Permanente link
Naar de actuele versie van de regeling
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR759630
Naar de door u bekeken versie
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR759630/1
Beleidsregels terugvordering, invordering, verhaal, inlichtingenplicht en bestuurlijke boete Participatiewet, IOAW en IOAZ 2026 gemeente Goirle
Geldend van 28-03-2026 t/m heden
Intitulé
Beleidsregels terugvordering, invordering, verhaal, inlichtingenplicht en bestuurlijke boete Participatiewet, IOAW en IOAZ 2026 gemeente GoirleHet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Goirle;
gelezen het voorstel van 17 maart 2026;
gelet op:
- •
Participatiewet artikel 17 lid 1 en artikel 18a;
- •
IOAW en IOAZ artikel 13 lid 1 en artikel 20a;
- •
Boetebesluit Sociale Zekerheidswetten;
- •
Titel 4.3. van de Algemene wet bestuursrecht;
- •
Artikel 160, eerste lid, onder a Gemeentewet;
- •
Paragraaf 6.4 en 6.5 Participatiewet;
- •
Artikelen 26, 29 en 30 Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz 2026;
- •
Aanwijzing sociale zekerheidsfraude;
- •
Relevante uitspraken van de CRvB.
overwegende dat:
het wenselijk is regels vast te stellen over wanneer het college een bestuurlijke boete beziet in het kader van schending van de inlichtingenplicht, rekening houdend met het feit dat die schending ook het gevolg kan zijn van onoplettendheid of een kleine vergissing,
het wenselijk is regels vast te stellen over hoe het college gebruikmaakt van de bevoegdheid om kosten van bijstand terug te vorderen, in te vorderen of te verhalen,
besluit vast te stellen de Beleidsregels terugvordering, invordering, verhaal, inlichtingenplicht en bestuurlijke boete Participatiewet, IOAW en IOAZ 2026 gemeente Goirle
Hoofdstuk 1: Algemene bepalingen
Artikel 1: Begripsomschrijvingen
-
1. Alle begrippen die in deze beleidsregels gebruikt worden en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet (PW), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemers (IOAW), de Wet oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ), het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen (Bbz 2004), Boetebesluit sociale zekerheidswetten, de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz 2026. In deze beleidsregels wordt verstaan onder:
- a.
Belanghebbende: degene die de inlichtingenplicht heeft geschonden;
- b.
Bestuurlijke boete: de bestuurlijke boete zoals bedoeld in artikel 18a Participatiewet en artikel 20a IOAW/IOAZ;
- c.
Bijstandsnorm: het normbedrag waarop de belanghebbende recht heeft op grond van de Participatiewet, IOAW of IOAZ;
- d.
Brutering: het verhogen van de vordering met de loonbelasting en premies volksverzekeringen waarvoor de gemeente, die de uitkering verstrekt, krachtens de Wet op de loonbelasting 1964 inhoudingsplichtig is, voor zover deze belasting en premies niet verrekend kunnen worden met de door het college af te dragen loonbelasting en premies volksverzekeringen;
- e.
College: Het college van burgemeester en wethouders van Goirle;
- f.
Inlichtingenplicht: de verplichting om op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden waarvan redelijkerwijs duidelijk is dat deze van invloed kunnen zijn op de arbeidsinschakeling of het recht op bijstand;
- g.
Opzet: het door belanghebbende willens en wetens informatie buiten het zicht en beoordeling van het college houden met de bedoeling zichzelf te bevoordelen en de gemeente te benadelen.
- h.
Problematische schuld: een schuld is problematisch wanneer te voorzien is dat een natuurlijk persoon schulden niet zal kunnen blijven afbetalen of gestopt is met afbetalen.
- i.
LBIO: Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen. Dit bureau is onderdeel van de overheid en voert incasso-taken uit op het gebied van alimentatie;
- j.
Onderhoudsplichtige: degene die een financiële bijdrage in de kosten van levensonderhoud aan de bijstandsgerechtigde en/of de ten laste komende kinderen dient te voldoen op grond van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek of een rechterlijke uitspraak;
- k.
Schriftelijke waarschuwing: de schriftelijke waarschuwing zoals bedoeld in artikel 18a, vierde lid, Participatiewet en artikel 20a, vierde lid, IOAW/IOAZ.
- l.
Suwinet: een onderdeel van het Bureau Keteninformatie Werk en Inkomen, waarin overheidsorganisaties gegevens van inwoners kunnen raadplegen die bij andere overheidsorganisaties of basisregistraties zijn opgeslagen.
- a.
Hoofdstuk 2: Naleving en preventie
Artikel 2.1: Cirkel van naleving
Het college richt naleving en preventie in volgens het landelijk model genaamd, de cirkel van naleving, met inzet op:
- a.
goede en tijdige voorlichting over rechten en plichten;
- b.
het optimaliseren van de dienstverlening (creëren draagvlak voor spontane naleving PW);
- c.
het vroegtijdig achterhalen (detecteren) van oneigenlijk gebruik en misbruik en
- d.
het metterdaad straffen van oneigenlijk gebruik en misbruik.
Artikel 2.2: goede en tijdige voorlichting over rechten en plichten
Het doel is om spontane naleving van de aan de uitkering verbonden verplichtingen te bevorderen. Als klanten volledig zijn geïnformeerd, voorkomt dit onwetendheid.
- 1.
Het college informeert klanten en overige burgers structureel en tijdig over de rechten en plichten die aan de uitkering zijn verbonden, en over voorliggende voorzieningen.
- 2.
Het college verstrekt de informatie mondeling, schriftelijk, digitaal en/of door middel van besluiten, steeds in begrijpelijke taal.
- 3.
Het college communiceert duidelijk naar de klant welke gegevens nodig zijn om het recht op uitkering te kunnen vaststellen, inclusief wanneer de klant die gegevens moet aanleveren.
- 4.
Het college communiceert duidelijk naar de klant over de achtergrond van ingezet heronderzoek en wat de consequenties daarvan zijn als de klant niet naar behoren meewerkt.
Artikel 2.3: Optimalisatie van de dienstverlening
Het doel van het optimaliseren van de dienstverlening is om spontane naleving van de verplichtingen door de klanten te faciliteren en bevorderen.
- 1.
Het college draagt zorg voor een duidelijk, consequent, doeltreffend, klantgericht, toegankelijk beleid.
- 2.
Het college maakt gebruik van duidelijke en toegankelijke processen en formulieren.
- 3.
Het college benadert de klant proactief om de juistheid van de bij het college bekende gegevens te controleren via het periodieke heronderzoek.
- 4.
Het college stelt de klant in de gelegenheid om op een laagdrempelige manier wijzigingen in zijn of haar situatie die van invloed kunnen zijn op (de hoogte van) de uitkering en/of bijzondere bijstand tijdig te melden.
Hoofdstuk 3: Detectie en controle
Artikel 3.1 het vroegtijdig achterhalen (detecteren) van oneigenlijk gebruik en misbruik
-
1. Het college ontvangt samenloop-signalen, verkregen via bestandskoppelingen van het Bureau InformatieDiensten Nederland.
-
2. Het college kan signalen ontvangen of raadplegen bij het RDW, Kadaster, verzekeraars, KvK en andere registers.
-
3. Vermoedens van onrechtmatigheid door inwoners of organisaties kunnen gemeld worden bij de gemeente.
-
4. Genoemde signalen zijn aanleiding voor het starten van een onderzoek.
-
5. Bij lopende uitkeringen wordt een onderzoek naar het voortgezet recht in principe uitgevoerd op basis van een signaal, waarneming of signaal uit een regulier heronderzoek.
Artikel 3.2 Controle
-
1. Een onderzoek start altijd met een administratief vooronderzoek waarna op basis van de voorliggende objectieve feiten en omstandigheden, een afweging wordt gemaakt of een verdiepend rechtmatigheidsonderzoek wordt opgestart.
-
2. Als het nodig is worden ‘zwaardere’ onderzoeksmethoden ingezet zoals internetonderzoek, een huisbezoek, heimelijke waarneming, gezamenlijke onderzoeken in de keten.
-
3. In eerste instantie kiest het college voor het instrument dat enerzijds adequaat is en daarnaast de minste inbreuk maakt op de levenssfeer van de klant.
Hoofdstuk 4: Maatregelen en bestuurlijke boete
Paragraaf 4.1: Algemene bepalingen
Artikel 4.1: Verwijtbaarheid
-
1. Het college onderzoekt of er sprake is van verwijtbaarheid en ziet af van het opleggen van een maatregel of een bestuurlijke boete als iedere verwijtbaarheid ontbreekt.
-
2. Van verminderde verwijtbaarheid is in ieder geval sprake in de gevallen zoals bedoeld in artikel 2a, tweede lid, van het Boetebesluit socialezekerheidswetten.
-
3. Er is geen sprake van verminderde verwijtbaarheid als:
- a.
een belanghebbende de inhoud van de correspondentie van de gemeente niet begrijpt, omdat hij de Nederlandse taal onvoldoende beheerst;
- b.
een belanghebbende langere tijd niet in staat is zijn belangen te behartigen.
- a.
Artikel 4.2: Dringende redenen
-
1. Het college ziet af van het opleggen van een maatregel of een bestuurlijke boete als sprake is van dringende redenen.
-
2. Van dringende redenen is in ieder geval sprake als het opleggen van een maatregel of een bestuurlijke boete, in de individuele situatie, vanwege zeer uitzonderlijke en bijzondere omstandigheden onaanvaardbare consequenties zou hebben voor de belanghebbende of zijn gezin.
Paragraaf 4.2 Maatregel
Artikel 4:3: Afstemmen maatregel
-
1. Het college stemt het opleggen van een maatregel af op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en individuele omstandigheden.
Artikel 4:4 Waarschuwing bij maatregel
-
1. Voor de gedragingen, als genoemd in artikel 19, onderdeel b, artikel 20, onderdeel b van de Verzamelverordening, legt het college in plaats van een maatregel, eerst een schriftelijke waarschuwing op, tenzij:
- a.
de belanghebbende zich in de 12 maanden voor de gedraging al eerder schuldig heeft gemaakt aan een als verwijtbaar aan te merken gedraging uit dezelfde categorie;
- b.
duidelijk is dat de belanghebbende opzettelijk niet aan deze verplichting heeft willen voldoen.
- a.
Artikel 4.5: Verzoek tot herzien van een maatregel geüniformeerde arbeidsverplichting
-
1. Als een maatregel van 100% van de bijstandsnorm is opgelegd wegens schending van één van de verplichtingen genoemd in artikel 18, vierde lid, PW, met een duur van twee maanden of langer, kan de belanghebbende een schriftelijk en gemotiveerd verzoek doen aan het college om deze maatregel te herzien.
-
2. In dit verzoek dient in ieder geval opgenomen te zijn:
- a.
een beschrijving van de geschonden verplichting; en
- b.
een verklaring, eventueel met ondersteunende bewijsstukken, waarin de belanghebbende aantoont dat hij op het moment van indienen van het verzoek wél ondubbelzinnig aan de verplichting voldoet, dan wel de wijze waarop hij dit aan het college kan aantonen.
- a.
-
3. Het college beoordeelt op basis van het verzoek of zij de maatregel herziet.
-
4. Belanghebbende kan het verzoek niet eerder indienen dan dag waarop de effectuering van de maatregel start.
-
5. Als belanghebbende aantoont ondubbelzinnig te voldoen aan de verplichting waarvoor een maatregel is opgelegd, dan gaat de herziening in vanaf de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin belanghebbende het verzoek tot herziening heeft ingediend. Dit betekent dat de maatregel vanaf die dag komt te vervallen.
-
6. Een verzoek tot herziening van de maatregel heeft geen opschortende werking voor wat betreft het effectueren van de maatregel.
-
7. Een belanghebbende kan voor ieder besluit dat heeft geleid tot oplegging van een maatregel slecht één maal een verzoek tot herziening indienen. Het college zal een tweede verzoek niet beoordelen.
-
8. Een belanghebbende kan per kalenderjaar niet meer dan twee maal een verzoek tot herziening indienen. Het college zal een volgend verzoek niet beoordelen.
-
9. Als daartoe aanleiding bestaat, kan het college ambtshalve besluiten over te gaan tot herziening van de maatregel.
-
10. Het college geeft belanghebbende schriftelijke terugkoppeling op het verzoek.
Artikel 4:6: Spreiding maatregel 100% naar twee maanden 50%
-
1. In artikel 30, tweede lid, van de Verzamelverordening is beschreven dat het college op basis van individuele omstandigheden kan besluiten om een maatregel van 100% te effectueren door gedurende 2 maanden de uitkering met 50% te verlagen. In de volgende situaties effectueert het college de maatregel met 50% gedurende 2 maanden:
- a.
als er sprake is van een gezin met ten laste komende kinderen, omdat kinderen niet de dupe mogen zijn van de gedragingen van volwassen gezinsleden;
- b.
als er sprake is van een minnelijk schuldhulpverleningstraject;
- c.
in andere situaties als duidelijk is dat er grote problemen ontstaan, zoals bijvoorbeeld huisuitzettingen.
- a.
-
2. De opsomming zoals opgenomen in het eerste lid, is niet uitputtend. Ook andere individuele omstandigheden kunnen reden zijn om de maatregel te spreiden.
-
3. Het college dient een afwijking op de hoofdregel, zoals bedoeld in het eerste en het tweede lid, altijd nadrukkelijk te motiveren.
Paragraaf 4.3: Bestuurlijke boete
Artikel 4:7 Waarschuwing bij boete
-
1. Het college ziet af van het opleggen van een bestuurlijke boete en volstaat met het geven van een schriftelijke waarschuwing als:
- a.
het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht niet heeft geleid tot een benadelingsbedrag;
- b.
het benadelingsbedrag niet hoger is dan € 150,00;
- c.
de belanghebbende een wijziging van omstandigheden niet onverwijld doorgeeft, maar binnen 60 dagen alsnog de juiste inlichtingen verstrekt, voordat de overtreding is geconstateerd en deze inlichtingen niet zijn verstrekt in het kader van toezicht op de naleving van de inlichtingenplicht.
- d.
belanghebbende niet eerder de inlichtingenplicht heeft geschonden of niet eerder een waarschuwing heeft gekregen in verband met schending van de inlichtingenplicht
- a.
-
2. In afwijking van het tweede lid legt het college wel een bestuurlijke boete op als:
- a.
de schending van de inlichtingenplicht plaatsvindt binnen twee jaar nadat in verband met een eerdere schending van de inlichtingenplicht een bestuurlijke boete of een waarschuwing is opgelegd;
- b.
het college het gegronde vermoeden heeft dat de inlichtingenplicht opzettelijk is geschonden.
- a.
Artikel 4:8: Vaststellen hoogte bestuurlijke boete
-
1. Wanneer, als gevolg van een overtreding van de inlichtingenverplichting, sprake is van een benadelingsbedrag, stelt het college de hoogte van de bestuurlijke boete vast op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en individuele omstandigheden.
-
2. Het college stelt de hoogte van de bestuurlijke boete vast op:
- a.
100% van het benadelingsbedrag als de inlichtingenplicht opzettelijk is overschreden;
- b.
75% van het benadelingsbedrag als sprake is van grove schuld ten aanzien van de overtreding van de inlichtingenplicht;
- c.
50% van het benadelingsbedrag als er geen sprake is van opzet o f grove schuld ten aanzien van de overtreding van de inlichtingenplicht;
- d.
10% van het benadelingsbedrag als sprake is van verminderde verwijtbaarheid ten aanzien van de overtreding van de inlichtingenplicht.
- a.
-
3. Bij recidive past het college de percentages, genoemd in het eerste lid van dit artikel, toe op het benadelingsbedrag, vermenigvuldigd met 150% van dit bedrag.
-
4. Bij toepassing van het eerste en tweede lid is de bestuurlijke boete in ieder geval niet hoger dan:
- a.
5% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm, vermenigvuldigd met 24 maanden, als de inlichtingenplicht opzettelijk is overtreden;
- b.
5% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm, vermenigvuldigd met 18 maanden, als sprake is van grove schuld ten aanzien van de overtreding van de inlichtingenplicht;
- c.
5% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm, vermenigvuldigd met 12 maanden, als er geen sprake is van opzet of grove schuld ten aanzien van de overtreding van de inlichtingenplicht;
- d.
5% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm, vermenigvuldigd met 6 maanden, als sprake is van verminderde verwijtbaarheid ten aanzien van de overtreding van de inlichtingenplicht.
- a.
-
5. Als de hoogte van de op te leggen bestuurlijke boete lager is dan € 40,00 ziet het college af van het opleggen van een bestuurlijke boete.
-
6. Het college verlaagt de hoogte van de bestuurlijke boete als dit vanwege bijzondere omstandigheden noodzakelijk is voor de vaststelling van een evenredige bestuurlijke boete.
-
7. Het college geeft uitvoering aan artikel 2, tweede lid van het Boetebesluit socialezekerheidswetten over de afronding van de bestuurlijke boete, wanneer de boete lager is vastgesteld dan het benadelingsbedrag.
-
8. Bij cumulatie van boeten, legt het college de hoogste boete op.
Artikel 4:9: Procedure en zienswijze
-
1. Als sprake is van een benadelingsbedrag hoger dan het bedrag zoals vermeld in artikel 5.53 Awb, dan nodigt het college de belanghebbende uit om zijn zienswijze mondeling, dan wel schriftelijk naar voren te brengen binnen een door het college gestelde termijn.
-
2. Als de belanghebbende niet reageert op de uitnodiging om diens zienswijze naar voren te brengen, dan beoordeelt het college de boete vanuit de gegevens zoals die bij haar bekend zijn.
-
3. In afwijking van het eerste lid kan een belanghebbende bij een benadelingsbedrag, lager dan het bedrag vermeld in artikel ook zijn zienswijzen geven, als hij hiertoe verzoekt of als de situatie daartoe aanleiding geeft.
Artikel 4:10: Strafrechtelijke afdoening
-
1. Het college doet aangifte bij het Openbaar Ministerie bij een benadelingsbedrag hoger dan het bedrag genoemd in Categorie II van de Richtlijn voor strafvordering sociale zekerheidsfraude.
-
2. Het college doet aangifte bij het Openbaar Ministerie bij een benadelingsbedrag gelijk aan dan wel lager dan het bedrag genoemd in Categorie II van de Richtlijn voor strafvordering sociale zekerheidsfraude als:
- a.
er strafrechtelijke dwangmiddelen zijn toegepast;
- b.
het wenselijk is om strafrechtelijke dwangmiddelen toe te passen;
- c.
er sprake is van een combinatie met andere strafbare feiten;
- d.
dit belangrijk is gelet op de status of voorbeeldfunctie van de belanghebbende;
- e.
er sprake is van recidive met een totaal fraudebedrag hoger dan het bedrag als genoemd in Categorie II van de Richtlijn voor strafvordering sociale zekerheidsfraude;
- f.
fraude is gepleegd met medeweten van uitvoerende ambtenaren;
- g.
fraude is gepleegd in georganiseerd verband, of;
- h.
feiten en omstandigheden van de verdachte hiertoe aanleiding geven en op voorhand duidelijk is dat betrokkene de boete niet kan of gaat betalen wegens het ontbreken van aflossingsruimte voor de duur van een vooraf niet te voorziene periode.
- a.
Hoofdstuk 5: Terugvordering en invordering
Paragraaf 5.1 Algemene bepalingen
Artikel 5.1: Gebruikmaking van de wettelijke bevoegdheid
-
1. Het college maakt gebruik van de bevoegdheid tot het opschorten van het recht op een uitkering op grond van artikel 54, eerste en tweede lid, PW, dan wel artikel 17, eerste en tweede lid, IOAW of IOAZ.
-
2. Het college maakt gebruik de bevoegdheid tot het herzien of intrekken van het besluit tot toekenning of voortzetting van een uitkering op grond van artikel 54, derde en vierde lid, PW, dan wel artikel 17, derde en vierde lid, IOAW of IOAZ.
-
3. Het college vordert de ten onrechte verleende uitkering terug, zoals neergelegd in de artikelen 58 tot en met 60a PW en de artikelen 25 tot en met 28, 30 en 31 IOAW of IOAZ.
-
4. Het college maakt gebruik van haar bevoegdheid om de kosten van bijstand te verhalen op een onderhoudsplichtige, zoals bedoeld in artikel 62 PW.
Artikel 5.2: Dringende redenen
-
1. Het college ziet af van herziening, intrekking, terugvordering, invordering of verhaal wanneer sprake is van dringende redenen.
-
2. Van dringende redenen is in ieder geval sprake als het terugvorderen of invorderen van teveel betaalde bijstand leidt tot:
- a.
onaanvaardbare financiële of sociale consequenties zoals uithuiszetting of afsluiting van energie of water;
- b.
levensbedreigende situaties, dan wel blijvend letsel of invaliditeit, welke alleen zijn af te wenden door het verstrekken van bijstand.
- a.
-
3. Van dringende redenen in het geval van verhaal van bijstand is in ieder geval sprake als:
- a.
dit kan leiden tot geweld en/of mishandeling door de onderhoudsplichtige;
- b.
belanghebbende slachtoffer is (geweest) van incest;
- c.
er een gerechtvaardigde verwachting bestaat dat het verhaalsonderzoek zal leiden tot geweld van de onderhoudsplichtige jegens de belanghebbende.
- a.
Artikel 5.3: Paspoortsignalering
Als een persoon met een vordering of een bestuurlijke boete van meer dan € 5.000,00 nalatig is in het nakomen van zijn betalingsverplichting en het gegronde vermoeden bestaat dat hij in het buitenland woonachtig is, dient het college een verzoek tot opneming in het Register Paspoortsignalering in bij het agentschap Basisadministratie Persoonsgegevens en Reisdocumenten, op grond van artikel 22 Paspoortwet.
Paragraaf 5:2 Terugvordering
Artikel 5.4: Terugvordering
Behoudens de uitzonderingen die zijn vastgelegd in deze beleidsregels:
- a.
vordert het college alle ten onrechte uitkering altijd terug;
- b.
dient de belanghebbende alle ten onrechte verstrekte uitkering volledig terug te betalen.
Artikel 5.5: Inhoud terugvorderingsbeschikking
Het college vermeldt in de beschikking, in aanvulling op hetgeen in artikel 4:86 Awb is gesteld, in ieder geval:
- a.
de mogelijkheid voor de debiteur om voor het verstrijken van de betalingstermijn, een (alternatief) betalingsvoorstel te doen;
- b.
dat, bij gebreke van tijdige betaling of het doen van een betalingsvoorstel, het college tot executoriale invordering kan overgaan, dan wel de vordering ter executie kan overdragen aan een derde;
- c.
dat, in de situatie als bedoeld onder b, executie- en incassokosten voor rekening van de debiteur zijn.
Artikel 5.6: Afzien van terugvordering bij niet verwijtbare vorderingen
-
1. Op verzoek van belanghebbende kan het college van verdere invordering afzien als:
- a.
het de belanghebbende niet valt te verwijten dat het college teveel bijstand heeft betaald; en
- b.
het terug te vorderen bedrag minder dan € 100,00 bedraagt, terwijl verrekening met de uitkering of het gereserveerde vakantiegeld niet (meer) mogelijk is; of
- c.
de belanghebbende gedurende vijf jaar aan zijn terugbetalingsverplichting heeft voldaan, zijn gemiddeld inkomen in die periode de beslagvrije voet als bedoeld in de artikelen 475c en 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet te boven is gegaan en de vordering voor minimaal 50% heeft voldaan; of
- d.
de belanghebbende gedurende vijf jaar geen betalingen heeft verricht, en het niet aannemelijk is dat hij deze op enig moment zal gaan verrichten; of
- e.
de belanghebbende een bedrag overeenkomend met ten minste 50% van de restsom in één keer aflost, terwijl zijn gemiddeld inkomen in die periode de beslagvrije voet als bedoeld in de artikelen 475c en 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet te boven is gegaan en het restant van de vordering daarna minder dan € 100,00 bedraagt; of
- f.
er sprake is van dringende redenen.
- a.
Artikel 5.7: Afzien van (verdere) terugvordering bij schuldregeling
-
1. Onverminderd het bepaalde in artikel 60c van de PW en artikel 29a van de IOAW en IOAZ, kan door het college medewerking verlenen aan een schuldregeling als:
- a.
redelijkerwijs te voorzien is dat belanghebbende niet zal kunnen doorgaan met het betalen van zijn schulden; en
- b.
de belanghebbende de vordering van de gemeente ten minste naar evenredigheid zal voldoen met de vorderingen van de schuldeisers van gelijke rang; en
- c.
het besluit om van verdere terugvordering af te zien noodzakelijk is om een schuldregeling met betrekking tot alle vorderingen tot stand te brengen.
- a.
-
2. Het eerste lid is niet van toepassing op vorderingen die door pand of hypotheek zijn gedekt.
-
3. Het besluit tot het (gedeeltelijk) afzien van terugvordering of het (gedeeltelijk) afzien van verdere terugvordering treedt in werking nadat voldaan is aan hetgeen dat benoemd is onder het eerste lid van dit artikel.
-
4. Het college trekt het besluit tot het gedeeltelijk afzien van (verdere) terugvordering in, of wijzigt dit ten nadele van de belanghebbende als:
- a.
niet binnen twaalf maanden nadat dat besluit is bekendgemaakt, een schuldregeling tot stand is gekomen; of
- b.
de belanghebbende zijn schuld aan de gemeente niet overeenkomstig de schuldregeling voldoet; of
- c.
onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid.
- a.
Artikel 5.8: Afzien van terugvordering niet mogelijk
-
1. Afzien van terugvordering is niet mogelijk als:
- a.
de vordering wordt gedekt door pand of hypotheek op een goed of goederen; of
- b.
voor inning van de vordering dwangincasso heeft plaatsgevonden; of
- c.
de vordering het gevolg is van een boete die is opgelegd wegens schending van de inlichtingenplicht.
- a.
Artikel 5.9: Brutering
Als de debiteur de vordering niet binnen het lopende kalenderjaar heeft voldaan, vordert het college de teveel betaalde uitkering bruto terug, tenzij:
- a.
het college ten onrechte betaalde belastingen en premies nog kan verrekenen met de afdrachten aan de Belastingdienst of het UWV; of
- b.
de vordering buiten toedoen van de belanghebbende is ontstaan en hem niet is aan te rekenen dat de schuld niet binnen het betreffende boekjaar is terugbetaald.
Paragraaf 5.3: Invordering
Artikel 5.10: Volgorde van invordering
-
1. Bij meerdere vorderingen geschiedt de betaling of verrekening op de oudste vordering, tenzij:
- a.
er een nieuwe vordering is die betrekking heeft op een belaste uitkering in het lopende kalenderjaar; of
- b.
de belanghebbende op grond van artikel 4:92, tweede lid, Awb een andere vordering aanwijst waaraan de betaling moet worden toegerekend.
- a.
-
2. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, vindt de invordering van een bestuurlijke boete bij voorrang plaats, tenzij:
- a.
er sprake is van beslaglegging door een derde schuldeiser. In dat geval vordert het college eerst de openstaande vordering in; of
- b.
het mogelijk is om brutering van de vordering te voorkomen door eerst de openstaande vordering in te vorderen.
- a.
Artikel 5.11: Mogelijkheden van invordering
-
1. Het uitgangspunt is dat de vordering voor zover mogelijk wordt verrekend met de uitkering volgens de bepalingen van artikel 60, derde en vierde lid, PW dan wel artikel 28, derde en vierde lid, IOAW/IOAZ.
-
2. Wanneer er geen lopende uitkering is of verrekening met een lopende uitkering is niet mogelijk, dan wordt belanghebbende aangeschreven om, voor zover mogelijk de vordering binnen zes weken in één keer terug te betalen.
-
3. Wanneer terugbetaling van de vordering binnen zes weken niet mogelijk is, kan met belanghebbende een betalingsregeling worden afgesproken.
-
4. Het verzoek om een betalingsregeling wordt afgewezen voor zover de belanghebbende beschikt over middelen die, gelet op de omstandigheden van belanghebbende, redelijkerwijs te gelde kunnen worden gemaakt. De vermogensvrijlating als bedoeld in artikel 34, derde lid, PW is niet van toepassing.
-
5. Wanneer belanghebbende niet meewerkt aan het opstellen dan wel uitvoeren van een betalingsregeling, dan legt het college executoriaal beslag, waaronder loonbeslag. Hierbij wordt de beslagvrije voet gehanteerd.
-
6. Bij het bepalen van het inkomen is artikel 31, tweede lid, PW van toepassing. In aanvulling op artikel 31, tweede lid, PW wordt ook een verstrekte individuele inkomenstoeslag op grond van artikel 36 PW niet tot de middelen van belanghebbende gerekend.
-
7. Het college kan van (verdere) invordering afzien als het in te vorderen bedrag minder dan € 100,00 bedraagt, terwijl verrekening met de uitkering of het gereserveerde vakantiegeld niet (meer) mogelijk is.
Artikel 5.12: Terugbetaling van leenbijstand
-
1. Belanghebbende dient de bijstand, die is verstrekt in de vorm van een renteloze geldlening, als bedoeld in artikel 48, tweede lid, PW, volledig terug te betalen, behalve in de gevallen zoals beschreven in de volgende leden.
-
2. Is leenbijstand verstrekt voor duurzame gebruiksgoederen, dan dient belanghebbende deze binnen een periode van 36 maanden terug te betalen. Na 36 maanden vindt kwijtschelding van de restsom plaats, als de belanghebbende de terugbetalingsverplichting steeds is nagekomen. De betalingscapaciteit is als volgt berekend:
- a.
voor belanghebbenden met een inkomen op bijstandsniveau: 5% van de bijstandsnorm inclusief vakantiegeld per maand;
- b.
voor belanghebbenden met een inkomen hoger dan de bijstandsnorm: 5% van de bijstandsnorm inclusief vakantiegeld per maand, plus het meerinkomen.
- a.
-
3. Als leenbijstand is verstrekt omdat er sprake is geweest van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid in de voorziening van het bestaan, dan geldt een terugbetalingsregeling van 5% van de bijstandsnorm inclusief vakantiegeld per maand. Na 36 maanden is in dit geval geen kwijtschelding mogelijk.
Artikel 5.13: Samenloop met een maatregel
-
1. Als het college een vordering tot terugbetaling van de uitkering of een bestuurlijke boete verrekent met de uitkering, is het ten uitvoer leggen van een maatregel nog slechts mogelijk voor zover de maatregel het gedeelte van de uitkering boven de beslagvrije voet niet te boven gaat.
-
2. Als er door het opleggen van een maatregel geen ruimte meer is voor verrekening of beslaglegging, dan schort het college de invordering voor de duur van de maatregel op.
Hoofdstuk 6: Verhaal
Artikel 6.1: Gebruikmaking van de wettelijke bevoegdheid
-
1. Het college verhaalt de kosten van bijstand tot aan de grens van de onderhoudsplicht als bedoeld in Boek I van het Burgerlijk Wetboek tot maximaal de totale kosten van bijstand:
- a.
op degene die bij het ontbreken van gezinsverband zijn onderhoudsplicht jegens zijn echtgenoot, geregistreerd partner, of minderjarig kind niet of niet behoorlijk nakomt;
- b.
op degene die zijn onderhoudsplicht na echtscheiding of ontbinding van het huwelijk of geregistreerd partnerschap, dan wel na scheiding van tafel en bed, niet of niet behoorlijk nakomt;
- c.
op degene die zijn onderhoudsplicht op grond van artikel 395a Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek niet of niet behoorlijk nakomt jegens zijn meerderjarig kind verblijvend in een instelling aan wie bijzondere bijstand is verleend of jegens zijn meerderjarig kind dat op grond van artikel 20 lid 3 PW een verhoging van de algemene bijstand ontvangt op de jongerennorm. ;
- d.
bij een schenking aan een derde door de bijstandsgerechtigde, tenzij aannemelijk is dat de schenker ten tijde van de schenking de noodzaak van de bijstandsverlening redelijkerwijs niet heeft kunnen voorzien;
- a.
-
2. Buiten de gevallen aangegeven in deze beleidsregels vindt geen verhaal plaats.
Artikel 6.2: Afzien van verhaal
-
1. Het college kan geheel of gedeeltelijk van verhaal afzien als daarvoor verifieerbare dringende redenen aanwezig zijn, in de zin dat het opleggen van een verhaalsbijdrage leidt tot onaanvaardbare financiële of sociale consequenties voor de betrokkene(n).
-
2. Als het college inschat dat de dringende redenen slechts van tijdelijke aard zijn, kan het college gedurende een 'afkoelingsperiode' van drie maanden afzien van verhaal, waarna het college door middel van een heronderzoek beziet of zij kan overgaan tot verhaal.
-
3. Wanneer er sprake is van opname in een blijf-van-mijn-lijfhuis onder geheimhouding, ziet het college af van verhaal.
-
4. Als de onderhoudsplichtige een buitenlandse nationaliteit heeft en buiten Nederland woont, dan kan het college afzien van verhaal.
-
5. Als het te verhalen bedrag lager is dan € 50,00 per maand, kan het college afzien van verhaal. Na drie jaar houdt het college dan een heronderzoek om de mogelijkheden van verhaal opnieuw te bezien.
-
6. Het college start geen onderzoek naar de onderhoudsbijdrage in de volgende situaties:
- a.
als het jongste kind 17 jaar is;
- b.
als de onderhoudsgerechtigde binnen zes maanden de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt;
- c.
als een jong-meerderjarige binnen zes maanden 21 jaar wordt;
- d.
als er sprake is van een vordering op de nalatenschap.
- a.
Artikel 6.3: Vaststelling verhaalsbijdrage
-
1. Het college verhaalt de kosten van de bijstand overeenkomstig de rechterlijke uitspraak in de zin van artikel 62b PW, als de onderhoudsplichtige niet aan zijn verplichtingen van de uitvoerbare rechterlijke uitspraak voldoet en overdracht naar het LBIO niet mogelijk is.
-
2. Bij het ontbreken van een uitvoerbare rechterlijke uitspraak stelt het college de verhaalsbijdrage vast aan de hand van de draagkracht van de onderhoudsplichtige en de behoefte van de onderhoudsgerechtigde (en, indien daarvan sprake, van de ten laste komende kinderen), waarbij de laatste van deze twee bedragen leidend is.
-
3. Het college stelt de draagkracht van de onderhoudsplichtige vast conform de zogeheten TREMA-normen, zoals gepubliceerd in het Tijdschrift voor Rechterlijke Macht.
-
4. De onderhoudsplichtige wordt aangeschreven om bewijsstukken aan te leveren. Wanneer er geen bewijsstukken worden aangeleverd, wordt gebruik gemaakt van de gegevens zoals opgenomen in Suwinet.Het college hoeft eerdere afspraken die zijn gemaakt tussen de onderhoudsgerechtigde(n) en de onderhoudsplichtige(n) - zoals een convenant - niet mee te wegen in het besluit.
-
5. Wanneer in het geheel geen inkomsten van onderhoudsplichtige bekend zijn, wordt ambtshalve de maandelijks aan onderhoudsgerechtigde verstrekte netto bijstand als verhaalsbijdrage opgelegd.
-
6. Een opgelegde verhaalsbijdrage gaat in per datum eerste aanschrijving.
Artikel 6.4: Debiteuren heronderzoek verhaal
-
1. De volgende termijnen gelden voor het starten van een heronderzoek verhaal:
- a.
als op voorhand duidelijk is dat de onderhoudsplichtige geen draagkracht heeft, start het college na drie jaar een heronderzoek op;
- b.
als de onderhoudsplichtige gegevens heeft ingeleverd en uit de berekening blijkt dat er geen draagkracht is, dan start het college na drie jaar een heronderzoek op;
- c.
als de onderhoudsplichtige gegevens heeft ingeleverd, en er is een onderhoudsbijdrage opgelegd, dan start het college na drie jaar een heronderzoek op;
- d.
als het college kan aannemen dat de omstandigheden van de onderhoudsplichtige op korte termijn wijzigen of reeds gewijzigd zijn, start zij direct een heronderzoek op.
- a.
-
2. Als de onderhoudsplichtige daartoe aanleiding ziet vanwege gewijzigde omstandigheden, kan deze verzoeken om een heronderzoek over zijn of haar financiële draagkracht. Het college onderzoekt of de omstandigheden aanleiding geven tot gewijzigde vaststelling van het verhaalsbedrag en kan besluiten tot gewijzigde vaststelling van het verhaalsbedrag.
-
3. De omstandigheden, zoals bedoeld in het eerste lid, onderdeel d en het tweede lid, dienen van wezenlijke invloed te zijn op de reeds opgelegde verhaalsbijdrage, in die zin dat er aanwijzing moet zijn dat het college de onderhoudsbijdrage per maand omhoog of omlaag zou moeten bijstellen.
-
4. Als er een rechterlijke uitspraak is, waarin de onderhoudsverplichting is opgenomen dan:
- a.
herziet het college de onderhoudsbijdrage bij het aantoonbaar ontbreken van draagkracht;
- b.
vraagt de onderhoudsplichtige de rechter om een herbeoordeling van zijn onderhoudsbijdrage, wanneer er aantoonbaar draagkracht aanwezig is.
- a.
Hoofdstuk 7: Taaleis
Artikel 7.1: Aantonen kennis Nederlandse taal
-
1. Wanneer belanghebbende in de leerplichtige leeftijd tenminste acht jaren in Nederland heeft gewoond, gaat het college ervan uit dat de belanghebbende gedurende acht jaar Nederlandstalig onderwijs heeft gevolgd.
-
2. Met rapporten of diploma's van erkende Nederlandse onderwijsinstellingen, zowel basis- als voortgezet of beroepsonderwijs, toont belanghebbende het volgen van Nederlandstalig onderwijs aan. Dit kan ook particulier onderwijs of Nederlandstalig onderwijs in het buitenland zijn.
-
3. Een diploma inburgering of een gelijkwaardig document geldt als bewijs dat belanghebbende de Nederlandse taal beheerst en aan de taaleis voldoet.
-
4. Wanneer belanghebbende niet voldoet aan een of meerdere van de onder het eerste tot en met het derde lid van dit artikel genoemde voorwaarden, kan hij met een eigen verklaring of een andersoortig document aantonen te voldoen aan het referentieniveau. Bij twijfel aan deze verklaring kan de gemeente ervoor kiezen toch een taaltoets te (laten) afnemen.
Artikel 7.2: De taaltoets
-
1. Het college laat de taaltoets uitvoeren door een door het college aangewezen organisatie.
-
2. Naast het oordeel over de taalvaardigheid zal de onder het eerste lid van dit artikel genoemde organisatie ook een oordeel geven over de meest geschikte taaltraining voor belanghebbende, hierbij uitgaande van de goedkoopst adequate voorziening.
Artikel 7.3: Geen verplichting tot taaltoets
Het college laat geen taaltoets uitvoeren als:
- a.
er geen bewijs is voor taalvaardigheid of er twijfel bestaat ondanks een eigen verklaring zoals bedoeld in artikel 2, maar uit de individuele situatie van belanghebbende blijkt dat er belemmeringen zijn richting arbeidsmarkt;
- b.
tijdens een vorige uitkeringsperiode al een taaltoets is afgenomen of is vastgesteld dat belanghebbende de Nederlandse taal in voldoende mate beheerst;
- c.
tijdens een vorige uitkeringsperiode al een taaltoets is afgenomen en is vastgesteld dat belanghebbende de Nederlandse taal onvoldoende beheerst, maar ook is vastgesteld dat door in de persoon gelegen factoren belanghebbende niet in staat is om de Nederlandse taal op referentieniveau macht te kunnen beheersen, of er anderszins belemmeringen zijn richting arbeidsmarkt;
- d.
belanghebbende een uitkering heeft genoten in een andere gemeente en in die gemeente al een taaltoets heeft afgelegd, of in die gemeente is vastgesteld dat er sprake is van voldoende taalvaardigheid;
- e.
het gaat om naar zijn aard kortdurende bijstand, bijvoorbeeld bij een op handen zijnde emigratie of terminale ziekte.
Artikel 7.4: Kennisgeving en (geen) verdere bereidverklaring
Als een taaltoets is afgenomen en de uitkomst daarvan is dat belanghebbende niet aan de taaleis voldoet, dan geldt de volgende procedure:
- a.
belanghebbende ontvangt binnen acht weken na het afleggen van de taaltoets de kennisgeving met de uitslag van de taaltoets;
- b.
belanghebbende krijgt een gesprek waarbij hij de uitslag van de taaltoets hoort en een passend taaltraject krijgt aangeboden;
- c.
wanneer belanghebbende akkoord gaat met het taaltraject, dan neemt het college het taalplan op in het Plan van Aanpak. Dit is de bereidverklaring om te starten met het leertraject dat moet leiden tot kennis van de Nederlandse taal op referentieniveau 1F. Vervolgens dient de belanghebbende op korte termijn te starten met een taaltraject. Doet belanghebbende dat niet, dan stemt het college de bijstand af volgens de regels in artikel 18 b PW.;
- d.
wanneer belanghebbende niet akkoord gaat met het taaltraject, stemt het college de bijstand af volgens de regels in artikel 18b PW.
Artikel 7.5: Aanbod taaltraject
Het college biedt belanghebbende een taaltraject aan. Het gaat hierbij om maatwerk en het college gaat uit van de goedkoopst adequate voorziening.
Artikel 7.6: Het volgen van de voortgang van het taaltraject
-
1. In het taalplan staat het startniveau van belanghebbende, welk niveau haalbaar is en hoe lang belanghebbende bij benadering nodig heeft om dit niveau te bereiken. Dit taalplan is onderdeel van het plan van aanpak en is het uitgangspunt voor de beoordeling van de inspanningen van de belanghebbende.
-
2. Het college volgt de inspanning en de vorderingen ieder half jaar via een participatiegesprek.
-
3. Om blijk te geven van diens inspanningen overlegt belanghebbende een overzicht van aanwezigheid, getekend door het opleidingsinstituut, voortgangsrapportages en eventueel een eindrapport.
-
4. Wanneer belanghebbende geen vorderingen maakt, of aan het einde van de periode die nodig zou zijn niet het referentieniveau heeft bereikt, en dit is niet verwijtbaar, stopt het taaltraject en neemt het college dit op in het persoonsdossier. Het college legt in dit geval in een besluit vast dat er geen inspanningsverplichting is om aan de taaleis te voldoen.
Artikel 7.7: Het ontbreken van verwijtbaarheid
Elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt in ieder geval als belanghebbende:
- a.
een ontheffing heeft van de inburgering op grond van de Wet inburgering;
- b.
minimaal eenmaal een taalcursus heeft gevolgd en door de educatie-instelling is vastgesteld dat door in de persoon gelegen factoren belanghebbende niet in staat is om de Nederlandse taal op referentie niveau 1F te behalen;
- c.
een ontheffing heeft van de arbeidsverplichtingen of een algemene ontheffing op grond van psychische, fysieke of sociale problematiek.
Artikel 7.8: Relatie met de Wet inburgering
Wanneer belanghebbende is begonnen met een leertraject in het kader van de Wet inburgering, kan het college dit aanmerken als 'voldoende inspanning' van de kant van de belanghebbende, zoals bedoeld in de Wet taaleis.
Artikel 7.9: Relatie met de Wet educatie
Wanneer belanghebbende voor de ingangsdatum van de Wet taaleis is begonnen met een taaltraject in het kader van de Wet educatie beroepsonderwijs en dit traject nog loopt, dan merkt het college dit aan als 'voldoende inspanning' van de kant van de belanghebbende, zoals bedoeld in de Wet taaleis.
Hoofdstuk 8: Slotbepaling
Artikel 8.1: Hardheidsclausule
Het college kan in bijzondere gevallen, ten gunste van de belanghebbende, afwijken van de bepalingen in deze beleidsregels, indien toepassing van deze regels tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.
Artikel 8.2: Citeertitel
Deze beleidsregels worden aangehaald als ‘Beleidsregels terugvordering, invordering en verhaal 2026 gemeente Goirle.
Artikel 8.3: Inwerkingtreding
Deze beleidsregels treden in werking op de dag na bekendmaking.
Ondertekening
Aldus vastgesteld op 17 maart 2026,
Het college van burgemeesters en wethouders van Goirle,
Secretaris
Mark van Beers
Burgemeester
Mark van Stappershoef
Toelichting
Hier volgt waar nodig toelichting op de beleidsregels.
Hoofdstuk 3: Detectie en controle
Het doel is om fraudesignalen in een vroeg stadium te signaleren, zodat het college hierop direct adequaat kan reageren. Met vroegtijdig ingrijpen blijft de (financiële) schade voor zowel de klant als de gemeente zoveel mogelijk beperkt. Het toezicht is niet enkel gericht op doelbewuste schending inlichtingenplicht (misbruik) tegen te gaan. Als het onbedoelde schending inlichtingenplicht (fout, vergissing) betreft, dan dient dat uiteraard ook gesignaleerd te worden en de onrechtmatigheid te worden hersteld middels een herziening, intrekking of beëindiging en geheel of gedeeltelijke terugvordering van de ten onrechte verstrekt bijstand.
Hoofdstuk 4: Maatregelen en bestuurlijke boete
ls de belanghebbende, ondanks het vroegtijdig informeren en de controles, toch de regels overtreedt, zal het college overgaan tot het opleggen van een maatregel of een boete..
Bij het opleggen van een maatregel is het doel de situatie te herstellen en naleving te stimuleren. Het is geen straf, maar een correctie op het recht op uitkering. Het is een verlaging van de bijstandsuitkering die wordt opgelegd bij het niet nakomen van verplichtingen die aan de bijstand zijn verbonden, zoals de arbeidsplicht, re-integratieplicht, taaleis, medewerkingsplicht of het zich onthouden van ernstig gedrag tegenover ambtenaren.
Een boete is een punitieve (bestraffende) sanctie die wordt opgelegd bij schending van de inlichtingenplicht. De boete is bedoeld om normoverschrijdend gedrag af te schrikken en naleving van de inlichtingenplicht te stimuleren.
Artikel 4:1: Verwijtbaarheid
Wanneer het voornemen bestaat om een maatregel of een boete op te leggen, beziet het college of de belanghebbende de opgelegde verplichting verwijtbaar heeft geschonden. De bewijslast om aan te tonen dat de schending niet of verminderd verwijtbaar is, ligt bij betrokkene. Ontbreekt iedere vorm van verwijtbaarheid, dan legt het college geen maatregel of boete op. Dit zelfde geldt als er sprake is van een rechtvaardigingsgrond, zoals overmacht of noodweer.
Het college dient de hoogte van de bestuurlijke boete af te stemmen op de mate van verwijtbaarheid, beoordeeld naar de omstandigheden waarin belanghebbende verkeerde op het moment dat hij de inlichtingenplicht had moeten nakomen. Hierbij dient het college te toetsen of er sprake is van opzettelijk handelen of het opzettelijk niet nakomen van de inlichtingenplicht, grove nalatigheid van het nakomen van de inlichtingenplicht dan wel of er sprake is van verminderde verwijtbaarheid.
Opzet
Onder opzet is te verstaan het willens en wetens handelen of nalaten in strijd met de inlichtingenplicht, met het doel om zichzelf te bevoordelen en de gemeente te benadelen. Er is niet alleen sprake van opzet als het motief is om doelbewust de inlichtingenplicht te overtreden. Onder opzet is ook te verstaan 'voorwaardelijk opzet' : het doelbewust handelen (willens) en op de koop toenemen (wetens) dat het handelen of nalaten tot gevolg heeft dat men een beboetbare overtreding begaat. Opzet onderscheidt zich ten aanzien van grove schuld in het 'willens' omdat het mogelijk is vast te stellen dat er sprake is van doelbewust handelen. Hiervan kan sprake zijn als gedurende een langere periode meerdere malen is gevraagd naar inkomsten (inkomstenverklaringen, heronderzoeken) en belanghebbende consequent heeft aangegeven dat hiervan geen sprake is. De stelplicht en bewijslast om aan te tonen dat er sprake is van opzet ligt bij het college.
Grove schuld
Bij grove schuld is sprake van ernstige, aan opzet grenzende nalatigheid of verregaande slordigheid. De verwijtbaarheid ligt hoger dan de normale 'gemiddelde' verwijtbaarheid. Belanghebbende is zich bewust (het 'wetens') dat zijn gedrag tot gevolg kon hebben dat het college een te hoog bedrag aan uitkering zou kunnen toekennen. Grove schuld onderscheidt zich van (voorwaardelijk) opzet in de bedoeling van de belanghebbende en diens houding. In het geval van grove schuld is dit namelijk een optimistische: de belanghebbende is zich weliswaar bewust dat hij de inlichtingenplicht overtreedt maar gat lichtzinnig om met de mogelijke gevolgen of overziet deze niet. Belanghebbende zou de overtreding niet voltooien als hij had geweten dat de gevolgen zich daadwerkelijk zouden manifesteren. Het verwijt dat belanghebbende is te maken, is dat hij teveel risico heeft genomen met zijn gedrag. De stelplicht en bewijslast om aan te tonen dat er sprake is van grove schuld, ligt bij het college.
Normale verwijtbaarheid
Er is sprake van 'normale verwijtbaarheid' als geen sprake is van het opzettelijk handelen of het opzettelijk niet nakomen van de inlichtingenplicht of grove nalatigheid van het nakomen van de inlichtingenplicht. Normale verwijtbaarheid onderscheidt zich van grove schuld dat belanghebbende redelijkerwijs had moeten of kunnen begrijpen dat zijn gedrag van invloed kan zijn voor de uitkering, maar zich hier niet van bewust is geweest, waar hij dat wel had moeten zijn. Belanghebbende kent de reikwijdte van de inlichtingenplicht (kenbaarheidsvereiste) meer er is niet gebleken dat de inlichtingenplicht 'willens' en/of 'wetens' is overtreden. Als het voor belanghebbende onduidelijk is of hij informatie moet doorgeven, ligt het op zijn weg om daarover direct contact op te nemen met het cluster sociale zaken. Het is niet aan belanghebbende om te beoordelen welke inlichtingen al dan niet als relevant zijn aan te merken.
Verminderde verwijtbaarheid
Uit artikel 2a Boetebesluit Socialezekerheidswetten volgt dat in ieder geval de volgende criteria leiden tot verminderde verwijtbaarheid:
- •
ten tijde van de overtreding was sprake van onvoorziene en ongewenste omstandigheden die niet behoren tot het normale levenspatroon en die het de belanghebbende feitelijk niet onmogelijk maakten aan de inlichtingenplicht te voldoen;
- •
belanghebbende verkeerde in een zodanige geestelijke toestand dat hem de overtreding niet volledig valt aan te rekenen;
- •
belanghebbende geeft een wijziging van omstandigheden niet onverwijld door, maar heeft, later dan 60 dagen nadat de wijziging doorgegeven had moeten zijn, alsnog de juiste inlichtingen verstrekt. Hierbij is van belang dat het college de overtreding nog niet heeft geconstateerd en dat de informatie niet is verstrekt in het kader van een onderzoek naar de rechtmatigheid van de uitkering;
- •
er is sprake van 'gedeelde verwijtbaarheid;. Gedeelde verwijtbaarheid betekent dat de overtreding van de inlichtingenplicht of de hoogte van het benadelingsbedrag mede is te wijten aan het college;
- •
er is sprake van een samenstel van omstandigheden, die elk op zich niet, maar in hun onderlinge samenhang beschouwd wel, leiden tot het oordeel dat sprake is van verminderde verwijtbaarheid.
In de volgende gevallen is er geen sprake van verminderde verwijtbaarheid:
- •
de belanghebbende beheerst de Nederlandse taal niet of onvoldoende. Dat belanghebbende de inhoud van de correspondentie niet begrijpt omdat hij de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst, is op zichzelf onvoldoende reden om vast te stellen dat er sprake is van verminderde verwijtbaarheid. Van belanghebbende mag het college verwachten dat hij zich laat informeren over de inhoud en de betekenis ervan;
- •
de belanghebbende is langere tijd niet in staat zijn belangen te behartigen. Het college mag van belanghebbende vergen dat hij ervoor zorgt dat een ander zijn zaken regelt. Laat hij dat na, dan is er geen sprake van verminderde verwijtbaarheid.
Daarnaast is het niet mogelijk categoraal te stellen dat er sprake is van het volledig ontbreken van verwijtbaarheid of van verminderde verwijtbaarheid als de belanghebbende onder bewind staat. Dit moet het college in iedere situatie individueel vaststellen.
Paragraaf 4.2 Maatregel
Artikel 4:3 Waarschuwing bij maatregel
Door eerst een waarschuwing te geven, geeft het college aan belanghebbende een signaal af dat hij fout gehandeld heeft. Het college verlaagt dan niet meteen de uitkering van belanghebbende. Het college legt meteen een maatregel op, wanneer belanghebbende zich al eerder schuldig heeft gemaakt aan een gedraging uit dezelfde categorie. Of wanneer duidelijk is dat de belanghebbende zich ondubbelzinnig niet aan de geschonden verplichting heeft willen houden.
Artikel 4:4: Verzoek tot herzien van een maatregel geüniformeerde arbeidsverplichting
Een belanghebbende kan, als er een maatregel is opgelegd voor schending van één van de geüniformeerde arbeidsverplichtingen, op grond van artikel 18, elfde lid, PW, een verzoek indienen om de maatregel te herzien. Het college kan dit doen, als uit de houding en gedragingen van belanghebbende ondubbelzinnig is gebleken dat hij de verplichtingen weer nakomt. De belanghebbende zal dan wel concrete feiten moeten aandragen. Deze bepaling geeft gemeenten beleidsruimte en geeft de verlaging een reparatoir karakter. Bovendien heeft belanghebbende zo de mogelijkheid om zijn fout te herstellen.
Artikel 4:5: Spreiding maatregel 100% naar twee maanden 50%
Het opleggen van een maatregel van 100% gedurende één maand is de zwaarste sanctie die het college kan opleggen aan een belanghebbende. Bij het opleggen van de maatregel houdt het college rekening met de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van persoon en gezin. Ondanks het feit dat het college tot de conclusie kan komen dat het opleggen van een zware sanctie (maatregel van 100%) op zijn plaats is, kan dit leiden tot ongewenste situaties.
Artikel 4:8 biedt daarom de mogelijkheid om de maatregel van 100% in één maand, te spreiden naar een maatregel van 50% gedurende twee maanden. In het eerste lid zijn gevallen genoemd waarin het college voor deze spreiding kiest. De lijst in het eerste lid is niet limitatief. Ook in andere bijzondere 70 situaties kan het college kiezen voor spreiding van de maatregel van 100% in één maand naar 50% gedurende twee maanden.
Paragraaf 4.3: Bestuurlijke boete
Artikel 4:6 Waarschuwing bij boete
Voor wat betreft de bestuurlijke boete maakt het college gebruik van haar bevoegdheid (artikel 2aa Boetebesluit Socialezekerheidswetten) om in bepaalde gevallen te volstaan met een waarschuwing bij schending van de inlichtingenplicht. Het college legt dan een schriftelijke waarschuwing op als de overtreding van de inlichtingenplicht niet heeft geleid tot een benadelingsbedrag, of als het netto benadelingsbedrag lager is dan € 150,00. Daarnaast legt het college een schriftelijke waarschuwing op, als de inlichtingenplicht te laat, maar nog wel binnen 60 dagen uit eigen beweging is nagekomen. Hierbij is van belang dat het college de overtreding nog niet heeft geconstateerd en dat de informatie niet is verstrekt in het kader van een onderzoek naar de rechtmatigheid van de uitkering.
Wanneer twee jaar voorafgaand aan de overtreding al eerder een waarschuwing of boete is opgelegd, kan het college niet (meer)volstaan met een waarschuwing. Bovendien volstaat het college niet met een schriftelijke waarschuwing als de overtreding van de inlichtingenplicht opzettelijk is gedaan. De stelplicht en bewijslast hiervan ligt bij het college. Als de inlichtingenplicht opzettelijks is overtreden, legt het college de minimale boete van € 150,00 op. Behoudens verminderde verwijtbaarheid, volstaat het college in alle overige situaties met een boete van € 40,00. Als sprake is van verminderde verwijtbaarheid, volstaat het college met een schriftelijk waarschuwing.
Artikel 4:7: Vaststellen hoogte bestuurlijke boete
Als het college een boete oplegt, dient zij de evenredigheid te beoordelen. Het college verlaagt de boete als dit vanwege bijzondere omstandigheden noodzakelijk is door de vaststelling van een evenredige bestuurlijke boete. Toepassing hiervan zal in de praktijk zelden voorkomen, omdat met dit artikel al voldoend rekening is gehouden met de omstandigheden waaronder de overtreding is begaan en de financiële omstandigheden van belanghebbende.
De boete kan in ieder geval niet hoger zijn dat dat iedere belanghebbende, ongeacht zijn eventuele draagkracht in inkomen of vermogen, in bijstandsbehoeftige omstandigheden binnen een redelijke termijn kan voldoen. Daarbij gaat het college er van uit dat belanghebbende in ieder geval de beschikking kan hebben over een inkomen, gelijk aan een bijstandsuitkering. Het gedeelte van het inkomen dat belanghebbende in ieder geval zou kunnen aanwenden voor het betalen van de boete, stelt het college fictief vast op 10% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm. Daarbij gaat het college eraan voorbij of deze (theoretische) ruimte in de praktijk op andere wijze is beperkt of ingenomen. Dit zou anders betekenen dat vanwege het ontbreken van inkomsten of ruimte voor beslag er geen boete mogelijk is. Het uitgangspunt van een redelijke termijn is 24 maanden bij opzet, 18 maanden bij grove schuld, 12 maanden bij 'normale verwijtbaarheid' en 6 maanden bij verminderde verwijtbaarheid. Met inachtneming van de mate van verwijtbaarheid is de boete in ieder geval niet hoger dan het aantal maanden vermenigvuldigd met 10% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm. Als het hieruit voortvloeiende boetebedrag niet leidt tot een evenredige bestuurlijke boete, is het mogelijk de boete verder te matigen als dit vanwege bijzondere omstandigheden noodzakelijk is. Toepassing hiervan zal in de praktijk zelden voorkomen omdat met toepassing van dit artikel al voldoende rekening is gehouden met de omstandigheden waaronder de overtreding is begaan en de financiële omstandigheden van de belanghebbende.
Voor het bepalen van de hoogte van de boete gaat het college uit van het benadelingsbedrag dat is ontstaan als gevolg van de overtreding van de inlichtingenplicht. Uitgangspunt is dat de maximale boete die het college kan opleggen gelijk is aan het benadelingsbedrag dat is ontstaan als gevolg van het niet nakomen van de inlichtingenplicht.
Als er sprake is van opzet, is er sprake van zo zware verwijtbaarheid dat het opleggen van de maximale boete is gerechtvaardigd. Bij grove schuld is 75% van dat bedrag een passend uitgangspunt. Is er geen sprake van opzet en ook niet van grove schuld, dan is 50% van het benadelingsbedrag het uitgangspunt. Als er sprake is van verminderde verwijtbaarheid is, in afwijking van artikel 3, vierde lid, Boetebesluit Socialezekerheidswetten, 10% van het benadelingsbedrag het uitgangspunt. Als bij de beoordeling van de boete blijkt dat meerdere verlagingen van toepassing zijn, dan geldt het (voor de belanghebbende) meest gunstige percentage.
De boete kan in ieder geval niet hoger zijn dat dat iedere belanghebbende, ongeacht zijn eventuele draagkracht in inkomen of vermogen, in bijstandsbehoeftige omstandigheden binnen een redelijke termijn kan voldoen. Daarbij gaat het college er van uit dat belanghebbende in ieder geval de beschikking kan hebben over een inkomen, gelijk aan een bijstandsuitkering. Het gedeelte van het inkomen dat belanghebbende in ieder geval zou kunnen aanwenden voor het betalen van de boete, stelt het college fictief vast op 10% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm. Daarbij gaat het college eraan voorbij of deze (theoretische) ruimte in de praktijk op andere wijze is beperkt of ingenomen. Dit zou anders betekenen dat vanwege het ontbreken van inkomsten of ruimte voor beslag er geen boete mogelijk is. Het uitgangspunt van een redelijke termijn is 24 maanden bij opzet, 18 maanden bij grove schuld, 12 maanden bij 'normale verwijtbaarheid' en 6 maanden bij verminderde verwijtbaarheid. Met inachtneming van de mate van verwijtbaarheid is de boete in ieder geval niet hoger dan het aantal maanden vermenigvuldigd met 10% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm. Als het hieruit voortvloeiende boetebedrag niet leidt tot een evenredige bestuurlijke boete, is het mogelijk de boete verder te matigen als dit vanwege bijzondere omstandigheden noodzakelijk is. Toepassing hiervan zal in de praktijk zelden voorkomen omdat met toepassing van dit artikel al voldoende rekening is gehouden met de omstandigheden waaronder de overtreding is begaan en de financiële omstandigheden van de belanghebbende.
In overeenstemming met artikel 2 Boetebesluit Socialezekerheidswetten rondt het college de bestuurlijke boete naar boeven af op een veelvoud van € 10,00. Omdat de boete nooit hoger is vast te stellen dan het ontstane benadelingsbedrag, rondt het college de boete af op een veelvoud van € 10,00 naar beneden als er sprake is van opzettelijk handelen of opzettelijk niet nakomen van de inlichtingenplicht.
Artikel 4:8: Procedure en zienswijze
Als het college het voornemen heeft om een boete op te leggen, waarbij de boete hoger is dan het bedrag vermeld in artikel 5:53 Awb (per 01-07-2017: € 340,00), dan stelt het college de belanghebbende altijd in de gelegenheid om zijn zienswijzen kenbaar te maken. Dit is de zogenoemde zware procedure. Het college informeert de belanghebbende per brief (dit is het rapport of proces verbaal) over het voornemen van het college om een boete op te leggen. In deze brief nodigt het college de belanghebbende uit om binnen een bepaalde termijn te reageren op het voornemen. Belanghebbende kan zijn zienswijzen zowel schriftelijk (brief, email) als mondeling (telefonisch, persoonlijk gesprek) kenbaar maken. Wanneer de belanghebbende niet reageert, gaat het college ervan uit dat belanghebbende geen gebruik wil maken van de gelegenheid om zijn zienswijzen in te brengen.
Als er sprake is van mondeling horen, dan geldt het zwijgrecht. Niemand is verplicht om mee te werken aan wijn eigen veroordeling. Voorafgaand aan het verhoor wijst het college de belanghebbende erop dat hij dit zwijgrecht heeft . Dit is de zogenaamde cautie.
Hoofdstuk 5: Terugvordering en invordering
Artikel 5.2: Dringende redenen
Dringende redenen kan voor het college reden zijn om bijvoorbeeld af te zien van terugvordering. Of van verhaal. Wat we moeten verstaan onder dringende redenen is moeilijk te omschrijven. Als het college een besluit neemt tot terugvordering, of het instellen van verhaal, dan beoordeelt het college alle relevante feiten en omstandigheden. Een combinatie van die feiten en omstandigheden kan aanleiding zijn om aan te nemen dat er sprake is van dringende redenen. In artikel 5:2 is voor terugvordering en verhaal bepaald welke omstandigheden we in ieder geval aanmerken als 'dringende redenen', op grond waarvan het college afziet van terugvordering of verhaal. De lijst is niet limitatief bedoeld, maar slechts als houvast voor zowel de klant als de medewerkers die belast zijn met de uitvoering.
Artikel 5.3: Paspoortsignalering
Als een belanghebbende met een vordering van meer dan € 5.000,00 nalatig is in het nakomen van zijn betalingsverplichting en het gegronde vermoeden bestaat dat hij in het buitenland woonachtig is, voorziet de Paspoortwet in artikel 22 in de mogelijkheid het paspoort te weigeren dan wel vervallen te verklaren. Een verzoek tot opneming in het Register Paspoortsignalering kan het college indienen bij het agentschap Basisadministratie Persoonsgegevens en Reisdocumenten (BPR, een agentschap van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties). Na opname in het register Paspoortsignaleringen houdt de bevoegde instantie de aanvraag om een nieuw Nederlands paspoort aan en verwijst zij de belanghebbende door naar de signalerende instantie om een regeling te treffen voor het aflossen van zijn schuld(en). De opname in het Register Paspoortsignalering blijft twee jaar van kracht. Via een heronderzoek bewaakt het college eventuele continuering na afloop van deze twee jaar. De gemeente Goirle gaat van deze mogelijkheid gebruik maken en zal altijd een verzoek tot opneming in het register indienen als er een schuld openstaat van meer dan € 5.000,00.
Paragraaf 5:2 Terugvordering
Artikel 5.6: Afzien van terugvordering bij niet verwijtbare vorderingen
Ook als het college teveel betaalde bijstand terugvordert, waarbij geen schending van de inlichtingenplicht heeft plaatsgevonden, maakt zij altijd gebruik van onze bevoegdheid tot terugvordering. In sommige gevallen vordert het college wel terug, maar ziet zij af van (dwang)invordering. Het college verzoekt de klant wel om de teveel betaalde bijstand terug te betalen, maar ziet dan af van verdere incassomaatregelen. De gevallen waarin dit aan de orde is zijn opgenomen in het tweede lid. Deze gevallen hebben deels een gelijkenis met de bepalingen van artikel 58, zevende en achtste lid, PW. Hierdoor staat een zekere gelijkheid. In andere gevallen maakt het college een kosten-batenanalyse. Bijvoorbeeld wanneer we afzien van invordering als het terug te vorderen bedrag minder dan € 100,00 bedraagt en verrekening met de uitkering niet (meer) mogelijk is. De gedachte hierachter is dat het starten van een invorderingsprocedure, inclusief incasso, meer geld kost dan het oplevert aan teruggevorderde bijstand.
Paragraaf 5.3: Invordering
Artikel 5.11: Volgorde van invordering
In het eerste lid is bepaald dat de aflossingen het eerst in mindering worden gebracht op de oudste vordering, tenzij er ook sprake is van een boete. Hiermee wordt recht gedaan aan het lik-op-stuk beleid dat het Ministerie voorstaat als het gaat om de invordering van boetes. Boetes worden bij voorrang geïnd.
Echter kunnen er situaties ontstaan, waarin dit toch ongewenste effecten heeft. De boete is een concurrente vordering en wordt bij beslaglegging door een preferente schuldeiser opzijgezet. Bij beslaglegging door een concurrente schuldeiser zou de aflossingsruimte naar rato verdeeld moeten worden. Dit zou betekenen dat de gemeente noch de vordering noch de boete int, ofwel de boete minder snel zou kunnen innen.
De bijstandsvordering is wel preferent. Door het tweede lid onder a op te nemen wordt die preferentie ten uitvoer gelegd bij beslaglegging door een derde schuldeiser, zodat in elk geval een deel van de aflossingsruimte ten goede komt aan de bij de gemeente openstaande bedragen.
Een ander ongewenst effect zou kunnen zijn dat de vordering gebruteerd moet worden, omdat deze vordering niet binnen het kalenderjaar kan worden afgelost vanwege de voorrang, die aan de inning van de boete wordt gegeven. Het tweede lid onder b heeft dus voor ogen het voorkomen van onnodige hogere schuldenlast voor de belanghebbende.
Artikel 5.12: Mogelijkheden van invordering
Het uitgangspunt is dat de vordering voor zover mogelijk wordt verrekend met de uitkering volgens de bepalingen van artikel 60, derde en vierde lid, PW dan wel artikel 28, derde en vierde lid, IOAW/IOAZ.
Wanneer er geen lopende uitkering is of verrekening met een lopende uitkering is niet mogelijk, dan moet belanghebbende voor zover mogelijk de vordering binnen zes weken in één keer terugbetalen.
Wanneer terugbetaling van de vordering binnen zes weken niet mogelijk is, kan met belanghebbende een betalingsregeling worden afgesproken.
Het verzoek om een betalingsregeling wordt afgewezen voor zover de belanghebbende beschikt over middelen die, gelet op de omstandigheden van belanghebbende, redelijkerwijs te gelde kunnen worden gemaakt. De vermogensvrijlating als bedoeld in artikel 34, derde lid, PW is niet van toepassing.
Het uitgangspunt bij het treffen van een betalingsregeling is dat de gehele vordering wordt terugbetaald binnen 18 maanden. Als belanghebbende aangeeft en aannemelijk maakt dat terugbetaling binnen 18 maanden niet mogelijk is, wordt bij de betalingsregeling het aflossingsbedrag berekend op basis van het VTLB.
Bij het bepalen van het inkomen is artikel 31, tweede lid, PW van toepassing. In aanvulling op artikel 31, tweede lid, PW wordt ook een verstrekte individuele inkomenstoeslag op grond van artikel 36 PW niet tot de middelen van belanghebbende gerekend.
Het college kan van (verdere) invordering afzien als het in te vorderen bedrag minder dan € 100,00 bedraagt, terwijl verrekening met de uitkering of het gereserveerde vakantiegeld niet (meer) mogelijk is.
Artikel 5.13: Invorderingskosten
Op grond van artikel 4:120 Awb is het mogelijk om bij belanghebbende de kosten van een dwangbevel en de tenuitvoerlegging daarvan in rekening te brengen. Daarnaast is het college ook op grond van artikel 58, lid 5, PW bevoegd om bij niet tijdige betaling de vordering te verhogen met de op de terugvordering betrekking hebbende kosten. Invorderingskosten moeten, net als in het reguliere betalingsverkeer, voor rekening van de onwillige debiteur komen. Het is onweerlegbaar dat een onwillige debiteur extra werkzaamheden veroorzaakt voor de gemeente en daarmee ook extra kosten in de uitvoering. In de incassopraktijk wordt gewerkt met een forfaitair percentage van meestal 15% van de hoofdsom. Het is voor de gemeente redelijk om de kosten van invordering te bepalen op 15% van de (resterende) vordering (exclusief rente), met een vastgesteld minimum en maximum. Als de debiteur meerdere vorderingen onbetaald laat, kunnen op elk van de afzonderlijke vorderingen de kosten van de invordering in rekening worden gebracht.
Artikel 5.14: Terugbetaling van leenbijstand
Als het college bijstand heeft verstrekt in de vorm van een geldlening, moet de klant de lening volledig terugbetalen. Een uitzondering staat beschreven in het tweede lid. De uitzondering handelt over leenbijstand die het college heeft verstrekt voor duurzame gebruiksgoederen. De belanghebbende kan na 36 maanden kwijtschelding van de restsom krijgen, als hij zich aan de terugbetalingsverplichtingen heeft gehouden. De betalingscapaciteit staat ook beschreven in het tweede lid. Er is geen kwijtschelding mogelijk als leenbijstand is verstrekt omdat sprake is geweest van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid. De hoogte van de aflossing is in het geval van tekortschietend besef ook hoger vastgesteld dan bij verstrekking van leenbijstand voor duurzame gebruiksgoederen. Dit is te rechtvaardigen omdat de klant bij tekortschietend besef van verantwoordelijkheid een beroep op bijstand doet, terwijl dit eigenlijk niet nodig zou zijn geweest.
Artikel 5.15: Samenloop met een maatregel
De situatie kan zich voordoen dat het college een vordering van de belanghebbende invordert via inhouding op de uitkering, maar dat het college dezelfde belanghebbende daarnaast een maatregel oplegt. Bijvoorbeeld wegens schending van de arbeidsverplichtingen. Als het college de maatregel ten uitvoer gaat leggen, terwijl zij ook de vordering verrekent via de uitkering, leidt dit mogelijk tot problemen. Omdat de belanghebbende vanwege de inhouding op de uitkering ter aflossing van de vordering slechts kan beschikken over een inkomen ter hoogte van de beslagvrije voet, treft de maatregel hem harder dan noodzakelijk. De belanghebbende zal het ervaren als een dubbele straf. Om die reden schort het college de inhouding op de uitkering op, tenzij de maatregel lager is dan het gedeelte van de uitkering dat de beslagvrije voet overstijgt. In dat laatste geval verrekent het college de vordering - naast de maatregel - tot aan de beslagvrije voet.
Hoofdstuk 6: Verhaal
Artikel 6.1: Gebruikmaking van de wettelijke bevoegdheid
Verhaal betekend een beroep doen op de onderhoudsplicht t.a.v. minderjarige kinderen en/of ex-partners. Artikel 61 van de PW bepaalt dat het college kosten van bijstand kan verhalen in de situaties zoals genoemd in de wet en alleen volgens de regels van de PW. Het verhalen van kosten van bijstand is een bevoegdheid van het college. In andere gevallen dan in de wet aangegeven is het college niet bevoegd om de bijstand te verhalen. Het is aan het college om beleid te formuleren of en in welke gevallen het gebruik maakt van de bevoegdheid om de kosten van bijstand te verhalen.
In dit artikel wordt geregeld dat het college gebruik maakt van de bevoegdheid om bijstand te verhalen en in welke gevallen het college gebruik maakt van deze bevoegdheid. In het derde lid wordt benadrukt dat de bijstand uitsluitend wordt verhaald in de in het tweede lid vastgelegde gevallen.
In lid 2 onderdeel a worden de verhaalsmogelijkheden op de (ex)echtgenoot/(ex)echtgenote (en daarmee gelijkgesteld de geregistreerd partner) bedoeld ten aanzien van zijn onderhoudsplicht jegens zijn (ex)echtgenoot en/of minderjarige kinderen.
Voor wat betreft de mogelijkheid tot het verhalen van de bijstand is het overigens niet van belang of een echtscheiding al dan niet heeft plaatsgevonden. Ook juist wanneer het huwelijk nog in stand is, kan bijstand worden verhaald. Er is dan sprake van een ontbrekend gezinsverband (verlating). Overigens geldt daarbij nog de wettelijke verplichting, dat echtgenoten voor elkaar moeten zorgen (artikel 1:81 BW e.v.).
Wanneer de echtscheiding heeft plaatsgevonden, dus al is ingeschreven in de Registers van de Burgerlijke Stand, dan wordt verder verhaald op grond van sub b. Deze beide bepalingen zijn eveneens van toepassing op verhaal ten behoeve van meerderjarige kinderen in het gezin van de bijstandsgerechtigde die in een instelling verblijven of meerderjarige kinderen die een ophoging ontvangen vanuit artikel 20 lid 3 Participatiewet (sub c).
Bijstandsgerechtigden dienen op een verantwoorde wijze met hun vermogen om te gaan. Het schenken of weggeven van (een deel van) het vermogen wordt als onverantwoord beschouwd, wanneer de belanghebbende op het moment van de schenking wist of had kunnen weten, dat hij in bijstandsbehoeftige omstandigheden zou gaan verkeren. Hierbij is ook van belang of met dat geschonken vermogen rekening zou zijn gehouden bij de beoordeling van het recht op bijstand. Wanneer beide vragen bevestigend worden beantwoord, moet de schenking worden verhaald op de ontvangers van de schenking. Overigens gaat het hierbij niet alleen om vermogen in de vorm van geld, maar om alle vermogensbestanddelen, dus bijvoorbeeld ook het schenken van een auto, wanneer met de waarde van deze auto rekening had moeten worden gehouden.
Ten aanzien van de hoogte van het te verhalen bedrag wordt aansluiting gezocht bij de bepalingen en richtlijnen binnen de PW inzake het vermogen. Dit betekent in de eerste plaats, dat alleen wordt verhaald, wanneer het vermogensbestanddelen betreft zoals bedoeld in artikel 34 PW. Verder wordt rekening gehouden met het vrij te laten vermogen, dat voor de aanvrager van toepassing is. Het meerdere boven het vrij te laten vermogen komt voor verhaal in aanmerking.
Bijstandsvorderingen komen niet automatisch te vervallen bij het overlijden van de belanghebbende. De vordering gaat over op de erfgenamen. Wanneer er sprake is van minderjarige en/of studerende kinderen stellen we deze voor hen buiten invordering.
Artikel 6.2: Samenloop met terugvordering
Als de uitkering ten onrechte is verstrekt, dan wordt deze teruggevorderd van de uitkeringsgerechtigde en vindt er geen verhaal (meer) plaats. Als er al wel kosten van bijstand zijn verhaald en het college heeft van de onderhoudsplichtige verhaalsbijdragen ontvangen, dan worden deze terugbetaald aan de onderhoudsplichtige en wordt de vordering op de uitkeringsgerechtigde lager.
Artikel 6.3: Afzien van verhaal
Het college kan afzien van de bevoegdheid om bijstand te verhalen. Hierover gaat artikel 6:13. Het college ziet in ieder geval af van verhaal als sprake is van een opname in een blijf-van-mijn-lijf-huis, op een afdeling waar belanghebbende is opgenomen onder strikte geheimhouding (derde lid). Verblijft een belanghebbende in een blijf-van-mijn-lijfhuis op een afdeling zonder strikte geheimhouding, dan maakt het college wel gebruik van de mogelijkheid van verhaal van bijstand.
Artikel 6.4: Vaststelling verhaalsbijdrage
Wanneer een verhaalsbijdrage rechterlijk is vastgesteld en de onderhoudsplichtige blijft in gebreke met het (tijdig) betalen van deze bijdrage, is het LBIO het aangewezen bureau waartoe men zich moet wenden als de verhaalsbijdrage uitblijft. Het LBIO zorgt ervoor dat de verhaalsbijdrage alsnog wordt betaald en neemt zo nodig de incasso over.
Het LBIO moet echter binnen een bepaalde tijd na het uitblijven van de verhaalsbijdrage worden ingeschakeld. Wanneer men zich te laat tot het LBIO wendt, kan het LBIO de verhaalsbijdrage niet meer vorderen bij de onderhoudsplichtige. In dat geval verhaalt het college de kosten van bijstand op de onderhoudsplichtige overeenkomstige de rechterlijke uitspraak over de verhaalsbijdrage. Wanneer een dergelijke rechterlijke uitspraak ontbreekt, moet het college de verhaalsbijdrage vaststellen. Dit doet zij aan de hand van de draagkracht van de onderhoudsplichtige en de behoefte van de onderhoudsgerechtigde. Het laagste van deze twee bedragen is leidend bij de vaststelling van de verhaalsbijdrage.
De regels over het vaststellen van de draagkracht van de onderhoudsplichtige zijn vastgelegd in de zogeheten TREMA-normen zoals gepubliceerd in het Tijdschrift voor de Rechterlijke Macht. De tremanormen worden regelmatig aangepast. Ook worden de alimentatiebedragen jaarlijks geïndexeerd.
De onderhoudsplichtige wordt gevraagd bewijsstukken aan te leveren om de draagkracht vast te kunnen stellen. Wanneer hier geen gehoor aan wordt gegeven, maakt het college gebruik van de gegevens in Suwinet. Wanneer ook hier geen gegevens van de onderhoudsplichtige in bekend zijn, dan worden de volledig verstrekte kosten van bijstand verhaald op de onderhoudsplichtige.
Hoofdstuk 7: Taaleis
Het niet voldoende beheersen van de Nederlandse taal is nadrukkelijk géén uitsluitingsgrond of toegangsvoorwaarde voor bijstand. De taaleis is alleen van toepassing, als er recht op bijstand bestaat en heeft betrekking op alle bijstandsgerechtigden. De taaleis legt een inspanningsverplichting op aan belanghebbende. Voldoende is, dat de belanghebbende zich inspant om de Nederlandse taal voldoende te gaan beheersen om zo belemmeringen richting re-integratie en de arbeidsmarkt weg te nemen. Hiermee is de Wet taaleis een re-integratie instrument.
Doel van die inspanningsverplichting is om de volgende vaardigheden in de Nederlandse taal op referentieniveau 1F te verwerven:
- •
spreekvaardigheid;
- •
luistervaardigheid;
- •
gespreksvaardigheid;
- •
schrijfvaardigheid;
- •
leesvaardigheid.
Artikel 7.1: Aantonen kennis Nederlandse taal
De belanghebbende moet over een document beschikken waaruit blijkt dat belanghebbende de Nederlandse taal voldoende beheerst. Deze plicht geldt voor iedere belanghebbende.
De bewijslast rust op de belanghebbende. In het eerste lid is bepaald dat, wanneer belanghebbende in de leerplichtige leeftijd (tussen 5 en 16 jaar) tenminste acht jaren in Nederland heeft gewoond, het college ervan uit gaat dat belanghebbende dan gedurende acht jaar Nederlandstalig onderwijs heeft gevolgd. Dit hoeft belanghebbende niet verder te bewijzen, omdat dat duidelijk is vanuit basisregistratie en hiermee ook een feit van algemene bekendheid is, waarvoor geen bewijs nodig is. De leerplichtwet was op dat moment van toepassing.
In het tweede lid zijn voorbeelden van particulier of Nederlandstalig onderwijs in het buitenland opgenomen. Dat zijn:
- •
een Belgisch diploma met een voldoende voor het vak Nederlands cijferlijst (beide documenten voorzien van apostille);
- •
een Surinaams diploma met voldoende voor het vak Nederlands cijferlijst (beide documenten voorzien van apostille);
- •
een diploma van het Europees baccalaureaat van de Europese school, met Nederlands als 1e of 2e taal en een voldoende voor het vak Nederlands;
- •
een getuigschrift International baccalaureaat Middle Years Certificate, International General Certificate of Secondary Education of International Baccalaureaat met een voldoende voor het vak Nederlands.
In het derde lid is bepaald dat naast het diploma inburgering ook de volgende documenten gelijkwaardig zijn aan het diploma inburgering:
- •
een diploma Staatsexamen Nederlands als tweede taal (NT-2), programma I of II;
- •
een WIN-Certificaat, met bijbehorende verklaring van de school, met voldoende niveau voor onderdeel Maatschappij Oriëntatie (t/m 31 augustus 2001 85% of hoger, vanaf 1 september 2001 80% of hoger) en voldoende taalniveau op alle onderdelen (niveau A2);
- •
een Certificaat Inburgering Oudkomers met op alle taalonderdelen niveau A2;
- •
een document waaruit blijkt dat de Verkorte Vrijstellingstoets is afgelegd en behaald; • een certificaat Naturalisatietoets (zoals dit luidde voor 1 april 2007). Hieruit moet blijken dat belanghebbende geslaagd is voor de volgende vijf onderdelen: kennis van staatsinrichting en maatschappij; spreek-, luister-, schrijf- en leesvaardigheid.
Bij een ander document valt te denken aan (deel)certificaten, waaruit blijkt dat men de Nederlandse taal op niveau 1F beheerst (taalcursussen).
In het vierde lid is bepaald dat, wanneer belanghebbende op geen andere manier kan aantonen voldoende taalvaardig te zijn, deze dit nog kan aantonen via een eigen verklaring. Deze vult belanghebbende zelf in. Alleen bij twijfel aan de taalvaardigheid kan het college alsnog een taaltoets afnemen, evenals bij het ontbreken van deze verklaring en van bewijsstukken zoals opgenomen in de andere leden van dit artikel.
Artikel 7.6: Het volgen van de voortgang van het taaltraject
Het college volgt de inspanningen en voortgang van de taaltraining tijdens participatiegesprekken. Het is aan belanghebbende om de inspanningen en vorderingen aan te tonen middels een bewijs van aanwezigheid en rapportages omtrent voortgang. Deze kan belanghebbende opvragen bij het instituut dat de training geeft.
Artikel 7.7: Het ontbreken van verwijtbaarheid
Het ontbreken van elke vorm van verwijtbaarheid kan op meerdere plaatsen in het werkproces van toepassing zijn. Voorbeelden hiervan zijn bij het beoordelen van wel of geen taaltoets en gedurende het taaltraject. De genoemde vormen zijn niet limitatief.
Ziet u een fout in deze regeling?
Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl.
Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl