Handhavingsvisie Participatiewet, IOAW en IOAZ Gouda 2024

Geldend van 24-03-2026 t/m heden

Intitulé

Handhavingsvisie Participatiewet, IOAW en IOAZ Gouda 2024

1 Inleiding

De gemeente Gouda voert de Participatiewet uit. Vanuit deze wet verstrekt de gemeente uitkeringen aan mensen die niet kunnen voorzien in hun eigen inkomen. De wet benadrukt het belang van dit vangnet en het belang dat het alleen gebruikt wordt door mensen die het echt nodig hebben. De Participatiewet beschrijft daarom de regels en verplichtingen waaraan mensen met een bijstandsuitkering zich moeten houden. In grote lijnen wordt van hen verwacht dat:

  • zij (naar vermogen) doen wat ze kunnen om zo snel mogelijk weer voor hun eigen inkomen te kunnen zorgen;

  • zij alle informatie over hun leefsituatie delen die nodig is om te bepalen of zij recht hebben op een uitkering en hoe hoog die dan moet zijn.

Van gemeenten wordt verwacht dat zij ervoor zorgen dat inwoners met een bijstandsuitkering deze verplichtingen kennen en zich eraan houden. Onder handhaving worden alle activiteiten verstaan die de gemeente uitvoert om dat doel te bereiken. Handhaving is geen geïsoleerde taak maar onderdeel van de gehele dienstverlening.

De ontwikkelingen rondom de toeslagenaffaire maken duidelijk wat de gevolgen zijn van een strikte focus in de wetgeving op het bestrijden van misbruik. De wijze van handhaven kan doorschieten. De veranderende samenleving vraagt een andere manier van kijken naar de betekenis en waarde van handhaven. Wat door de gemeente wordt gedaan heeft effect op de inwoners. Inwoners mogen verwachten dat de gemeente rekening houdt met individuele situaties en tegelijkertijd voorzichtig omgaat met publieke middelen.

De gemeente heeft met het uitvoeren van de Participatiewet een taak om vaak kwetsbare inwoners te ondersteunen. In de praktijk blijkt dat verreweg het overgrote deel van de bijstandsgerechtigden zich houdt aan de regels die bij de uitkering horen. Soms gaat het mis. Dat kan veroorzaakt worden door persoonlijke omstandigheden, niet of verkeerd begrijpen van regels of er kan sprake zijn van welbewust handelen. Daartussenin bestaat een grijs gebied.

De gemeente werkt vanuit vertrouwen en past de menselijke maat toe binnen de regels van de Participatiewet. Tegelijkertijd wordt er op getreden als er sprake is van opzettelijk handelen. Ook dit is belangrijk: vanwege de wettelijke taak maar ook voor het behouden van draagvlak voor het sociale stelsel. Uitkeringen moeten terecht komen bij mensen die het ook echt nodig hebben.

De huidige tijd vraagt van de overheid om meer transparant te zijn. In dit document wordt beschreven hoe de gemeente uitvoering geeft aan het voorkomen en bestrijden van het bewust en onbewuste overtreden van regelgeving van de Participatiewet en welke uitgangspunten en werkwijzen hiervoor worden gebruikt in de praktijk. Deze handhavingsvisie staat niet op zichzelf en is verbonden met de wijze van de dienstverlening in het sociaal domein en het herijkte terugvorderingsbeleid en afstemmingsbeleid.

2 Context

2.1 Wat is handhaving

De term ‘handhaving’ in deze beleidsvisie omvat alle activiteiten van de gemeente die ervoor zorgen dat de Participatiewet wordt nageleefd. Het handhavingsproces kan in beeld gebracht worden met de ‘cirkel van naleving’.

afbeelding binnen de regeling

  • 1.

    Voorlichting en duidelijke afspraken: inwoners die bijstand aanvragen of al ontvangen, krijgen heldere en begrijpelijke informatie over de regels die bij de uitkering horen. Voorlichting sluit zoveel mogelijk aan bij de leefsituatie van de inwoner die het betreft.

  • 2.

    Optimaliseren van de dienstverlening: de inwoner mag geen onnodige (administratieve) drempels in de dienstverlening tegenkomen. Het moet eenvoudig zijn om je aan de regels houden, en de regels moeten voor iedereen begrijpelijk uitgelegd worden. Daardoor worden de regels ook meer geaccepteerd.

  • 3.

    Controle op maat: controles worden gedaan op basis van signalen of aan de hand van een gekozen thema of risico. Controles zijn enerzijds bedoeld om onrechtmatig gebruik van de uitkering tegen te gaan. Daarnaast zijn controles ook een vorm van vroegsignalering. Hoe eerder duidelijk wordt dat de uitkering is gebaseerd op onjuiste of onvolledige informatie (of dat nu bewust of per ongeluk gebeurd is), hoe kleiner het gevolg kan zijn. Dit is vooral belangrijk omdat de Participatiewet voorschrijft dat bij overtreding inlichtingenplicht teveel ontvangen uitkering altijd moet worden terugbetaald.

  • 4.

    Sanctioneren: als een (bewuste) regelovertreding vastgesteld wordt, volgt een boete of een maatregel. Een boete als de inlichtingenplicht is overtreden, een maatregel voor alle andere verplichtingen.

2.2 Het wettelijk kader

Het wettelijk kader voor deze beleidsvisie wordt gevormd door de Participatiewet. Die wet beschrijft de verplichtingen die bij een uitkering horen. Belangrijke verplichtingen die de Participatiewet aangeeft zijn de arbeids- en re-integratieverplichting en de inlichtingenplicht.

Een bijstandsgerechtigde is verplicht om werk te zoeken en alle medewerking te verlenen om weer aan het werk te komen (tenzij er redenen zijn om daarvan, meestal tijdelijk, ontheffing te verlenen). Als een bijstandsgerechtigde zich niet aan deze verplichting houdt, moet of kan de gemeente een maatregel opleggen. Een maatregel is een verlaging van de uitkering. De gemeente moet een maatregel opleggen als een zogenaamde geüniformeerde arbeidsverplichting overtreden wordt.

Deze zijn in de wet beschreven en zijn daarmee ‘dwingend recht’, de gemeente kan hier niet in eigen beleid van afwijken. Het weigeren van een aangeboden re-integratietraject is hier een voorbeeld van. Bij niet-geüniformeerde verplichtingen bestaat beleidsvrijheid over de invulling van de duur en de hoogte van de maatregelen. Dit wordt ingevuld in de Afstemmingsverordening van de gemeente.

Een bijstandsgerechtigde is verplicht om tijdig en volledig alle inlichtingen te verstrekken die relevant zijn voor de bijstandsverlening. Dat kan bijvoorbeeld gaan over de leefsituatie of over inkomsten. De gemeente is wettelijk verplicht om een boete op te leggen als de inlichtingenplicht wordt overtreden. Daarbij wordt rekening gehouden met de omstandigheden en de verwijtbaarheid. Ook wordt rekening gehouden met de draagkracht van de bijstandsgerechtigde. Het niet nakomen van deze verplichting wordt schending inlichtingenplicht genoemd. De wetgever maakt daarbij geen onderscheid tussen vergissingen en opzet. Teveel ontvangen uitkering moet daarnaast altijd worden terugbetaald. Er kan een waarschuwing worden gegeven voor overtreding van de inlichtingenplicht als er een laag bedrag gemoeid is met de overtreding (minder dan €150,-). In sommige situaties wordt een overtreding van de inlichtingenplicht strafrechtelijk afgehandeld. Dit kan aan de orde zijn als bijvoorbeeld uit onderzoek blijkt dat er voor een groot bedrag aan uitkeringsfraude is gepleegd of als iemand ook van andere strafbare feiten wordt verdacht. Bij de inlichtingenplicht hoort ook de medewerkingsplicht. Dat is de verplichting om alle medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de Participatiewet. Dit kan bijvoorbeeld gaan om een huisbezoek.

De gemeente voert ook twee regelingen uit voor oudere werklozen en oudere ex-zelfstandigen: de IOAW en de IOAZ. De verplichtingen in de IOAW en de IOAZ lijken op de verplichtingen uit de Participatiewet. Deze beleidsvisie is ook van toepassing op de handhaving van deze wetten.

2.3 Landelijk beleid

Het regeerakkoord van demissionair kabinet Rutte IV onderstreept dat handhaving een randvoorwaarde is voor een werkende arbeidsmarkt en een werkend stelsel van sociale zekerheid. Het ministerie van SZW heeft dit vertaald in een handhavingskoers 2022-2025, waarbij de volgende hoofdlijnen worden genoemd:

  • data-gestuurd handhaven: over het belang om effectief gebruik te maken van mogelijkheden om data te koppelen, delen en analyseren;

  • grensoverschrijdend handhaven: over het bestrijden van internationale misstanden op het SZW terrein;

  • effectief handhaven: over het toepassen van (gedrags)wetenschappelijke inzichten en aanpakken, met name om het preventieve aspect van handhaving te versterken;

  • versterken en verbinden van de handhavingsketen: over samenwerking over de verschillende domeinen heen.

In november 2020 is de Tweede Kamerbrief ‘Fraude in de sociale zekerheid’ verschenen. Daarin worden een aantal zaken aangekondigd:

  • 1.

    Een onderzoek naar de verankering van het begrip ‘fraude’ in de sociale zekerheidswetten. Het begrip fraude is nu gekoppeld aan een verwijtbare overtreding van de inlichtingenplicht, ongeacht of er sprake is van opzet bij die overtreding. Uit onderzoek in de praktijk blijkt dat er behoefte is aan een definitie die het mogelijk maakt om mensen die onopzettelijk handelen, niet als fraudeur aan te spreken. Zo’n definitie moet gemeenten meer ruimte geven voor maatwerk vanuit de persoonlijke omstandigheden. Het uitgangspunt blijft, dat teveel ontvangen uitkering altijd moet worden terugbetaald.

  • 2.

    Een impuls aan preventie. Vanuit het ministerie zal een ‘Aanjaagteam preventie’ opgericht worden. Dit team krijgt als taak om een bijdrage te leveren aan het voorkomen van fouten in de uitkeringsaanvraag, bijvoorbeeld door wetenschappelijke kennis over gedrag praktisch toepasbaar te maken.

    Later krijgt dit team een rol in de ontwikkeling van eventuele nieuwe wetgeving op het gebied van handhaving en sanctionering, om te onderzoeken welke preventieve instrumenten nog meer ingezet kunnen worden.

  • 3.

    Het ministerie zal in gesprek gaan met uitvoeringsinstanties over het beschikbare handhavingsinstrumentarium. De praktijk laat zien dat dit niet toereikend is waar het gaat om de mogelijkheden voor maatwerk, en de mogelijkheden om effectief te handhaven als er sprake is van opzet of grove schuld.

Als reactie op het rapport ‘Ongekend onrecht’ heeft het kabinet aangekondigd te gaan kijken naar de strikt gebonden bevoegdheden in de wetgeving en die waar nodig te gaan vervangen door beoordelingsruimte of hardheidsclausules. Bij de handhaving van de Participatiewet heeft het college veel te maken met dergelijke ‘strikt gebonden bevoegdheden’ en het college moet dit dan ook volgen. Er is inmiddels ook veel aandacht voor de manier waarop de Participatiewet uitpakt in de praktijk. De minister heeft via rondetafelgesprekken met gemeenten in kaart gebracht waar knelpunten zitten. Hieruit komen vier thema’s naar voren die elkaar ook overlappen:

  • 1.

    Wederzijds vertrouwen als uitgangspunt wordt bemoeilijkt door de strikte regels in de Participatiewet;

  • 2.

    Sommige bepalingen hebben een striktere uitleg gekregen dan door de wetgever is bedoeld;

  • 3.

    De wet is erg complex en vraagt veel van het denk- en doenvermogen van mensen. De gebruikte begrippen en verplichtingen sluiten slecht aan bij de leefwereld.

  • 4.

    Er is meer ruimte nodig voor maatwerk. Dit zit zowel in de regelgeving als in de capaciteit: er is erkenning nodig voor het feit dat maatwerk simpelweg meer tijd kost.

Verschillende wetgevingstrajecten die een omslag in denken en uitvoering teweeg zullen brengen, zoals Participatiewet in balans en Herijking handhavingsinstrumentarium zijn volop in ontwikkeling. Het college volgt deze ontwikkelingen en waar mogelijk wordt het in de praktijk reeds toegepast.

2.4 Gemeentelijk beleid

Binnen het programma Naar een nieuwe sociale dienst zijn meerdere doelen geformuleerd, waaronder “communiceren met cliënten op een manier die begrijpelijk voor hen is” en “leren kennen van het perspectief van inwoners op de dienstverlening”. Door duidelijk te communiceren en de dienstverlening ook te toetsen streeft de gemeente er mede naar onbewuste overtreding van regelgeving te voorkomen. Het programma zelf is medio 2022 afgesloten waarbij de ambitie is geformuleerd om de dienstverlening aan inwoners en werkgevers continu te blijven verbeteren en moderniseren. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de meest actuele en moderne inzichten op het gebied van klantbenadering.

Sinds 2015 is de gemeente verantwoordelijk voor bijna alle maatschappelijke ondersteuning aan haar inwoners. De gemeente kent binnen het sociaal domein vanaf 1 januari 2021 een integrale uitvoeringsorganisatie waar ook de ondersteuning in het kader van de Participatiewet een onderdeel van is. Het programma Naar een nieuwe sociale dienst is verbonden met de nieuwe integrale uitvoeringsorganisatie. Deze organisatievorm bevordert en stimuleert een integrale kijk op de hulpvraag van de inwoner en samenwerking over de verschillende wetten heen. Veel inwoners die een beroep doen op de Participatiewet betreffen kwetsbare inwoners, vaak met meervoudige problematiek, die ook in beeld zijn voor andere regelingen en voorzieningen.

De gemeente werkt samen om de inwoner op een goede wijze te ondersteunen. Samenwerken gebeurt niet alleen binnen de eigen organisatie, maar ook met ketenpartners zoals het Sociaal Team. Door goede samenwerking wordt informatie gedeeld en verstrekt over regelingen en de bijbehorende rechten en plichten, wat het gebruik en de naleving van deze regelingen bevordert. Waar van toepassing worden specifieke situaties (met toestemming van de inwoner) besproken om tot het optimale resultaat te komen.

De gemeente is een lerende organisatie. Als uit klantcontacten blijkt dat brieven of procedures niet duidelijk zijn, wordt dit verbeterd. Input van derden en klanttevredenheidsonderzoeken worden gebruikt om de dienstverlening te verbeteren. De dienstverlening dient aan te sluiten bij de inwoners en hun mogelijkheden. Medewerkers worden regelmatig getraind en zijn zich bewust dat de complexe regelgeving niet voor iedereen even begrijpelijk of op te volgen is. De gemeente wil duidelijk en betrouwbaar voor haar inwoners zijn. Regelmatig wordt casusoverleg gehouden om verschillende situaties te bespreken om tot een gezamenlijke norm, benadering en uitvoering richting de inwoner te komen.

Sommige situaties vergen maatwerk omdat ze niet ‘passen’ in de standaardsituaties die de wetgever voor ogen had. In die gevallen wordt bekeken welk effect er met en door de inwoner bereikt moet worden. Vervolgens wordt op eigen-zinnige wijze, met het toepassen van de menselijke maat, een oplossing gezocht die past binnen de wetgeving. De uitgangspunten van de integrale uitvoeringsorganisatie en de gemeentelijke kernwaarden voor de dienstverlening gelden daarom onverminderd als gemeentelijk kader voor deze beleidsvisie.

3 Uitgangspunten

Handhaving is geen doel op zich. Het draagt bij aan het bereiken van achterliggende doelen van de Participatiewet: mensen helpen om zoveel mogelijk weer in hun eigen inkomen te kunnen voorzien, en zorgen dat uitkeringen verstrekt worden aan mensen die er recht op hebben én het echt nodig hebben. Daarom is handhaving noodzakelijk en in al haar facetten een onderdeel van de gehele dienstverlening. Om mensen te kunnen helpen is wederzijds vertrouwen nodig. Om te zorgen dat uitkeringen volgens de voorwaarden van de Participatiewet verstrekt worden, is controle nodig. Tien jaar geleden had de landelijke overheid het beeld dat gemeenten te weinig controleerden en uitkeringen te makkelijk verstrekten. Dit heeft geleid tot strenge wetgeving die gemeenten maar weinig ruimte laat voor een eigen invulling of voor maatwerk als de situatie van een inwoner daarom vraagt. Deze wetgeving staat nu ter discussie en de verwachting is dat gemeenten meer ruimte zullen krijgen. Maar gemeenten kunnen niet naïef worden. Anders kan het draagvlak wat er nu ontstaat om inwoners en hun leefwereld centraal te stellen weer omslaan naar strikte regelgeving. De uitdaging is om de juiste balans te vinden.

De inwoners die een beroep doen op ondersteuning vanuit de Participatiewet hebben vaker dan gemiddeld te maken met problemen op meerdere leefgebieden. Daarbij wordt veel eigen verantwoordelijkheid van hen verwacht met betrekking tot het nakomen van verplichtingen. Dit kan een spanningsveld opleveren, omdat is aangetoond dat chronische stress een negatieve invloed heeft op het cognitieve functioneren van mensen. Dit kan er bijvoorbeeld toe leiden dat bijstandsgerechtigden geen prioriteit geven aan meldingen doen die wel tot hun verplichtingen behoren. Daar komt bij dat de Participatiewet ingewikkeld is. Het kan voor bijstandsgerechtigden moeilijk zijn om de regels toe te passen op hun eigen situatie en dan te weten wat ze moeten doen.

Omdat de doelgroep bijstandsgerechtigden vaak kwetsbare mensen betreft, is het belangrijk om de repressieve kant van handhaving zoveel mogelijk te richten op mensen die zich opzettelijk niet aan hun verplichtingen houden, en om onbedoelde overtredingen zoveel mogelijk te voorkomen. Het is in de praktijk niet eenvoudig om het onderscheid te maken tussen ‘niet-willen’ en ‘niet-kunnen’. Daarbij wordt vaak uit gegaan van de mogelijkheden van inwoners, wat impliceert dat de verantwoordelijkheid alleen bij de inwoner ligt. In de uitgangspunten wordt daarom gekozen voor een aanpak die bijstandsgerechtigden ondersteunt bij het nakomen van verplichtingen.

Het college hanteert de volgende uitgangspunten:

  • 1.

    Focus op preventie;

  • 2.

    Inzetten op vroegsignalering;

  • 3.

    Aanpakken waar nodig is.

In de volgende paragrafen worden de uitgangspunten verder toegelicht.

3.1 Focus op preventie

Een belangrijk principe binnen het Sociaal Domein is dat er veel aandacht is voor preventie. In de context van deze beleidsvisie gaat het er dan om zoveel mogelijk te voorkomen dat regels overtreden worden. Bijstandsgerechtigden hebben te maken met veel en vaak ingewikkelde regels. Daar heeft de gemeente weinig invloed op: de meeste regels zijn wettelijk vastgelegd. Onze voorlichting is erop gericht dat bijstandsgerechtigden begrijpen wat regels betekenen in hun specifieke situatie. Om te begrijpen welke verbeteringen daarvoor nodig zijn, worden inwoners betrokken bij het vormgeven van een goede voorlichting en preventie. Het moet ook eenvoudig zijn om regels na te leven. Het is daarom belangrijk dat bijstandsgerechtigden zo weinig mogelijk drempels en administratieve belasting ervaren. Heldere voorlichting is daar een onderdeel van, want de voorwaarden en regels die bij een uitkering horen zijn voor veel bijstandsgerechtigden moeilijk. Een goede en begrijpelijke uitleg zorgt voor meer nalevingsbereidheid en een kleinere kans op fouten en oneigenlijk gebruik. Het is ook belangrijk om de uitleg regelmatig te herhalen omdat de kennis anders ‘vervaagt’. De bereidheid om regels na te leven wordt groter doordat bekend is dat de gemeente controleert en handhaaft. Daarom worden bijstandsgerechtigden geïnformeerd over controles.

Het is de bedoeling dat bijstandsgerechtigden naar vermogen proberen zo snel mogelijk weer uitkeringsonafhankelijk te worden, of als dat niet lukt op een andere manier te participeren in de samenleving. De werkwijze is erop gericht om hierin samen te werken met de bijstandsgerechtigde, rekening te houden met omstandigheden, wensen, belemmeringen en beperkingen. Dit is ook belangrijk voor de naleving van de arbeidsplicht. De nadruk op preventie moet leiden tot situatie waarin voornamelijk gesanctioneerd wordt als er sprake is van moedwil. Overtreding van regels en onrechtmatig gebruik van uitkeringsgelden zijn uiteraard nooit helemaal uit te bannen. Maar door in te zetten op goede voorlichting, heldere processen en goede dienstverlening zal het aantal overtredingen meer beperkt zijn.

3.2 Inzetten op vroegsignalering

Het college vindt het belangrijk om onrechtmatige situaties zo snel mogelijk op te merken. De term ‘vroegsignalering’ sluit goed aan bij de prioriteiten binnen het Sociaal Domein. In de context van handhaving gaat het dan eigenlijk over alert zijn op signalen die erop wijzen dat een uitkering mogelijk niet rechtmatig verstrekt wordt. Het is in het belang van de gemeente om het zo snel mogelijk op te merken als de uitkering onterecht is of niet goed is vastgesteld. Zo worden uitkeringsgelden niet onnodig uitgekeerd. Het is ook in het belang van de inwoner die bijstand ontvangt. Teveel ontvangen uitkering moet immers altijd worden terugbetaald, dat is een wettelijke eis. Hoe eerder de situatie opgemerkt wordt, hoe kleiner het gevolg voor de inwoner is. Daarom bevordert het college het alert zijn op signalen door in de praktijk continu aandacht te hebben voor het delen van kennis. Bijvoorbeeld door met de deskundigen te bespreken wat signalen zijn die kunnen wijzen op een onrechtmatige situatie.

De gemeente werkt vanuit vertrouwen. De meeste mensen hebben goede intenties en dan kan het heel vervelend en indringend zijn als er vragen gesteld worden over je leefsituatie. Omdat de uitkeringsnormen gebaseerd zijn op leefsituaties is dat soms toch nodig. Het is immers ook niet wenselijk dat een bijstandsgerechtigde geld moet terugbetalen, terwijl dat niet nodig was geweest als de gemeente wel gecontroleerd had. Dat is extra schrijnend als er geen opzet in het spel is.

3.3 Aanpakken waar nodig is

De nadruk ligt op het preventieve aspect van handhaving. Het college wil het onbedoeld niet-naleven voorkomen. Daarnaast blijft het belangrijk om op te treden tegen misbruik, oneigenlijk gebruik en niet-naleving van de regels die bij een uitkering horen.

Het sociale stelsel verliest uiteindelijk aan geloofwaardigheid en draagvlak als het niet-naleven van regels geen gevolgen heeft en uitkeringen terecht komen bij mensen die daar geen recht op hebben.

Het overtreden van regels gebeurt niet altijd opzettelijk. In de praktijk is het niet eenvoudig om onderscheid te maken tussen moedwil en vergissingen of onvermogen. Maar er blijven altijd situaties waarin het nodig is om consequenties te verbinden aan iemands gedrag. Dit gebeurt met de nodige zorgvuldigheid en het toepassen van de menselijke maat.

Een bijstandsgerechtigde is verplicht om naar vermogen te doen wat mogelijk is om weer aan het werk te komen. Soms werkt iemand daar niet aan mee. Dan kan een maatregel worden opgelegd, een tijdelijke verlaging op de uitkering. Maatregelen zijn in principe bedoeld om de bijstandsgerechtigde zijn gedrag te laten aanpassen. Voor zover de wet daartoe dat toelaat (bij de niet-geüniformeerde verplichtingen), is in de afstemmingsverordening dan ook ruimte voor die gedragsverandering. Een uitkering kan alleen goed vastgesteld worden op basis van de juiste informatie; daarom bestaat de inlichtingenplicht. Controles daarop zijn dan ook onderdeel van de dagelijkse dienstverlening. Dat begint bij de uitkeringsaanvraag. Een zorgvuldige controle bij het toekennen van een uitkering zorgt ervoor dat uitkeringsgelden goed besteed worden en het voorkomt dat onterecht verstrekte uitkeringen teruggevorderd moeten worden. Daarnaast voorkomt het ook dat er een boete opgelegd moet worden.

4 Controle op maat

Controle begint bij de uitkeringsaanvraag. Een zorgvuldige controle bij toekenning zorgt ervoor dat uitkeringsgelden goed besteed worden en voorkomt dat onterecht verstrekte uitkeringen teruggevorderd moeten worden. Rechten en plichten verbonden aan de uitkering worden bij de uitkeringsaanvraag uitgelegd. Periodiek wordt via heronderzoeken gecontroleerd of de situatie waarop de bijstandverlening is gebaseerd in overeenstemming is met de werkelijkheid en bezien of de rechten en plichten nog duidelijk zijn. De contactmomenten worden vanuit een integrale blik tevens benut om bijstandsgerechtigden te wijzen op regelingen en voorzieningen, waarvoor deze in aanmerking kunnen komen. Waar ondersteuning nodig is wordt deze geboden.

Naast deze reguliere heronderzoeken controleert de gemeente ook op andere manieren: aan de hand van signalen, bestandsvergelijking en thema onderzoeken. Signalen kunnen komen vanuit de eigen organisatie, maar ook van daarbuiten. Thema-gericht onderzoek is ook een wijze waarop de gemeente controleert of een uitkering rechtmatig verstrekt wordt. In de volgende paragraven wordt de betekenis van deze verschillende controles en controle-instrumenten nader uitgelegd.

4.1 Signaal-gestuurd onderzoek

De gemeente ontvangt signalen dat een uitkering mogelijk ten onrechte wordt verstrekt. Deze signalen komen vanuit de eigen organisatie, maar ook van daarbuiten. Het betreft dan meldingen van andere instanties, zoals de politie, woningcorporatie, het UWV, en ook meldingen van inwoners. De signalen worden beoordeeld op onderzoekswaardigheid door de daarvoor aangestelde medewerkers. Wanneer van toepassing wordt een vervolgonderzoek ingesteld.

4.2 Bestandsvergelijking

De gemeente is aangesloten bij het inlichtingenbureau. Het inlichtingenbureau vraagt in opdracht van gemeenten informatie op bij instanties, zoals het UWV, DUO en de Belastingdienst. Door deze informatie elektronisch te vergelijken met het bestand van de gemeente, worden veranderingen in de situatie van bijstandsgerechtigden inzichtelijk gemaakt. Deze veranderingen kunnen van invloed zijn op het recht of de hoogte van de uitkering. Het resultaat levert een samenloopsignaal op. Bijvoorbeeld dat een bijstandsgerechtigde inkomsten uit dienstverband heeft ontvangen. De gemeente ontvangt hiervan een melding om te controleren of deze inkomsten ook zijn opgegeven.

4.3 Thema-gericht onderzoek

Dit is het projectmatig controleren van (een deel van) het uitkeringsbestand. De controles vinden plaats aan de hand van een objectief thema en kunnen worden onderverdeeld in enkel een administratief onderzoek, een feitelijk onderzoek of beide. Een thema onderzoek wordt opgezet vanuit een bepaald risico. Aan het opstellen van een risicoprofiel worden strenge eisen gesteld. Het gebruik van een risicoprofiel vindt plaats op zaakskenmerken daarbij wordt geen gebruik gemaakt van categorisering van bijstandsgerechtigden op basis van enige vorm van persoonskenmerken in strijd met wet- en regelgeving, met name verdragsrechtelijke bepalingen en mensenrechten. Een risicoprofiel wordt bij voorkeur gevoed met gegevens die feitelijke omstandigheden laten zien.

4.4 Controle instrumenten

De gemeente heeft verschillende mogelijkheden om te beoordelen of een uitkering rechtmatig wordt verstrekt. Deze mogelijkheden zijn voornamelijk een persoonlijk gesprek, raadplegen van bronnen, een huisbezoek, een waarneming ter plekke en een internetonderzoek. Maar ook het opvragen van bankgegevens of stelselmatige observatie behoort tot de mogelijkheden. De inzet van deze instrumenten is gebonden aan bevoegdheden. Het opvragen van bankbescheiden is bijvoorbeeld voorbehouden aan een door het college aangestelde toezichthouder. Stelselmatige observatie mag alleen door een buitengewoon opsporingsambtenaar en met bevel van de Officier van Justitie. Hoe zwaarder het instrument des te belangrijker de afweging of het instrument wordt ingezet en op welke wijze het instrument wordt ingezet. De inzet van deze instrumenten gebeurt daarom op basis van vastgelegde werkafspraken en protocollen.

5 Privacy en rechtsbeginselen

5.1 Privacy

Bij het uitvoeren van handhavingstaken op grond van de Participatiewet worden persoonsgegevens betrokken. Het verzamelen en verwerken van persoonsgegevens in het kader van een handhavingsonderzoek gebeurt op grond van een wettelijke grondslag. Dit geldt ook voor het verstrekken van persoonsgegevens aan derde partijen. Het verzamelen en analyseren van persoonsgegevens ten behoeve van een handhavingsonderzoek dient zorgvuldig gedaan te worden. Het verwerken van persoonsgegevens vindt plaats binnen de kaders van de Algemene Verordening Gegevensbescherming.

De bewustwording rondom het verzamelen en analyseren van persoonsgegevens voor onderzoek is versterkt met de inwerkingtreding van de Europese AVG verordening. Bij nieuwe gegevensverwerkingen of wijzigingen van bestaande gegevensverwerkingen wordt een Privacy Impact Assessment (PIA) uitgevoerd. Handhavingshandelingen zullen altijd in lijn met de privacy- en overige wetgeving moeten zijn.

5.2 Rechtsbeginselen

Waar van de inwoner verwacht wordt dat deze zich aan de regels houdt, geldt ook dat de gemeente zich aan de regels houdt. Zorgvuldigheid is geboden om het wederzijdse vertrouwen met de inwoner niet te beschamen. In het bijzonder bij het verrichten van rechtmatigheidsonderzoeken wordt volgens het proportionaliteitsbeginsel en subsidiariteitsbeginsel gewerkt. Dit betekent dat de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer in redelijke verhouding moet staan tot het doel. En wanneer het doel op een minder ingrijpende manier bereikt kan worden, voor de minder ingrijpende manier gekozen wordt.

6 Verantwoording

De voornaamste doelstelling van het handhavingsbeleid is om onbedoelde overtreding van regels te voorkomen. Wat niet gebeurd is, is lastig zichtbaar maken. De effectiviteit van dit beleid is daardoor lastig te meten. Met het periodieke cliënttevredenheidsonderzoek meten we hoe inwoners de dienstverlening van de gemeente ervaren. Dit omvat onder meer de informatievoorziening, het wijzen op rechten en plichten en het re-integratietraject.

Verbetering van dienstverlening is een continu proces. Om meer inzicht te geven in de handhavende en toezichthoudende taak zal het college deze tweejaarlijks aan de gemeenteraad verantwoorden. Onderdeel van deze verantwoording zijn de uitgevoerde onderzoeken en opgelegde sancties.

Ondertekening