Beleidsregels lijkbezorging van gemeentewege gemeente Súdwest-Fryslân 2026

Geldend van 21-03-2026 t/m heden

Intitulé

Beleidsregels lijkbezorging van gemeentewege gemeente Súdwest-Fryslân 2026

De burgemeester en het college van burgemeester en wethouders van Súdwest-Fryslân, ieder voor hun eigen bevoegdheid;

gelet op de artikelen 20, 21 en 22 van de Wet op de lijkbezorging;

hebben overwogen dat het wenselijk is om beleidsregels vast te stellen voor de uitvaarten van overledenen waarvoor de gemeente verantwoordelijk is;

besluiten:

vast te stellen de Beleidsregels lijkbezorging van gemeentewege gemeente Súdwest-Fryslân 2026.

Artikel 1 Begripsbepalingen

In deze beleidsregels wordt verstaan onder:

  • a.

    burgemeester: de burgemeester van de gemeente Súdwest-Fryslân;

  • b.

    erfgenamen: personen aan wie volgens de wet of testament (een deel van) de erfenis wordt nagelaten door de overledene;

  • c.

    gemeente: gemeente Súdwest-Fryslân;

  • d.

    lijkbezorging: het verzorgen van een uitvaart;

  • e.

    nabestaanden: bloed- of aanverwanten in de eerste of tweede graad;

Artikel 2 Opdracht tot lijkbezorging

  • 1.

    De burgemeester geeft binnen 4 werkdagen opdracht tot lijkbezorging van een zich binnen de gemeentegrenzen bevindende overledene waarvoor een opdracht tot lijkbezorging door nabestaanden van die overledene achterwege blijft. Dit geldt ook voor een overledene die niet ingeschreven staat in de gemeente.

  • 2.

    Als na de melding van overlijden niet duidelijk is wie opdracht geeft tot lijkbezorging, maakt de gemeente met de uitvaartverzorger de afspraak zorg te dragen voor het verplaatsen van de overledene naar een mortuarium en de eerste strikt noodzakelijke verzorging, maar nog niet voor de uitvaart.

Artikel 3 Nabestaanden

  • 1.

    De gemeente doet onderzoek naar het bestaan van nabestaanden als deze niet bekend zijn.

  • 2.

    De gemeente verricht geen bovenmatige inspanningen om de nabestaanden op te sporen.

  • 3.

    Het onderzoek naar de eventuele nabestaande(n) strekt zich bij de gemeente niet verder uit dan tot en met de 2e graad van bloed- en aanverwantschap.

  • 4.

    Als een nabestaande bekend is verzoekt de uitvaartondernemer de nabestaande de uitvaart te verzorgen. De nabestaande krijgt bedenktijd, de gemeente stelt deze op 24 uur na het eerste contact met de nabestaande.

Artikel 4 Beheersmaatregelen

  • 1.

    De gemeente beperkt de beheersmaatregelen tot het veiligstellen van bezittingen, waaruit de uitvaart kan worden bekostigd.

  • 2.

    De gemeente kan een notaris of het Rijksvastgoedbedrijf van het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening inschakelen als sprake is van bezittingen met een verwachte waarde van meer dan € 10.000,00.

Artikel 5 Invulling van de uitvaart

  • 1.

    De burgemeester doet onderzoek naar de wil van de overledene met betrekking tot de aard van de uitvaart (begraven of cremeren), bijvoorbeeld door te onderzoeken of er een testament, wilsverklaring of uitvaartpolis is.

  • 2.

    De burgemeester houdt alleen rekening met de door de overledene vastgelegde wens over de wijze van uitvaart voor zover dit begraven, cremeren of ter beschikking stellen van de wetenschap omvat.

  • 3.

    De burgemeester gaat, bij het ontbreken van concrete aanwijzingen over de wens van de overledene, over tot begraven.

  • 4.

    De gemeente houdt in beginsel geen rekening met aanvullende wensen van nabestaanden.

Artikel 6 Criteria voor een sobere uitvaart

  • 1.

    De gemeente hanteert het uitgangspunt van de Wet op de lijkbezorging over een sobere, maar respectvolle uitvaart.

  • 2.

    De gemeente geeft opdracht aan een uitvaartondernemer de uitvaart namens de gemeente te verzorgen. De volgende kosten worden vergoed:

    • a.

      overbrengen van de overledene van de plaats van overlijden naar het mortuarium;

    • b.

      eerste verzorging van de overledene;

    • c.

      verblijf in mortuarium;

    • d.

      aanschaf goedkoopste kist;

    • e.

      het ‘kisten’ van de overledene;

    • f.

      een eenvoudig bloemstuk voor op de kist;

    • g.

      verzorgen noodzakelijke formaliteiten en registratie;

    • h.

      eenvoudig rouwvervoer van de overledene naar de begraafplaats of het crematorium op de dag van de uitvaart;

    • i.

      uitvaartleider op de dag van de uitvaart;

    • j.

      de uitvaartondernemer verzorgt een korte afscheidsceremonie;

    • k.

      crematie: bewaren as in een asbus gedurende maximaal 6 maanden;

    • l.

      begraven: begraven in een graf op een gemeentelijke begraafplaats.

  • 3.

    De uitvaart kan, na overleg, plaatsvinden in aanwezigheid van nabestaanden. Bij het ontbreken van nabestaanden die afscheid nemen is er minimaal één gemeenteambtenaar bij de uitvaart aanwezig.

Artikel 7 Verhaal van kosten

  • 1.

    De gemeente doet onderzoek naar bankrekeningen, uitvaartverzekeringen en bezittingen van de overledene waaruit de lijkbezorging kan worden bekostigd.

  • 2.

    De gemeente verrekent, voor zover mogelijk, zelf de kosten van de uitvaart en de mortuariumdienstverlening, met inkomsten uit bezittingen en/of tegoeden bij banken en verzekeringsmaatschappijen van de overledene.

  • 3.

    De gemeente kan de kosten verhalen op de nabestaanden indien de bezittingen die bij de overledene zijn aangetroffen onvoldoende waarde vertegenwoordigen en de tegoeden bij banken en verzekeringsmaatschappijen van de overledene ontoereikend zijn.

Artikel 8 Inwerkingtreding en intrekking

Deze beleidsregels treden in werking op de eerste dag na publicatie in het Gemeenteblad, onder gelijktijdige intrekking van de beleidsregels 'Beleid inzake de lijkbezorging gemeente Súdwest-Fryslân'.

Artikel 9 Citeertitel

Deze beleidsregels worden aangehaald als 'Beleidsregels lijkbezorging van gemeentewege gemeente Súdwest-Fryslân 2026'.

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de vergadering van het college van burgemeester en wethouders van 10 maart 2026,

mr. drs. J.A. de Vries, burgemeester

drs. C. Smits, gemeentesecretaris

Aldus vastgesteld op 10 maart 2026,

mr. drs. J.A. de Vries, burgemeester

Toelichting op de Beleidsregels lijkbezorging van gemeentewege gemeente Súdwest-Fryslân

De Wet op de lijkbezorging (Wlb) is duidelijk: lijkbezorging is geen taak van de gemeente. Uitgangspunt van de Wlb is de burgerplicht van nabestaanden om de uitvaart van hun overledenen te regelen. De wetgever wijst geen specifieke kring van personen aan, of volgorde van verantwoordelijken.

Als niemand zorg draagt voor de uitvaart van een overledene dan is de burgemeester van de gemeente waar het overlijden plaatsvindt verantwoordelijk, vanuit de verantwoordelijkheid voor Volksgezondheid en Openbare orde. Dit is het geval als nabestaanden weigeren in de lijkbezorging te voorzien of als er (op dat moment) geen nabestaanden te vinden zijn.

De wet op de lijkbezorging (Wlb) bevat voorschriften en aanwijzingen over de wijze waarop lijkbezorging plaatsvindt. Onder meer zijn regels gesteld over lijkschouwing en identificatie, de voorwaarden waaraan begraving of crematie moet voldoen en de termijn waarbinnen begraving of crematie moet plaats vinden. Daarnaast is in de wet geregeld dat de gemeente bevoegd is om de daarmee gemoeid zijnde kosten te verhalen.

Omdat in de Wlb weinig is geregeld over de uitvoering, moet de gemeente zelf invulling geven aan het proces rondom de gemeentelijke lijkbezorging. De gemeente legt daarom in deze beleidsregels vast welke inspanningen we verrichten om nabestaanden op te sporen en op welke wijze de uitvaart wordt vormgegeven. De grondslag hiervan is te vinden in artikel 20 t/m 22a van de Wlb.

Mandaat

Formeel is de burgemeester verantwoordelijk voor de uitvoering van de artikelen 20 tot en met 22a Wlb. Deze uitvoering is gemandateerd aan medewerkers van de gemeente. Overigens betreft het bij de uitvoering van de Wlb niet alleen het nemen van besluiten (in de zin van de Algemene wet bestuursrecht), maar ook om het verrichten van feitelijke en privaatrechtelijke rechtshandelingen, waarvoor machtiging c.q. volmacht moet worden verleend. Deze machtigingen en volmachten zijn verleend wanneer je mandaat hebt.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 1 Begripsbepalingen

Nadere uitleg van de gehanteerde begrippen.

Artikel 2 Opdracht tot lijkbezorging

Het is niet wenselijk en ongepast om een overledene langere tijd op de plek van overlijden te laten liggen. De eerste verzorging omvat het overbrengen van de overledene naar het mortuarium (weghalen overledene en conserveren in het mortuarium). Dat geeft meteen tijd en ruimte voor onderzoek naar de nabestaanden en overleg met hen over de lijkbezorging. Tevens om bij het ontbreken van nabestaanden te proberen na te gaan wat de wensen van de overledene zijn met betrekking tot diens uitvaart (cremeren, begraven of ter beschikking stellen aan de wetenschap).

Artikel 3 Nabestaanden

Uitgangspunt van de Wlb is dat nabestaanden verantwoordelijk zijn voor de uitvaart. Deze beleidsregels zijn uitsluitend bedoeld voor gevallen waarin er geen opdracht wordt gegeven omdat er geen nabestaanden zijn of omdat zij weigeren de uitvaart te regelen. De gemeente moet nagaan of zij in de betreffende situatie een taak heeft. De gemeente benadert (zo nodig telefonisch) de nabestaanden en wijst hen op hun verplichtingen. Formeel is dit geen wettelijke verplichting, maar wel het uitgangspunt van de Wlb.

Op grond van artikel 16 Wlb moet de lijkbezorging plaatsvinden uiterlijk de zesde werkdag na het overlijden. Het is mogelijk om in het geval van bijzondere omstandigheden van deze termijn af te wijken, zoals bij het vermoeden van een niet-natuurlijke dood of als de er onduidelijkheid is over identiteit van de overledene. De bevoegdheid hiertoe ligt bij de burgemeester. Het verlengen van de termijn is niet bedoeld voor gevallen waar het onderzoek naar mogelijke nabestaanden nog niet is afgerond binnen de genoemde termijn. Om de lijkbezorging op tijd te laten plaatsvinden, geeft de gemeente de opdracht tot lijkbezorging uiterlijk de vierde werkdag na het overlijden.

Het onderzoek naar de eventuele nabestaanden gaat bij de gemeente niet verder dan tot en met de 2e graad van bloed- en aanverwantschap. Hierbij sluiten we aan op de erfrechtelijke rangorde, zoals bedoeld in artikel 4:10 tot en met 4:12 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Het onderzoek naar nabestaanden neemt vaak veel tijd in beslag. Daar tegenover staat dat voor de lijkbezorging een termijn staat van zes werkdagen. De inspanningen van de gemeente beperken zich tot hetgeen binnen de beperkte termijn redelijkerwijs mogelijk is. Het onderzoek in het kader van het verhalen van de kosten gaat verder en is uitgebreider (zie artikel 8 van deze beleidsregels).

Artikel 4 Beheersmaatregelen

Zodra sprake is van een onbeheerde nalatenschap melden we de nalatenschap aan bij het Rijksvastgoedbedrijf indien de nalatenschap naar verwachting meer is dan € 8.000,00. Zij nemen de zorg van de gehele nalatenschap (inclusief woning, voertuigen, etcetera) per direct op zich. Zij doen onderzoek naar de nalatenschap en nemen de verdere afwikkeling op zich. Als de nalatenschap toereikend is voldoen zij de factuur voor de uitvaart.

Artikel 5 invulling van de uitvaart en artikel 6 Criteria voor een sobere uitvaart

De Wlb schrijft voor dat de lijkbezorging gebeurt volgens de wens of de vermoedelijke wens van de overledene, tenzij dat redelijkerwijs niet gevraagd kan worden. De burgemeester is verantwoordelijk voor de lijkbezorgingen en moet de wens van de overledene respecteren voor wat betreft de wijze waarop deze plaatsvindt (zie TK 1981/1982, 11 256, nr. 17, p. 7). Dit kan begraven, cremeren of ter beschikking stellen aan de wetenschap zijn. Andere vormen zijn wettelijk gezien niet mogelijk. Door middel van een codicil of testament kan de overledene hebben aangegeven welke vorm van lijkbezorging gekozen moet worden (gratis na te gaan of er een testament is via www.centraaltestamentenregister.nl). Als er een testament is, dan schakelen we de notaris in, die mogelijk ook de lijkbezorging op zich kan nemen op dat moment.

Het kan ook dat op andere wijze de wens voor één van deze vormen is vastgelegd of uit andere bronnen deze wens blijkt. Ook dan moet de gemeente met deze wens rekening houden. Als de wens van de overledene niet bekend is, gaat de gemeente altijd over tot begraven. Als zich later nog nabestaanden melden, kunnen zij alsnog kiezen voor cremeren of elders begraven. Zo voorkomen we dat de gemeente een onomkeerbare keuze maakt, die achteraf niet blijkt overeen te komen met de geloofsovertuiging van de overledene of zijn wensen of die van de nabestaanden. Als er gekozen wordt voor crematie, bijvoorbeeld omdat de overledene dit wenste, dan geldt ook hier het principe van ‘sobere’ uitvaart. Dat wil zeggen dat de gemeente de as van de overledene laat uitstrooien en de asbus niet bijzet.

Het crematorium moet de as minimaal een maand bewaren (artikel 59,eerste lid Wlb). Vervolgens kan de gemeente de as ter beschikking stellen aan nabestaanden of, als deze zich niet melden, uitstrooien. Het uitstrooien van de as kan pas een maand na crematie plaatsvinden. De gemeente kiest er voor om de as maximaal 6 maanden te laten bewaren. Melden zich in deze tijd nabestaanden bij de gemeente, dan kan de gemeente de asbus aan hen overdragen op het moment dat de kosten van de crematie volledig door hen zijn betaald.

Gezien het accent van de taak van de burgemeester in het kader van de Wlb ligt op de volksgezondheid en de openbare orde en de verantwoordelijkheid voor het regelen van de uitvaart bij de nabestaanden ligt, kiest de gemeente voor een uitvaart met een respectvol, maar sober karakter. In het kader hiervan is er altijd minimaal één medewerker van de gemeente bij de uitvaart aanwezig.

De uitvaartondernemer kan via de zoekservice van het Verbond van Verzekeraars vaststellen of de overledene een uitvaartverzekering heeft. De uitvaartondernemer dient dan ook de kosten van de uitvaart –tot zover de uitkering strekt- uit de verzekering te voldoen. De gemeente bekostigt alleen hetgeen niet door de verzekering wordt gedekt en verhaalt dat bedrag op de nalatenschap en de nabestaanden.

Artikel 6 Criteria voor een sobere uitvaart

In dit artikel zijn de criteria opgenomen voor een sobere uitvaart.

Artikel 7 Verhalen van de kosten

Artikel 22 van de Wlb voorziet in de mogelijkheid om de kosten van en verbonden aan de uitvaart te verhalen. Het college maakt van deze bevoegdheid gebruik. De kosten verhaalt de gemeente op de nalatenschap en op de nabestaanden (artikel 22 van de Wlb).

Over de vraag welke kosten exact op grond van artikel 22 van de Wlb verhaald kunnen worden, zijn vrijwel geen aanknopingspunten beschikbaar in de wetsgeschiedenis of de jurisprudentie. Vanuit het principe dat de lijkbezorging in eerste instantie een particuliere verantwoordelijkheid is, gaat men er in het algemeen van uit dat de gemeente de bijkomende kosten ook kan verhalen, voor zover deze, naar aard en omvanggenomen, ‘redelijkerwijs’ zijn gemaakt. Daaronder vallen ook ‘regelkosten’ en/of administratieve kosten, zoals kosten om nabestaanden te vinden, om de woning van de overledene te kunnen betreden, enzovoort.

Verhaal op de nalatenschap

Het college maakt verder gebruik van de bevoegdheid de kosten van de uitvaart te verhalen op de nalatenschap. Onder nalatenschap verstaan we het geheel van bezittingen en schulden dat de overledene nalaat. Onder bezittingen vallen bijvoorbeeld ook uitkeringen, die nog worden verstrekt na het overlijden. De schulden, die de overledene nalaat, vallen in beginsel in de nalatenschap (zoals belastingschulden en vorderingen van de gemeente ter zake van te veel verstrekte bijstand). Deze schulden worden als eerste, naargelang hun preferentie, uit de nalatenschap voldaan.

Vervolgens worden bijvoorbeeld de uitvaartkosten uit de resterende nalatenschap betaald (zie artikel 4:7 eerste lid BW). De nalatenschap vormt, zolang deze niet is aanvaard, een van de erfgenamen afgescheiden vermogen. Na zuivere aanvaarding vloeit de nalatenschap, inclusief de schulden, samen met het vermogen van de betreffende erfgenaam. Dan is het denkbaar dat de nalatenschap (eventueel beneficiair) aanvaard is of er een onbeheerde nalatenschap is.

Of er sprake is van een beneficiair aanvaarde of van een verworpen nalatenschap, kan worden nagevraagd bij de griffie van de rechtbank. Een beneficiair aanvaarde nalatenschap brengt met zich mee dat de erfgenamen niet persoonlijk aansprakelijk zijn voor schulden van de overledene als blijkt dat de nalatenschap ontoereikend is om de schulden te voldoen. Is een nalatenschap beneficiair aanvaard of is er een onbeheerde nalatenschap (bijvoorbeeld omdat deze verworpen is door alle erfgenamen), dan wordt er vaak een vereffenaar benoemd. Deze is verantwoordelijk voor het voldoen van de schulden van de nalatenschap, waaronder ook de kosten van lijkbezorging. Bij een (beneficiair) aanvaarde nalatenschap, wordt deze taak ook wel uitgevoerd door een executeur testamentair (als er een testament is) of een erfgenaam.

Is de nalatenschap (eventueel beneficiair) aanvaard, dan worden de kosten van de uitvaart in rekening gebracht bij de betreffende erfgena(a)m(en) c.q. de executeur testamentair of de notaris. Als een vereffenaar is benoemd, kan de gemeente de kosten bij hem indienen. Deze kosten zijn schulden van de nalatenschap die daaruit met voorrang moeten worden voldaan (volgens artikel 4:7 en artikel 4:184 BW). Bezittingen, die de gemeente in beheer nam (bijvoorbeeld sieraden of waardepapieren), overhandigt de gemeente aan de erfgenamen/notaris/vereffenaar, zodat deze ze te gelde kan maken. Het zuiver aanvaarden van een erfenis kan via een notariële akte maar ook stilzwijgend, bijvoorbeeld door het gebruik van goederen van de nalatenschap. Beneficiaire aanvaarding (aanvaarding onder voorrechtboedelbeschrijving) en verwerping van de nalatenschap moeten via een schriftelijke verklaring bij de rechtbank plaatsvinden.

Gedurende drie maanden na het overlijden kan op goederen van de nalatenschap, die (nog) niet zuiver is aanvaard, geen verhaal worden genomen (artikel 4:185 eerste lid BW). Bij beneficiaire aanvaarding en verwerping (door alle erfgenamen) kunnen de schulden van de nalatenschap slechts worden voldaan door een executeur testamentair (als er een testament is) of een vereffenaar, die door de rechtbank is benoemd (artikel 4:203 en artikel 204 BW).

Van een onbeheerde nalatenschap is sprake als er na het overlijden:

  • Geen erfgenamen zijn, of

  • Als niet bekend is of er erfgenamen zijn, of

  • Als de wel bekende erfgenamen de nalatenschap onbeheerd laten en een executeur, die de nalatenschap wel beheert, ontbreekt.

Als uit onderzoek blijkt dat er hoogstwaarschijnlijk sprake is van een nalatenschap die voldoende is om (het restant) van de kosten van de uitvaart te voldoen kan de gemeente deze aanmelden bij het Rijksvastgoedbedrijf. Dit onderdeel van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties houdt zich bezig met de afwikkeling van (vermoedelijk) onbeheerde nalatenschappen. Men doet eerst onderzoek naar mogelijke erfgenamen en voor zover deze er zijn probeert men die tot afwikkeling van de nalatenschap te bewegen. Voor zover deze er niet zijn gaat men over tot afwikkeling. Voor deze afwikkeling wordt een jaarlijks vastgesteld uurtarief in rekening gebracht. Dit wordt voldaan uit de nalatenschap. De aanmelder betaalt dus niets voor de afwikkeling.

Het Rijksvastgoedbedrijf beziet eerst of de afwikkeling lonend is, m.a.w. of de te maken kosten uit de nalatenschap kunnen worden voldaan. Als dit niet zo is, neemt men de zaak niet aan. In dit geval is het uiteraard voor de gemeente ook duidelijk dat verhaal op de nalatenschap geen uitkomst biedt. Gaat men wel over tot afwikkeling kan de gemeente zijn vordering inbrengen in de nalatenschap. De vordering in verband met de kosten van de lijkbezorging heeft een hoge preferentie op grond van artikel 3:288b van het BW.

Is de nalatenschap niet toereikend om in de kosten te voorzien, dan kan de gemeente de (resterende) kostenverhalen op de nabestaanden tot en met de 1e graad van bloed- en aanverwantschap. De gemeente kan ook onderzoeken of er sprake is van een testament. Uit het testament kunnen nabestaanden naar voren komen en kan blijken dat er bepaalde vermogensbestanddelen of verplichtingen (legaten) aanwezig zijn, die van belang zijn voor de afwikkeling van de nalatenschap. Bij het Centraal Testamentenregister (CTR) in Den Haag kan worden nagegaan of de overledene een testament heeft laten opmaken. Het CTR bevestigt deze informatie schriftelijk. De hiervoor benodigde aanvraagformulieren zijn beschikbaar bij het Ministerie van Justitie, directie Bestuurszaken. Bij het aanvraagformulier hoort een akte van overlijden.

Voor verhaal op de nalatenschap is paragraaf 6.5 van de Participatiewet ‘voor zover mogelijk’ van overeenkomstige toepassing. De gemeente maakt schriftelijk een verhaalsbeslissing, met daarin een kostenopgaaf, die zij verstuurt naar de nabestaande(n). Is iemand anders vereffenaar of executeur of is de afwikkeling in handen van een notaris gesteld, dan vindt verzending van de factuur aan hem plaats, met het verzoek tot uitbetaling over te gaan. Net als voor verhaal van bijstand geldt dat de verhaalsbeslissing niet geëxecuteerd kan worden op geld en goederen van de nalatenschap, tenzij de rechtbank de verhaalsvordering heeft vastgesteld.

In de Wlb is geen bijzonder voorrecht of titel vastgelegd ten aanzien van verhaal van kosten lijkbezorging. De toepassing van paragraaf 6.5 participatiewet ‘voor zover mogelijk’, brengt onder andere met zich mee dat artikel 62g, tweede lid Participatiewet van toepassing is. De gemeente gaat over tot verhaal in rechte, als de vordering door de nabestaanden, de executeur-testamentair of door de notaris bestreden wordt. Artikel 62h Participatiewet, dat de verzoekschriftprocedure regelt, is ook van toepassing.

Verhaal op de nabestaanden

Als er na verhaal op de nalatenschap nog kosten voor lijkbezorging voor rekening van de gemeente blijven, verhaalt de gemeente deze kosten op de bloed- en aanverwanten tot in de 1e graad, die op grond van de artikelen 1:392, 1:394-396 BW tot onderhoud van de overledene verplicht zouden zijn geweest. Paragraaf 6.5 van de Participatiewet is voor zover mogelijk van overeenkomstige toepassing. Niet van belang is dat de nalatenschap eventueel beneficiair is aanvaard of verworpen. Bloed- en aanverwanten zijn volgens artikel 1:392 BW:

  • Ouders;

  • Kinderen

  • Schoonouders, stiefouders en behuwd kinderen.

Voorop staat de morele verplichting van nabestaanden om zorg te dragen voor de uitvaart van hun overledenen. De beleidsvrijheid om al dan niet te verhalen brengt met zich mee, dat de gemeente onder bijzondere omstandigheden kan besluiten niet tot verhaal over te gaan. Deze omstandigheden zijn bijvoorbeeld situaties waarin verhaal op de nabestaanden een ernstige inbreuk op de levenssfeer van die nabestaande(n) teweegbrengt. Hierbij kan je denken aan verhaal van de kosten van lijkbezorging op de kinderen van een ouder waar sprake was van misbruik. Financiële overwegingen leiden niet tot het afzien van verhaal op de nabestaanden. Zij kunnen immers voor hun deel van de kosten een beroep doen op bijzondere bijstand. Schoonouders, stiefouders en behuwd kinderen staan in de kring van nabestaanden in een bijzondere relatie tot de overledene. Er zal ten aanzien van deze groep al sneller sprake zijn van een ernstige inbreuk op de levenssfeer van de nabestaande. De gemeente ziet af van verhaal op deze nabestaanden.

Paragraaf 6.5 van de Participatiewet is, zoals eerder gesteld, ‘voor zover mogelijk’ is van overeenkomstige toepassing. In aanvulling op wat eerder is genoemd, is nog van belang dat verhaal op bloed- en aanverwanten, anders dan bij verhaal van bijstand op onderhoudsplichtigen, niet plaatsvindt volgens de normen, die de burgerlijke rechter hanteert voor verplichting tot het verstrekken van alimentatie (TREMA-normen). De gemeente moet aansluiting zoeken bij verhaal van bijstand op de nalatenschap (artikel 62f onderdeel b Participatiewet), waarbij dit geen rol speelt. Zie ook Rechtbank Alkmaar 28 mei 2008, LJN: BD 3885. De gemeente kan de kosten van lijkbezorging verhalen op de bloed- en aanverwanten naar de mate van hun erfrechtelijk aandeel. Dat betekent dat als er drie kinderen zijn, ieder kind voor een derde deel van de kosten verbonden is. Er is geen hoofdelijke aansprakelijkheid. Ieder is voor zijn deel verbonden. Zie uitspraak LJN: BD3885.

Artikel 8 Inwerkingtreding en citeertitel

Dit artikel spreekt voor zich.

Werkproces voor de uitvoering van artikelen 20-22 van de Wet op de lijkbezorging door de gemeente Súdwest-Fryslân

Fase 1 - De melding

1.1: De gemeente ontvangt een melding over een overledene waarvan de nabestaanden niet bekend zijn, of waarvan de nabestaanden (om wat voor reden dan ook) niet bereid zijn tot het verzorgen van de uitvaart.

- Artikel 20 van de Wlb bepaalt dat deze melding binnen drie werkdagen na het overlijden gedaan moet worden -

1.2: De gemeente stelt de identiteit van de overledene vast op basis van documenten en/of verklaringen van hulpverleners of andere derden. De doodsoorzaak wordt vastgesteld door een behandeld arts, indien een niet-natuurlijke dood vermoed wordt gaat deze verantwoordelijkheid over naar de gemeentelijk schouwarts in dienst van Veiligheidsregio Fryslân. Met de verklaring van overlijden van de arts kan de overlijdensaangifte gedaan worden bij afdeling Burgerzaken, veelal voorziet de uitvaartondernemer hierin.

1.3: De gemeente maakt, onder normale omstandigheden, afspraken met het ziekenhuis/verzorgingstehuis en/of de uitvaartondernemer over de bewaring van de overledene. Afhankelijk van de situatie kunnen deze afspraken ook gemaakt worden met de politie of een andere partij.

1.4: De gemeente opent een digitaal logboek dat toegankelijk is voor betrokken medewerkers. In dit logboek worden alle acties vastgelegd die zijn genomen tijdens het onderzoek, denk aan de gegevens van de overledene, welke middelen benut zijn voor het vinden van nabestaanden, het verloop en de opbrengst van een eventueel huisbezoek, etc.

1.5: De gemeente start een onderzoek naar:

  • a.

    nabestaanden tot en met de 2e graad van bloed- en aanverwantschap zoals bedoeld in artikel 4:10-12 van het Burgerlijk wetboek: ouders (ook schoon- of stiefouders), grootouders (ook schoongrootouders), kinderen (ook schoon- of stiefkinderen), kleinkinderen (ook stiefkleinkinderen), broers en zussen (ook schoon- en stief- broers en zussen). Indien er nabestaanden gevonden worden, worden deze verzocht de uitvaart te realiseren; in het geval dat een nabestaande de verantwoordelijkheid op zich neemt, eindigt hier het werkproces.

  • b.

    een testament of codicil. Hiervoor kan het Centrale Testamentenregister geraadpleegd worden. Zie: https://www.notaris.nl/bij-overlijden/centraal-testamentenregister.

  • c.

    een levensverzekering. Hiervoor kan de zoekservice levensverzekeringen van het Verbond van Verzekeraars geraadpleegd worden. Zie: https://zoekservice.vanatotzekerheid.nl/.

  • d.

    de wilsbeschikking van de overledene of signalen die wijzen naar de voorkeur van de overledene over de manier van uitvaart. Indien er geen wens duidelijk wordt, wordt er overgegaan tot begraven.

1.6: De gemeente treft, indien nodig, de maatregelen voor het binnentreden van de woning van de overledene. De woning wordt binnengetreden door de medewerker tezamen met een ander die daarvoor gedelegeerd is. Een woning kan enkel worden binnengetreden nadat hiervoor een schriftelijke machtiging tot binnentreden is verleend door de burgermeester. Alle handelingen die verricht zijn in de woning, evenals een inventarislijst van inbeslaggenomen goederen, worden vastgelegd in het logboek. Aangetroffen huisdieren worden naar een asiel gebracht. Documenten en objecten van monetaire waarde worden meegenomen en bewaard in de kluis van het Sociaal Domein.

- De Algemene wet op het binnentreden geeft hiervoor bepalingen -

1.7: De gemeente geeft, onder normale omstandigheden, binnen vier werkdagen na het overlijden de opdracht aan de uitvaartondernemer om de volledige uitvaart te realiseren. Voor begrafenissen worden ook de medewerkers die gaan over de begraafplaats geïnformeerd.

- Artikel 16 van de Wlb bepaalt dat de uitvaart binnen zes werkdagen na het overlijden plaats moet vinden

- Artikel 17 van de Wlb bepaalt dat de burgemeester hiervoor een ander termijn kan instellen –

1.8: De gemeente informeert, indien de overledene huurt, de woningstichting over het overlijden. De gemeente treft geen verdere beheersmaatregelen zoals het opzeggen van abonnementen, of het opzeggen van gas, water en licht.

Fase 2 - De uitvaart

2.1: De gemeente deelt met eventuele nabestaanden de volgende informatie: bij een begrafenis wordt het lijk in een algemeen graf gelegd met een grafrust van 10 jaar. Bij een crematie wordt de as voor tenminste zes maanden bewaard voordat deze wordt verstrooid door de uitvaartondernemer. Indien de nabestaanden na een crematie beschikking willen over de as moeten zij eerst voldaan hebben aan de volledige kosten van de uitvaart. Nabestaanden hebben in principe geen recht op inspraak over invulling van de uitvaart wanneer de gemeente verantwoordelijk is voor de lijkbezorging.

2.2: De gemeente is aanwezig bij de uitvaart. De gemeente informeert betrokken nabestaanden over de locatie en het tijdstip van de uitvaart.

2.3: De gemeente kan nabestaanden uitnodigen voor de uitvaart, de gemeente is hiertoe niet verplicht. In de meeste gevallen zullen nabestaanden enkel aanwezig zijn wanneer zij zich welwillend hebben getoond.

Fase 3 - De afhandeling

3.1: De gemeente zorgt dat de kosten van de uitvaart die niet vergoed zijn door een eventuele levens-/uitvaartverzekering als volgt verhaald worden:

  • a.

    op goederen of gelden die bij de overledene (of in diens woning) gevonden zijn, en niet aan anderen toebehoren;

  • b.

    op de nalatenschap;

  • c.

    op onderhoudsplichtige nabestaanden wanneer de nalatenschap ontoereikend is.

- Artikel 22 van de Wlb geeft hiervoor de wettelijke basis -

3.2: De gemeente meldt een onbeheerde nalatenschap bij het Rijksvastgoedbedrijf van het Ministerie van VRO (Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening) of equivalent, die daarna de verdere nalatenschap zal afhandelen. Goederen van vermoede emotionele waarde (zonder monetaire waarde) kunnen, indien er geen testament is, overgedragen worden aan welwillende nabestaanden.

3.3: De gemeente sluit het logboek af en voegt deze toe aan het rapport in Suite (of equivalent). De medewerker legt de melding vast in het Wlb-register van de gemeente Súdwest-Fryslân zodat de aantallen en ontwikkelingen m.b.t. de Wlb te volgen zijn voor betrokken medewerkers.