Beleidsregels terug- en invordering Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz 2004 (Debiteurenbeleid 2026)

Geldend van 26-03-2026 t/m heden

Intitulé

Beleidsregels terug- en invordering Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz 2004 (Debiteurenbeleid 2026)

HET COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE GRONINGEN;

Gelet op artikel 4:81, eerste lid Algemene wet bestuursrecht, paragraaf 6.4 van de Participatiewet, paragraaf 5, hoofdstuk II, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, paragraaf 5, hoofdstuk II, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen en het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004;

BESLUIT:

Vast te stellen de Beleidsregels terug- en invordering Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz 2004 (Debiteurenbeleid 2026).

Hoofdstuk 1 ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1 Begripsbepalingen

  • 1. In deze beleidsregels wordt verstaan onder:

    • a.

      Awb : Algemene wet bestuursrecht;

    • b.

      Bbz : Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004;

    • c.

      benadelingsbedrag : het bedrag dat als gevolg van niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan bijstand of uitkering is ontvangen, een en ander zoals is bedoeld in artikel 20a IOAW/IOAZ en artikel 18a van de Wet;

    • d.

      bijstand : een al dan niet periodieke verstrekking van een bedrag om niet, geldlening of bedrijfskrediet op grond van de Wet, IOAW, IOAZ of Bbz;

    • e.

      bruteren : het verhogen van de vordering met de loonbelasting en premies volksverzekeringen waarvoor de gemeente die de uitkering verstrekt krachtens de Wet op de loonbelasting 1964 inhoudingsplichtig is;

    • f.

      college : college van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen;

    • g.

      debiteur : schuldenaar die op grond van de Wet, IOAW, IOAZ of het Bbz verplicht is tot betaling van een geldschuld aan het college;

    • h.

      draagkracht : ruimte in inkomen en vermogen om op een vordering af te lossen;

    • i.

      inlichtingenplicht : verplichting genoemd in artikel 17, eerste lid en 36b, vierde lid, van de Wet, artikel 13, eerste lid van de IOAW/IOAZ en artikel 30c, tweede en derde lid van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;

    • j.

      IOAW : Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers;

    • k.

      IOAZ : Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;

    • l.

      marginale zelfstandige : persoon zoals omschreven in artikel 2 van de Beleidsregels marginale zelfstandigen 2015;

    • m.

      overige vordering : vordering die geen ‘vordering inlichtingenplicht’ is;

    • n.

      parttime ondernemer : persoon zoals omschreven in artikel 1 van de Beleidsregels parttime ondernemers Participatiewet;

    • o.

      uitkering : periodieke verstrekking van een bedrag om niet op grond van de Wet, IOAW of IOAZ en het Bbz;

    • p.

      vordering : vordering inlichtingenplicht en overige vordering;

    • q.

      vordering inlichtingenplicht : vordering in verband met een ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleende uitkering als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht;

    • r.

      Wet : Participatiewet;

    • s.

      WSF : Wet studiefinanciering 2000;

    • t.

      WTOS : Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten.

  • 2. Alle begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet, IOAW, IOAZ, het Bbz en de Awb.

Artikel 2 Algemene bepaling met betrekking tot de bevoegdheid tot herziening, intrekking, terugvordering en brutering

  • 1. Het college:

    • a.

      herziet of trekt het recht op bijstand in als die bijstand tot een te hoog bedrag of ten onrechte is verleend;

    • b.

      maakt volledig gebruik van de bevoegdheid tot terugvordering genoemd in artikel 58, tweede lid en artikel 59 van de Wet, artikel 25, tweede lid en derde lid en artikel 26 IOAW/ IOAZ, artikel 12, tweede lid, onderdeel c, artikel 39, eerste lid, onderdeel a onder 3 en tweede lid, artikel 41, vierde en vijfde lid en artikel 43 derde lid van het Bbz; en

    • c.

      bruteert op grond van artikel 58, vijfde lid van de Wet, artikel 25, vijfde lid IOAW/IOAZ de vorderingen voor zover belasting en premies over de teruggevorderde bijstand niet verrekend kunnen worden met de door het college af te dragen loonbelasting en premies volksverzekeringen in de volgende gevallen:

      • (1)

        het gaat om een vordering inlichtingenplicht;

      • (2)

        er sprake is van ernstig verwijtbaar gedrag van de debiteur waardoor een overige vordering niet in het lopende kalenderjaar is afgelost; of

      • (3)

        een bepaling verplicht tot brutering.

  • 2. Bij terugvordering in verband met een erfenis wordt afgeweken van het eerste lid, onderdeel b, indien de erfgenaam de erfenis nog niet kan opeisen omdat de langstlevende partner van de erflater nog in leven is. In dat geval wordt in verband met die erfenis de bijstand teruggevorderd die verleend is vanaf de datum waarop de erfenis opeisbaar is.

Hoofdstuk 2 INVORDERING

Artikel 3 Algemeen

  • 1. Het college combineert het besluit tot invordering met het besluit tot terugvordering en herziening of intrekking. Het college kan indien nodig een afzonderlijk besluit tot invordering nemen. Daarbij hanteert het college de in artikel 4:87 van de Awb genoemde betalingstermijn van zes weken.

  • 2. Het besluit tot invordering omvat de volgende punten:

    • a.

      de hoogte van de vordering;

    • b.

      de betalingsverplichting om de vordering in zijn geheel te voldoen;

    • c.

      de datum waarop de betalingsverplichting ingaat;

    • d.

      de mogelijkheid voor de debiteur om binnen zes weken na verzenddatum van de beschikking een betalingsregeling te treffen;

    • e.

      de rechtsgevolgen bij niet-nakoming van de betalingsverplichting als beschreven in afdeling 4.4.2 Awb over verzuim en wettelijke rente en afdeling 4.4.4 Awb over aanmaning en invordering bij dwangbevel;

    • f.

      de vermelding dat het aangaan van nieuwe schuldverplichtingen niet leidt tot een nieuwe vaststelling van een opgelegde betalingsverplichting, behoudens bijzondere onvoorziene omstandigheden.

Artikel 4 Betalingsregeling

  • 1. De debiteur moet de vordering binnen zes weken voldoen, waarbij het uitgangspunt is dat de vordering in één keer wordt afgelost.

  • 2. Het college verleent uitstel van betaling als ambtshalve of op basis van een gemotiveerd verzoek van de debiteur duidelijk is dat deze de vordering niet binnen zes weken zal kunnen aflossen in verband met onvoldoende draagkracht.

  • 3. Voor zover de debiteur beschikt of gaat beschikken over draagkracht, verbindt het college aan het uitstel van betaling ineens de voorwaarde dat de debiteur deze draagkracht gebruikt om de openstaande schuld af te lossen, tenzij daarvan in deze beleidsregels wordt afgeweken.

  • 4. Voor zover draagkracht bestaat uit inkomen, moet dit inkomen gebruikt worden voor de aflossing van een vordering zoals beschreven in artikel 6 en artikel 7.

  • 5. Voor zover draagkracht bestaat uit vermogen, moet dit vermogen gebruikt worden voor de aflossing van een vordering, waarbij:

    • a.

      het vermogen ter hoogte van anderhalf maal de laatste van toepassing zijnde uitkeringsnorm per maand wordt vrijgelaten;

    • b.

      geen rekening wordt gehouden met het bepaalde in artikel 34 van de Wet, met uitzondering van het tweede lid onderdelen, a en d indien en zolang de debiteur een uitkering ontvangt;

    • c.

      vorderingen van de gemeente en van andere schuldeisers buiten beschouwing worden gelaten.

  • 6. Voorafgaand aan de vaststelling van draagkracht wordt de debiteur gevraagd alle inlichtingen te verstrekken omtrent zijn vermogen, inkomen en vaste lasten, tenzij de benodigde gegevens verkregen kunnen worden uit andere bronnen die het college ter beschikking staan.

  • 7. Het uitstel van betaling wordt ingetrokken indien de debiteur de overeengekomen aflossing niet nakomt.

Artikel 5 Wettelijke rente bij uitstel van betaling

Voor de periode dat uitstel van betaling als bedoeld in artikel 4 is verleend wordt geen wettelijke rente in rekening gebracht met uitzondering van het bepaalde in artikel 10.

Artikel 6 Aflossingsverplichting debiteuren met een uitkering

  • 1. De aflossingsverplichting met betrekking tot inkomen bedraagt 5% van de van toepassing zijnde uitkeringsnorm per maand inclusief vakantiegeld. Het uitgangspunt is dat de vordering wordt verrekend met het vakantiegeld.

  • 2. In afwijking van het eerste lid kan met een betalingsvoorstel van de debiteur worden ingestemd voor zover daarmee de vordering binnen een periode van 36 maanden in zijn geheel zal kunnen worden afgelost, de voorgestelde aflossing ten minste € 25,00 per maand bedraagt, en het betalingsvoorstel vervalt zodra de debiteur in surseance van betaling verkeert, op zijn inkomen en/of vermogen beslag wordt gelegd dan wel de debiteur in staat van faillissement wordt verklaard. Het betalingsvoorstel wordt als een aflossingsverplichting vastgelegd in een beschikking.

  • 3. Bij samenloop van een verplichting tot aflossing op een vordering inlichtingenplicht en een boete wordt eerst op de boete afgelost.

  • 4. De aflossingsverplichting wordt opgeschort gedurende de periode dat de debiteur studiefinanciering op grond van de WSF of WTOS ontvangt.

Artikel 7 Aflossingsverplichting debiteuren zonder uitkering

  • 1. Bij de aflossingsverplichting met betrekking tot inkomen geldt als basis dat 5% van de laatste van toepassing zijnde uitkeringsnorm per maand inclusief vakantiegeld wordt afgelost.

  • 2. Als het inkomen inclusief vakantiegeld, meer dan € 100,00 per maand hoger is dan de laatst van toepassing zijnde uitkeringsnorm inclusief vakantiegeld, wordt de aflossingsverplichting verhoogd met 35% van het meer-inkomen boven de uitkeringsnorm als bedoeld in het eerste lid.

  • 3. Bij de invordering van vorderingen inlichtingenplicht wordt het in het tweede lid genoemde percentage verhoogd tot 50%.

  • 4. In afwijking van het eerste tot en met het derde lid kan met een betalingsvoorstel van de debiteur worden ingestemd voor zover daarmee de vordering binnen een periode van 36 maanden in zijn geheel zal kunnen worden afgelost, de voorgestelde aflossing ten minste € 25,00 per maand bedraagt, en het betalingsvoorstel vervalt zodra de debiteur in surseance van betaling verkeert, op zijn inkomen en/of vermogen beslag wordt gelegd dan wel de debiteur in staat van faillissement wordt verklaard. Het betalingsvoorstel wordt als een aflossingsverplichting vastgelegd in een beschikking.

  • 5. De aflossingsverplichting wordt opgeschort gedurende de periode dat de debiteur studiefinanciering op grond van de WSF of WTOS ontvangt.

  • 6. Dit artikel is ook van toepassing op invordering van vorderingen ontstaan uit:

    • a.

      Voorschotten;

    • b.

      Onverschuldigde betalingen;

    • c.

      Boetes.

  • 7. Het onderzoek naar de hoogte van de aflossingsverplichting kan achterwege blijven als wordt vastgesteld dat:

    • a.

      de vorderingen in totaal een waarde vertegenwoordigen van minder dan € 1.000,00; of

    • b.

      de vorderingen in totaal een waarde vertegenwoordigen van € 1.000,00 of meer en deze vorderingen binnen een reeks van 36-maandelijkse termijnen kunnen worden afgelost.

Artikel 8 Tussentijdse beoordeling van een lopende betalingsverplichting

  • 1. Het college doet eens per 36 maanden een onderzoek naar draagkracht.

  • 2. Bij een vermoeden dat de draagkracht is gewijzigd, kan van de termijn in het eerste lid worden afgeweken.

  • 3. Een besluit tot wijziging of handhaving van de eerder opgelegde betalingsverplichting, wordt bij beschikking aan de debiteur bekend gemaakt.

  • 4. Een gewijzigde betalingsverplichting gaat in op de eerste dag van de maand die volgt op die van de beschikking.

  • 5. Het onderzoek naar de hoogte van de aflossingsverplichting kan achterwege blijven als wordt vastgesteld dat:

    • a.

      de vorderingen in totaal een waarde vertegenwoordigen van minder dan € 1.000,00; of

    • b.

      de vorderingen in totaal een waarde vertegenwoordigen van € 1.000,00 of meer en deze vorderingen binnen een reeks van 36-maandelijkse termijnen kunnen worden afgelost.

Artikel 9 Dwanginvordering

  • 1. Als de debiteur na aanmaning zijn betalingsverplichting niet of niet meer nakomt, gaat het college over tot het leggen van executoriaal beslag.

  • 2. Het leggen van executoriaal beslag vindt plaats door het uitvaardigen van een dwangbevel gevolgd door het direct leggen van executoriaal beslag onder derden en/of het direct leggen van executoriaal beslag onder de debiteur zelf.

Artikel 10 Rente en kosten

  • 1. Indien moet worden overgegaan tot beslaglegging als bedoeld in artikel 9 wordt de vordering verhoogd met de wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten, vanaf het moment dat de invordering is overgedragen aan een gerechtsdeurwaarder.

  • 2. Indien sprake is van een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van rente- en aflossingsverplichtingen als bedoeld in artikel 41, vijfde lid van het Bbz, is over de achterstallige rente- en aflossingsbedragen wettelijke rente verschuldigd.

Hoofdstuk 3 AFZIEN VAN VORDERINGEN

Artikel 11 Kwijtschelding van vorderingen

  • 1. Het restant van een vordering wordt kwijtgescholden, als de debiteur:

    • a.

      gedurende 36 maanden volledig aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

    • b.

      gedurende 36 maanden niet of niet volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan, maar het achterstallige bedrag over die periode, vermeerderd met de daarover verschuldigde wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten, alsnog heeft betaald; of

    • c.

      gedurende 36 maanden niet of niet volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan en ook niet aannemelijk is dat de debiteur op enig moment alsnog aan zijn betalingsverplichtingen zal voldoen.

  • 2. Het restant van een vordering kan worden kwijtgescholden, als de debiteur op enig moment ten minste de helft van de rest-som in één keer aflost en het college van oordeel is dat door deze afkoop van de schuld meer wordt afgelost dan wanneer de gebruikelijke incassoprocedures worden gevolgd.

  • 3. Voor de toepassing van het eerste lid moet 120 maanden gelezen worden in plaats van 36 maanden, indien de vordering het gevolg is van:

    • a.

      schending van de inlichtingenplicht;

    • b.

      tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan; of

    • c.

      naderhand verkregen middelen als bedoeld in artikel 58, tweede lid, onder f, ten eerste, van de Wet of artikel 25, derde lid, van de IOAW/IOAZ.

  • 4. Bij toepassing van het bepaalde in het eerste en derde lid, wordt voor het bepalen van de 36- of 120-maandentermijn niet meegeteld de periode:

    • a.

      van verblijf in detentie waarin de debiteur niet aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

    • b.

      van verblijf in het buitenland waarin de debiteur niet aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

    • c.

      waarin de aflossingsverplichting op grond van artikel 6, vierde lid en artikel 7, vijfde lid is opgeschort.

  • 5. Het op basis van dit artikel genomen besluit tot kwijtschelding wordt ingetrokken, als later blijkt dat de debiteur onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid.

Artikel 12 Uitzonderingen op kwijtschelding van vorderingen

  • 1. Kwijtschelding als bedoeld in artikel 11 vindt niet plaats bij vorderingen die:

    • a.

      het gevolg zijn van een eerder verstrekte geldlening in verband met een eigen woning of bedrijfskrediet;

    • b.

      gedekt zijn door een zakelijk recht als pand of hypotheek;

    • c.

      betrokken zijn in een schuldregeling waarvan de voorwaarden niet worden nagekomen of die tot stand is gekomen op basis van onjuiste of onvolledige gegevens door toedoen van de debiteur.

  • 2. Kwijtschelding vindt verder niet plaats als de debiteur kan beschikken over vermogen dat redelijkerwijze te gelde kan worden gemaakt of als de debiteur binnen een redelijke termijn redelijkerwijze over vermogen kan gaan beschikken. Bij de vaststelling of de debiteur over vermogen beschikt is artikel 4, vijfde lid van overeenkomstige toepassing.

Artikel 13 Kruimelbedragen

  • 1. Als de uitkering stopt, dan worden oude en nieuwe vorderingen verrekend met het gereserveerde vakantiegeld.

  • 2. Als het restant na verrekening als bedoeld in het eerste lid lager is dan € 250,00, dan wordt dat restant kwijtgescholden.

  • 3. Kwijtschelding als bedoeld in het tweede lid vindt niet plaats als:

    • a.

      het restant geheel of gedeeltelijk bestaat uit een vordering die is veroorzaakt door schending van de inlichtingenplicht of ander verwijtbaar gedrag van de debiteur; of

    • b.

      het restant geheel of gedeeltelijk bestaat uit een vordering die op grond van artikel 12 is uitgesloten van kwijtschelding.

Artikel 14 Schuldregeling

  • 1. Het college werkt mee aan een schuldregeling als:

    • a.

      redelijkerwijs is te voorzien dat de debiteur niet zal kunnen doorgaan met het betalen van zijn schulden;

    • b.

      redelijkerwijs is te voorzien dat een schuldregeling zonder medewerking van de gemeente niet tot stand zal komen; en

    • c.

      de vordering van de gemeente wegens teruggevorderde uitkering ten minste zal worden voldaan naar evenredigheid met de vorderingen van de schuldeisers van gelijke rang.

  • 2. In verband met een schuldregeling wordt de invordering van de vordering

    • a.

      voorwaardelijk opgeschort per datum kennisgeving van de schuldhulpverlenende organisatie. De opschorting wordt definitief op het moment dat alle schuldeisers akkoord zijn met de voorgestelde schuldregeling; of

    • b.

      direct opgeschort nadat alle schuldeisers akkoord zijn met de voorgestelde schuldregeling en geen sprake is van een kennisgeving als bedoeld in onderdeel a.

  • 3. Het college werkt niet mee aan een schuldregeling of trekt het besluit om medewerking te verlenen aan een schuldregeling (met terugwerkende kracht) in, als:

    • a.

      meewerken aan een schuldregel op grond van de wet niet is toegestaan;

    • b.

      de vordering is gedekt door een zakelijk recht als pand of hypotheek dan wel de vordering het gevolg is van een eerder verstrekte geldlening vanwege vermogen in eigen woning als bedoeld in artikel 50 van de Wet;

    • c.

      niet binnen twaalf maanden nadat het besluit om medewerking te verlenen bekend is gemaakt, een schuldregeling tot stand is gekomen die voldoet aan de eisen als neergelegd in het eerste lid;

    • d.

      er beslag ligt of wordt gelegd door een externe beslaglegger;

    • e.

      de debiteur de aan de schuldregeling verbonden verplichtingen ondanks eerdere waarschuwing blijft schenden; of

    • f.

      onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid.

Artikel 15 Marginale zelfstandigen en parttime ondernemers

  • 1. Bij terugvordering van uitkering van een marginale zelfstandige of parttime ondernemer over een periode waarin naderhand op grond van het beleid over marginale zelfstandigen of parttime ondernemers de bijstand definitief wordt vastgesteld, gelden in afwijking van deze beleidsregels de volgende uitgangspunten:

    • a.

      de terugvordering wordt niet gebruteerd; en

    • b.

      de debiteur lost de vordering in een periode van maximaal 60 maanden af waarna de vordering komt te vervallen.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing als de vordering is ontstaan door het verwijtbaar niet nakomen van de inlichtingenplicht of ander verwijtbaar gedrag van de debiteur.

Hoofdstuk 4 BEPALINGEN OPLEGGEN BESTUURLIJKE BOETE

Artikel 16 Schending inlichtingenplicht zonder benadelingsbedrag

Bij schending van de inlichtingenplicht wordt een schriftelijke waarschuwing gegeven indien deze schending niet heeft geleid tot een benadelingsbedrag en deze schending niet heeft plaatsgevonden binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de debiteur een zodanige waarschuwing is gegeven.

Hoofdstuk 5 BIJZONDERE BEPALINGEN BBZ

Artikel 17 Afzien van terugvordering bij beëindiging uitkering op grond van het Bbz

In afwijking van artikel 2, eerste lid, onderdeel b, wordt afgezien van terugvordering van algemene en bijzondere bijstand, voor zover:

  • a.

    de terugvordering het gevolg is van ander inkomen in een boekjaar dan inkomen uit of in verband met zelfstandigheid; en

  • b.

    dat andere inkomen toegerekend moet worden aan een periode na de bijstandsperiode.

Artikel 18 Leenbijstand voor levensonderhoud

In afwijking van artikel 12, eerste lid, onderdeel a en b is artikel 11 van toepassing op het terugvorderen van leenbijstand voor levensonderhoud aan zelfstandigen als bedoeld in artikel 12, tweede lid onderdeel c van het Bbz.

Artikel 19 Terugvordering verstrekt bedrijfskapitaal

Het college vordert het bedrijfskapitaal, dat is toegekend op grond van artikel 20 en 24 van het Bbz terug als de debiteur ook na een tweede aanmaning niet aan zijn rente- en aflossingsverplichtingen voldoet.

Artikel 20 Verwijtbare bedrijfsbeëindiging

  • 1. Van verwijtbare bedrijfsbeëindiging is sprake:

    • a.

      bij bestuurdersaansprakelijkheid of;

    • b.

      wanneer privébestedingen niet in lijn liggen met de inkomsten en een inkomen op bijstandsniveau.

  • 2. In gevallen als bedoeld in het voorgaande lid wordt de lening gecontinueerd tegen dezelfde condities als het bedrijfskapitaal is verstrekt, waaronder in ieder geval moet worden begrepen hetzelfde aflossingsbedrag en rentetarief.

  • 3. Van een verwijtbare bedrijfsbeëindiging is geen sprake indien naar het oordeel van het college in de gevallen als bedoeld in het eerste lid een rechtvaardigingsgrond aanwezig is.

Hoofdstuk 6 SLOTBEPALINGEN

Artikel 21 Dringende redenen

Het college kan geheel of gedeeltelijk afzien van de bevoegdheid tot herziening, intrekking en terugvordering wegens dringende redenen.

Artikel 22 Overgangsbepalingen

  • 1. De bepalingen over kwijtschelding in de hoofdstukken II en III van de Beleidsregels Terugvordering SOZAWE 2011 van de gemeente Groningen blijven van toepassing op vorderingen van de gemeente Groningen die het gevolg zijn van schending van de inlichtingenplicht en die zijn ontstaan vóór 1 januari 2013.

  • 2. De bepalingen over kwijtschelding in de hoofdstukken II en III van de Beleidsregels Terugvordering SOZAWE 2011 van de gemeente Ten Boer blijven van toepassing op vorderingen van de gemeente Groningen die het gevolg zijn van schending van de inlichtingenplicht en die zijn ontstaan vóór 1 januari 2013.

Artikel 23 Citeertitel

Deze beleidsregels kunnen worden aangehaald als: Debiteurenbeleid 2026

Artikel 24 Intrekking en Inwerkingtreding

  • 1. De Beleidsregels terug- en invordering Participatiewet, Ioaw, Ioaz en Bbz 2004 (Debiteurenbeleid 2021) worden ingetrokken.

  • 2. Deze beleidsregels treden in werking met ingang van de dag na die van bekendmaking.

Ondertekening

Aldus besloten in de collegevergadering van 18 maart 2026

De burgemeester,

De secretaris,

TOELICHTING BELEIDSREGELS TERUG- EN INVORDERING Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz 2004 (Debiteurenbeleid 2026)

Algemeen

Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz

Terugvordering van kosten van bijstand, voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht is verplicht. In alle andere gevallen is terugvordering een bevoegdheid waarvan het college ten volle gebruik maakt. Uitgangspunt daarbij is dat ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleende bijstand zoveel mogelijk wordt teruggevorderd. In deze beleidsregels geeft het college aan hoe met deze bevoegdheid moet worden omgegaan.

Terugvorderen van ten onrechte verleende bijstand is geen strafsanctie, maar betekent enkel het herstellen van de rechtmatige toestand waarin de debiteur de uitkering krijgt waar de debiteur recht op heeft, maar ook niet meer dan dat.

Waar in de toelichting gesproken wordt over de Wet kan in voorkomende gevallen mede (vergelijkbare bepalingen op grond van) de IOAW, de IOAZ of het Bbz 2004 worden bedoeld.

Evenredigheidsbeginsel

Bij terugvordering wordt onderscheid gemaakt tussen gevallen waarin terugvordering verplicht is wegens schending van de inlichtingenplicht en overige gevallen. In alle gevallen moet getoetst worden aan het evenredigheidsbeginsel als bedoeld in artikel 3:4, tweede lid van de Awb, maar op een verschillende manier. Toetsing aan het evenredigheidsbeginsel betekent dat de belangen van zowel het college als de inwoner worden afgewogen. Ontwikkelingen in de jurisprudentie moeten in de gaten worden gehouden.

Als terugvordering niet verplicht is

In gevallen waarin geen sprake is van schending van de inlichtingenplicht, heeft het college beleidsvrijheid om al dan niet tot terugvordering over te gaan. Het gaat dan om terugvordering op grond van artikel 58, tweede lid en artikel 59 van de Wet. Op grond van deze beleidsregels wordt in beginsel teruggevorderd waar dat kan. Er moet wel getoetst worden aan het evenredigheidsbeginsel. Daarbij moet beoordeeld worden of de nadelige gevolgen voor de inwoner niet onevenredig zijn in verhouding tot het met de terugvordering te dienen doel. Het terugvorderingsbesluit moet op een evenwichtige belangenafweging berusten, waarbij voor het ontstaan van de vordering zowel het aandeel van het college als van de inwoner wordt betrokken.

Als terugvordering wel verplicht is

Op grond van artikel 58, eerste lid van de Wet is het college verplicht tot terugvordering als bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen door schending van de inlichtingenplicht (vordering inlichtingenplicht). Alleen bij “dringende redenen” (artikel 58, achtste lid van de Wet) kan geheel of gedeeltelijk van terugvordering worden afgezien. Bij de beoordeling of sprake is van dringende redenen moet een belangenafweging gemaakt worden die een toets aan het evenredigheidsbeginsel kan doorstaan. Daarbij moeten alle relevante omstandigheden, waaronder de gevolgen en oorzaken van de terugvordering, worden meegewogen. Zie ook de toelichting op artikel 21 over de dringende redenen.

Matigingsjurisprudentie

In deze beleidsregels wordt de matigingsjurisprudentie niet meer benoemd. In deze jurisprudentie is bepaald op welke wijze de hoogte van de terugvordering moet worden beperkt in geval van verzwegen oververmogen en een verzwegen gezamenlijke huishouding. Hier wordt volstaan met een verwijzing naar die jurisprudentie.

Bestuurlijke boete

In hoofdstuk 4 is een bepaling opgenomen betreffende het opleggen van een bestuurlijke boete. De reden voor opname in deze beleidsregels is dat bepalingen over een bestuurlijke boete in de Wet ook onder de paragraaf over terugvordering staan.

Vorderingen Tozo

De Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (Tozo) is gebaseerd op artikel 78f van de Participatiewet. Vorderingen op grond van deze regeling vallen daarom ook onder deze beleidsregels. In enkele specifieke gevallen kent de Tozo terug- en invorderingsregels die afwijken van deze beleidsregels. Uiteraard gaan de Tozo regels in die gevallen voor op deze beleidsregels.

Verrekeningsbevoegdheid

De zes-maanden verrekening is geen terugvordering (ECLI:NL:CRVB:2018:4205). Deze bevoegdheid tot verrekening bestaat ‘naast’ eventuele mogelijkheden tot terugvordering. Een terugvordering heeft op deze zes-maanden verrekening géén voorrang. In deze beleidsregels wordt de ‘zes-maanden verrekening’ als bedoeld in artikel 58 lid 4 van de Wet verder niet genoemd. Hier wordt volstaan met een verwijzing naar die bepaling.

Verjaring en stuiting

Zowel de mogelijkheid om terug te vorderen als de mogelijkheid om in te vorderen kunnen verjaren (dit volgt uit de artikelen 3:306 en 3:309 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 4:104 Awb). Verjaring wil zeggen dat na verloop van tijd niet meer terug- of ingevorderd kan worden. Om dat te voorkomen moet de verjaring worden gestuit (dit volgt uit artikel 4:105 ev Awb). Hierna worden de belangrijkste punten genoemd om rekening mee te houden.

Verjaring van het nemen van een terugvorderingsbesluit:

  • Maximaal 20 jaar na het ontstaan van de vordering; en

  • 5 jaar na kennis te hebben genomen van de vordering en de schuldenaar.

Hierop bestaat een uitzondering: Voor terugvordering op grond van artikel 58, tweede lid, onder e van de Wet geldt een termijn van 2 jaar vóór de datum van het terugvorderingsbesluit. Dit wordt overigens niet een verjaringstermijn, maar een vervaltermijn genoemd.

Verjaring van de invordering:

De mogelijkheid in te vorderen verjaart 5 jaar na het verstrijken van de betalingstermijn.

Na deze termijn kan betaling niet meer worden afgedwongen. Dat betekent dat verrekening, aanmaning of dwangbevel zijn niet meer mogelijk zijn. De debiteur kan nog wel vrijwillig betalen. Als er geen reden is om te verwachten dat de debiteur vrijwillig zal betalen, kan de vordering afgeboekt worden.

Stuiting van verjaring:

Om verjaring te voorkomen moet de verjaring worden gestuit. Daarvoor gelden de volgende regels:

  • De verjaring moet voor het einde van de verjaringstermijn worden gestuit.

  • Uitzondering: De vervaltermijn voor terugvordering op grond van artikel 58, tweede lid, onder e van de Wet kan niet worden gestuit.

  • Stuiting van de terugvordering: Door een schriftelijke en ondubbelzinnige mededeling van het college.

  • Stuiten van de invordering: Door aanmaning, beschikking tot verrekening, dwangbevel of erkenning van de vordering door de schuldenaar.

  • Het gevolg van stuiting is dat er een nieuwe termijn voor verjaring begint te lopen.

Terugvordering Bbz

In enkele specifieke gevallen kent het Bbz terug- en invorderingsregels die afwijken van deze beleidsregels. Uiteraard gaan de Bbz-regels in die gevallen voor, ook als daarnaar in het betreffende artikel van deze beleidsregels niet wordt verwezen.

Artikelsgewijze toelichting

Artikelen die geen toelichting behoeven worden niet genoemd.

Artikel 1 Begripsbepalingen

Het Debiteurenbeleid 2026 heeft een eigen definitie van ‘bijstand’. Zo wordt met bijstand in het Debiteurenbeleid 2026 bedoeld alle verstrekkingen op grond van de Participatiewet, IOAW, IOAZ en de Bbz. Dus ook de studietoeslag.

Artikel 2 Algemene bepaling met betrekking tot de bevoegdheid tot herziening, intrekking, terugvordering en brutering

Hoofdregel is dat waar mogelijk dient te worden teruggevorderd. Deze hoofdregel houdt ook in dat gezinsbijstand van alle gezinsleden teruggevorderd kan worden. In gevallen van een verzwegen partner moet ook van deze partner worden teruggevorderd.

De terugvordering van bijstand geschiedt bruto, door het terug te vorderen bedrag aan bijstand te verhogen met de afgedragen belasting en premies. Indien het college de belasting en premies nog kan verrekenen met de Belastingdienst en het UWV (in het lopende kalenderjaar), wordt alleen het nettobedrag teruggevorderd. Het college mag geen gebruik maken van zijn bevoegdheid tot bruteren, wanneer een debiteur geen verwijt kan worden gemaakt van het ontstaan van de vordering.

Het college kiest er verder voor om in het geval van een overige vordering alleen gebruik te maken van de bevoegdheid tot bruteren, als door ernstig verwijtbaar gedrag van de debiteur de schuld niet tijdig is terugbetaald.

Het tweede lid ziet op terugvordering in verband met een erfenis. Bij het overlijden van een erflater is de erfenis niet altijd direct opeisbaar in verband met een achterblijvende partner van de erflater (langstlevende partner). De erfgenaam kan dan nog niet (redelijkerwijs) over de erfenis beschikken. Zo is bij een langstlevende testament en bij de wettelijke verdeling (artikel 4:13 BW) de erfenis van de eerst overleden partner in de regel pas opeisbaar vanaf de datum waarop de langstlevende partner is overleden. Op grond van de wettelijke systematiek mag in die gevallen de erfenis van de eerst overleden partner ná het overlijden van de langstlevende partner toegerekend worden aan de overlijdensdatum van de eerst overleden partner; bijstand zou dan ook vanaf de overlijdensdatum van de eerst overleden partner teruggevorderd mogen worden. Het college kiest er echter voor om alleen de bijstand terug te vorderen die verleend is vanaf de datum waarop de erfenis voor het eerst opeisbaar is (uiteraard voor zover sprake is van oververmogen). Dat is meestal de datum waarop de langstlevende partner is overleden, maar in sommige gevallen is dat eerder. Bijvoorbeeld als dat in het testament is bepaald of bij de wettelijke verdeling als de langstlevende partner failliet gaat. Voor de duidelijkheid: Wanneer de erfenis van de eerst overleden partner direct opeisbaar is op de overlijdensdatum, wordt vanaf die datum teruggevorderd. En verder geldt dat deze uitzondering alleen wordt toegepast als de erfenis nog niet opeisbaar in verband met een langstlevende partner. Als de erfenis nog niet opeisbaar is om een andere reden (bijvoorbeeld als in een testament de opeisbaarheid is verbonden aan een nog te vervullen voorwaarde), dan wordt de bijstand teruggevorderd vanaf de overlijdensdatum van de erflater op het moment dat de erfenis opeisbaar is.

Voorbeeld: De ouders van een bijstandsgerechtigd kind hebben geen testament opgemaakt. Als ouder A overlijdt verkrijgt het kind in verband met de erfenis een geldvordering op ouder B. Het kind kan de vordering niet direct opeisen. Dat kan pas als ouder B overlijdt. De erfenis van ouder A wordt dan toegerekend aan de overlijdensdatum van ouder B.

Belangrijke voorwaarde voor de toepassing van het tweede lid is dat dit tot een gunstiger resultaat leidt voor de belanghebbende dan toepassing van de wettelijke systematiek. Hier zal dus altijd onderzoek naar gedaan moeten worden.

Artikel 3 Algemeen

Hoofdstuk 2 heeft betrekking op de wijze waarop de geldschuld nadat deze bij terugvorderingsbesluit is vastgesteld, wordt betaald. In de regelgeving worden daarvoor termen als invordering en verrekening gebruikt. Daarmee wordt een afgedwongen wijze van betaling bedoeld volgens uitvoeringsvoorschriften die in de daartoe bestemde gevallen van toepassing zijn. Bij invordering valt in eerste instantie te denken aan de invordering bij dwangbevel. De verrekening (met een uitkering) is een tussenfiguur. Waar de Wet deze laatste bevoegdheid toekent is medewerking van de debiteur aan de betaling niet nodig.

Door het dwangbevel wordt het eerst mogelijk om beslag te leggen op goederen of loon van de debiteur. Een dwangbevel kan pas worden gegeven als de debiteur niet binnen de bij beschikking vastgestelde termijn heeft betaald én ook nadien niet binnen de termijn waarvoor de debiteur wegens verzuim is aangemaand, heeft betaald. Voor de bekendmaking van een dwangbevel gelden bijzondere voorschriften.

Op grond van de Awb (artikel 4:86) is een bestuursorgaan verplicht om in alle gevallen de verplichting tot betaling van een geldsom bij beschikking vast te stellen. Daarmee vervaagt het onderscheid tussen invordering en het regelen van een andere betalingswijze.

Artikel 4 Betalingsregeling

In beginsel rust op de debiteur de verplichting om de gehele vordering binnen de betalingstermijn van zes weken te voldoen. Wanneer de debiteur niet in staat is om de gehele schuld binnen zes weken af te lossen, kan een gedeeltelijke betalingsverplichting per maand worden opgelegd waarbij uitstel van betaling van de hoofdsom wordt gegeven als bedoeld in artikel 4:94 Awb. Een betalingsregeling kan worden afgesproken voor alle vorderingen, dus ook voor een vordering als gevolg van schending van de inlichtingenplicht.

Uitgangspunt is dat de vordering in één keer wordt voldaan, maar als binnen zes weken in termijnen volledig wordt afgelost is dat geen reden om uitstel van betaling te geven en om een betalingsregeling te treffen.

Op grond van artikel 4:87, eerste lid Awb moet het college de debiteur een betalingstermijn bieden van (ten minste) zes weken. Als echter al in een eerder stadium duidelijk is dat de debiteur de gehele vordering niet binnen de betalingstermijn in verband met onvoldoende draagkracht kan voldoen, kan meteen worden gestart met overleg over een betalingsregeling.

Wanneer de debiteur beschikt, of gaat beschikken over draagkracht, moet de debiteur die gebruiken voor het aflossen op de vordering. Draagkracht bestaat uit inkomen en vermogen. Voor zover het gaat om inkomen, volgt uit artikel 6 en 7 volgt wanneer sprake is van draagkracht. Voor zover het gaat om vermogen, staat in het het vijfde lid beschreven wanneer sprake is van draagkracht.

Het middelenbegrip uit de Participatiewet (paragraaf 3.4) is van toepassing op het vaststellen van het recht op algemene bijstand en het in verband daarmee vaststellen van de hoogte van de terugvordering.

Wanneer de hoogte van de vordering eenmaal is vastgesteld en de vordering moet worden ingevorderd (incasso), gelden de regels van de Awb en het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De wettelijke bepalingen voor vrijlaten van vermogen gelden daarom niet automatisch voor de invordering.

Voor zover de debiteur nog geld of andere bezittingen heeft die de debiteur te gelde kan maken, is een aflossingsregeling gebaseerd op de hoogte van het inkomen (of uitkering) niet aan de orde. Dus wanneer een debiteur bijvoorbeeld geld op zijn bankrekening heeft staan – ook al ligt het bedrag onder het vrij te laten bescheiden vermogen – moet de debiteur dat geld aanwenden om zijn vordering af te betalen. In afwijking daarvan wordt in het vijfde lid aangegeven in welke gevallen het vermogen niet meetelt voor de draagkracht. Voor de duidelijkheid, dit ziet alleen op de betalingsregeling en bijvoorbeeld niet op dwanginvordering.

Omdat de debiteur moet blijven beschikken over voldoende geld om de lopende maand door te komen, wordt (eenmalig) een bedrag ter hoogte van anderhalf maal de (laatst) toepasselijke uitkeringsnorm per maand vrijgelaten. Dit geldt dus ook als de debiteur geen uitkering meer ontvangt. Indien de debiteur op dat moment een andere gezinssituatie of inmiddels een hogere levensstandaard heeft, dan wordt daar geen rekening mee gehouden.

Als de debiteur een uitkering ontvangt, worden algemeen gebruikelijke goederen en de vrijlating in de eigen woning niet als vermogen aangemerkt waarop kan worden geïncasseerd. In het vijfde lid, onderdeel b wordt verwezen naar artikel 34 van de Wet, maar is ook van toepassing als bijstand op grond van de IOAW, de IOAW of het Bbz wordt ontvangen.

Met schulden wordt geen rekening gehouden bij het vaststellen van de draagkracht (uit vermogen).

Als de debiteur niet betaalt binnen de gestelde termijn (en er geen uitstel van betaling is verleend), kan het college overgaan tot executie van de vordering. Dit doet het college door het verzenden van een dwangbevel na de debiteur eerst te hebben aangemaand. Indien het college de mogelijkheid heeft om de vordering te verrekenen kan dit ook zonder dwangbevel.

Voor zover het gaat om het vaststellen van draagkracht in het inkomen, moet in ieder geval rekening worden gehouden met de beslagvrije voet als de debiteur niet vrijwillig aan een aflossingsregeling mee wil werken. Zie daarvoor artikel 6 en artikel 7.

Teneinde rekening te kunnen houden met de financiële omstandigheden van de debiteur, wordt de debiteur, zodra sprake is van terugvordering, gevraagd om zijn financiële gegevens te overleggen. Dit hoeft uiteraard niet als de benodigde gegevens verkregen kunnen worden uit bronnen die het college ter beschikkingen staan. Het gaat dan bijvoorbeeld om het Inlichtingenbureau en Suwinet. Het college houdt bij raadpleging van bronnen rekening met de bepalingen van de AVG.

Artikel 6 Aflossingsverplichting debiteuren met een uitkering

Zolang een debiteur een uitkering van het college ontvangt zal in de meeste gevallen de geldschuld daarmee worden verrekend. In dergelijke gevallen geldt als hoofdregel dat rekening wordt gehouden met dat deel van het inkomen waarop geen beslag kan worden gelegd (de zgn. beslagvrije voet). Volgens de wettelijke regels kan in dat geval 5% van de uitkering worden gebruikt voor aflossing of verrekening van schulden.

Het uitgangspunt is dat de vordering wordt verrekend met het vakantiegeld. Dat kan in de maand mei plaatsvinden wanneer het vakantiegeld regulier wordt uitbetaald, maar er kan ook met het gereserveerde vakantiegeld verrekend worden als de bijstand wordt stopgezet.

In gezamenlijk overleg (tussen het college en de debiteur) kan ook een ander bedrag worden afgesproken, mits aan de voorwaarden van artikel 6, tweede lid wordt voldaan. Dit is een regeling op basis van vrijwilligheid.

Bij een samenloop van een vordering inlichtingenplicht en een boete moet eerst op de boete worden afgelost omdat de boete géén preferente vordering is. Als de bijstandsperiode stopt geldt dat een schuld in verband met een boete moet concurreren met andere niet-preferente schulden. Bij een vordering inlichtingenplicht is dat niet het geval.

Ook studenten die studiefinanciering ontvangen kunnen nog een uitkering krijgen. Het gaat dan niet om een algemene uitkering voor levensonderhoud maar om bijvoorbeeld de studietoeslag. Om deze reden is het vierde lid een bepaling opgenomen die gelijk is aan het vijfde lid van artikel 7. Om te bevorderen dat uitkeringsgerechtigden (weer) gaan studeren, wordt de aflossingsverplichting opgeschort gedurende de tijd dat de debiteur studiefinanciering of WTOS ontvangt. Dit betekent dat een vordering wegens te veel ontvangen studietoeslag niet wordt verrekend met een actueel recht op studietoeslag. De periode van opschorting telt niet mee voor het bepalen van de 36- en 120-maandentermijn als bedoeld in artikel 11 en 12.

Artikel 7 Aflossingsverplichting debiteuren zonder uitkering

We houden rekening met de beslagvrije voet. Als basis voor de aflossingsverplichting geldt dat 5% van de laatst van toepassing zijnde uitkeringsnorm wordt afgelost tenzij het inkomen lager is dan de bijstandsnorm. Als het inkomen lager is dan de bijstandsnorm is de aflossingsverplichting 5% van het inkomen.

Zolang het inkomen inclusief vakantiegeld niet hoger is dan € 100,00 per maand meer dan de van toepassing zijnde uitkeringsnorm op het moment dat de debiteur nog een uitkering ontving, bedraagt de aflossing niet meer dan het bedrag dat met de uitkering was verrekend wanneer men daarop aangewezen zou zijn.

Zodra een debiteur een inkomen ontvangt dat per maand meer dan € 100,00 hoger is dan de van toepassing zijnde bijstandsnorm, geldt het volgende. Van het bedrag ter hoogte van de (laatst) van toepassing zijnde uitkeringsnorm betaalt de debiteur 5% aan aflossing zoals in het eerste lid is uitgelegd. In aanvulling daarop wordt 35% afgelost van het inkomen boven het niveau van de van toepassing zijnde uitkering.

Voor vorderingen die zijn ontstaan door het schenden van de inlichtingenplicht geldt een percentage van 50%. Omdat de debiteur zelf voor het ontstaan van een dergelijke vordering verantwoordelijk is, is het redelijk om in dit geval van de debiteur te eisen dat er meer wordt afgelost.

In onderstaand schema wordt e.e.a. op een rijtje gezet.

Alle vorderingen

Alle vorderingen

Alle vorderingen

Overige vorderingen

Vorderingen inlichtingenplicht

Hoogte inkomen

Ink. < uitk. norm

uitk. norm

uitk. norm + max € 100,00

uitk. norm +

> € 100,00

uitk. norm +

> € 100,00

Aflossing

5% van het inkomen

5% uitk. norm

5% uitk. norm

5% uitk. norm + 35% van het meerdere

5% uitk. norm

+ 50% van het meerdere

Net zoals bij een debiteur met een uitkering, kan in gezamenlijk overleg tot een ander aflossingsbedrag worden besloten (mits aan de voorwaarden van artikel 7, vierde lid wordt voldaan).

Om te bevorderen dat uitkeringsgerechtigden (weer) gaan studeren, wordt de aflossingsverplichting opgeschort gedurende de tijd dat de debiteur studiefinanciering of WTOS ontvangt. De periode van opschorting telt niet mee voor het bepalen van de 36- en 120-maandentermijn als bedoeld in artikel 11.

Artikel 8 Tussentijdse beoordeling van een lopende betalingsverplichting

Mede gelet op de langere betalingstermijn voor het aflossen van vorderingen inlichtingenplicht is er reden om na een bepaalde periode van aflossing opnieuw een onderzoek naar draagkracht in vermogen of inkomen in te stellen (heronderzoek). De financiële situatie kan in de tussentijd wezenlijk veranderd zijn. In aansluiting op de kwijtscheldingstermijn voor ‘overige vorderingen’ is gekozen voor een termijn van 36 maanden. Op het moment dat er een vermoeden bestaat, dat de debiteur meer of minder kan aflossen, wordt direct een onderzoek ingesteld.

In sommige gevallen kan van een heronderzoek worden afgezien. Als bijvoorbeeld bij een debiteur de uitkering wordt beëindigd en het betreft een lopende vordering onder de € 1.000,00, dan kan de debiteur gewoon voortgaan met het betalen van hetzelfde aflossingsbedrag dat werd betaald in de periode dat de debiteur een uitkering ontving. Een onderzoek of meer kan worden afgelost is dan niet nodig.

Artikel 10 Rente en kosten

Kosten die opkomen voorafgaand aan een terugvorderingsbesluit kunnen op grond van jurisprudentie niet in rekening worden gebracht bij de debiteur, bijvoorbeeld de kosten van conservatoir beslag. Als het college zelf tot verrekening of vereenvoudigd derdenbeslag overgaat zijn daaraan geen kosten verbonden.

Zodra de vordering wordt overgedragen aan de deurwaarder wordt dat anders en worden rente en kosten in rekening gebracht bij de debiteur (eerste lid).

Artikel 11 Kwijtschelding van vorderingen

Kwijtschelding komt tegemoet aan de opvatting dat een debiteur niet gedurende een (zeer) lange periode in een schuldensituatie moet blijven. Wanneer de debiteur gedurende een periode van 36 maanden volledig aan de vastgestelde betalingsverplichting heeft voldaan, volgt kwijtschelding, tenzij op grond van het derde lid een termijn van 120 maanden geldt.

Bij meerdere vorderingen is het in verband met de herkenbaarheid een vereiste dat iedere nieuwe vordering op de debiteur apart wordt geboekt. Echter, de periode dat een debiteur aflost op de ‘oude’ vordering telt in het kader van kwijtschelding ook mee voor de aflossingsperiode van de ‘nieuwe’ vordering vanaf het moment dat de nieuwe vordering is ontstaan. Dit heet ook wel “overlap”. Uiteraard wordt niet kwijtgescholden als sprake is van een uitzondering als bedoeld in artikel 12.

Voor vorderingen die zijn ontstaan uit leningen geldt dat de aflossingen die zijn gedaan op de oorspronkelijke lening ook meetellen voor de aflossingsperiode van de vordering.

Indien gedurende de 36- of 120-maandentermijn de betalingsverplichting wordt opgeschort, dan wordt de periode van 36 of 120 maanden verlengd met het aantal maanden dat niet is betaald. Dit is uiteraard anders als het college in een beschikking heeft aangegeven dat tijdelijk wordt afgezien van invordering wegens onvoldoende financiële ruimte bij de debiteur. In die situatie voldoet de debiteur namelijk formeel wel aan zijn betalingsverplichting.

Voor het tweede lid geldt dat het college de reële verwachting moet hebben dat afkoop van de schuld meer oplevert dan wanneer de gebruikelijke incassoprocedures worden gevolgd inclusief de (her-)beoordeling van het vermogen van de debiteur. Dit kan dus met zich meebrengen dat in een individueel geval een hoger percentage dan 50 procent wordt gehanteerd. Voor wat betreft vorderingen die het gevolg zijn van schending van de inlichtingenplicht, kan uit de wetsgeschiedenis worden afgeleid dat deze bepaling niet gebonden is aan een termijn. Omdat in de terugvorderingspraktijk behoefte is aan een afkoopmogelijkheid zonder dat de debiteur per se eerst een bepaalde periode maandelijks moet hebben afgelost, is voor iedere vordering gekozen voor een afkoopmogelijkheid die op elk moment kan worden ingezet. In het algemeen zal afkoop op grond van deze bepaling bij vorderingen die in 36 maanden moeten worden afgelost, gelet op de relatief korte aflossingstermijn, niet snel aan de orde zijn. Afkoop op grond van deze bepaling kan niet plaatsvinden indien sprake is van een uitzondering als bedoeld in artikel 12.

In het derde lid is bepaald welke vorderingen pas na 120 maanden kunnen worden kwijtgescholden. Het gaat om vorderingen als gevolg van schending van de inlichtingenplicht, als gevolg van tekortschietend besef en als gevolg van naderhand verkregen middelen. Op grond van de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving is het niet alleen verplicht om bij het schenden van de inlichtingenplicht de te veel ontvangen uitkering terug te vorderen. De debiteur is ook verplicht om minimaal gedurende een termijn van tien jaar af te lossen op de schuld die is ontstaan door het schenden van de inlichtingenplicht. Het college heeft daarin vrijwel geen speelruimte. Het college kiest ervoor om ook bij vorderingen die het gevolg zijn van tekortschietend besef en van naderhand verkregen middelen de 120-maanden termijn te hanteren.

Dit artikel geldt niet voor kwijtschelding van boetes. Daarvoor is alleen artikel 18a, lid 13 van de Wet van toepassing.

Ten aanzien van het kwijtschelden van vorderingen inlichtingenplicht die zijn ontstaan vóór 1 januari 2013, blijven de Beleidsregels Terugvordering SOZAWE 2011 van de gemeenten Groningen en Ten Boer van toepassing (dit is vastgelegd in artikel 22).

Artikel 12 Uitzonderingen op de kwijtscheldingsbepalingen

Terugvorderingen die het gevolg zijn van een eerder verstrekte lening in verband met een eigen woning of bedrijfskrediet komen niet in aanmerking voor kwijtschelding. Dit heeft onder andere te maken met het karakter van een lening: hieraan is namelijk inherent dat deze moet worden terugbetaald. Voor wat betreft de uitzondering bij een bedrijfskrediet geldt dat ook rekening gehouden is met het karakter van de Bbz en voor wat betreft de uitzondering van de lening in verband met een eigen woning geldt dat die lening het gevolg is van de aanwezigheid van vermogen. Daarbij komt dat in het geval van leningen in hoofdstuk 6 van de Beleidsregels algemene en bijzondere bijstand Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz 2004 en in het Bbz bepalingen zijn opgenomen die de aflossingsverplichtingen beperken in duur en hoogte en mogelijkheden bieden om rente- en aflossingsverplichtingen op te schorten of kwijt te schelden als de debiteur niet meer in staat is aan zijn verplichtingen te voldoen. Kwijtscheldingsbepalingen in het terugvorderingsbeleid mogen dan niet tot een gunstiger terugbetalingsregime leiden, om te voorkomen dat debiteuren bewust hun rente- en aflossingsverplichtingen verzaken.

Artikel 13 Kruimelbedragen

Uitgangspunt is dat schulden worden afgelost. Op grond van doelmatigheidsoverwegingen kiest het college ervoor om vorderingen die resteren (oude vorderingen) of ontstaan bij het stopzetten van een uitkering (nieuwe vorderingen), kwijt te schelden tot een bedrag van € 250,00 nadat deze schulden zijn verrekend met het gereserveerde vakantiegeld. Het gaat dus ook om verrekening met schulden die zijn ontstaan voorafgaand aan de intrekking of beëindigingsprocedure.

Kwijtschelding van een kruimelbedrag vindt niet plaats als de vordering (deels) is ontstaan door een schending van de inlichtingenplicht, ander verwijtbaar gedrag of is uitgesloten van kwijtschelding op grond van artikel 12.

Artikel 14 Schuldregeling

In de praktijk wordt voor de minnelijke schuldregeling gebruik gemaakt van een door de Nederlandse vereniging voor schuldhulpverlening en sociaal bankieren (NVVK) vastgestelde Gedragscode Schuldregeling. Dit houdt onder meer in dat op basis van de aflossingscapaciteit van de debiteur de schuld regelende instelling een voorstel voor een schuldregeling aan de schuldeisers zal doen. Als alle schuldeisers akkoord gaan, komt de schuldregeling tot stand. De invordering van de vordering wordt dan opgeschort. Indien op grond van een bijzondere afspraak, zoals bijvoorbeeld een convenant, gewerkt wordt met een kennisgeving, dan voorziet het tweede lid, onderdeel a in een voorwaardelijke opschorting.

Nadat de debiteur aan de overeengekomen verplichtingen heeft voldaan verlenen de schuldeisers finale kwijting. Voor de schulden die de debiteur jegens het college heeft, betekent dit dat op dat moment gezegd kan worden dat de schuldregeling definitief is geworden. Het college kan dan formeel overgaan tot het afzien van verdere invordering waarbij de opschorting van de betaling wordt ingetrokken.

In het derde lid is bepaald wanneer niet wordt meegewerkt aan een schuldregeling of wanneer een besluit om mee te werken aan een schuldregeling wordt ingetrokken. Intrekken van een besluit tot meewerken kan ook met terugwerkende kracht gebeuren. Op een aantal situaties wordt hieronder ingegaan.

Op grond van artikel 60c van de Wet en artikel 29a IOAW/IOAZ mag het college niet meewerken aan een schuldregeling indien een vordering is ontstaan door het opzettelijk of door grove schuld schenden van de inlichtingenplicht, en daarvoor een bestuurlijke boete is opgelegd, dan wel met betrekking tot het schenden van de inlichtingenplicht aangifte is gedaan, voor zover deze medewerking leidt tot gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van deze vordering. Dit verbod geldt ook voor bijstand verstrekt op grond van het Bbz. Er wordt niet meegewerkt aan een schuldregeling als dat op grond van een andere wettelijke regeling niet is toegestaan. Dit verbod geldt niet ten aanzien van vorderingen die zijn ontstaan uiterlijk op 31 december 2012.

Het college werkt ook niet mee aan een minnelijke schuldregeling indien de vordering is gedekt door een zakelijk recht als pand of hypotheek of wanneer de vordering het gevolg is van een eerder verstrekte geldlening vanwege vermogen in eigen woning als bedoeld in artikel 50 van de Wet. De reden daarvoor is dat er voldoende vermogen is om de vordering op termijn af te lossen.

In de gevallen dat niet wordt meegewerkt aan een minnelijke schuldregeling kan het college via een dwangakkoord toch gedwongen worden om mee te werken aan een schuldregeling tegen finale kwijting.

Artikel 15 Marginale zelfstandigen en parttime ondernemers

Marginale zelfstandigen en parttime ondernemers moeten op tijd wijzigingen in hun inkomsten doorgeven. Het college kan dan direct de hoogte van de uitkering aanpassen waarmee een (hoge) terugvordering wordt voorkomen. Als marginale zelfstandigen en parttime ondernemers toch te veel bijstand hebben ontvangen is het de eigen verantwoordelijkheid om de te veel ontvangen bijstand te reserveren voor de aflossing.

Het eerst lid, onderdeel b van deze bepaling bepaalt dat na een periode van 60 maanden aflossing de vordering komt te vervallen. Dit verschilt van de aflossingstermijn van 36 maanden voor ‘overige vorderingen’. Bij vorderingen in verband marginale zelfstandigheid en parttime ondernemingen is gekozen voor een termijn van 60 maanden omdat vorderingen die niet binnen 36 maanden kunnen worden afgelost, veelal het gevolg zijn van het niet tijdig doorgegeven van hogere inkomsten en/of het niet reserveren van de te veel ontvangen bijstand. Deze vorderingen hadden dus makkelijk voorkomen kunnen worden en daarom is het redelijk om een langere aflossingstermijn te nemen.

Artikel 16 Schending inlichtingenplicht zonder benadelingsbedrag

Op grond van artikel 18a, vierde lid van de Wet en artikel 20a, vierde lid IOAW/IOAZ kan het college bij een eerste schending van de inlichtingenplicht zonder benadelingsbedrag binnen een periode van twee jaar waarin niet eerder een waarschuwing is gegeven, volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing. In het eerste lid van dit artikel wordt aangegeven dat het college ervoor kiest in deze gevallen altijd een waarschuwing op te leggen.

Voor het bepalen van de hoogte van de boete wordt verwezen naar Schulinck Participatiewet.

Artikel 17 Afzien van terugvordering bij beëindiging uitkering op grond van het Bbz

In afwijking van artikel 2, eerste lid wordt van een ondernemer die onder de Bbz 2004 valt en stopt met zijn bedrijf, geen bijstand teruggevorderd voor zover de terugvordering het gevolg zou zijn van inkomen anders dan inkomen uit zelfstandigheid, dat ziet op de periode ná de Bbz periode. Het gaat met name om de situatie dat een zelfstandige de volledige overstap wil maken naar werken in loondienst (inkomsten uit arbeid). Op grond van de wettelijke systematiek moet bij het bepalen van het inkomen over een boekjaar rekening worden gehouden met die inkomsten uit arbeid en dat heeft gevolgen voor een eventuele terugvordering. Dat kan belemmerend werken om de overstap van zelfstandigheid naar werken in loondienst te maken, terwijl dat wel de verstandigste keuze zou zijn. Ook wanneer de zelfstandige gaat samenwonen en de Bbz-uitkering beëindigd moet worden omdat het gezamenlijke inkomen (d.w.z. inkomen zelfstandige en inkomen partner) hoger is dan de bijstandsnorm, telt het inkomen van de nieuwe partner niet mee voor het jaarinkomen. Dit geldt niet als sprake is van schending van de inlichtingenplicht, omdat de uitzonderingen alleen zien op de bevoegdheid om terug te vorderen. Bij inkomen uit of in verband met zelfstandigheid hoeft het niet enkel te gaan om dezelfde zelfstandigheid als waarvoor bijstand is toegekend.

Dit betekent dat:

  • (1)

    berekend moet worden wat de hoogte van de terugvordering is op grond van artikel 12 Bbz;

  • (2)

    berekend moet worden wat de hoogte van de terugvordering zou zijn geweest als geen rekening wordt gehouden met ander inkomen dat ziet op de periode na beëindiging van de bijstand; en

  • (3)

    van terugvordering wordt afgezien voor zover de hoogte van de terugvordering onder (1) hoger is dan de hoogte van de terugvordering onder (2).

Artikel 18 Leenbijstand voor levensonderhoud

Een uitzondering op artikel 12 vormt de terugvordering van leenbijstand voor levensonderhoud aan zelfstandigen. Te veel verstrekte leenbijstand wordt in dit geval meteen teruggevorderd. Aangezien deze leenbijstand tevens wordt ingezet voor investeringen in het bedrijf omdat dit veelal de enige mogelijkheid is om het hoofd boven water te houden in de moeilijke beginjaren, is het redelijk dat gedurende een beperkte periode wordt teruggevorderd.

Artikel 19 Terugvordering verstrekt bedrijfskapitaal

In artikel 40 van het Bbz, dat met ingang van 1 januari 2020 is komen te vervallen, was vastgelegd dat als de zelfstandige ook na een tweede aanmaning niet aan zijn rente en aflossingsverplichtingen voldoet, het geleende bedrag wordt teruggevorderd. Deze regel kan nog steeds toegepast worden en is in dit artikel vastgelegd.

Artikel 20 Verwijtbare bedrijfsbeëindiging

In artikel 43, tweede lid van het Bbz is vastgelegd dat de Bbz-lening renteloos kan worden gemaakt, mits de bedrijfsbeëindiging niet verwijtbaar is en de zelfstandige heeft voldaan aan de verplichting om de lening zo volledig mogelijk terug te betalen. Als er sprake is van verwijtbaarheid kan het college hiervan afwijken. In dit artikel is vastgelegd hoe wordt omgegaan met bedrijfsbeëindigingen die wel verwijtbaar zijn.

Artikel 21 Dringende redenen

Het gaat hier om artikel 58, achtste lid van de Wet. Het is aan de persoon om wie het gaat om feiten en omstandigheden aan te voeren die maken dat – volgens deze persoon – sprake is van een dringende reden. Hetgeen door de inwoner wordt aangevoerd zal daarbij ruim moeten worden uitgelegd. Het is vervolgens aan het college om daar zo nodig nader onderzoek naar te doen. De dringende reden is een open norm waarbinnen het college, tegenover het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald, de relevante feiten en omstandigheden zodanig moet afwegen dat die afweging een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zal kunnen doorstaan. Daarbij kan met name worden gedacht aan het rechtszekerheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel, het (materiële) zorgvuldigheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel. Wat onder omstandigheden als dringende reden moet worden beschouwd wordt uitgewerkt in de jurisprudentie. In dat kader wordt in ieder geval verwezen naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 18 april 2024 (ECLI:NL:CRVB:2024:726). Zie ook de algemene toelichting met betrekking tot het evenredigheidsbeginsel.

Artikel 22 Overgangsbepalingen

Nadat de beleidsregels Terugvordering SOZAWE 2011 van de gemeenten Groningen en Ten Boer zijn komen te vervallen, blijven die beleidsregels als gevolg van deze overgangsbepaling nog in bepaalde gevallen van toepassing op vorderingen die zijn ontstaan voor 1 januari 2013. In de beleidsregels van 2011 wordt gesproken over fraudevorderingen. Het gaat dan om vorderingen die het gevolg zijn van schending van de inlichtingenplicht. De term fraudevordering is in onderhavige beleidsregels vervangen door de term vordering inlichtingenplicht.