene bijstand vóór het verstrijken van de zoektermijn in behandeling te nemen zoals bedoeld in artikel 41 lid 11 van de wet, wanneer sprake is van ten minste één van de volgende omstandigheden:

    • a.

      jongeren die verblijven in een inrichting of recht hebben op opvang als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo 2015.

    • b.

      jongeren zonder vaste woon- of verblijfplaats.

    • c.

      alleenstaande ouders met kinderen onder de 5 jaar die aanspraak willen maken op de vrijstelling voor werk.

    • d.

      statushouders die vanuit het AZC naar Enschede komen.

    • e.

      wanneer er in het individuele geval sprake is dat het opleggen van de zoektermijn niet bijdraagt aan werk of scholing.

Hoofdstuk 5. Hernieuwde aanvraag

Artikel 10. Het volgen van de hernieuwde aanvraag

  • 1. Het college maakt gebruik van de bevoegdheid voor een hernieuwde aanvraag als bedoeld in artikel 43a lid 1 van de wet, als:

    • a.

      de nieuwe aanvraag is ingediend binnen twaalf maanden na het eindigen van de algemene bijstand; en

    • b.

      de eerdere bijstandsverlening is beëindigd vanwege werkaanvaarding.

  • 2. Het eerste lid is overeenkomstig van toepassing op de aanvraagprocedure van een uitkering, bedoeld in artikel 15a lid 1 Ioaw en artikel 15a lid 1 Ioaz.

Hoofdstuk 6. Bijstand met terugwerkende kracht

Artikel 11. Het verlenen van bijstand met terugwerkende kracht

  • 1. Het college is van oordeel dat individuele omstandigheden ertoe noodzaken bijstand toe te kennen vanaf een dag gelegen voor de dag waarop een belanghebbende zich heeft gemeld als bedoeld in artikel 44 lid 5 van de wet als er omstandigheden zijn die rechtvaardigen dat belanghebbende zich niet eerder heeft gemeld. In de volgende situaties is bijstand met terugwerkende kracht mogelijk als:

    • a.

      een melding is gedaan binnen twee weken na einddatum of eind beschikking van de uitkering bij een andere gemeente.

    • b.

      de melding is gedaan binnen twee weken na de einddatum of eindbeschikking bij een afwijzing of beëindiging van een andere voorliggende voorziening.

    • c.

      de belanghebbende had onvoldoende zicht op de hoogte van zijn inkomen of vermogen, bijvoorbeeld als gevolg van een flexibel arbeidscontract, een echtscheiding, een erfenis of detentie. De belanghebbende dient zich binnen twee weken te melden nadat een belanghebbende inzicht had kunnen hebben in de financiële situatie.

    • d.

      een belanghebbende was vanwege medische redenen niet in staat om eerder een aanvraag in te dienen. De belanghebbende dient zich binnen twee weken te melden nadat een belanghebbende hiertoe in staat geacht mag worden.

    • e.

      de belanghebbende met terugwerkende kracht een verblijfsvergunning toegekend heeft gekregen en zich binnen twee weken na het ontvangen van de beschikking heeft gemeld.

    • f.

      een eerdere bijstandsaanvraag is buiten behandeling gesteld of afgewezen omdat de aanvrager niet tijdig alle benodigde gegevens aan het college heeft verstrekt en deze noodzakelijke gegevens worden alsnog binnen de bezwaartermijn verstrekt.

  • 2. Het college kent de bijstand toe vanaf de dag waarop het recht op bijstand is ontstaan. Deze dag ligt maximaal drie maanden vóór de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld. Indien een belanghebbende in de kosten van levensonderhoud heeft kunnen voorzien door bijvoorbeeld bijdragen van derden, dan geeft dit geen aanleiding om bijstand met terugwerkende kracht toe te kennen.

  • 3. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de toekenning van een uitkering bedoeld in artikel 16a lid 4 Ioaw en artikel 16a lid 3 Ioaz.

Hoofdstuk 7. Slotbepalingen

Artikel 12. Intrekking

  • 1. De beleidsregels Giften en schadevergoedingen Participatiewet gemeente Enschede 2024 worden ingetrokken.

Artikel 13. Inwerkingtreding en overgangsrecht

  • 1. Deze beleidsregel treedt in werking met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2026.

  • 2. Besluiten die zijn genomen voor de datum waarop deze beleidsregel in werking is getreden, blijven in stand totdat daarover opnieuw wordt beslist.

Artikel 14. Citeertitel

Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregels voor giften en schadevergoedingen, zoektermijn jongeren, vereenvoudiging aanvraagprocedure en bijstand met terugwerkende kracht 2026.

Ondertekening

Het college van burgemeester en wethouders,

de secretaris, M.W. de Graaf

de burgemeester, R.W. Bleker

Toelichting

Algemeen

Op 1 januari 2026 is de Participatiewet (de Wet) gewijzigd door de Participatiewet in balans en door de Verzamelwet SZW 2026. De wijzigingen door de Participatiewet in balans treden gefaseerd in werking. Deze beleidsregel ziet op het invullen van de beleids- en uitvoeringsruimte van het college op een viertal bevoegdheden uit de eerste fase.

Artikelsgewijs

In deze artikelsgewijze toelichting worden enkel die (onderdelen) van bepalingen behandeld die nadere toelichting behoeven.

Hoofdstuk 2. Giften

In de Participatiewet geldt een gift als middel dat vrijgelaten wordt als dat in het individuele geval verantwoord is in het kader van de bijstandsverlening (artikel 31, tweede lid, onderdeel s). Dit artikel blijft ongewijzigd, maar ingevoegd wordt, dat giften en kostenbesparingen tot een bedrag van € 1.200,- per kalenderjaar in ieder geval niet tot de middelen worden gerekend (artikel 31, tweede lid, onderdeel m). Dit bedrag wordt periodiek aangepast. De wetgever heeft niet beoogd beleidsruimte te bieden om dat bedrag categoriaal te verhogen of te verlagen.

Hoofdstuk 4. Zoektermijn jongeren

Voor alle jongeren tot 27 jaar geldt een zoektermijn van vier weken na de melding voor algemene bijstand. In deze zoektermijn van vier weken wordt van hen verwacht dat zij zoeken naar werk of scholing. Voor jongeren vanuit het praktijkonderwijs of het voortgezet speciaal onderwijs geldt een uitzondering. Dat geldt ook voor jongeren met een medische urenbeperking of die behoren tot de doelgroep die in aanmerking komt voor loonkostensubsidie. Zij kunnen direct een aanvraag indienen, en de gemeente moet deze aanvraag direct in behandeling te nemen.

Aan artikel 41 van de Wet, waar de zoektermijn is geregeld, wordt een elfde lid toegevoegd:

‘In afwijking van het vierde lid kan het college de aanvraag voor het verstrijken van de termijn van vier weken in behandeling nemen, indien naar het oordeel van het college de omstandigheden van de belanghebbende of het gezin daartoe aanleiding geven.’

Het twaalfde lid voegt daaraan toe, dat het college de jongere na de melding dan in de gelegenheid stelt om direct zijn aanvraag in te dienen.

Uitgangspunt blijft, dat zelfredzame jongeren werk zoeken of zich voor een opleiding aanmelden. Daarmee investeren zij in hun toekomst. Maar dat is niet voor alle jongeren een realistisch perspectief. Voor jongeren in kwetsbare omstandigheden wordt met deze wetswijziging de mogelijkheid geboden om de zoektermijn achterwege te laten.

Artikelsgewijze voorbeelden:

Artikel 9 lid 1 onder a:

  • -

    maatschappelijke opvang

  • -

    beschermd wonen

  • -

    begeleid wonen

  • -

    crisisopvang

Als een jongeren in een (zorg)traject zit en de jongere wordt dusdanig kwetsbaar geacht, dan draagt de zoektermijn niet bij. Wel kunnen de (arbeids)verplichtingen van toepassing zijn.

Artikel 9 lid 1 onder b:

  • -

    dakloze jongeren

  • -

    jongeren met een briefadres

  • -

    jongeren die "bankhoppen"

  • -

    jongeren zonder stabiele leefsituatie

Voor scholing of werk is een stabiele woonsituatie belangrijk. Als deze ontbreekt draagt de zoektermijn niet bij. Wel kunnen andere verplichten worden opgelegd, bijvoorbeeld: melden bij T-team, inschrijven op adres e.v.

Artikel 9 lid 1 onder c:

  • -

    hebben recht op vrijstelling van de arbeidsplicht uit art. 9 Pw

Bijvoorbeeld een jongere heeft de zorg voor een jong kind, dan wordt scholing of werk als (te) intensief gezien. Wel kan er gekeken worden naar voorbereidingsstappen/verplichting als; kinderopvang, geschikte werkplekken, traject jonge moeders.

Artikel 9, lid 1 onder d:

  • -

    verhuizing direct vanuit AZC of zelfhuisvester.

Deze jongere heeft andere verplichtingen zoals inburgering, Nederlandse taal leren etc. Arbeid draagt bij aan ontwikkeling van de taal, zodoende dient er wel gekeken te worden naar de mogelijkheden en verplichtingen hierop af te stemmen.

Artikel 9, lid 1 onder e:

  • -

    mentale of fysiek gezondheidsklachten, waardoor werk of school geen mogelijkheid is.

  • -

    Directe schuldproblematiek doordat er een tijd geen inkomsten is.

  • -

    die al intensief in begeleiding zijn (jeugdzorg, wijkteam, RMC, GGZ)

  • -

    in crisissituaties (veiligheid, relatiebreuk)

  • -

    professionele kijk van jongerenconsulent (Claim) waarbij het i.v.m. kwetsbaarheid van de jongere niet reëel wordt geacht om te gaan zoeken naar werk of school.

opmerking:

In alle gevallen geldt. Daar waar iets aangetoond kan worden (al dan niet door een betrokken professional), dient dit ook te worden gedaan. Het is dus ook aan de jongere om de situatie aan te geven/de gemeente te voorzien van informatie.

Zoektermijn wél opleggen:

Wanneer de jongeren beschikbaar is voor werk of school. Er spelen geen kwetsbare omstandigheden of directe problematiek welke voor belemmeringen zorgen. De zoektermijn moet bijdragen aan het vinden van werk of school. De zoektermijn helpt jongere zich verder te ontwikkelen.

Hoofdstuk 5. Vereenvoudigde aanvraagprocedure

De aanvraagprocedure voor algemene bijstand is voor veel inwoners ingewikkeld en wordt als (te) lang ervaren. Vooral bij een korte periode van werk of bij flexibel werk moet de aanvraagprocedure steeds weer opnieuw doorlopen worden en zit men lang in financiële onzekerheid. Door de combinatie van een aantal maatregelen wordt de (behandeling van de) aanvraag sneller en eenvoudiger. Eén van die maatregelen is de vereenvoudigde (of verkorte) aanvraagprocedure, op grond van het nieuwe artikel 43a:

‘1. Indien na het eindigen van de algemene bijstand binnen twaalf maanden een nieuwe aanvraag wordt gedaan, kan het college de gegevens die bij hem berusten in verband met de eerdere bijstandsverlening gebruiken, indien dit leidt tot een voor de belanghebbende minder belastende aanvraag.

2. Het college verifieert de juistheid en actualiteit van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, in de beschikbare bronnen en zo nodig bij de belanghebbende.’

Dit nieuwe artikel geeft gemeenten de ruimte om een inwoner die binnen twaalf maanden opnieuw een bijstandsuitkering aanvraagt via een vereenvoudigde aanvraag op korte termijn weer van een uitkering te voorzien. Van deze ruimte is gebruik gemaakt. Het college benut dan de nog aanwezige gegevens over de eerdere bijstandsperiode en vraagt deze niet opnieuw van de belanghebbende.

Hoofdstuk 6. Bijstand met terugwerkende kracht

Een bijstandsuitkering gaat in op de dag dat het recht ontstaat, maar niet eerder dan de meldingsdatum (art. 44, eerste lid, van de Wet). In de meeste gevallen zal de meldingsdatum daarom de ingangsdatum zijn. Dat betekent dat het niet mogelijk is om een uitkering met terugwerkende kracht toe te kennen. Volgens vaste rechtspraak kan dit bij uitzondering wél als er sprake is van bijzondere omstandigheden. Hierbij kan gedacht worden aan de situatie dat iemand om medische redenen niet in staat was om zich eerder te melden en een aanvraag in te dienen. Omdat deze uitzondering als te beperkt werd ervaren, zijn de mogelijkheden om bijstand met terugwerkende kracht te verstrekken verruimd op grond van artikel 44, vijfde lid:

‘In afwijking van het eerste lid kan het college bijstand toekennen vanaf de dag die maximaal drie maanden gelegen is voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld, indien individuele omstandigheden hiertoe noodzaken.’

Met dit nieuwe lid (kan-bepaling) krijgt het college de ruimte om de bijstand in individuele omstandigheden met maximaal drie maanden terugwerkende kracht toe te kennen. Van die ruimte is in deze beleidsregels gebruik gemaakt.

In lijn met de Memorie van Toelichting bij de Wet (Kamerstukken II 2023/24, 36 582, nr. 3, p. 46-47) kunnen twee situaties worden onderscheiden:

  • 1.

    De melding is te laat gedaan als gevolg van de individuele omstandigheden.

  • 2.

    De gevolgen van de late melding zijn ernstig voor de bijstandsgerechtigde.

De wetgever heeft vooral het oog gehad op situaties waarbij het de belanghebbende niet te verwijten was dat de aanvraag (te) laat is ingediend en waarbij de effecten daarvan (te) ernstig zijn. Door terugwerkende kracht toe te passen, kunnen de nadelige effecten worden beperkt, en kunnen bijvoorbeeld verdere betalingsachterstanden en het oplopen van schulden worden voorkomen.

In het eerste lid worden omstandigheden genoemd die naar het oordeel van het college wijzen op een niet verwijtbare te late melding. Het gaat dan om omstandigheden van persoonlijke aard (niet in staat zijn om, bijv. door ziekenhuisopname of zwaar letsel en onvoldoende ‘doenvermogen’). Het kan ook gaan om omstandigheden van systeemtechnische aard (bijv. eerst een aanvraag voor WW, daarna, na afwijzing, richting bijstand). De bijstand werkt dan terug tot het moment waarop de inwoner in de betreffende omstandigheden is geraakt (maximaal drie maanden, zie ook het tweede lid). Uiteraard moet dan wel vanaf dat eerdere moment voldaan zijn aan de voorwaarden voor de bijstandverlening.

Als niet met terugwerkende kracht bijstand wordt verleend, kunnen de gevolgen voor de inwoner dermate ernstig zijn, dat alleen al om die reden toch terugwerkende kracht wordt toegepast. In dit onderdeel zijn enkele indicatoren genoemd die terugwerkende kracht kunnen rechtvaardigen. Het gaat vooral om precaire actuele financiële omstandigheden (onderdelen 1 en 2), of problemen die door financiële omstandigheden kunnen zijn veroorzaakt, of daaraan hebben bijgedragen, zoals huisuitzettingen, afsluiting van nutsvoorzieningen of royement van zorgverzekeringen. Een ongeluk komt zelden alleen, vaak is er meer aan de hand dan uitsluitend financiële problematiek, daarom is van belang te benadrukken dat het gaat om indicatoren. Er is ruimte om ook in andere gevallen uit te gaan van terugwerkende kracht.

Tweede lid

Artikel 44, vijfde lid, van de Participatiewet geeft het college de bevoegdheid om bijstand toekennen vanaf de dag die maximaal drie maanden gelegen is voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld. Met dit artikellid in de beleidsregel stelt het college vast wat in normale gevallen de maximale termijn voor terugwerkende kracht zal zijn.