Besluit van de raad van de gemeente Heumen houdende bepalingen over inwonerparticipatie (Verordening inwonerparticipatie gemeente Heumen 2026)

Geldend van 30-03-2026 t/m heden

Intitulé

Besluit van de raad van de gemeente Heumen houdende bepalingen over inwonerparticipatie (Verordening inwonerparticipatie gemeente Heumen 2026)

De raad van de gemeente Heumen;

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 27 januari 2026;

gelet op:

  • de artikelen 149 en 150 van de Gemeentewet;

  • de artikelen 2.4, 3.1 en 3.4 van de Omgevingswet, en

  • de artikelen 10.2, 10.7 en 10.8 van het Omgevingsbesluit;

b e s l u i t :

vast te stellen de:

Verordening inwonerparticipatie gemeente Heumen 2026

Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen

Artikel 1. Definities

Deze verordening verstaat onder:

  • beleid: gedragslijn, project, programma of plan van de gemeente Heumen om een bepaald doel te realiseren;

  • bestuursorgaan: het bestuursorgaan van de gemeente Heumen dat bevoegd is, afhankelijk van de inhoud van het beleid of de taak is dat de gemeenteraad, het college of de burgemeester;

  • college: het college van burgemeester en wethouders;

  • inspraak: de mogelijkheid die een bestuursorgaan inwoners en belanghebbenden, zoals bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, biedt om hun mening over beleid te geven als bedoeld in artikel 150, tweede lid, van de Gemeentewet;

  • inwoners: ingezetenen als bedoeld in artikel 2 van de Gemeentewet;

  • inwonermacht: op initiatief van de gemeente betrekken van inwoners en maatschappelijke partijen bij de voorbereiding, uitvoering of evaluatie van beleid;

  • maatschappelijke partijen: verenigingen, stichtingen, buurtcomités, woongroepen, vrijwilligersorganisatie of een georganiseerd collectief van inwoners zonder formele rechtsvorm die tot doel hebben een actieve bijdrage te leveren aan de samenleving binnen de gemeente Heumen;

  • inwonerkracht: op initiatief van inwoners en maatschappelijke partijen betrekken van de gemeente bij de voorbereiding, uitvoering of evaluatie van beleid, daaronder ook het uitdaagrecht begrepen;

  • inwonerparticipatie: de samenwerking tussen een bestuursorgaan en inwoners of maatschappelijke partijen, in welke vorm dan ook, daaronder ook inwonermacht en -kracht begrepen;

  • participatiebeleid: de Visie op inwonerparticipatie;

  • uitdaagrecht: het recht van inwoners en maatschappelijke partijen om de feitelijke uitvoering van een gemeentelijke taak over te nemen als bedoeld in artikel 150, derde lid, van de Gemeentewet.

Hoofdstuk 2. Kaders en uitgangspunten

Artikel 2. Doelstelling

Het doel van deze verordening is:

  • a.

    het creëren van duidelijkheid over het proces van inwonerparticipatie en de voorwaarden waaronder toepassing van het uitdaagrecht mogelijk is; de samenwerking tussen een bestuursorgaan enerzijds en inwoners en maatschappelijke partijen anderzijds te versterken;

  • b.

    de kwaliteit van lokale democratische processen te vergroten;

  • c.

    de samenleving binnen de gemeente te versterken, en

  • d.

    het draagvlak voor beleid te vergroten.

Artikel 3. Reikwijdte

  • 1. Elk bestuursorgaan besluit ten aanzien van zijn eigen beleid, taken en bevoegdheden of inwonerparticipatie wordt toegepast.

  • 2. Het bestuursorgaan past bij inwonerparticipatie bij het vaststellen of wijzigen van:

    • a.

      het omgevingsplan als bedoeld in artikel 2.4 van de Omgevingswet;

    • b.

      de omgevingsvisie als bedoeld in artikel 3.1 van de Omgevingswet, of

    • c.

      een programma als bedoeld in artikel 3.4 van de Omgevingswet, zoveel mogelijk deze verordening toe, waarbij het bestuursorgaan de motiveringsplicht als bedoeld in de artikelen 10.2, 10.7 en 10.8 van het Omgevingsbesluit in acht neemt.

  • 3. Er vindt geen inwonerparticipatie plaats als:

    • a.

      het om de uitvoering of evaluatie van bestaand beleid gaat geldend op de dag van inwerkingtreding van deze verordening, zoals bedoeld in artikel 17, eerste lid, tenzij het bestuursorgaan uitdrukkelijk anders beslist;

    • b.

      het om een ten tijde van inwerkingtreding van deze verordening, zoals bedoeld in artikel 17, eerste lid, lopend uitvoerings- of evaluatietraject gaat;

    • c.

      het om een ondergeschikte herziening van het beleid of een traject als bedoeld onder b gaat;

    • d.

      (inwoner)participatie bij of krachtens wettelijk voorschrift is uitgesloten;

    • e.

      de uitkomst van inwonerparticipatie vanwege de spoedeisendheid niet kan worden afgewacht;

    • f.

      de verantwoordelijkheid van het betrokken bestuursorgaan voor kwetsbare groepen in de samenleving zwaarder moet wegen;

    • g.

      er sprake is van uitvoering van hogere regelgeving, waarbij het bestuursorgaan geen of nauwelijks beleidsvrijheid heeft;

    • h.

      het om interne aangelegenheden van de gemeente gaat, of

    • i.

      het om de begroting, de tarieven voor gemeentelijke dienstverlening of belastingen bedoeld in hoofdstuk XV van de Gemeentewet gaat.

Artikel 4. Zorgplicht bestuursorgaan

Het bestuursorgaan zorgt ervoor dat:

  • a.

    inwoners en maatschappelijke partijen tijdig worden betrokken;

  • b.

    inzichtelijk is hoe het proces van inwonerparticipatie eruitziet en welke vormen van inwonerparticipatie tijdens het proces mogelijk zijn;

  • c.

    de voor het proces van inwonerparticipatie benodigde stukken openbaar zijn;

  • d.

    tijdens het proces van inwonerparticipatie inzichtelijk is wat de stand van zaken is;

  • e.

    het proces van inwonerparticipatie zorgvuldig verloopt;

  • f.

    duidelijk is waar inwoners en maatschappelijke partijen terecht kunnen met vragen of klachten over het proces van inwonerparticipatie, en

  • g.

    na afloop kenbaar is hoe het proces van inwonerparticipatie is verlopen, wat de uitkomsten waren en hoe deze uitkomsten een plaats hebben gekregen in de besluitvorming.

Artikel 5. Experimenteerprogramma

  • 1. Het college stelt aan het begin van iedere bestuursperiode een experimenteerprogramma vast om de ontwikkeling van inwonerparticipatie te bevorderen en legt dit programma ter besluitvorming aan de gemeenteraad voor.

  • 2. Het programma omvat:

    • a.

      een keuze van de te beproeven nieuwe vormen van inwonerparticipatie;

    • b.

      een keuze van de te bereiken nieuwe doelgroepen;

    • c.

      een overzicht van de benodigde middelen en capaciteit, en

    • d.

      een overzicht van de toetsingscriteria voor de evaluatie na het experiment.

Hoofdstuk 3. Inwonerparticipatie

Artikel 6. Plan voor inwonerparticipatie

  • 1. Het bestuursorgaan stelt voorafgaand aan de voorbereiding, uitvoering of evaluatie van beleid, aan de hand van het door de gemeenteraad vastgestelde participatiebeleid, een plan op met het proces en de planning van de inwonerparticipatie en maakt dit openbaar.

  • 2. Het plan bevat in elk geval:

    • a.

      een omschrijving van het beleid dat voorbereid, uitgevoerd of geëvalueerd wordt;

    • b.

      het oogmerk van het proces, waarbij het bestuursorgaan een keuze maakt uit:

      • i.

        kwaliteit of effectiviteit van het beleid verbeteren;

      • ii.

        draagvlak voor het beleid vergroten;

      • iii.

        zorgen voor betere besluiten, vaardigheden of financiële voordelen;

      • iv.

        democratische rechten en actief burgerschap bevorderen;

      • v.

        zeggenschap en medeverantwoordelijkheid creëren;

      • vi.

        democratisch ideaal, legitimiteit of overbrugging van de politieke kloof nastreven, of

      • vii.

        een combinatie van deze oogmerken.

    • c.

      de vorm van inwonerparticipatie, waarbij het bestuursorgaan kiest uit:

      • i.

        informeren: inwoners en maatschappelijke partijen krijgen informatie;

      • ii.

        inspraak: inwoners en maatschappelijke partijen kunnen hun mening geven;

      • iii.

        adviseren: het bestuursorgaan gaat in gesprek met inwoners en maatschappelijke partijen en betrekt hun adviezen bij het nemen van het besluit;

      • iv.

        coproduceren: het bestuursorgaan maakt samen met inwoners en maatschappelijke partijen een plan en besluit daarover;

      • v.

        meebeslissen: het bestuursorgaan maakt samen met inwoners en maatschappelijke partijen een plan en zij besluiten daar samen over, of

      • vi.

        een combinatie van deze vormen.

    • d.

      informatie over de procedure en de planning van het proces, waarbij in elk geval aandacht is voor:

      • i.

        de te betrekken doelgroepen en hoe die benaderd worden;

      • ii.

        de informatievoorziening aan die doelgroepen gedurende en na afloop van het proces, en

      • iii.

        de besluitvorming over het beleid.

  • 3. Als het college de besluitvorming over beleid voor de gemeenteraad voorbereidt, stelt het college het plan op, informeert de gemeenteraad over de inhoud en maakt dit openbaar.

Artikel 7. Inspraak

Als een bestuursorgaan in het kader van de inwonerparticipatie voor inspraak kiest of inspraak wettelijk verplicht is, is afdeling 3.4 (Uniforme openbare voorbereidingsprocedure) van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, tenzij het bestuursorgaan een ander procedure vaststelt.

Artikel 8. Ondersteuning bij inwonerparticipatie

Het college zorgt voor ondersteuning van degene die aan inwonerparticipatie wil deelnemen of een verzoek om inwonerparticipatie wil indienen of heeft ingediend.

Hoofdstuk 4. Aanvullende bepalingen inwonermacht

Artikel 9. Eindverslag

  • 1. Nadat inwonerparticipatie in de vorm van inwonermacht heeft plaatsgevonden, stelt het bestuursorgaan een eindverslag op en maakt dit openbaar.

  • 2. Het eindverslag bevat in elk geval:

    • a.

      een beschrijving op hoofdlijnen van het proces dat is gevolgd;

    • b.

      de uitkomsten van het proces;

    • c.

      een reactie van het bestuursorgaan op die uitkomsten, waarbij beargumenteerd is aangegeven hoe het beleid naar aanleiding daarvan is aangepast, en

    • d.

      een beknopte evaluatie van het proces dat is gevolgd.

  • 3. Als het college op grond van artikel 6, derde lid, het plan heeft opgesteld, stelt hij ook het eindverslag op, informeert de gemeenteraad over de inhoud en maakt dit openbaar.

Hoofdstuk 5. Aanvullende bepalingen inwonerkracht

Artikel 10. Verzoek inwonerkracht

  • 1. Inwoners en maatschappelijke partijen kunnen bij het college een verzoek met betrekking tot inwonerkracht indienen.

  • 2. Het verzoek bevat:

    • a.

      een omschrijving van de inwonerkracht die de indiener voor ogen heeft;

    • b.

      de reden dat de indiener het verzoek indient, en

    • c.

      het resultaat dat de indiener beoogt.

  • 3. De indiener van het verzoek geeft daarnaast in elk geval aan:

    • a.

      wat de relevante betrokkenheid, kennis en ervaring van de indiener is;

    • b.

      welke kosten of middelen er volgens de indiener aan het verzoek verbonden zijn;

    • c.

      een indicatie van het draagvlak onder inwoners of maatschappelijke partijen, en

    • d.

      bij het uitdaagrecht, hoe de indiener de kwaliteit en de uitvoering van de taak op de lange termijn wil waarborgen.

  • 4. De indiener maakt voor het verzoek gebruik van het door het college vastgestelde formulier.

  • 5. Het college kan naar aanleiding van het verzoek aanvullende informatie opvragen.

Artikel 11. Beoordeling verzoek inwonerkracht

  • 1. Het college zendt een ingediend verzoek door aan het bestuursorgaan dat bevoegd is om op het verzoek te reageren en informeert de indiener hierover.

  • 2. Als de gemeenteraad op het verzoek moet reageren, bereidt het college de reactie op het verzoek voor.

  • 3. Onverminderd artikel 3, derde lid, wijst het bestuursorgaan een verzoek af als:

    • a.

      het verzoek ziet op een taak waarvan de aard zich tegen toepassing van inwonerkracht verzet;

    • b.

      het verzoek in strijd is met door de gemeente vastgesteld beleid, of

    • c.

      het verzoek niet voldoet aan de in artikel 10, tweede en derde lid, gestelde eisen.

  • 4. Het bestuursorgaan kan een verzoek met betrekking tot inwonerkracht afwijzen als:

    • a.

      hij van oordeel is dat de taak niet beter wordt uitgevoerd;

    • b.

      hij van oordeel is dat de kosten hoger zullen zijn, of

    • c.

      de opdrachtwaarde boven de Europese drempelwaarde als bedoeld in paragraaf 2.1.1.1 van de Aanbestedingswet 2012 uitkomt.

  • 5. Het bestuursorgaan reageert binnen acht weken op het verzoek.

  • 6. Het bestuursorgaan kan de termijn als bedoeld in het vijfde lid met maximaal vier weken verdagen.

  • 7. Het bestuursorgaan onderbouwt de reactie op het verzoek en maakt de reactie en de onderbouwing openbaar.

Artikel 12. Uitvoering inwonerkracht

Als het bestuursorgaan het verzoek met betrekking tot inwonerkracht toewijst, maakt het met de indiener afspraken over:

  • a.

    het proces, het resultaat en de looptijd;

  • b.

    het budget en de financieringswijze;

  • c.

    het contact met en de ondersteuning door het bestuursorgaan gedurende het proces;

  • d.

    de te nemen stappen bij het niet nakomen van de gemaakte afspraken of tussentijdse beëindiging, en

  • e.

    de evaluatie.

Hoofdstuk 6. Slotbepalingen

Artikel 13. Nadere regels college

Het college kan over inwonerparticipatie nadere regels vaststellen.

Artikel 14. Hardheidsclausule

  • 1. Het bestuursorgaan kan in bijzondere gevallen gemotiveerd afwijken van de bepalingen in deze verordening.

  • 2. Als het bestuursorgaan, zoals bedoeld in het eerste lid, niet de gemeenteraad betreft, wordt de gemeenteraad over de toepassing van de hardheidsclausule door het bestuursorgaan vooraf geconsulteerd.

Artikel 15. Verhouding met andere wet- en regelgeving

  • 1. Deze verordening heeft geen betrekking op participatie in de zin van de Participatiewet noch op participatie als aanvraagvereisten in de zin van de Omgevingswet.

  • 2. Deze verordening laat onverlet:

    • a.

      de ‘Verordening Burgerparticipatie 2015 - Wet maatschappelijke ondersteuning, Participatiewet en Jeugdwet’;

    • b.

      de Algemene subsidieverordening gemeente Heumen 2018.

Artikel 16. Evaluatie

De uitvoering van deze verordening wordt ten minste eenmaal per raadsperiode geëvalueerd.

Artikel 17. Inwerkingtreding, citeertitel, intrekking oude verordening en overgangsrecht

  • 1. Deze verordening treedt op 30 maart 2026 in werking, met uitzondering van artikel 5 (Experimenteerprogramma) en hoofdstuk 5 (Aanvullende bepalingen inwonerkracht) welke op 1 januari 2027 in werking treden.

  • 2. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening inwonerparticipatie gemeente Heumen 2026.

  • 3. De ‘Inspraakverordening gemeente Heumen’ wordt ingetrokken.

  • 4. De verordening als bedoeld in het derde lid blijft van toepassing op beleid waarvoor ten tijde van de inwerkingtreding van deze verordening reeds een inspraakprocedure op grond van die verordening was gestart.

Ondertekening

Aldus vastgesteld door de raad van de gemeente Heumen in zijn openbare vergadering van 12 maart 2026.

drs. M.J.H.N. Collombon

Griffier

mr. J.W.M.S. Minses

Voorzitter

Toelichting

Algemeen

Aanleiding: Wet versterking participatie op decentraal niveau

Op 1 januari 2025 is de Wet versterking participatie op decentraal niveau in werking getreden (Stb. 2024, 203, hierna: de wet). Deze wet beoogt het draagvlak voor het beleid van gemeenten, en de uitvoering en evaluatie daarvan, te vergroten door inwoners hier een grotere rol in te geven. Volgens de memorie van toelichting is het, gezien de grote maatschappelijke opgaven waar gemeenten voor staan, van belang dat gemeenten inwoners vroegtijdig en zorgvuldig betrekken bij vraagstukken.

Tegen die achtergrond voorziet de wet in de eerste plaats in een verbreding van de verplichtingen voor gemeenten. Gemeenten moeten inwoners op grond van de wet niet meer alleen bij de voorbereiding van beleid betrekken, maar ook bij de uitvoering en evaluatie daarvan (artikel 150, eerste lid, van de Gemeentewet). In de memorie van toelichting is bovendien opgemerkt dat inspraak lang niet het enige middel voor gemeenten is om inwoners bij het maken van beleid en de uiteindelijke besluitvorming te betrekken. De wet beoogt in de tweede plaats dus dat gemeenten hun inspraakverordening vervangen door een participatieverordening en dat zij daarin meer recht doen aan alle verschillende middelen die er voor participatie zijn.

Tot slot bevat de wet een bepaling over het uitdaagrecht. Uit artikel 150, derde lid, van de Gemeentewet volgt dat gemeenten in de nieuwe participatieverordening niet alleen moeten voorzien in de wijze waarop gemeenten inwoners bij het voorbereiden, uitvoeren en evalueren van gemeentelijk beleid betrekken, maar aan inwoners en maatschappelijke partijen ook de mogelijkheid moeten bieden zelf het initiatief te nemen. Geregeld is dat gemeenten in de participatieverordening de voorwaarden moeten bepalen waaronder inwoners en maatschappelijke partijen taken van de gemeente kunnen uitvoeren. Dit betreft zowel het uitvoeren van de eigen taken van de gemeenten (artikel 150, derde lid, onder a), als het uitvoeren van de taken die aan de gemeenten in medebewind zijn gegeven (artikel 150, derde lid, onder b). Dit laatste voor zover dat niet in strijd is met de wet.

Invulling participatieverordening

In de wet is niet voorgeschreven welke middelen voor inwonerparticipatie gemeenten precies in hun participatieverordening moeten opnemen. Verder zijn gemeenten ook vrij in de voorwaarden die zij aan de toepassing van het uitdaagrecht verbinden. Het is dus aan gemeenten om een afweging te maken hoe zij de participatieverordening precies in willen vullen. Bij die afweging zal in de eerste plaats aandacht moeten zijn voor de wensen die er binnen de gemeente, en onder de inwoners, ten aanzien van inwonerparticipatie zijn. Daarnaast zal een gemeente echter ook rekening moeten houden met de kosten of andere middelen die met de uitvoering van de verordening gemoeid zijn en wat de uitvoering van de verordening van de ambtelijke organisatie vraagt. Bijvoorbeeld als het aankomt op de houding en het gedrag, maar ook als het op de planning van besluitvormingsprocessen aankomt.

Dat hierin een zorgvuldige afweging wordt gemaakt is van groot belang, want de invulling die een gemeente aan de participatieverordening geeft, heeft gevolgen voor de verwachtingen die de inwoners en de maatschappelijke partijen van de gemeente hebben. Als een participatieverordening uiteindelijk niet uitvoerbaar is, bijvoorbeeld vanwege de kosten en ambtelijke capaciteit die de uitvoering vraagt, dan betekent dit dat die verwachtingen waarschijnlijk niet worden waargemaakt en dat heeft ook gevolgen voor het vertrouwen van inwoners en maatschappelijke partijen in de overheid in het algemeen en de gemeente in het bijzonder.

Tegen die achtergrond is er in deze verordening in de eerste plaats voor gekozen om de kennis en ervaring van de inwoners en maatschappelijke partijen binnen de gemeente zoveel mogelijk te benutten en dit ook in alle stappen van het beleidsproces te doen. Vanaf het bepalen van de agenda tot aan de voorbereiding, besluitvorming, uitvoering en evaluatie van het gemeentelijk beleid.

In deze verordening zijn de spelregels voor inwonermacht opgenomen. Dat wil zeggen dat het gaat om een kader voor de wijze waarop inwoners en maatschappelijke partijen op initiatief van de gemeente bij het beleidsproces worden betrokken. Verder is er een wens om ook initiatieven vanuit inwoners en maatschappelijke partijen zoveel mogelijk te omarmen. Daartoe wordt ook inwonerkracht, dus de situatie waarin de gemeente op initiatief van inwoners en maatschappelijke partijen wordt betrokken bij plannen die inwoners en maatschappelijke partijen hebben, in de verordening gefaciliteerd. Onderdeel van inwonerkracht is het uitdaagrecht, zoals dat vanaf 1 januari 2025 in de Gemeentewet verankerd is. Er zijn in de verordening voorwaarden opgenomen waaronder inwonerkracht plaats kan vinden en de verordening voorziet ook in een procedure bij het indienen van een verzoek daartoe.

Daarbij wordt nog opgemerkt dat de burgemeester, op grond van artikel 170, eerste lid, onderdeel a en c, van de Gemeentewet, een zorgplicht heeft. Hij moet toezien op een tijdige voorbereiding, vaststelling, uitvoering en evaluatie van het gemeentelijk beleid en van de daaruit voortvloeiende besluiten, een goede afstemming tussen degenen die bij die voorbereiding, vaststelling, uitvoering en evaluatie zijn betrokken en de kwaliteit van procedures op het vlak van participatie.

Aansprakelijkheid en aanbesteding

Benadrukt wordt dat het bij de toepassing van het uitdaagrecht van belang is om rekening te houden met bepaalde juridische aspecten. Dat betreft in elk geval het aanbestedings- en aansprakelijkheidsrecht.

Voor de verhouding tussen het uitdaagrecht en het aanbestedingsrecht geldt dat er in de memorie van toelichting bij de wet is opgemerkt dat gemeenten, ook bij de toepassing van het uitdaagrecht, de aanbestedingsregels moeten naleven. Kortom, het uitdaagrecht zet het aanbestedingsrecht niet opzij. Er zijn echter wel mogelijkheden om het uitdaagrecht binnen de context van het aanbestedingsrecht te stimuleren. Zo kan een gemeente de aanbesteding op het uitdaagrecht laten aansluiten. Hoe dit precies vorm moet krijgen zal per geval moeten worden bepaald.

Voor de verhouding tussen het uitdaagrecht en het aansprakelijkheidsrecht is van belang dat de gemeente in bepaalde gevallen een risicoaansprakelijkheid heeft en dat die aansprakelijkheid niet kan worden overgedragen. Dit kan bijvoorbeeld aan de orde zijn als het uitdaagrecht ziet op het inrichten of onderhouden van de openbare ruimte of het gebruik van gebouwen van de gemeente. Als de gemeente een risicoaansprakelijkheid heeft, dan is het ook aan de gemeente om de risico’s zoveel mogelijk te beperken. Dit vereist dat de gemeente hier in het kader van het uitdaagrecht met inwoners of maatschappelijke partijen afspraken over maakt. Wat moeten de betrokken partijen doen om bepaalde risico’s te verkleinen?

Welke maatregelen nodig zijn en wat daarin van inwoners en maatschappelijke partijen mag worden verwacht, is erg afhankelijk van waar het uitdaagrecht precies op ziet. Ook hier geldt dus dat per geval zal moeten worden bepaald hoe hier invulling aan wordt gegeven. In de verordening is een bepaling opgenomen waarin is vastgelegd dat de gemeente met de inwoners en maatschappelijke partijen afspraken maakt over de uitvoering van de gemeentelijke taak. En ook wat de gevolgen zijn als de afspraken niet worden nagekomen.

Artikelsgewijs

Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen

Hoofdstuk 1 bevat inleidende bepalingen voor het vervolg van de verordening. Zo komen in dit hoofdstuk de definities aan bod.

Artikel 1. Definities

Een aantal definities verdienen een nadere toelichting.

Beleid

Het begrip beleid ziet op het beleid van een bestuursorgaan in brede zin, hieronder vallen ook projecten, programma’s en plannen. Bij beleid gaat het niet om het nemen van concrete besluiten of maatregelen, maar om het beleid waarop deze besluiten of maatregelen kunnen worden gebaseerd. Daarbij omvat het begrip niet alleen het vaststellen van beleid, maar ook de uitvoering en evaluatie daarvan.

Inspraak

Bij dit begrip gaat het om inspraak als bedoeld in artikel 150, tweede lid, van de Gemeentewet. Bij inspraak wordt afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht gevolgd of een ander door het bestuursorgaan vastgestelde procedure.

Inwonermacht

In de verordening zijn alle vormen van inwonerparticipatie, waarbij de gemeente het initiatief neemt om inwoners en maatschappelijke partijen bij de voorbereiding, uitvoering of evaluatie van beleid te betrekken, onder het begrip ‘inwonermacht’ geschaard. Daarmee gelden voor al die vormen van participatie, waaronder inspraak, dezelfde spelregels.

Maatschappelijke partijen

Op grond van de wet kunnen ook maatschappelijke partijen om toepassing van het uitdaagrecht vragen. In de wet is echter geen definitie van dit begrip opgenomen. Het is dus aan de gemeente om deze groep af te bakenen. In deze verordening is ervoor gekozen de nadruk te leggen op de lokale binding. Onder maatschappelijke partijen vallen organisaties die als doel hebben om een actieve bijdrage aan de samenleving in de gemeente te leveren, ongeacht de rechtsvorm waarin deze zijn georganiseerd. Ondernemers worden niet gezien als maatschappelijke partij. Er moet een maatschappelijke component zijn. Er kan bij maatschappelijke partijen onder meer worden gedacht aan lokale verenigingen of stichtingen, woongroepen, buurtpreventieteams, vrijwilligersorganisaties, buurtcomités en inwonerscollectieven.

Inwonerkracht

Dit begrip is de tegenhanger van het begrip inwonermacht en omvat alle vormen van inwonerparticipatie waarbij inwoners en maatschappelijke partijen zelf het initiatief nemen. Daarmee gelden voor al die vormen van participatie dezelfde spelregels. Onder het begrip ‘inwonerkracht’ valt ook het uitdaagrecht.

Inwonerparticipatie

Omdat insteek van de verordening is zowel inwonermacht als -kracht te omarmen én te faciliteren, is ook een overkoepelend begrip opgenomen: inwonerparticipatie. Dit brengt tot uitdrukking dat het in beginsel niet uitmaakt of het initiatief voor de participatie bij de gemeente of bij de inwoners en maatschappelijke partijen ligt. Samenwerking staat voorop.

Uitdaagrecht

Voor de definitie van uitdaagrecht is aangesloten bij artikel 150, derde lid, van de Gemeentewet. Op grond daarvan kunnen inwoners en maatschappelijke partijen een verzoek doen om gemeentelijke taken over te nemen.

Hoofdstuk 2. Kaders en uitgangspunten

Dit hoofdstuk bevat de kaders en uitgangspunten die in het algemeen voor alle vormen van inwonerparticipatie gelden. Dit omvat zowel inwonermacht, waaronder inspraak als bedoeld in artikel 150, tweede lid, van de Gemeentewet, als inwonerkracht, waaronder het uitdaagrecht als bedoeld in artikel 150, derde lid, van de Gemeentewet.

Artikel 2. Doelstelling

Deze verordening biedt kaders en voorwaarden voor samenwerking tussen inwoners, maatschappelijke partijen, bestuursorganen en gemeenteambtenaren.

Een belangrijke voorwaarde voor een goede samenwerking is dat duidelijk is wat partijen over en weer van elkaar mogen verwachten en dat dus bewuste keuzes worden gemaakt in het doel en de vorm van participatie.

Het doel van de verordening, zoals dat in dit artikel is omschreven, biedt het kader bij het maken van die keuzes.

Artikel 3. Reikwijdte

Uitgangspunt in de verordening is dat de bestuursorganen binnen de gemeente, elk ten aanzien van hun eigen taken en bevoegdheden, bepalen of inwonerparticipatie plaatsvindt. Dit vanzelfsprekend behoudens die gevallen waarin de wet tot participatie verplicht.

Vervolgens is hier een aantal uitzonderingen op geformuleerd. Opmerking verdient dat terughoudend met de uitzonderingsgronden moet worden omgegaan en dat er steeds aandacht moet zijn voor het feit dat inwonerparticipatie zich niet alleen over de voorbereiding, maar ook over de uitvoering en evaluatie van nieuw of gewijzigd beleid uitstrekt. Als inwonerparticipatie bij de voorbereiding geen toegevoegde waarde heeft, geldt dat niet noodzakelijkerwijs ook voor de uitvoering of evaluatie.

Als er een beroep op een uitzonderingsgrond wordt gedaan en er van inwonerparticipatie wordt afgezien, dan moet dat worden toegelicht.

Artikel 4. Zorgplicht bestuursorgaan

Op bestuursorganen rust de taak om inwonerparticipatie zoveel mogelijk te faciliteren en ook de juiste verwachtingen over het doel en de vorm van de inwonerparticipatie te scheppen. Daarom is in de verordening expliciet een zorgplicht voor bestuursorganen opgenomen. Zo moeten bestuursorganen ervoor zorgen dat inwoners en maatschappelijke partijen tijdig worden betrokken. Met andere woorden, als alle opties nog open liggen. Ook moet inzichtelijk zijn hoe een proces van inwonerparticipatie verloopt. Verder moet alle benodigde informatie openbaar zijn en moet steeds kenbaar zijn wat de stand van zaken is. Bovendien bevat de verordening een verplichting om duidelijk te maken waar inwoners en maatschappelijke partijen met vragen en klachten terecht kunnen. Het ligt voor de hand dat voor inwonerparticipatie een (vaste) contactpersoon wordt aangewezen.

Artikel 5. Experimenteerprogramma

Om de ontwikkeling van participatie te bevorderen, is bepaald dat het college bestuursperiode een programma vaststelt waarin is uitgewerkt hoe de gemeente met inwonerparticipatie wil gaan experimenteren. Dit biedt ruimte om na te gaan hoe de processen rond inwonerparticipatie verlopen zijn, welke lessen daaruit zijn te trekken en wat er nodig is om inwonerparticipatie verder te verbreden en te verdiepen.

In het programma wordt onder andere vastgelegd welke verschillende participatievormen het college wil gaan uitproberen en welke specifieke doelgroepen het college wil bereiken.

Bij experimenten met nieuwe vormen van inwonerparticipatie heeft het overigens de voorkeur om te verkennen of hier ook samenwerking mogelijk is met inwoners en organisaties, zodat ook hun kennis en kwaliteiten kunnen worden benut. Datzelfde geldt voor het opstellen van het experimenteerprogramma. Ook bij het opstellen van het programma kunnen inwoners en maatschappelijke partijen een rol krijgen. Zij kunnen bijvoorbeeld de gelegenheid krijgen voorstellen voor nieuwe participatievormen te doen.

Het college legt het experimenteerprogramma ter besluitvorming aan de gemeenteraad voor, zodat de gemeenteraad ook ten aanzien van inwonerparticipatie invulling kan geven aan zijn kaderstellende rol.

Hoofdstuk 3. Inwonerparticipatie

Dit hoofdstuk gaat over de toepassing van inwonerparticipatie in algemene zin. De bepalingen hebben betrekking op zowel inwonermacht als -kracht.

Artikel 6. Plan voor inwonerparticipatie

In dit artikel is geregeld dat het bestuursorgaan een participatieplan moet opstellen. Dit zorgt dat er duidelijkheid is over het proces, het doel en de vorm van de inwonerparticipatie. Eén en ander in lijn met het participatiebeleid van de gemeenteraad.

Voorts zijn de elementen opgenomen die in ieder geval in het participatieplan moeten staan. Het plan kan in overleg met inwoners en maatschappelijke partijen worden opgesteld.

Wat betreft de te kiezen vorm van inwonerparticipatie is aangesloten bij de participatieladder, waarbij elke trap op de ladder meer invloed op de besluitvorming betekent.

De vorm van een participatieplan is vrij. Het plan kan onderdeel zijn van een voordracht, projectplan of beleidsstuk, maar ook een losstaand document is mogelijk. Van belang is vooral dat inzichtelijk is waar het participatieplan te vinden is en het duidelijkheid biedt.

Artikel 7. Inspraak

Een bestuursorgaan kan op grond van de verordening inspraak verlenen, ook als de wet daartoe niet verplicht. Inspraak kan eventueel naast een andere vorm van inwonerparticipatie plaatsvinden.

Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht bevat de uniforme openbare voorbereidingsprocedure. Deze afdeling is in beginsel van toepassing als inspraak wordt verleend. Het bestuursorgaan kan hier echter van afwijken en een andere inspraakprocedure vaststellen.

Voor de uniforme openbare voorbereidingsprocedure geldt dat het doel is om zorgvuldige besluitvorming te waarborgen, de uitkomsten hiervan te legitimeren, de rechten en belangen van burgers te beschermen en beleid met andere overheden te coördineren. De procedure voorziet daartoe in de wijze waarop een bestuursorgaan ontwerpbesluiten ter inzage moet leggen, hoe belanghebbenden hierop kunnen reageren en hoe bestuursorganen met deze reacties moeten omgaan. Zo moeten belanghebbenden zowel schriftelijk als mondeling kunnen reageren en moet de termijn voor de reactie minimaal zes weken bedragen. Dit geldt dus ook als afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht op inspraak wordt toegepast.

Artikel 8. Ondersteuning bij inwonerparticipatie

Het college biedt laagdrempelige ondersteuning aan de degenen die aan inwonerparticipatie willen deelnemen of een verzoek om inwonerparticipatie hebben ingediend. Dit om ervoor te zorgen dat dit voor alle inwoners mogelijk is.

Hoofdstuk 4. Aanvullende bepalingen inwonermacht

Dit hoofdstuk bevat aanvullende bepalingen specifiek gericht op inwonermacht, waaronder inspraak.

Artikel 9. Eindverslag

Het bestuursorgaan moet een eindverslag opstellen dat een compleet overzicht geeft van het proces van inwonerparticipatie. In het verslag moeten in elk geval het proces, de reacties en de uitkomsten van de participatie worden beschreven. Het is genoeg om kort te beschrijven wat mensen hebben gezegd en wie dat heeft gedaan. In de eindfase van de participatie moet het bestuursorgaan ook laten weten wat er met de uitkomsten is gedaan.

Het eindverslag kan worden opgenomen in een losstaand document, maar het kan ook een onderdeel van een voordracht of een passage in een brief zijn. Het ligt voor de hand om degenen die hebben geparticipeerd het eindverslag toe te sturen. Daarnaast wordt het eindverslag openbaar gemaakt.

Hoofdstuk 5. Aanvullende bepalingen inwonerkracht

Dit hoofdstuk bevat aanvullende bepalingen specifiek gericht op inwonerkracht, waaronder het uitdaagrecht.

Artikel 10. Verzoek inwonerkracht

Inwonerkracht begint, ongeacht het bestuursorgaan dat bevoegd is, met een verzoek aan het college. Hiervoor is gekozen, zodat het indienen van een verzoek laagdrempelig is en ook centraal ontvangen wordt.

In het verzoek moet in ieder geval de inwonerkracht beschreven worden die de indiener voor ogen heeft, de reden waarom de indiener dit voor ogen heeft en het resultaat dat de indiener wil bereiken. Daarbij levert de indiener ook specifieke informatie aan met betrekking tot de uitvoering van de over te nemen taak.

Voor het indienen van het verzoek wordt een formulier ontwikkeld. Dit moet het indienen van een verzoek vergemakkelijken.

Als aanvullende informatie nodig is om op het verzoek te reageren of het verzoek niet compleet is, kan het college deze informatie opvragen. Het ligt voor de hand dat het college dan met de indiener in gesprek gaat.

Artikel 11. Beoordeling verzoek inwonerkracht

Het college neemt alle verzoeken met betrekking tot inwonerkracht in ontvangst en zendt deze door aan het bevoegde bestuursorgaan.

Het bevoegde bestuursorgaan moet het verzoek onder bepaalde omstandigheden afwijzen. In dat verband is een aantal uitzonderingsgronden opgesomd. Dit is bijvoorbeeld aan de orde als het verzoek in strijd is met door de gemeente vastgesteld beleid. Verder is er een aantal omstandigheden genoemd waaronder het bestuursorgaan het verzoek kan afwijzen. Het is dan aan het bestuursorgaan om een afweging te maken welke belangen zwaarder wegen.

In het artikel is ook een termijn opgenomen waarbinnen op het verzoek moet worden gereageerd. Het bestuursorgaan moet de reactie onderbouwen en tevens openbaar maken.

Artikel 12. Uitvoering inwonerkracht

Als het verzoek met betrekking tot inwonerkracht wordt toegewezen, maakt het bestuursorgaan met de indiener afspraken over het vervolg en ook over de stappen die volgen als de afspraken niet worden nagekomen. Het ligt voor de hand deze afspraken vast te leggen in een overeenkomst.

Hoofdstuk 6. Slotbepalingen

Het laatste hoofdstuk van de verordening bevat nog een aantal slotbepalingen.

Artikel 13. Nadere regels college

Het college heeft de bevoegdheid om nadere regels vast te stellen en bepaalde artikelen uit de verordening dus nader uit te werken.

Artikel 14. Hardheidsclausule

Om maatwerk te garanderen en onevenredig bezwarende uitkomsten van de toepassing van deze verordening te voorkomen, heeft het bestuursorgaan de mogelijkheid om in uitzonderlijke gevallen af te wijken van de bepalingen in deze verordening. Het bestuursorgaan moet wel motiveren waarom er wordt afgeweken.

Over het toepassen van de hardheidsclausule door het college of de burgemeester dient de gemeenteraad te worden geconsulteerd.

Artikel 15. Verhouding met andere wet- en regelgeving

Dit artikel moet onduidelijkheid of verwarring voorkomen. De verordening heeft geen betrekking op participatie in de zin van de Participatiewet. Ook ziet de verordening niet op participatie die wordt voorgeschreven bij het aanvragen van een vergunning op grond van de Omgevingswet. Tot slot doet de verordening niks af aan de vigerende verordeningen met betrekking tot de burgeradviesraad of subsidies.

Artikel 16. Evaluatie

De verordening wordt ten minste eenmaal in de vier jaar geëvalueerd. Hiermee kan onder andere worden nagegaan of de doelstelling van de verordening wordt bereikt. Bovendien biedt dit de mogelijkheid om, indien nodig, de verordening bij te werken.

Artikel 17. Inwerkingtreding, citeertitel, intrekking oude verordening en overgangsrecht

De oude verordening blijft van toepassing op reeds gestarte inspraakprocedures op grond van die verordening.

Verder treden de (aanvullende) bepalingen inzake het experimenteerprogramma (artikel 5) en inwonerkracht, waaronder het uitdaagrecht begrepen, (hoofdstuk 5) later in werking, namelijk per 1 januari 2027.

Voor het overige spreekt dit artikel voor zich.