Uittredingsregeling Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Utrecht

Geldend van 27-03-2026 t/m heden

Intitulé

Uittredingsregeling Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Utrecht

Het algemeen bestuur van Omgevingsdienst Utrecht,

gelet op:

Artikel 41 lid 4 van de Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Utrecht;

Besluit vast te stellen de navolgende Uittredingsregeling Omgevingsdienst Utrecht

Artikel 1 Begripsbepalingen

Artikel 1 van de Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Utrecht is van toepassing op dit besluit. Daarnaast wordt in dit besluit verstaan onder:

  • a.

    algemeen bestuur: het algemeen bestuur van de Omgevingsdienst, bedoeld in artikel 7, lid 2 van de regeling;

  • b.

    dagelijks bestuur: het dagelijks bestuur van de Omgevingsdienst, bedoeld in artikel 17, lid 1 van de regeling;

  • c.

    regeling: de Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Utrecht;

  • d.

    variabele bijdrage: de variabele bijdrage bedoeld in artikel XXX van de Bijdrageverordening Omgevingsdienst Utrecht, en

  • e.

    vaste bijdrage: de vaste bijdrage bedoeld in artikel XXX van de Bijdrageverordening Omgevingsdienst Utrecht

Artikel 2 Gevolgen uittreding

  • 1. In het geval een college, met inachtneming van artikel 41, lid 1 en lid 3 van de regeling besluit tot uittreding uit de regeling, stelt het algemeen bestuur een uittredingsplan op.

  • 2. Een college kan, overeenkomstig artikel 41, lid 7 van de regeling, het algemeen bestuur verzoeken om een voorlopige berekening uit te laten voeren van de kosten die met een eventuele uittreding gemoeid zijn, met inachtneming van het bepaalde in artikel 3, lid 1 tot en met lid 5 en artikel 4. De voorlopige berekening is niet bindend. De kosten die voortvloeien uit het verzoek tot een voorlopige berekening komen geheel ten laste van het verzoekende college.

Artikel 3 Uittredingsplan

  • 1. Het uittredingsplan bevat de berekening van de financiële gevolgen van de uittreding, hierna te noemen de voorlopige uittreedsom, en de onderbouwing van deze berekening, met inachtneming van het tweede lid.

  • 2. De voorlopige uittreedsom, bedoeld in het eerste lid, kan niet lager zijn dan het bedrag dat gelijkstaat aan 4 maal het jaarlijkse bedrag aan vaste bijdrage, vermeerderd met 3 maal het jaarlijkse bedrag aan variabele bijdrage van het betreffende college, een en ander berekend aan de hand van de laatst vastgestelde begroting van het jaar voorafgaande aan de daadwerkelijke uittreding.

    Indien op voorhand door de Omgevingsdienst aantoonbaar is gemaakt dat de frictiekosten en desintegratiekosten die door de uittreding ontstaan niet hoger zijn dan 4 maal het jaarlijkse bedrag aan vaste bijdrage, vermeerderd met 3x het jaarlijkse bedrag aan variabele bijdrage van het betreffende college, kan het algemeen bestuur besluiten dat een precieze berekening van de desintegratiekosten en frictiekosten achterwege blijft en volstaat de berekening van de minimale uittreedsom als bedoeld in de eerste volzin. In het geval het algemeen bestuur van deze bevoegdheid gebruik maakt, blijft de risico-opslag van 10%, bedoeld in het zevende lid, achterwege omdat deze opslag geacht wordt te zijn opgenomen in de berekening van het minimale uittreedsom.

  • 3. Met het oog op het bepalen van de inhoud van het uittredingsplan wijst het algemeen bestuur een onafhankelijke externe deskundige aan die in opdracht van het algemeen bestuur het concept-uittredingsplan voorbereidt. De kosten voor het inschakelen van een onafhankelijke externe deskundige komen voor rekening van het uittredende college. Het algemeen bestuur kan bepalen dat de inschakeling van een onafhankelijke externe deskundige achterwege blijft in het geval de uittredende deelnemer en het algemeen bestuur hiertoe gezamenlijk besluiten. Het vierde lid blijft in dat geval buiten toepassing.

  • 4. Het algemeen bestuur wijst de onafhankelijke externe deskundige aan op basis van een gezamenlijke voordracht van het uittredende college en het dagelijks bestuur. Indien geen overeenstemming kan worden bereikt over een gezamenlijke voordracht, wijst het algemeen bestuur de onafhankelijke externe deskundige aan op basis van een bindende voordracht van een selectiecommissie bestaande uit drie leden van het algemeen bestuur, waaronder in ieder geval de vertegenwoordiger in het algemeen bestuur van het uittredende college.

  • 5. Ten minste 6 maanden voorafgaand aan het moment van uittreding stelt het algemeen bestuur het uittredingsplan en de voorlopige uittreedsom vast. Het besluit tot vaststelling wordt genomen met een meerderheid van drie vierde van de stemmen. Het algemeen bestuur baseert de berekening van de voorlopige uittreedsom op de onderbouwing als bedoeld in het eerste lid en op de laatstelijk vastgestelde begroting.

  • 6. Uiterlijk 6 maanden na het moment van uittreding stelt het algemeen bestuur de definitieve uittreedsom vast. Het besluit tot vaststelling wordt genomen met een meerderheid van drie vierde van de stemmen. Het algemeen bestuur baseert de berekening van de definitieve uittreedsom op de systematiek als bedoeld in het eerste lid en op de laatstelijk vastgestelde begroting. Het derde lid is van overeenkomstige toepassing.

  • 7. Bij de berekening van de kosten voor uittreding zoals bedoeld in het zesde lid wordt een risico-opslag van 10% toegepast om eventueel onvoorziene toekomstige kosten gerelateerd aan de uittreding te ondervangen. Deze opslag vrijwaart het uittredende college van alle toekomstige onvoorzienbare kosten.

  • 8. Bij de voorbereiding van het concept uittredingsplan biedt het algemeen bestuur het uittredende college de keuze tussen een betaling van de uittreedsom in een aantal jaarlijkse termijnen of voor betaling van de uittreedsom in een keer en legt de keuze van het uittredende college in het uittredingsplan vast. Indien door het uittredende college gekozen wordt voor betaling in termijnen, kunnen nadere afspraken worden gemaakt over het eventueel in rekening brengen van rente. Facturatie van een gekozen termijnbetaling start in de eerste maand nadat de daadwerkelijke uittreding van het betreffende college heeft plaatsgevonden.

Artikel 4 Vergoeding voor uittreding

  • 1. De voorlopige respectievelijk de definitieve uittreedsom bestaat, behoudens het bepaalde in artikel 3, lid 2 en lid 7, uitsluitend uit een vergoeding ter compensatie van frictiekosten en desintegratiekosten, onder aftrek van eventuele baten.

  • 2. Voor het bepalen van de desintegratiekosten wordt een doorwerkingsperiode van maximaal vijf jaar na uittreding aangehouden zodat sprake is van een redelijke termijn waarbinnen de Omgevingsdienst haar bedrijfsactiviteiten, bedrijfsvoering en doorlopende verplichtingen aan kan passen aan de gewijzigde situatie.

  • 3. De Omgevingsdienst brengt alle frictiekosten en desintegratiekosten, onder aftrek van eventuele baten, in rekening bij het uittredende college. Het uittredende college is verplicht tot betaling van de definitieve uittreedsom, binnen drie maanden nadat het algemeen bestuur de definitieve uittreedsom, als bedoeld in artikel 3, zesde lid, heeft vastgesteld, tenzij in het uittredingsplan overeenkomstig artikel 3, achtste lid, anders is vastgelegd.

  • 4. Kosten die het uittredende college maakt ter voorbereiding op of als gevolg van de beslissing tot uittreding komen voor rekening van het uittredende college.

  • 5. De raming en berekening van de kosten voor uittreding worden gebaseerd op de feiten en omstandigheden die bekend waren op het moment van de daadwerkelijke uittreding. Beleidswijzigingen, wijziging van economische omstandigheden en wijziging van inzichten die zich voordoen of opkomen na het moment van de daadwerkelijke uittreding kunnen niet worden betrokken bij de bepaling van de hoogte van de uittreedsom.

  • 6. De Omgevingsdienst is gehouden redelijkerwijs al het mogelijke te doen om de uittredingskosten zo laag mogelijk te houden. Het voorgaande behoeft niet te leiden tot wijziging van overeenkomsten met en verplichtingen jegens derden die zijn aangegaan respectievelijk bepaald voorafgaand aan het tijdstip van ontvangst door het algemeen bestuur van het besluit tot uittreding.

Artikel 5 Overname personeel en verplichtingen

  • 1. Het uittredende college is gehouden zich in te spannen om de formatie van de Omgevingsdienst die als gevolg van de uittreding boventallig is geworden met behoud van arbeidsvoorwaarden in dienst te nemen of anderszins in stand te doen houden. De waarde van de formatie die de uittredende partij overneemt van de Omgevingsdienst wordt gekapitaliseerd en in mindering gebracht op de uittreedsom.

  • 2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op alle andere verplichtingen van de Omgevingsdienst die als gevolg van de uittreding overtollig zijn geworden dan wel verminderd of beëindigd dienen te worden.

  • 3. Na uittreding komt de tussen de gemeente waarvan het college uittreedt en de Omgevingsdienst gesloten dienstverleningsovereenkomst te vervallen, tenzij anders wordt overeengekomen.

Artikel 6 Reservering uittreedsom

De door een college betaalde uittreedsom wordt slechts aangewend ter dekking van ontstane kosten door de uittreding of toegevoegd aan de daarvoor bedoelde bestemmingsreserve.

Artikel 7 Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking op de dag nadat deze is bekendgemaakt.

Artikel 8 Duur

Deze regeling is geldig voor onbepaalde tijd.

Artikel 9 Evaluatie

Het algemeen bestuur draagt er zorg voor dat deze regeling tenminste eenmaal per vier jaar wordt geëvalueerd.

Artikel 10 Citeerwijze

Deze regeling wordt aangehaald als Uittredingsregeling Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Utrecht.

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de vergadering van het algemeen bestuur van de Omgevingsdienst op 10 november 2025

De voorzitter,

Gerrit Spelt

De secretaris,

Hugo Jungen

Toelichting

De gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Utrecht (hierna: GR) bepaalt in artikel 41, lid 4 dat het algemeen bestuur een uittredingsregeling vast stelt. In de GR is de procedure van de uittreding vastgelegd. Binnen de kaders die de GR stelt, is in deze uittredingsregeling nadere invulling gegeven aan de wijze waarop uittreding plaats vindt. Dit gebeurt door een uittredingsplan op te stellen, waarin de kosten van de uittreding worden berekend. In de GR is opgenomen welke uitgangspunten hierbij gelden, te weten dat financiële, personele en organisatorische consequenties hierbij moeten worden betrokken. De kosten (frictiekosten en desintegratiekosten) van de Omgevingsdienst worden door de uittredende deelnemer vergoed. Eventuele baten kunnen van de vergoeding worden afgetrokken, zoals bijvoorbeeld een deel (naar rato van inbreng door de deelnemer) van de aanwezige reserves of personeel/materieel dat door de uittredende deelnemer wordt overgenomen.

Artikel 1:

De begripsbepalingen van artikel 1 van de GR zijn van overeenkomstige toepassing. Daarnaast is een aantal belangrijke begrippen in deze regeling nader omschreven.

Artikel 2:

Zoals in artikel 41 lid 4 de GR is bepaald, stelt het algemeen bestuur een uittredingsregeling vast. Met de onderhavige uittredingsregeling wordt invulling gegeven aan deze verplichting. In het tweede lid van artikel 2 is nogmaals benadrukt dat voorafgaand aan het besluit tot uittreding, een voorlopige berekening gemaakt kan worden van de kosten van uittreding. Uiteraard dient een college dat een voorlopige berekening wil laten maken, de kosten van deze voorlopige berekening op zich te nemen.

Artikel 3:

In artikel 3 wordt de procedure en de inhoud van het uittredingsplan beschreven. Het uitgangspunt is dat de uittredende deelnemer opdraait voor de frictiekosten en desintegratiekosten die ten gevolge van de uittreding ontstaan.

Zoals volgt uit het derde lid van dit artikel, is in ieder geval sprake van een minimum bedrag dat betaald moet worden bij een uittreding. Dit betreft een bijdrage van 4 maal de vaste bijdrage van de uittredende deelnemer, vastgesteld op basis van de laatst vastgestelde begroting, vermeerderd met drie maal de variabele bijdrage van de uittredende deelnemer, vastgesteld op basis van de laatst vastgestelde begroting. In deze minimumberekening is rekening gehouden met een bepaalde mate van onzekerheid die altijd optreedt bij uittredingen. In het minimumbedrag wordt daarom een risico-opslag geacht te zijn opgenomen, deze wordt dus niet apart berekend in het geval uitgegaan wordt van het minimumbedrag van uittreding. Door op deze manier te werken is altijd op voorhand bekend wat het minimale bedrag is waartegen een deelnemer kan uittreden, inclusief een opslag voor toekomstige onzekerheden.

In het geval er vermoedens zijn dat een uittreding met meer frictiekosten en desintegratiekosten gepaard gaat dan aan de hand van het te betalen minimumbedrag is berekend, dan kan de Omgevingsdienst door een onafhankelijke externe deskundige een berekening laten maken van de daadwerkelijke kosten (frictiekosten en desintegratieskosten) van uittreding.

Deze onafhankelijke externe deskundige werkt, uiteraard, binnen de kaders die in de gemeenschappelijke regeling en deze uittredingsregeling zijn gesteld. Het berekende bedrag wordt vermeerderd met een risico-opslag van 10% van het berekende bedrag. Als het op deze manier berekende bedrag hoger is dan het berekende minimumbedrag, dan dient de uittredende deelnemer eveneens het meerdere als uittreedsom te vergoeden. Oftewel: een uittredende deelnemer betaalt in ieder geval het minimum bedrag, tenzij uit een berekening van een onafhankelijk externe deskundige blijkt dat de daadwerkelijke frictiekosten en desintegratiekosten hoger zijn dan het minimum. In dat geval wordt ook het meerdere vergoedt door het uittredende college. Op deze manier wordt recht gedaan aan het uitgangspunt dat een uittreding geen negatieve gevolgen mag hebben voor de Omgevingsdienst of voor de achterblijvende deelnemers. Daarnaast worden de kosten van het berekenen van de kosten van uittreding zo laag mogelijk gehouden, door alleen een berekening te (laten) maken van de frictiekosten en desintegratiekosten van de uittreding als de verwachting is dat deze hoger zijn dan het te betalen minimumbedrag. In overleg kunnen de uittredende deelnemer en de Omgevingsdienst daarom een berekening door een onafhankelijke externe deskundige achterwege laten en uitgaan van het minimumbedrag.

In lid 4 tot en met 8 van het artikel zijn de verdere procedurele bepalingen opgenomen.

Artikel 4:

In artikel 4 wordt beschreven hoe de uittreedsom tot stand komt. In artikel 1 van de gemeenschappelijke regeling is uitgewerkt wat onder frictiekosten en desintegratiekosten wordt verstaan. Het tweede lid bepaalt dat voor de desintegratieskosten een doorwerkingsperiode van 5 jaar wordt aangehouden, dit is een redelijke termijn en in lijn met de daarvoor geldende jurisprudentie.

Eventuele baten, bijvoorbeeld door verrekening van aanwezige reserves of door het overnemen van personeel of materieel door de uittredende deelnemer, worden van de te betalen uittreedsom afgehaald, zo bepaalt het derde lid.

Uiteraard komen eventuele kosten die een uittredende deelnemer maakt ter voorbereiding op de uittreding of die het gevolg zijn van de beslissing tot uittreding, voor rekening van de uittredende deelnemer.

Artikel 5:

Een uittredende deelnemer doet zijn best om zoveel als mogelijk boventallig personeel en materieel van de Omgevingsdienst over te nemen om zodoende verantwoordelijkheid te nemen voor de gevolgen van de uittreding en de te betalen uittredingssom zo laag mogelijk te houden. Uiteraard wordt de te betalen uittreedsom vermindert met de waarde van het overgenomen personeel of materieel. Normaal gesproken betekent een uittreding ook dat de dienstverleningsovereenkomst tussen de uittredende deelnemer en de Omgevingsdienst komt te vervallen, tenzij partijen afspreken dat deze kan blijven voortbestaan, bijvoorbeeld voor de afname van één of meer plustaken.

Artikel 6:

De omgevingsdienst is verplicht de aan haar betaalde uittreedsom te gebruiken voor het dekken van de kosten die ontstaan ten gevolge van de uittreding of het geld daarvoor te reserveren in een bestemmingsreserve.

Artikel 7 en 8:

Deze regeling treedt in werking zodra deze is bekendgemaakt en geldt voor onbepaalde tijd.

Artikel 9:

Het algemeen bestuur zorgt ervoor dat deze regeling in elk geval eens in de vier jaar wordt geëvalueerd, zodat de regeling actueel blijft.

Artikel 10:

De officiële citeertitel van deze regeling is Uittredingsregeling Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Utrecht.