Permanente link
Naar de actuele versie van de regeling
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR759625
Naar de door u bekeken versie
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR759625/1
Beleidsregels rechtmatigheid 2026 gemeente Goirle
Geldend van 28-03-2026 t/m heden met terugwerkende kracht vanaf 01-01-2026
Intitulé
Beleidsregels rechtmatigheid 2026 gemeente GoirleHet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Goirle;
gelezen het voorstel van 17 maart 2026 ;
gelet op:
- •
titel 4.3. van de Algemene wet bestuursrecht;
- •
artikel 160 lid 1 onder a Gemeentewet;
overwegende dat:
het wenselijk is beleidsregels vast te stellen met betrekking tot rechten en plichten verbonden aan het ontvangen van een bijstandsuitkering en het handhaven hiervan op grond van de Participatiewet (Pw), IOAW, IOAZ of Bbz,
besluit vast te stellen de beleidsregels rechtmatigheid 2026 gemeente Goirle.
Artikel 1: Begripsomschrijvingen
-
1. Alle begrippen die in deze beleidsregels gebruikt worden en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de wet, de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Verzamelverordening PW, IOAW, IOAZ en Bbz 2026.
-
2. In deze beleidsregels wordt verstaan onder:
- a.
Bbz: Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004.
- b.
Bijstandsuitkering: een uitkering voor levensonderhoud op grond van de Participatiewet, IOAW of IOAZ;
- c.
Bijzondere kosten: kosten die voortkomen uit de bijzondere individuele omstandigheden en die niet iedereen heeft;
- d.
Commerciële kamerbewoner: een persoon die een kamer huurt op commerciële basis, en die niet is een bloedverwant in de eerste of tweede graad van de hoofdbewoner. Van huren op commerciële basis is sprake als de woonsituatie voldoet aan het volgende:
- i.
er is sprake van huur op contractbasis; en
- ii.
er is sprake van een commerciële relatie wat blijkt uit de aanwezigheid van een overeenkomst en betaling van een commerciële (huur)prijs; en
- iii.
het te huren deel van de woning is al dan niet samen met gemeenschappelijke ruimtes geschikt voor zelfstandige bewoning; en
- iv.
de kamerbewoner staat ingeschreven in de basisregistratie van de gemeente op het huuradres.
- i.
- e.
Commerciële kostganger: een persoon die op commerciële basis inwoont, en die niet is een bloedverwant in de eerste en tweede graad en tevens bij de verhuurder de maaltijden gebruikt. De woonsituatie moet voldoen aan het volgende:
- i.
er is sprake van vergoeding op contractbasis; en
- ii.
er is sprake van een commerciële relatie, wat blijkt uit de aanwezigheid van een overeenkomst en betaling van een commerciële prijs; en
- iii.
de woning is geschikt voor inwoning en er is toestemming verleend door de eigenaar van het pand; en
- iv.
de kostganger staat ingeschreven in de basisregistratie van de gemeente op het huuradres.
- i.
- f.
Commerciële prijs: hiervan is sprake als de huur, exclusief onder andere servicekosten, of vergoeding hoger is dan de basishuur zoals gebruikt bij de huurtoeslag.
- g.
Co-ouderschap: de verdeling van de zorg- en opvoedtaken van een minderjarig kind/kinderen. Beide ouders nemen een gelijkwaardig deel van de verzorging en opvoeding van hun kinderen voor hun rekening.
- h.
Draagkracht: de middelen uit inkomen en vermogen zoals bedoeld in artikel 31 van de Participatiewet. Tenzij dit anders is bepaald in de beleidsregels. Draagkracht wordt uitgedrukt in een percentage van het inkomen in relatie tot de van toepassing zijnde bijstandsnorm. Draagkracht is het bedrag aan meer-inkomen dat een aanvrager zelf aan noodzakelijke bijzondere kosten moet besteden, voordat bijzondere bijstand wordt verstrekt;
- i.
Forfaitair: dit is een vast en vooraf vastgesteld bedrag dat is afgestemd op de gemiddelde kosten die een inwoner maakt in een bepaalde situatie en niet uitgaat van de daadwerkelijke kosten;
- j.
Gehuwdennorm: de norm zoals bedoeld in artikel 21, onderdeel b, Pw.
- k.
Gift: een gift zoals bedoeld in artikel 31 lid 2 onderdeel m Participatiewet.
- l.
Hoofdbewoner: een belanghebbende die eigenaar of hoofdhuurder is van een woning en die in dezelfde woning hoofdverblijf heeft.
- m.
Kwetsbare jongere: persoon jonger dan 27 jaar zoals opgenomen in artikel 41 lid 4 van de wet aangevuld met de jongere die:
- -
bekend is of ondersteund wordt door erkende maatschappelijke (zorg)organisaties; of
- -
studietoeslag op grond van artikel 36b Pw heeft ontvangen.
- -
vanwege een andere reden aangemerkt kan worden als kwetsbaar.
- -
- n.
Kostendelersnorm: norm voor de hoogte van een uitkering volgens artikel 22a Pw. Naarmate meer mensen in een huis wonen, ontvangt iedere afzonderlijke uitkeringsgerechtigde een lagere uitkering omdat meer mensen de kosten kunnen delen. Personen jonger dan 27 jaar tellen niet mee als kostendeler.
- o.
Mantelzorg: van mantelzorg is sprake als onbetaalde ondersteuning wordt verleend aan een hulpbehoevende met een aantoonbare zorgbehoefte, waarbij deze zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de bestaande sociale relatie, en de gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar overstijgt en niet wordt verleend in het kader van de hulpverlenend beroep;
- p.
Participatiewet: Pw;
- q.
Terugwerkende kracht: een bijstandsuitkering wordt toegekend per datum aanvraag, tenzij er redenen zijn om de uitkering eerder in te laten gaan wegens bijzondere of individuele omstandigheden. Dan kan mogelijk de uitkering eerder in gaan.
- r.
Vermogen: het totaal aan bezittingen minus schulden zoals bedoeld in artikel 34 Participatiewet.
- s.
Vermogensvrijlatingsgrens: het bedrag aan vermogen dat volgens de wet buiten beschouwing blijft.
- t.
Woning: een woning als bedoeld in artikel 1, onderdeel j, Wet op de huurtoeslag, alsmede een woonwagen of woonschip, als bedoeld in artikel 3, zesde lid, Pw.
- u.
Woonkosten:
- i.
als sprake is van bewoning van een huurwoning: de per maand geldende huurprijs, zoals gebruikt voor de huurtoeslag;
- ii.
als sprake is van bewoning van een eigen woning: de tot een bedrag per maand omgerekende som van de ten behoeve van de financiering van de woning verschuldigde hypotheekrente en- aflossing met inbegrip van eventueel ter zake van de hypotheek verplichte verzekeringen, inleggen of premies en de in verband met het in eigendom hebben van de woning te betalen zakelijke lasten en een naar omstandigheden vast te stellen bedrag voor onderhoud.
- i.
- v.
Woonlasten: hetgeen in geld verschuldigd is voor het (mede)gebruik van voorzieningen, aanwezig in de woonruimte waarin de inwoner woont, zoals energiekosten, water etcetera.
- w.
Zorgbehoefte: Van een zorgbehoefte zoals bedoeld in lid 2 onder l van dit artikel, is sprake als degene die verzorging nodig heeft door ziekte of een lichamelijke, verstandelijke of psychische stoornis:
- i.
in aanmerking komt voor een opname in een Wlz-inrichting; en/of
- ii.
langdurig is aangewezen op dagelijkse hulp bij alle of de meeste algemene dagelijkse levensverrichtingen; en/of
- iii.
langdurig is aangewezen op constant toezicht om mogelijk gevaar voor zichzelf of anderen te voorkomen.
- i.
- a.
De aanvraag voor bijstandsuitkering:
Artikel 2: Digitale aanvraag bijstandsuitkering:
-
1. Inwoners kunnen een aanvraag voor algemene bijstand via werk.nl indienen.
-
2. Inwoners kunnen een aanvraag voor bijzondere bijstand doen via de website van de gemeente Goirle.
-
3. Inwoners kunnen hulp krijgen bij het doen van deze aanvragen bij de Formulierenbrigade.
Artikel 3: Verkorte aanvraag:
-
1. Wanneer iemand na het eindigen van de algemene bijstand binnen twaalf maanden een nieuwe aanvraag doet, dan gebruikt het college de gegevens die al bekend zijn vanwege de eerdere bijstandsverlening, artikel 43a, eerste lid, Pw;
-
2. Voorafgaand het gebruik van de bekende gegevens in lid 1, vraagt het college bij een verkorte aanvraag nog de enkele gegevens op bij de inwoner:
- -
Reden aanvraag;
- -
Mogelijke wijzigingen in hoofdverblijf, gezinssituatie, inkomen en vermogen.
- -
Bankafschriften voor het vaststellen van het vermogen;
- -
Andere relevante informatie die nodig is om het recht op bijstand vast te stellen i.v.m. gewijzigde omstandigheden.
- -
-
3. Het college kan besluiten wanneer er sprake is van wijzigingen of onduidelijkheden in de situatie van de inwoner, om over te gaan op een reguliere bijstandsaanvraag.
Artikel 4: Terugwerkende kracht
-
1. Voor wat betreft de ingangsdatum van zowel de algemene bijstand als de bijzondere bijstand, als de uitkering op grond van de IOAW, IOAZ of Bbz, hanteert het college de hoofdregel, zoals neergelegd in artikel 44, eerste lid, PW, respectievelijk artikel 16a, eerste lid, IOAW of IOAZ of artikel 27a in het wijzigingsbesluit Bbz.
-
2. Bij het toekennen van algemene bijstand, dan wel een uitkering op grond van de IOAW, IOAZ of Bbz is afwijking van het bepaalde in het eerste lid slechts mogelijk als de inwoner de te late melding vanwege de bijzondere omstandigheden redelijkerwijs niet kan worden verweten of als de individuele omstandigheden dusdanig van aard zijn dat terugwerkende kracht noodzakelijk is om bestaanszekerheid te borgen.
-
3. Bepalend voor de duur van de terugwerkende kracht, zoals bedoeld in lid 2 van dit artikel is het moment dat het recht op uitkering ontstond, maar kan tot maximaal drie maanden terug voor datum aanvraag. Bij bijzondere omstandigheden kan de terugwerkende kracht in uitzonderlijke gevallen verder terug dan drie maanden.
-
4. Er is sprake van bijzondere omstandigheden voor het toekennen van bijstand met terugwerkende kracht als de te late aanvraag de aanvrager niet kan worden verweten.
-
5. Er is sprake van individuele omstandigheden voor het toekennen van bijstand met terugwerkende kracht als:
- -
er omstandigheden zijn die rechtvaardigen, dat de inwoner zich niet eerder heeft gemeld;
- -
er omstandigheden zijn die erop wijzen dat het ernstige gevolgen voor de inwoner heeft, als de bijstand niet wordt toegekend voorafgaand aan de melding
- -
-
6. Het is aan de aanvrager om aan te tonen dat er over de periode van de terugwerkende kracht al recht op bijstand bestond en ook het bestaan van bijzondere dan wel individuele omstandigheden die de te late melding verklaren.
-
7. Het college bepaalt of de bijzondere dan wel individuele omstandigheden van dusdanige aard zijn dat het noodzakelijk is om bijstand met terugwerkende kracht toe te kennen.
-
8. Als de ingang van terugwerkende kracht in het voorgaande kalenderjaar plaatsvindt, zijn er mogelijk gevolgen voor de belastingdienst en het CAK. De inwoner wordt hierover geïnformeerd.
Artikel 5: Zoektermijn jongeren
-
1. Voor een jongere tot 27 jaar, niet zijnde kwetsbaar zoals gedefinieerd in artikel 41 lid 4 Pw en artikel 1 lid 2 sub m van deze beleidsregels, die zich heeft gemeld voor een bijstandsuitkering, geldt de eerste vier weken wettelijk de inspanningsverplichting om:
- a.
zijn of haar mogelijkheden tot het terugkeren naar school te onderzoeken en zich voor een opleiding aan te melden, of, de mogelijkheden met betrekking tot arbeid te onderzoeken en te solliciteren naar algemeen geaccepteerde arbeid; en
- b.
een meldingsgesprek in te plannen via de website van de gemeente. Dan kan tijdig bekeken worden wat er nodig is.
- a.
-
2. De inspanningsverplichting als genoemd in het eerste lid is niet van toepassing als er zwaarwegende redenen bestaan in de individuele situatie van de jongere, die ertoe leiden dat de jongere niet in staat kan worden geacht aan de inspanningsverplichting te voldoen.
Vaststellen recht op bijstand:
Artikel 6: Bewijsstukken
-
1. Het college vraagt bij een bijstandsaanvraag alleen die informatie op, waar het college niet zelf uit de systemen kan beschikken én die noodzakelijk zijn om het recht op bijstand vast te kunnen stellen;
-
2. Een inwoner is zelf verantwoordelijk voor het overleggen van eventuele aanvullende noodzakelijke en opgevraagde informatie en gegevens bij een aanvraag voor bijstand;
-
3. Wanneer deze gegevens niet meer in het bezit zijn, moet de inwoner zorgen voor vervangende exemplaren;
-
4. Als een inwoner geen vervangende exemplaren kan overleggen, beoordeelt het college of dat verwijtbaar is;
-
5. Als het niet kunnen overleggen van gegevens niet verwijtbaar is, beoordeelt het college de aanvraag aan de hand van de wel aanwezige gegevens;
Artikel 7: Bankafschriften
-
1. Bij onderzoeken naar het recht op uitkering vraagt het college in beginsel bankafschriften op over de laatste drie maanden voorafgaand aan de start van de onderzoeken.
-
2. Het is mogelijk om afschriften op te vragen over een langere periode wanneer daartoe concrete aanleiding bestaat.
Artikel 8: Vermogen
-
1. De gemeente beoordeelt het recht op bijstand op basis van het daadwerkelijke vermogen van de aanvrager. Hierbij houdt de gemeente alleen rekening met direct opeisbare schulden.
-
2. Alleen het vermogen boven de vermogensvrijlatingsgrens zoals opgenomen in artikel 34 lid 3 Pw wordt in aanmerking genomen.
-
3. Bij twijfel of onduidelijkheid over het vermogen of bij aanwijzingen dat het vermogen boven de vrijlatingsgrens uitkomt wordt nader onderzoek ingesteld.
-
4. De gemeente maakt gebruik van gegevensuitwisseling met andere instanties indien nodig.
Artikel 9: Vaststelling van het vermogen
-
1. Motorvoertuigen met kenteken behoren tot het vermogen als bedoeld in artikel 34 van de wet.
-
2. Als een huishouden één motorvoertuig heeft die ouder is dan 9 jaar, wordt deze niet tot het vermogen gerekend.
-
3. Als een huishouden één motorvoertuig heeft die jonger is dan 10 jaar of meerdere motorvoertuigen heeft, wordt de gezamenlijke waarde tot € 5.000,00 niet tot het vermogen gerekend.
-
4. Indien de waarde van één motorvoertuig jonger dan 10 jaar of de gezamenlijke waarde van meerdere motorvoertuigen meer bedraagt dan € 5.000,00 dan wordt het meerdere aangemerkt als vermogen als bedoeld in artikel 34 van de wet.
-
5. Boten, campers, kampeerwagens en caravans worden niet als algemeen gebruikelijk beschouwd en worden volledig aangemerkt als vermogen.
-
6. In afwijking van het gestelde in de voorgaande leden van dit artikel kan bij de vermogensvaststelling in incidentele gevallen de (meer)waarde van motorvoertuigen buiten beschouwing worden gelaten als het motorvoertuig/de motorvoertuigen onmisbaar is/zijn in verband met werk en/of invaliditeit en verkoop van het motorvoertuig in redelijkheid niet kan worden gevergd.
-
7. Voor de waarde vaststelling van motorvoertuigen wordt gebruik gemaakt van de ANWB Koerslijst. Binnen de koerslijst wordt gekozen voor de veilingwaarde bij verkoop.
-
8. Als sprake is van een motorvoertuig dat in het maatschappelijk verkeer wordt gezien als klassieker wordt de waarde van het motorvoertuig vastgesteld op basis van een door een erkend taxateur opgesteld taxatierapport.
-
9. Van het aanwezige saldo op alle (lopende) bank/girorekening(en) bij het vaststellen van het vermogen, wordt een bedrag van 1,5 maal de van toepassing zijnde norm (exclusief vakantietoeslag) niet meegerekend tot het vermogen.
-
10. De volledige waarde van een uitvaartverzekering wordt niet meegenomen, ook niet als deze afkoopbaar is.
-
11. Bij co-ouderschap wordt de vermogensgrens bepaald door het gemiddelde te nemen van de vermogensgrens voor een alleenstaande en een alleenstaande ouder (artikel 34 lid 3 Pw)
-
12. Alle cryptovaluta die iemand bezit zijn middelen als bedoeld in artikel 34 Pw waarover de inwoner beschikt of kan beschikken en worden volledig tot het vermogen gerekend.
-
13. Bij een wijziging leefvorm wordt het vermogen voor de inwoner die een bijstandsuitkering blijft ontvangen per de datum van de wijziging van de leefsituatie opnieuw vastgesteld.
Artikel 10: Draagkracht berekening bij aanvraag bijzondere bijstand
-
1. De bijzondere bijstand wordt alleen verleend voor noodzakelijke kosten die zich voordoen.
-
2. Voor bijzondere bijstand is de inkomensgrens 120% van de geldende bijstandsnorm.
-
3. Als het inkomen meer is dan 120% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm inclusief vakantietoeslag is er sprake van meer-inkomen. De draagkracht bedraagt 50% van het meer-inkomen op jaarbasis.
-
4. Het vermogen boven de vermogensgrens wordt 100% meegeteld als draagkracht.
-
5. Een aanvraag voor bijzondere bijstand moet worden ingediend voordat de kosten zijn voldaan, tenzij er dringende redenen waren om de kosten al te maken. De aanvraag moet dan zo snel mogelijk hierna worden ingediend. Het verstrekken van bijzondere bijstand met terugwerkende kracht wordt toegelicht in artikel 6.
-
6. Voor kostensoorten die gerekend moeten worden tot de algemeen noodzakelijke bestaanskosten, maar waarvoor onder bepaalde (individuele) voorwaarden bijzondere bijstand verstrekt kan worden, bedraagt de draagkracht 100% van al het inkomen boven de van toepassing zijnde bijstandsnorm. Dit geldt in ieder geval voor de volgende kostensoorten:
- A.
Duurzame gebruiksgoederen, waaronder begrepen een babyuitzet en een volledige woninginrichting;
- B.
Woonkostentoeslag;
- C.
Jongerentoeslag;
- D.
Schulden.
- A.
Artikel 11: Informatieverstrekking tijdens de uitkering
-
1. De inwoner moet belangrijke informatie voor het recht op een uitkering zo snel mogelijk doorgeven. Dit moet binnen vijf werkdagen nadat de belangrijke informatie bekend is. Gaat het om inkomsten uit werk, dan moet het doorgeven van deze informatie uiterlijk gebeuren op de eerstvolgende inleverdatum van de inkomensspecificatie.
-
2. De inwoner kan de informatie verstrekken:
- A.
via de website van de gemeente Goirle;
- B.
via e-mail aan de klantmanager en/of uitkeringsadministratie;
- C.
telefonisch aan de klantmanager en/of uitkeringsadministratie.
- A.
Artikel 12: Giften
-
1. Alle eenmalige en periodieke giften zowel in geld als in natura worden niet tot de middelen gerekend, voor zover deze:
- A.
de vrijlatingsgrens, zoals genoemd in artikel 31, tweede lid, onder m, van de wet, niet overschrijden;
- B.
de vrijlatingsgrens overschrijden en naar het oordeel van het college, in het licht van bijstandsverlening, verantwoord zijn.
- A.
-
2. Voor giften boven de giftenvrijlating vindt een maatwerkbeoordeling plaats.
-
3. Het ontvangen van giften tot een bedrag zoals opgenomen in artikel 31 lid 2 onder m per kalenderjaar valt niet onder de inlichtingenplicht.
-
4. De wettelijke vrijlating geldt per uitkering, niet per uitkeringsgerechtigde.
-
5. De vrijlatingsgrens wordt per kalenderjaar vastgesteld en geldt voor het gehele kalenderjaar, ongeacht de ingangsdatum van de bijstandsverlening. De restant vrijlatingsbedrag kan na afloop van het kalenderjaar niet meegenomen worden naar het volgende jaar.
-
6. Als de gift een voorwerp is, wordt de waarde van dit voorwerp door het college in geld bepaald.
-
7. Alle niet-herleidbare giften of ontvangsten waarvoor geen afdoende verklaring is, worden als middelen aangemerkt. Dit betreft bijvoorbeeld kasstortingen, betaalverzoeken, cryptovaluta en/of bijschrijvingen op de bankrekening van de klant of zijn in de bijstand inbegrepen gezinsleden.
-
8. Giften met een periodiek karakter worden boven de giftenvrijlating in aanmerking genomen als inkomen.
-
9. Giften hoger dan de wettelijke grens met een eenmalig karakter worden voor het meerdere in aanmerking genomen als vermogen
-
10. Giften in natura verstrekt door een charitatieve instelling worden niet tot de middelen gerekend.
-
11. Als een bonus wordt ontvangen van de werkgever dan telt deze mee als gift wanneer de bonus eenmalig als beloning voor een bijzondere prestatie is toegekend en niet valt onder:
- -
de CAO afspraken;
- -
afspraken in de individuele arbeidsovereenkomst; of
- -
wettelijke aanspraken.
- -
Artikel 13: Schadevergoeding
-
1. De schadevergoeding die de inwoner ontvangt voor materiële schade wordt niet als inkomen of vermogen aangemerkt.
-
2. Een schadevergoeding die is bedoeld ter compensatie van het verlies van arbeidsvermogen wordt aangemerkt als inkomen in verband met arbeid voor de periode waarop de vergoeding toeziet.
-
3. Een schadevergoeding die de inwoner ontvangt voor immateriële schade die valt onder de uitzonderingen van artikel 31 lid 2 sub l wordt niet tot het vermogen gerekend.
-
4. Immateriële schadevergoedingen, die niet vallen onder de bepaling zoals opgenomen in lid 3 van dit artikel worden vrijgelaten tot een bedrag ter hoogte van het vrij te laten vermogen voor alleenstaande ouders/echtparen. Als een immateriële schadevergoeding dit bedrag overschrijdt, dan beoordelen we op basis van de individuele omstandigheden of het redelijk is om 2/3 deel van de overschrijding tot het vermogen te rekenen. We volgen hiervoor de meest recente jurisprudentie.
-
5. Vergoedingen op grond van de 'regeling tegemoetkoming Chroom6' worden beschouwd als vergoedingen die op grond van artikel 31 lid 2 sub m Pw niet tot de middelen van de inwoner worden gerekend.
Artikel 14: Verlagen van de norm wegens lagere noodzakelijke kosten van bestaan
-
1. De bepalingen in dit artikel gelden alleen voor inwoners van 21 jaar en ouder, doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd. De verlaging van de uitkering in verband met de woonsituatie, zoals bedoeld in artikel 27 Pw bedraagt:
- a.
10% van de gehuwdennorm, als de inwoner een woning bewoont waarvoor hij geen woonkosten of woonlasten verschuldigd is;
- b.
20% van de gehuwdennorm als de inwoner een woning bewoont waarvoor hij geen woonkosten én geen woonlasten verschuldigd is;
- c.
20% van de gehuwdennorm indien inwoner dakloos is en geen woning aanhoudt.
- a.
-
2. Het eerste lid van dit artikel is niet van toepassing op inwoners waarop de kostendelersnorm van toepassing is.
-
3. Het college verlaagt de uitkering niet als er sprake is van commerciële kamerbewoner of een commerciële kostganger.
Artikel 15: Inkomsten uit commerciële verhuur en commercieel kostgangerschap
-
1. De bepalingen in dit artikel gelden alleen voor inwoners van 21 jaar en ouder, doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd die een bijstandsuitkering op grond van de Pw ontvangen.
-
2. Als de hoofdbewoner de woning deelt met inwonende commerciële kamerbewoner(s) of commerciële kostganger(s) dan brengt het college het ontvangen huurbedrag en/of kostgeld, minus de gemiste huurtoeslag en een forfaitair bedrag van € 100 (kamer verhuur) en € 150 (kostganger) per maand als inkomen in mindering op de uitkering.
-
3. Inwoner toont het in het eerste lid van dit artikel genoemde aan door de volgende gegevens in te leveren:
- a.
een huurovereenkomst of kostgangersovereenkomst; en
- b.
bankafschriften waaruit duidelijk blijkt dat de huurder of kostganger de gevraagde prijs daadwerkelijk betaalt; en
- c.
een beschikking huurtoeslag.
- a.
Artikel 16a: Tijdelijk verblijf en kostendelersnorm ter voorkoming dakloosheid
-
1. Wanneer een hoofdbewoner met een bijstandsuitkering iemand tijdelijk onderdak biedt vanwege een acute noodzaak tot huisvesting, ter voorkoming van dakloosheid dan wordt de kostendelersnorm voor de hoofdbewoner tijdelijk buiten toepassing gelaten.
-
2. De termijn van tijdelijk niet toepassen van de kostendelersnorm zoals bedoeld in lid 1 van dit artikel bedraagt in beginsel drie maanden. Deze termijn kan steeds met drie maanden worden verlengd, afhankelijk van de inspanning die de inwonende levert om andere woonruimte te vinden. Wanneer de duur op voorhand bekend is, dan kan het college besluiten om de termijn direct hierop vast te stellen.
-
3. Het is niet mogelijk om de kostendelersnorm buiten beschouwing te laten bij permanente inwoning.
-
4. De kostendelersnorm wordt in beginsel ook niet buiten beschouwing gelaten als de inwoner, na tijdelijk verblijf in een instelling dan wel detentie, terugkeert op het adres waar deze inwoner hiervoor woonachtig was.
Artikel 16b: Tijdelijk verblijf en kostendelersnorm/norm echtpaar vanwege mantelzorg
-
1. Wanneer vanwege een zorgbehoefte zoals bedoeld in artikel 1 lid 2 onder t van deze beleidsregels tijdelijk samenwonen in hetzelfde huis noodzakelijk is, dan telt de mantelzorger niet mee als kostendeler of partner bij de norm echtpaar.
-
2. Het is aan de inwoner om het bestaan van de zorgbehoefte, zoals bedoeld in artikel 1 lid 2 onder t aannemelijk te maken door het overleggen van bewijsstukken. Indien de inwoner hier niet in slaagt, kan het college besluiten een medisch advies op te vragen.
-
3. De termijn van tijdelijk niet toepassen van de kostendelersnorm zoals bedoeld in lid 1 van dit artikel bedraagt in beginsel drie maanden. Deze termijn kan steeds met drie maanden worden verlengd, afhankelijk van de individuele situatie. Wanneer de duur op voorhand bekend is, dan kan het college besluiten om de termijn direct hierop vast te stellen.
-
4. Het is niet mogelijk om de kostendelersnorm buiten beschouwing te laten bij permanente inwoning.
Artikel 17: Recht op jongerentoeslag
-
1. Het is aannemelijk dat een jongere voor de kosten van levensonderhoud geen beroep kan doen op de onderhoudsplicht van de ouders als deze:
- a.
aantoonbaar niet thuis kan wonen bij de ouder(s) en
- b.
geen beroep kan doen op diens onderhoudsrecht jegens de ouders omdat de middelen van de ouders ontoereikend zijn of het beroep hierop wegens veiligheid niet mogelijk is; of
- c.
als de ouders overleden zijn of niet bereikbaar in het buitenland zijn;
- a.
-
2. De aanvullende norm kan verhoogd worden op grond van artikel 18 (afstemming) als sprake is van individueel noodzakelijk hogere algemene kosten van bestaan dan waarin de samengestelde normen o.g.v. artikel 20 Pw voorzien.
-
3. De totale uitkering voor jongeren kan nooit hoger zijn dan de norm voor 21 jaar en ouder in een vergelijkbare situatie, of het wettelijk minimum jeugdloon dat geldt voor de betreffende jongere.
Artikel 18: Voedingsgeld bij verblijf inrichting en bij zelfstandig wonen
-
1. Wanneer een inwoner de inrichtingennorm ontvangt, wordt ontvangen voedingsgeld niet als inkomen aangemerkt.
-
2. Wanneer een inwoner de algemene bijstandsnorm ontvangt en (gedeeltelijk) zelfstandig woont, wordt ontvangen voedingsgeld wel als inkomen aangemerkt en in mindering gebracht op de uitkering.
Artikel 19: Gokactiviteiten tijdens bijstand
-
1. Wanneer uit onderzoek blijkt dat een inwoner gokactiviteiten verricht, wordt aan inwoner direct de verplichting opgelegd om vanaf dat moment de opgaaf van alle inkomsten te doen voor zover inwoner deze inkomsten niet zelf al heeft opgegeven. Er wordt géén rekening gehouden met inlegkosten.
-
2. Indien de gokactiviteiten problematisch zijn of kunnen worden, krijgt de inwoner de mogelijkheid om mee te werken aan een hulpverleningstraject. Hieraan wordt de voorwaarde verbonden dat de inwoner zelf een afspraak met een hulpverleningsinstantie maakt uiterlijk binnen drie weken nadat inwoner de toezegging heeft gedaan om mee te werken aan een hulpverleningstraject.
-
3. Of en in welke mate de inkomsten uit gokactiviteiten in mindering worden gebracht op de bijstandsuitkering is afhankelijk van of en in welke mate de inwoner medewerking verleent aan het hulpverleningstraject. We onderscheiden:
- a.
Inwoner wil meewerken aan een hulpverleningstraject, maakt tijdig een afspraak met een hulpverleningsinstantie en komt de gemaakte afspraken volgend uit dit hulpverleningstraject na: de inkomsten uit gokactiviteiten worden niet gekort op de bijstandsuitkering;
- b.
Inwoner wil meewerken aan een hulpverleningstraject, maakt tijdig een afspraak met een hulpverleningsinstantie en komt de gemaakte afspraken volgend uit dit hulpverleningstraject niet na: de inkomsten uit gokactiviteiten worden gekort vanaf het moment dat duidelijk is dat inwoner de gemaakte afspraken niet nakomt;
- c.
Inwoner wil niet meewerken aan een hulpverleningstraject: inkomsten worden gekort vanaf het moment dat is geconstateerd dat sprake is van inkomsten uit gokactiviteiten.
- a.
-
4. Wanneer de inwoner niet tijdig een afspraak met een hulpverleningsinstantie maakt, krijgt inwoner na het verstrijken van die drie weken als bedoeld in het tweede lid nogmaals een week de tijd een afspraak te maken. Maakt inwoner binnen die week een afspraak, dan worden de inkomsten, afhankelijk van de medewerking aan het hulpverleningstraject, in mindering gebracht zoals bedoeld in sub a of b van het tweede lid. Maakt inwoner binnen die week geen afspraak met een hulpverleningsinstantie, dan worden de inkomsten in mindering gebracht op de bijstandsuitkering zoals bedoeld in sub c van het tweede lid.
-
5. Inkomsten uit gokactiviteiten worden toegerekend aan de maand waarin de inkomsten zijn ontvangen.
Artikel 20: Heronderzoeken
-
1. Het college voert heronderzoeken minimaal één keer per jaar naar de rechtmatigheid van de uitkering uit.
-
2. Het college zal ook een heronderzoek uitvoeren wanneer er een verandering is in het huishouden of wanneer er signalen zijn die aanleiding geven tot een heronderzoek.
Slotbepalingen:
Artikel 21: Overgangsrecht
Lopende onderzoeken en aanvragen van voor de ingangsdatum van deze beleidsregels, waarover het college pas na de ingangsdatum van deze beleidsregels een besluit neemt, handelt het college af op basis van het meest gunstige beleid voor de inwoner. Dit kan zowel het nieuwe als het oude beleid zijn. Dit kan niet bij overgangsregelingen die bij wet vastgesteld zijn.
Artikel 22: Hardheidsclausule
Het college kan in bijzondere gevallen, ten gunste van de inwoner, afwijken van de bepalingen in deze beleidsregels, indien toepassing van deze regels tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.
Artikel 23: Citeertitel
Deze beleidsregels worden aangehaald als 'Beleidsregels rechtmatigheid 2026 gemeente Goirle'.
Artikel 24: Inwerkingtreding
Deze beleidsregels treden in werking op de dag na bekendmaking en werken terug tot 1 januari 2026.
Ondertekening
Aldus vastgesteld op 17 maart 2026,
Het college van burgemeesters en wethouders van Goirle,
Secretaris
Mark van Beers
Burgemeester
Mark van Stappershoef
Toelichting
Artikel 1: Begripsomschrijvingen
Deze omschrijvingen spreken in principe voor zich.
De volgende definities zijn nieuw en relevant voor de Participatiewet in balans:
- •
Kwetsbare jongere
De wet geeft een aantal voorbeelden van jongeren die in ieder geval als kwetsbaar kunnen worden aangemerkt, en waar de zoektermijn niet op van toepassing is. Deze redenen vullen wij in ieder geval aan met de redenen, zoals genoemd in artikel 1 lid 2 sub m.
In de memorie van toelichting bij de Participatiewet in balans staat een aantal situaties beschreven waarin sprake kan zijn van kwetsbare omstandigheden. Het gaat bijvoorbeeld om jongeren:
- •
die in een inrichting verblijven of recht hebben op opvang als bedoeld in de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015);
- •
die uiterlijk een jaar voorafgaand aan de melding in een inrichting verbleven of recht hadden op opvang als bedoeld in de Wmo 2015;
- •
die uiterlijk een jaar voorafgaand aan de melding bij een pleegouder of in een gezinshuis verbleven als bedoeld in de Jeugdwet; Denk aan een beschermde woonplek of maatschappelijke opvang.
- •
voor wie uiterlijk een jaar voorafgaand aan de melding een kinderbeschermingsmaatregel gold die werd uitgevoerd door een gecertificeerde instelling als bedoeld in de Jeugdwet; en
- •
die niet zijn ingeschreven als ingezetene in de basisregistratie personen of die zonder woonadres, maar met een briefadres zijn ingeschreven in de basisregistratie personen.
Deze opsomming is niet limitatief, maar een indicatie voor ‘kwetsbaar’, waarbij de zoektermijn niet effectief kan zijn als instrument naar werk.
- •
Mantelzorg
De definitie mantelzorg laat zien dat het gaat om onbetaalde, ongebruikelijke zorg. Gebruikelijke zorg zoals boodschappen en het helpen met administratie valt niet onder mantelzorg. Ongebruikelijke zorg gaat bijvoorbeeld over een naaste wassen en helpen aankleden. Per situatie kan het verschillen wat gebruikelijk is. Het is aan het college om daarin een beslissing te maken. Onbetaald is een belangrijke term. Betaald krijgen voor geleverde zorg voor een naaste is geen mantelzorg.
- •
Zorgbehoefte
De zorgbehoefte definitie laat zien hoe zwaar de zorgbehoefte moet zijn, om bij artikel 15 in aanmerking te komen voor een uitzondering op de kostendelersnorm. Deze definitie laat zien dat de zorgbehoefte dusdanig moet zijn, dat iemand in aanmerking komt voor professionele zorg en/of hulp. Hierdoor kan het college zien dat het inwonen tijdelijk zal zijn, omdat de zorgbehoevende op korte termijn professionele zorg en/of hulp zal krijgen.
In de beleidsregels re-integratie zal de definitie van mantelzorg gericht zijn op het niet waarderen als betaald werk, vrijstelling van de arbeidsverplichting en staat het los van de noodzaak tot tijdelijk samenwonen.
De aanvraag:
Artikel 2: digitale aanvraag:
De wetgever heeft in de nieuwe regels ook wijzigingen aangebracht in de wijze van legitimeren. Bij wet kunnen mensen kunnen zich voortaan ook legitimeren met een Europees rijbewijs. Gemeenten kunnen ervoor kiezen om legitimatie met een DIGID mogelijk kan maken. Dit is al geregeld als mensen zich melden voor een bijstandsaanvraag bij het UWV (werk.nl) en kan ook via de website van de gemeente Goirle voor aanvragen bijzondere bijstand en minimaregelingen.
Stichting Formulierenbrigade geeft onder andere hulp bij het doen van aanvragen aan inwoners van Goirle. Elke donderdagochtend is de Formulierenbrigade aanwezig in de bibliotheek. De formulierenbrigade is ook te benaderen via hun website: https://www.formulierenbrigadegoirle.nl.
Artikel 3: verkorte aanvraag
We willen dat mensen zonder drempels aan het werk kunnen gaan en niet te veel papierwerk hebben als ze later opnieuw een uitkering nodig hebben. De wet geeft gemeenten de mogelijkheid om gegevens opnieuw te gebruiken van mensen die eerder een uitkering bij dezelfde gemeente hadden. Dat mag tot maximaal twaalf maanden terug.
De wet wil door de aanvraag sneller en eenvoudiger te maken, vooral voor mensen die tijdelijk hebben gewerkt en daardoor even geen bijstand nodig hadden, een administratieve drempel weghalen. Zo wordt het makkelijker om werk te accepteren.
Ook met deze verkorte procedure moeten we soms nog informatie opvragen die we niet in onze systemen hebben, zoals gegevens over iemands vermogen of waarom het werk is gestopt. Die informatie kan alleen de inwoner zelf geven.
Voor aanvragen die langer geleden zijn of van mensen die nog nooit bij ons een uitkering hebben aangevraagd, geldt hetzelfde: we mogen geen gegevens opvragen die we al via andere systemen kunnen vinden (volgens de Wet eenmalige gegevensuitvraag, WEU). We vragen dus alleen informatie op die we niet al hebben.
Artikel 4: terugwerkende kracht
In de wet is bepaald dat de bijstandsuitkering ingaat op de datum van de aanvraag (art. 44 lid 1 Pw). Nieuw is de aanvulling in lid 5 van dit artikel, waarbij gemeenten de ruimte krijgen om bijstand eerder dan datum aanvraag in te laten gaan, als individuele omstandigheden dit noodzakelijk maken. Dat noemen we ‘met terugwerkende kracht’. Het geven van een bijstandsuitkering met terugwerkende kracht kon al onder bijzondere omstandigheden. We leggen het verschil hieronder uit.
Bijzondere omstandigheden:
De gemeente kan bijstand bij een te late aanvraag toekennen als het de inwoner niet verweten kan worden. Dan is de reden buiten de invloed van de inwoner. Hiermee wordt voorkomen dat mensen onterecht worden uitgesloten van ondersteuning.
Hieronder geven wij een aantal voorbeelden. Er kunnen meer situaties mogelijk zijn.
- •
Wanneer de inwoner een aanvraag heeft ingediend voor een voorliggende voorziening, en deze is afgewezen, waarna de inwoner een bijstandsuitkering of een uitkering op grond van de IOAW of IOAZ aanvraagt.
- •
Wanneer een verblijfsvergunning met terugwerkende kracht is verleend.
- •
Onjuiste informatie vanuit (overheids)instanties.
- •
Onjuist of onzorgvuldig handelen van het college.
- •
De aanvraag niet kunnen doen vanwege ernstige lichamelijke of psychische beperkingen.
- •
Als er sprake is van zeer dringende redenen. Zeer dringende redenen vergen een acute noodsituatie die niet anders kan worden opgelost dan door bijstand te verlenen; het moet evident zijn dat weigering van bijstand onaanvaardbare ernstige gevolgen heeft (met name voor de gezondheid).
Individuele omstandigheden:
Er is aandacht voor de persoonlijke situatie van de inwoner, waarbij zowel de oorzaken als de gevolgen van de te late melding worden meegewogen. Het verlenen van bijstand met terugwerkende kracht wordt niet gedaan om schulden af te kunnen lossen. Hier mag geen bijstand voor verleend worden (art.13 lid 1 onder g Pw).
Met het inzetten van terugwerkende kracht bij individuele omstandigheden beoogt het college dat de inwoner niet onnodig schulden maakt of opbouwt. Hierbij let het college op een aantal zaken. De voorbeelden die we noemen zijn niet compleet. Er kunnen meer situaties mogelijk zijn.
- -
Omstandigheden die rechtvaardigen dat inwoner zich niet eerder heeft gemeld zoals:
- •
de inwoner was niet op de hoogte van de mogelijkheid om bijstand aan te vragen;
- •
een eerdere bijstandsaanvraag is buiten behandeling gesteld of afgewezen omdat de aanvrager niet tijdig alle benodigde gegevens aan het college heeft verstrekt;
- •
de inwoner had onvoldoende zicht op en/of aandacht voor de hoogte van zijn inkomen of vermogen, bijvoorbeeld als gevolg van een flexibel arbeidscontract, een echtscheiding, zorg voor naasten, een erfenis of detentie;
- •
- -
Omstandigheden die erop wijzen dat het ernstige gevolgen voor de inwoner heeft, als de bijstand niet wordt toegekend voorafgaand aan de melding, zoals:
- •
de inwoner heeft probleemschulden;
- •
na de melding is executoriaal beslag gelegd op de middelen van inwoner of is inwoner is failliet verklaard;
- •
na de melding is de huur van woonruimte opgezegd, de zorgverzekering geroyeerd, of gas, licht of water afgesloten)
- •
Let op: voor alle situaties geldt het volgende:
- -
Mede bepalend voor de duur van de terugwerkende kracht is wanneer het recht op bijstand ontstond.
- -
De inwoner moet aantonen dat in de betreffende periode recht op bijstand bestond en de noodzaak en/of omstandigheden voor de te late melding verklaren.
- -
de inwoner aantoont dat hij in die periode niet in de noodzakelijke kosten van bestaan kon voorzien.
- -
Het college bepaalt of de bijzondere omstandigheden van dusdanige aard zijn om bijstand met terugwerkende kracht te verlenen.
Het is belangrijk om de termijn van de terugwerkende kracht beperkt te houden, in principe tot de wettelijke maximale drie maanden. En ook om alert te zijn bij terugwerkende kracht als deze het kalenderjaar overschrijdt. Dit heeft te maken met het fiscale jaar inkomen wat hoger wordt en waardoor mensen mogelijk toeslagen moeten terugbetalen.
Artikel 5: zoektermijn jongeren
De zoektermijn van vier weken voor personen jonger dan 27 jaar is rechtstreeks in de Participatiewet geregeld. Jongeren kunnen pas na afloop van deze periode een aanvraag om algemene bijstand laten behandelen. Het doel van deze zoektermijn is dat jongeren eerst zélf hun mogelijkheden voor regulier onderwijs en werk onderzoeken, voordat een beroep op bijstand wordt gedaan.
Op grond van artikel 41 lid 4 Participatiewet geldt de zoektermijn niet voor de in de wet genoemde uitzonderingsgroepen, zoals jongeren met een medische urenbeperking, jongeren die behoren tot de doelgroep loonkostensubsidie en bepaalde schoolverlaters.
Daarnaast heeft het college op grond van artikel 41 lid 11 Participatiewet de bevoegdheid om de zoektermijn niet toe te passen als individuele omstandigheden daarom vragen, bijvoorbeeld bij kwetsbare jongeren zoals dakloze jongeren of jongeren in opvang of onder een kinderbeschermingsmaatregel. De gemeente past aanvullend de zoektermijn niet toe bij jongeren zoals gedefinieerd in artikel 1 lid 2 sub m van deze beleidsregels.
Vaststellen recht op bijstand:
Artikel 6: Bewijsstukken
Artikel 53a Pw geeft het college de bevoegdheid te bepalen welke gegevens en bewijsstukken door een inwoner verstrekt moeten worden, als het gaat om het bepalen van het recht op, de hoogte van de bijstandsnorm en de voortzetting van de bijstand. Op basis van de WEU mogen we alleen die gegevens opvragen bij onze inwoners, waar we niet zelf over kunnen beschikken vanuit de systemen.
Op voorhand is niet aan te geven welke gegevens bij de concrete aanvraag nodig zijn voor de beoordeling van het recht op uitkering. Dit is afhankelijk van de situatie en de omstandigheden van de inwoner (maatwerk). Individueel wordt bepaald welke nadere gegevens noodzakelijk zijn en inwoner wordt daarover in ieder geval schriftelijk geïnformeerd. Bij een nieuwe aanvraag van een uitkering geldt wel dat een vast aantal gegevens gevraagd wordt, omdat dit veelal de minimale gegevens betreffen die nodig zijn om een beslissing te kunnen nemen op de uitkeringsaanvraag.
Dit artikel geeft een nadere uitwerking van wat van een inwoner wordt verwacht als nadere gegevens/bewijsstukken worden opgevraagd.
Als gegevens uit onze eigen systemen kunnen worden gehaald, worden ze niet ook nog bij inwoner opgevraagd.
Artikel 7: Bankafschriften
Bij een rechtmatigheidsonderzoek moet inwoner een aantal afschriften, of een uitdraai van internetbankieren verstrekken van rekeningen, die bij hem/haar in gebruik zijn of waren. Het gaat hier om afschriften over de laatste drie maanden voor de datum van het onderzoek. Wanneer het voor onderzoek nodig is om afschriften over een periode van langer dan drie maanden te beoordelen, worden over de benodigde langere periode afschriften opgevraagd.
De inwoner mag de uitgaven op zijn bankafschriften onleesbaar maken. Doorvragen over onleesbaar gemaakte transacties/saldi mag als dat voor de vaststelling van het recht op bijstand nodig is.
Artikel 8: Vermogen
Bij het vaststellen van het vermogen wordt uitgegaan van de waarde van de aanwezige bezittingen verminderd met de aanwezige schulden, zoals bedoeld in artikel 34 Pw. Dit is niet gewijzigd.
Wel is de ‘staffelmethode’ afgeschaft, welke inhield dat de gemeente bij de aanvang van de uitkering het vermogen op dat moment vaststelde met daarnaast het maximaal ‘vrij te laten vermogen’, d.w.z. de ruimte tussen het wettelijk maximaal vermogen en het daadwerkelijke vermogen.
Met de nieuwe regeling, moet bij ieder onderzoek uitgegaan worden van het op dat moment aanwezig vermogen. Vermogensaanwas hoeven inwoners in principe niet meer te melden, tenzij ze hiermee boven het wettelijk vrij te laten vermogen uitkomen.
Als mensen vermogen ontvangen dat hoger is dan de wettelijke maximale grens, en ze hebben niet direct opeisbare schulden, dan is het in beginsel niet de bedoeling dat ze deze schulden aflossen. Ze moeten de vermogensaanwas doorgeven en de gemeente onderzoekt of het verantwoord is om eerst de schulden af te lossen of dat ze van het vermogen kunnen leven, totdat het ingeteerd is tot aan de wettelijke vermogensgrens. Hiermee voorkomen we dat er indirect bijstand voor schulden wordt verstrekt.
Artikel 9: Vaststelling van het vermogen
Motorvoertuigen
In dit artikel staat hoe het college om gaat met het bezit van motorvoertuigen met kenteken en de waarde hiervan.
Belanghebbende wordt geacht arbeid te accepteren over een afstand met een totale reisduur van maximaal 3 uur per dag. Het is dan ook redelijk om in lijn hiervan een auto of motor als algemeen gebruikelijk te beschouwen. Het kan voorkomen dat een huishouden meerdere voertuigen heeft, dan maakt het college gebruik van een maximaal bedrag wat vrijgelaten kan worden. Als een huishouden één motorvoertuig heeft jonger dan 10 jaar, geldt het maximaal vrij te laten bedrag ook. Als het huishouden één motorvoertuig heeft en deze is ouder dan 9 jaar, dan wordt het motorvoertuig niet tot het vermogen gerekend.
De waarde van motorvoertuigen jonger dan 10 jaar of die met een bijzondere dagwaarde is de dagwaarde volgens de Koerslijst ANWB. Binnen de koerslijst wordt gekozen voor de veilingwaarde bij verkoop. Wanneer de ANWB-koerslijst geen uitkomst biedt dan kan worden uitgeweken naar bijvoorbeeld vergelijkingen met de waarde van een vergelijkbaar voertuig op een aantal verschillende verkoopsites of in uitzonderlijke gevallen een taxatie door een erkend taxateur.
Cryptogeld
Cryptogeld (ofwel cryptocurrency of cryptovaluta) zoals de bitcoin, zijn digitale munteenheden en vallen onder middelen als bedoeld in artikel 34 Pw waarover de inwoner beschikt of kan beschikken. Het cryptogeld wordt toegerekend aan het vermogen.
Dit is alleen anders als er sprake is van handel in bitcoins. Dan moeten de inkomsten daarvan worden aangemerkt als inkomsten als bedoeld in artikel 32 Pw. Deze worden in mindering gebracht op de uitkering.
Om de waarde van het cryptogeld vast te stellen zal inwoner inzage moeten geven in het online transactieoverzicht van het cryptogeld. Onder de waarde wordt verstaan de actuele waarde van de desbetreffende digitale munt. De inlegkosten worden niet in mindering gebracht op de totale waarde van het cryptogeld.
Vrijlating van saldo lopende rekening(en)
Het saldo wat op het moment van vermogensvaststelling op alle lopende rekeningen staat, wordt tot een bedrag van 1,5 de toepasselijke bijstandsnorm niet meegenomen bij de vermogensvaststelling. Hiermee beoogd het college dat de inwoner voldoende vermogen overhoud om de vaste lasten mee te betalen.
Met alle lopende rekeningen worden ook de spaarrekeningen of vermogensrekeningen bedoeld. Ook de spaar-/vermogensrekeningen van de ten laste komende kinderen.
Wanneer het saldo meer bedraagt dan 1,5 keer de toepasselijke bijstandsnorm, wordt het meerdere wel als vermogen in aanmerking genomen.
Uitvaartverzekering
In een uitvaartverzekering gereserveerde bedragen voor een uitvaart worden volledig buiten beschouwing gelaten bij de vermogensvaststelling, ongeacht de waarde van de uitvaartverzekering. Dit geldt ook voor uitvaartverzekeringen die afkoopbaar zijn.
Co-ouderschap
Co-ouderschap betekent dat beide ouders ongeveer evenveel zorgen en opvoeden voor hun minderjarige kind(eren). Het gaat om de feitelijke verdeling van zorg en verblijf, niet om wie de kinderbijslag krijgt. Als een kind alleen af en toe bij de andere ouder is, bijvoorbeeld tijdens vakanties, is er geen sprake van co-ouderschap. Ook een gewone omgangsregeling is geen co-ouderschap.
Bij het bepalen van de vermogensgrens voor bijstand bij co-ouders, neemt het college het gemiddelde van de vermogensgrens voor een alleenstaande en een alleenstaande ouder. Het totale vermogen van de ouder wordt vergeleken met deze grens. Ook het geld op de rekening van minderjarige kinderen telt mee bij het bepalen van het vermogen.
Wijziging leefvorm
Bij een wijziging van de leefvorm (bijvoorbeeld van gehuwd naar alleenstaand, of van alleenstaande ouder naar alleenstaande) verandert de toepasselijke bijstandsnorm én de vermogensgrens. Daarom moet het college opnieuw bepalen hoeveel vermogen iemand heeft en of dit nog binnen de nieuwe vermogensgrens valt
Voor het vaststellen van het vermogen kunnen we in sommige situaties ook maatwerk toepassen om onwenselijke situaties te voorkomen. In artikel 34 lid 3 Pw is vastgelegd tot welke grens vermogen als bedoeld in artikel 34 lid 2 onder b Pw wordt vrijgelaten bij alleenstaanden, alleenstaande ouders en gezinnen.
Artikel 10: Draagkrachtberekening bij aanvraag bijzondere bijstand
Draagkracht is wat een inwoner zelf kan bijdragen aan de kosten. De hoogte van het toe te kennen bedrag bijzondere bijstand is afhankelijk van de vraag hoeveel draagkracht er is. De draagkracht wordt berekend aan de hand van het inkomen inclusief vakantietoeslag en het vermogen.
Voor bijzondere bijstand is de inkomensgrens 120% van de geldende bijstandsnorm. Inwoners kunnen de voor hun geldende bijstandsnorm opzoeken via de website https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/bijstand/vraag-en-antwoord/hoe-hoog-is-mijn-bijstandsuitkering.
Voor de kostensoorten die behoren tot de algemeen noodzakelijke kosten van bestaan, die iedereen heeft zoals duurzame gebruiksgoederen en woonkosten hanteren we een inkomensgrens van 100% van de bijstandsnorm in plaats van 120%.
De wet bepaalt (artikel 43) hoeveel vermogen (spaargeld en bezittingen) iemand mag hebben naast een bijstandsuitkering. Dit heet het vrij te laten vermogen. Alles wat iemand meer heeft dan deze grens, telt mee als draagkracht. Dat betekent dat dit extra vermogen eerst moet worden gebruikt voordat iemand bijzondere bijstand kan krijgen.
Artikel 11: Informatieverstrekking tijdens de uitkering
In de Pw (artikel 17 lid 1) en de IOAW/IOAZ (artikel 13, lid 1) staat de inlichtingenplicht: ‘de plicht van inwoner om op verzoek of direct uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op arbeidsinschakeling of het recht op bijstand’.
Het college mag het begrip 'onverwijld uit eigen beweging' zo hanteren dat kan worden volstaan met het van inwoner verwachten dat hij betreffende informatie meldt bij de eerstvolgende opgave van inkomen.. In dit artikel is geregeld welke termijn het college hanteert voor het uit eigen beweging verstrekken van informatie en dat is vijf werkdagen.
Artikel 12: Giften
Het college vindt het belangrijk dat bijstandsgerechtigden financiële hulp kunnen accepteren zonder dat zij bang hoeven te zijn dat dit negatieve gevolgen voor hun uitkering heeft. Deze hulp moet dan vanuit het oogpunt van bijstandsverlening wel verantwoord zijn.
De maximale hoogte is wettelijk vastgesteld in artikel 31 lid 2 onder M van de wet. Gemeenten mogen individueel nog wel giften vrijlaten tot een hoger bedrag, maar dan alleen als dit naar het oordeel van het college verantwoord is in het licht van bijstandsverlening. Dit is veelal het geval als het gaat om giften in natura of geld voor goederen waarvoor anders bijzondere bijstand verstrekt of gevraagd zou kunnen worden. De beoordeling hiervan is altijd maatwerk.
De wet stelt ook dat giften tot de wettelijke grens niet meer onder de inlichtingenplicht vallen. Dit betekent dat inwoners zelf bij moeten houden of ze giften in een kalenderjaar bij elkaar opgeteld onder deze grens hebben gekregen. Dit vraagt veel van onze inwoners. We zullen hen hierover goed informeren.
In geval van giften in natura, bepaalt het college wat daarvan de waarde in geld is aan de hand van de door inwoner overlegde bewijsstukken met betrekking tot de waarde.
Werkgevers kunnen hun medewerkers een cadeau geven. Vaak is dit een kerstpakket of –geschenk. Als dit een geschenk is dat past binnen de fiscale vrijlating dan wordt hier niets mee gedaan. Als een werknemer eenmalig een bonus ontvangt omdat deze een extra prestatie heeft geleverd, dan wordt deze meegeteld als gift (en niet als inkomen gekort) tot aan de giftengrens. Als de bonus hoger is dan de giftengrens dan wordt het meerdere als inkomen aangemerkt.
Let wel: een dergelijke bonus is vaak belast en kan dus gevolgen hebben voor de hoogte van de huurtoeslag in het volgende kalenderjaar. Het is belangrijk de inwoner hierop te wijzen.
Via de werkkostenregeling (WKR) kan de werkgever echter wel onbelaste vergoedingen (en dus ook bonussen) aan de werknemer geven. De werkgever moet de bonus dan onderbrengen in de vrije ruimte van de WKR bij de Belastingdienst. Deze vrije ruimte bedraagt een maximaal percentage van de totale loonsom. Dit wordt jaarlijks opnieuw vastgesteld door de Belastingdienst.
Een eindejaarsuitkering en het vakantiegeld of andere bonussen die onder de CAO vallen worden niet tot de giftenvrijlating gerekend.
Artikel 13: Schadevergoeding
Het college mag bepalen welke bedragen aan vergoeding voor materiële en immateriële schade vanuit het oogpunt van bijstandsverlening verantwoord zijn en derhalve niet meetellen als vermogen bij de vermogensvaststelling (vermogensvrijlating). Het college maakt hierbij onderscheid tussen vergoedingen voor materiële en immateriële schade.
Een materiële schadevergoeding gaat het om een vergoeding voor schade of verlies van iets dat inwoner al had. Bijvoorbeeld vervanging van een kapotte auto of brandschade in huis. Het kunnen reeds gemaakt kosten zijn of kosten die nog gemaakt moeten worden. Wanneer een inwoner een materiële schadevergoeding ontvangt, is deze dus bestemd om iets te vervangen of te repareren. Daarom wordt een dergelijke schadevergoeding niet als vermogenstoename aangemerkt en hoeft het vermogen in het kader van de Participatiewet niet gewijzigd te worden.
Bij immateriële schadevergoeding, ook wel smartengeld genoemd, gaat het om een vergoeding voor gederfde levensvreugde. Deze vergoeding is bedoeld voor geleden emotionele schade, waarvan de hoogte door een rechter of schadeverzekeraar is bepaald. Het college heeft bepaald dat een immateriële schadevergoeding tot de maximale vermogensgrens voor echtparen/alleenstaande ouders, (art. 34 lid 3 onder b en c Pw) ongeachte de leefvorm niet als vermogen wordt aangemerkt en dus ook geen gevolgen voor de vermogensvaststelling in het kader van de Pw heeft. Overschrijdt de immateriële schadevergoeding dit bedrag, dan wordt op basis van een maatwerkbeoordeling bezien of het redelijk is om 2/3 van de overschrijding tot het vermogen te rekenen.
Een schadevergoeding met een loon dervend karakter wordt wel aangemerkt als inkomen voor de periode waarop deze schadevergoeding betrekking heeft.
Schadevergoedingen die op grond van de Regeling tegemoetkoming chroom6 zijn uitgekeerd, worden niet als vermogen aangemerkt bij de vermogensvaststelling in het kader van de Pw.
Artikel 14: Verlagen van de norm wegens lagere noodzakelijke kosten van bestaan
Als inwoners lagere noodzakelijke kosten van bestaan hebben, omdat er geen woonkosten of woonlasten zijn, zal het college op basis van artikel 27 van de Pw de norm voor bijstandsuitkering lager vaststellen. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer een inwoner ergens woont, maar geen huur hoeft te betalen of wanneer een inwoner dakloos is. In de begripsomschrijvingen in artikel 1 is omschreven wat onder woonkosten en woonlasten wordt verstaan.
Het soort situatie waarin er geen woonkosten of woonlasten zijn, is bepalend voor in hoeverre de bijstandsuitkering verlaagd wordt. In de begripsomschrijvingen in artikel 1 is omschreven wat onder woonkosten en woonlasten wordt verstaan.
Bewoont een inwoner een woning waarvoor geen woonkosten of woonlasten zijn verschuldigd, dan verlaagt het college de uitkering met 10% van de gehuwdennorm. Bewoont een inwoner een woning waarvoor geen woonkosten én geen woonlasten zijn verschuldigd, dan verlaagt het college de uitkering met 20% van de gehuwdennorm. Dit laatste geldt ook voor inwoners die dakloos zijn en geen woning aanhouden.
Als een inwoner de kostendelersnorm heeft, of een commerciële kamerbewoner/kostganger is, dan wordt de uitkering niet verlaagd wegens lagere woonkosten of woonlasten.
Wanneer sprake is van een all-inclusive huurprijs, dus een prijs waar zowel de huur als een bijdrage in de kosten van energie en/of water zijn inbegrepen, wordt de hoogte van deze huur afgezet tegen het bedrag van de basishuur zoals bedoeld in artikel 16 WHT (Wet op de huurtoeslag). De basishuur is het deel van de rekenhuur waarover geen huurtoeslag wordt toegekend en dat te allen tijde voor rekening van de huurder blijft. Is de all-inclusive huurprijs veel lager dan de basishuur dan stemmen we de uitkering af op de lage woonkosten op grond van artikel 18 lid 1 van de Pw.
Artikel 15: Inkomsten uit commerciële verhuur en commercieel kostgangerschap
In de Pw is het uitgangspunt dat wanneer kosten gedeeld kunnen worden met kostendelende medebewoners ouder dan 27 jaar, de bijstandsnorm daarop wordt aangepast (kostendelersnorm). De kostendelersnorm is niet van toepassing als er sprake is van commerciële verhuur of commercieel kostgangerschap. De inkomsten daaruit worden als inkomen gekort op de bijstandsuitkering.
Er is sprake van commerciële verhuur/commercieel kostgangerschap als er sprake is van een commerciële relatie. Hiervan is sprake als het een volledig zakelijke relatie betreft en dit kan nooit een ouder-kind relatie zijn. Hierbij vraagt de verhuurder/kostgever een commerciële prijs en de huurder/kostganger betaalt deze commerciële prijs. Deze prijs en andere belangrijke verplichtingen van de huurder en verhuurder zijn vastgelegd in een huur-/kostgangersovereenkomst. Deze overeenkomst moet overlegd kunnen worden. Huur-/kostgangersbetalingen vinden plaats per banktransacties en deze moeten kunnen worden aangetoond met bankafschriften.
Het ontvangen huurbedrag/kostgeld wordt als inkomsten op mindering gebracht op de bijstandsuitkering. Van dit huurbedrag/kostgeld wordt wel de gemiste huurtoeslag afgetrokken, omdat deze omlaag gaat als er meerdere personen op een adres wonen. Dit moet worden aangetoond met een beschikking huurtoeslag. Daarnaast wordt een forfaitair bedrag op de huur of het kostgeld in mindering gebracht, omdat de hoofdbewoner meer extra kosten heeft dan alleen gemiste huurtoeslag. Hierbij kan gedacht worden aan extra energiekosten, water en voor kostgangers eten en drinken. We willen in het kader van de woningnood het opnemen van huurders of kostgangers enigszins bevorderen of in ieder geval niet frustreren vanuit de bijstand.
Als een woning wordt gedeeld met personen die niet meetellen voor de kostendelersnorm (meestal inwonende kinderen jonger dan 27 jaar), dan telt het college het kostgeld dat deze kinderen betalen in principe niet als inkomen van de bijstandsgerechtigde(n).
Dit betekent dat het betaalde kostgeld niet in mindering wordt gebracht op de bijstandsuitkering van de ouder(s). Reden hiervoor is dat de huurtoeslag vaak lager wordt zodra inwonende kinderen een inkomen hebben. Door het kostgeld niet te verrekenen, wordt dit nadeel (gedeeltelijk) gecompenseerd.
Het college beoordeelt per situatie of het uit het oogpunt van bijstandsverlening verantwoord is om het kostgeld buiten beschouwing te laten. Er is dus altijd een individuele beoordeling nodig.
Artikel 16 a en b: Tijdelijk verblijf en kostendelersnorm
In uitzonderlijke gevallen kan het wenselijk zijn om in een individuele situatie maatwerk te leveren en de kostendelersnorm niet toe te passen of iemand niet als kostendeler mee te laten tellen. Hierbij kan onder andere gedacht worden aan crisissituaties, waarbij door inwoner tijdelijk onderdak geboden of verkregen wordt. Bijvoorbeeld in de situatie dat inwoner een zieke zorgbehoevende ouder opvangt, die tijdelijk niet in staat is om zelfstandig te wonen. Daarnaast kan onder andere ook gedacht worden aan situaties, waarin personen uit detentie komen of uit een instelling en acuut onderdak nodig hebben. Door het niet toepassen van de kostendelersnorm voor de hoofdbewoner wordt de bereidheid om iemand op te vangen bevorderd en dakloosheid voorkomen.
In dit soort situaties moet in ieder geval aan de volgende voorwaarden zijn voldaan:
- 1.
Het moet gaan om een acute noodzaak tot huisvesting; en
- 2.
Het moet gaan om een tijdelijke oplossing en
- 3.
De kostendeler moet niet voordat deze in een instelling of detentie zat op hetzelfde adres hebben gewoond, dan is het een herstel van de reguliere situatie en geen tijdelijke noodsituatie.
Bij mantelzorg gelden deze voorwaarden:
- 1.
Er is sprake van een intensieve zorgbehoefte; en
- 2.
Het verlenen van de mantelzorg is noodzakelijk en er kan geen of weinig aanspraak gedaan worden op hulp van professionals dan wel uit eigen netwerk; en
- 3.
De zorgbehoefte is de reden dat de inwoner tijdelijk elders verblijft of iemand tijdelijk in huis neemt voor het verlenen van mantelzorg; en
- 4.
Het gaat om een tijdelijk verblijf.
De uitzondering geldt voor de periode dat de zorg wordt verleend en uitsluitend wanneer de intensieve zorgbehoefte de reden is voor het samenwonen. Als mensen al samenwonen en pas later ontstaat er een zorgbehoefte, dan geldt de uitzondering niet. In dat geval is de zorg niet de reden van het samenwonen. Er is dan sprake van mantelzorg, maar het telt dan niet als uitzondering op de kostendelersnorm.
De mantelzorger is op grond van artikel 22a, vierde lid, Pw geen kostendeler. Dat geldt voor de bijstandsgerechtigde die mantelzorg verleent én voor de zorgbehoevende als deze een bijstandsuitkering ontvangt. Trekt een mantelzorger tijdelijk in bij een zorgbehoevende in een meerpersoonshuishouden, dan heeft dit ook geen effect op de (kostendelers)norm van de bijstandsgerechtigden in dit huishouden.
Met artikel 3, tweede lid, onderdeel a Pw, wordt duidelijk gemaakt dat de kostendelersnorm niet van toepassing is bij het tijdelijk inwonen bij iemand anders in verband met het leveren van mantelzorg vanwege een intensieve zorgbehoefte. Denk hierbij bijvoorbeeld aan tijdelijke mantelzorg door een bijstandsgerechtigde aan een goede vriend of familielid na een ziekenhuisopname, of mantelzorg door een zoon of dochter aan een zorgbehoeftige ouder, vooruitlopend op een toekomstige verhuizing naar een zorginstelling. Het was al mogelijk een uitzondering op de kostendelersnorm te maken wanneer sprake is van tijdelijke bijzondere individuele omstandigheden, zoals het geven of ontvangen van mantelzorg. Deze wijziging beoogt de uitzondering als het gaat om mantelzorg bij een intensieve zorgbehoefte in de wet op te nemen.
De kostendelersnorm wordt wél toegepast in situaties, waarin duidelijk is dat er sprake is van duurzaam verblijf. Dit kan blijken uit de intentie van inwoners of wanneer de situatie langer duurt (in ieder geval na 1 jaar) en er geen activiteit is om dit te veranderen. Voor mantelzorg betekent het dat het voortduren van de zorgbehoefte medebepalend is voor de duur van het niet toepassen van de kostendelersnorm.
In de situaties zoals in dit artikel bedoeld, wordt de kostendelersnorm gedurende 3 maanden niet toegepast voor de hoofdbewoner. Degene die inwoont ontvangt wel de kostendelersnorm als deze ook een bijstandsuitkering ontvangt, met uitzondering van de situaties van mantelzorg. Na 3 maanden moet de situatie opnieuw beoordeeld worden via een heronderzoek. Hierbij wordt onderzocht:
- •
Welke inspanningen heeft de inwonende persoon verricht om eigen huisvesting te vinden dan wel om terug te keren naar zijn of haar eigen woning.
- •
Is er onvoldoende gedaan om zelfstandig te gaan wonen, dan wordt de kostendelersnorm vanaf dat moment alsnog toegepast.
- •
Is er wel voldoende gedaan maar heeft dit niet tot het gewenste effect geleid, dan kan de situatie (steeds) worden verlengd met 3 maanden, afhankelijk van de inspanning die de inwonende levert om eigen woonruimte te vinden.
Artikel 17: recht op jongerentoeslag
De jongerentoeslag stond tot 1-1-2026 in artikel 12 Pw als bijzondere bijstand. Deze bepaling is vervallen en er is een rijksnorm voor jongerentoeslag vastgesteld, zodat de hoogte landelijk geharmoniseerd wordt.
De gemeente kan de jongerentoeslag verhogen o.g.v. art. 18 Pw als dit nodig is, omdat ze hogere algemene kosten van bestaan hebben. De totale hoogte van de uitkering mag nooit hoger uitvallen dan de norm > 21 jaar of het wettelijk minimum jeugdloon (afhankelijk van de leeftijd van de jongere).
Wanneer jongeren geen beroep kunnen doen op de onderhoudsplicht van hun ouders zijn, moet het gaan om:
- •
Jongeren die noodzakelijk zelfstandig wonen en
- •
Geen beroep kunnen doen op de onderhoudsplicht van hun ouders of
- •
Waarvan de ouders zijn overleden of onvindbaar in het buitenland verblijven.
Artikel 18: Voedingsgeld bij verblijf inrichting en bij zelfstandig wonen
Voedingsgeld is een vergoeding die inwoners met een Wlz indicatie voor verblijf kunnen ontvangen voor hun maaltijden. Het wordt verstrekt wanneer de instelling de voeding niet zelf in natura levert, maar de inwoner deze zelf moet inkopen. Voedingsgeld is daarmee geen extra financiële ondersteuning, maar een vervanging van de maaltijdverstrekking die normaliter onderdeel is van het verblijfspakket.
Of voedingsgeld als inkomen wordt aangemerkt, hangt af van de bijstandsnorm die van toepassing is:
- •
Inrichtingsnorm
Wanneer een inwoner in een inrichting verblijft en de inrichtingsnorm ontvangt, wordt voedingsgeld niet als inkomen beschouwd. De inrichtingsnorm gaat er namelijk van uit dat de instelling voorziet in voeding en verzorging. Het voedingsgeld vervangt slechts deze verstrekking en leidt daarom niet tot een verlaging van de uitkering.
- •
Algemene bijstandsnorm bij zelfstandig (of gedeeltelijk zelfstandig) wonen
In sommige gevallen is er sprake van een Wlz indicatie voor VPT, MPT of ZIN. De betreffende inwoner woont zelfstandig (huurt bijvoorbeeld via de zorginstelling), krijgt zorg alsof hij/zij in een instelling woont en ontvangt voedingsgeld. In die gevallen ontvangen klanten een bijstandsuitkering ter hoogte van de volledige norm en moet het voedingsgeld wel in mindering gebracht op de uitkering.
Wanneer er een draagkrachtberekening wordt toegepast voor bijzondere bijstand voor iemand zonder een uitkering telt voedingsgeld niet mee als het om een inrichting gaat waar maaltijdverstrekking onderdeel is van het verblijfspakket. Bij de beoordeling of voedingsgeld wel of niet mee te rekenen tot het inkomen wordt dezelfde afweging genomen als iemand met een uitkering.
Wanneer een inwoner zelfstandig woont met een Wlz‑indicatie voor verblijf, wordt het ontvangen voedingsgeld in beginsel als inkomen aangemerkt en in mindering gebracht op de bijstandsuitkering. De Centrale Raad van Beroep heeft echter geoordeeld dat in deze situatie altijd moet worden onderzocht of toepassing van artikel 18, eerste lid, Participatiewet noodzakelijk is. Dit komt doordat de inwoner enerzijds een deel van de Wlz‑zorg verrekend ziet worden met de bijstand, en anderzijds een eigen bijdrage aan het CAK moet betalen voor dezelfde zorg. Zonder nadere afstemming kan dit leiden tot een financieel onevenredige of schrijnende situatie.
Om dit te voorkomen hanteert het college de volgende werkwijze:
- •
Het daadwerkelijk betaalde bedrag aan eigen bijdrage wordt afgezet tegen het ontvangen voedingsgeld.
- •
Is de eigen bijdrage lager dan het voedingsgeld, dan wordt slechts het verschil als inkomen in mindering gebracht op de bijstandsuitkering.
- •
Is de eigen bijdrage gelijk aan of hoger dan het voedingsgeld, dan wordt het voedingsgeld geheel buiten beschouwing gelaten en niet als inkomen gekort.
Met deze benadering wordt voorkomen dat inwoners per saldo minder te besteden hebben doordat zij zowel een eigen bijdrage betalen als een verlaging van hun uitkering ervaren. De afstemming op grond van artikel 18, eerste lid, PW zorgt er zo voor dat de bijstand aansluit bij de feitelijke financiële situatie en geen onredelijke gevolgen heeft.
Artikel 19: Gokactiviteiten tijdens bijstand
Er is sprake van gokactiviteiten wanneer er meerdere keren per maand pinopnames in een gokinstelling (bijvoorbeeld casino) worden gedaan of met regelmaat online wordt gegokt (ECLI:NL:CRVB:2021:629). Een enkele keer meedoen aan een loterij of een keer naar het casino vallen hier dus niet onder.
Inkomsten uit gokactiviteiten moeten worden gekort op de bijstandsuitkering. Ze komen naar hun aard overeen met inkomen als bedoeld in artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, Pw en zijn dus vergelijkbaar met bijvoorbeeld inkomsten uit arbeid. Dit ook vanwege het feit dat gokken als beroepsmatige activiteit kan worden uitgevoerd. De inkomsten moeten worden toegerekend aan de maand waarin de inkomsten zijn ontvangen.
Het college is zich ervan bewust dat gokken, of het nou online is of fysiek, heel verslavend kan zijn. En juist wanneer iemand verslaafd is, zal hij het vaker per maand doen. Net zoals bij andere verslavingen moet iemand steeds meer gebruiken/doen om hetzelfde effect te bereiken. En dan wordt het problematisch.
In die gevallen willen we inwoners eerst de gelegenheid bieden mee te werken aan een hulpverleningstraject (gericht op het stoppen van de gokverslaving). Afhankelijk van de mate van medewerking aan een hulpverleningstraject korten we wel of niet de inkomsten op de bijstandsuitkering. Dit voor zover dit naar het oordeel van het college vanuit het oogpunt van de bijstandsverlening verantwoord is.
Het niet (of niet volledig korten van de inkomsten willen we inzetten om te voorkomen dat inwoners die gemotiveerd aan hun gokverslaving willen werken van de regen in de drup belanden door de inkomsten te korten. Vaak is de inleg namelijk vele malen groter, maar blijkens de Pw en de wetsgeschiedenis mag met deze inlegkosten (verwervingskosten) in principe geen rekening worden gehouden bij de vaststelling van het te korten inkomen.
In het artikel staan de verschillende scenario’s uitgelegd, van het willen meewerken en ook daadwerkelijk goed meewerken tot aan het weigeren van een hulpverleningstraject.
Op dit moment worden er frequent verschillende uitspraken van de Rechtbank gedaan over met name de manier van het korten van inkomsten bij gokken. In die gevallen waarin wij overgaan tot het korten van de inkomsten volgen wij de recente jurisprudentie hierover.
Slotbepalingen:
Artikel 21: Overgangsrecht
In dit artikel is opgenomen dat bij aanvragen en lopende onderzoeken voor de ingangsdatum van deze beleidsregels, waarover nog geen besluit is genomen na de ingang van het nieuwe beleid, niet nadelig kunnen uitpakken als het nieuwe beleid minder gunstig is voor de inwoner. Het besluit kan dus genomen worden op zowel het oude beleid als het nieuwe beleid.
Ziet u een fout in deze regeling?
Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl.
Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl