Permanente link
Naar de actuele versie van de regeling
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR759319
Naar de door u bekeken versie
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR759319/1
Beleidsregels sociaal-medische indicatie (SMI) kinderopvang Best 2026
Geldend van 25-03-2026 t/m heden
Intitulé
Beleidsregels sociaal-medische indicatie (SMI) kinderopvang Best 2026Het college van de gemeente Best;
gelet op artikel 35 van de Participatiewet en artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht;
overwegende dat:
- •
het college op grond van artikel 35 van de Participatiewet bevoegd is bijzondere bijstand te verlenen voor noodzakelijke kosten die voortvloeien uit bijzondere individuele omstandigheden;
- •
aanvragen voor een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang op sociaal-medische indicatie maatwerk vergen en dat het wenselijk is om hiervoor beleidsregels vast te stellen;
- •
overwegende dat deze beleidsregels zijn bedoeld om ouder(s)/verzorger(s) die zich in moeilijke sociaal-medische omstandigheden bevinden tijdelijk te ondersteunen, met als doel het waarborgen van een veilige en gezonde ontwikkeling van het kind en het bevorderen van herstel en draagkracht van het gezin;
B E S L U I T:
vast te stellen de volgende Beleidsregels sociaal-medische indicatie (SMI) kinderopvang Best 2026:
Artikel 1. Begripsbepalingen
In deze beleidsregels worden dezelfde begrippen gehanteerd als in de Wet kinderopvang. Daarnaast wordt verstaan onder:
- a.
Ouder/verzorger: de ouder of verzorger van een kind dat woonachtig is in de gemeente Best, zoals blijkt uit de inschrijving in de Basisregistratie Personen. Indien van toepassing kan dit ook betrekking hebben op beide ouders of verzorgers gezamenlijk. Waar in deze beleidsregels wordt gesproken over ouder/verzorger, wordt – voor zover van toepassing – ook het meervoud daaronder begrepen [ouder(s)/verzorger(s)].
- b.
Kind: een kind in de leeftijd van 0 tot en met 12 jaar.
- c.
Kinderdagopvang: opvang voor kinderen van 0 tot 4 jaar, of tot het moment waarop het kind instroomt in de basisschool.
- d.
Buitenschoolse opvang (BSO): opvang voor kinderen van 4 tot en met 12 jaar, aansluitend op schooltijden of tijdens schoolvrije dagen.
- e.
College: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Best.
- f.
Sociaal-medische indicatie (SMI): een indicatie waarbij kinderopvang tijdelijk noodzakelijk is vanwege medische of sociale omstandigheden die de ouder/verzorger en/of het kind betreffen, zolang geen passende en toereikende voorliggende voorziening beschikbaar is.
- g.
Voorliggende voorziening: een andere wettelijke of informele voorziening die, gelet op aard, inhoud en doel, passend en toereikend is voor de ondersteuningsbehoefte en die voorgaat op een tegemoetkoming op grond van deze beleidsregels, zoals bedoeld in artikel 5.
- h.
Kinderopvangtoeslag: de tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang die wordt verstrekt door de Belastingdienst/Toeslagen, zoals bedoeld in de Wet kinderopvang.
- i.
Participatiewet: de Participatiewet, waaronder in deze beleidsregels mede wordt verstaan de bepalingen over bijzondere bijstand als bedoeld in artikel 35 van die wet.
- j.
Onafhankelijke deskundige / professional: de deskundige die door het college wordt geraadpleegd voor het opstellen van een sociaal-medisch advies als bedoeld in artikel 7, derde lid.
- k.
Onafhankelijke sociaal-medische adviesinstantie: de onafhankelijke deskundige organisatie op het gebied van sociaal-medisch advies die door het college is aangewezen of gecontracteerd voor het opstellen van een onafhankelijk sociaal-medisch advies, zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, en artikel 7, eerste lid.
- l.
BSO dag: een dag waarop buitenschoolse opvang wordt afgenomen, zoals voorschoolse opvang, naschoolse opvang of een gehele dag tijdens schoolvrije dagen.
Artikel 2. Doelgroep en voorwaarden voor aanspraak
-
1. De beleidsregels gelden voor ouder/verzorger zoals bedoeld in artikel 1, onder a. Daarnaast geldt dat de tegemoetkoming uitsluitend kan worden verstrekt voor kinderopvang per kind dat op de datum van aanvraag:
- a.
een leeftijd heeft van 0 tot en met 12 jaar; en
- b.
gebruik maakt van kinderopvang passend bij zijn of haar leeftijd, en uitsluitend voor kinderen van maximaal 12 jaar:
- •
Kinderdagopvang (KDV): voor kinderen van 0 tot 4 jaar, of tot het moment waarop het kind instroomt in de basisschool.
- •
Buitenschoolse opvang (BSO): voor kinderen van 4 tot en met 12 jaar.
- •
- a.
-
2. Daarnaast kan het college een sociaal-medische indicatie overwegen indien de ouder/verzorger voldoet aan ten minste één van de volgende voorwaarden:
- a.
De ouder/verzorger heeft één van de volgende beperkingen, of een combinatie daarvan: een lichamelijke, zintuiglijke, verstandelijke of psychische beperking. In het geval van een psychische beperking dient deze vastgesteld te zijn door een psychiater, psycholoog of andere erkende zorgverlener. Dit geldt zowel bij een definitieve diagnose als wanneer de ouder/verzorger zich in het diagnostische proces bevindt, mits de noodzaak voor kinderopvang is aangetoond.
- b.
De ouder/verzorger heeft een kind ten aanzien van wie is vastgesteld, zoals beschreven in artikel 6, dat kinderopvang noodzakelijk is voor het belang van een goede en gezonde ontwikkeling van dat kind.
- a.
Artikel 3. Aanvraagprocedure
-
1. Een aanvraag voor een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang op grond van een sociaal-medische indicatie (SMI) kan zowel op initiatief van een ouder/verzorger als op advies van een professional worden gestart. De aanvraag wordt geacht te zijn gestart op de datum waarop het aanvraagformulier én de noodzakelijkheidsverklaring door de gemeente zijn ontvangen (aanvraagstartdatum).
-
2. Wanneer een ouder/verzorger zelf contact opneemt met de gemeente met een verzoek om ondersteuning in verband met sociaal-medische kinderopvang, wordt deze doorverwezen naar het Team Werk en Inkomen van de gemeente Best.
-
3. De medewerker van het Team Werk en Inkomen voert een eerste, niet inhoudelijke en oriënterende verkenning uit om na te gaan of het verzoek op het eerste gezicht passend lijkt binnen de regeling voor een sociaal medische indicatie (SMI). Deze verkenning heeft geen juridische gevolgen en is uitsluitend bedoeld om de ouder/verzorger te informeren over de geschiktheid van de regeling, en om te voorkomen dat een formele aanvraag wordt ingediend in situaties waarin SMI duidelijk niet aan de orde is.
-
4. Indien wordt vastgesteld dat een aanvraag mogelijk passend is, ontvangt de ouder/verzorger:
- a.
een aanvraagformulier, en
- b.
een noodzakelijkheidsverklaring, die ingevuld en ondertekend moet worden door een daartoe bevoegde professional, zoals genoemd in artikel 7 lid 2, welke de sociaal-medische noodzaak onderbouwt.
- a.
-
5. De ouder/verzorger vult het aanvraagformulier in en voegt de ondertekende noodzakelijkheidsverklaring toe. De professional ondersteunt de ouder/verzorger indien nodig bij het verzamelen van de benodigde documenten en dient de aanvraag namens de ouder/verzorger in bij het college.
-
6. De aanvraag bevat in ieder geval:
- a.
gegevens van de ouder/verzorger en diens eventuele partner;
- b.
gegevens van het kind of de kinderen waarop de aanvraag betrekking heeft;
- c.
bewijsstukken van het geschatte bruto verzamelinkomen van de ouder/verzorger en diens eventuele partner, zoals een loonstrook of uitkeringsspecificatie, ten behoeve van de beoordeling van een eventuele inkomensafhankelijke eigen bijdrage zoals bedoeld in artikel 9;
- d.
een toelichting op de sociaal-medische omstandigheden;
- e.
de ingevulde en ondertekende noodzakelijkheidsverklaring zoals bedoeld in lid 4;
- f.
informatie over het aantal noodzakelijke opvanguren en het type opvang;
- g.
overige gegevens die strikt noodzakelijk zijn voor een zorgvuldige beoordeling van de aanvraag.
- a.
-
7. Het college kan, aanvullend op de noodzakelijkheidsverklaring, een onafhankelijk deskundige raadplegen voor de beoordeling van de sociaal-medische noodzaak.
-
8. Indien de aanvraag onvolledig is, informeert het college de aanmeldende professional en/of de ouder/verzorger, zodat ontbrekende gegevens kunnen worden aangevuld.
-
9. De beslistermijn als bedoeld in de Algemene wet bestuursrecht gaat in op het moment dat de volledige aanvraag is ontvangen.
-
10. Aan het einde van de SMI-periode levert de ouder/verzorger de documenten aan die nodig zijn voor de definitieve vaststelling van de tegemoetkoming, zoals bedoeld in artikel 11.
Artikel 4. Ingangsdatum
-
1. De tegemoetkoming wordt verstrekt vanaf de datum waarop de volledige aanvraag is ontvangen, mits de kinderopvang daadwerkelijk is gestart en kosten worden gemaakt.
-
2. Indien de ouder/verzorger door aantoonbare omstandigheden de aanvraag niet tijdig kon completeren, kan het college de ingangsdatum bepalen op of na de aanvraagstartdatum zoals bedoeld in artikel 3, eerste lid.
-
3. Terugwerkende kracht tot vóór de aanvraagstartdatum is niet mogelijk.
Artikel 5. Redenen voor afwijzing
-
1. Een aanvraag voor tegemoetkoming wordt afgewezen indien:
- a.
het kind al vóór de aanvraagdatum gebruik maakt van de nodige kinderopvang en de ouder/verzorger dit aantoonbaar op eigen kracht en zonder risico op overbelasting of terugval kan voortzetten. In dat geval is geen sprake van een noodzakelijke sociaal medische indicatie;
- b.
de ouder/verzorger aanspraak kan maken op een voorliggende voorziening die naar aard en omvang als passend en toereikend wordt beschouwd voor de gesignaleerde ondersteuningsbehoefte. De voorliggende voorziening moet in staat zijn om de noodzakelijke ondersteuning te bieden;
- c.
de gevraagde opvang het doel of de maximale omvang van een sociaal medische indicatie overstijgt, zoals bedoeld in artikel 14, en de noodzaak voor een ruimere omvang niet aantoonbaar is;
- d.
geen sociaal medische noodzaak kan worden vastgesteld op basis van de aangeleverde noodzakelijkheidsverklaring en/of het onafhankelijk advies.
- a.
-
2. Tot de voorliggende voorzieningen wordt in ieder geval gerekend:
- a.
kinderopvangtoeslag op grond van het Besluit Kinderopvangtoeslag;
- b.
een voorziening op grond van de Wet Kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen;
- c.
een peuterarrangement of VVE-programma (Vroeg- en Voorschoolse Educatie);
- d.
een voorziening op grond van de Wet langdurige zorg;
- e.
een voorziening op grond van de Jeugdwet, zoals een medisch kinderdagverblijf;
- f.
een voorziening op grond van de Zorgverzekeringswet
- g.
een voorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning;
- h.
een bijdrage van de werkgever;
- i.
een adequate (opvang)voorziening in niet-professionele zin (eigen netwerk, eigen kracht initiatieven, zorgverlof, etc.).
- a.
-
3. Indien een bestaande voorziening niet voldoende passend of toereikend wordt geacht in aard of omvang, kan een tegemoetkoming op grond van sociaal-medische indicatie aanvullend worden toegekend. In dat geval fungeert de SMI-regeling als een aanvulling op bestaande voorzieningen, ter voorkoming van overbelasting, terugval of verergering van de situatie. Het college maakt hierbij een individuele afweging, mede op basis van:
- a.
de aard en ernst van de problematiek; en
- b.
de draagkracht van het gezin; en
- c.
de mate waarin de bestaande voorziening daadwerkelijk ondersteuning biedt; en
- d.
en de noodzaak tot aanvullende tijdelijke ontlasting via kinderopvang.
Indien aanvullende opvang niet aantoonbaar noodzakelijk of proportioneel is, wordt de aanvraag (gedeeltelijk) afgewezen.
- a.
-
4. Bij het niet naleven van de inspanningsverplichting zoals bedoeld in artikel 15 kan het college de tegemoetkoming weigeren of beëindigen.
In gevallen waarin het niet naleven van de inspanningsverplichting samenhangt met aantoonbare medische of sociale omstandigheden, betrekt het college deze omstandigheden bij de beoordeling van proportionaliteit en redelijkheid.
Artikel 6. Vaststelling van de sociaal-medische indicatie
-
1. Het college stelt vast of er sprake is van een sociaal-medische indicatie bij de ouder/verzorger of het kind. Dit gebeurt op basis van:
- a.
een lichamelijke, zintuiglijke, verstandelijke of psychische beperking bij de ouder/verzorger, waardoor kinderopvang tijdelijk noodzakelijk is; of
- b.
omstandigheden bij het kind die het noodzakelijk maken dat het gebruik maakt van kinderopvang, in het belang van diens veilige en gezonde ontwikkeling.
Voor deze beoordeling kan het college een onafhankelijk sociaal-medisch advies opvragen bij de onafhankelijke sociaal-medisch adviesinstantie. Indien het college dit niet noodzakelijk acht, kan worden volstaan met een gemotiveerd schriftelijk advies van een professional zoals bedoeld in artikel 7, derde lid, indien dit advies naar aard, inhoud en onderbouwing voldoende is voor een objectieve beoordeling van de noodzaak.
- a.
-
2. Het college vraagt geen sociaal medisch advies op bij de onafhankelijke sociaal medisch adviesinstantie wanneer op basis van een gemotiveerd en schriftelijk advies van een deskundige als bedoeld in artikel 7, derde lid, voldoende objectief is aangetoond dat kinderopvang noodzakelijk is.
-
3. Indien sprake is van een passende en toereikende voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 5, beëindigt het college de beoordeling en wordt de aanvraag afgewezen op grond van artikel 5. In dat geval wordt géén sociaal medisch advies aangevraagd.
-
4. Het sociaal-medisch advies van de onafhankelijke sociaal-medisch adviesinstantie heeft een zwaarwegend karakter bij de beoordeling van de aanvraag. Het college kan hiervan gemotiveerd afwijken indien daartoe zwaarwegende redenen bestaan, waarbij de persoonlijke omstandigheden van de ouder/verzorger of het kind worden betrokken.
-
5. Het college kan gedurende de periode waarin de tegemoetkoming geldt een herindicatie uitvoeren wanneer daar aanleiding voor is, bijvoorbeeld bij gewijzigde omstandigheden of signalen dat de noodzaak voor kinderopvang is veranderd. Een herindicatie kan uitsluitend leiden tot aanpassing, voortzetting of beëindiging van de lopende indicatieperiode. Een herindicatie leidt niet tot een verlenging van de totale maximale duur zoals bedoeld in artikel 12. Voor verlenging geldt uitsluitend de procedure beschreven in artikel 12. Een herindicatie vormt geen nieuwe aanvraag en kan daarom geen nieuwe maximale duur starten.
Artikel 7. Sociaal-medisch advies en onafhankelijke deskundigen
-
1. Indien het college een onafhankelijk sociaal-medisch advies nodig acht, wordt dit advies opgesteld door de onafhankelijke sociaal-medisch adviesinstantie. Daarnaast kunnen de in het derde lid genoemde deskundigen een gemotiveerd schriftelijk advies afgeven over de sociaal-medische omstandigheden, waarbij het college beoordeelt of dit advies naar aard en onderbouwing voldoende objectief is om af te zien van een onafhankelijk advies.
-
2. Het sociaal-medisch advies bevat in ieder geval:
- a.
de redenen voor de noodzaak voor kinderopvang;
- b.
de omvang van de kinderopvang die noodzakelijk is;
- c.
de duur van de kinderopvang die noodzakelijk is.
- a.
-
3. De volgende adviseurs worden in ieder geval aangemerkt als deskundigen die via een schriftelijk advies een indicatie kunnen geven over de sociaal-medische problematiek waardoor kinderopvang noodzakelijk is:
- a.
een verpleegkundige of arts van de GGD;
- b.
een Regisseur Jeugd;
- c.
een medisch specialist, zoals een (ortho)pedagoog, psycholoog of psychiater.
In het geval van een medisch specialist als bedoeld onder c., vindt voorafgaand aan het afgeven van het advies altijd afstemming plaats met de Regisseur Jeugd. Deze afstemming dient om te waarborgen dat het advies aansluit op de criteria van de SMI-regeling en voldoende informatie bevat voor een objectieve beoordeling. De noodzakelijkheidsverklaring, bedoeld in artikel 3, lid 4, onder b, wordt in dat geval door tussenkomst van de Regisseur Jeugd beschikbaar gesteld aan de medisch specialist. De medisch specialist kan vervolgens de verklaring invullen en ondertekenen, waarna deze samen met het aanvraagformulier wordt ingediend.
- a.
Artikel 8. Wijze van afhandeling
-
1. Na aanmelding door een professional zoals bedoeld in artikel 3, start het college de procedure tot het indienen van een aanvraag. De aanvraag wordt pas inhoudelijk in behandeling genomen nadat het volledige aanvraagformulier en de noodzakelijkheidsverklaring zijn ontvangen.
-
2. Indien niet alle benodigde bewijsstukken zijn ingeleverd, stelt het college de ouder/verzorger in de gelegenheid de aanvraag aan te vullen overeenkomstig artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht. Het college stelt hiervoor een redelijke termijn van ten minste vier weken.
-
3. Indien de ouder/verzorger de gevraagde stukken niet binnen de gestelde termijn aanlevert en de aanvraag daardoor onvolledig blijft, kan het college besluiten de aanvraag niet in behandeling te nemen, als bedoeld in artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht.
-
4. Indien de ingediende stukken onvoldoende duidelijkheid bieden over de noodzaak van kinderopvang, kan het college een schriftelijk advies aanvragen bij de onafhankelijke sociaal-medisch adviesinstantie of een andere deskundige zoals bedoeld in artikel 7, derde lid. Na ontvangst van dit advies neemt het college een besluit op de aanvraag.
-
5. Na afloop van de SMI-periode volgt binnen acht weken een administratieve controle ten behoeve van de definitieve vaststelling van de tegemoetkoming. De ouder/verzorger levert hiervoor de facturen en inkomensbewijzen over de gehele SMI periode aan, zoals bedoeld in artikel 11.
Artikel 9. Eigen bijdrage
-
1. De ouder/verzorger betaalt een inkomensafhankelijke eigen bijdrage, overeenkomstig de kinderopvangtoeslagtabel (KOT tabel) zoals vastgesteld door de Belastingdienst. Het college past deze systematiek toe op basis van het door de ouder/verzorger overgelegde inkomen, zoals bedoeld in artikel 3, zesde lid.
-
2. Indien de ouder/verzorger naar het oordeel van het college redelijkerwijs niet in staat is de eigen bijdrage te voldoen, kan het college besluiten (een deel van) deze eigen bijdrage kwijt te schelden of te verlagen. Dit kan onder meer in situaties waarin:
- a.
sprake is van een minnelijke of wettelijke schuldregeling;
- b.
sprake is van hoge onvoorziene zorgkosten of andere uitzonderlijke financiële omstandigheden;
- c.
het vragen van een eigen bijdrage leidt tot onevenredige financiële belasting van het gezin.
Deze opsomming is niet limitatief; het college maakt altijd een individuele afweging.
- a.
-
3. Het college bepaalt de hoogte van de gemeentelijke bijdrage zodanig dat de totale vergoeding (gemeente en Belastingdienst gezamenlijk) maximaal 100% van het wettelijk maximumuurtarief bedraagt, voor het aantal uren dat op grond van de SMI indicatie is toegekend.
-
4. Indien de ouder/verzorger geen aanspraak kan maken op kinderopvangtoeslag, wordt de gemeentelijke bijdrage vastgesteld alsof deze toeslag wel zou gelden, waarbij de KOT tabel als rekenmethodiek wordt toegepast. Dit betreft uitsluitend de berekeningswijze van de gemeentelijke bijdrage en leidt niet tot een recht op kinderopvangtoeslag.
Artikel 10. Hoogte van het voorschot op de tegemoetkoming
-
1. Nadat het college een toekennend besluit heeft genomen, dient de ouder/verzorger de volgende gegevens aan te leveren ten behoeve van de berekening van het voorschot op de tegemoetkoming:
- a.
een kopie van de offerte of overeenkomst van de kinderopvangorganisatie, inclusief het LRK-nummer;
- b.
bewijsstukken waaruit het actuele bruto maandinkomen blijkt van de ouder/verzorger en diens eventuele partner, zoals recente loonstroken of uitkeringsspecificaties;
- c.
gegevens waaruit blijkt op welk bankrekeningnummer het voorschot kan worden uitbetaald.
- a.
-
2. Voor het vaststellen van de hoogte van het voorschot maakt het college gebruik van de systematiek van de kinderopvangtoeslag zoals gehanteerd door de Belastingdienst. Dit betekent dat jaarlijks een wettelijk maximumuurtarief wordt vastgesteld. Indien het uurtarief van de opvanglocatie hoger is dan dit maximum, komt het meerdere voor rekening van de ouder/verzorger. Dit betreft een landelijk vastgesteld maximum, waaraan de gemeente is gebonden.
-
3. Met de gemeentelijke bijdrage worden de kosten van kinderopvang – naast een eventuele kinderopvangtoeslag – vergoed tot maximaal 100% van het door de Belastingdienst vastgestelde wettelijk maximumuurtarief, voor het aantal uren dat op grond van de SMI indicatie is toegekend.
-
4. Indien het uurtarief van de kinderopvangorganisatie lager is dan het wettelijk maximumuurtarief, wordt uitgegaan van het werkelijke lagere uurtarief.
-
5. Het college baseert de hoogte van het voorschot op de kinderopvangtoeslagtabel (KOT-tabel) van de Belastingdienst, waarbij:
- a.
het aantal toegekende opvanguren wordt vermenigvuldigd met het (maximum dan wel lagere) uurtarief; en
- b.
het toepasselijke percentage wordt vastgesteld op basis van het geschatte bruto verzamelinkomen gedurende de SMI-periode, zoals door de ouder/verzorger aangeleverd.
- a.
-
6. Op basis hiervan wordt het voorschot inkomensafhankelijk vastgesteld, overeenkomstig de systematiek van de kinderopvangtoeslag, waarbij het inkomen tijdens de SMI-periode bepalend is voor de berekening van het voorschot.
-
7. De tegemoetkoming wordt bij wijze van voorschot maandelijks uitbetaald.
-
8. Het voorschot kan worden uitbetaald aan de ouder/verzorger of rechtstreeks aan de kinderopvangorganisatie, na instemming van de ouder/verzorger.
-
9. Na ontvangst van de onder lid 1 genoemde documenten, ontvangt de ouder/verzorger een beschikking waarin in ieder geval is opgenomen:
- a.
de hoogte en wijze van betaling van het voorschot op de gemeentelijke bijdrage, vastgesteld op basis van de systematiek zoals genoemd in dit artikel;
- b.
de duur van de toegekende tegemoetkomingsperiode;
- c.
de verplichting om wijzigingen in inkomen binnen twee weken door te geven, waarbij het inkomen steeds wordt vastgesteld op basis van de meest recente beschikbare inkomensbewijzen, omdat het voorschot inkomensafhankelijk wordt vastgesteld en bijstelling nodig kan zijn op basis van de meest recente inkomensbewijzen;
- d.
de mogelijkheid tot het maken van bezwaar.
- a.
Artikel 11. Definitieve vaststelling van de tegemoetkoming
-
1. Na afloop van de periode waarvoor de tegemoetkoming is toegekend, stelt het college de definitieve tegemoetkoming vast op basis van:
- a.
de daadwerkelijk gemaakte kosten voor kinderopvang, aangetoond met facturen van de kinderopvangorganisatie over de SMI-periode;
- b.
het gemiddeld daadwerkelijk genoten bruto maandinkomen over de gehele SMI periode, aangetoond met loonstroken, uitkeringsspecificaties of andere documenten waaruit het bruto maandinkomen per maand blijkt. Indien voor (een deel van) de SMI-periode een jaaropgave beschikbaar is, kan deze worden gebruikt, maar een jaaropgave is niet verplicht.
- a.
-
2. De Belastingdienstsystematiek voor definitieve inkomensvaststelling (zoals via het IB60-formulier) wordt niet toegepast. Het college bepaalt het percentage van de gemeentelijke bijdrage op basis van de kinderopvangtoeslagtabel (KOT-tabel) dat hoort bij het daadwerkelijk genoten inkomen gedurende de SMI-periode.
-
3. De definitieve vaststelling vindt plaats binnen acht weken na ontvangst van alle benodigde documenten.
-
4. Indien het definitieve bedrag afwijkt van het verstrekte voorschot:
- a.
wordt het verschil bijbetaald indien het voorschot te laag was;
- b.
wordt het verschil teruggevorderd indien het voorschot te hoog was.
- a.
-
5. Indien de ouder/verzorger de gevraagde documenten niet aanlevert en de definitieve vaststelling daardoor niet mogelijk is, kan het college besluiten om de tegemoetkoming ambtshalve op nihil vast te stellen en het gehele verstrekte voorschot terug te vorderen. Het college verzoekt de ouder/verzorger voorafgaand daaraan nog eenmaal om de ontbrekende stukken aan te leveren.
-
6. Het college ziet af van terugvordering van bedragen kleiner dan € 100,- omdat de kosten van terugvorderen hoger zijn dan het bedrag zelf.
Artikel 12. Geldigheidsduur en verlenging van de indicatie
-
1. De indicatie op grond van sociaal-medische redenen wordt in eerste instantie toegekend voor een periode van maximaal 9 maanden.
-
2. Wanneer aan het einde van deze periode blijkt dat de noodzaak voor kinderopvang nog steeds aanwezig is, kan de indicatie éénmalig worden verlengd met maximaal 9 maanden.
-
3. Een verlenging wordt alleen toegekend als uit een gemotiveerde onderbouwing van een betrokken professional blijkt dat de omstandigheden die aanleiding gaven tot de sociaal-medische indicatie nog niet wezenlijk zijn verbeterd en voortzetting van de kinderopvang noodzakelijk blijft. Deze onderbouwing dient aan te sluiten op de criteria genoemd in artikel 6 en moet aantonen dat tijdelijke ontlasting via kinderopvang nog steeds noodzakelijk is.
-
4. De ouder/verzorger dient een aanvraag tot verlenging minimaal vier weken vóór de einddatum van de lopende indicatie in. Bij te late indiening kan het college de continuïteit van de opvang niet garanderen.
-
5. Het college beoordeelt de aanvraag op basis van de actuele situatie en de bijbehorende onderbouwing, en kan hierbij zo nodig een herbeoordeling laten uitvoeren of advies vragen aan een deskundige.
-
6. De totale duur van de indicatie, inclusief verlenging, bedraagt maximaal 18 maanden.
-
7. De tegemoetkoming op grond van sociaal-medische indicatie is een tijdelijke voorziening. Wanneer blijkt dat langdurige ondersteuning nodig is, kan het college de ouder/verzorger doorverwijzen naar een meer passende voorziening, zoals op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo), de Jeugdwet of andere wettelijke regelingen die langdurige zorg bieden.
-
8. Herindicatie zoals bedoeld in artikel 6, vijfde lid, heeft geen invloed op de maximale duur van de indicatie zoals genoemd in dit artikel en kan niet worden gebruikt als vervanging van een verlengingsverzoek. Herindicatie vindt uitsluitend plaats tijdens de lopende periode en kan leiden tot aanpassing of beëindiging van de reeds toegekende periode, maar niet tot verlenging daarvan.
Artikel 13. Beperking duur tegemoetkoming
-
1. Het college kan de toegekende tegemoetkoming geheel of gedeeltelijk beëindigen of intrekken wanneer zich omstandigheden voordoen die het recht op de tegemoetkoming doen vervallen. Dit is in ieder geval het geval wanneer:
- a.
de ouder/verzorger geen of in onvoldoende mate gebruikmaakt van de toegekende kinderopvang;
- b.
de ouder/verzorger en/of het kind niet langer woonachtig is in de gemeente Best;
- c.
de ouder/verzorger aanspraak kan maken op een voorliggende voorziening zoals bedoeld in artikel 5;
- d.
de sociaal-medische indicatie komt te vervallen;
- e.
andere omstandigheden zich voordoen waardoor redelijkerwijs geen noodzaak meer bestaat voor de toegekende opvang.
- f.
de ouder/verzorger niet voldoet aan de verplichtingen die aan de tegemoetkoming zijn verbonden op grond van deze beleidsregels.
- a.
-
2. De beëindiging of intrekking vindt plaats met ingang van een door het college vast te stellen datum, waarbij het college rekening houdt met de redelijkheid en de belangen van het kind en de ouder/verzorger. Voor zover mogelijk houdt het college hierbij rekening met de gebruikelijke opzegtermijn van de kinderopvangorganisatie.
-
3. De bevoegdheid tot beëindiging of intrekking op grond van dit artikel staat los van de bevoegdheid van het college om de tegemoetkoming te wijzigen of in te trekken op grond van schending van de inlichtingenplicht zoals bedoeld in artikel 16.
Artikel 14. Omvang van de kinderopvang
-
1. Voor kinderdagopvang (KDV) kan maximaal 2 dagen per week worden toegekend. Dit komt neer op maximaal 4 dagdelen, verdeeld over dezelfde 2 dagen.
-
2. Voor buitenschoolse opvang (BSO) kan maximaal 2 dagen per week worden toegekend. Dit maximum geldt zowel voor opvang tijdens schoolweken (naschoolse opvang) als tijdens vakantieweken (hele dagen).
-
3. Wanneer zowel KDV als BSO noodzakelijk is, kunnen deze naast elkaar worden toegekend, zolang per opvangvorm binnen de bovengenoemde maxima wordt gebleven.
Artikel 15. Inspanningsverplichting
-
1. De ouder/verzorger doet al het mogelijke om de periode waarin noodzakelijke kinderopvang moet worden afgenomen, zo kort mogelijk te laten zijn, voor zover dit passend en verantwoord is gezien de sociaal medische situatie.
-
2. De ouder/verzorger doet al het mogelijke om het aantal uren waarop noodzakelijke kinderopvang moet worden afgenomen, zo kort mogelijk te laten zijn, voor zover dit binnen de grenzen van de noodzakelijke ondersteuning mogelijk is.
-
3. De ouder/verzorger verleent medewerking aan de ondersteuning of de geadviseerde ondersteuningsrichting van de Regisseur Jeugd (indien betrokken) en/of andere cliëntondersteuning gedurende de duur van de indicatie, om de duur van de noodzakelijke kinderopvang zo kort mogelijk te laten zijn.
-
4. Wanneer de sociaal medische indicatie onderdeel uitmaakt van een breder plan van aanpak dat is opgesteld door of onder verantwoordelijkheid van een behandelaar of hulpverlener, wordt van de ouder/verzorger verwacht dat hij of zij actief meewerkt aan de uitvoering van dit plan.
Indien de ouder/verzorger onvoldoende meewerkt aan dit plan van aanpak of aan de afgesproken behandeling of begeleiding, kan het college besluiten dat de noodzaak voor de sociaal medische kinderopvang niet langer aanwezig is en de tegemoetkoming beëindigen of intrekken. Het college maakt hierbij altijd een individuele afweging, mede op basis van artikel 6.
De inspanningsverplichting als bedoeld in dit artikel is uitsluitend gericht op herstel, stabilisatie en het verkorten van de sociaal-medische noodsituatie en vormt geen tegenprestatie of arbeidsverplichting.
Artikel 16. Inlichtingenplicht
-
1. De ouder/verzorger is verplicht om binnen twee weken schriftelijk (bijvoorbeeld per e mail) melding te maken van alle wijzigingen die van invloed kunnen zijn op het recht op, de hoogte of de duur van de tegemoetkoming. Dit betreft onder meer wijzigingen in:
- a.
inkomen (zoals bedoeld in artikel 9 en 10);
- b.
gezinssituatie (zoals het ontstaan of beëindigen van een partnerschap);
- c.
gebruik of omvang van kinderopvang;
- d.
sociaal-medische omstandigheden; en
- e.
het verkrijgen van een voorliggende voorziening.
- a.
-
2. Op verzoek van het college verstrekt de ouder/verzorger, binnen een redelijke termijn, alle informatie en bewijsstukken die nodig zijn voor de beoordeling of aanpassing van de tegemoetkoming. Dit geldt ook voor gegevens van een eventuele partner, voor zover deze gegevens noodzakelijk zijn voor de berekening van de hoogte van de gemeentelijke bijdrage.
-
3. Indien de ouder/verzorger de inlichtingenplicht niet nakomt, kan het college het toekennings- of vaststellingsbesluit geheel of gedeeltelijk wijzigen, opschorten, of intrekken, en het te veel ontvangen bedrag terugvorderen. Deze wijzigings- of intrekkingsbevoegdheid staat los van de beëindigingsgronden zoals bedoeld in artikel 13.
Artikel 17. Hardheidsclausule
Het college kan uitsluitend in individuele gevallen ten gunste van de aanvrager afwijken van de bepalingen van deze regels, als de toepassing hiervan leidt tot bijzonder onredelijke gevolgen. Van een dergelijke afwijking wordt slechts gebruikgemaakt indien en voor zover de onredelijkheid voldoende is aangetoond. Het besluit tot afwijking wordt deugdelijk gemotiveerd, onder verwijzing naar de bijzondere omstandigheden die de afwijking rechtvaardigen.
Artikel 18. Overgangsbepaling
-
1. Voor aanvragen die zijn ingediend vóór de datum van inwerkingtreding van deze beleidsregels, blijft de Beleidsregel tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang op grond van sociaal-medische indicatie 2019 van toepassing, totdat op de aanvraag is beslist.
-
2. Voor de ouder/verzorger die op de datum van inwerkingtreding van deze beleidsregels een lopende indicatie of tegemoetkoming heeft op basis van de beleidsregels van 2019, blijven die regels van toepassing gedurende de looptijd van de toegekende periode, inclusief de regels omtrent de berekening van de tegemoetkoming.
-
3. Indien een verlenging wordt aangevraagd na de inwerkingtreding van deze beleidsregels, wordt deze beoordeeld op basis van de nieuwe beleidsregels, tenzij dit voor de ouder/verzorger tot onredelijke nadelige gevolgen zou leiden. In dat geval kan het college gebruik maken van de hardheidsclausule zoals opgenomen in artikel 17.
Artikel 19. Inwerkingtreding en intrekking vorige beleidsregels
-
1. Deze beleidsregels treden in werking op de dag na publicatie.
-
2. De ‘Beleidsregels tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang op grond van sociaal-medische indicatie 2019’ worden gelijktijdig ingetrokken, voor zover deze betrekking hebben op aanvragen of perioden vanaf de inwerkingtreding van deze beleidsregels
Artikel 20. Citeertitel
Deze beleidsregels kunnen worden aangehaald als “Beleidsregels sociaal-medische indicatie (SMI) kinderopvang Best 2026”.
Ondertekening
Aldus vastgesteld in de vergadering van het college van 10 maart 2026.
M.J.D. Donders- de Leest
Burgemeester
Y.Y.M. Hasselman
Secretaris
Toelichting Beleidsregels sociaal medische indicatie (SMI) kinderopvang Best 2026
Algemene toelichting
De regeling sociaal-medische indicatie (SMI) kinderopvang biedt tijdelijke financiële ondersteuning aan gezinnen waarin door sociaal-medische omstandigheden kinderopvang noodzakelijk is. De regeling vergoedt noodzakelijke kosten van kinderopvang in de vorm van bijzondere bijstand op grond van artikel 35 van de Participatiewet. Het betreft nadrukkelijk een financiële voorziening, geen zorg- of jeugdhulpvoorziening.
Kinderopvang op grond van SMI kan noodzakelijk zijn wanneer:
- •
de ouder/verzorger door lichamelijke, psychische, verstandelijke of zintuiglijke beperkingen tijdelijk onvoldoende in staat is om volledige zorg te dragen; of
- •
het kind opvang nodig heeft voor een veilige, gezonde of evenwichtige ontwikkeling.
De SMI regeling is een tijdelijke voorziening die wordt ingezet voor situaties waarin kinderopvang voor een beperkte periode noodzakelijk is. De gemeente Best hanteert een maximale duur van 18 maanden, bestaande uit een initiële periode met de mogelijkheid tot éénmalige verlenging. Van ouders/verzorgers wordt binnen deze periode, voor zover dit gezien de omstandigheden mogelijk is, verwacht dat zij meewerken aan het verbeteren of stabiliseren van de situatie die tot de noodzaak van SMI heeft geleid.
De regeling biedt daarmee ruimte om tijdelijke situaties te overbruggen en om toe te werken naar een situatie waarin SMI niet langer nodig is. Indien blijkt dat meer langdurige ondersteuning noodzakelijk is, wordt gekeken welke andere wettelijke voorziening passend is.
De SMI regeling wordt alleen toegepast wanneer geen passende en toereikende voorliggende voorziening beschikbaar is voor de noodzakelijke kinderopvang. Voorliggende voorzieningen hebben altijd voorrang. Voorbeelden hiervan zijn kinderopvangtoeslag, jeugdhulp, Wmo ondersteuning, zorgverzekeringsregelingen, VVE of informele ondersteuning. SMI kan worden ingezet wanneer deze voorzieningen niet passend, niet beschikbaar of niet toereikend zijn om de noodzakelijke ondersteuning te bieden.
De noodzaak voor kinderopvang wordt altijd vastgesteld door een bevoegde professional, die dit onderbouwt in een noodzakelijkheidsverklaring. Het college neemt op basis daarvan de beslissing over het toekennen van SMI.
Het inkomen of vermogen van de ouder/verzorger bepaalt niet of recht bestaat op SMI. Inkomensgegevens zijn uitsluitend relevant voor het bepalen van de inkomensafhankelijke eigen bijdrage, overeenkomstig de systematiek van de kinderopvangtoeslag.
Artikelsgewijze toelichting
Artikel 1. Begripsbepalingen
De begrippen sluiten aan op de Wet kinderopvang, aangevuld met definities die nodig zijn voor de uitvoering van deze regeling. Belangrijk is dat ouder/verzorger ook het meervoud omvat. Dit biedt duidelijkheid bij gezamenlijke zorgsituaties of wanneer beide ouders beperkingen ervaren.
De begrippen sociaalmedische indicatie, voorliggende voorziening en onafhankelijke deskundige zorgen ervoor dat helder is op basis waarvan wordt beoordeeld en welke partijen een rol kunnen hebben in de advisering.
Artikel 2. Doelgroep en voorwaarden voor aanspraak
Dit artikel bepaalt voor wie SMI kan worden ingezet en in welke situaties kinderopvang noodzakelijk kan zijn.
De regeling geldt voor kinderen van 0 tot en met 12 jaar die gebruikmaken van KDV of BSO. De sociaalmedische noodzaak kan voortkomen uit twee hoofdsituaties:
- 1.
Noodzaak bij de ouder/verzorger
Kinderopvang kan nodig zijn wanneer de ouder/verzorger door lichamelijke, psychische, verstandelijke of zintuiglijke beperkingen tijdelijk niet in staat is om de zorg volledig zelf te dragen. Dit kan zowel bij vastgestelde problematiek als tijdens diagnostiek, mits de noodzaak overtuigend wordt onderbouwd.
- 2.
Noodzaak bij het kind
SMI kan worden ingezet wanneer opvang noodzakelijk is voor een veilige, gezonde of evenwichtige ontwikkeling van het kind.
SMI is bedoeld voor tijdelijke situaties of ter overbrugging naar een andere passende voorziening. De regeling wordt alleen toegepast wanneer geen passende voorliggende voorziening beschikbaar is of wanneer deze onvoldoende toereikend is.
Een aanvraag voor SMI moet altijd worden onderbouwd met een noodzakelijkheidsverklaring van een bevoegde professional. Deze verklaring vormt de basis voor de beoordeling door het college.
Artikel 3. Aanvraagprocedure
Artikel 3 beschrijft de stappen die worden gevolgd wanneer een aanvraag voor SMI wordt ingediend of wanneer wordt nagegaan of SMI passend kan zijn. Veel aanvragen komen in de praktijk direct volledig binnen, inclusief noodzakelijkheidsverklaring. In die gevallen kan de aanvraag meteen formeel worden geregistreerd en inhoudelijk worden beoordeeld.
Wanneer nog geen formele aanvraag is ingediend, maar er wél een vraag of signaal binnenkomt – bijvoorbeeld van een ouder/verzorger of van een (interne) collega van werk/reintegratie, Wmo of schuldhulpverlening – kan de medewerker van Team Werk & Inkomen eerst een oriënterende verkenning uitvoeren. Deze verkenning is géén inhoudelijke beoordeling, maar een korte inschatting of het zinvol is een formele aanvraag te starten. Dit voorkomt dat aanvragen worden opgestart in situaties waarin duidelijk is dat een voorliggende voorziening van toepassing is.
De formele aanvraag begint pas op het moment dat zowel het aanvraagformulier als de noodzakelijkheidsverklaring zijn ontvangen. Alleen dan kan de aanvraag inhoudelijk worden beoordeeld. Wanneer documenten ontbreken, worden deze opgevraagd; de beoordeling vindt pas plaats wanneer het dossier volledig is.
De noodzaak voor kinderopvang moet altijd worden vastgesteld door een bevoegde professional via de noodzakelijkheidsverklaring. Deze vormt de basis voor het college om te bepalen of SMI noodzakelijk is en welke omvang en duur passend zijn.
Artikel 4. Ingangsdatum
Artikel 4 bepaalt vanaf welk moment de tegemoetkoming kan ingaan. De hoofdregel is dat de tegemoetkoming pas kan starten wanneer de volledige aanvraag is ontvangen, bestaande uit het aanvraagformulier en de noodzakelijkheidsverklaring. Vanaf dat moment kan het college de noodzaak beoordelen en is duidelijk welke opvang wordt aangevraagd.
Omdat het in de praktijk voorkomt dat ouders door aantoonbare omstandigheden niet direct alle benodigde stukken kunnen aanleveren, biedt dit artikel de mogelijkheid om – wanneer dit redelijk en passend is – de ingangsdatum te laten aansluiten bij de aanvraagstartdatum. Dat is de datum waarop het aanvraagformulier en de noodzakelijkheidsverklaring al binnen zijn, maar aanvullende bewijsstukken nog ontbreken.
Deze uitzondering voorkomt dat ouders nadeel ondervinden door omstandigheden buiten hun invloed. Tegelijk blijft duidelijk dat een tegemoetkoming nooit eerder kan ingaan dan de aanvraagstartdatum, en alleen voor perioden waarin kinderopvang daadwerkelijk is of kon worden afgenomen.
Artikel 5. Redenen voor afwijzing
Artikel 5 beschrijft in welke situaties een aanvraag om SMI wordt afgewezen. De regeling wordt alleen ingezet wanneer dit aantoonbaar noodzakelijk is en geen andere passende mogelijkheid beschikbaar is.
Een aanvraag wordt afgewezen wanneer er een passende en toereikende voorliggende voorziening bestaat, zoals kinderopvangtoeslag, jeugdhulp, Wmoondersteuning, VVE of een medisch kinderdagverblijf. Deze voorzieningen gaan altijd vóór op SMI.
Een aanvraag wordt ook afgewezen wanneer de ouder/verzorger de gevraagde opvang al zelfstandig en zonder risico op overbelasting kan voortzetten, of wanneer de noodzaak voor kinderopvang niet kan worden vastgesteld, bijvoorbeeld omdat de noodzakelijkheid niet voldoende is onderbouwd door een professional.
Daarnaast wordt afgewezen wanneer de gevraagde opvang buiten de grenzen van de regeling valt, zonder dat aannemelijk is gemaakt waarom meer opvang noodzakelijk zou zijn.
Wanneer een voorliggende voorziening wel ondersteuning biedt maar niet volledig toereikend is, kan SMI in uitzonderlijke gevallen aanvullend worden ingezet. Het college beoordeelt dan of aanvullende opvang echt nodig en proportioneel is.
Artikel 6. Vaststelling van de sociaalmedische indicatie
Artikel 6 beschrijft hoe wordt vastgesteld of kinderopvang op grond van sociaalmedische redenen noodzakelijk is. De beoordeling vindt plaats op basis van een deskundigenadvies, meestal in de vorm van een noodzakelijkheidsverklaring van een bevoegde professional. Alleen wanneer dit advies onvoldoende duidelijkheid geeft of wanneer de situatie complex is, kan het college een onafhankelijk sociaalmedisch advies opvragen.
Tijdens de looptijd van een toegekende periode kan – wanneer de omstandigheden veranderen – een herindicatie worden uitgevoerd. Een herindicatie ziet uitsluitend op het aanpassen, voortzetten of beëindigen van de lopende periode. Deze leidt niet tot een verlenging van de totale maximale duur van de regeling. Een eventuele verlenging is afzonderlijk geregeld in artikel 12.
Artikel 7. Sociaalmedisch advies en onafhankelijke deskundigen
Artikel 7 geeft aan welke professionals een gemotiveerd schriftelijk advies mogen afgeven over de noodzaak voor sociaalmedische kinderopvang. Het gaat onder meer om GGDprofessionals, Regisseurs Jeugd en medisch specialisten. Wanneer een medisch specialist betrokken is, vindt afstemming plaats met Regie Jeugd om te waarborgen dat het advies aansluit op de criteria van de regeling.
Indien de beschikbare informatie onvoldoende is om de noodzaak goed te beoordelen, kan het college besluiten een onafhankelijk sociaalmedisch advies op te vragen. Deze mogelijkheid biedt extra objectiviteit en zorgvuldigheid in situaties waarin de problematiek ingewikkeld is of meerdere aspecten samenkomen.
Artikel 8. Wijze van afhandeling
Artikel 8 beschrijft hoe de gemeente een aanvraag administratief afhandelt.
Wanneer documenten ontbreken, krijgt de ouder/verzorger op grond van artikel 4:5 Awb een termijn van minimaal vier weken om de aanvraag aan te vullen. Dit waarborgt een zorgvuldige behandeling en voorkomt dat aanvragen voortijdig worden afgebroken.
Worden de gevraagde stukken niet binnen de gestelde termijn aangeleverd, dan kan de aanvraag nietontvankelijk worden verklaard. Dit is een procedurele beslissing en geen inhoudelijke afwijzing van de noodzaak.
Een inhoudelijke beoordeling vindt pas plaats wanneer de aanvraag volledig is.
Na afloop van de toegekende SMI-periode levert de ouder/verzorger de benodigde stukken (zoals facturen en inkomensgegevens) aan, zodat het college de definitieve vaststelling van de tegemoetkoming kan uitvoeren.
Artikel 9. Eigen bijdrage
Artikel 9 bepaalt hoe de eigen bijdrage wordt vastgesteld. De SMI-regeling sluit aan bij de landelijke systematiek van de kinderopvangtoeslag. Dit betekent dat de hoogte van de eigen bijdrage wordt bepaald aan de hand van de kinderopvangtoeslagtabel (KOTtabel), zodat een herkenbare en uniforme berekening ontstaat.
Wanneer een ouder/verzorger geen recht heeft op kinderopvangtoeslag (bijvoorbeeld vanwege opleiding, nationaliteit of werksituatie), wordt de gemeentelijke bijdrage berekend alsof de toeslag wel van toepassing zou zijn. Hierdoor blijft de rekenmethodiek voor alle gezinnen gelijk.
Het college kan de eigen bijdrage verlagen of kwijtschelden wanneer sprake is van bijzondere financiële omstandigheden, zoals problematische schulden of onverwachte kosten. Dit biedt ruimte voor maatwerk wanneer de standaardbijdrage niet haalbaar is voor het gezin.
Artikel 10. Hoogte van het voorschot
Artikel 10 beschrijft hoe het voorschot op de gemeentelijke bijdrage wordt berekend. De berekening sluit aan bij de systematiek van de kinderopvangtoeslag. Daarbij wordt uitgegaan van:
- •
het aantal toegekende opvanguren,
- •
het (maximum)uurtarief dat voor de betreffende opvangvorm geldt, en
- •
het actuele bruto inkomen van de ouder/verzorger en eventuele partner.
Het voorschot wordt gebaseerd op de meest recente inkomensgegevens, zodat het zo goed mogelijk aansluit bij de situatie van het gezin. Daarom moeten inkomenswijzigingen tijdig worden doorgegeven. Dit voorkomt dat het voorschot te sterk afwijkt van de uiteindelijke berekening en helpt terugvorderingen bij de definitieve vaststelling te beperken.
Artikel 11. Definitieve vaststelling
Na afloop van de toegekende SMIperiode stelt het college de definitieve tegemoetkoming vast. Hierbij wordt gekeken naar:
- 1.
de daadwerkelijk gemaakte kosten, zoals blijkt uit de facturen van de kinderopvangorganisatie, en
- 2.
het daadwerkelijk genoten inkomen gedurende de SMIperiode.
Het inkomen kan worden aangetoond met loonstroken, uitkeringsspecificaties of vergelijkbare documenten; een jaaropgave is niet vereist. De vaststelling sluit daarmee aan op de werkelijke situatie gedurende de periode waarvoor SMI is toegekend.
Wanneer het voorschot afwijkt van de definitieve berekening kan dit leiden tot een nabetaling of terugvordering. Ter bevordering van doelmatigheid worden bedragen onder € 100,- niet teruggevorderd.
Artikel 12. Geldigheidsduur en verlenging
Artikel 12 bepaalt hoe lang een sociaalmedische indicatie geldt en onder welke voorwaarden deze kan worden verlengd. Een indicatie wordt in eerste instantie toegekend voor maximaal 9 maanden. Wanneer de noodzaak voor kinderopvang daarna nog aanwezig is, kan de indicatie éénmalig worden verlengd met maximaal 9 maanden, tot een totale maximale duur van 18 maanden.
Een verzoek om verlenging moet tijdig worden ingediend, zodat de continuïteit van de opvang kan worden gewaarborgd. De verlenging moet worden onderbouwd door een bevoegde professional, die motiveert waarom de sociaalmedische omstandigheden nog niet voldoende zijn verbeterd.
Een herindicatie, zoals bedoeld in artikel 6, is geen verlenging. Een herindicatie vindt alleen plaats binnen de reeds toegekende periode en kan leiden tot aanpassing of beëindiging daarvan, maar verandert de maximale duur van 18 maanden niet.
Artikel 13. Beperking duur tegemoetkoming
Artikel 13 beschrijft in welke situaties de tegemoetkoming kan worden beëindigd. De tegemoetkoming eindigt wanneer de noodzaak voor SMI vervalt, bijvoorbeeld doordat de situatie in het gezin verbetert, of wanneer een passende voorliggende voorziening beschikbaar komt die de benodigde ondersteuning kan bieden.
Beëindiging vindt ook plaats wanneer het kind of gezin verhuist naar een andere gemeente, of wanneer niet langer wordt voldaan aan de voorwaarden van de regeling.
Deze beëindigingsgronden hebben betrekking op de inhoudelijke situatie van het gezin. Zij staan los van situaties waarin sprake is van schending van de inlichtingenplicht (artikel 16), waarvoor aparte bevoegdheden gelden tot wijziging of intrekking van de tegemoetkoming.
Artikel 14. Omvang van de kinderopvang
Artikel 14 beschrijft de maximale omvang van kinderopvang die op basis van SMI kan worden toegekend. De regeling kent vaste grenzen om duidelijkheid en uniformiteit te bieden in de uitvoering:
- •
voor kinderdagopvang (KDV) kan maximaal twee dagen per week worden toegekend, overeenkomend met vier dagdelen op twee vaste dagen;
- •
voor buitenschoolse opvang (BSO) kan eveneens maximaal twee dagen per week worden toegekend, zowel tijdens schoolweken als in vakantieweken.
Deze maxima sluiten aan bij de gebruikelijke organisatie van kinderopvang en zorgen voor een duidelijke, werkbare normering. Wanneer een kind in een overgangsfase zit (bijvoorbeeld van KDV naar BSO), kunnen beide opvangvormen naast elkaar worden toegekend, zolang per opvangvorm binnen de genoemde maxima wordt gebleven.
Artikel 15. Inspanningsverplichting
Artikel 15 beschrijft de inspanningsverplichting van de ouder/verzorger gedurende de SMIperiode. Van ouders wordt verwacht dat zij zich inspannen om de periode waarin SMI noodzakelijk is zo beperkt mogelijk te houden. Dit betekent onder meer dat zij meewerken aan de ondersteuning, begeleiding of behandeladviezen die door betrokken professionals worden gegeven.
De inspanningsverplichting is gericht op het verbeteren of stabiliseren van de omstandigheden die hebben geleid tot de noodzaak van sociaalmedische kinderopvang. Het betreft nadrukkelijk geen arbeidsverplichting of tegenprestatie, maar een redelijke verwachting om te voorkomen dat de noodzaak voor SMI langer voortduurt dan nodig is.
Artikel 16. Inlichtingenplicht
Artikel 16 beschrijft de verplichting van de ouder/verzorger om wijzigingen die van invloed kunnen zijn op het recht, de hoogte of de duur van de tegemoetkoming tijdig aan de gemeente door te geven. Het gaat bijvoorbeeld om wijzigingen in inkomen, gezinssamenstelling, opvanggebruik of sociaalmedische omstandigheden. De meldtermijn van twee weken zorgt ervoor dat het college tijdig kan beoordelen of aanpassing van de tegemoetkoming nodig is.
Wanneer de inlichtingenplicht niet wordt nagekomen, kan het college de tegemoetkoming wijzigen, opschorten of intrekken, en – indien van toepassing – te veel betaalde bedragen terugvorderen. Deze bevoegdheden staan los van de beëindigingsgronden in artikel 13, die betrekking hebben op inhoudelijke veranderingen in de situatie.
Artikel 17. Hardheidsclausule
De hardheidsclausule biedt het college de mogelijkheid om in uitzonderlijke individuele gevallen af te wijken van de beleidsregels wanneer strikte toepassing tot onredelijke gevolgen zou leiden. Het gaat hierbij niet om reguliere situaties, maar om omstandigheden die niet goed passen binnen de standaardregels of waarvoor de beleidsregels geen passende oplossing bieden.
Afwijken van de beleidsregels moet altijd zorgvuldig worden gemotiveerd, waarbij duidelijk wordt beschreven welke bijzondere omstandigheden de afwijking rechtvaardigen. De hardheidsclausule zorgt er zo voor dat maatwerk mogelijk blijft in situaties die hierom vragen, zonder dat de beleidsregels hun algemene werking verliezen.
Artikel 18. Overgangsbepaling
Artikel 18 regelt hoe wordt omgegaan met aanvragen en indicaties die zijn ingediend of toegekend vóór de inwerkingtreding van deze nieuwe beleidsregels. Aanvragen die vóór de inwerkingtreding zijn ingediend, en lopende indicaties op basis van de beleidsregels uit 2019, worden afgehandeld volgens het oude kader. Dit zorgt voor rechtszekerheid voor ouders/verzorgers en voorkomt dat lopende besluiten tussentijds wijzigen.
Wanneer na de inwerkingtreding een verlenging wordt aangevraagd voor een lopende indicatie uit de oude regeling, wordt deze verlenging beoordeeld op grond van de nieuwe beleidsregels. Alleen wanneer toepassing van de nieuwe regels leidt tot onredelijke nadelige gevolgen, kan het college gebruikmaken van de hardheidsclausule (artikel 17) om maatwerk te bieden.
Artikel 19 en 20
Behoeven geen toelichting.
Ziet u een fout in deze regeling?
Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl.
Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl