Verordening ambtelijke bijstand en fractieondersteuning Rheden 2026

Geldend van 27-03-2026 t/m heden

Intitulé

Verordening ambtelijke bijstand en fractieondersteuning Rheden 2026

De raad van de gemeente Rheden

gelezen het voorstel van de griffie van 23 januari 2026;

gelezen de zienswijze van het college van 22 januari 2026;

gelet op artikel 33, derde lid van de Gemeentewet;

Besluit:

  • 1.

    De Verordening ambtelijke bijstand en fractieondersteuning Rheden 2026 vast te stellen.

Paragraaf 1. Algemene bepalingen

Artikel 1. Definities

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • ambtelijke bijstand: bijstand, verleend door onder het gezag van het college werkzame ambtenaren dat wordt ingezet ten behoeve van objectieve informatie inwinning ter ondersteuning bij het opstellen van initiatiefvoorstellen, amendementen of moties;

  • bijstand: ondersteuning bij het opstellen van voorstellen, amendementen en moties of andere ondersteuning niet zijnde een verzoek om informatie.

Paragraaf 2. Verzoeken om informatie of bijstand

Artikel 2. Verzoek om informatie

  • 1. Een raadslid wendt zich rechtstreeks tot de ambtenaren die belast zijn met de advisering over of de uitvoering van het betreffende onderwerp met een verzoek om:

    • a.

      feitelijke informatie van geringe omvang;

    • b.

      inzage in of afschrift van documenten die openbaar zijn.

  • 2. Indien de betrokken ambtenaar twijfelt of het verzoek betrekking heeft op informatie bedoeld onder het eerste lid, onderdeel a of b, stelt die de gemeentesecretaris daarvan in kennis. De gemeentesecretaris beslist of de gevraagde informatie wordt gegeven.

  • 3. Het in lid 1 bedoelde raadslid kan het overleg met de ambtenaar (ambtenaren) delegeren aan een raadsvolger.

Artikel 3. Verzoek om bijstand

  • 1. Een raadslid kan de griffier verzoeken om bijstand.

  • 2. De verzochte bijstand wordt zo spoedig mogelijk verleend, voor zover dit naar het oordeel van de griffier in redelijkheid kan worden gevergd. Als de griffier de verzochte bijstand niet kan verlenen, verzoekt hij de secretaris om een of meer ambtenaren aan te wijzen die ambtelijke bijstand zo spoedig mogelijk verlenen.

  • 3. Alvorens een verzoek om ambtelijke bijstand kan aanvangen vindt een startgesprek plaats waarbij het raadslid of de raadsleden een toelichting geven op hun verzoek aan de gemeentesecretaris en/of de door hem aangewezen ambtenaren.

  • 4. De gemeentesecretaris informeert het college over de gevraagde ambtelijke bijstand.

  • 5. De gemeentesecretaris verleent de gevraagde medewerking, tenzij:

    • a.

      naar zijn oordeel niet aannemelijk is gemaakt dat de ambtelijke bijstand betrekking heeft op raadswerkzaamheden, of

    • b.

      dit naar zijn oordeel het belang van de gemeente kan schaden, of

    • c.

      het verlenen van de verzochte ambtelijke bijstand naar zijn oordeel in redelijkheid niet kan worden gevergd, aangezien dit een onevenredige belasting zou vormen voor de ambtelijke organisatie.

  • 6. Als de secretaris het verzoek om ambtelijke bijstand weigert, deelt hij dit met redenen omkleed mee aan de griffier en aan het raadslid door wie het verzoek is ingediend. De griffier of het raadslid kan de burgemeester verzoeken met de griffier en de secretaris en zo nodig het raadslid in overleg te treden over het alsnog laten verlenen van de ambtelijke bijstand. De burgemeester geeft zo spoedig mogelijk gehoor aan dit verzoek. Als ook de bemiddelende rol van de burgemeester niet leidt tot een voor het raadslid bevredigende oplossing, beslist de burgemeester zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen 7 dagen, over het al dan niet verlenen van de ambtelijke bijstand.

Artikel 4. Verstrekking informatie over verzoeken om ambtelijke bijstand

  • 1. Als een of meer leden van het college informatie wensen over een verzoek om ambtelijke bijstand of over de inhoud van verleende ambtelijke bijstand, wenden zij zich daartoe rechtstreeks tot het betrokken raadslid.

  • 2. De informatie die wordt verstrekt over verzoeken om ambtelijke bijstand wordt, voor zover relevant, gedeeld met alle raadsleden, indien de informatie van algemeen belang is.

Artikel 5. Evaluatie en handelswijze bij geschil over verleende ambtelijke bijstand

  • 1. Na afronding van de werkzaamheden evalueren raadslid en ambtenaar het proces rondom de gevraagde en verleende ambtelijke bijstand.

  • 2. Een raadslid dat niet tevreden is over de aan hem verleende ambtelijke bijstand, kan de griffier verzoeken hierover in overleg te treden met de secretaris.

  • 3. Als overleg met de secretaris niet leidt tot een ook voor het raadslid bevredigende oplossing, kan deze de burgemeester verzoeken met de griffier en de secretaris en zo nodig het raadslid in overleg te treden over de aan hem verleende ambtelijke bijstand. De burgemeester geeft zo spoedig mogelijk gehoor aan dit verzoek.

  • 4. Als ook de bemiddelende rol van de burgemeester niet leidt tot een voor het raadslid bevredigende situatie, beslist de burgemeester zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen 7 dagen, over het geschil.

Paragraaf 3. Fractieondersteuning

Artikel 6. Recht op financiële bijdrage

  • 1. De raad verstrekt een in de raad vertegenwoordigde fractie voor de duur van de zittingsperiode een financiële bijdrage ter ondersteuning van het functioneren van de fractie.

  • 2. De financiële bijdrage bestaat uit een basisbedrag van € 750,00 per fractie en een variabel deel van € 450,00 per raadszetel van de fractie.

Artikel 7. Besteding financiële bijdrage

  • 1. Fracties besteden de financiële bijdrage om de volksvertegenwoordigende, kaderstellende of controlerende rol van de fractie te versterken.

  • 2. De bijdrage mag onder meer worden gebruikt ter bekostiging van:

    • a.

      Personele ondersteuning;

    • b.

      Opzetten en onderhouden van een deel van de website;

    • c.

      Fractie-excursies en werkbezoeken;

    • d.

      Ontvangst van andere volksvertegenwoordigers;

    • e.

      Financiële en facilitaire ondersteuning bij uitwerken van initiatieven in het kader van de volksvertegenwoordigende rol;

    • f.

      Fractievergaderingen op locatie;

    • g.

      Boeken, literatuur, opleidingen, cursussen en seminars die tot doel hebben de kwaliteit van het fractiewerk en het functioneren van de fractie als geheel te verhogen;

    • h.

      Informatieverstrekking door de fractie (bijvoorbeeld een fractienieuwsbrief);

    • i.

      Organiseren van bijeenkomsten (zaalhuur, organisatie, publiciteit);

    • j.

      Inhuren van (externe) adviseurs;

    • k.

      Bankkosten van de fractie

  • 3. De financiële bijdrage wordt in ieder geval niet gebruikt ter bekostiging van:

    • a.

      betalingen, inclusief die ter voldoening van contributie, aan politieke partijen, met politieke partijen verbonden instellingen of natuurlijke personen anders dan ter vergoeding van diensten of goederen geleverd ten behoeve van de versterking van de ondersteuning van de fractie op basis van een gespecificeerde, reële declaratie of arbeidsovereenkomst;

    • b.

      giften, leningen, beleggingen en voorschotten;

    • c.

      uitgaven die op grond van enige andere wettelijke regeling in aanmerking komen voor vergoeding van overheidswege, inclusief uitgaven in verband met verkiezingsactiviteiten;

Artikel 8. Voorschot financiële bijdrage

  • 1. De bijdrage voor fractieondersteuning wordt vóór 31 januari van een kalenderjaar als voorschot op dat kalenderjaar verstrekt op een op naam van de fractie gestelde bankrekening.

  • 2. In een jaar waarin verkiezingen plaatsvinden wordt het voorschot verstrekt voor de maanden tot en met de maand waarin de verkiezingen voor de gemeenteraad plaatsvinden. In de maand volgend op die waarin de verkiezingen voor de gemeenteraad plaatsvinden, wordt het voorschot verstrekt voor de overige maanden van dat jaar.

Artikel 9. Gevolgen splitsen en einde bestaan fractie tijdens de zittingsperiode

  • 1. Als één of meer raadsleden van één of meer fracties als zelfstandige fractie gaan optreden of zich aansluiten bij een andere fractie, wordt het voor elk van deze zetels beschikbaar gestelde variabele deel van de financiële bijdrage ter ondersteuning van de fractie waar zij uittreden, toebedeeld aan de nieuw gevormde fractie of aan de fractie waarbij aangesloten wordt.

  • 2. Indien tijdens een zittingsperiode van de gemeenteraad twee of meer fracties zich samenvoegen en als gezamenlijke fractie doorgaan, heeft de nieuwe fractie naar evenredigheid van het nog resterende aantal maanden van het jaar waarvoor het voorschot is verleend, slechts recht op eenmaal het vaste deel van de bijdrage per fractie als bedoeld in artikel 6, tweede lid.

  • 3. Als zich een situatie als bedoeld in het eerste lid voordoet, worden de verleende voorschotten naar evenredigheid van het nog resterende aantal maanden van het jaar waarvoor het voorschot is verleend onverwijld bijgesteld overeenkomstig de uit het eerste lid voortvloeiende verdeling.

  • 4. Als een fractie tijdens een zittingsperiode ophoudt te bestaan, vervalt de aanspraak op de financiële bijdrage ter ondersteuning van die fractie met ingang van de maand volgend op de maand waarin hiervan kennisgeving is gedaan aan de raad.

Artikel 10. Reserve

  • 1. De raad reserveert het in enig jaar niet gebruikte gedeelte van de financiële bijdrage ter ondersteuning van het functioneren van de fractie ter besteding door die fractie in volgende jaren.

  • 2. Een reserve is niet groter dan 30% van de financiële bijdrage die de fractie in het voorgaande kalenderjaar toekwam op grond van artikel 6.

  • 3. Het beroep in enig jaar op de opgebouwde reserve komt tot uitdrukking in de afrekening over dat jaar. Bevoorschotting vindt desgevraagd plaats.

  • 4. Een reserve blijft na de verkiezingen beschikbaar ten behoeve van de fractie die onder dezelfde naam terugkeert, dan wel ten behoeve van de fractie die naar het oordeel van de raad als rechtsopvolger daarvan kan worden beschouwd.

    Dit is ook het geval wanneer twee of meer politieke partijen na de verkiezingen als nieuwe, gefuseerde, partij terugkeert in de raad. De nieuwe fractie behoudt dan een reserve van maximaal 30% van de financiële bijdrage die de gezamenlijke fracties in het voorgaande kalenderjaar toekwamen op grond van artikel 6.

  • 5. Als zich een situatie als bedoeld in artikel 9, eerste lid, voordoet, wordt een eventuele reserve ten behoeve van de fractie waar de betreffende leden uittreden toebedeeld aan de betrokken fracties naar evenredigheid van de resulterende zetelaantallen.

Artikel 11. Verantwoording, controle en vaststelling financiële bijdrage

  • 1. De fractie legt uiterlijk drie maanden na het einde van een kalenderjaar aan de raad verantwoording af over de besteding van de financiële bijdrage gedurende het vorige kalenderjaar, onder overlegging van een financieel verslag.

  • 2. Het verslag vermeldt in elk geval:

    • a.

      het bedrag dat in het voorafgaande kalenderjaar aan vergoeding is ontvangen;

    • b.

      het bedrag van de uitgaven ten laste van de bijdrage over het voorafgaande kalenderjaar;

    • c.

      ten behoeve van welke uitgaven de vergoeding is besteed;

    • d.

      het saldo van de inkomsten en uitgaven per 1 januari van het voorafgaande kalenderjaar;

  • 3. Controle van het verslag vindt plaats onder verantwoordelijkheid van de griffier, zijnde de budgethouder met betrekking tot de middelen voor fractieondersteuning.

  • 4. De financiële administratie van een fractie wordt zodanig ingericht dat op eerste aanvraag van of namens de griffier nadere informatie kan worden gegeven en bescheiden of bewijsstukken met betrekking tot de uitgaven kunnen worden overgelegd.

  • 5. De griffie draagt zorg voor een totaaloverzicht van de verantwoordingen en legt die ter bespreking voor aan het Bestuurlijk Coördinatie Overleg (BCO).

  • 6. Na akkoord van het BCO stelt de raad de hoogte vast van:

    • a.

      de financiële bijdrage;

    • b.

      de wijziging van de reserve;

    • c.

      de resterende reserve;

    • d.

      de hoogte van de terugvordering van teveel ontvangen voorschotten.

Paragraaf 4. Slotbepalingen

Artikel 12. Intrekking oude verordening en overgangsrecht

  • 1. De Verordening op de ambtelijke bijstand en de fractieondersteuning Rheden 2003 wordt ingetrokken.

  • 2. De Verordening op de ambtelijke bijstand en de fractieondersteuning Rheden 2003 blijft van toepassing ten aanzien van de op basis van die verordening verleende financiële bijdragen en de verantwoording, controle, vaststelling en afrekening van die financiële bijdragen.

Artikel 13. Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1. Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2026.

  • 2. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening ambtelijke bijstand en fractieondersteuning Rheden 2026

Ondertekening

De Steeg, 17 maart 2026

Carol van Eert,

voorzitter

Coen Knipping,

griffier

Toelichting

Algemeen

Artikel 33 van de Gemeentewet (hierna: wet) bepaalt dat de raad en elk van zijn leden recht hebben op ambtelijke bijstand (eerste lid) en dat de in de raad vertegenwoordigde groeperingen (de fracties) recht hebben op ondersteuning (tweede lid). Met betrekking tot de ambtelijke bijstand en de ondersteuning van fracties moet de raad een verordening vaststellen die ten aanzien van de ondersteuning regels over de besteding en de verantwoording bevat (derde lid). Met deze verordening wordt hieraan uitvoering gegeven.

Ambtelijke bijstand is bedoeld om raadsleden te ondersteunen bij het opstellen van initiatiefvoorstellen, amendementen en moties. Het betreft ook situaties waarbij vanuit de ambtelijke organisatie informatie aan individuele raadsleden wordt verstrekt zonder betrokkenheid of tussenkomst van het college van B&W. De ambtelijke bijstand richt zich dan uitsluitend op technische, inhoudelijke informatie, toelichtingen op beleid en procedurele of juridische ondersteuning waar geen politiek-bestuurlijke duiding aan is gegeven. De bijstand strekt zich evenmin uit tot het schrijven politieke beschouwingen, het voeren van campagnes of het ondersteunen van individuele standpunten buiten de raadsbehandeling.

De formulering van artikel 33 van de wet laat buiten twijfel dat individuele raadsleden, dus ook die behorend tot een minderheid in de raad, recht hebben op ambtelijke bijstand. Op deze verordening kan dus door alle raadsleden een beroep worden gedaan.

Deze wettelijke bepaling brengt met zich mee dat de bevoegdheid tot het vragen van ambtelijke bijstand in deze verordening alleen is toegekend aan raadsleden. Wanneer een raadsvolger een beroep wil doen op ambtelijke bijstand is dat daardoor alleen mogelijk via een raadslid.

De financiële bijdrage voor de fractieondersteuning is een subsidie als bedoeld in artikel 4:21, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Dit betekent dat titel 4.2 van de Awb van toepassing is op het verstrekken van de financiële bijdrage en dat het besluit van de raad waarmee – na verantwoording en controle – de hoogte van de financiële bijdrage wordt vastgesteld (zie artikel 11) vatbaar is voor bezwaar en beroep.

De griffier vervult, via de secretaris, ook de rol van schakel tussen de raadsleden en de reguliere ambtelijke organisatie. Dat de raad over een griffier met griffie beschikt die bijstand kan verlenen, betekent niet dat er geen behoefte is aan ambtelijke bijstand door de reguliere ambtelijke organisatie. De griffie is, in vergelijking met de reguliere organisatie, beperkt in omvang. Voor specialistische hulp op het gebied van het maken van amendementen, moties en regelingen zal in bepaalde gevallen een beroep op deze organisatie dan ook nodig zijn. Dit geldt ook voor specifieke informatie die alleen bij de reguliere ambtelijke organisatie beschikbaar is. Omdat de griffier geen zeggenschap heeft over de reguliere ambtelijke organisatie zal daarom de secretaris in dergelijke gevallen de ambtenaar die de ambtelijke bijstand verleent moeten aanwijzen. Daarom zijn bepaalde aspecten van de rol van de gemeentesecretaris in deze verordening nader uitgewerkt. Dat is van belang om de rol van de secretaris op een juiste wijze vorm te geven nu er een splitsing heeft plaatsgevonden tussen griffie en reguliere ambtelijke organisatie.

In deze verordening is ook een rol weggelegd voor de burgemeester voor het geval een raadslid het niet eens is met de weigering tot het verlenen van ambtelijke bijstand of de wijze waarop hier uitvoering aan is gegeven.

Artikelsgewijs

In deze artikelsgewijze toelichting worden enkel die bepalingen die nadere toelichting behoeven behandeld.

Artikel 1. Definities

Bijstand in de vorm van ondersteuning bij het opstellen van voorstellen, amendementen en moties kan verleend worden door ambtenaren die onder het gezag van de raad vallen (artikel 107e van de wet) of door de reguliere ambtelijke organisatie die onder het gezag van het college valt (artikel 160 van de wet). Hoewel medewerkers van de griffie wel degelijk ambtenaren zijn in de zin van de Ambtenarenwet, is de term ‘ambtelijke bijstand’ in deze verordening voorbehouden aan het verlenen van bijstand door medewerkers van de reguliere ambtelijke organisatie.

Artikel 2. Verzoek om informatie

Raadsleden die feitelijke informatie van geringe omvang nodig hebben of inzage of afschrift van bij de raad, burgemeester en wethouders of de burgemeester berustende schriftelijke stukken, hoeven zich niet via de formele weg van artikel 169, tweede en volgende lid, van de wet tot het college te richten.

Het recht op ambtelijke bijstand is voorbehouden aan raadsleden, zowel de gemeenteraad als individuele raadsleden. Dit recht is vastgelegd in artikel 33 van de Gemeentewet en stelt raadsleden in staat om ondersteuning te krijgen bij hun werk, bijvoorbeeld bij het opstellen van documenten, het vergaren van informatie en het uitvoeren van hun controlerende taak. Wanneer een raadsvolger een verzoek wil doen om ambtelijke bijstand is dat uitsluitend mogelijk namens een raadslid.

In de Rhedense praktijk is het toegestaan dat zij hun onderhandse en technische vragen rechtstreeks stellen aan de ambtenaren die belast zijn met de advisering over of de uitvoering van het betreffende onderwerp. Het betreffen dan vragen naar feitelijke informatie die door de ambtelijke organisatie zelfstandig kunnen worden afgedaan. Zeker in het geval van voorstellen die ter besluitvorming aan de raad worden voorgelegd is het raadsleden bekend wie dat voorstel heeft voorbereid. In die gevallen waarin dit niet bekend is kunnen deze vragen ook worden gesteld via de griffier die ervoor kan zorgen dat de vraag, al dan niet via tussenkomst van de gemeentesecretaris, in de organisatie wordt uitgezet.

Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat wanneer een ambtenaar twijfelt over de verstrekking van bepaalde informatie die de gemeentesecretaris daarvan in kennis stelt. De gemeentesecretaris beslist dan of de gevraagde informatie wordt gegeven.

Artikel 3. Verzoek om bijstand

Ook verzoeken om bijstand moeten aan de griffier gericht worden. Als de griffier of de griffiemedewerkers de verzochte ondersteuning niet kunnen leveren, verzoekt de griffier de secretaris om inzet van ambtenaren van de reguliere ambtelijke organisatie. Om de vraag van het betrokken raadslid helder te krijgen is bepaald dat, alvorens kan worden gestart met het verlenen van ambtelijke bijstand, er een startgesprek plaatsvindt met de gemeentesecretaris, dan wel de door hem aangewezen ambtenaren. Zo kan een inschatting worden gemaakt van de benodigde capaciteit en expertise van de in te zetten ambtenaren. Het is vervolgens aan de secretaris om te beoordelen of een van de in het derde lid genoemde ‘weigeringsgronden’ voor het door ambtenaren van de reguliere ambtelijke organisatie verlenen van ambtelijke bijstand zich voordoet. Overigens ligt het bij een conflict over het al dan niet verlenen van ambtelijke bijstand in de rede dat de burgemeester, als voorzitter van de raad en het college, hierover overleg voert met de secretaris, de griffier en indien nodig ook het betrokken raadslid (vierde lid). Als ook de bemiddelende rol van de burgemeester niet leidt tot een voor het raadslid bevredigende situatie, beslist de burgemeester over het al dan niet verlenen van de ambtelijke bijstand.

Artikel 4. Verstrekking informatie over verzoeken om ambtelijke bijstand

Dit artikel voorkomt dat de betreffende ambtenaar in een spagaat tussen raad en college terecht komt. Als een raadslid om ambtelijke bijstand verzoekt, moet hij ervan uit kunnen gaan dat de ambtenaar bij het verrichten van die werkzaamheden onafhankelijk opereert van het college. De ambtenaar hoeft zich niet te verantwoorden over de verleende bijstand aan zijn of haar manager, maar aan de griffie en/of het betreffende raadslid. Om te verzekeren dat een ambtenaar niet door collegeleden onder druk wordt gezet om toch inlichtingen te verschaffen over het verzoek van een raadslid, is bepaald dat collegeleden zich voor informatie direct tot het betrokken raadslid wenden en niet tot de behandelend ambtenaar. Dit biedt bovendien een extra waarborg voor de onafhankelijke behandeling van een verzoek om ambtelijke bijstand.

De ambtenaar die ambtelijke bijstand verleent blijft echter wel onderdeel van de reguliere ambtelijke organisatie. Het verlenen van ambtelijke bijstand hoort tot de normale uitoefening van zijn taak.

Artikel 5. Evaluatie en handelswijze bij geschil over verleende ambtelijke bijstand

Evenals het belang van een startgesprek, om een duidelijk beeld te krijgen van een verzoek om ambtelijke bijstand, is het goed om ook achteraf te kunnen bepalen of de geleverde bijstand ook aan de verwachtingen heeft voldaan. Dit artikel bepaalt daarom dat na afronding van de werkzaamheden het raadslid (of raadsleden) en de betrokken ambtenaren het proces rondom de gevraagde en verleende ambtelijke bijstand met elkaar evalueren. De wijze waarop deze evaluatie plaatsvindt is niet voorgeschreven. Dit kan zowel mondeling als schriftelijk zijn.

Net als bij de weigering om ambtelijke bijstand door ambtenaren vanuit de reguliere ambtelijke organisatie te verlenen, kan de burgemeester ook een rol vervullen als een raadslid niet tevreden is over de door een ambtenaar van de reguliere ambtelijke organisatie verleende ambtelijke bijstand. Als er een conflictsituatie ontstaat of dreigt te ontstaan zal de burgemeester ook hier een bemiddelende rol kunnen spelen (derde lid). De positie van de burgemeester maakt hem bij uitstek geschikt voor deze taak als bruggenbouwer. Mocht ook hier de bemiddelende rol van de burgemeester niet leiden tot een voor het raadslid bevredigende situatie, beslist de burgemeester op het geschil.

Artikel 6. Recht op financiële bijdrage

Fractieondersteuning vindt zijn vorm in een financiële ondersteuning. De hoogte van het totale budget voor fractieondersteuning wordt door de raad in de gemeentebegroting opgenomen.

De fractieondersteuning bestaat uit een basisbedrag per in de raad vertegenwoordigde fractie en een variabel deel per raadszetel van die fractie (tweede lid). Het basisbedrag garandeert dat elke fractie de kans krijgt zich op een gelijkwaardig basisniveau te laten ondersteunen. Naar rato van fractiegrootte wordt daarnaast een variabel deel toegekend, zodat ook ieder fractielid op gelijkwaardig niveau ondersteund kan worden.

De financiële bijdrage voor fractieondersteuning voldoet aan de definitie van subsidie van artikel 4:21 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Omdat het verlenen van subsidies in de Algemene subsidieverordening ((hierna: ASV) indien van kracht) in de gemeente doorgaans aan het college gedelegeerd is, zal voornoemde verordening uitdrukkelijk niet van toepassing verklaard moeten worden op de bijdrage voor fractieondersteuning. Niet alleen vanwege het dualisme tussen de raad en het college, maar ook omdat het regime in de ASV wezenlijk anders is dan het regime voor het verlenen, vaststellen en verantwoorden van de bijdrage voor fractieondersteuning.

Artikel 7. Besteding financiële bijdrage

Voor wat betreft de besteding van de fractieondersteuning worden de fracties grotendeels vrijgelaten. Minimumvoorwaarde is wel dat de financiële bijdrage besteed wordt om de volksvertegenwoordigende, kaderstellende of controlerende rol van de fractie te versterken. Om fracties duidelijkheid te bieden waar de financiële bijdrage onder meer aan mag worden besteed is in het tweede lid een aantal bestedingsdoelen opgenomen. Deze opsomming is niet limitatief en is slechts bedoeld om hier richting aan te geven.

Daarnaast is in het derde lid een aantal doelen genoemd waarvoor de financiële bijdrage voor fractieondersteuning in ieder geval niet gebruikt mag worden. Ook deze opsomming is niet limitatief.

Het is uiteraard niet de bedoeling dat raadsleden hun eigen vergoeding voor het raadswerk aanvullen met de financiële bijdrage voor fractieondersteuning en dat ook contributies aan politieke partijen of met politieke partijen gelieerde organisaties via de fractieondersteuning kunnen worden gefinancierd (onder a). Een lidmaatschap van een dergelijk orgaan is immers een individuele aangelegenheid van een raadslid en niet van de betreffende gemeenteraadsfractie.

Bij (andere) uitgaven die op grond van enige andere wettelijke regeling in aanmerking komen voor vergoeding van overheidswege (onder c) kan onder andere gedacht worden aan bepaalde reis- en verblijfkosten, kosten voor een buitenlandse excursie of reis, kosten voor scholing, kosten voor een computer en internetverbinding en de contributie van bepaalde beroepsverenigingen. Deze komen voor vergoeding in aanmerking op grond van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers, dat zijn grondslag vindt in de artikelen 95 en 96 van de wet. In het bijzonder wordt benadrukt dat het dus ook niet is toegestaan om met de financiële bijdrage voor fractieondersteuning verkiezingscampagnes te financieren.

Artikel 8. Voorschot financiële bijdrage

Dit artikel regelt de jaarlijkse, ambtshalve verlening van voorschotten ter hoogte van de overeenkomstig artikel 6 berekende voorwaardelijke aanspraak op de financiële bijdrage. In een jaar waarin de raadsleden naar aanleiding van verkiezingen tegelijkertijd aftreden, wordt het voorschot in twee gedeelten gesplitst.

Artikel 9. Gevolgen splitsen en einde bestaan fractie

Als er mutaties plaatsvinden in zittende fracties is het wenselijk dat de financiële bijdrage aangepast wordt aan veranderde verhoudingen in de raad. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen het vaste basisbedrag dat ten behoeve van iedere fractie wordt verleend en het variabel deel per raadszetel. Het vaste deel is ook daadwerkelijk ‘vast’; dit deel van de bijdrage blijft bestemd voor de betreffende fractie, ook al vindt er tussentijds een splitsing of afscheiding plaats. Alleen het variabele deel van de fractievergoeding wordt overgeheveld ten behoeve van de nieuwe fractie (eerste lid).

Aangezien zich een situatie kan voordoen waarbij twee of meer fracties zich samenvoegen heeft dit gevolgen voor het vaste deel van de fractievergoeding. Deze komt een fractie maar één keer toe (tweede lid).

Bij splitsing van een fractie zal het al eerder verleende voorschot voor wat betreft het variabele deel direct bijgesteld moeten worden naar evenredigheid van het resterende aantal maanden van het jaar waarvoor het voorschot is verleend (derde lid). Als dat niet zou gebeuren zou een deel van de oorspronkelijke fractie over een te groot variabel voorschot beschikken. Na het kalenderjaar zou dan alsnog verrekend moeten worden. Het is handiger dit direct recht te trekken.

Artikel 10. Reserve

Het deel van de financiële bijdrage waarop voorwaardelijk aanspraak wordt gemaakt en dat niet wordt gebruikt, wordt door de raad gereserveerd voor gebruik ten behoeve van die fractie in de volgende jaren (eerste lid). Als in die jaren verkiezingen plaatsvinden, dan wordt de reserve na verkiezingen beschikbaar gesteld ten behoeve van de fractie die onder dezelfde naam terugkeert, dan wel de fractie die naar het oordeel van de raad als rechtsopvolger daarvan kan worden beschouwd (vierde lid). Omdat het niet wenselijk is dat een reserve eindeloos groeit, is hier wel een maximum aan verbonden, te weten 30% van de financiële van de bijdrage die de fractie in het voorgaande kalenderjaar toekwam (tweede lid).

Ook met betrekking tot de reserve is het van belang dat goed wordt omgegaan met mutaties in zittende fracties. De regeling van het vijfde lid voorziet in verdeling over de betrokken fracties naar evenredigheid van de resulterende zetelaantallen van die fracties.

Artikel 11. Verantwoording, controle en vaststelling financiële bijdrage

In dit artikel is bepaald wanneer en op welke wijze fracties verslag moeten doen van de besteding van de financiële bijdrage die zij als voorschot hebben ontvangen ten behoeve van het functioneren van hun fracties. In het tweede lid is bepaald wat het verslag in ieder geval dient te vermelden.

Het derde, vierde en vijfde lid zijn gebaseerd op de Rhedense praktijk, waarbij de controle van het verslag plaatsvindt door de griffie die hierbij zo nodig informatie of bewijsstukken kan opvragen bij de betreffende fracties. De griffie draagt zorg voor een totaaloverzicht van de verantwoordingen en legt die ter bespreking voor aan het Bestuurlijk Coördinatie Overleg (BCO). Als het BCO akkoord is met dit totaaloverzicht besluit de raad over de definitieve toekenning van de fractievergoeding, de maximaal toegestane reserve voor de fracties en de hoogte van de terugvordering van teveel ontvangen voorschotten (zesde lid).